Vak Wieldrecht - 2e fase

Een klein Nederlands offensief in het hart van het Eiland

Er wordt teruggekeerd naar de sector ten zuiden van een denkbeeldige diagonaal door Amstelwijk en Dordrecht. Daar waren geregelde en tamelijk ongeregelde Nederlandse verbanden actief die bij de bespreking van de vroege gebeurtenissen op de tweede oorlogsdag rond Tongplaat al in beeld kwamen.

Recapitulerend waren dat in het uiterste zuidoosten de twee secties onder vaandrig Marijs van 2-I-28.RI en het pluriforme verband onder luitenant Julius (een sectie 2-I, een sectie 3-I en een sectie MC-I-28.RI) op en rond de Zeedijk ten noordoosten van de groep Marijs. Daarnaast vrijwel geheel 3-I-28.RI onder kapitein Bollé ten westen van Kop van ’t Land, met daarbij de 2e en 4e sectie MC-I-28.RI en de 3e sie 28 Cie.Mr. Langs de Zuidendijk en aanleunend tegen de mannen van kapitein Bollé de restanten van III-14.RA – evident zonder stukken – met nog enige manschappen van I-17.RA onder hen. Deze eenheden waren in de vroege ochtend, omstreeks 0700 uur, versterkt door twee compagnieën Wielrijders – 1-III-2.RW en 3-III.2.RW – die op hun beurt twee secties MC [1e en 2e sie] en een sectie mortieren bij zich hadden. Zoals in de bespreking van de eerste fase aangegeven, kregen de Wielrijders echter rond 0830 uur het bevel met hun verband langs de Zuidendijk westwaarts te gaan, waarbij de lokale commandant der Wielrijders (kapitein Weijers) eigenhandig besloot de zes stukken van de MC met hun bediening ter ondersteuning van de artilleristen achter te laten. Zodoende verdwenen de Wielrijders op twee secties MC na wederom uit beeld.

Eiland van Dordt centraal

Voor de goede orde: Langs de Zuidendijk resteerden toen een verzameling van circa (equivalente sterkte) twee compagnieën artilleristen (restant III-14.RA en I-17.RA), een kleine compagnie infanterie (3-I-28.RI min een sectie), tien zware mitrailleurs (2 sie MC-I-28.RI, 2 sie MC-III-2.RW) en twee mortieren (3e sie 28 Cie.Mr). Een niet onaanzienlijke strijdmacht met een voor Nederlandse begrippen eveneens niet minderwaardig contingent ondersteunende infanteriewapens. De circa 250 man sterke artillerievertegenwoordiging had een lage combattante waarde. De ongeveer 120 man sterke compagnie 3-I-28.RI was beduidend belangrijker en werd bovendien door de bij elkaar circa 75 man sterke delegatie zware mitrailleurschutters en een twintigtal mortieristen ondersteund. Desalniettemin was de intrinsieke gevechtswaarde van deze pluriforme formatie relatief zwak. Voor een offensieve operatie was het beduidend minder geschikt dan een defensieve inzet, die met de relatief hoge dichtheid aan zware automatische wapens eenvoudiger zou zijn. Desalniettemin werden offensieve plannen gesmeed in Puttershoek.

En dan stuit men wederom op een Stafwerk dat niet duidelijk en consistent is. Daar waar het eerst concludeert [1: blz 53] dat het door de kantonnementscommandant naar de Zuidendijk toezenden van twee compagnieën Wielrijders rond 0400 uur vermoedelijk het gevolg was van het door 2-III-2.RW rond die tijd waarnemen van parachutistenlandingen, geeft hetzelfde Stafwerk een paar pagina’s verder [1: blz 57] een heel andere reden voor die toegezonden Wielrijders. Dan wordt namelijk duidelijk een verband gelegd met het door C-Gr. Kil gegeven telefonische bevel aan C.3-I-28.RI om in samenwerking met de Wielrijders (!) en 2-I-28.RI langs de Zeedijk aan te vallen richting de oorspronkelijke artillerieopstelling van III-14.RA en I-17.RA. Daarin wordt wederom enorm gegoocheld met tijden. Het volgende citaat maakt dat verhaal duidelijker:

Bladzijde 53:

» Tijdens de mars naar Krispijn zag de compagnie in het zuiden een honderdtal valschermjagers afspringen. Waarschijnlijk in verband hiermede gaf de Kantonnementscommandant omstreeks 0400 aan C.-III-2.RW opdracht, het bij Dordwijk (ten westen van Dubbeldam) aanwezige personeel van III-14.RA te versterken. «

Bladzijde 57:

» In de vroege morgen van 11 Mei deelde C.3-I-28.RI, res. kapitein W. Bolle, die de nacht van 10/11 Mei te Kop van ’t Land had doorgebracht telefonisch aan C.-Groep Kil mede, verband te hebben met delen van 2-I-28.RI, zomede met eigen wielrijders (III-2.RW). Hij ontving daarop te 4.35 bevel, de beide compagnieën te verzamelen en daarmede aan te vallen ter weerszijden van de Zeedijk (dijk Kop van ’t Land – Tweede Tol) teneinde in samenwerking met de wielrijders achtereenvolgens de batterijen van III-14.RA en I-17.RA te heroveren. «

Het heeft er wederom alle schijn van dat de chronologie niet op orde was toen Calmeijer het Stafwerk redigeerde. Want als kapitein Bollé om 0435 uur opdracht kreeg de bevolen offensieve actie te ontwikkelen, nádat hij aan Groep Kil zou hebben gemeld ‘verband te hebben’ met de wielrijders, dan is of de mededeling van dat gerapporteerde verband onjuist of het tijdstip van die instructie vanuit Groep Kil. Want de wielrijders waren om 0435 uur nog in het Oranjepark te Dordrecht en hadden nog helemaal geen ‘verband’ met 3-I-28.RI, dat zich te Kop van ’t Land bevond. Deze repeterende onjuiste chronologie en/of feitenproductie maakt de betreffende Stafwerkpassages wederom zeer onbetrouwbaar en dat is storend.

Het is dus wederom zaak om e.e.a. in de juiste chronologie en context te zetten.

Het verslag van C.-III-2.RW [104c] meldt dat rond 0400 uur het bevel op de CP kwam van C-Kant. dat twee compagnieën de artilleristen te Dortwijk moesten versterken. Dat bevel werd gedistribueerd en vervolgens in de aangewezen eenheden (1-III, 3-III, ½ MC-III, sie Mr) uitgewerkt. Commandant van het halve bataljon dat zou verplaatsen werd de C.1-III, kapitein H. Wijers. Deze (alsmede andere officieren van de compagnie) meldt om 0445 uur vanuit Oranjepark de mars naar Dordtwijk aan te vangen [104c]. Kapitein Bollé zijn (kwalitatief ondermaatse) verslag [100a] meldt niets van contact met wielrijders in de ochtend van 11 mei, maar slechts dat in samenwerking met C.-III-14.RA (en een deel 2-I-28.RI) een actie werd opgezet om de opstellingen van de artillerie te heroveren. In de stukken van 2-I-28.RI [100a] wordt wel verwezen naar het contact met kapitein Bollé tot coördinatie van een aanval richting opstellingen artillerie – en het feit dat dit vóór de landing van de Kompanie Moll (ca. 0600 uur) plaatsvond – maar geen verwijzing naar betrokken wielrijders. Het enige verslag van III-14.RA dat de actie in de ochtend van 11 mei überhaupt bespreekt (!) is van de hand van C-III.14RA J. Mulder [140]. Daarin wordt wederom slechts verwezen naar gecoördineerde samenwerking met 3-I-28.RI en geen woord gerept over wielrijders.
Opvallend – maar uiteindelijk wellicht de verklaring voor de onjuiste verwijzing in het Stafwerk naar een verband met de wielrijders – is dat noch het stafverslag van Groep Kil [192], noch de Memoires van Calmeijer [70] enige bespreking van de actie bevat die hier wordt beschouwd. Aantekeningen ervan had Calmeijer kennelijk niet gemaakt.

Het verslag van kapitein Bollé verwijst wel naar een verband met de wielrijders, maar dat duidt op 12 mei, wanneer contact wordt gemaakt met I-2.RW. Mogelijk dat Calmeijer zich daarmee vergist heeft. Het verslag van C.-III-14.RA bevat slechts een verwijzing naar verzoeken aan de C.-Kant (op 10 mei) om versterking en die werd kennelijk in de vorm van twee compagnieën wielrijders gegeven. Desondanks blijkt uit niets – behalve het Stafwerk – dat werkelijk een opdracht tot samenwerking tussen III-14.RA, de beide compagnieën van I-28.RI én de Wielrijders werd verordonneerd door C-Gr.Kil rond 0400 uur in de ochtend van 11 mei. Er lijkt alle aanleiding Calmeijer en zijn Stafwerk opnieuw te corrigeren en te stellen dat in werkelijkheid de beide compagnieën van I-28.RI de opdracht kregen om samen met III-14.RA een aanval te doen op de opstellingen van de artilleriestukken. Op die ontwikkelde aanval wordt na een kort beschouwend intermezzo teruggekomen.

Een blik op het Nederlandse dispositief rond Dordrecht

III-14.RA vroeg op 10 mei naast munitie ook versterking aan bij C.-Kant. Die versterking werd (kennelijk) dus om 0400 uur (11 mei) gegeven in de vorm van de wielrijders. En die toegewezen versterking verhoudt zich congruent met een (kennelijke) ambitie van overste Mussert zijn stad af te grendelen.

De terzake bekende literatuur wijst echter consequent op het irrationeel handelen van overste Mussert op 10 en 11 mei (en nadien). De man zou volkomen chaotisch zijn geweest, geen samenhang hebben gebracht in zijn pluriforme strijdmacht en niet te betrappen zijn geweest op een consistente strategie. Of, zoals het stafwerk [1: blz 57] het verwoord:

» Onder de factoren die hiertoe [AG: mislukte pogingen om Dordrecht te ontzetten, in het kader van de Ravelli affaire] hebben bijgedragen, moeten worden genoemd: de gebrekkige leiding van de Kantonnementscommandant, die de te zijner beschikking gestelde krachten niet coördineerde en wiens bevelen oorzaak waren dat II-28.RI, de beide compagnieën van III-2.RW en twee depotcompagnieën pontonniers zonder onderling verband naast en zelfs tegen elkaar streden

Mussert was dus de kop van Jut. In de eerdere analyse van de kwestie Ravelli is de conclusie van kapitein Calmeijer – de verantwoordelijke samensteller van het Stafwerk [1] – al gecorrigeerd in deze. Maar Calmeijer heeft kennelijk ook geen serieuze poging gedaan om de logica in de handelingen van Mussert te zoeken. Auteur dezes heeft dat wel gedaan, en komt met de volgende hypothese.

Mussert had zich op de eerste oorlogsdag (bewezen) ingespannen om de binnenstad zorgvuldig af te grendelen, het front rond de Polder te stabiliseren en versterkingen van de 3e Compagnie Torpedisten in te zetten om te ageren tegen de bruggen en versterking aan de beide depotcompagnieën in Krispijn te zenden. Hij liet de troepen een afgrendeling langs het spoor opbouwen en de Duitse penetratie rond de binnenstad afgrendelen en bestrijden. Naast troepen in het noorden (afgrendeling door depottroepen binnenstad) en oostelijke deel (restant III.2.RW alsmede depottroepen) van de stad, lijken de bevelen van Mussert te duiden op een ambitie tot afgrendeling van de gehele zuidzijde. Hij zond immers de twee compagnieën wielrijders naar Dortwijk, wist restanten van III-14.RA daar reeds aanwezig, had een met zware mitrailleurs versterkte sectie 14.C.Pn op de uiterste westelijke punt van de Zuidendijk, twee depotcompagnieën in Krispijn en met de bezetting van de Zeehaven door Ravelli zou de afgrendeling van de stad zuidwaarts gecompleteerd worden. Daarna zou concentrisch kunnen worden aangevallen op de noordwestelijke sector van Dordrecht rond de Oude Maasbruggen. Dat was een modus operandi die volkomen analoog was aan de toen geldende tactische voorschriften voor een Nederlandse bevelhebber. Eerst de vijandelijke penetratie afgrendelen en isoleren, en dan pas de vijand in zijn positie aanpakken.

virtueel dispositief Dordrecht 11 mei 0700 uur

Het zij voor de goede orde herhaald: er is geen enkel bewijs dat dit de werkelijke ambitie of opzet van Mussert was en dus komt bovenstaande theorie (hypothese) volledig voor rekening van auteur dezes. Maar veel handelingen van de overste duiden wel degelijk op de houdbaarheid van deze hypothese. De opdrachten bijvoorbeeld om de stadsdelen in oost en zuid te zuiveren van vijand, passen bij een beheersing van de eigen sector en het operationeel vrij maken van de beide depotcompagnieën in Krispijn, die zich immers zelf hadden gemeld bij Mussert met het bericht door vijand te worden beschoten in hun (provisorische) kazernes. Het uitsluiten van hinderlijke of gevaarlijke vijandelijke ‘pockets’ binnen de afgrendeling was daarbij een rationele overweging. Het met macht afgrendelen van het zuiden van de stad past bij het tweezijdig beveiligen van het kantonnement tegen een opdringende vijand [vanuit het zuiden] en deze aan de noordzijde in zijn bruggenhoofd duurzaam isoleren. Het stevig afgrendelen van het vijandelijke bruggenhoofd gaat – in de theorie van de toenmalige tactische instructies – vóór het aanpakken van die vijand in zijn bruggenhoofd. Het aanpakken in die theorie beperkt zich in die voorfase namelijk tot het beteugelen van de buitengrenzen van het bruggenhoofd en niet het actief penetreren daarvan tenzij zich een uitgelezen kans voordoet.

De handelingen van Mussert, zijn instructies aan de onder zijn bevelen zijnde troepen, lijken juist te duiden op exact de overwegingen die de Nederlandse officier in het interbellum werden bijgebracht. Neemt men het dispositief van de troepen binnen en rond het kantonnement in die vroege ochtend van 11 mei, en men zou die op een stafkaart uitzetten [zie afbeelding], dan zou een inzake de operationele status oningevoerde stafofficier zich niet ontevreden tonen over het ontwikkelde dispositief! Men vond immers een goed bezette zuidelijke afgrendeling die bovendien niet eens discontinue, maar min of meer aaneengesloten was, men vond een beteugeld bruggenhoofd én men vond een zodanige troepenmacht rondom het bruggenhoofd dat kansen op concentrische aanpak van dat bruggenhoofd reëel en uitvoerbaar leken.

Hoewel de bovenstaande hypothese in wezen een dispositief projecteert [zie afbeelding] dat nooit werkelijk in ruste was en in die zin nooit werkelijk het stabiele gestalte kreeg wat in de beeldvorming hierboven wordt gecreëerd, lijkt het desondanks verdedigbaar dat een dusdanig dispositief wél werd nagestreefd door Mussert. In de avond van 10 mei was het Mussert al duidelijk dat de stadsafgrendeling in het noorden het vooralsnog hield. Om 0400 uur gaf hij bevelen aan de wielrijders om met een compagnie Krispijn te zuiveren, om twee compagnieën naar Dortwijk te sturen en wist Mussert het bataljon Ravelli en het verband Ruige (sectie pioniers en een zware mitrailleur sectie van de torpedisten) in het zuidwesten. Hij wist bovendien – zie zijn bevel Krispijn te zuiveren – twee depotcompagnieën vrijgemaakt nadat Krispijn zou zijn gezuiverd. De vraag blijft dan over waarom Groep Kil [lees: kapitein Calmeijer gegeven zijn conclusie in het Stafwerk] kennelijk meende dat overste Mussert zonder enige samenhang en strategie zijn pluriforme strijdmacht leidde. Alsof Mussert in zijn ambities tot een geordend dispositief en een beteugelde vijandelijke penetratie niet constant door nieuwe impulsen werd gestoord in zijn operationele ambities?!

Die conclusie in het Stafwerk lijkt vooral gebaseerd op persoonlijke indrukken, emoties en nadrukkelijke vooroordelen, maar lijkt niet gestaafd met feiten (dislocaties van eenheden) en een analyse van de mogelijke logica in Mussert zijn handelingen.

Een poging artilleriestukken te heroveren

Hoewel de ochtend van 11 mei rond Dordrecht rampzalig leek te verlopen, zou er ook een bescheiden succes worden geboekt door de Nederlanders.

De reconstructie van de actie die hieronder beschreven wordt, wordt gefrustreerd door buitengewoon ondermaatse Nederlandse verslagen. Het is waarlijk opzienbarend hoe slecht de betrokken officieren in staat bleken naoorlogs een consistent en informatief verslag te reproduceren. Het geeft te denken over de intellectuele bagage van bepaalde mensen met sterren op de kraag, hoewel die twijfel zich niet beperkt tot hun schriftelijke acties. Het is echter niet anders; we moeten het ermee doen. Maar het zal de aanleiding zijn geweest voor het nauwelijks bekend worden van de details rond het Nederlandse succesje in het hart van het Eiland in die beladen ochtend van de tweede oorlogsdag.

De aanvalsactie die op touw werd gezet werd in hoofdzaak tussen de beide commandanten van III-14.RA en 3-I-28.RI gecoördineerd [100a, 140]. Kapitein Bollé wilde daarbij actief gebruik maken van 2-I-28.RI (versterkt met een sectie van zijn eigen compagnie en een sectie MC met nog slechts één stuk) dat direct langs de Zeedijk westwaarts kon trekken en zodanig een aanvallende actie vanuit het noordoosten zou kunnen ondersteunen [100a]. Zoals eerder kon worden gelezen, intervenieerden de Duitsers vanuit de derde dimensie, want voordat 2-I-28.RI zich gereed kon maken voor ondersteuning van kapitein Bollé, kwamen de parachutisten van Oberleutnant Moll ineens in hun midden neer [100a]. Dat betekende roet in het eten.

Nadat kapitein Bollé en luitenant Julius (2-I-28.RI) hun plannen gecoördineerd hadden, waarbij afgesproken was dat 2-I-28.RI voor 3-I-28.RI langs de Zeedijk westwaarts richting het beruchte kruispunt van de vorige dag zou trekken, stemde luitenant Julius de plannen af met zijn sectiecommandanten, waarvan alleen vaandrig Marijs ook rechtstreeks contact had met kapitein Bollé [100a]. Hoewel in de tijd niet exact te duiden speelde die afstemming zich af tussen 0430 en 0530 uur. Nadien trokken de secties van 2-I-28.RI er opuit om in de uitgangsposities voor het plaatselijk offensief te geraken, waarbij de in de uiterste zuidwest punt van het Eiland [onder Tongplaat] liggende secties onder Marijs zich noordoostwaarts op weg begaven. Tijdens die opmars werden zij verrast door de landing der parachutisten, zoals eerder beschreven. Het verhinderde het verband Marijs om aan het offensief deel te nemen, zoals de lezer weet.

De sectie MC [nog maar 14 man sterk, na de slachtoffers van de eerste dag] had nog slechts één mitrailleur ter beschikking [100a]. De andere was men kwijt omdat die was achtergelaten langs de Zeedijk op de 10e, hoewel dat stuk, zonder dat de sectie van vaandrig Pool dit wist, door manschappen van 3-I-28.RI naar Kop van ’t Land was meegenomen tijdens de mislukte acties op de eerste oorlogsdag. Het ene stuk was echter bij de kwartieren rond hoeve ‘de Peppel’ opgesteld ter beveiliging van de noordwestelijke terreinhoek. Aanwijzingen waren inmiddels ontvangen het stuk dekkend vuur te doen laten afgeven als de aanvalsactie langs de Zeedijk zou worden ontwikkeld door de secties van 2-I-28.RI. Zover kwam het niet. Toen de parachutisten ineens midden in de positie landden, kreeg vaandrig Pool van luitenant Julius opdracht met het stuk het kwartier (hoeve) de Biesbosch te verdedigen met hoofdschootsrichting zuidoost. Daar zou de stuksgroep en het restant van de sectie de gehele dag actief blijven [100a].

Luitenant Julius, die met zijn beide tirailleursecties [sterkte was in feite anderhalve sectie] aan de oostzijde van de Noordelsdijk lag, besloot op eigen initiatief zich niet op de parachutisten te storten die vooral ten zuiden van zijn positie en rond vaandrig Marijs zijn locatie waren geland, maar achtte het noodzakelijk om de afgesproken aanval met kapitein Bollé door te zetten [100a]. Hij had aan de 13 man onder vaandrig Pool de opdracht gegeven zich centraal op te stellen – in hoeve de Peppel dus – en de Duitsers zodoende geen gelegenheid te bieden om de Noordelsdijk noordwaarts over te steken, en nam vervolgens de rest van zijn sterkte (ca. 50 man) mee naar de Zeedijk [100a]. Van daaruit zou de formatie uiteindelijk – gesteund door twee mitrailleurs van de MC sectie van 3-I-28.RI - na enige uren erin slagen de op de 10e mei zo zwaar betwiste viersprong te veroveren op de Duitsers, waarbij een aantal Duitse parachutisten gevangen werd genomen en een viertal Nederlanders werd bevrijd [100a]. De gebeurtenis zelf is zo summier omschreven in de Nederlandse verslagen dat nadere gegevens bieden rondom de verovering puur giswerk zou worden.

Noordelijker had men ook beperkte offensieve acties ontwikkeld tegen de Duitse landingszone in de sector oostelijk en zuidoostelijk van Rustenburg. Van een massale aanval of offensieve beweging was beslist geen sprake, hoewel dat in de literatuur wel wordt gesuggereerd. Er werden kleine stoottroepen gevormd van de artillerie die in zuidelijke richting zouden zuiveren [140]. Het was echter voor de manschappen van III-14.RA van groot belang dat al spoedig het kruispunt Schenkeldijk – Zeedijk was vrijgevochten (door het verband Julius), zodat vanaf dat strategische punt geen mitrailleurvuur meer enfilerend over de Schenkeldijk en in de polders ten oosten daarvan kon vallen. Zodoende konden de kleine stoottroepjes van III-14.RA oostelijk van de Schenkeldijk vrij gemakkelijk zuidwaarts trekken, terwijl de infanterie zich langs de noordzijde van de Zeedijk westwaarts verplaatste. Desondanks zou het de gehele middag kosten aan de Zeedijk te geraken [100a, 140].

C-III.14.RA had besloten de zware mitrailleurs van de wielrijders als vaste vuurdekking achter te laten op hun locaties langs de Zuidendijk [104c, 140] . Slechts twee mitrailleurs van de sectie MC-I-28.RI bij de kapitein Bollé werden ingezet als zwaardere ondersteuning, maar langs de Zeedijk [100a]. Veel tegenstand ontmoetten de artilleristen niet. De Duitse mitrailleurs leken verdwenen te zijn. Zodoende kwamen de behoedzaam vooruit sluipende verbanden vooral geïsoleerde groepjes parachutisten tegen die helemaal niet tot het verdedigingsscherm van Oberleutnant Platow behoorden, maar vooral bestonden uit groepjes Sanitäter van de 2e Zug Sani Kp 7, die al vanaf de ochtend van de vorige dag tussen twee vuren hadden gelegen [471].

Tijdens de voorwaartse beweging werd zodoende een mitrailleurnest opgerold dat alleen door Sanitäter werd bezet, hoewel zij niet als Sani's waren uitgedost en dus als reguliere Jäger functioneerden [140, 471]. Het was een nest dat op een locatie ten zuidoosten van de winkelhaak Zuidendijk – Schenkeldijk was gegraven, en bezet werd door vier Sanitäter [Gefr. Bastet, Gefr. Weise, Gefr. Mohr, Jgr Kunz] [471]. De gehele ochtend en middag was er vuurcontact tussen de bezetting van het Duitse MG nest – waarvan de Gefreiter Mohr en Weise overigens al sinds de eerste dag gewond waren [471] – tot dat rond 1400 uur de Nederlanders de geïsoleerde Duitse positie hadden omsingeld met enkele groepjes artilleristen [140, 471]. Met twee handgranaten vernietigden de Duitsers hun twee MP’s en MG-34 en gaven zich over [471]. Nuchtere Nederlandse rapporten meldden dat van een werkelijk gevecht geen sprake was [140]. De parachutisten werden naar Dordrecht afgevoerd. Tijdens de zuiveringsacties door de Nederlanders werden nadien nog enige gevangenen gemaakt, vrijwel allen gewonde Duitse Sanitäter.[140]

Deze bescheiden Nederlandse actie krijgt nogal aanzien als sommige auteurs worden gevolgd in hun beschrijving van het gebeuren. In werkelijkheid was er nauwelijks sprake van opmerkelijke resultaten, laat staan serieuze tegenstand. Maar voordat daarover wordt uitgewijd een blik richting de opponent.

De Duitse perceptie

De Duitse tegenstander bij deze gevechten rondom de Zeedijk-Schenkeldijk kruising is niet goed te duiden. Uit de Duitse bronnen blijkt slechts dat de ijle beveiliging van de landingszone – wat het gebied tussen Zeedijk en Zuidendijk ten westen van de Schenkeldijk voor de Duitsers was – door manschappen onder Oberleutnant Platow werd bezet en dat daarbij gedurende de nacht tenminste een tien man sterke Gruppe Sanitäter [470] werd ingezet onder Oberarzt Langemeyer, zoals eerder vermeld. Voorts dat dit ijle scherm vooral door een aantal mitrailleurnesten werd gevormd met relatief grote onderlinge afstand en dat er in het noordoosten van het terrein nog kleine verspreide troepjes parachutisten zaten die door Nederlands vuur geïmmobiliseerd waren. Daarbij waren veel manschappen van II.Zug Sani Kompanie 7, zo blijkt uit de gegevens van die compagnie [470]. Zij waren dan ook - zoals de lezer zich wellicht herinneren kan - pas in de late ochtend van 10 mei afgezet, nadat de Duitse hoofdmacht allang westwaarts was getrokken, waarna de landingszone weer onder Nederlands vuur kwam te liggen.

Achter het ijle scherm werd door diverse eenheden gepatrouilleerd met kleine formaties die tot een Gruppe grootte beperkt bleven, en waarbij men zich vooral aan de westzijde van het landingsterrein ophield [470]. Daarbij meldt het terzake vrij gedetailleerde verslag van de Halbkompanie Sanitäter bovendien dat vanuit de Berkenhof in de ochtend van 11 mei door de Gruppe onder Oberarzt Langemeyer rond 0300 uur Nederlandse tijd een zuidoostwaartse offensieve actie werd ontwikkeld, waarbij een Nederlands verband werd teruggewezen. Welk verband dit aan Nederlandse kant moet zijn geweest is een raadsel, maar het kan eigenlijk slechts duiden op de eenheden van 2-I-28.RI. Die melden hier niets over en geven aan passief te zijn gebleven gedurende de nacht [100a]. In hoeverre een actie door de Sani’s werd beschreven die in verband moet worden gezien met de beduidend later op de ochtend richting kruispunt Zeedijk – Schenkeldijk ondernomen beweging van het verband Julius, is uiterst onzeker. Goed beschouwd biedt de schaarse informatie terzake onvoldoende aanknopingspunten om dat verband aannemelijk te maken. Bovendien is duidelijk dat luitenant Julius uiteindelijk zonder al te veel moeite het kruispunt innam en de ter plaatse aanwezige Duitsers gevangen nam. Daarvan is in de door de Sani’s beschreven passage absoluut geen sprake.

Tegen 0600 uur werd het Duitse beveiligingsscherm verkleind [470], althans volgens het terzake enige voorhanden verslag van de Sani’s. De Gruppe Sani’s onder de Oberarzt werd door Oberleutnant Platow teruggestuurd naar de Berkenhof, omdat volgens het verslag de ‘Sicherheitsgürtel’ werd verkleind. Het is speculatief, maar men mag wellicht aannemen dat Oberleutnant Platow een Nederlands offensief  tegen zijn veiligheidsscherm verwachtte en in de wetenschap geen versterking te zullen krijgen maatregelen nam. Aangezien uit de schaarse informatie terzake [470] blijkt dat Platow slechts een handvol mensen ter beschikking had, is het aannemelijk dat hij besloot de weg van de logica te volgen en zijn scherm te comprimeren, zodat een relatief grotere vuurdichtheid zou kunnen worden bereikt. Vermoedelijk – maar dat is zuiver speculatie van auteur dezes – koos Platow voor een noordoostelijk gericht scherm onder de Grafelijke Weg en langs de diagonale smalle stroom [zijtak van de Oostkil, die juist ten zuiden van de Zeehaven ontsprong] tussen Rustenburg en de Zeedijk. Dat lijkt althans een natuurlijke barrière waarachter met relatief weinig middelen een belangrijk deel van de landingszone effectief zou kunnen worden verdedigd. Een dergelijk scenario zou ook verklaren waarom de artilleristen en hun kameraden van I-28.RI zo weinig tegenstand ondervonden bij hun uiteindelijke ‘opmars’ richting opstellingen van III-14.RA. Duitse posities die kort op de Schenkeldijk zouden heben gezeten – zoals op 10 mei nog wel het geval was – zouden vrijwel zeker vuur hebben uitgebracht op de duidelijk herkenbare verbanden in de polders oost van de Schenkeldijk.

Onduidelijk blijft welk Duits verband zich op de kruising Zeedijk – Schenkeldijk bevond. Het is aannemelijk dat het een delegatie van de regimentsstaf betrof, maar zeker is dit beslist niet. Mogelijk is bijvoorbeeld eveneens dat de twee Gruppen [Jäger Gruppe en een Leichte Granatwerfergruppe] van II/.FJR1, die in de avond van 10 mei aan Tweede Tol geleverd moesten worden [458], voor deze beveiliging werden ingezet. De Duitsers op het kruispunt werden in elk geval – wellicht door munitiegebrek – door de infanterie van I-28.RI uiteindelijk gevangen genomen en naar Dordrecht afgevoerd [100a].

Hoe de Duitsers – meer in het bijzonder Oberst Bräuer, die bij Tweede Tol zijn gevechtshoofdkwartier had – aankeken tegen de status van hun verdediging in het hart van het Eiland is onbekend. Er is nog geen fractie van een bericht over te vinden. De Duitse aandacht lijkt in hoofdzaak te zijn uitgegaan naar alles wat zich ten noorden en ten zuiden van Tweede Tol afspeelde. Oberst Bräuer werd in loop van de dag uiteraard bewust gemaakt van de Nederlandse activiteiten rond Wieldrecht en Dordrecht alsmede de Franse aanwezigheid rond Zevenbergen. Het is dan ook niet vreemd dat de bedreiging van de beide hoofddoelen voor zijn regiment veel meer aandacht vroeg (en kreeg) dan de beveiliging van de landingszone die in wezen van ondergeschikt belang was in die fase voor Bräuer. Desondanks zal er geen sprake zijn geweest van negeren van de noodzaak ook in oostwaartse richting weerbaar te blijven, maar uit alle terzake bekende literatuur en verslagen lijkt te spreken dat de directe bedreiging van de beide bruggenparen met afstand hoofdzaak was en al het andere ondergeschikt. Want ook het afspringen van de Kompanie Moll wordt nauwelijks besproken. Hoewel het gedurfd is te stellen dat uit dit beeld zou blijken dat Oberleutnant Platow een helse taak had om met zo weinig ondersteuning zijn verdedigende rol te moeten vervullen, zal toch de Nederlandse activiteit langs de Schenkeldijk slechts marginaal tot de Duitse bevelvoering zijn doorgedrongen. Er blijkt althans ook uit latere Duitse acties geen aanleiding te denken dat men zich al te grote zorgen om de beheersing van de drop-zone maakte. Met uitzondering van enig mortiervuur – wellicht ook vuur door enkele berghouwitsers – werd geen opvallende tegenreactie waargenomen. Het lijkt echter verstandig om de bespreking wat dat betreft te staken, omdat verder filosoferen te veel zou neigen naar giswerk wegens ontbrekende bronnen.

Een curieus besluit

Tegen het einde van de middag hadden de artilleristen van III-14.RA samen met de mannen van I-28.RI het terrein oost van de Schenkeldijk gezuiverd en enkele honderden meters west van het kruispunt Zeedijk-Schenkeldijk eveneens weer in bezit genomen [100a, 140]. Men stond op dichtere afstand ten opzichte van het zenuwcentrum van de Duitse operatie – de regimentscommandopost van Oberst Bräuer – dan men wist en dan men in de komende dagen opnieuw zou komen.

Zodoende kon men constateren dat de vier stukken van de linkerbatterij, die ten noorden van het kruispunt stonden, geheel intact waren. De middenbatterij die vlak naast een sloot ten zuiden van het kruispunt Zeedijk-Schenkeldijk had gestaan, lag omgekieperd in het water. De rechterbatterij – die het meest westelijk [bij de Blinde weg] stond – was intact, maar gapende gaten in de grond toonden de munitie opgeblazen [140].

De aanwezigheid van de Nederlanders langs de (kaars)rechte Zeedijk was ondertussen in Tweede Tol opgevallen. Na enige tijd begon aarzelend mortiervuur te vallen rond de batterijopstelling, mogelijk gesteund door vuur van de beschikbare halve batterij [=twee vuurmonden] berghouwitsers van Oberleutnant Schram die onder Tweede Tol stond. Dat weinig indrukwekkende vuur dat duidelijk – voor wat betreft de mortieren – op vrijwel maximale afstand werd gegeven, bezwangerde enkele officieren van III-14.RA onmiddellijk met de angst dat de heroverde eigen afdelingopstelling onhoudbaar zou zijn. De stukken durfde men niet te gebruiken, want dat zou ontegenzeglijk een felle Duitse reactie opleveren [100a, 140].

Uit een verslag van kapitein Bollé [100a] blijkt dat de bij de afdelingopstelling aanwezige officier vuurregeldienst van III-14.RA, reserve 1e luitenant J.H.A.K. Gaulthérie van Weezel, ernstige bezwaren maakte tegen een voorstel de positie der stukken ter verdediging in te richten. Hij voorzag met name ’s nachts grote problemen Duitse verbanden effectief op afstand te houden. Die bezwaren kan men enigszins begrijpen, daar de stukken in het open veld stonden zonder enige goede dekking voor beveiligende manschappen. Anderzijds zou een naderende vijand zich ook in volkomen open terrein moeten hebben begeven. Van enige mate van doortastendheid was bij de vuurregelofficier geen sprake. Besloten werd advies in te winnen bij Groep Kil [100a, 140]. Daartoe moest men naar de enige werkende telefoonverbinding in de buurt, in de school bij C.-III-14.RA. aan de Zuidendijk. De verbinding bij de boerderijen onder de Zeedijk was uiteraard geen optie, daar in die sector nog volop gevochten werd tussen de Duitsers onder Oberleutnant Moll en de vaandrig Marijs. Dat gebied vermeed men liever, zo zou nadien nog nadrukkelijker blijken!

In het verslag van kapitein Bollé werd gesteld dat opdracht werd gekregen vanuit Groep Kil om tot de zuidgrens van Dordrecht terug te trekken [100a]. Die opdracht werd met luitenant Julius gedeeld, die daarop heel volgzaam met zijn secties naar het noorden trok en het deel van de compagnie dat onder de vaandrig Marijs op een steenworp afstand met de restanten van de bij de Tongplaat gelande parachutisten zonder enige gene achterliet [100a]. Een onvoorstelbare zaak, die uiteindelijk – we lopen dan enigszins vooruit op de zaken – tot het verlies van het verband van Marijs zou leiden en de ontsnapping voor zo’n 35 weerbare parachutisten. Een kwestie die niet alleen onbegrijpelijk is, maar miraculeus genoeg ook niet lijkt te zijn onderzocht door de defensiecommissies die kort na de capitulatie aan de slag gingen. Voor auteur dezes een onbegrijpelijke kwestie!

Evenzo onbegrijpelijk was het bevel aan 2-I-28.RI, 3-I-28.RI en III-14.RA om noordwaarts terug te trekken op de grens van Dordrecht [1, 100a, 140]. Helaas ontbreekt het auteur dezes aan een deel van het uitgaande berichten logboek van Groep Kil. Volgens het Stafwerk [1, blz. 58] was het kapitein Bollé die in de avond telefonisch melding maakte van het feit dat men geen kans zag de veroverde afdelingopstelling duurzaam te verdedigen. Zijn bericht is in het logboek van Groep Kil niet als zodanig te traceren. Het inkomende berichten log [192] biedt echter een andere aanwijzing, van een bericht dat wellicht door kapitein Bollé werd ingebracht. Bericht no. 29 in dat log geeft namelijk aan dat III.14.RA meldde: “Er landen zooveel parachutisten dat zij terug moeten. Zullen nu stelling nemen beneden de spoorlijn.” Dat bericht suggereert dus niet dat men om instructies gevraagd heeft, maar een melding deed waarom men een zeker besluit had genomen.

Het verhaal van ‘zoveel parachutisten’ is pure suggestie. Op het moment dat men dat bericht als excuus fabriceerde, beheerste III-14.RA en de anderhalve compagnie van I-28.RI die zich onttrokken had aan de gevechten met de troepen van Oberleutnant Moll, meer terrein van het Eiland van Dordrecht dan ze voordien en nadien zouden doen. Ze hadden zelfs de oostelijke helft van de Duitse landingszone in handen! Duitse druk van infanterie ervoer men niet, met uitzondering van lichte beschietingen met slecht gerichte mortiergranaten vanaf Tweede Tol. Waar men al die spookparachutisten zag landen is volkomen onduidelijk. Binnen eigen gelederen kwamen ze niet neer, en er werd ook geen gevecht mee geleverd [m.u.v. uiteraard de strijd rond de Tongplaat]. Het stuk terrein waar men sinds de vroege ochtend zo hard voor had gevochten, waar met name in de ochtend van 10 mei gevoelige offers voor waren gebracht, liet men zonder meer aan de tegenstander en – veel kwalijker nog – trok men welbewust ook de handen af van het oostelijke deel van het Eiland tussen het verband Marijs en Kop van ’t Land, waardoor de vaandrig – zonder daarvan overigens weet te hebben – afgesloten werd van zijn laatste aanvoerlijn. Het was een volkomen onverantwoord besluit, ingegeven door subalterne officieren die hun taken niet verstonden en hun plichten ronduit verzaakten. Het was een fnuikend besluit, zeker ten aanzien van de piepjonge vaandrig Marijs en zijn loyale manschappen, die plompverloren, zonder enig excuus en zonder enig bericht in de steek werd gelaten. Zoals luitenant Julius het 'treffend' verwoorde in zijn krijgsverslag: “De vaandrig Marijs (…) konden we niet zo gauw bereiken.”

De voorstelling van zaken door de officieren van I-28.RI en III-14.RA op het Eiland aan de Groep Kil forceerde volgens het Stafwerk [1, blz. 58] C-Gr.Kil – vermoedelijk kapitein Calmeijer aan zijn zijde –  om het bevel te geven met de gehele strijdmacht ten zuidoosten van Dordrecht op de spoordijk terug te trekken. De overweging die daarvoor gold – volgens het Stafwerk [1] – was dat de C-VH inmiddels C.-Gr.Kil had ingelicht dat de Lichte Divisie ‘het Eiland van Dordrecht zou binnenrukken’. III-14.RA en de restanten van I-28.RI moesten zich indachtig die informatie maar niet teveel blootstellen aan kansen op vernietiging, zo stelt Calmeijer haast letterlijk in het Stafwerk [1]. Overigens was C-Gr.Kil van voornoemde overwegingen van de C-VH al in de ochtend van 11 mei om 1020 uur op de hoogte gesteld [192, logboek inkomende berichten], nadat C-LD de C-VH had ingelicht omtrent de mislukte pogingen bij Alblasserdam over te steken richting IJsselmonde. De LD diende zich vervolgens via het Eiland van Dordrecht een weg naar IJsselmonde te banen. Kennelijk hadden alle tegenslagen van de dagen ervoor bij geen der hoge officieren ook maar de minste twijfel doen rijzen dat de LD wellicht wel erg veel hooi op haar vork diende te nemen. Want op weg naar IJsselmonde moest het als nevenopdracht het Eiland van Dordrecht van Duitse weerstand zuiveren. Alsof de prestaties van 11 mei enig aanknopingspunt boden om een dergelijke ambitie achteloos in een instructie op te nemen!

Op basis van zeer lichtzinnige argumenten trokken vervolgens de Nederlandse troepen zich volledig terug vanuit het hart van het Eiland. Slechts de toegewijde vaandrig Marijs met zijn manschappen bleef achter. Daar waar door chef-staf Calmeijer in het Stafwerk en zijn Memoires veldcommandanten keer op keer nadrukkelijk, en zonder enige gene zijdens de oud-chef-staf zelf, de maat werd genomen over lichtvaardige besluiten op een zekere locatie het veld te ruimen, bediende de chef-staf en zijn directe superieur zich van exact dezelfde lichtvaardigheid - met het grote verschil dat het hen kennelijk gelukte na de strijd de aandacht vakkundig af te leiden van het buitengewoon kwalijke feit dat men de helft van 2-I-28.RI welbewust in de steek had gelaten. Het was een niet zo fraai staaltje wanbeleid!

Een zinloos offer

Er wordt nu teruggekeerd naar de omgeving van Dordrecht, waar na de vuuroverval op de spits van het bataljon Ravelli en de gevechten rond de Glazenstraat, de gebeurtenissen elkaar snel zouden opvolgen.

Zoals bekend was III-2.RW in de nacht aangekomen in Dordrecht. Daarbij de volledige gemotoriseerde MC van het bataljon, die werd opgedeeld over de compagnieën. De 4e sectie MC onder reserve vaandrig C.J.P. Blok kreeg rond 0600 uur van de BC opdracht om 2-III-2.RW te versterken [104c]. Zoals bekend was die compagnie eerder uitgestuurd om Krispijn te zuiveren. Voordien had de sectie het voetbalterrein [DFC] in het oosten van de stad verkend op aanwezigheid van vijand. Vaandrig Blok zou opdracht hebben gekregen van kapitein Fortgens de flank van Krispijn te bezetten richting noordwest, om zodoende de zuiverende formaties van 2-III-2.RW vanuit die richting te dekken tegen vijandelijk vuur vanaf de bruggen. Dat volgt uit een verklaring van de reserve 2e luitenant E. Halewijn [104c]. Maar was dat accuraat?

Van de uitvoering van de opdracht door vaandrig Blok en zijn sectie is nagenoeg niets bekend. De verslagen der wielrijders (van III-2.RW) zijn volkomen gespeend van detailinformatie. Het komt erop neer dat slechts de globale opdracht en het eindresultaat bekend zijn en het geheel daartussen slechts middels fragmentarische berichten in andere verslagen tot de onderzoeker kan komen. Er moet dus gepuzzeld worden. Dat betekent - de lezer zij gewaarschuwd - dat een nadrukkelijk voorbehoud voor de reconstructie geldt.

Weeskinderendijk

Uit de verslagen van MC-III-2.RW [104c] wordt dus weinig duidelijk. Het verslag van 2-III-2.RW [104c], onder de kapitein A.C. Fortgens, geeft ook geen enkele helderheid. Reserve 1e luitenant G.H. Holtvluwer van MC-III-2.RW [104c] stelt slechts dat de 4e sectie op basis van een bevel van 0600 uur van de BC aan 2-III-2.RW werd toegevoegd en nadien verliezen leed. Omtrent een tijdspad wordt wel een aanwijzing gegeven in het verslag van 2./FJR1 [451], dat spreekt van een ‘MG Kradschützen’ nadering rond 0920 uur, gericht tegen de eigen veiligheidsperimeter. Die actie werd bloedig afgeslagen, zo meldt datzelfde Duitse verslag. Als die tijd min of meer accuraat was, dan was de 4e sectie MC-III-2.RW kennelijk enige tijd anderszins ingezet. Want tussen 0600 en 0900 uur ligt, zeker voor een gemotoriseerde eenheid, erg veel tijd. Enige verklaring daarvoor vindt men in een burgerverslag [1003, verslag hr vd Koogh], waarin gemeld werd dat de tien motoren van de sectie tijdens het aftanken van hun motoren door wilde schietpartijen werden afgeleid en eerst enkele buurtpatrouilles (omgeving Singel) uitvoerden, alvorens ze vertrokken richting Krispijn. Het verslag van 4./FJR1 [454] spreekt echter van een dergelijke aanval in de middag, wat consistent is met het merkwaardige verslag wat in ‘De Militaire Wielrijders’ [1501] wordt gesteld en analoog in de gesneuveldenregisters [31] als motivatie bij het sneuvelen van de deelnemers van die actie wordt toegevoegd. Auteur Knoops stelt namelijk dat de vaandrig Blok in de middag opdracht kreeg zich naar het vliegveld Waalhaven te verplaatsen. Een reconstructie die haast niet kán kloppen, nog los van het feit dat de Weeskinderendijk niet naar de oprit van de brug (richting Waalhaven) voerde. Een ander verslag, van de hospik korporaal M. Ludemann (1), die bij de MC was ingedeeld, geeft een nog weer afwijkend beeld [104c]. Hij stelde in oktober 1946 dat vaandrig Blok opdracht had gekregen naar de Moerdijkbruggen te rijden. Waarom – zo voegde de korporaal in zijn verslag toe – wist hij niet.

(1) Korporaal Ludemann was als hospik prominent in beeld tijdens de strijd om Dordrecht. Hij handelde een aantal keer nadrukkelijk in strijd met het oorlogsrecht door niet-gewonde officieren en minderen uit hachelijke posities te evacueren onder dekking van het rode kruis. Hoewel deze militair ontegenzeglijk staaltjes van grote persoonlijke moed betoonde, waren zijn daden dus niet altijd comme-il-faut …

Wat is er dus werkelijk gebeurd, en vooral wanneer? Die vraag blijkt lastig te beantwoorden uit de voorhanden Nederlandse militaire verslagen. Want de depottroepen, wielrijders en mannen van II-28.RI – die ook in de buurt lagen tot in de middag van 11 mei – melden geen van allen iets over de motorrijders die op enig moment over de Weeskinderendijk reden en daar door Duits vuur werden overvallen. Dat is wel verklaarbaar, want de depottroepen hadden zich vooral op hun kwartieren teruggetrokken en de restanten van bataljon Ravelli hadden geen direct zicht op de omgeving Weeskinderendijk meer. Het is echter ronduit opvallend dat er over de opgeloste 4e sectie van de MC nauwelijks iets wordt vermeld. In het verslag van de BC [104c] werd slechts vermeld dat bij de uitvoering van de zuiveringsactie rond de Zeehaven (die dus om 0830 uur in opdracht was gegeven) de 4e sectie van de MC ter hoogte van het Sportfondsenbad werd overvallen door de Duitsers. Dat is een verwijzing naar de vermoedelijke accuratesse van het Duitse verslag van 2./FJR1 [451] dat immers meldde dat om 1100 uur Duitse tijd [0920 NL tijd] een aanval van Nederlandse motorrijders met zware mitrailleurs bloedig werd afgeslagen.

» Die Kp. Bleibt nach wie vor in ihrer Verteidigungsstellung liegen. 1100 Uhr erscheint von Westen [sic (2)] her auf der Strasse, die auf den Sicherungsabschnitt zuführt, ein Kradschützenzug. 40 Meter vor der Verteidingungslinie gibt Lt. Graf von Blücher Feuer frei. Die Kradschützen werden stark abgeschossen. 15 Tote und 10 Kräder mit 2 sMG bleiben auf der Strasse liegen. «

(2) Opvallend is dat de Duitse schrijver van het verslag bij de beschrijving hier – en op andere momenten – de windrichtingen west en oost door elkaar lijkt te halen. Ook bij beschrijvingen van andere aanvallen wordt van het ‘westen’ gesproken. Ten westen van de Duitse positie – in het talud van de rijksweg – lag echter het water van de Oude Maas.

Een ander richtinggevend verslag komt uit een persoonlijke brief van 9./FJR1 lid [Zug Oberleutnant Pit Rauch] Bernd Bosshammer [1003], die in 1987 aan wijlen Jan van der Vorm schreef:

» In Dordrecht in einer Schule, roter Backsteinbau [AG: School met den Bijbel] bezogen wir Quartier und kamen von hier aus weiter zum Einsatz Richtung Maasbrücke bei Moerdijk. Auf diesem Weg hatten wir erstmals direkte Kampfhandlungen mit einer Kradschützeneinheit der Holländer. «

Die verklaring lijkt te duiden op de actie van de 4e sectie MC-III-2.RW bij de Weeskinderendijk, en wel in de ochtend. Want vroeg in de middag vertrok 9./FJR1 met de rest van het bataljon richting zuiden, zoals later zal worden besproken. Maar anderzijds - in gedachten nemende dat III./FJR.1 de rustplaats rond de CP Walther rond 1300 uur verliet - kan het een indicatie zijn dat de confrontatie toch vroeg in de middag plaatsvond. Een ander eerder aangehaald verslag van een burger – de heer van de Koogh [1003] – vertelt van een tiental motoren met zijspan die in de ochtend van 11 mei bij de Singel [Garage Jac. van den Berg] hun motoren kwamen aftanken en, na enig oponthoud wegens schoten, in de richting van de bruggen reden. Later had hij gehoord dat ze daar waren vernietigd. Daarmee lijkt het aantal aanwijzingen aanzienlijk dat inderdaad in de ochtend van 11 mei de 4e sectie MC-III-2.RW op de Weeskinderendijk recht in het Duitse vuur reed. Maar desondanks dient de in de details geinteresseerde lezer te beseffen dat dit treffen eventueel pas na het middaguur plaatsvond.

Hoe bloedig de Nederlanders werden teruggeslagen, werd in het Duitse verslag lichtelijk overdreven. Men sprak van vijftien doden en tien kapotgeschoten motoren. In werkelijkheid ging het om zes doden en vier zwaargewonden [31, 104c] (3). Enkele motoren vlogen in brand, zodat de gesneuvelden ernstig door de vlammen werden aangetast. Vaandrig Blok werd zelfs later geheel verkoold geborgen. De lijken van de onfortuinlijke mannen zouden nog dagen langs de Weeskinderendijk blijven liggen. Een morbide monument voor zwak krijgsbeleid.

(3) De gesneuvelden en dodelijk gewonden waren: reserve-vaandrig C.J.P. Blok, dpl sgt J.J.E. van der Korput, de dpl soldaten H.P. Bisschops, W.F. Christophe en H. Philippen en de vrijwillig soldaat H. Kerkwijk [31]. De laatste twee bezweken in de loop van de dag aan hun verwondingen.  Drie van de vier gewonden waren de dpl korporaals de Jager en P. van Staveren alsmede de soldaat P.M. Lendfers. De vierde gewonde was de soldaat Wackerzappe. De gewondengegevens komen uit de onderzoekingen van wijlen J. van der Vorm.

Zwak beleid, want onverteerbaar is het dat naast de uiterst lichtvaardige opmars van majoor Ravelli zijn bataljon eerder die ochtend, ook deze gemotoriseerde mitrailleursectie zich niet leek te hebben bekommerd om de vijandelijke verdediging. Zelfs het aanvoeren van een argument dat men de werkelijke contouren van ’s vijands bruggenhoofd niet kende, leidt niet tot een valide verdediging. De gehele sector rond het Hugo de Grootplein, Weeskinderendijk en Sportfondsenbad was in die dagen open. Men trok dus met een sectie motoren in een keurig net verband over een geheel open weg voorlangs de vijandelijke posities. Hoewel auteur dezes regelmatig kritiek uit op de gedicteerde bevelprocessen in het toenmalige Nederlandse leger, mag duidelijk uit deze kwestie blijken dat een zelfstandig opererende (kandidaat)officier kennelijk niet in staat was zijn opmars zodanig te plannen dat hij een compacte formatie en open route voor de neus van de vijand langs kon vermijden. Het gevolg was een volkomen nodeloos offer. En dergelijke fatale primaire beleidskwesties typeren veel Nederlandse optredens rond Dordrecht. Zoals een persoonlijk Duits verslag van verbindingsman Gefreiter Martin Pöppel van FJR1 [522] het zo typerend vastlegde voor het nageslacht:

» Am nächsten Morgen greift uns fast schulmäßig eine Radfahrkompanie an. Sie stellen in circa dreihundert Meter Entfernung die Räder zusammen, formieren sich, greifen in breiter Front an – ein Offizier mit Pistole vorneweg. «

Duitse versterking naar Dordrecht

In de nacht van 10 op 11 mei bestond er bij Generalleutnant Kurt Student grote zorg om de veiligheid van zijn bruggenhoofd. Hoewel uit zijn memoires [500] niet expliciet blijkt dat de generaal die eerste oorlogsnacht de meeste zorgen had (tijdens de operatie in Nederland), lijkt er alle aanleiding dat wel te denken. Hij kreeg eerst te maken met een vastgelopen aanval in Rotterdam, vervolgens met een zwaar vertraagde aanvoer van troepen op Waalhaven en ontving in de late avond zorgelijke berichten vanuit Hendrik Ido Ambacht (tegenover Alblasserdam) en Tweede Tol. Bij Hendrik Ido Ambacht meldde de beveiliging hem dat er sterke Nederlandse eenheden aan de overkant leken te arriveren en Oberst Bräuer meldde vanuit Tweede Tol dat met name in Dordrecht het bruggenhoofd onder zware druk lag. Student had op dat moment nauwelijks eenheden die hij als reserve kon inzetten, tenzij hij bepaalde gewogen risico’s zou nemen. Die risico’s nam hij. Hij stuurde de belangrijkste operationele reserves van 22.ID – in hoofdzaak toepen van II./IR.16 – richting Hendrik Ido Ambacht en zijn gehele III./FJR1 – dat tot dan toe Waalhaven beveiligde – richting Dordrecht. Waalhaven bleef daarna slechts door een zeer lichte bezetting ‘verdedigd’, te meer daar Student in diezelfde uren besloot zijn CP naar Rijsoord te verplaatsen en eigen niet-ingezette divisietroepen en enkele kleinere eenheden van 22.ID aldaar aan te trekken. Welk risico Student daarmee ten aanzien van Waalhaven nam, bedenke de lezer zelf als bijvoorbeeld de oversteek van 3.GB langs de Oude Maas in ogenschouw wordt genomen. Desondanks kreeg C.III./FJR1 kort na middernacht opdracht zijn compagnieën te verzamelen en richting Dordrecht te gaan. Vrachtwagens werden hem ter beschikking gesteld, welke in aantal in elk geval voldoende waren om drie compagnieën direct richting Zwijndrecht te kunnen sturen [462].

Weeskinderendijk

Hauptmann Lothar Schulz was dus opdracht gegeven om met zijn bataljon III./FJR1 gedurende de nacht mars te maken naar Dordrecht en zich daar te herenigen met zijn eigen regiment. Kurt Student had ingezien dat de door de Nederlanders bezette stad Dordrecht een groot gevaar voor zijn bruggenhoofd rond de Oude Maas vormde en wilde het bruggenhoofd veilig stellen. Helaas ontbreken vrijwel alle gevechtsverslagen van III./FJR1 waardoor niet exact is vast te stellen of het bataljon werkelijk in zijn geheel via Zwijndrecht de oostzijde van de Oude Maas bereikte in de ochtend van 11 mei. Het wel beschikbare verslag van 11./FJR1 [462] en diverse persoonlijke brieven [1003] geven wel enige details prijs. De 11e Compagnie – die zoals bekend slechts uit een Jäger peloton, een Schwere Waffen peloton en twee sMG groepen bestond, omdat het derde peloton in Rotterdam was ingezet – verzamelde zich om 0200 uur op de autoweg van Rotterdam naar Zwijndrecht. De eenheid werd op vrachtwagens geladen en in Zwijndrecht bij het viaduct afgezet. Van daaruit vormde de compagnie de spits van het bataljon. Het verslag van IR.16 [411] geeft aan dat de troepen van 7./IR.16, die in Zwijndrecht lagen, om 0540 uur de eerste manschappen van III./IR.16 in Zwijndrecht ontwaarden. Kennelijk kostte het daarna nog bijna twee uur om de overkant van de Oude Maas te bereiken. Uit de verslagen van 2./FJR1 [451] en 4./FJR1 [454] blijkt in elk geval dat de voorste gelederen van het bataljon zich pas rond 0730 uur bij de commandopost van Hauptmann Walther meldden. Het verslag van 2./FJR1 [451] geeft echter aan dat de 9e en 10e Kompanie van III./FJR1 als eerste rond 0730 uur aankwamen en niet 11./FJR.1. Maar het verslag van de laatste compagnie is het enige dat auteur dezes van III./FJR1 in bezit heeft. Deze eenheid meldde nadien dat het tot 1200 uur Nederlandse tijd rust kreeg en niet direct werd ingezet. Tijdens de overtocht over de verkeersbrug hadden niet minder dan elf man verwondingen opgelopen, waarvan er tien waren uitgeschakeld [462].

Zeker is dus dat 9./FJR1, 10./FJR en 11./FJR1 in de ochtend van 11 mei bij het bruggenhoofd aankwamen. Voor 12./FJR1 is dit niet met zekerheid vast te stellen, want het wordt tot 12 mei nergens in verslagen genoemd. Het is echter aannemelijk dat het wel aanwezig was in Dordrecht.

De sterkte van III./FJR1 valt lastig te duiden. Vastgesteld was al dat dit bataljon in de volle sterkte geland is bij Waalhaven en Feyenoord. Het liet het peloton van Oberleutnant Horst Kerfin [III.Zug 11./FJR1] evident in Rotterdam achter. Daarnaast leed de eenheid verliezen bij de inname van Waalhaven en directe omgeving. De vanuit extractie bekende verliezen aan doden bedroegen voor de Waalhaven inzet tenminste dertien man van III./FJR1 [zie 10 mei, IJsselmonde eerste fase: zes man van 9./FJR1, drie van 10./FJR1, één van 11./FJR1 en één van 12./FJR1]. Het aantal gewonden rond Waalhaven wordt in geen enkele (voorhanden) bron vermeld, met uitzondering van die van 11./FJR1 [462]. Die compagnie meldde één dode, één vermiste en twee lichtgewonden te hebben. Die compagnie leed bovendien nog een aanzienlijk verlies van tien uitgeschakelde gewonden (w.o. een Feldwebel) tijdens de tocht naar de CP van I./FJR1, waarbij vooral de oversteek van de brug gevaarlijk bleek omdat deze ernstig door Nederlandse mitrailleurs werd gehinderd. Dat betekende dat 11./FJR1 van haar resterende sterkte van circa 80 man, nog zo’n 70 man overeind had staan op 11 mei in de ochtend. Voor de beide compagnieën 9. en 10., die de hoofdaanval op Waalhaven en de luchtdoelartillerieopstellingen voor hun rekening namen, zullen de gewonden mogelijk op een drievoud van het aantal doden hebben gelegen. Zij hadden samen negen gesneuvelden. Op basis van een 1:3 verhouding lag hun gewondenaantal dan vermoedelijk rond de 30 man. Bovendien stelt Schulz zelf in zijn kleurrijke ‘So nahmen wir Waalhaven[509] dat de Britse bombardementen in de late avond van 10 en vroege nacht van 11 mei hem ook nog zes gewonden opleverden. Het mag daarom wel als uitgangspunt gelden dat III./FJR1 ongeveer een pelotonssterkte aan gewonden voorafgaande aan de inzet tegen Dordrecht verloren had. Uit een uitgebreid persoonlijk verslag van Oberleutnant Heinz Schmücker – adjudant van bataljonscommandant Hauptmann Schulz – [481] is bovendien bekend dat door beschietingen rondom de CP van Hauptmann Walther, twee officieren van de bataljonsstaf van III./FJR1 [Oberleutnant der Reserve Otto Schramme – in mei 1941 op Kreta gesneuveld – en Oberleutnant Hühne] gewond raakten. Eventueel – het verslag terzake is niet geheel duidelijk – werden zij pas gewond tijdens de opmars van de CP van Hauptmann Walther naar de Zeehaven. Van 12./FJR.1 is nagenoeg niets bekend, maar wel blijkt uit omstandige gegevens dat de eenheid bij de inname van Waalhaven slechts sporadisch lijkt te zijn ingezet. Het aantal slachtoffers van de zware compagnie was één dode [32], mogelijk nog een handvol gewonden. Het bovenstaande gezegd hebbende mag aangenomen worden dat III./FJR1 in Dordrecht inzetbaar was met het gehele bataljon, min een sterkte van ruim twee pelotons. Dat betekent een gevechtsformatie met een sterkte van ongeveer 450-475 man. Een forse versterking voor het tot dan toe beduidend zwakkere I./FJR1.

Nadat de eerste delen van III./FJR1 in Dordrecht aangekomen waren, lijkt enige tijd sprake te zijn geweest van besluiteloosheid aan Duitse zijde. Zoals uit het verslag van 11./FJR1 [462] blijkt, werd die compagnie – hoewel rond 0800 uur aangekomen te Dordrecht – tot tegen het middaguur rust gegund. Aangezien zij de spitscompagnie was, kan worden gedacht dat er gewacht werd op de navolgende compagnieën voordat men tot inzet zou komen. Een persoonlijke brief van een lid van 9./FJR1 bevestigt echter dat ook die compagnie na aankomst eerst bij de School met den Bijbel rustte [1003; brief Bernd Bosshammer dd 11 april 1987]. Uit het verslag van 2./FJR1 [451] komt naar voren dat 10./FJR1 ongeveer tegelijkertijd met 9./FJR1 aankwam, waarbij men spreekt van circa 0730 uur. Daarmee is zeker dat drie van de vier compagnieën van III./FJR1 reeds in de vroegere morgen van 11 mei in het bruggenhoofd waren gearriveerd. Van 12./FJR1 ontbreekt enige aanwijzing dat zij ook al rond die tijd aanwezig was, maar als na het middaguur de eerste inzet volgt, wordt in Duitse verslagen geen enkel voorbehoud gemaakt over 12./FJR1, wat wel gebruikelijk was als men zonder een eigen eenheid tot inzet kwam. Omdat 12./FJR1 de volgende dag in Tweede Tol wordt gelokaliseerd, mag wel worden aangenomen dat deze compagnie gewoon van de partij was. Zeker is dat de compagnie einde dag te Willemsdorp wordt ingezet en daar tot einde vijandelijkheden het noordelijke bruggenhoofd blijft beveiligen.

Student op schouwing in Dordrecht

Hermann Götzel laat in de memoires van Kurt Student, de generaal op 11 mei ten tonele verschijnen in Dordrecht [500; blz. 129-130].

» Nach einem Besuch bei Alblasserdam traf General Student noch am Vormittag an den Brücken von Dordrecht ein. Neben dem bereits seit dem Vortag dort eingesetzten I. Bataillon des Fallschirmjägerregiments 1 traf er dort auch bereits Teile des wenige Stunden vorher von Waalhaven abgezogenen III. Batallion desgleichen Regiments an.(…) Die Lage bei Dordrecht missfiel General Student in höchstem Masse. Der Besitz beider Brücken war überaus wichtig. (…) Die kritische Lage im Raum von Dordrecht musste beseitigt werden. Mit dieser Überzeugung trat General Student den Rückweg zum Divisionsgefechtsstand an.Er war sich aber auch bewusst, dass Oberst Bräuer nicht aus eigener Kraft die Lage würde verbessern können. Hier musste die Division eingreifen. «

Götzel’s memories van de generaal [500] zijn niet heel erg betrouwbaar qua precieze informatie. Dat biedt telkens uitdagingen in het vinden van ondersteunend bewijs in andere bronnen. Het opvallende is dat Student zijn vermeende bezoek in de ochtend van 11 mei in geen enkel gevechtsverslag van I./FJR1 wordt besproken, hoewel een bezoek van de Divisionskommandeur in de CP van bataljonscommandant Hauptmann Erich Walther toch opzien zou moeten hebben gebaard. Volgens Götzel vond het bezoek – in de ochtend –plaats toen net de eerste delen van III./FJR1 aan waren gekomen. Dat duidt op een tijd na 0800 uur.

Rijksstraatweg

In een vrij uitgebreid persoonlijk verslag over de gebeurtenissen rond het 3e Bataljon, schreef de toenmalige adjudant van Karl-Lothar Schulz, Oberleutnant Heinz Schmücker, in 1988 in een brief aan Jan van der Vorm [481] ook helemaal niets over Student, die hij op de 11e zou moeten hebben gezien. Een uitgebreid citaat uit die brief is om meer redenen dan het vermeende bezoek van de generaal, relevant:

» Marsch des III.Btl. nach Dordrecht. 11.Mai erreichten wir auf handelsüblichen Kraftfahrzeugen, Omnibus und Lastwagen das Brückenende der Brücke vor Dordrecht. Eine Eisenkonstruction. Auf der Brücke lag ein starkes Maschinengewehrfeuer von links [AG: vanaf de Achterhakkers met name]. Vor allem durch die Querschläger (stahlträger) erhebliche und böse Verluste. Am anderen Brückenende befand sich der Btl.Gef.stand des I.Btl., Major [sic] Walther.

Ich war dabei, als Schulz und Walther sich begrüßten. Walter wollte unverzüglich einen Teil des III.Btl. für die Kämpfe um Dordrecht haben. Schulz wehrte sich. Ein Funkspruch wurde an das Rgt. in Tweede Tol abgesetzt.(…) Funkspruch des Rgt. besagte dass das ganze III.Btl sich zum Rgt.Gef.Stand durchschlagen solle. Von dort würde dann eine Jägerkompanie zum I.Btl zurückkehren.  «

Geen woord over de generaal die bij de bespreking aanwezig zou zijn geweest, terwijl duidelijk blijkt – ook uit ondertussen beschreven (maar wegens irrelevantie in het bovenstaande citaat weggelaten) gebeurtenissen – dat er enige tijd verliep voordat het bataljon richting zuiden vertrok. Sterker, het bataljon zou uiteindelijk zo’n vier uur rond de Weeskinderendijk blijven liggen, want de gereedstelling voor die ‘Durchschlag’ zou pas na het middaguur plaatsvinden.

Ondanks de opmerkelijke ontbrekende aantekeningen terzake, in de vele Duitse persoonlijke en krijgsverslagen, verscheen Student in Dordrecht daadwerkelijk die 11e mei. Reserve 1e luitenant H. Jonker, sectiecommandant in 1-I-34.RI, bevestigt dit uitgebreid in zijn verslag [dd. 11 juni 1940; niet aanwezig in archief NIMH, wel in bron 1003] rond de gevangenhouding in de School met den Bijbel [101a]. Bovendien is de luitenant zijn beeldvorming dusdanig dat een aardige tijdsduiding kan worden gegeven. Want de aanleiding voor de gedetailleerde beschrijving door de gevangen luitenant lag in de onsoldateske gebeurtenissen die deze ochtend en vroege middag van 11 mei zouden plaatsvinden, met Hauptmann Karl-Lothar Schulz in de hoofdrol. Gebeurtenissen die in een volgend hoofdstuk uitgebreid zullen worden besproken.

Dat de aanwezigheid van Kurt Student niet in Duitse verslagen – persoonlijk noch officiële – voorkomt, is opmerkelijk. Ook op 12 en 13 mei zou deze, niet bang aangelegde, generaal de ‘Lage’ in Dordrecht persoonlijk komen opnemen, en ook op die dagen ontbreekt enige verwijzing in Duitse krijgsverslagen. Daarom wordt ook niet duidelijk in hoeverre Student actief ingreep in het lokale beleid.

De kans dat Student actief ingreep lijkt overigens niet heel groot. Het zou zeer in strijd zijn geweest met de in het Duitse leger haast heilige ‘Auftrakstaktik’, die de bevelhebbers een grote mate van operationele vrijheid bood. Student lijkt zich dan ook vooral te hebben geconcentreerd op wat hij als operationeel opperbevelhebber aan middelen kon bijdragen om de missie van zijn 1e Regiment succesvol te doen laten zijn. Götzel insinueert deze afstandelijke benadering van Student in feite ook, als zijn woorden op impliciete betekenis worden getoetst [zie eerdere citaat]. Desondanks is het ook niet onaannemelijk, wellicht zelfs wel logisch, om aan te nemen dat generaal Student in de commandopost van Hauptmann Walther, middels de werkende radioverbinding met Oberst Bräuer zijn hoofdkwartier in Tweede Tol, contact met de regimentscommandant opnam en nog eens duidelijkheid schiep in de kaders van de opdracht. Dat was het behoud van beide bruggenparen en het maximaal beveiligen van de beide bruggenhoofden. Bovendien lijkt het meer dan aannemelijk dat Student zijn bevelhebbers van het 1e Regiment informeerde omtrent de aankomst van de Nederlandse Lichte Divisie bij Alblasserdam. Dat die was aangekomen was Student bekend gemaakt door de gevangenneming van enige wielrijders bij Hendrik Ido Ambacht, waar hij immers voor Dordrecht een bezoek aan het front had gebracht. Het is vrijwel zeker dat de aankomst van de LD generaal Student niet alleen voor raadselen stelde (waar kwam de divisie vandaan?), maar tevens dat die divisie spoedig een voorname opponent zou vormen voor zijn lichte eenheden. In hoeverre Student op zijn beurt door Oberst Bräuer (op dat moment reeds) werd geïnformeerd dat er Franse troepen aan het Moerdijkfront waren gesignaleerd, is niet vast te stellen. Als Student dat in die fase reeds meekreeg, zal hij zeer verontrust naar Rijsoord zijn teruggekeerd. Het lijkt echter aannemelijker dat Bräuer in de ochtend van 11 mei ten tijde van contact met Student - als dit er al was - nog niet wist van Franse troepen bij Zevenbergschen Hoek – zie de beschrijving van 6.GB op 11 mei voor de onderbouwing van deze conclusie.

Opmerkelijk in dit geheel blijft echter de passiviteit van III./FJR1 gedurende een voornaam dagdeel. Tussen de aankomst van het bataljon in de vroege ochtend en de ontwikkeling van acties richting zuiden, lagen ruim vier uur. In die tijd verbleef dus een troepenmacht ter grootte van zo’n 750 man rondom het bruggenhoofd bij de Oude Maasbruggen. Een concentratie die overigens velen is opgevallen, getuige talloze burger en militaire verslagen. Maar het duidt er wel op dat de Duitse bevelhebbers ter plaatse wellicht enige tijd in dubio hebben gestaan waar zij hun schaarse krachten daadwerkelijk moesten inzetten. Dergelijke manoeuvres op de binnenlinies - zoals het schuiven met troepen binnen een eigen bruggenhoofd werd aangeduid - waren een delicate operationele kwestie, zeker als men troepen in de uiterste hoeken van een bruggenhoofd inzette. Ze waren dan immers niet snel meer naar een andere bedreigde locatie in een ander uiterste te manoeuvreren. De Duitsers bleken tijdens WOII meesters in dit soort manoeuvres, die een ondertal aan troepen en middelen door agressieve snelle verplaatsingen konden doen camoufleren c.q. compenseren.

Een nadere aanwijzing omtrent de twijfel hoe het nieuw aangekomen bataljon in te zetten, lijkt te worden gevonden in de opdracht die III./FJR1 uiteindelijk van Oberst Bräuer kreeg (volgens Oberleutnant Schmücker zijn verslag [481]). Dat was niet de uitbreiding van het bruggenhoofd richting oosten (de stad Dordrecht), maar het vrijmaken van de weg richting Tweede Tol. Het is heel goed mogelijk dat Oberst Bräuer in deze geleid werd door inmiddels ontvangen berichten van arriverende Fransen bij Moerdijk, waardoor hij een operationele reserve wilde aantrekken om eventueel Franse tegenaanvallen op de bruggen aldaar te kunnen weerstaan. Dat zou dus wederom een teken zijn van verschuivende prioriteiten bij Bräuer. In hoeverre dat een gevolg was van afstemming met Student, blijft dus onduidelijk. Overigens is in dit licht natuurlijk de weergave van Oberleutnant Schmücker, die eerder werd geciteerd, ook pikant. Die duidde immers op een discussie tussen de beide rang- en functiegelijke bataljonscommandanten Schulz en Walther ten aanzien van de aanwending van III./FJR1. Uiteindelijk volgde daaruit het bevel van Oberst Bräuer geheel III./FJR1 [min 9./FJR1] beschikbaar te stellen aan Tweede Tol. Maar zover was het nog lang niet. Er zou nog het een en ander aan vooraf gaan …

Hauptmann Schulz opnieuw in een negatieve hoofdrol

Bij de gebeurtenissen rondom de inname van Waalhaven en de verovering van de posities der luchtdoelbatterijen op het Eiland IJsselmonde, werd het curieuze beleid van bataljonscommandant [III./FJR1] Karl-Lothar Schulz reeds duidelijk geschetst. Het oorlogsrecht was voor Hauptmann Schulz kennelijk slechts een papieren tijger. Eentje waar een ‘Draufgänger’ en oprechte ‘nazi’ als Schulz zich niet al te veel van aan hoefde te trekken. Daar waar het oorlogsrecht in algemene (milde) zin tijdens de strijd door beide belligerenten nog wel eens geschonden werd, of waar militairen zich door de chaos en stress van de strijd bij gelegenheid tegenover krijgsevangen tegenstanders of burgers niet strikt conform de regelen der strijd gedroegen, was er bij Hauptmann Schulz duidelijk een vooringenomen programmering om zich van het oorlogsrecht niet al te veel aan te trekken. In algemene zin was Schulz – bijgenaamd Cognac-Schulz wegens zijn overmatige lust naar die luxe drank – een weinig gepolijste figuur, zo blijkt uit schetsen van deze officier en zijn achtergrond bij de Polizei Abteilung zbV Wecke, waarin slechts uiterst trouwe nazi’s te vinden waren. Nu mag een reputatie geen aanleiding zijn iemand bij voorbaat schuldig te achten aan een wandaad, maar in het geval van Schulz lijkt zijn reputatie een terechte 'verworvenheid' te zijn geweest.

Toen Hauptmann Schulz in de ochtend van 11 mei ten tonele verscheen, bleek dat hij direct een aanvaring met Hauptmann Walther kreeg over de inzet van zijn eenheid. Het is niet onaannemelijk dat Schulz zijn – door zijn adjudant geschetste [481] – verzet tegen Walther's idee tot aanwending van zijn eenheid ter ondersteuning van I./FJR1, als een onderwerping ervoer. Schulz was een officier die zich wilde onderscheiden en vermoedelijk niet veel zag in het optreden onder het gezag van de oudere en beheerstere Walther. Beide kenden elkaar overigens goed, want ze dienden samen bij de Polizei Abteilung zbV Wecke (en opvolgers). Maar kort nadat Schulz in de omgeving arriveerde, werden spoedig de Duitse maatregelen in de omgeving van het bruggenhoofd merkbaar draconischer.

Zuidendijk

In het naspel van de gevechten rond de Mijlweg en Glazenstraat, waren parachutisten van I./FJR1 uiteindelijk opgedrongen richting zuiden en oosten van het kleine bruggenhoofd rond de Oude Maasbruggen. Zoals eerder beschreven, werden bij de Glazenstraat ongeveer een honderdtal Nederlandse gevangenen gemaakt, burgers en militairen van voornamelijk 1-I-34.RI. Uit omstandige aanwijzingen in rapporten en verslagen valt dit te duiden rond 1000 uur. Daarbij werd door de Duitsers niet zachtzinnig opgetreden. Krijgsgevangenen werden bespot en ruw behandeld, maar evenzo werden huizen uitgekamd [1003, o.m. verslag lt Jonker, 1-I-34.RI]. Mannelijke bewoners vanaf 18 jaar werden gevangen genomen. De Duitsers vergoelijkten die maatregel uit het feit dat ze zeiden door burgers beschoten te zijn, zoals krijgsgevangenen getuigden in hun verslagen [101a, 1003]. Die overtuiging was overigens oprecht aanwezig bij de parachutisten, want alle gevechtsverslagen spreken van beschietingen door burgers. Een zaak waar de Duitsers sinds de strijd in Polen – waaraan ook parachutisten van FJR.1 deel hadden genomen – uiterst gevoelig voor waren. Hoewel vast staat dat een enkele burger zich in enige mate actief in de strijd mengde door bijvoorbeeld militairen vrijwillig onderdak te verlenen, gewonden te verzorgen en zelfs hier en daar zich van een wapen te voorzien, zijn de Duitse beweringen van massale deelname door burgers aan de strijd klinkklare nonsens. Aanleiding voor die Duitse berichten liggen voornamelijk in de eerste uren van de strijd waaraan veel verraste - en daardoor soms halfgeklede - militairen deelnamen en bovendien een niet onaanzienlijk aantal in marine-uniform of werkuniform (overall) geklede rekruten van het depot. Dat daarbij – uit de aard der zaak – veel uit huizen werd gevuurd, leidde spoedig tot de Duitse perceptie dat burgers actief aan de strijd deelnamen. Zo meldde het gevechtsrapport van 3./FJR1 [452] door tientallen burgers te worden aangevallen, terwijl het in werkelijkheid om in onvolledig uniform geklede militairen ging. De Duitsers – als aanvallers op vreemde bodem – waanden zich evident in een geheel vijandelijke omgeving. Van een enigszins begrijpelijke context was de Duitse maatregel dus wel voorzien. Juist was de maatregel niet.

Was het daar maar bij gebleven. Interneren van de mannelijke bevolking had geen volkenrechterlijk jurist de Duitsers in de gegeven omstandigheden euvel geduid. Maar de behandeling die volgde, des te meer. In eerste instantie zorgde Hauptmann Walther ervoor dat er brood werd gegeven aan de bewoners en gevangen militairen. Zij zaten opeen gepakt in de School met de Bijbel vlakbij de CP van Walther, die in het pand van bakker Jongerius was gevestigd. In de school waren al enige krijgsgevangenen ondergebracht sinds de vorige dag, en ook enige burgers zaten er al langere tijd. De al 'zittende' militairen waren in hoofdzaak de manschappen van de luchtafweer pelotons die bij de brug hadden gezeten en in de ochtend van 10 mei overrompeld waren. Het uitgereikte brood moest wel door de burgers en militairen worden betaald, a raison van 15 cent per brood [1003: verklaring res 1e luitenant H. Jonker]. Dat was een stevige vergoeding voor een brood. Of dat op initiatief van de bakker (Jongerius) zelf kwam of dat de Duitsers uit eigen ‘Grundlichkeit’ handelden, is onduidelijk (4). Curieus was het wel.

(4) Het Duitse leger was dwingend geïnstrueerd de Nederlanders, die gedupeerd werden door oorlogsnoodzaken, van de juiste betaling of anders een schuldverklaring te voorzien. Het Nederlandse volk stond immers op de rol om genazificeerd te worden, als Germaans broedervolk. Het laatste wat men wilde was de ‘noodzakelijke’ invasie gepaard te doen gaan van al te grote imagoschade.

[1003; verslag 1e lt Jonker] Voordat generaal Student ten tonele verschenen was, was een Duitse onderofficier op een figuurlijk zeepkistje gaan staan en had de aandacht geëist. In vrijwel vlekkeloos Nederlands deelde hij mee dat in opdracht van ‘de Hauptmann’ de krijgsgevangen militairen op een vrachtwagen zouden worden geplaatst en voor de Duitse troepen uit hun kameraden tot overgave moesten oproepen. De aanleiding voor die maatregel zou zijn voortgekomen uit het feit dat Nederlandse burgers op Duitse militairen hadden geschoten, zo meldde de Duitser. Het leek de bedoeling e.e.a. direct in werking te doen treden, maar – zoals eerder gezegd – verscheen opeens generaal Kurt Student ten tonele.

[100b, 101a, 1003] Kennelijk vonden de lokale Duitse officieren het geen goed idee de generaal getuige te laten zijn van hun malafide plan. Toen na enige tijd Student weer vertrokken was, verschenen wederom gewapende parachutisten bij de school en joegen een kleine twintig Nederlandse militairen [het exacte cijfer varieert per bron, meestal worden 16 of 18 man genoemd] op een vrachtwagen. Anderen moesten zich achter de wagen opstellen. Ze waren vrijwel allemaal van 1-I-34.RI en enkele van 1-II-28.RI. [1003] De 1e luitenant Jonker van 1-I-34.RI moest naast de wagen lopen en kreeg een, met behulp van een witte handdoek vervaardigde, Nederlandse vlag in handen. Daarmee moest hij zwaaien ter overreding van de nog vechtende kameraden om niet te vuren. Zijn protesten jegens de wederrechtelijke aard van het gebeuren werden niet beantwoord. Andere soldaten werden op de spatborden geplaatst, zodat aan de voorzijde de beschieting van de auto direct tot groot gevaar zou leiden. Slechts een Duitse bestuurder zat op de vrachtwagen, voor het overige bleven de Duitsers buiten beeld. Alle andere aanwezige Duitsers liepen naast de weg, een klein stuk achter de vrachtwagen mee. Uit een verslag van Oberleutnant Schmücker [481] lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het mannen van 9./FJR1 waren die naast de vrachtwagen meeliepen. Op de weg tussen hen in liepen nog enige Nederlandse krijgsgevangenen. Zo werd de Mijlweg afgereden richting het zuiden. Vlakbij de Glazenstraat waren alle Duitsers opeens aan de rechterkant van de weg te vinden. Men verwachtte kennelijk het vuur van links. En daar kwam het ook vandaan toen de hobbel bij de Glazenstraat was genomen. Het vuur kwam inderdaad van links, van de omgeving Zuidendijk – Patersweg. [1003, verslag lt Jonker] Enige Nederlanders raakten gewond, meestal aan het onderlichaam, zodat het leek alsof met opzet laag werd gericht, wat vermoedelijk echter niet zo was. [100a, 1003] De Duitse chauffeur werd eveneens geraakt. [1003] Luitenant Jonker raakte zelf ook gewond, na een schot door zijn kuit en hiel. [1003] De naast hem lopende sergeant Silvis en de korporaal Verstoep (beiden 1-I-34.RI) kregen ook schotwonden, respectievelijk aan de schouder en de tenen. De hele groep Duitsers en Nederlanders (5) bleef zo in dekking liggen.

(5) Het terzake zeer gedetailleerde verslag van de luitenant H. Jonker [1003] - sectiecommandant en plv. C.1-I-34.RI - noemt een aanzienlijke lijst van (vijftien) namen van krijgsgevangenen die volgens hem in elk geval onderdeel waren van de misbruikte stoet die in het Nederlandse vuur terecht kwam. Naast de reeds genoemde sergeant Sillevis en korporaal Verstoep, waren dit volgens luitenant Jonker de sergeant Jansen, de korporaals Van Aken en Kints en de soldaten Bijster, Kalwij, van der Meijden, van der Poel, Prent, Terwisga, Troost, de Vries en A.J. Waringa. Soldaat Harm de Vries overleed op 14 mei aan zijn verwondingen. Al deze mannen waren van 1-I-34.RI.  Zeker is dat ook SMA B. Koops Eendebak van 1-II-28.RI bij de groep was [100b].

Hoewel de suggestie uit menige beschrijving (elders) van deze gebeurtenis doet vermoeden dat dit alles een kwestie van minuten was, duurde het geheel in werkelijkheid wel een uur. Een uur waarin beide partijen hun ‘zonden’ uitstekend konden overdenken. De Duitsers hun opvallende onsoldateske optreden, de Nederlandse opponenten de te nemen tegenmaatregelen. Maar geen der partijen leek de tijd zodanig te hebben gebruikt. Om dat laatste nader toe te lichten, dient te worden beschouwd hoe de Nederlanders – in hoofdzaak de restanten van het bataljon Ravelli en de twee Wielrijdercompagnieën – in deze optraden.

Het bataljon Ravelli en de Wielrijders

Er gebeurde zo ontzettend veel in een betrekkelijk korte tijd in een min of meer beperkt gebied dat zo nu en dan – voor het bewaren van het juiste overzicht – stappen in de tijd worden teruggedaan. Zo ook nu, als er wordt gekeken naar het gereorganiseerde verband onder majoor Ravelli dat na de vuuroverval op de Mijlweg en de najagende Duitse verbanden, zich hergroepeerde rond het Zeehavencomplex.

Onderwijl hadden de beide compagnieën Wielrijders die centraal langs de Zuidendijk lagen, opdracht gekregen richting Zeehaven te trekken [104c]. Daarbij zou 3-III-2.RW [C. ritmeester H. Stas] via Amstelwijk vanuit het zuiden de Zeehaven benaderen en 1-III-2.RW [C. kapitein H. Wijers] via Krispijn. Kapitein Wijers was bevelhebber over de operatie. Volgens de bataljonsverslagen [104c] kreeg men die opdracht rond 0830 uur. De te overbruggen afstand was klein, slechts zo’n drie kilometer, en men was met fietsen uitgerust. Desondanks duurde het uren voordat de beide compagnieën zodanig op weg waren dat zij hun respectievelijke doellijnen naderden. Onduidelijk blijft wat men al die tijd onderweg deed dat zoveel tijd verloren ging.

Er wordt eerst gekeken naar de 3e Compagnie [104c]. Deze zou de Zuidendijk volgen en pal oost via de Bierweg / Reeweg Amstelwijk benaderen en van daaruit via de rijksweg richting Zeehaven trekken. Precieze tijdspaden zijn niet te herleiden uit de summier vastgelegde gegevens, maar rond het middaguur kwam de voorste sectie volgens het compagniesverslag in aanraking met een kleine Duitse patrouille, waarvan men naar eigen zeggen één man doodde en drie op de vlucht joeg. De vraag is of men wel op Duitsers schoot. Als het zo is, dan was het vrijwel zeker één der verbanden van de Sanitäter, want andere Duitse activiteit rond Amstelwijk was er in die fase vrijwel zeker niet. Menig Sani verband had echter op 11 mei aanraking met Nederlandse troepen rond de Zuidendijk en Amstelwijk, zoals blijkt uit de verslagen van de ‘Versprengten’ [471]. De vermeend gedode Duitse parachutist is ontraceerbaar in de verliezenlijsten [32].

[104c] Nadat de compagnie bij Amstelwijk aankwam, gaf de ritmeester opdracht het gehucht te zuiveren, wat wederom veel tijd kostte. Behalve het bekende hospitaal in de villa en veel weggeworpen uitrustingstukken, trof men geen Duitser aan. Hierna toog de compagnie richting Zeehaven, langs de rijksweg. De compagnie trok op tot omstreeks de sector Krabbeweg, toen contact ontstond met Nederlandse troepen. [100b, 104c] Ritmeester Stas kwam naar voren en legde contact met kapitein Belgraver van 2-II-28.RI, die met zijn compagnie de zuidzijde van de Zeehaven beveiligde. Daarbij constateerde de ritmeester dat het Zeehavencomplex in Nederlandse handen was en er door zijn eenheid dus geen zuivering hoefde plaats te vinden. Onderwijl werd vanuit het oosten op de Nederlanders geschoten, waarop iedereen in dekking ging. [100b, 104c] Het zou spoedig blijken dat het via de Zuidendijk (noordelijk aftakking) opgetrokken 1-III-2.RW vanaf de Patersweg het vuur hadden geopend op de Nederlandse troepen, die zij rond het Zeehavencomplex ontwaarden. Alleen – met de instructie het complex te zuiveren en daardoor aannemend dat het door de vijand bezet was – identificeerde men de manschappen op het Zeehavencomplex niet als eigen troepen. [100b, 104c] Uitgebreid vuurde de wielrijders – vanaf een vuurpunt achter de kruising Zuidendijk / Patersweg – op de Nederlanders en dertig mortiergranaten [van sie Mr.III-2.RW] werden zelfs op de loodsen aan de Zeehaven afgeschoten [104c, verslag vaandrig H.W. Mulder sie Mr.]. Aan het ontvangende eind hadden de meesten echter al spoedig door dat men door eigen troepen werd beschoten, al was het maar omdat men wist dat er versterking zou arriveren.

[100b] Er werd door de mannen van Ravelli met witte vlaggen gezwaaid, geschreeuwd en allerhande misbaar gemaakt, maar de wielrijders deerde het niets. Het vuren ging maar door. Majoor Ravelli nam zelf met de kijker waar dat het eigen troepen waren, waarna een van de tamboers opdracht kreeg het Wilhelmus te blazen. Dat temperde het vuur, maar er was een patrouille vrijwilligers voor nodig om contact te maken met de fanatieke wielrijders om het vuur eindelijk te doen zwijgen. [100b, 104c] Kapitein Wijers, tijdens dit gebeuren niet aan het front van zijn compagnie, maar achteraan, kwam naar voren en maakte contact met kapitein Belgraver, die vergezeld was van luitenant Van der Grijn. [104c] Daarbij constateerde de kapitein Wijers niet alleen dat het Zeehavencomplex in eigen handen was, maar ook dat ritmeester Stas ten zuiden van het complex al was gearriveerd. Van enige afstemming tussen beide compagnieën wielrijders was kennelijk ook geen sprake geweest. Hoe zij het vuren op elkaar hadden willen voorkomen als zij ten zuidwesten van de Zeehaven waren samengekomen, was dus evenzo een raadsel. Maar dat raadsel behoefte gelukkig niet te worden opgelost. [104c] Ritmeester Stas had ondertussen bij luitenant Zeeman op de provisorische CP van Ravelli telefonisch contact gemaakt met zijn BC. Die had hem geïnstrueerd met de beide compagnieën terug te keren naar de stad. Ritmeester Stas liet de 3e Compagnie naar de Zuidendijk terugtrekken en overlegde nadien met kapitein Wijers. De laatste had het commando, maar nam de instructie van de BC direct over. [104c] Kapitein Wijers besloot terug te gaan naar het Oranjepark en gaf opdracht aan zijn manschappen om – het kruispunt Patersweg / Zuidendijk onderwijl in verdediging brengende – te hergroeperen en voor te bereiden voor de terugtocht. De inmiddels naast (c.q. achter) de 1e Compagnie liggende 3e Compagnie zou de compagnie van kapitein Wijers volgen richting Oranjepark. Het bevel van de C-III.2RW [reserve majoor jonkheer W.A. van den Bosch] om zijn beide compagnieën terug te trekken naar het Oranjepark, lijkt van hemzelf te zijn gekomen en niet ingegeven te zijn door afstemming met overste Mussert. Het is echter een zaak die niet met veel bewijs kan worden ondersteund wegens ontbrekende bespreking hiervan in het verslag van III.2RW. Het is slechts duidelijk dat een ontvangen bevel tot heraantrekken van de beide compagnieën niet aan de BC is opgelegd middels een officieel geregistreerd bevel [104c, bevellog III.2RW].

[100b] Onderwijl laaiden de gevechten ten noorden van de Zeehaven verder op. Parachutisten onderhielden een intensief vuurcontact met de Nederlanders die in het bos ten noorden van de Zeehaven verdedigende posities hadden ingenomen. Niet duidelijk is welke formaties dit waren, met uitzondering van een Gruppe van 3./FJR1 die daar actief werd [453]. Dat was voor majoor Ravelli geen prettig vooruitzicht, want inmiddels had hij van overste Mussert telefonisch opdracht gekregen [100b] met zijn gehergroepeerde bataljon noordwaarts te trekken richting bruggen (6). Een veel groter gevaar verscheen in de derde dimensie. [100b, 104c, 191] Kort na het middaguur verschenen opnieuw tientallen jachtvliegtuigen boven de omgeving Dordrecht, met duidelijk als doel om de bedreigde Duitse enclaves rond de bruggen bij Dordrecht en Alblasserdam te ondersteunen. Duitse jagers doken met enige regelmaat naar de Nederlandse opstellingen en hoewel ze vooral angst inboezemden en nauwelijks werkelijke schade aanrichten, was een gereedstelling van het halve resterende bataljon bij deze omstandigheden ondenkbaar. De Luftwaffe zou overigens het gebied tot aan het ondergaan van de zon blijven bestoken. Daarover later meer.

(6) Het verslag van Ravelli van 30 mei 1940 [100b] vermeldt opvallend genoeg dat hij opdracht kreeg naar de Barendrechtse brug op te trekken. Alweer zo’n curieuze verschrijving, want het zal de Zwijndrechtse of Dordrechtse brug zijn geweest, niet de Barendrechtse.

[100b] Hoewel Ravelli in anticipatie op de ontvangen orders de 2e Compagnie weer aantrok, bleken ongeveer gelijktijdig de manschappen in de bosrand en de noordwestzijde van het Zeehavencomplex – in hoofdzaak van 1-II-28.RI – te wijken. De druk van aandringende parachutistenverbanden – mogelijk versterkt door het voordien ontvangen mortiervuur vanuit eigen gelederen – werd als oorzaak door de majoor gegeven, maar in werkelijkheid waren het vermoedelijk de voordien agressief op eigen troepen schietende wielrijders van 1-III-2.RW die de manschappen langs het ‘noordfront’ de indruk gaven ingesloten te worden. [100b] Majoor Ravelli gaf weinig weerstand aan de wijkende verbanden en besloot verder terug te trekken in plaats van de defensie opnieuw te organiseren. [100b] Hij liet zijn voorste eenheden inzakken tot onder de Zeehaven, waarbij de 2e Compagnie een scherm vormde langs de dijk onder het complex, samen met verzamelde restanten van 1-II-28.RI. [100b] Majoor Ravelli bevond zich ook achter die dijk, samen met het gros der officieren. Troepen waren nog in aanzienlijke aantallen noordelijk van de dijk, toen opeens een tafereel op enkele honderden meters van de officieren vandaag de aandacht trok. [100b] Precies bij de opgang van het viaduct richting Zeehavenlaan, stond een vrachtwagen met daarop zwaaiende en roepende militairen. Ernaast en erachter nog meer militairen en eentje die een oranje-wit-blauwe (7) vlag leek te zwaaien. Druk geroep kwam van deze groep. Het trok onmiddellijk de aandacht van majoor Ravelli.

(7) Oranje – blanje – blue was als nationale vlag in 1940 nog heel gebruikelijk. Dat was de oude Prinsenvlag. Ook allerlei andere kleurvarianten (vooral van het rood) waren in gebruik. Die authentieke Oranje - Blauw - Wit vlag, die sterk aan de 80-jarige oorlog en huize Oranje-Nassau was verbonden - werd curieus genoeg door het fascistoïde NSB kader weer sterk uitgedragen, terwijl de rood-wit-blauwe versie, hoewel niet officieel kleurgenormeerd, de nationale vlag was. Pas in 1937 werden de kleuren rood-wit-blauw vastgesteld (bij KB) als officiële kleuren van de nationale vlag en pas na de oorlog zijn de exacte kleurtinten officieel genormeerd. Maar het was in de jaren dertig alles behalve ongewoon om het oranje-wit-blauw als nationale vlag uit te dragen. Omdat het voorts een zekere 'oorlogsretoriek' uitstraalde vanwege de historische waarde van het Oranje-Blanje-Blue, zal het ook in die zin vermoedelijk geen al te grote verwondering hebben opgeleverd dat een dergelijke 'nationale vlag' werd getoond.

Het zal rond 1430 uur zijn geweest – een exacte tijd is niet te duiden – toen de mysterieuze groep militairen aan de westzijde van het viaduct verscheen. Hevig vuur was even voorafgaande vanaf de Zuidendijk gegeven, maar intussen alweer verstomd. Luitenant Ruige met zijn pionierssectie en de torpedisten mitrailleurs hadden nog altijd in positie gelegen langs de noordelijke aftakking van de Zuidendijk [192]. Voor de majoor Ravelli was niet duidelijk wat er gaande was. [100b] Hij redeneerde – althans volgens zijn eigen zeggen – dat dit wel weer een Nederlands onderonsje zou zijn, waarbij de wielrijders bij de Patersweg direct door de majoor werden verdacht. Dat varkentje zou hij wederom wel even wassen.

[100b] Majoor Ravelli herkende door zijn kijker Nederlandse militairen op en bij de vrachtwagen. Hij overlegde kort met kapiteins Belgraver en Schouten en toog toen onverschrokken richting het viaduct. [100b] Zonder enige noodzaak volgden hem drie andere officieren van het bataljon, de beroepsofficieren kapitein H.H.G. Belgraver, 2e luitenant A.K.R. de Lange en de cadet-vaandrig J.A. van Heijl [allen 2-II-28.RI]. [100b] Met uitzondering van de bij de dijk achterblijvende reserve kapitein J.A. Schouten [C 1-II-28.RI] en de reserve 1e luitenant G.C. van der Grijn – van 2-II-28.RI – was zo de helft der resterende officieren van het bataljon naar voren getrokken. [100b] Kapitein Schouten vertrouwde de situatie niet zo en bleef in de schaarse dekking die de open dijk onder de Zeehaven bood bewust achter. [100b] Ook luitenant Van der Grijn bevond zich daar en de naast de kapitein dekkende verbindingsofficier luitenant J. Zeeman werd door de kapitein verzocht polshoogte te nemen. Schouten sprak met hem af dat hij enigszins achter de officierenkopgroep zou meelopen en een witte zakdoek zou zwaaien als het foute boel was. Zodoende begaf ook de luitenant zich aan de rechterkant van de weg naar voren.

Rijksstraatweg

[104c] Onderwijl was van de Patersweg bij de wielrijders het bericht naar achteren doorgegeven dat zich een groep Nederlanders bij het viaduct bevond die Duitse gevangenen bij zich leek te hebben. [104c] Met wachtmeester J. Boer als chauffeur reed kapitein Wijers – CC van 1-III-2.RW – op de motor naar het viaduct. Toen hij aldaar aankwam sprongen opeens enkele gewapende parachutisten op de weg, die de beide Nederlanders gevangen namen. [104c] De bij de compagnie achtergebleven reserve 1e luitenant Kreuger had volgens eigen zeggen vooraf instructies gekregen de compagnie voor te bereiden voor afmars naar het Oranjepark. Onduidelijk is of de gevangenneming van de kapitein waarneembaar was voor de voorste sectie van de compagnie op het kruispunt, maar hoe het ook zij, het weerhield de luitenant Kreuger er niet van terug te trekken. In zijn verslag gaf de luitenant aan pas van de gevangenneming van de kapitein te hebben gehoord toen men in de avond in rustte was in de stad.

[107b, 150, 191] Even noordelijker [aan de Zuidendijk ten noordoosten van het viaduct] had, korte tijd voordat de krijgsgevangenen het viaduct bereikt hadden, luitenant Ruige – kort voordien met zijn pioniers en mitrailleurschutters nog actief in verweer tegen de wonderlijke parade op de straatweg – inmiddels het hazenpad gekozen. Zijn torpedisten mitrailleurschutters en een groep pontonniers onder de reserve 1e luitenant Van de Molen waren het geweest die de eerste vrachtwagen hadden beschoten. Parachutisten hadden in het kielzog van de stoet krijgsgevangenen de positie van de luitenant bedreigd, waarop deze samen met de beide andere luitenants (Verschoor van 3.Cie Torp en Van der Molen van 1-DCP] veel te snel besloot om met zijn niet onaanzienlijke vuurkracht te wijken. De luitenant was één van de weinige Nederlandse officieren die zelfkritisch bleef. In zijn krijgsverslag [191] gaf hij ruiterlijk toe verward te zijn geweest. De vuurkracht van zijn drie zware Vickers mitrailleurs en circa 90 man met karabijnen was immers voor de Duitsers geen simpel te overlopen hindernis geweest, als de luitenant was blijven zitten tenminste. Zoals gezegd trok hij terug, waarbij de zware mitrailleurs (waarvan er één reeds stuk was) met munitie werden achtergelaten; slechts de sluitstukken werden meegenomen. Hoewel luitenant Ruige zich de voorgaande dag had onderscheiden als standvastig officier, trof hem nu de blaam, die hij impliciet zelf erkende, dat hij zich te schielijk had teruggetrokken. Het betekende dat de enige Nederlandse verdediging aan de zuidwestzijde van Krispijn verdween én dat het kort erop volgende onfortuin bij het viaduct in elk geval door de verdedigers van de Zuidendijk niet kon worden verhinderd.

[100b] Majoor Ravelli en zijn gevolg waren onderwijl aangekomen bij het viaduct, waar de vrachtwagen met Nederlandse gevangenen inmiddels overheen was gereden richting oosten. Zonder kennelijk enig spoor van wantrouwen jegens de tamelijk bizarre situatie, liep de majoor met zijn aanhang gewoon het viaduct op. [100b] Pas toen – volgens zijn eigen zeggen – merkte hij op dat de verzonken weg vergeven was van de Duitsers. Het was te laat. Overal verschenen parachutisten die de wapens op de officieren richtten. Een Oberleutnant – vermoedelijk commandant Otto Gessner van 9./FJR1 [481] – sommeerde de majoor zijn pistool af te geven, waarop de majoor volgens zijn zeggen met veel misbaar weigerde. [100b] Daarop trad de held van de dag naar voren, Hauptmann Schulz. Deze herhaalde de instructie het wapen af te geven en sommeerde de majoor de Nederlandse troepen onder zijn commando tot overgave te bewegen. [100b] Ravelli repliceerde, volgens eigen zeggen, daartoe niet bevoegd te zijn, waarop hij onder bewaking gesteld werd en Schulz zich enige tijd verwijderde. [100b] Toen de reserve 2e luitenant J. Zeeman ondertussen ook vlakbij het viaduct was gekomen, zag hij in de verte een rij autobussen staan. Later realiseerde hij zich dat daarmee Duitse versterking moest zijn aangevoerd. Tegelijkertijd werd hem duidelijk dat ze in de val waren gelopen. Hij zwaaide met de witte zakdoek, gebaarde dat het foute boel was en zag dat dit door kapitein Schouten achter de dijk werd begrepen. [100b] Zeeman zelf was niet in staat zich meer te onttrekken aan gevangenneming. De reserve 1e luitenant B.F. Saris [1-II-28.RI] was met enige manschappen even voordien in het Zeehavencomplex door parachutisten gevangen genomen. Bart Saris zou overigens tijdens de oorlog zijn (technologische) kennis en zijn leiderskwaliteiten voor de bezetter aanwenden, o.m. bij het NS Studentfront. [100b] Naast de eerder genoemde twee officieren die bij de dijk achter waren gebleven bleven, waren ook reserve 1e luitenant J.C. Verheijen [1-II-28.RI] en reserve 2e luitenant W. Hooghiemstra [enige overgebleven officier van 1-I-34.RI] de dans ontsprongen. Zo was het bataljon Ravelli qua officieren zo goed als onthoofd. [100b] De overgebleven officieren hadden toen nog een pluriform verband onder zich van twee kleine secties 1-II-28.RI, circa twee secties 2-II-28.RI en enkele manschappen van 1-I-34.RI. Een aantal soldaten en onderofficieren van de staf II-28.RI behoorden ook tot het achterblijvende verband. [100b] Kapitein Schouten beval, op het teken van luitenant Zeeman van de herkende valstrik, de resterende officieren om de manschappen direct naar Wieldrecht te dirigeren. Zo geschiedde. De ‘afgang’ van het bataljon Ravelli in het Dordtse was daarmee compleet.

Een muis met een opmerkelijk staartje …

Het treurspel – want dat was het toch in alle objectiviteit – kreeg nog een klein venijnig staartje.

[100b, verslagen Ravelli] De gevangen genomen officieren bleven omringd door parachutisten achter, terwijl het Duitse kader zich even verwijderde. Na enige tijd krijgsberaad te hebben gehouden, kwam Schulz wederom op de majoor af en verzocht hem mee te gaan. Ravelli liep – omringd door enige tientallen Duitsers – mee richting de kruising met de Patersweg. Die kruising naderend werd vanaf die zijde op de Duitsers gevuurd. Hauptmann Schulz voegde de majoor toe dat deze vanaf dat punt vooruit mocht gaan, om daarmee Nederlands vuur te voorkomen. Volgens majoor Ravelli voegde deze de Duitse officier toe “bent u soms bang zonder mij”, waarop Schulz hem naar achter zou hebben laten voeren en zelf met zijn manschappen verder oostwaarts trok.

De werkelijke gang van zaken was vermoedelijk een fractie anders. Alle krijgsgevangenen [er waren inmiddels ook tientallen manschappen gevangen genomen op het Zeehavencomplex] – met uitzondering van vaandrig Van Heijl, kapitein Wijers [CC 1-III-2.RW] en majoor Ravelli – werden west van het viaduct samengebracht. De drie eerder genoemde officieren (Van Heijl daar gemakshalve toe rekenend) werden met de Duitsers oostwaarts richting Patersweg meegenomen, zo getuigt vaandrig J.A. van Heijl in zijn verslag [100b]. Voor de drie Nederlandse officieren liep een kleine groep parachutisten. Achter de drie Nederlanders liep een formatie parachutisten die – ook door andere getuigen – als een compagniegrootte werd omschreven. Uit het verslag van de adjudant van Hauptmann Schulz [481], valt op te maken dat het hier waarschijnlijk 9./FJR1 betrof. Bij de kruising Zuidendijk / Patersweg ontving men vuur. Daarop sommeerde de Duitse commandant, vermoedelijk dus Hauptmann Schulz, aan de majoor naar voren te gaan. De majoor zou daarop gevraagd hebben of de Duitser soms bang was. Daarop werden wat bevelen gesnauwd en bleef de groep krijgsgevangenen achter. De compagnie parachutisten vervolgde zijn weg, terwijl een handvol bewakers de drie Nederlanders naar de straatweg terugbracht, vanwaar ze korte tijd later met de overige krijgsgevangenen richting Willemsdorp werden afgevoerd.

Moerdijkbruggen

Het verslag van kapitein Wijers [104c] bevestigt de lezing dat de drie Nederlanders werden meegevoerd, enige tijd nadat ze gevangen waren genomen, en nadien bij de kruising toch weer westwaarts werden teruggeleid. Hij spreekt echter over de interactie van een Duitse Hauptmann met de majoor met geen woord. Toch lijkt het wel aannemelijk dat het voorval, zoals door Ravelli en van Heijl beschreven, werkelijk ongeveer zoals door van Heijl omschreven plaatsvond. Hoewel van majoor Ravelli bekend is dat hij zijn minderen onder druk heeft gezet naoorlogs ‘positief’ getuigenis te geven – zie voor die bewering de eerdere bespreking en onderbouwing in de 1e fase – lijkt het niet voor de hand te liggen dat het beschreven voorval geënsceneerd is.

Overigens blijft het in deze kwestie onduidelijk welke Nederlanders de Duitsers bij het kruispunt beschoten. Met uitzondering van het evacuerende contingent wielrijders, kan geen enkel ander Nederlands verband worden aangewezen dat om die tijd op de betreffende locatie aanwezig was. Het moet dus vooralsnog worden aangenomen dat een achterhoede van de wielrijders het vuur opende op de Duitse formatie.

Oorlogsmisdaden in meervoud

Het mag ontnuchterend klinken, maar uit het handelen van de Duitsers in het onderhavige geval spreekt uiteindelijk toch dat zij het niet werkelijk misdadig voorhadden met de Nederlanders. In dier voege, dat zij hun eisen, kracht bijgezet door dreigementen met wapens op de Nederlanders gericht, vooral als bluf uitspeelden. De daad bij het woord voegen, ofwel Nederlanders neerschieten die weigerden te voldoen, deden de Duitsers niet. De duidelijk weigerachtige houding van de Nederlandse officieren mee te werken, leidde zelfs uiteindelijk tot de weer zo merkwaardige Duitse hoffelijkheid, dat de (als krijgsgevangenen afgevoerde) officieren de klewang mochten behouden.

Het misbruik van de krijgsgevangenen voordien, waarbij ook slachtoffers vielen, is uiteraard op geen enkele wijze goed te praten. Ze werden, willens en wetens de grote risico’s, misbruikt als afleiding en dekking ten faveure van Duits offensief optreden. Bovendien was de wijze waarop ze werden gedwongen op te treden – andere Nederlanders tot aarzeling of overgave dwingend – een ongeoorloofde Duitse krijgslist. Een list die door Schulz en zijn bataljon al bij Waalhaven in tenminste drie bewijsbare gevallen was toegepast.

Maar de praktijk van misbruik van krijgsgevangenen werd niet alleen door het 3e Bataljon van FJR1 gepraktiseerd. Bekend is dat 2./FJR1 bij de stoottroepaanval op het park Amstelwijk vrijwel zeker enige burgers als dekking meevoerde toen vanuit het buitencomplex de brede Koekebakkerskil moest worden overgestoken. Burgerverklaringen maken dit wel erg aannemelijk [1003]. 4./FJR1 gebruikte de methodiek van dekking achter krijgsgevangenen bij de overrompeling van 14.C.Pn op 10 mei bij de school aan de Mijlweg. 5./FJR1 had bij de laatste fase van de strijd rond Willemsdorp enige Nederlandse onderofficieren als vuurdekking gebruikt tegen de laatst vechtende mitrailleuropstelling bij het paviljoen. 6./FJR1 had Nederlandse krijgsgevangenen en een burgerchauffeur misbruikt door met een bus vol bewapende parachutisten naar Willemsdorp te rijden en de verdedigers daar te misleiden, zich dekkend achter gevangenen. En 7./FJR1 heeft mogelijk de krijgsgevangenen in Moerdijk misbruikt om over de Steenweg met deze menselijke dekking te kunnen optrekken richting haven. Er zouden in de loop van de 11e mei en nadien nog vaker dergelijke voorvallen plaatsvinden, niet meer zó prominent en veelvuldig als op de eerste twee dagen van de strijd, maar wel degelijk nog een aantal keer. Daarbij zouden het echter vooral burgers zijn die levende dekking voor Duitsers moesten vormen.

De oorlogsmisdaden hier besproken zijn van een bepaalde categorie. Ze behoren niet tot de allerergste categorie, zoals wel bij de Grebbeberg gezien werd, alwaar ook regelrechte moord aan de orde was, maar ze waren wel van de een-na-ergste categorie. Met kwaadaardige opzet werden krijgsgevangenen – of nog erger ‘burgers’ – gebruikt als levende dekking. Het is ter verklaring verleidelijk om te verwijzen naar de oorsprong van het jonge Korps Fallschirmjäger, dat in de jongste periode van haar bestaan voor een niet onbelangrijk deel was opgebouwd uit voormalige SA leden en mannen van partijzuiver bloed. Mannen als Schulz en Walther, die uit de vooroorlogse NSDAP trouwe paramilitaire organisaties voortkwamen, zoals de Polizei Abteiling zbV Wecke. Het is echter – buiten Karl-Lothar Schulz zelf om – niet of nauwelijks vast te stellen in welke mate ideologische achtergronden een (hoofd)rol speelden bij het niet onaanzienlijke aantal ernstige overtredingen van het oorlogsrecht aan het zuidfront door de parachutisten. Er is overigens ook geen reden deze daden uit te vergroten of als structureel handelen te bestempelen, want ertegenover stonden net zo goed daden van (grote) hoffelijkheid en in algemene zin correct gedrag.

Opvallend is dus dat het aantal (bekende) voorvallen – reeds op de eerste twee oorlogsdagen – zodanig groot was, dat van incidenten eigenlijk geen sprake meer was. Daarentegen was het aantal weer te gering om van werkelijk structurele Duitse misdaden te kunnen spreken. Elders in het land vonden ook frequent de praktijken plaats van wederrechterlijk schuilen achter krijgsgevangenen of burgers. In weerwil van wat auteur Herman Amersfoort in zijn beschouwingen [83: hoofdstuk 8] over Duitse oorlogsmisdaden in de meidagen van 1940 in 2005 aan het publieke domein debiteerde, lijkt er alle aanleiding vast te stellen dat er bij de Duitse troepen – in casu de Duitse parachutisten – weinig belemmering aanwezig bleek om tot dergelijke vergrijpen over te gaan. Vergrijpen die vaak werden aanschouwd of zelfs geïnitieerd door parachutistenofficieren. Daarmee kan men nog niet spreken van uitgesproken structurele overtredingen, maar de conclusie van auteur Amersfoort in voornoemd werk, dat handhaving van het oorlogsrecht aan Duitse zijde een doel was, is met deze wetenschap nauwelijks houdbaar. Het handhaven van het oorlogsrecht bleek voor de parachutisten hoogstens een streven, maar meer niet.

Hoe duidelijk dat was – dat rechtvaardig handelen geen doel maar een streven was – zal in het geval van de parachutisten in het bovenbeschouwde geval worden aangetoond door het navolgende. [100b] Majoor Ravelli maakte na zijn gevangenneming bij Oberst Bräuer uitdrukkelijk protest. Het directe gevolg voor Ravelli was dat de majoor in de vroege morgen van de 14e mei naar Rijsoord werd gereden en bij de divisiestaf van Student over zijn behandeling bij het incident op 11 mei rapport mocht maken. Dat rapport werd op schrift gesteld en hem ter ondertekening voorgelegd. Daarbij nam de majoor de gelegenheid tevens te baat over het krijgsgevangenschap (in de open lucht te Willemsdorp) zijn beklag te doen. Hoewel de majoor de indruk kreeg dat zijn rapport – waarin hij Hauptmann Schulz bij name zou hebben genoemd – serieus werd behandeld, werd de zaak aan Duitse zijde in de doofpot gestopt. Karl-Lothar Schulz zou zelfs het Ridderkruis uitgereikt krijgen.

Maar, dat was dat niet het gehele verhaal. Oberst Bräuer leek wel degelijk geagiteerd over Schulz zijn optreden, waarover hij dus middels het beklag van majoor Ravelli had aangehoord. Schulz adjudant Schmücker maakt daarover een duidelijke aantekening in zijn persoonlijke verslag [481]:

» Wie Schulz nachher dem Rgt.Kdr. meldete, hatten sich diese holländische Soldaten freiwillig für dieses „Unternehmen“ gemeldet. Hptm Schulz wurde in meiner Gegenwart durch den Rgt.Kdr., Oberst Bruno Bräuer, mit sehr harten Worten zurechtgewiesen, noch am 11.Mai. «

We moeten maar aannemen dat Heinz Schmücker de waarheid sprak. Althans, wat de reprimande van Bräuer jegens Schulz betreft. Duidelijk is dat Schulz zijn bewering over vrijwillige Nederlandse deelname aan de 'optocht' ver bezijden de waarheid lag. Als Bräuer inderdaad Schulz de mantel uitgeveegd heeft, zou duidelijk worden dat Bräuer – die eind 1945 op lichtvaardige juridische gronden als oorlogsmisdadiger in Griekenland zou worden geëxecuteerd – de modus operandi van Schulz zeer afkeurde (8).

(8) Bruno Bräuer was geen militair genie, volgens insiders. Hij werd desondanks in september 1941 Generalmajor, maar spoedig daarna ging hij naar de Führerreserve, waarna hij een half jaar lang als één der assistenten van Hermann Göring fungeerde. In februari 1943 vertrok hij naar Kreta, waar hij commandant van de Festung Kreta werd en van de gelijknamige Luftgau. Tijdens de uitoefening van die functie werd hij ook Generalleutnant, terwijl hij op 1 juni 1944 tot General der Flieger werd benoemd en opnieuw in de Führerreserve terecht kwam. Hij bleef bijna een jaar in die reserve, waarna hij pas op 2 maart 1945 werd geheractiveerd als commandant van 9.FJ Division. Kort nadien werd hij ziek en verdween opnieuw in de reserve. Op basis van zijn vermoedde schuld (en vooral aansprakelijkheid als lokaal commandant) bij een dramatisch verlopen Jodentransport tijdens zijn periode als commandant van Kreta, werd hij door de Britten naoorlogs uitgeleverd aan Griekenland. Er wordt gezegd dat de rechtzaak tegen hem alles behalve procedureel juist verliep en het vonnis in feite vooraf vaststond. Voor auteur dezes zijn dergelijke oordelen absoluut niet te controleren. Feit is en blijft dat Bräuer tijdens het inderdaad dramatisch verlopen jodentransport, hoofdverantwoordelijk Duits officier in de regio was. Anderzijds wordt door vele auteurs beweerd dat Bräuer geen fanatieke nazi was en op Kreta geen terreurbewind gestalte heeft gegeven. Er is dus sprake van onduidelijke en niet eensluidende informatie. Op Bräuer zijn gedragingen tijdens de strijd in Mei 1940 is in elk geval niets aan te merken geweest. Er zijn zelfs vele aanwijzingen dat Bräuer uiterst correcte oorlogsvoering nastreefde en dat ook van zijn minderen eiste. Diverse Duitse en Nederlandse bronnen uit die periode geven voorbeelden van zijn harde optreden tegen ondergeschikten, die zich jegens Nederlandse militairen onheus of brutaal opstelden.

Overigens blijkt ook in andere opzichten dat Oberst Bräuer een hoffelijke houding aannam jegens krijgsgevangenen in mei 1940. Daarnaast is het gegeven dat Schulz – althans volgens de versie van Schmücker – sowieso valse informatie verstrekte over de toedracht van het geheel al een indicatie dat hij zich zeer goed realiseerde - dan wel ernstig vermoedde - dat zijn chef van dergelijke praktijken niet gediend was. Het neemt niet weg dat Schulz enige weken later het in Duitse legerkringen zeer eervolle Ritterkreuz voor zijn naar verluid uitzonderlijke prestaties in Nederland zou krijgen. Bovendien werd hij spoedig nadien bevorderd tot Major. Het is overigens niet duidelijk of de persoonlijke hand van Göring in de Ritterkreuz toekenning doorslaggevend was, hoewel bekend is dat hij daarin vaak wel een rol speelde, omdat het positief afstraalde op zijn krijgsmachtdeel. In elk geval kan worden vastgesteld dat Schulz zijn structurele neiging tot opzichtige schending van de oorlogsregels hem kennelijk niet euvel geduid werd door de hoogst verantwoordelijken aan eigen zijde …

Het behoeft vermoedelijk geen nader betoog dat de door Franz Kurowski samengestelde militaire biografie over Schulz [523] een geheel ander beeld geeft bij het verraderlijke optreden van Hauptmann Karl-Lothar Schulz. De door Kurowski - bekend om zijn tendentieuze non-wetenschappelijk werkstukken - weergegeven versie van de Waalhaven kwesties, toont majoor Simon Thomas (door Kurowski overigens stelselmatig als 'Oberstleutnant' aangeduid en met de naam 'van Loon') de initiator van diens bemiddelingen bij de beide doorvechtende batterijen luchtafweer, hetgeen door Schulz uiteraard met alle begrip en dankbaarheid werd aanvaard. Kurowski tekent aan dat onterecht in Nederlandse publicaties Schulz de schuld kreeg van deze zaken. Gezien alleen al het feit dat Kurowski naam en rang van de majoor Thomas verkeerd weergeeft (een duidelijk teken van gebrekkig onderzoek), wordt zijn nauwelijks onderbouwde versie terzijde gelegd. Bovendien liet Kurowski de majoor sneuvelen op de pier bij de Waalhaven in plaats van bij Smitshoek en in plaats dat de majoor in Nederlandse handen overleed, deed hij dit in de barmhartige armen van Schulz ... Over de gebeurtenissen in Dordrecht schrijft de biograaf niets op. Na de stoutmoedige overval op Waalhaven springt het boek naar de 13e mei. Maar er hoeft weinig twijfel te bestaan dat de pseudo-historicus Kurowski bij de affaire in Dordrecht ook een heroisch opererende Schulz zou hebben geschilderd, zou hij het in zijn epos hebben opgenomen. Dat dit soort proza hier wordt besproken, is slechts ter indicatie dat het wel is meegenomen in de analyse. Het bewijst ook eens te meer dat populaire non-wetenschappelijk broodschrijvers als Franz Kurowski (ook bekend met aliassen Volmar Kühn, Karl Alman, Johan Schulz) niet serieus moeten worden genomen of als bron kunnen dienen. Helaas is Kurwoski internationaal in niet-professionele kringen onterecht hoog aangeschreven als Duits historisch auteur. Auteurs die echter zoveel aliassen nodig hebben, hebben kennelijk baat bij het misleiden van hun lezers, omdat de 'goede' naam reeds bezoedeld is.

Een bescheiden luchtslag

Rond 1600 uur – vlak na de gebeurtenissen bij het viaduct – werd het ook enige tijd flink oorlog boven Dordrecht. De gehele dag was de Luftwaffe uiterst actief aan het zuidfront, maar aan het eind van de middag kregen zij eindelijk weerwoord. Een dozijn Hurricanes Mk.1 van 17.Squadron [612] – van basis Martlesham Heath [vlakbij Ipswich] – waren even na 1500 uur Britse tijd [1420 uur NL tijd] opgestegen voor een patrouille [sweep] missie boven Rotterdam en kwamen in aanraking met Bf-109’s van I/JG.51 en II./JG.27. Luchtgevechten vonden plaats in de gehele sector van Delft tot onder Dordrecht.

Voordien hadden de Hurricanes bijna een zeer belangrijke boodschapper neergeschoten, want zij onderschepten een Hs-126 van het Aufklärungsstaffel 7.FD met daarin Oberleutnant Triebel [500]. Omdat de staf van Luftflotte 2 in Berlijn wegens de slecht werkende langegolfzenders geen berichten uit Nederland ontving, had Generalleutnant Kesselring aan Triebel opdracht gegeven dan maar een ‘Lagerapport’ te gaan halen bij generaal Student [500]. Vlak voor aankomst op Waalhaven werd de Hs-126 echter onderschept. Hoewel stevig beschoten, kwamen Bf-109’s tussenbeide. Desondanks werd de Hs-126 door de RAF piloot Sergeant N.R. Wynn (onterecht) geclaimd [612]. Oberleutnant Triebel zou uiteindelijk ongeschonden landen en in Rijsoord een haastig opgestelde situatieschets van Student meekrijgen. Götzel stelt dat de snelle pennenstreken van Student - die operationeel onder grote druk stond - in een positieve toon gesteld waren. Deze haastig opgestelde rapportage zou in Duitsland – waar men vreesde voor het lot van de luchtlandingsoperatie – tot enige euforie leiden. Kesselring zou het door Triebel teruggebrachte bericht zonder omhaal naar Göring zenden, die op zijn beurt de Führer met het jubelrapport op de hoogte stelde. Dat Student in het rapport een betere status weergaf dan zijn werkelijke gemoedstoestand in feite toestond, benadrukt Hermann Götzel sterk [500: blz. 132].

Dordrecht

De ontmoeting tussen de Engelse Hurricanes en de Duitse Messerschmidt’s verliep alleszins verliesrijk voor beide partijen [14, 33, 514, 612]. Op de grond hadden de Duitsers voordien hun ogen uitgekeken naar de superieure vliegende kameraden, die telkens bestraffend naar de grond doken op Nederlandse posities. In zijn romantisch aangezette ‘So nahmen wir Waalhaven’ [513] beschrijft Karl-Lothar Schulz de ‘show of force’ met lyrische pen. Maar die show eindigde in mineur, zo beschreef hij evenzo, toen een der eigen toestellen in een sliert van rook naar de grond dook. Het was vermoedelijk de Bf-109E die tegen de grond sloeg ten oosten van Dordrecht, in de Merwedepolder. De vlieger Unteroffizier F. Schreiter van 3./JG.51 sprong er tijdig uit [14, 33]. Hij werd licht gewond als krijgsgevangene afgevoerd [33]. Bij Piershil [het Pinksterhaventje] werd door de Hurricanes een andere Hs-126 [Aufkl.Stfl 7.FD] wel werkelijk neergeschoten [claim F/O Jeffries], waarbij de beide vliegers Leutnant Alfred Franke en Feldwebel Joachim Lindner omkwamen [14, 33, 99].

De Britten kwamen echter ook alles behalve ongeschonden uit de strijd. Ze vochten tegen een overmacht en dat werd duidelijk. Maar liefst vijf Hurricanes werden neergeschoten door de Duitse vliegers [14, 99]. Bij ’s Gravendeel stortte F/O George W. Slee neer, vermoedelijk neergeschoten door een vlieger van I./JG.51. Hij overleed op 12 mei in ’s Gravendeel aan zijn verwondingen, die hij mogelijk opliep doordat hij hangend aan de parachute zwaar door Nederlandse militairen werd beschoten [99]. Slee zijn dood bleef helaas tot kort na de bevrijding onbekend in zijn thuisland. Twee Hurricanes werden boven Dordrecht uit de lucht geschoten. De eerste werd gevlogen door P/O Hulton-Harrop. Hij sprong uit het toestel en viel in Duitse handen. De tweede werd door Sergeant J.A.A. Luck gevlogen en die slaagde er tevens in met de parachute veilig te landen, maar eindigde evenzo in Duitse handen. Boven IJsselmonde werd het toestel van Squadron Leader George C. Tomlinson zodanig beschadigd dat dit hem uiteindelijk dwong tot een noodlanding bij het Belgische Knokke [99]. Hij was ongeschonden en wist uiteindelijk naar het VK terug te keren. Tenslotte werd F/L Michael S. Donne bij Numansdorp getroffen en ging ten onder met zijn vliegtuig. Zijn toestel kwam aan de West Biesakkersweg neer [99]. Ook zijn dood zou goed in verband kunnen worden gebracht met Nederlands vuur. Volkomen door de oorlog bevangen, schoot men op ieder vliegtuig en iedere parachutist die in beeld kwam. Kennelijk was een luchtgevecht zonder tweedekkers in de beleving van veel Hollandse militairen altijd een luchtgevecht tussen vijanden van het vaderland!

Het is niet goed vast te stellen welke Duitse piloot voor welke ‘kill’ verantwoordelijk was, maar de vijf luchtoverwinningen [er werden er zes geclaimd, één dus onterecht] werden toegewezen [514] aan 3./JG.51 piloten Unteroffizier Fritz Schreiter [die dus zelf nadien neerstortte] en Oberleutnant Heinrich Krafft [2 stuks], Leutnant Ernst Terry van Stab I./JG.51 [2 stuks] en Oberleutnant Hans-Christoph Schäfer van 5./JG.27. De Duitse gegevens [514] vermelden ook duidelijke tijden. Alle overwinningen werden geklokt tussen 1800 en 1816 uur Duitse tijd, ofwel tussen 1620 en 1636 Nederlandse tijd. Consistent met de Britse rapporten [612] die de Engelse tijd 1700 uur meldden, wat 1620 uur Nederlandse tijd betekende. Vijf Britse en drie Duitse toestellen dus, die in de zuidfront regio in een kwartier tijd een onnatuurlijke landing maakten. Vijf gedode vliegers als triest resultaat.

Artilleriesteun op het Eiland

De afdelingen artillerie [I-23.RA, II-23.RA en 25.AA] in de Hoekse Waard waren de gehele dag in touw om allerhande artilleriesteun te geven. Die steun was vrijwel altijd ad hoc afgegeven vuur op gelegenheidsdoelen en een beperkt aantal vuren die waren aangevraagd en geheel zelfstandig werden afgegeven zonder dat zij werkelijk als operationele steun konden werken. De verbindingen - als ze al voorhanden waren - werkten zo traag, dat van effectieve vuursteun in geen enkel geval sprake was. De Duitsers hadden dan ook nauwelijks hinder van het Nederlandse artillerievuur en vooral - de Nederlanders totaal geen baat. In tegendeel, Nederlands artillerievuur in het zuiden op Willemsdorp en in het noorden op de omgeving van het Duitse bruggenhoofd eiste slechts Nederlandse levens.

[142, 199] Er werden een aantal stuksvuren afgegeven op waargenomen Duitse posities langs de oostoever van de Kil. Zo werd met name de sector tussen Catharinahove (vlakbij Willemsdorp) en het veer (tussen de hoeve en Wieldrecht in) een aantal maal beschoten met stukken 7-veld. Het leek de Duitsers niet te deren.

[142, 199] In de ochtend van 11 mei werd door chef-staf Gr Kil kapitein Calmeijer een vuur aangevraagd ter ondersteuning van een aanval die nooit kon volgen. Het betrof een vuuraanvraag om 0450 uur voor een batterij op het kruispunt Schenkeldijk / Zeedijk dat om 0500 moest vallen. Dit zou ter ondersteuning van een aanval van de wielrijders en III-14.RA moeten zijn op dit kruispunt. Onwerkelijk, want de wielrijders - er wordt geduid op 1-III en 3-III-2.RW - waren pas rond 0430 op weg gegaan naar de Zuidendijk. Met geen mogelijkheid hadden zij die aanval dus kort op een artillerievoorbereiding kunnen doen laten volgen. Het werd afgegeven door I-23.RA. De manschappen van vaandrig Marijs en luitenant Julius namen het waar.

[142] Er werden door de 2e Batterij I-23.RA enkele stuksvuren op Wieldrecht gegeven en een afsluitingsvuur rond op de Zuidendijk en het viaduct bij de Zeehaven. De uiterst summiere gegevens ten aanzien van afgegeven vuren in de dossiers geven niet meer informatie prijs ...

[142, 199] Een gelegenheidsvuur werd kort voor 1600 uur afgegeven enige honderden meters zuid van Amstelwijk op een daar door waarnemers [toren 's Gravendeel] vastgestelde troepenconcentratie. Dit betrof vrijwel zeker III./FJR1 [min 9./] dat op weg was naar Tweede Tol. Effecten van het vuur zijn niet na te gaan.

[143, 199] Tussen 1200 en 1500 uur worden diverse artillerie opstellingen door Duitse bommenwerpers aangegrepen. Een schijnopstelling werd aangevallen en een werkelijk opstelling van I-23.RA. Bij de laatste aanval werd slechts één bom gegooid, welke geen schade aanrichte. Rond 1500 uur werden de rechter en middelste batterij van 25.AA zwaar aangevallen. Alle bommen missen hun doel en er worden nergens slachtoffers geregistreerd.

[143, 199] 25.AA geeft doorlopend vuren af op het zuidelijke bruggenhoofd bij Moerdijk alsmede de omgeving Willemsdorp. Daarbij worden niet alleen afsluitingsvuren gegeven, maar ook uitwerkingsvuren, waarvan een deel tussen Nederlandse krijgsgevangenen landt - overigens zonder dat dit bij de batterijen bekend is.

[143, 199] Opmerkelijk is een tegenvuur dat door 25.AA kort na 1000 uur wordt gegeven op een waargenomen Duitse batterij bij Willemsdorp. Deze Duitse batterij - het betreft de twee stukken Skoda type 15 [7,5 cm berghouwitsers] van Oberleutnant Schram die gedurende de eerste oorlogsavond waren aangevoerd - vuurt op de rechterbatterij van 25.AA.

[De bronnen vindt u hier]