Peel-Raamstelling - ontruiming

Inleiding

Nadat op de vorige pagina beschreven werd hoe de operationele afstemming op het hoogste niveau tussen de TBB en de Fransen geschiedde, volgt hieronder een uitgebreide beschrijving van de ingrijpende operatie om de vier noordelijke Vakken van de Peel-Raamstelling te ontruimen en nieuwe posities te laten innemen achter de Zuid-Willemsvaart. Het betekende een verplaatsing van 12 bataljons uit de Peel-Raamstelling zelf, twee afdelingen artillerie en enkele kleinere verbanden die resteerden uit de Maaslinie. Een troepenverplaatsing gelijk aan die van anderhalve divisie. Geen logistiek of operationeel niemendalletje dus.

De Vakken worden van noord naar zuid behandeld, waarbij vanzelfsprekend de koek voor Vak Weert snel op is, omdat de hoofdweerstand daar reeds achter de Zuid-Willemsvaart lag.

Vak Schaik

Het vak Schaik (of Schaijk) – waarin de aangevallen sector tussen Mill en Bruggen lag – bestond in de Peel-Raamstelling uit (van noord naar zuid, hierna geduid als van links naar rechts) de bataljons II-29.RI, III-14.RI, I-6.RI en I-3.RI die allen naast elkaar waren opgesteld. II-26.RI was voor de voorverdediging in het Vak aanwezig. III-20.RA was opgesteld op de sectorgrens tussen I-6.RI en I-3.RI om het zwaartepunt bij Mill te kunnen ondersteunen.

II-29.RI lag in het noorden langs de Bergsche Maas. III-14.RI was de laatste eenheid van de Peeldivisie, die werkelijk in de Peel-Raamstelling lag, achter het riviertje Raam waar de linie zijn naam deels aan dankte. II-29.RI en I-29.RI vormden de verbindingsstelling tussen Peel-Raamstelling (Grave) en de Maas-Waallinie. II-29.RI lag links aangeleund tegen III-14.RI en werd zelf links aangeleund door het tot Brigade B behoren I-29.RI (dat overigens tot het vertrek van III.LK onder dat legerkorps viel), dat het werkelijke scharnierpunt vormde tussen de Peel-Raamstelling en de Maas-Waallinie. I-29.RI zou zich in de avond van 10 op 11 mei geheel naar de noordzijde van de Bergsche Maas begeven en zich aansluiten bij de terugtrekkende Brigade B om daarmee de nieuwe veldleger reserve achter de Grebbelinie te gaan vormen. III-29.RI viel reeds onder de Brigade B en was al op 10 mei boven de Maas ingedeeld in de Maas-Waallinie.

Peel-Raamstelling noord

[241] Commandant over het vak Schaik was de voormalige C-29.RI, reserve overste J. Detmar [met als adjudant q.q. chef-staf kapitein H.W. Lenderink], die als commandant van 29.RI door de overste Land werd opgevolgd. De overste Land, die de tegenaanval op 13 mei ten noorden van de Grebbeberg zou leiden, waaraan zowel I als III-29.RI zouden participeren.

[241] De commandant Vak Schaik [reserve luitenant-kolonel Detmar] speelde in de ochtend een sleutelrol bij de vernielingen over de Maas in het noordfront van de Peel-Raamstelling. Ook hier ontbrak het aan directieven vanuit de Staf Peeldivisie. Er waren bij Vak Schaik geen protocollen bekend voor het vernielingsbevel voor de bruggen bij Grave en Ravenstein, en ook niet voor die bij Gennep. Een kwestie die zeer kwalijke gevolgen had voor Gennep en hád kunnen hebben voor Grave, ware het niet dat de Duitsers (zoals bekend: zei de bespreking van de gebeurtenissen in de Maas-Waalkanaalstelling) gedraald hebben hun vroeg verworven overgang over het Maas-Waalkanaal bij Hatert uit te buiten. Zouden zij dit wel hebben gedaan, dan had de late vernieling van de brug bij Grave mogelijk net zulke kwalijke gevolgen gehad als de onvernietigde brug bij Gennep.

De kwestie Gennep werd door de Enquête Commissie bij hoge uitzondering overigens tot in detail onderzocht en men concludeerde bikkelhard over het gebrekkige legerbeleid terzake. De Commissie realiseerde zich kennelijk niet [c.q. men wilde zich niet realiseren …] dat de kwestie Gennep in wezen model stond voor de (gebrekkige) kwaliteit van de legerleiding als geheel ten aanzien van Noord-Limburg en Noord-Brabant.

[241] Uiteindelijk was het zo dat de vernielingsploeg bij Grave middels machtiging van de C Vak Schaik de brug opblies, maar pas bijna twee uur nadat het bevel door overste Detmar was gegeven. De brugcommandant had het vernielingsbevel dat hem rond 0430 uur bereikt had, niet vertrouwd en verificatie gevraagd. Uiteindelijk was het pas na 0600 uur dat hij de brug opblies.

[241] De gehele dag kreeg C-Vak telefonische meldingen van het front doorgestuurd. De meeste verbindingen bleven tot aan de avond werkzaam, waarna enige uitvielen. C-Vak bemoeide zich zeer afstandelijk met de gang van zaken in zijn Vak, terwijl er alle aanleiding was bovenop de zaak te zitten. Zijn alarmerende berichten richting Peeldivisie leidden echter wel bijna tot een te vroege terugtochtsinstructie vanuit de divisie aan de troepen in de linie.

[241] Om 2035 uur werd telefonisch het bericht van Staf Peeldivisie ontvangen dat om 2400 uur de Peel-Raamstelling zou worden geëvacueerd naar de Zuid-Willemsvaart. Daarbij diende onderweg vertragend te worden opgetreden, d.m.v. aanrichting van vernielingen en versperringen. De instructie was dat de Vak breedte en indeling geprojecteerd werd op de meest noordelijke sector van de Zuid-Willemsvaart vanaf Den Bosch (Hintam) tot aan kilometerpaal 108 (Veghel). Het betekende dat van noord naar zuid II-29.RI, III-14.RI, I-6.RI en I-3.RI een vak aangewezen hadden gekregen. Bovendien zou III-20.RA zonder geschut bij Den Dungen achter de Vaart komen te liggen. Zodoende was het vak van II-29.RI van de zuidoostgrens van Den Bosch tot 250 meter west van de brug bij Den Dungen. III-14.RI van dat punt tot aan de sluis tussen Middelrode en Heeswijk. Aan weerszijde van Heeswijk kwam I-6.RI en tussen de oostgrens van Heeswijk [Dinther] en het noordwesten van Veghel tenslotte I-3.RI.  Erg veel stevige bruggen had de Zuid-Willemsvaart niet, maar de brug bij Heeswijk lag precies in de sector die was aangewezen voor de Mill bataljons.  De aanleunende sector werd bezet door troepen van Vak Erp, waarvan de meest linkse formatie II-2.RI was, tegenover Veghel.

[241] Voor de Vakcommandanten gold dat zij van C-Peeldivisie de opdracht kregen de verdediging operationeel zelf te leiden en de vijand maximaal afbreuk te doen en zo lang mogelijk aan de oostzijde van de Vaart te houden. Hen werd meegegeven dat Franse troepen zich in hun rug ontplooiden. De gehele operationele uitvoering werd dus – hoe on-Nederlands in die dagen – aan de vakcommandanten overgelaten. Op papier een prachtige geste van de C-Peeldivisie, maar in feite een wassen neus. De faciliteiten om een verdediging actief operationeel te leiden ontbraken ten enenmale – want mobiele en vaste verbindingen waren niet voorhanden – en bovendien leende de cordonstelling, die in het geheel niet van noord naar zuid was te bereiken aan de westzijde (wegens ontbrekende wegen) zich totaal niet voor orderdistributie per ordonnans. Kortom, van operationele leiding door vakcommandanten kon in de praktijk geen sprake zijn. Daar kwam bij dat de vakcommandant Schaik zijn commandopost ver achter de Vaart installeerde, in Vught. In de Van Voorst tot Voorststraat, nog west van het station, kwam de CP. Dat betekende voor I-3.RI dat de afstand tot de CP van C-Vak 16 kilometer was. Slechts II-29.RI zat op korte afstand, 3 tot 5 kilometer van overste Detmar.

[241] Rond de klok van elf uur in de avond van de 10e mei was de vakcommandant vertrokken richting Vught. Zonder dat hij er zorg voor droeg dat hij bevestiging kon krijgen van de goede ontvangst van de opdrachten, die hij voor wat betreft de inmiddels onbereikbare III-14.RI, I-6.RI en I-3.RI niet aan de BC’n zelf kon overbrengen. Zij werden middels ordonnansen geïnformeerd. Maar kennelijk was de Vakcommandant niet ongerust of de beide in zware gevechten verwikkelde bataljons bij Mill wel bereikt konden worden. Te meer niet, daar hij III-20.RA, dat immers een reserverol kreeg toegedicht, uitstekend naar de brug bij Heeswijk had kunnen sturen als veiligheidsscherm in het geval I-6.RI en I-3.RI vertraagd – of niet – zouden arriveren. Wel besloot de C-Vak om rond het middernachtelijk uur aan de oostelijke uitvalsweg van Den Bosch zelf post te vatten met enige officieren en daar ongeregelde troepen op te vangen en hen naar de juiste vakken te dirigeren. Het viel ook toen kennelijk niet op dat de bataljons uit de sector Mill niet waren vertegenwoordigd. Zij zouden immers pas in de ochtenduren – voor zover succesvol ontsnapt – Den Bosch bereiken. De overige gebeurtenissen zullen worden beschouwd nadat is gekeken hoe de Peeldivisie zich uit de kanaalstelling in de Peel terug trok op de nieuwe provisorische weerstand langs de Vaart.

[120, 121, 247] De naar de bataljons toegezonden ordonnansen [II-29.RI werd telefonisch ingelicht, de overige drie bataljons werden niet telefonisch bereikt] kwamen ten westen van Mill midden in de Duitse aanval op de stelling. Zij bereikten slechts een officier van III-20.RA. Deze zou diverse Nederlandse verbanden nog waarschuwen, maar de hoofdmacht bleef ongewis van de terugtocht. Hoewel dit voor de meeste secties van met name I-3.RI niet veel uitmaakte – zij hadden zich immers vrijwel zeker niet los kunnen maken van de tegenstander – was het toch een gegeven dat enkele kleinere delen van I-3 en vooral I-6.RI later zonder enig besef van hun (nieuwe) missie in Den Bosch zouden aankomen. Dat gold niet alleen voor de twee voornoemde bataljons. Ook andere onderdelen zouden bij Den Bosch samenstromen.

[120, 121] In het Vak Schaik zelf bleef menige sectie nog tot diep in de ochtend van 11 mei in gevechtscontact met zuiverende Duitse verbanden. Er vielen dan ook nog steeds slachtoffers aan beide zijden. Desalniettemin was de linie al doorbroken en waren onderdelen van de 254.ID reeds doorgestoten westwaarts. De Nederlandse verliezen – naast de 30 doden en 60 gewonden [gewondengegevens vlgs Rode Kruis archief] – waren ongeveer een bataljonsterkte groot, doordat circa 700 man krijgsgevangen werden gemaakt. Dat laatste getal is een onbevestigd getal overigens. Er is auteur dezes geen bron voorhanden die betrouwbare getallen geeft. Als men gemakshalve van de betrouwbaarheid van dit getal mag uitgaan, betekende het echter dat van de drie bataljons en één afdeling artillerie die in de strijd geraakten, ‘slechts’ ongeveer 25% voor de verdere strijd verloren was gegaan. Dat typeert wellicht duidelijker hoe kwalijk het was dat die overlevende 75% voor het grootste deel ongewis bleef van de nieuwe orders. Hoe kwalijk, wordt in het volgende hoofdstuk over de strijd aan de Zuid-Willemsvaart duidelijk.

[243] II-29.RI [C. majoor J.W.L. Versteegh] ontving het bericht van de verplaatsing uit de Peel-Raamstelling. De eenheid was posities aangewezen ten oosten van Den Bosch. Het bataljon had, op enkele korte vuurcontacten ten noorden van de Maas (SS.AA actie tegen Grave vanuit het noorden) na, en een uitloper van het avondbombardement achter de stellingen van de meest rechtercompagnie, geen gevechtsaanraking gehad. Gevolg was dat men zich niet van de Duitsers los hoefde te maken. Om 2300 uur werd het bevel gedistribueerd onder de compagnieën, de sectie 6-veld en de sectie mortieren, dat er op de sector Den Bosch moest worden teruggetrokken. Merkwaardig genoeg, kreeg men pas te Oss tussen 0600 en 0700 uur opdracht naar de sector Den Bosch – Den Dungen te gaan en daar posities achter de Zuid-Willemsvaart te nemen. Per compagnie een sector van een kilometer breed. Nog merkwaardiger was dat de compagnieën werd gemeld dat de zware wapens achter moesten blijven, wat het gros van de eenheden (gelukkig) niet opvolgde. Daarom werden (alsnog) de meeste mitrailleurs, alle stukken 6-veld en de mortieren meegenomen naar het westen. Enkele mitrailleurs, met name de zware, en een deel van de munitie werd onverhoopt achtergelaten.

[242] III-14.RI [C. reserve majoor E.G. Döbken, KNIL] had positie in het meest noordelijke deel van de Peel-Raamstelling, tussen Grave (inclusief brugdetachement) en Bruggen, aan het riviertje de Raam. In de loop van de dag was het bataljon (op papier) versterkt met 3-GBJ [C. reserve kapitein G.C. Vrolijk], dat om 0900 uur door de C-Peeldivisie aan Vak Schaijk was toegewezen [127]. C-Vak Schaijk zag voor hen echter kennelijk geen rol in de verdediging bij Mill weggelegd en stuurde de compagnie Jagers naar III-14.RI [127]. Ze zouden echter alweer rechtsomkeert maken voor ze aankwamen wegens tegenorders. Ook een twee secties sterkte van II-26.RI – dat uit de Maaslinie terugkwam – kwam bij III-14.RI de stelling binnen. Deze werd doorgestuurd naar de C-Vak Schaik.

[242] Een deel van III-14.RI kwam in de middag en vroege avond in gevechtsaanraking met Duitse formaties van 254.ID, op de linkerflank van haar sector. Bovendien kreeg men uitlopers van het luchtbombardement (in de avond) over zich heen, zonder dat dit overigens tot verliezen leidde. In de middag had men rond 1500 uur al een beperkt Duits luchtbombardement doorgemaakt, waarbij een burger was gedood. Rond middernacht werden door de CC’n de opdrachten voor evacuatie van de stelling fysiek verspreid onder de troepen in de stellingen. Opvallend is een geval van ruis in de bevelsketen. De staf III-14.RI kreeg de schriftelijke order van staf Peeldivisie om 2215 uur, die het bataljon een nieuw vak aanwees aan weerszijde van de Dungense brug. Maar de CC’n die de orders onder de troepen in de stelling distribueerden deden dit kennelijk zo onzorgvuldig dat menigeen begrepen had dat op Den Bosch moest worden teruggetrokken. In Den Bosch werden de daar gearriveerde delen van III-14.RI door gedirigeerd naar de sector rond Den Dungen, aan de Zuid-Willemsvaart. Andere delen van het bataljon trokken zelfs direct vanuit de Peel-Raamstelling zo ver als Tilburg terug, wegens ontbrekende directieven waar te verzamelen rond Den Bosch. De hoofdmacht van het bataljon kwam echter uiteindelijk in de loop van de middag (!) in de nieuwe positie rond Den Dungen aan, waar slechts bescheiden delen van het bataljon reeds in de ochtend waren aangekomen, omdat zij wel rechtstreeks naar de Zuid-Willemsvaart waren getrokken. Ook bij III-14.RI was dus sprake van verwarring over de bestemming na het terugtochtbevel. De aanleiding spreekt duidelijk uit het stafverslag. Men had verzuimd het doel van de terugtocht duidelijk te vermelden in de schriftelijke directieven aan de CC’n. Zodoende dacht een deel der troepen (voornamelijk 1-III-14.RI) dat te Den Bosch verzameld zou worden. Zij raakten daardoor een halve dag het verband kwijt met het bataljon.

[242] Het brugdetachement bij de Gravense brug werd niet gewaarschuwd omtrent de terugtrekking en zou pas rond het middaguur op eigen gelegenheid deels op Den Bosch weten terug te trekken. Een ordonnans die naar hen toegestuurd was had terug gerapporteerd dat de brug niet langer bezet was. Een kwalijke zaak.

[121] I-6.RI [C. majoor A.J.M. Allard] lag midden in de door de Duitsers aangevallen sector Bruggen – Mill. Het was al vanaf de ochtend van 10 mei in gevechten verwikkeld geweest en zoals bekend duurden die gevechten voort tot de ochtend van 11 mei. De via C-Vak Schaik aan C I-6.RI uitgezonden ordonnans werd bij het gehucht Zeeland weerhouden door te rijden. Hij kwam daar wel in contact met C III-20.RA, maar deze was reeds op weg naar het westen. Zodoende bereikte het terugtrekkingsbevel I-6.RI niet, hoewel het beslist nog een deel van het bataljon vermoedelijk tijdig tot een succesvolle terugtrekking had kunnen brengen, daar de Duitsers nalieten de gewonnen penetratie daadkrachtig uit te bouwen en de omgeving snel te zuiveren. Door het ontbreken van de instructie op de CP van majoor Allard werd daarom door het bataljon de strijd tegen de Duitsers voortgezet. Op zich al een zaak die buitengewoon opmerkelijk is en het bataljon eer doet toekomen voor zoveel doorzettingsvermogen en plichtsbesef. Daarbij ging van de majoor veel autoriteit uit door zijn officieren en manschappen een aantal keer collectief een hart onder de riem te steken en niet te verzaken, zoals andere bevelhebbers onder gelijke omstandigheden in mei 1940 maar al te vaak wel deden. Onderwijl stuurde de BC gedurende de late avond en nacht een aantal ordonnansen naar C Vak Schaik, die telefonisch niet meer bereikbaar was [C Vak had zich met zijn staf op Vught teruggetrokken]. De ordonnansen kwamen echter stuk voor stuk niet meer terug, zodat de BC in het ongewisse bleef wat er gaande was.

[121] Pas kort na 0800 uur (11 mei) kwam de BC er middels rapporten van twee officieren achter dat de belendende stellingen [van III-14.RI] verlaten waren en dat de eigen compagnieën intussen ook uit de stelling waren teruggetrokken. Het gros van de sterkte die zich aan de Duitsers had kunnen ontworstelen werd later in Heesch aangetroffen. Een groep onder kapitein B.M. Wirtz [C 3-I-6.RI] was onderweg naar Den Bosch gedirigeerd. Van I-6.RI slaagde vrijwel geen militair er meer in posities in te nemen achter de Zuid-Willemsvaart te Hintham [voor de oorlog een zelfstandig dorp onder Den Bosch, tegenwoordig een deel van de stad]. De brug over de Zuid-Willemsvaart aldaar was al opgeblazen. Het restant van het bataljon dat aldaar wel aanwezig was [onder de reserve kapitein C.D.M. van Exel, C 2-I-6.RI], vond onderdak in het Sint Josefgesticht, aan de noordoostzijde van de Vaart. Het deel van het bataljon onder de reserve kapitein B.M. Wirtz, dat dus wegens gewijzigde instructies onderweg in Den Bosch was beland, werd een front aan de westzijde van Den Bosch gewezen. Aan de Zuid-Willemsvaart kwam dat detachement niet meer terecht. Zware wapens had men niet meer bij zich. Die waren allen verloren gegaan tijdens de strijd of niet te evacueren geweest. In het geval van I-6.RI was daarbij beslist geen lichtvaardig handelen aan de orde geweest.

[120] I-3.RI [C majoor A. Netze] lag in het hart van de strijd in de kanaallinie, rondom de spoorbaan en wegen door Mill. Voor de gegevens van de strijd wordt verwezen naar de bespreking van de sector op 10 mei. De ordonnans die voor I-3.RI bedoeld was eindigde net als die voor I-6.RI bij Zeeland. Ook I-3.RI zou dus onverwittigd blijven van de terugtocht, hoewel voor dit bataljon een dergelijk bevel ook nauwelijks op uitwerking had kunnen rekenen. Het bataljon was over de volle sector die het nog hield, in gevechtsaanraking met Duitse formaties. Gedurende de nacht verminderde de gevechten. De Duitse hoofdmacht trok door het geslagen gat in de stelling en liet slechts patrouilles het terrein zuiveren. Zodoende kon het gebeuren dat stafleden zich zelfs tot het ochtendgloren enigszins ten ruste konden leggen. Nadien werd besloten terug te trekken richting Vught. Onderweg werd men echter gevangen genomen door de Duitse hoofdmacht die inmiddels volop langs de hoofdweg in opmars was. Fracties van I-3.RI waren echter gedurende de nacht al teruggetrokken, hoewel een groot deel van dit bataljon gevangen werd genomen gedurende de gevechten in de late avond van 10 mei en de vroege ochtend van 11 mei. De Zuid-Willemsvaart sector rond Dinther-Heeswijk kreeg zodoende geen Nederlandse bezetting. 

[247] III-20.RA [C. reserve kapitein S.L. Groenewoud] had een tumultueuze dag achter de rug, waarin zijn afdeling zich onderscheidelijk had gedragen. De Afdeling beschikte pas vier dagen over de twaalf stukken 8-staal, die de vuurkracht van de eenheid vormden; een geheel onbekende vuurmond voor de stuksbemanningen en kader, m.u.v. één beroepsopperwachtmeester. De dag ving voor de afdeling aan met de alom bekende afweer tegen een compagnie Duitse infanteristen die vanuit de troepentrein vanaf de spoorlijn in de rechterflank van de Afdeling kwamen en daar door direct vuur uit de gedraaide vuurmonden werd verdreven. Nadien had de Afdeling nog vuren afgegeven op de ontspoorde pantsertrein en enkele stormvuren op de voorbereide locaties voor de kanaalstelling. In de avond [ca. 2130 uur] kreeg de afdelingscommandant via een telefoonpost in het gehucht Zeeland de directieven van C-Vak Schaik naar Den Dungen terug te trekken, met verlof de stukken achter te laten bij gebrek aan tractie. Hierop werd nog een stormvuur afgegeven, waarna drie batterijen de positie achterlieten. Uiteindelijk trok één batterij (op eigen initiatief) echter niet terug en verschoot de laatste munitie. Zij zou later op eigen gelegenheid terugtrekken, daar zij van de instructie naar Den Dungen te evacueren niet vernomen had. De stukken 8-staal werden vernageld achtergelaten.

[247] In het gehucht Zeeland kwam de Afd.C. kort na 2200 uur aan. Daar werd ook contact gemaakt met de ordonnans voor I-6.RI met het bericht voor de terugtrekking. Afd.C. raadde (kennelijk) af richting de CP van I-6.RI te trekken en verzuimde bovendien militairen aan te wijzen de berichten alsnog naar I-6.RI en I-3.RI te doen versturen. Een kwestie die niet exact te reconstrueren is. Vanaf Zeeland werd met de verzamelde Afdeling (min ongeveer een batterijsterkte, wegens het vertraagde vertrek van de 2e Batterij) per fiets en met enige auto’s van de Afdelingstrein naar Den Dungen vertrokken. Daar kwam men rond het aanbreken van de dag aan, maar vond daar geen infanterie [waarvoor de reden reeds verklaard is]. Ook de eigen munitietrein was niet aanwezig. Deze was reeds als eerste onderdeel vertrokken en zou in Den Bosch onderdak vinden. Omdat de Afd.C. in Den Dungen geen infanterie vond en geen verbinding met de Vak C. kreeg, besloot hij richting Vught te vertrekken. Zodoende was de enige militaire bezetting die werkelijk in die kritische sector aankwam ook spoedig weer vertrokken.

Resumerend betekende het dat in de nacht van 10 op 11 mei de nieuwe defensie langs de Zuid-Willemsvaart tussen Den Bosch en de sector noordwest van Heeswijk conform plan bezet was, maar dat naast III-14.RI (dat op zich nog met slechts twee compagnieën in haar sector lag) een gat van twee bataljonbreedtes lag tot aan de westzijde van Veghel. Geen Nederlandse militair die daar de Vaart verdedigde en erger nog, geen soldaat die de brug bij Heeswijk verdedigde. Pas in de loop van de dag, toen het aanleunende Vak Erp constateerde dat de sector links van hen leeg was, werd 4-2.GB noordwest van Veghel, tot aan de zuidgrens van Dinther, in stelling gecommandeerd. Maar dat zou te laat blijken te zijn.

Vak Erp

Het Vak Erp in de Peel-Raamstelling werd (van noord naar zuid) gevormd door de naast elkaar opgestelde bataljons II-2.RI, II-17.RI en I-13.RI. Allen dus bataljons, uit de oorspronkelijke bezetting van de Peel-Raamstelling, behorende tot het III.LK. Het vak lag tussen Uden en Elsendorp, met Erp centraal op enige afstand achter de stelling. 15.GB vormde de voorverdediging binnen het Vak. Als artillerie eenheid voor de sector van I-13.RI, was II-20.RA aanwezig, omdat in dat bataljonsvak twee van de drie doorlopende naderingswegen van het Vak lagen. De derde lag in het linkerdeel van het Vak en kon nog beheerst worden door III-20.RA in Vak Schaik. Het gehele Vak miste inundaties en eveneens uitgestrekte drassige grond, zodat de nadering van de stelling slechts belangrijk werd beperkt door ontbrekende infrastructuur. Vanwege de ontbrekende natuurlijke hindernissen (m.u.v. het defensiekanaal) waren er daarom drie bataljons van het veldleger opgesteld. De Duitse aanvalsplannen voorzagen echter in een operationele luwte in deze sector, die vlak tegen de Legergrens aanlag. Dat wisten de verdedigers uiteraard echter niet.

Commandant van het Vak was luitenant-kolonel E. Snoek [met als adjudant q.q. chef-staf reserve kapitein J.J. van Hoogstraten]. Oorspronkelijk merkwaardig genoeg C.41.RI, welke dus geen enkele eigen eenheid onder commando had, want alle drie de bataljons van 41.RI lagen in de drie vakken eronder. [237] Overste Snoek had zijn commandopost in Erp.

In de Maassector voor de hoofdstelling werd 15.GB slechts op twee voorname locaties aangevallen, en wel bij Boxmeer en Afferden. Met name bij Boxmeer werden hevige gevechten gevoerd, waarbij in het bijzonder 2-15.GB betrokken was. De Duitsers kozen na de oversteek aldaar (en te Afferden) echter een noordelijke route richting Mill. Even zuidelijker bij Bergen zouden zij een pontonbrug over de Maas bouwen, maar die zou op 10 mei nog niet leiden tot militair verkeer richting de Peel-Raamsector in het Vak.

[237, 245] C-Peeldivisie gaf opdracht aan C-Vak om 15.GB vertragend te laten terugtrekken van de Maas en over het defensiekanaal te halen, waarna het bataljon als operationele reserve zou dienen voor Vak Schaik. Daarvan kwam het niet. Hoewel de Duitsers nauwelijks nadrongen in de sector van 15.GB, was een aanzienlijk deel van 2-15.GB (Boxmeer) en 3-15.GB (Afferden) gevangen genomen of ordeloos verspreid. Het was 1-15.GB [reserve kapitein E.P.C. Wolfs] dat voor een belangrijk deel binnen de stelling kwam. Kleine delen van de andere onderdelen van het bataljon kwamen later ook nog groepsgewijs terug achter eigen linie. Maar als eenheid werd 15.GB niet ingezet volgens de wensen van de C-Peeldivisie. Daarvan werd overigens door overste Snoek geen terugkoppeling gegeven, omdat hij slechts met C-1-15.GB contact verkreeg. Wel werd een deel van 4-2.GB – grenstroepen vanuit Vak Asten – in Vak Erp aangetroffen en doorgestuurd naar II-2.RI. Zij zouden nog enige actie meemaken in de zuidelijke uitlopers van het Duitse offensief in de avond tegen de sector Mill.

[237] C-Vak gaf in de late avond van 10 mei instructies uit aan zijn BC’n en Afd.C. om zich naar de Zuid-Willemsvaart te verplaatsen met afmarstijdstip 2400 uur. Munitie die niet redelijkerwijs kon worden meegevoerd moest men maar achterlaten. Zelf zou de C-Vak zijn CP inrichten in St. Oedenrode, langs de noordelijke verbindingsweg met Vught [Schijndelseweg].

[240] II-2.RI [C. reserve majoor J.F.L. Bruyn] lag in de meest linkse sector van het Vak en leunde tegen I-3.RI aan. Het bataljon beheerste de kunstweg naar Volkel, wat voor de Duitsers en de Nederlanders een belangrijke verbindingsweg was naar Uden. De linker compagnie alsmede een sectie 6-veld werden dan ook enige tijd zijdelings bij de strijd betrokken. Een stuk 6-veld dat de kunstweg richting Volkel beveiligde, vuurde nog enkele schoten op de Duitse troepentrein. Ook bij de Duitse compagniesaanval richting het vak net benoorden dat van II-2.RI, tussen spoor en kunstweg, raakte één sectie in vuurgevecht. Er vielen echter bij II-2.RI geen slachtoffers.

[240] Rond 2300 uur in de avond van 10 mei kreeg de BC telefonisch opdracht van de C-Vak om zijn bataljon naar Veghel over te brengen en het meest linker vak van de aan Vak Erp toegewezen sector te bezetten, aanleunend tegen I-3.RI bij Dinther. Daarbij zag het bataljon onvoldoende kans alle munitie mee te nemen, waardoor een aanzienlijk deel werd achtergelaten. Het verlof dat aan CC’n was gegeven alleen de munitie mee te nemen die men redelijkerwijs kon vervoeren, leidde ertoe dat er een groot munitietekort werd geconstateerd toen het bataljon in goede orde tegen het ochtendgloren de Zuid-Willemsvaart bereikt had. Rond 0900 uur in de ochtend werd bovendien geconstateerd dat het vak tussen Veghel en Dinther niet bezet was. Dat werd aan overste Snoek gerapporteerd, die het op zijn beurt bij de staf Peeldivisie in Tilburg meldde. Daar was echter kolonel Schmidt niet aanwezig omdat deze zich inmiddels in België bevond voor afstemming met colonel Dario. Onbekend is de reactie van de chef-staf Peeldivisie. Wel is bekend dat C-Vak 4-2.GB opdracht gaf het gat te halveren door links naast II-2.RI posities in te nemen. De eenheid zou te laat komen, zoals in een volgend hoofdstuk zal worden behandeld. 

[239] II-17.RI [C. reserve kapitein G.J. Klompers] bezette het middelste bataljonsvak, dat geen grote uitdagingen bood, omdat het geen belangrijke naderingswegen kende. De enige uitdaging die het verdedigingsvak wel bood, was de merkwaardige trapsgewijze saillant, die in het defensiekanaal was gemaakt, zodat de kanaalstelling wel tot vijf kilometer voor de werkelijke Peel-Raam hoofdverdediging kwam te liggen. Bovendien lag de voorzijde van de saillant tegen een klein bos aan, wat het schootsveld belemmerde. De saillant was echter vooral aangelegd omdat terzijde ervan een uitgestrekte bospartij lag die anders een veel groter deel van de stelling eenvoudig benaderbaar maakte. Een andere reden was dat het kanaal enigszins oostwaarts moest opschuiven om tegen de zompige grond tussen Rips en Deurne aan te kunnen worden gelegd. Het bood echter de enige uitdaging voor het bataljon, want een goed berijdbare weg lag er dus niet in de sector, waardoor een krachtige aanval in de bewuste sector minder voor de hand lag. Overigens was in deze sector de verdediging van het defensiekanaal nog niet geheel gereed. Zo waren de meeste kazematten nog niet van verbindingen voorzien en sommigen zelfs nog niet eens opgeleverd.

[239] Er gebeurde niets spraakmakends in het Vak gedurende de dag. In de late avond [ca. 2300 uur] ontving ook C.II-17.RI de opdracht terug te trekken op de Zuid-Willemsvaart. Men trok terug onder achterlating van aanzienlijke voorraden munitie en een stuk 6-veld, alsmede alle kazemataffuiten voor zware mitrailleurs. Rond 0600 uur was men in stelling tussen Veghel (vanaf de brug) en Keldonk, waarbij de 6-veld bij de brug aan de linkerzijde van het bataljonsvak werd geplaatst.    

[238] I-13.RI [C. reserve majoor J.J.G. Staal] bezette het meest uitdagende bataljonsvak binnen Vak Erp. Dat was het meest rechtse deel, dat tegen Vak Bakel [III-27.RI] aanleunde. De twee doorlopende wegen vormden daarbij de essentiële verdedigingspunten en daarom was II-20.RA [12 x 8-staal] ook toegevoegd aan het bataljon om afsluitingsvuren te kunnen geven. 

[238] Er werd in het bataljonsvak geen enkele actie gezien tijdens de eerste oorlogsdag, met uitzondering van enkele verbanden die vanuit de Maasverdediging over de beide doorgaande wegen weer in eigen gelederen kwamen. Om 2300 uur kreeg men telefonisch de opdracht de stellingen te evacueren en achter de Zuid-Willemsvaart een nieuwe opstelling in te nemen. De sector die het bataljon had aangewezen gekregen lag tussen Keldonk en de schutsluis ten zuiden daarvan. Binnen die sector lagen twee lichte ophaalbruggen. Eén bij Keldonk en één bij de schutsluis, waar tegenover bij elk een sectie 6-veld werd opgesteld. Beide bruggen werden kort na aankomst van de laatste onderdelen van het bataljon [ca. 0600 uur, toen de 2 uur vertraagde batterij 6-veld aankwam] aan de westzijde van het kanaal, opgeblazen.

De gehele sector had als bezwaar dat de weg naar Helmond [die tegenwoordig een 50-100 meter ten westen van de toenmalige dijk ligt, oost van de Vaart] op een hogere dijk lag dan de dijk aan de linkerzijde van de Vaart. Men had dus hoegenaamd geen schootsveld en kon slechts doelen bestrijden die zich op de beide naderingswegen (door Keldonk en richting sluis) of op de hoofdweg zelf toonden. Mortieren om achter de dijk te kunnen vuren had I-13.RI niet [238].

[247] II-20.RA [C. reserve kapitein D.J. Galle] kende weer een opmerkelijke geschiedenis. Zoals bekend werd 20.RA pas op het laatste moment gevormd en uitgerust met de museumstukken 8-staal, die enkele dagen voor de Duitse inval arriveerden bij het Regiment. De stukken van II-20.RA mochten slechts in het veld [ze stonden in een bosrand opgesteld] worden geplaatst, maar machtiging om opstellingen te graven kreeg men niet. Dat moest dus gebeuren op de eerste oorlogsdag.

[247] De afdeling werd in de late avond geïnstrueerd dat om middernacht op de Zuid-Willemsvaart zou worden teruggetrokken. Dit bevel werd aan de batterijcommandanten meegedeeld alsmede aan de treincommandant. Tijdens de voorbereidingen de stukken mee te nemen (de afdeling beschikte in tegenstelling tot III-20.RA wél over aanwezige paardentractie) kwam het bericht dat de afdeling al om 0100 uur over het Noorderkanaal moest zijn, omdat de bruggen nadien zouden zijn opgeblazen. Dat bericht zorgde ervoor dat men weliswaar om 2300 uur al gereed stond met de stukken om via Gemert naar de Vaart te rijden, maar dat de munitietrein, die het zwaarste werk had te verrichten, geen tijd meer had munitie te laden. Leeg vertrok de trein met de rest van de afdeling. Men had dus stukken bij zich (één stuk bleef defect achter), maar geen munitie! De Afd.C kwam hier spoedig genoeg achter en commandeerde de trein terug om met zes munitiewagens alsnog enige rantsoenen op te halen. Deze trein zou zich later weer aansluiten met slechts 104 projectielen, maar zonder de slagkwikpijpjes! Daarmee waren de vuurmonden dus weliswaar meegekomen, maar had men in feite geen munitie. Het was duidelijk dat de paniek bij de munitietrein groot was geweest en daarmee de gehele Afdeking waardeloos was geworden.

[247] De Afdeling liep onderweg een zodanige vertraging op dat het niet meer via de geplande terugtochtweg richting het aangewezen terrein west van de Zuid-Willemsvaart kon komen. Dat was het terrein bij Zondveld [terrein tegenover de zuidwestrand van Veghel]. Zodoende werd richting zuidwesten gereden, waarbij de afdeling niet alle wegen kon nemen omdat men met het enkele span paarden voor de stukken zandwegen diende te mijden. De Afd.C. ging vooruit richting Nijnsel terwijl de Batterijen zich bij Donk over de Zuid-Willemsvaart manoeuvreerden, met als doel St Oedenrode. Te Nijnsel kreeg de Afd.C. contact met overste Snoek, C-Vak Erp en meldde daar dat men nog niet bij het Zondveld kon geraken, maar bovendien dat men geen slagkwikpijpjes had meegenomen en dus waardeloze munitie had. Ondanks die mededeling kreeg de Afd.C. opdracht zich aan de weg richting Vught, ten noorden van St. Oedenrode op te stellen met de Afdeling. De Vakcommandant zou wel slagkwikpijpjes regelen. Hoe, dat was onbekend. Want zoals de Afd.C. hem er nog eens op wees dat er nergens in Brabant 8-staal munitievoorraden waren, behalve wat 20.RA zelf in de stelling had gehad, reageerde de C-Vak in het geheel niet. Hij persisteerde in zijn opdracht. [237] Onderwijl zou C-Vak C-Peeldivisie informeren omtrent het gemis aan ontstekers voor de 8-staal en als antwoord krijgen dat II-20.RA dan maar terug onder C.20.RA moest treden. Voordat de Afdeling echter daarvan verwittigd werd of zelfs maar in stelling kon komen, zou het in de loop van de ochtend alweer door de gebeurtenissen worden ingehaald.    

Zo namen de bataljons uit het onaangetaste Vak Erp keurig de hen toegewezen posities in achter de Zuid-Willemsvaart. Daarbij was slechts een opvallende kwestie dat de Vakcommandant te lichtvaardig aan zijn bataljonscommandanten had aangegeven dat niet eenvoudig te vervoeren munitie en middelen konden worden achtergelaten. Met uitzondering van I-13.RI, dat wel een aanzienlijke hoeveelheid munitie met haar trein meebracht, leverde dat op dat twee bataljons met alleen gevechtsrantsoenen munitie waren uitgerust. Dat was een volkomen onnodig tekort, dat verkomen had kunnen worden door een minder vrijblijvende instructie van de Vakcommandant. De handelingen van de verantwoordelijken voor de munitietrein van II-20.RA vormen de enige voorname dissonant in dit Vak. Door hun toedoen werd een gehele afdeling schaarse artillerie volkomen onbruikbaar. Anderzijds zouden de ontwikkelingen nadien aantonen dat dit voor II-20.RA niet veel had uitgemaakt voor wat betreft de gebeurtenissen op 11 mei.

Vak Bakel

Het Vak Bakel lag ten oosten van Helmond en werd door het gehele regiment 27.RI bezet [van noord naar zuid III-, II- en I-27.RI]. Dit regiment behoorde samen met 30.RI tot de authentieke onderdelen van de Peeldivisie en was al sinds de voormobilisatie in april 1939 gemobiliseerd (1). Beide regimenten zouden een belangrijk deel van de eigen stellingen graven in de Peel en waren daarmee uniek. Want in de hoofdstellingen van de Nederlandse defensie werden de meeste graafwerkzaamheden door eigen troepen pas in oktober 1939 (en later) gestart. De Peeldivisie was echter al vanaf april 1939 met de werkzaamheden begonnen.

Peel-Raamstelling Zuid

(1) Tijdens de voormobilisatie in april 1939 – beter bekend als de BOUV [Buitengewone Oproeping Uitwendige Veiligheid] mobilisatie – werden negen complete regimenten [13., 26., 27., 30., 35., 36., 37., 41. en 43.RI], één aanvullend bataljon [I-38.RI], het eerste Regiment Wielrijders [1.RW], het eerste Regiment Huzaren Motorrijders [1.RHM] en de twee eskadrons pantserwagens gemobiliseerd. Deze eenheden waren bedoeld om de beveiliging van het land te garanderen voor een onverhoedse overval en daarmee het nog niet gemobiliseerde leger de kans te geven onmiddellijk te mobiliseren, terwijl zij de buitenverdediging zouden voeren. De BOUV regeling was een gevolg van de door voormalig chef-staf luitenant-generaal Reynders en voormalig veldlegercommandant luitenant-generaal jonkheer Roëll vastgestelde risico’s op een strategische overval op Nederland. Een overval die zo snel zou plaatsvinden dat zij niet aangekondigd zou zijn door opvallende troepenconcentraties en daardoor nog geen aanleiding was geweest tot een mobilisatie van het leger.    

Het Vak Bakel lag in de sector tussen Rips en Deurne, het gebied waar de Peel-Raamstelling het verst achter de Maaslinie lag. Het Vak lag in het operatiegebied van 9.AK, van het 6e Leger. De beide divisies 30.ID en 56.ID opereerden daar naast elkaar, met de laatstgenoemde als meest rechtse (noordelijke). Vrijwel de gehele sector voor de Peel-Raamstelling in het Vak Bakel bestond uit bomen en drassig veengebied. Twee voorname wegen lagen in het Vak. De meest noordelijke was de weg die vanuit Venray richting Helmond leidde. De andere weg lag in het zuidelijke deel, deels parallel aan de spoorwegverbinding Venlo-Eindhoven. Deze weg en spoorbaan vormden net als bij Mill en Weert, zwaartepunten in de verdediging [op de grens met Vak Asten] alsmede het Duitse aanvalsplan. Het was de bedoeling geweest van de Duitse aanvaller om een goederentrein – met aan boord III./IR.234 [IR.234 was het derde regiment van 56.ID] – via Venlo over de Maas te brengen en daarmee de Peel-Raamstelling bij Griendtsveen te penetreren, om aldaar (analoog aan Mill) het bataljon in de rug van de stelling uit te laden. Zoals beschreven bij de bespreking van de strijd in de Maaslinie faalde de Duitse opzet reeds bij het onderscheppen van de Duitse commandogroep die de brug heimelijk had moeten nemen. De Politietroepen bliezen de Venlose spoorbrug met commando’s en al op. Daarmee werd een kopie van de actie die bij Mill wel slaagde door het oplettende brugdetachement verijdeld. Nadien ontspon zich een zware strijd rond Venlo, waarbij de 56e ID er niet in slaagde ter plaatse de verdedigers te overmeesteren. Noordelijk van Venlo slaagde men wel. Bij Lottum en even ten zuiden daarvan wisten de Duitsers nog in de vroege ochtend militairen met boten over te zetten. Bij Grubbenvorst, waar ook stevig strijd werd geleverd, werd eind van de middag een pontonbrug opgeleverd. Ten zuiden van Venlo werden twee Duitse veerdiensten met 4-tons pontonboten opgezet en in de avond een pontonbrug (bij Baarle) opgeleverd. 

[235] Commandant Vak Bakel was de reserve luitenant-kolonel F.N.F. van der Schrieck [met als adjudant q.q. chef-staf reserve kapitein J.C. Versluys], tevens regimentscommandant van 27.RI. De CP was ingericht te Deurne. Opvallend aan het regiment was dat er geen enkele beroepsofficier binnen het onderdeel diende. Niet binnen de staf noch bij de bataljons of ondersteunende eenheden. Een ongekende zaak, die typeert welk een schreeuwend tekort aan beroepsofficieren het Nederlandse leger kende. In het Maasdeel van het Vak lagen III-26.RI (rechts) en I-41.RI (links). Daarnaast was er het Peeldetachement Genietroepen [C. kapitein J.J. de Wolf], dat vernielingstaken had in de Vakken Bakel en Asten, maar lag in de sector van Vak Bakel.

[235] De C-Vak heeft opvallend kundig zijn eenheden leiding gegeven. Hij hield vanaf het eerste moment de gebeurtenissen aan de Maas zorgvuldig in de gaten. III-26.RI kreeg in Arcen, Lottum en Grubbenvorst te maken met overzet pogingen van de Duitsers. Daarbij raakte het gehele bataljonsvak betrokken. Dankzij de nog lange tijd werkende telefoonverbindingen kon C-Vak veel informatie ontvangen en instructies geven na geslaagde overgangspogingen der Duitsers om 3-III-26.RI terug te nemen op de hoofdstelling (2). In het vak van I-41.RI werd kundig leiding gegeven door de BC [reserve majoor W.E.H. Janssen], die na de doorbraak bij III-26.RI het in het nevenvak (links) gelegen 1-15.GB zijn linkerflank deed beveiligen en zijn eigen meest rechtse sectie zijn rechterflank. Nadat de situatie steeds nijpender werd gaf C-Vak opdracht aan I-41.RI op de hoofdstelling terug te trekken. Een aanzienlijk deel van I-41.RI wist zich nadien veilig te stellen achter de Peel-Raamstelling.

(2) Er zijn aanwijzingen uit een verslag van de chef-staf van Vak Asten [234; verslag reserve kapitein N. Kriens, 19 maart 1951] dat C-Peeldivisie kort voor het middaguur zijn Vakcommandant instrueerde de onderdelen der Maasverdediging op de hoofdweerstand terug te nemen indien de linie beslissend was doorbroken of de als de munitievoorraad verder verzet kansarm maakte.

[235] Nadat het ontruimingsbevel voor de Peel-Raamstelling was ontvangen, instrueerde de C-Vak zijn BC’en op zijn bureau te verschijnen en gaf duidelijke instructies. Daarbij opvallend genoeg de (operationeel verstandige) instructie dat ieder bataljon een deel van de kazematten bezet achter diende te laten als beveiliging voor de terugtocht en deze troepen pas na enige uren mochten volgen [het is auteur dezes helaas uit geen enkel verslag duidelijk geworden hoe lang de achterblijvers moesten wachten alvorens ook te ontruimen]. Nadat de bevelen waren uitgereikt verplaatste de C-Vak zijn commandopost naar Lieshout.

[236c] III-27.RI [C. Res kapitein G.J. Aerden] zat in de luwte van de gevechten, die voor hen aan de Maas werden uitgevochten. De gehele dag nam het vliegtuigen waar en zo nu en dan kleine groepjes voormalige Maasverdedigers van I-41.RI of III-26.RI. Veel was het niet, wat gezien het ontbreken van voorname wegen in het bataljonsvak niet verbaasde. Om 2300 uur werd de BC op de CP van C-Vak geïnformeerd dat om 2400 uur de terugtocht op de Zuid-Willemsvaart zou worden aanvaard. In tegenstelling tot bij andere Vakken, koos de C-Vak ervoor om zijn bataljons onder dekking van één der compagnieën (per bataljon) plus de helft van de kazematbemanningen te laten terugtrekken. Die veiligheidsdekking mocht pas later ook op de Zuid-Willemsvaart terugtrekken [en zou daar tijdig arriveren]. Een tactisch wijs besluit. Zo kon een eventueel kort op het vertrek nadringen tegenstander de hoofdmacht niet opeens overvallen.

[236c] III-27.RI had een batterij 6-veld van het KRA [Batterij 6-veld, vm Peeldetachement] in haar gelederen, met zes stukken 6-veld op rubberen banden en met motortractie. Daarnaast een sectie PAG (twee stukken) en een sectie met twee geweren 2 cm tegen pantsers, waarvan er slechts enkele tientallen operationeel in gebruik waren in het Nederlandse leger tijdens de meidagen van 1940. De ondersteuning werd met het bataljon afgevoerd en opgedeeld over het front van de nieuwe stelling. Ze zouden zich over Beek (brug) en Donk (brug en veerpunt) verdelen en bij de bruggen aldaar worden opgesteld. De commandant MC werd vooruit gestuurd om direct de beste posities voor de zware mitrailleurs te verkennen. Desondanks moest het vrijwel volledig van motorisatie gespeende bataljon veel van haar munitievoorraad achterlaten. Ook werden de wapens van een sectie van de MC in voorpostopstellingen achtergelaten. Een kwestie die kennelijk door de schermtroepen niet meer opgelost kon worden.

[236c] Het doelgebied was niet geschikt als stellinggebied. Aan de westzijde van de Vaart was veel bebouwing, omdat men midden in de (toenmalige) dorpjes Beek en Donk zat. Aan de overzijde was ook enige bebouwing, wat waarneming belemmerde. Bovendien had men aan de rechterzijde het haaks op de Zuid-Willemsvaart lopende Wilhelminakanaal dat eveneens een verdedigende bezetting diende te krijgen.
 
[236b] II-27.RI [C. reserve majoor G.J. Tielrooij] was een versterkt bataljon in het centrale bataljonsvak. Het had naast de eigen troepen, een sectie PAG (2 stukken), een batterij 6-veld van het KRA (zes stukken van 5e Batterij KRA) en een sectie mortieren van 27.Cie Mr. Bovendien nog vier 2 cm geweren tegen pantser.  

[236b] Nadat in de avond het terugtrekkingsbevel was gegeven, werd wederom een scherm gevormd, door alle kazematten bezet te laten en met de overige eenheden terug te trekken. Veel munitie moest men achterlaten in de stelling. Opmerkelijk genoeg zag men geen kans de geweren tegen pantser mee te nemen en ook een sectie zware mitrailleurs werd achtergelaten. Voor de zware mitrailleurs in de kazematten had men immers geen vervoermiddelen, zo stelde de BC. Wederom een kwestie waarbij men zich afvraagt waarom men niet enige creativiteit aan de dag legde om dergelijke relatief schaarse middelen, die werkelijk niet van onmenselijke omvang waren, achter te laten. Daar waar Duitse troepen enige uren later alom gesignaleerd (en gefotografeerd) werden met MG.08 watergekoelde zware mitrailleurs over de schouders, vonden Nederlandse militairen dat deze wapens zonder mitrailleurkar maar moesten achterblijven. Een kwestie van een mentaliteitsverschil, niets anders. Maar in een bataljonsverslag als volkomen logica gedebiteerd. Want men had immers al gewaarschuwd dat er mitrailleurkarren voor moesten komen!

[236b] II-27.RI moest het vak zuid van het Wilhelminakanaal bij Aarle [tegenwoordig Aarle-Rixtel] bezetten. Het bataljon werd tot en met de sector Helmond ontplooid. De meegevoerde PAG en 6-veld werd verdeeld over het front, terwijl de sectie mortieren in het linkervak bleef. Om 1000 uur was het gehele front bezet en alle wapens opgesteld. Net voordien was de achterwacht uit de Peel-Raamstelling ook weer aangesloten. De bruggen werden daarna opgeblazen. Het front was overigens zeer ongunstig omdat de Zuid-Willemsvaart ter plaatse aan de oostzijde vele uitgestrekte bomenrijen kende. Tijd die te rooien was er evident niet. Bovendien speelde ook in deze sector de hoge oostelijke dijk een rol. 

[236a] I-27.RI [C. reserve majoor A.J.R. Buytelaar] bezette het meest zuidelijke bataljonsvak, dat aanleunde tegen Vak Asten [III-30.RI]. Het bataljon werd ondersteund door twee stukken PAG, de vier stukken 6-veld van 27.Bt 6-veld en twee mortieren van 27.Cie Mr.

[235, 236a] In de loop van de eerste oorlogsdag kwamen diverse kleine en grotere groepjes militairen terug van het Maasfront. Die waren vooral van I-41.RI (waarvan een groot gedeelte terugkwam achter eigen linies) en drie secties van 3-III-26.RI. Ze werden in de stelling opgenomen. 3-III-26.RI werd later naar Venray gedirigeerd, om eventuele Duitse doorbraken elders in de flank te kunnen pareren. Het zou bij de terugtrekking op de Zuid-Willemsvaart als reserve te Lieshout komen te liggen. I-41.RI, waarvan grote delen succesvol terugtrokken, werd ten noorden van Venray gebracht. Het werd later eveneens in reserve achter de Zuid-Willemsvaart genomen. 

[236a] Rond 2200 uur [aldus het verslag BC] kreeg men opdracht om 2400 uur te evacueren naar Helmond, onder achterlating van een veiligheidsscherm. De afmars begon precies om mindernacht en men kwam reeds rond 0430 uur in Helmond aan (de afstand was slechts 10 km). De schermtroepen onder de C-MC, kwamen enige uren later ook binnen de nieuwe stelling. I-27.RI kreeg de sector toegewezen oost en noordwest van Helmond. Onbekend is of het bataljon ook een deel van haar zwaardere wapens achterliet. Zeker is dat PAG, 6-veld en het grootste deel der zware mitrailleurs meegevoerd werden. Een deel van de munitie werd wel achtergelaten.

27.RI trok dus – afgezien van enige onregelmatigheden betreffende de lichtvaardige achterlating van enige zware infanteriewapens – buitengewoon ordelijk terug. Opvallend was de organisatie die de C-Vak etaleerde. Het coördineren van de gevechten in de Maaslinie binnen zijn vak. Het tijdig terughalen van troepen die anders zeker ten prooi zouden vallen aan oprollen op hun flanken. Het in de avond kundig instrueren van zijn BC’n en een tactisch verstandige organisatie van de feitelijke terugtocht met beveiliging. Bovendien koos de Regimentscommandant telkens commandoposten die kort op het front lagen.

Vak Asten

Tussen Deurne en Nederweert lag het breedste Vak in de Peel-Raamstelling, zijnde het Vak Asten. Het was ook in andere opzichten een afwijkende sector in de verdediging. Zo week de hoofdverdediging ver van het defensiekanaal doordat ter hoogte van Meijel de hoofdstelling westwaarts afboog en het defensiekanaal zich zuidwaarts voortzette. In plaats van het defensiekanaal als voornaamste obstakel lag er een uitgestrekt veengebied [thans de Grote Peel], wat voor tanks en andere zware voertuigen onbegaanbaar gebied was. Het loslaten van het defensiekanaal kon dan ook zonder al te veel risico’s geschieden. Op de uiterst rechtse punt van het Vak ontmoette de Peel-Raamstelling de Zuid-Willemsvaart, welke vanaf de vakgrens tot aan de uiterst zuidelijke punt bij Dorplein zou worden gevolgd. Door de afstand van de hoofdweerstand tot de verlenging van het defensiekanaal [kanaal van Deurne, Noordervaart] en kleine accessen in het veengebied, was besloten enige sterke voorpoststellingen in te richten. Dat was bij vier punten gebeurd: (van noord naar zuid) Griendtsveen (weerszijde weg en spoorbaan), Helenaveen, Meijel en vlakbij Ospel. De stellingen en versterkingen waren reeds geruime tijd voor de inval gereedgekomen. De semipermanente opstellingen [s.p.o.] van uitstekende kwaliteit.

[234] Vak Asten werd in de Peel-Raamstelling slechts door twee bataljons bezet. Deze werden ondersteund door zes stukken PAG, 30.Bt 6-veld (vier stukken), een tweede batterij 6-veld (vijf stukken) van het voormalig Peeldetachement, een sectie met twee geweren tegen pantser alsmede 30.Cie Mr (zes mortieren). Het was weliswaar het breedste vak, maar men had gedacht dat daarin het minst aantrekkelijke opmarsgebied lag. Daarom waren III-30.RI (links) – dat een compagnie aan II-30.RI leverde – en II-30.RI (rechts) als enige bezetting aangewezen. Dat was bijna een misrekening geworden, als men de Duitse aanvalsopzet had gekend. De troepentrein die over de spoorlijn Venlo – Eindhoven had moeten rijden met een bataljon infanterie, was echter niet over de Maas gekomen. De trein zou precies bij de Vakgrens de Peel-Raamstelling in zijn gekomen. Men moet er niet aan denken hoe de verdediging daarop zou hebben geanticipeerd, indachtig de afstemming en coördinatie die dan tussen twee Vakcommandanten had moeten plaatsvinden!

[234] Aan de Maas lagen 2.GB (links) en III-41.RI (rechts), waarbij op papier de bezetting door 2.GB bij Venlo de meeste uitdaging zou krijgen. Venlo lag op een steenworp afstand van de Duitse grens. Een strategische overval was een zeer gevreesde zaak aldaar. Deze vrees was onverhoopt ook gedeeld door de legerleiding, zodat Venlo de eerste positie in Nederland was geweest die elektronische ontsteking had gekregen voor de strategisch gelegen bruggen. Bovendien had men lokaal zowaar een sectie mortieren ter ondersteuning van de twee rivierkazematten en Maasbeveiliging. Venlo had in tegenstelling tot het slechts iets verder van de grens gelegen Gennep dus wel alle aandacht gekregen van de legerleiding.

[234] Vakcommandant was luitenant-kolonel G.E.A. Theman [met als adjudant q.q. chef-staf reserve kapitein N. Kriens], regimentscommandant van 30.RI.    

[234] 2-GB werd geconfronteerd met de massieve Duitse aanval op Venlo, nadat de commandoactie tegen de bruggen was verijdeld door deze objecten, met een deel der commando’s er reeds op, te doen opblazen. Nadien ontstond een felle strijd tussen de Nederlandse troepen aan Blerickse zijde versus de aanvallers aan Venlose zijde. Bij die gevechten onderscheidden zich talloze Nederlandse militairen. Duitse artillerie werd zelfs in de straten van Venlo ingezet, rechtstreeks geleid door de artilleriecommandant van 56.ID, terwijl de commandant van de aanvallende Duitse divisie [Generalmajor Kriebel] en zelfs de legerkorpscommandant van 9.AK [General Geyer] de gevechten in Venlo enige tijd direct leidden. Het mocht de Duitsers niet baten. Doordat de Duitse troepenleiding ter plaatse buitengewoon slecht werd gevoerd, vertraagde de Duitse opmars in de sector Venlo aanzienlijk. Uiteindelijk kon de hoofdmacht pas rond 1500 uur de Maas over beginnen te steken. Voordien waren echter al troepen ter sterkte van een bataljon overgezet alsmede een deel van de toegevoegde verkenningsafdeling AA.25 (mot.).

Onder Venlo opereerde de Duitse 30.ID tegen het vak van III-41.RI. De oversteken in het vak van 30.ID lukten echter zonder zware gevechten, omdat deze divisie in tegenstelling tot de andere divisies, niet massaal aanviel op meerdere plekken, maar diverse posities aftastte op sterkte en tenslotte bij de zwakst geachte [Oijen] overstak. Daar waren om 0900 uur al Duitse verbanden aan de overzijde. Om 1000 uur waren al motoren van de aan de divisie toegevoegde AA.1 (mot.) [Kdr. Major Grässel] met zware pontonboten over de rivier gezet [558]. Spoedig nadien rolde de aanvallers de stelling achter de rivier naar beide zijden op. Vervolgens werd een veerdienst ingericht om troepen naar de overzijde te brengen terwijl men even zuidelijker bij Baarlo een pontonbrug begon te bouwen, welke overigens op 10 mei pas laat in gebruik zou komen. Reeds om 1300 uur kreeg een gemotoriseerde verkenningsafdeling van AA.1 (mot.) met versterking van IR.46 [30.ID] opdracht door de Peel-Raamstelling te breken en richting Helmond te verkennen. De verkenners werden echter pas zodanig vertraagd overgezet dat van die verkenning niets terecht kwam [558]

[234] Rond 1130 uur werd door de C-Vak opdracht gegeven aan de restanten 2.GB en III-41.RI om zich los te maken van de vijand c.q. de stelling en op de hoofdweerstand terug te keren. Dat geschiedde binnen het gehele Vak, waarna de eenheden werden geconcentreerd bij Liesel (2.GB) en west van Meijel (III-41.RI). In de late avond werden de bataljons geïnstrueerd terug te trekken op de Zuid-Willemsvaart onder achterlating van een veiligheidsscherm. CP werd te Someren ingericht.
 
[233c] III-30.RI [C. reserve majoor A. de Kloet] had slechts twee infanteriecompagnieën en de MC tot haar beschikking omdat 3-III aan het 2e bataljon was geleverd. Toegevoegd was de batterij 6-veld van het voormalig Peeldetachement met vijf stukken, een sectie PAG en een sectie mortieren. Van die versterking stonden drie stukken 6-veld en een stuk PAG oost van het Kanaal van Deurne. Dat betekende dat na intreding van de oorlogstoestand, door de daaropvolgende vernieling van de bruggen over het Kanaal door de mannen van het Genie detachement, deze stukken voor de hoofdweerstand als verloren beschouwd dienden te worden.

Waarom men er niet voor koos deze kostbare stukken aan de westzijde van het Kanaal op te stellen, en dus dit kanaal te verdedigen, lag in het feit dat men de Duitsers bij nadering reeds wilde afhouden van doorzetten van hun actie ter voorkoming van Duitse ontplooiing langs het overigens onverdedigde kanaal. Die keuze leek dus weloverwogen.

[233c] In de loop van de middag kreeg men restanten van eenheden van vooral 2.GB door de stelling, welke werden opgesteld bij Liesel, in het hart van het Vak, achter de voorste reguliere verdediging. Het detachement troepen van 2.GB zou tot over de honderd man groeien in de loop van de dag.

Er kwam slechts beperkte actie voor het bataljon (alleen bij een voorpost bij Helenaveen) en men werd daarom in de avond overdonderd door het bevel terug te trekken op de sector aan de Zuid-Willemsvaart noord van Someren. Men moest het afweergeschut aan de oostzijde van het Kanaal van Deurne evident achterlaten, net als de haast onvermijdelijke flinke hoeveelheid munitie.

[233b] II-30.RI [C. reserve majoor A.B. van Oeveren] – versterkt met een compagnie van III-30.RI – lag in het rechter vak. Het was versterkt met de vier stukken 6-veld van 30.Bt 6-veld, vier stukken PAG plus twee secties mortieren van 30.Cie Mr [vier mortieren]. 3-II [C. reserve kapitein E.M.P. Drost] bezette de voorverdediging bij Meijel en Ospel (Rochelsebrug over de Noordervaart), versterkt met drie stukken 6-veld.    

[233b] De voorverdediging van 3-II-30.RI zag aanzienlijke actie bij de Rochelse dijk en Meijel. Verkenners van AA.56 aangevuld met manschappen van de 2e en 3e Kompanie van IR.192 [56.ID] pleegden in de late middag twee pogingen om de hoofdweerstand binnen te komen. Bij Meijel en bij de kanaaldijk daaronder. Hoewel het Duitse gevechtsrapport indrukken toont dat de stelling (in feite dus de voorverdediging) te sterk was, hadden Duitse stukken PAK al spoedig de 6-veld bij de Rochelse brug uitgeschakeld. Het verweer van de verdedigers was echter zodanig, dat de Duitsers spoedig buiten schootsveld terugtrokken. Dat deed men bij Meijel ook. Aan Duitse kant sneuvelden vier man, waaronder een luitenant [32]. Aan Nederlandse zijde werden drie militairen [soldaten I. van Gent, P.C.W. Cools en dpl sgt F.J.A. Hoekstra] gedood door een granaattreffer van een pantserwagen in het Mariakapelletje west van Ospel [31]. Zij vormden een voorpost van het aanleunende Vak [I-30.RI], dat eveneens met de Duitse verkenners in aanraking kwam. Om 1930 uur werd de voorverdediging teruggenomen over het kanaal. De voorverdediging in het belenende Vak werd pas tegen middernacht teruggenomen.

[233b] De Duitse formaties bleven tegen de stelling aanliggen en kozen gedurende het vallen van de duisternis zelfs posities dieper in het voorverdedigingsvak, dat immers verlaten was na 1930 uur. Daarop werd met de beide secties mortieren een verontrustend vuur afgegeven op de wegen en kruispunten. Ook met de zware mitrailleurs werd op vastgestelde punten een storend vuur gegeven. Het stuk 6-veld binnen de hoofdweerstand had men achtergelaten. Van de PAG had men uiteindelijk twee stukken moeten achterlaten, waarbij dit voor het stuk dat oost van de Noordervaart had gestaan begrijpelijk was. Voornamer was dat men een deel van 3-II-30.RI was kwijtgeraakt. 

[233b] In de late avond ontving men het bevel tot de terugtocht. Een compagnie met een stuk PAG en een sectie mortieren bleef als beveiliging achter in de stelling. Doelgebied was de sector vanaf Sluis XI (Someren) naar het zuiden [Someren-eind bij Sluis XIII]. Men kwam nog voor het aanbreken van de dag in de nieuwe positie aan [de afstand was minimaal, slechts 8 km] en startte direct met versterkingen aanleggen en verstandige (hoge) wapenpunten zoeken in de aanwezige gebouwen en huizen. Met de hoog gelegen wapenpunten kon men immers de hoge dijk aan de rechterzijde omzeilen als schoots- en zichtbelemmering. Zwaartepunt van de verdediging vormde de sluis XI, die tussen Someren en Asten lag. De drie bruggen over de sluizen in de sector van Vak Aspen, zijnde de Sluizen XI, XII en XIII, werden door genisten opgeblazen.     

Het Vak was tijdens de eerste dag niet voor al te grote uitdagingen gekomen. Ook de C-Vak – overste Theman – leek tijdens de eerste oorlogsdag samen met zijn chef-staf de zaak goed op orde te hebben. Dat mag enigszins opvallend worden genoemd, omdat de overste als opvolger C-Peeldivisie in de dagen nadien, met name vanaf de aankomst van grote contingenten Peeldivisie eenheden in Zeeland, volgens sommige officieren op zou vallen door minder doortastend beleid en een wankelmoedige houding. Hij zou met name voor zijn rol in Zeeland onderwerp van onderzoek worden. In elk geval lijkt op zijn functioneren tot en met de vroege ochtend van 11 mei weinig aan te merken te zijn geweest.

Vak Weert

Het Vak Weert vormde een uitzonderlijk Vak in de bespreking van de evacuatie van de Peel-Raamstelling op de Zuid-Willemsvaart, want dit Vak lag immers al achter die Vaart. Het Vak werd dan ook uitgesloten van de grote evacuatie, al moest een klein deel (achter de Noordervaart) zich in de nacht wel achter de Zuid-Willemsvaart terugtrekken. Van een verplaatsing kwam het dus niet voor dit Vak.

Vak Weert begon boven Nederweert, waar het aansloot op Sluis XIII waar II-30.RI naartoe was gedirigeerd in de nacht van 10 op 11 mei. De rechter Vakgrens lag bij het gehucht Dorplein aan de Belgisch-Nederlandse grens. Van links naar rechts lagen I-30.RI, 4.GB en II-41.RI in het Peel-Raamvak en 17.GB in het Maasvak, aan weerszijde van Roermond, waar een voorname verkeersbrug was. In dat Maasvak voorts één prominente spoorbrug, bij Buggenum. Zeer prominent in de Duitse plannen, omdat over die brug de Duitse Panzerzug no.5 [slechts de loc was gepantserd] met goederentrein moest rijden, welke tot doel had om bij Weert door de Peel-Raamstelling te rijden en aldaar een bataljon infanterie uit te laden [II/IR.59, het eerste regiment van 19.ID]. De brug werd tijdig vernield, zodat ook deze treinoverval mislukte.

De gebeurtenissen in Vak Weert op 10 mei werden eerder al behandeld. Voornaam is dat het gehele Vak met uitzondering van 2-I-30.RI, dat de linkervoorzijde verdedigde achter de Noordervaart, op haar plaats diende te blijven en aansloot op de nieuw in te nemen Zuid-Willemsvaartdefensie die door de rest van de Peeldivisie vanaf haar linkerzijde werd gevormd.

Op de gebeurtenissen in Vak Weert tot aan de latere ochtend van 11 mei wordt dus verder niet ingegaan.

Beschouwing

De troepen én bevelhebbers die op 10 mei 1940 in de Peel-Raamstelling lagen wisten niet beter of hun stelling zou ‘tot de laatste man en de laatste kogel’ worden verdedigd. Troepen, luchtafweer en zelfs jachtvliegtuigen, die in het voorjaar uit hun rug verdwenen waren, werden terugverwacht indien de oorlog een feit zou zijn. Men had vertrouwen in de stelling, zeker op laag niveau. En in sommige delen van de stelling was dit vertrouwen best voor te stellen, omdat de natuurlijk aanwezige barrières samen met het defensiekanaal voor de leek een hele uitdaging leken om door een aanvaller te worden overwonnen. Geen der officieren, inclusief de Vakcommandanten, was gekend in de nieuwe plannen van de in 1940 aangetreden OLZ. Zij wisten niet beter of de Peel-Raamstelling zou hardnekkig worden verdedigd. Groot was dan ook de ontzetting toen de middelste drie Vakken hun geheel ongeschonden hoofdweerstand moesten ontruimen in de nacht van 10 op 11 mei. Van een in hun ogen uitstekend voorbereide stelling dienden zij zich naar een geheel ongeschikte en onvoorbereide alternatieve stelling te verplaatsen. De opstelling achter de Zuid-Willemsvaart adresseren als ‘stelling’ is in feite zelfs apert onjuist. Een stelling droeg de betekenis van meer dan een op linie ontplooide legermacht en verwees in jargon naar een in diepte uitgebouwde goed voorbereide weerstand. Daarvan was achter de Zuid-Willemsvaart absoluut geen sprake. Geen kazemat of schuttersput was er te vinden, met uitzondering natuurlijk van de sector Weert.

Met uitzondering van het Vak Schaik, lieten de drie middelste vakken niet alleen een flink deel van de munitie achter in hun oude stellingen, maar vooral ook hun moraal. Van hoog tot laag waren de militairen, die zo vastberaden in hun vaak zelf gegraven loopgraven of mede gefabriceerde kazematten lagen, gedesillusioneerd. Het verlies aan moraal was vermoedelijk van een veel kwalijker invloed op de gevechtskracht van de eenheden dan het verlies aan de gesloten verbanden en de achterlating van een aanzienlijk contingent zwaardere wapens en munitie.

De vraag ligt voor de hand waarom er op deze wijze tot uitwerking was gekomen van de instructies vanuit Den Haag [AHK] om de Peel-Raamstelling nog slechts een ijle voorverdediging te laten vormen. Want die uitwerking kan men zeer minimaal noemen. Zij – de uitwerking – werd in feite slechts gestalte gegeven door het feitelijke gegeven dat op 10 mei de hoofdmacht van het 3e Legerkorps en de Lichte Divisie verplaatst werden uit Noord-Brabant. Punt. Enige andere aanvullende maatregel - met uitzondering van staande vernielingsplannen - was voordien niet genomen, geen voorbereiding van importantie ook maar te alloceren. Nu speelde natuurlijk de geheimhouding een grote rol. Van de militairen die in Noord-Brabant bleven waren slechts C-Peeldivisie en zijn chef-staf gekend in de geheimen van de smid. Hen was glashelder gemaakt dat deze wetenschap extreem geheim was, omdat het uitlekken ervan desastreuze gevolgen zou kunnen hebben voor de slagingskans van de evacuatie operatie der grote eenheden.

Maar betekende dit dat er dan helemaal niets had kunnen worden gedaan? Naar de mening van auteur dezes had er wel degelijk het e.e.a. kunnen worden gedaan.

Ten eerste was er op geen enkele wijze sprake van uitverkoop van geheimen geweest als men de Zuid-Willemsvaart, tenminste bij de cruciale punten zoals bruggen en sluizen, van enige kazematten of s.p.o.’s had voorzien. Een dergelijke maatregel had vriend noch vijand een aanwijzing gegeven dat er grote Nederlandse verbanden noord van de Maas zouden worden verplaatst. In tegendeel, het had slechts de overtuiging kunnen bieden dat hardnekkige verdediging het devies was. Een dergelijke investering was minimaal geweest, maximaal zo’n dertig kazematten. Bij gebreke aan deviezen had men dit in elk geval met stevige s.p.o.’s kunnen oplossen. Op de meeste locaties was dit eenvoudig mogelijk geweest; het gebeurde nergens.

Ten tweede heeft het vast tot de denkbare mogelijkheden van de chef-staf Peeldivisie behoord om tenminste een kaderoefening te houden voor de verplaatsing van de kanaalstelling voor de Peel-Raamdivisie naar de Zuid-Willemsvaart of de imaginaire Oranjestelling (lijn Tilburg-Den Bosch; zie 'de Fransen'). Men had dit uitstekend kunnen uitleggen als zorgvuldigheid van voorbereiding. Geen kundig officier die zich immers niet vergewist van zijn alternatieven voor het geval van een vijandelijke doorbraak. Men had dit aan de bataljonscommandanten uitstekend kunnen uitleggen als een alternatief scenario, waarbij de kanaaldefensiedelen, die niet aangetast zouden zijn door vijandelijke aanvallen, in geval van een lokale doorbraak elders wederom een voorverdediging voor de hoofdmacht zouden moeten voeren, in dat geval langs de Zuid-Willemsvaart. In de praktijk was er door de chef-staf van de Peeldivisie geen uitwerking van die plannen geweest, laat staan van het betrekken van het kader van de Peeldivisie bij een dergelijke oefening. Merkwaardig, want de Zuid-Willemsvaart was (bij gebrek aan beter) een volmaakt logische tweedelijns defensie. Ook in het geval de Peel-Raamstelling wel met de oorspronkelijke bezetting bezet was gebleven.

Ten derde – het is al gezegd – lijkt C-Peeldivisie met zijn chef-staf het ongetwijfeld op enig moment tussen hen besproken ‘fall back scenario’ niet te hebben doordacht. Men kan nog begrijpen dat de hoge oostelijke dijk langs de Zuid-Willemsvaart als een ‘te nemen hobbel' was beoordeeld, omdat men immers anders direct op het Wilhelminakanaal moest terugvallen, wat voor de noordelijke Vakken een enorm risicovolle lange terugtocht had betekend. Maar dat men kennelijk nooit bedacht had dat een Vak dat in gevechtscontact met de vijand was, wel eens bezwaarlijk tijdens die strijd zou kunnen loskomen van de vijand en daardoor niet succesvol zou kunnen terugtrekken op het toegewezen Vak, is onbegrijpelijk. Daarvoor had te allen tijde een aantal operationele reserves moeten zijn gevormd in de vorm van bijvoorbeeld drie separate compagnieën, die als mobiele reserve posities zouden kunnen innemen bij de kritische overgangen langs het kanaal. Dat zou dan voorkomen hebben dat in elk geval dergelijke overgangen onbewaakt bleven. Het is onbegrijpelijk dat daarvoor niet werd gekozen. En het is af te leiden dat het zelfs nooit als zodanig (werkelijk) is overwogen, want toen in de loop van 10 mei twee compagnieën van GBJ vrij kwamen omdat hun grenstaken erop zaten, werden die elders ingezet in plaats van hen bijvoorbeeld reeds naar de Zuid-Willemsvaart bij Den Dungen en Dinther te sturen.

Bovendien waren er ook geen vernielingsplannen voorbereid voor alle bruggen en sluisovergangen over de Zuid-Willemsvaart. Zelfs die vernielingen moesten ten dele ad hoc worden georganiseerd, waarbij – het zal later duidelijk worden besproken – toevalligerwijs net in het vak van I-3.RI – een voorname brug niet werd vernietigd. Een zaak die de Duitse opmars aanmerkelijk zou versnellen. Dat terwijl men elders wel juist dit soort taken in redelijke mate had georganiseerd door het Peeldetachement te organiseren (een verband dat bestond uit infanteristen, enkele batterijen 6-veld en genisten en in de Vakken Bakel en Asten taken had; een verband analoog aan het Duitse Sperrverband), hoewel dat deels ten grave was gedragen toen de strategie zich wijzigde. Maar aangezien het geniepark zich nota bene in Someren aan de Zuid-Willemsvaart zelf bevond (loods van de Rooms Katholieke Boerenbond), werd toch geen kunst en vliegwerk van de pioniers verwacht door effectief de bruggen over de Zuid-Willemsvaart allen tijdig te doen vernielen? Een klein voorbereid scenario vooraf, was voldoende geweest.

Een daaraan gelieerde zaak is die van de verbindingen. Het was C-Peeldivisie al bekend dat hij nauwelijks verbindingen had. Daar kon hij niets aan doen, want (veld)verbindingen in het Nederlandse leger waren een groot manco. Maar hoe kon het bestaan dat de staf van III.LK de grote centrale in Uden vernielde toen de eenheid vertrok? Nota bene een locatie in het hart van de Brabantse defensie. Als men vooraf een klein beetje afstemming had gezocht, dan had die vernieling niet hoeven plaatsvinden. Als gevolg ervan moest de toch al schaars voorziene Verbindingsafdeling van de Peeldivisie de centrale tijdens de oorlogsdagen vervangen.

Deze kritiek van auteur dezes lijkt wellicht eenvoudig praten achteraf. Praten achteraf was een verdediging die generaal Winkelman erg goed lag, getuige zijn repliek tijdens de verhoren, maar in veel gevallen niet opgaat. 'Praten achteraf' mag men als valide verweer gebruiken als onlogische voorvallen voor de voeten worden geworpen. Daar is hier geen sprake van. In tegendeel. Kolonel Schmidt verwoorde zelf de zaak indirect in een - overigens onbedoeld - ‘je m’accuse’. Op de vraag [7: 1C, vraag 4962] van de Voorzitter van de Enquete Commissie of het Peelterrein geen sterke beveiliging was, antwoordde de kolonel:

» Dat was een sterke beveiliging, als men de krachten niet had versnipperd door de opstelling in de lengte, maar bijvoorbeeld bij Mill en bij de kruispunten van wegen had geconcentreerd. Men had daar de zaak mee kunnen uitbouwen tot een geweldig complex en daarmee bewegingsvrijheid van de aanvaller aan banden kunnen leggen. «

Dát was pas praten achteraf! Want kolonel Schmidt wierp zijn superieuren iets voor de voeten waarin hij zelf gefaald had. Immers, de terugtocht op de Zuid-Willemsvaart was geheel zijn idee. Geen onlogische gedachte op zich, maar wel zijn plan, zijn uitvoering. Alhoewel, hij had de uitvoering van de verplaatsing en de allocatie van bataljons zelfs nog aan de Vakcommandanten overgelaten. Waarom had hij zijn chef-staf niet in plaats van een plan voor de algemene terugtocht op de voor verdediging deels ongeschikte Zuid-Willemsvaart, een plan laten ontwerpen waar op de kruisingen van wegen enkele egelstellingen zouden worden ingenomen? Met de formaties voorhanden – twaalf bataljons – had de kolonel daarmee niet alleen de opmars van de Duitsers aanzienlijk vertraagd, maar ook nog eens de troepen die niet op wegenkruisingen gepositioneerd konden worden bij de kritische bruggen over de Zuid-Willemsvaart kunnen posteren, of kruisingen in hogere echelons kunnen voorbereiden voor verdediging. Zo’n vertragend gevecht had een redelijke kans van slagen gehad. Te meer daar het aantal doorgaande wegen in de sector niet groot was. In de slotalinea wordt hierop teruggekomen.

Een andere opmerkelijke zaak, die bepaald niet alleen betrekking heeft op de mentaliteit bij de bevelhebbers in Noord-Brabant, is de weinig verheffende algemene mentaliteit ten aanzien van behoud en beheer van middelen. In een leger waar het hoger kader overliep van kritiek op de schaarse middelen die men voorhanden had ['waar men het mee moest doen'], is het opvallend en contradictoir hoe lichtvaardig bevelhebbers omgingen met diezelfde schaarse middelen. Men zat compleet vastgeroest in logistieke concepten uit de vorige eeuw. Logistieke treinen werden niet met de troepen meegevoerd, maar in de regel vooruit gestuurd. De complete 4.KMD [Korps Motordienst] werd door de Peeldivisie in de avond van de eerste oorlogsdag westwaarts gestuurd, met vrijwel lege vrachtwagens! Er was geen sprake van een doordachte logistieke planning, alhoewel men maandenlang - als staf - de tijd had gehad over dergelijke zaken na te denken. En een logistieke planning afstemmen waarin 4.KMD geheel ten dienste van de Vakken zou komen te staan, zou niet verraden hebben dat het 3e Legerkorps zich terug zou trekken uit Noord-Brabant. Logistiek, de sleutel van een leger te velde (een Napoleontische wijsheid), was een ondergeschoven kind. In alle opzichten. Logistiek was voor Nederlandse militairen een bijzaak. Keukenwagens achtte men belangrijker dan munitiewagens. Diverse bataljons in de Vakken melden in hun verslagen de keukentreinen vast weg te hebben gestuurd. De rats, kuch en bonen werd kostbaarder geacht dan de wapens die men achterliet wegens ... gebrek aan tractie!

Het is buitengewoon opmerkelijk dat Vakcommandanten aan hun BC’n de instructies gaven om middelen en munitie die men niet kon vervoeren achter te laten. Dat was een vrijbrief om de inspanning te minimaliseren deze schaarse middelen mee te nemen. Bataljons en vakcommandanten die hun logistieke treinen reeds vooruit wegstuurden, met wagens vol overbodige zaken, terwijl men munitie en wapens achterliet omdat men vervoersmiddelen miste. Daarbij werden in vrijwel alle bataljonsvakken zware mitrailleurs en 7,9 mm munitie achtergelaten wegens ontbrekende mitrailleurkarren. Duitse militairen droegen de M.08 en M.08/15 (3) veelal gewoon over de schouder, zoals talloze foto’s van de Duitse opmars aantonen. Nederlandse militairen klaagden steen en been over dezelfde mitrailleurs, als zouden die onwerkelijk zwaar zijn geweest en zonder mitrailleurkarren niet te verslepen. Een zuivere mentaliteitskwestie.

(3) In weerwil van hardnekkig valse voorspiegelingen in populaire én wetenschappelijk toegesneden boeken over de strijd in de Meidagen, die beelden schetsen over een hypermodern Duits leger dat tegen het Nederlandse vocht, waren de tegen de hoofdstellingen in Nederland ingezette divisies 30.ID, 56.ID., 207.ID., 227.ID., 254.ID en 256.ID allen nog standaard uitgerust met de M.08 en M.08/15 watergekoelde Spandau mitrailleurs in hun lichte en zware (mitrailleur) compagnieën, aangevuld met enige MG.13’s. Slechts enkele moderne MG.34 zware mitrailleurs waren in gebruik, meestal bij kleine gemotoriseerde eenheden of slechts enkele compagnieën. De M.08/15, de zogenaamd lichte mitrailleur, was veel zwaarder dan zijn 'Nederlandse' evenknie, de M.20 Lewis. De Duitse M.08 infanteriemitrailleur was vrijwel even zwaar als de Schwarzlose en zwaarder dan de Vickers zware mitrailleurs van het Nederlandse leger. Desondanks klaagde Nederlandse militairen steen en been over hun wapens.    

Tenslotte is een andere zaak die enige bespreking vraagt, het gegeven dat de Vakcommandanten van Asten en Bakel hun bataljons onder dekking van een veiligheidsscherm lieten verplaatsen, terwijl dit in Vak Erp bijvoorbeeld niet werd toegepast. Die terugtrekking onder achterlating van een veiligheidsscherm was uiteraard zeer verstandig. Het is opmerkelijk dat dit in Vak Erp niet geschiedde. Het had overigens nergens waar het niet geschiedde (nare) gevolgen. Geen van de terugtrekkende eenheden uit de middelste drie Vakken werd achterhaald. Het is dus zuiver een kwestie, die een beeld schetst van de (on)kundigheid van sommige Vakcommandanten ten aanzien van dit soort triviale operationele zaken. 

Resumerend en concluderend kan het volgende worden vastgesteld. Kolonel Schmidt had zelf helemaal niet zo gehandeld als zijn wijsheid achteraf [zie eerder citaat] suggereerde. Hij had zich met zijn chef-staf op geen enkele wijze positief onderscheiden in enige vorm van operationeel leiding geven, laat staan in tactisch vernuft. Hij had tevens - en dat is nog kwalijker - opzichtig verzuimd om enige voorbereiding van importantie te treffen voor zijn zware taak, waarvan hij op 10 mei 1940 al anderhalve maand notie had. Geen voorbereiding in strategisch of tactische zin, geen voorbereiding in operationele zin, geen voorbereiding in logistieke zin en geen voorbereiding in coördinerende zin (zie vorige hoofdstuk over afstemming met de Fransen). Dat is een harde conclusie, maar de feiten laten weinig ruimte voor nuances. Kolonel Schmidt mocht ter verdediging aanvoeren dat steun vanuit het AHK volledig had ontbroken, dat hij voor het blok was gezet. Inderdaad een wrange kwestie. Maar iemand die dergelijke excuses aanvoert, mag dat alleen maar in sterke mate onderstrepen indien hij zelf een maximale inspanning heeft gepleegd om de zaken die wél in zijn macht lagen, in elk geval met herkenbare inspanning, te hebben verricht. Daarvan was bij kolonel Schmidt geen sprake. Hij had uitgeblonken door indolentie. Als Territoriaal Bevelhebber Brabant had kolonel Schmidt, met zijn chef-staf, op vrijwel alle aspecten waar een dergelijke hoge bevelhebber op beoordeeld moet worden, en waarvoor hij rechtens rekenschap diende af te leggen, opzichtig gefaald.

Op de volgende pagina wordt gekeken hoe de situatie zich aan de Zuid-Willemsvaart zou gaan ontwikkelen.

[De bronnen vindt u hier]