Alblasserwaard - 3e fase

De LD naar Dordrecht   

[106] De C-LD kolonel Van der Bijl was er na het eerste bombardement op zijn voorste troepen langs de Noord van overtuigd dat zijn divisie de aan haar opgedragen taak om de Noord over te steken niet zou kunnen vervullen. Hij zocht en vond contact met de C-VH en – hoewel de minutes van het gesprek onbekend zijn gebleven – kreeg daar zonder al te veel inspanning gedaan dat zijn divisie de Noord met haar hoofdmacht mocht loslaten. Daarvoor in de plaats kwam een veel complexere opdracht, zoals eerder besproken. Kort en goed gezegd diende de divisie onder achterlating van een beveiliging langs de Noord, zich met haar hoofdmacht naar het Eiland van Dordrecht te verplaatsen, aldaar de Duitse weerstand op te ruimen en door te stoten naar Wieldrechtse Veer. Daar zou men met het veer worden overgezet om vervolgens bij Barendrecht - na verovering van de brug - de Oude Maas over te steken en zodoende via deze grote omweg het eiland IJsselmonde bereiken.

Lichte Divisie aan de Noord - 11 mei

Voordat de staf van de LD dat bevel had uitgewerkt verliepen twee uur. Maar om 1355 uur zag een nieuw divisiebevel het daglicht. Het nieuwe bevel besloeg maar liefst tweeënhalve pagina. Omdat het voor begrip en duidelijkheid wenselijk is vrijwel dat gehele bevel inhoudelijk te kennen, wordt het voor een belangrijk deel hieronder geciteerd (het gehele bevel wordt geciteerd in het hoofdstuk 'De Lichte Divisie - 1e fase' op 12 mei) [106]:

»
2. Eigen voornemens

Voorshands is afgezien van het voornemen dezen overgang te forceeren en heeft de Lt.D. opdracht, het geheele eiland van Dordrecht van vijand te zuiveren, om daarna over Wieldrechtsche Veer – ’s Gravendeel op te rukken in de richting van Barendrecht – Rotterdam.

3. Plan van uitvoering

Er zal worden gevormd:
a. een vasthoudende groep aan de Noord
b. een hoofdgroep, waarmee over Dordrecht zal worden opgerukt.

4.

a. Vasthoudende groep:
C. is C-1.R.W.
Troepen: 1.R.W. (min II) en I-KRA
b. Hoofdgroep
C. is C-Afz.St.
Troepen: II-1.R.W.; 2.R.W.; II-KRA
c. Divisiereserve
2.RHM; ME-Lt.D. en 1-11.RA.

5. Uitvoering

A. De overgang van de hoofdgroep over de Merwede vangt aan bij het invallen van de duisternis op heden 11 mei. De organisatie van de verdediging van de vasthoudende groep moet alsdan geheel zijn beëindigd. (Vuurvoorbereiding, enz.). Het vorenstaande geldt eveneens voor de overige verplaatsingen.
B. Taak vasthoudende groep:
Het doordringen van den vijand over de Noord te beletten.
C. Taak van de hoofdgroep:
a. het zuiveren van het eiland van Dordrecht; o.m. dient Willemsdorp te worden heroverd;
b. daarna op mijn nader bevel oprukken over het Wieldrechtsche Veer – ’s Gravendeel – brug over de Oude Maas, Zuid van Barenrecht (onder vermeestering van de brug aldaar) – Barendrecht;
c. verder doorstooten richting Rotterdam.

6. Artillerie

I-11.RA, onder commando van den D.A.C., steunt de taak van de hoofdgroep.

7. Divisiereserve

a. 2.RHM komt voorloopig te Oud-Alblas en wordt, naarmate de zuivering van het eiland van Dordrecht voortschrijdt, bestemd voor:
- het bezetten van het veer bij Wieldrecht naar ’s Gravendeel
- het bezetten van de brug over de Oude Maas, Zuid van Barendrecht;
b. ME-Lt.D. beveiligt den overgang van de hoofdgroep over het Papendrechtsche Veer tegen overvallen uit de lucht.

8. Bevelsverhouding

De twee Bats. Van 2.R.W., welke zich reeds te Dordrecht bevinden, treden onder de bevelen van C-2.RW., zoodra dit regiment de Merwerde heeft overschreden.

11. Vb.A. blijft voorloopig ter plaatse

C-Vb.A. zendt echter 8 gewondenauto’s en 1 autobus met 1 Off.v.Gez. en 20 ziekendragers naar Sliedrecht. Zoodra de overgang van de hoofdgroep is beëindigd, volgt deze colonne en komt ter beschikking en meldt zich bij den C-Hoofdgroep. Bovendien wordt de Off.v.Gez. der 2e klasse Rooijaards (met één personenauto van de Vb.A.) bij ontvangst van dit bevel gedirigeerd op Staf C.-Hoofdgevechtsgroep te Oud-Alblas.

12.

Mijn St.K. blijft voorloopig te Oud-Alblas (...)
«

Er vallen een aantal zaken op. Die worden kort besproken.

Als eerste punt de beschikbaarheid van I-11.RA. Dat was de afdeling 10-veld – drie batterijen met modern 10,5 cm Bofors geschut met een maximale dracht van ruim 16,000 m – die behoorde tot het 3e Legerkorps, maar door C-VH in de ochtend van 11 mei beschikbaar was gesteld aan C-LD voor ondersteuning vanuit de Alblasserwaard. Op I-11.RA wordt in een volgend hoofdstuk teruggekomen, omdat een bespreekwaardige pikante kwestie intervenieerde bij de opstelling van de Afdeling.

De uitvoeringsinstructie gaf een wel erg optimistische kijk op de operatie die de Hoofdgroep in opdracht kreeg. Zoals al vastgesteld bij de bespreking van de meesterzetten die Kurt Student plande voor zijn eenheden, was het schuiven met Duitse eenheden naar diverse brandpunten binnen de Duitse corridor merkwaardig genoeg geen aanleiding voor de Nederlanders om de Duitsers als erg sterk in te schatten. Dat dit zich gespannen verhield met de tamelijk lichtvaardige vaststelling van C-LD dat de oversteek van de Noord niet kon slagen, juist omwille van een sterke vijandelijke bezetting van de westoever, behoeft nauwelijks een nader betoog. Waarom zou de vijand zich elders zwakker tonen, te meer daar er tot dat moment – het middaguur van 11 mei – nergens een succes tegen hen viel te noteren? De vraag werpt zich dan wederom op, of de C-LD wederom misleidend was geïnformeerd door de generaal Van Andel. Opnieuw moet het antwoord daarop worden gegeven op basis van omstandige bewijzen, want een hard bewijs van de gewisselde informatie tussen C-VH en C-LD is er niet. Het kan echter haast niet anders dan dat de C-VH aan de kolonel Van der Bijl een onjuist beeld van de sterkte van de Duitsers op het Eiland van Dordrecht heeft gegeven, en dat hij aan de LD informatie gaf dat de Duitsers niet met krachtige, maar wel met brutale eenheden opereerden. Het is anders immers nauwelijks te verklaren hoe men verwachtte om diezelfde Duitse eenheden onder Dordrecht en bij Willemsdorp onderweg naar de Hoekse Waard ‘even terzijde te schuiven.’ Want dat is wat uit de uitvoeringsinstructie blijkt. 

Een minstens zo opvallende zaak is dat het bevel totaal geen tijdspad bevatte. De lezer mag erop vertrouwen dat de weggelaten passages in het boven geciteerde bevel ‘huishoudelijke mededelingen’ waren en geen zaken die voor de bespreking van belang zijn. Een tijdspad ontbrak geheel met uitzondering van een aanvangsindicatie, namelijk circa 2000 uur (11 mei) waarop de oversteek van de Merwede zou aanvangen. Een juist bevel bevat tenminste de bepaling van de argumenten mensen (eenheden), middelen, tijd, ruimte, en doel. In het bevel van de C-LD ontbrak dus het argument ‘tijd’. Het initiatief voor het bepalen van een tijdspad werd bij de commandant van de Afzonderlijke Staf – de overste J.J. van Diepenbrugge – neergelegd. Deze had mondeling al om 1300 uur de opdracht gekregen het bevel uit te werken. Maar in het licht van ontwikkelingen later in de tijd – waarbij de C-LD zich zou opwinden over gebrek aan tempo bij de operatie – is het goed reeds in deze fase aan te tekenen dat C-LD zelf verzuimde het essentiële tijdsargument in zijn geschreven bevel op te nemen. Men bedenke zich immers dat het loslaten van de Noord door de Lichte Divisie een kentering in de krijgskansen teweeg bracht – althans – de enige kans van het Nederlandse leger op een snelle interventie op het eiland IJsselmonde wegnam (zie de slotbeschouwing). Het zou dus zaak zijn om de grote omweg, die het nieuwe bevel inhield, zo spoedig mogelijk af te ronden. Dat de C-Afz.St. in zijn bevelen aan de respectievelijke eenheden wel een tijdspad zou opnemen, zij overigens direct hierbij aangetekend.

Hoe het bevel van C-LD tot uitvoering kwam en welke bevelen de overste Van Diepenbrugge gaf aan zijn eenheden, zal worden besproken bij Vak Wieldrecht (12 mei). Op deze plaats zal slechts nog worden gekeken hoe de te verplaatsen eenheden zich losmaakten van de Noord en wat er rond I-11.RA speelde.

I-11.RA

[106, 145, 155] In de vroege ochtend was aan de LD eerst een tweetal batterijen later de gehele afdeling I-11.RA [C. majoor P.C. van Aken] ter beschikking gesteld. De kolonel Van der Bijl gaf daarop zijn D.A.C. [q.q. C-KRA, luitenant-kolonel E.C. de Haan] opdracht met de C-I-11.RA te coördineren. [145, 155] Daarop werd de Afdeling naar Molenaarsgraaf gedirigeerd, waar het aan het einde van de middag arriveerde. 

[145, 155] Nadat de Afdeling te Molenaarsgraaf arriveerde, namen de C-I-11.RA en de DAC gezamenlijk het initiatief om een positie te verkennen [107,4 - 428,2: bij viaduct in rijksweg ZO van Alblasserdam, afstand 5 km tot doel] om de bruggen bij Zwijndrecht / Dordrecht te kunnen beschieten tijdens de aanstaande nacht. Daarbij werden contacten gelegd met het kantonnementscommando in Dordrecht. Overste Mussert gaf – bij monde van zijn adjudant kapitein Van der Mark – echter blijk van grote bezwaren tegen een (middel)lange afstand beschieting van de bruggen, omdat zijn troepen op korte afstand ervan lagen.

In enkele getuigenissen en sommige publicaties is overste Mussert dit bezwaar tegen lange afstand vuren door I-11.RA op de bruggen bij Zwijndrecht / Dordrecht euvel geduid. Het vormde zelfs voor sommige [69] hardvochtige criticasters een voorname pijler onder de verradersmythe rond deze officier (1). De overwegingen van de overste waren echter niet zo curieus als zijn criticasters doen geloven. Eerder bij de bespreking werd al gezien dat binnen de Lichte Divisie de regimentscommandant van 2.RW geen artilleriesteun vroeg van 7-veld geschut van het KRA, dat op korte tot middellange afstand waargenomen vuur zou kunnen leggen op de verkeersbrug bij Alblasserdam. De regimentscommandant achtte het gevaar te groot dat uitlopers (of breedtespreiding) zijn verbanden op de westoever zouden hinderen of zelfs raken. In Rotterdam werd artillerieondersteuning tegen doelen op het Noordereiland door I-10.RA gestaakt omdat de lagen te lang of te kort vielen, in sommige gevallen honderden meters. Tijdens de slag om de Grebbeberg werd door de DAC van de 4e Divisie consequent vuursteun van de artillerie in de hoofdweerstand geweigerd dat korter dan 300 meter op de stoplijn lag. Wederom wegens gevaar van het raken van eigen troepen en stellingen. Naoorlogs ontstond er sterke polemiek tussen de C-KRA (q.q. DAC LD) en de C-I-11.RA over op 13 mei door de afdeling afgegeven vuren op het westelijke landhoofd van de verkeersbrug, waarbij de afgegeven vuren (over bijna 15,000 m, met een-na-zwaarste lading) onvoldoende waargenomen werden afgegeven en grotendeels buiten het doelgebied vielen. De DAC sprak in zijn naoorlogse aantijgingen tegen de C I-11.RA over je reinste verspilling van munitie wegens het overschieten van de doelen. Waarom overste Mussert zijn bezwaren dan ineens 'volstrekte dwaasheid' of andere vormen van onheuse kwalificatie zouden moeten krijgen, is auteur dezes onduidelijk. Gelijke monniken, gelijke kappen.  

(1) Het betreffende boekwerkje is van de oud-beroepsofficier majoor der verbindingsdienst b.d. H. Kleingeld [69]. Het werd door hem in eigen beheer uitgegeven, maar geniet toch enige bekendheid. Het is een uiterst onzorgvuldig en tendentieus geschreven werk, dat overigens door de bekende auteur E.H. Brongers - genoemd als 'medewerker' - werd ondersteund. Het beschrijft het geval op bladzijde 19. Daarbij (be)noemde de auteur de C-I-11.RA niet alleen abusievelijk als overste maar tevens tot DAC LD. De auteur Kleingeld noemde de weigering van Mussert ‘volstrekte dwaasheid’.

De voorste Nederlandse posities die in het noordwesten van Dordrecht lagen, lagen veel dichter op de spoorbrug dan 300 m. Er was in sommige gevallen sprake van 100 m afstand tussen de dichtst op elkaar liggende Duitse en Nederlandse posities. Vermoedelijk zal Mussert hebben overwogen dat zou hij die posities terug hebben moeten nemen om lange afstand vuur voldoende veiligheidsmarge te bieden, zijn posities ten noordwesten van het Duitse bruggenhoofd gevaarlijk diep zouden moeten worden teruggenomen. Er is daarbij geen enkel protest van de overste Mussert bekend tegen het vuur van 23.RA (vanuit de Hoekse Waard) dat op de 12e en 13e mei in het Duitse bruggenhoofd viel, met name rond de Weeskinderendijk (zuid van de verkeersbrug). Hij leek dus niet a priori tegen artillerievuur op het Duitse bruggenhoofd, maar wel tegen het risicovolle lange afstand vuur vanuit de Alblasserwaard. En dat bezwaar zou vermoedelijk door veel Nederlandse veldcommandanten evenzo zijn aangevoerd, zoals in de vorige alinea al betoogd. Daarbij was 23.RA uitstekend in de gelegenheid om des gewenst vanuit haar stellingen met grote elevatie vuur te geven op de westoever van de Oude Maas bij Zwijndrecht. Waarom zou men daarvoor de 10-veld afdeling nodig hebben gehad? Als men de 10-veld al wilde inzetten, dan toch zeker tegen de bruggen zelf en daarvoor ontbrak dus een veiligheidsmarge met de eigen posities, zeker tegen de toen geldende standaard. Daar komt overigens nog bij dat sec genomen de overste Mussert over Zwijndrecht niets te vertellen had.

De bezwaren van overste Mussert waren binnen de Nederlandse militaire maatstaven uitstekend verdedigbaar. Overigens werden ze in de verslagen van de DAC LD ook helemaal niet aangetekend als onwerkelijke bezwaren. En begrijpelijk, want toen men studeerde op door I-11.RA uit te werken kaartvuren op de Moerdijkbruggen – af te geven vanaf de Alblasserwaard vanuit een sector vlak ten noorden van Sliedrecht – Papendrecht [ca. 14,5 – 15 km], nam de DAC zelf het besluit die vuren niet af te geven wegens onbekendheid met de exacte Nederlandse posities in de buurt en een ontbrekende artillerieverbinding met de sector. Daar trad men dus zelf onnodig omzichtig op, want welke Nederlandse posities zouden daar in gevaar zijn gebracht binnen een marge van 300 m?

Natuurlijk kan men tegen overste Mussert aanvoeren dat hij te weinig initiatief toonde en niet de mogelijke positieve effecten afwoog tegen de precaire situatie bij de Dordtse bruggen. Dat zou een valide argument voor kritiek kunnen zijn. Het is echter net zo goed een valide argument dat de Lichte Divisie zelf haar artillerie bij haar oversteekpogingen van de Noord bewust niet gebruikte en zelfs besloot van verdere oversteekpogingen af te zien zonder het met artilleriesteun nog eens te proberen. Dat de LD zich schuldig maakte aan dezelfde risicomijdende modus als Mussert pleit de respectievelijke bevelhebbers niet vrij, maar het geval van de bruggen bij Zwijndrecht / Dordrecht kan op die basis Mussert niet voor de voeten worden geworpen als één van de argumenten die aan zouden (kunnen) tonen dat hij malafide overwegingen had laten prevaleren. Hij leek gewoon in de toenmalige veiligheidsmarges voor artilleriesteun mee te denken. 

[145] Terug naar I-11.RA. Nadat de kantonnementscommandant van Dordrecht zijn bezwaren tegen vuur op de Zwijndrechtse / Dordrechtse bruggen had doen gelden, werkte de C-I-11.RA een plan uit om de Moerdijkbruggen te beschieten. Zoals al aangegeven, werd spoedig besloten dat een dergelijke beschieting teveel onzekerheid zou bieden. Men zou op 15 km kaartvuren moeten geven, want er was geen verbinding met een artilleriewaarnemer bij die locatie. Voorts kende men de posities niet van eigen troepen.

Twee overwegingen die wederom vraagtekens opleveren. De eerste in algemene zin. Het 10-veld geschut [Bofors, 10,5 cm] was al sinds 1927 in de bewapening. Het was uitstekend geschut, in staat om over grote afstand redelijk accuraat snelvuur af te kunnen geven. Desondanks was de artilleriewaarneming bij de 10-veld afdelingen niet aanzienlijk moderner dan bij de overige artillerieonderdelen. Men bleef afhankelijk van tamelijk rudimentaire verbindingen. Zwak punt was dat de Ultra Korte Golf [UKG] toestellen die waren ingevoerd voor de artillerie, een matig bereik hadden, wat voor de verdragende artillerie (naast de 10 veld, met een bereik van 16,5 km, zou de nieuw aangeschafte Krupps houwitser van 10,5 cm met een bereik van 13 km vanaf 1941 worden ingevoerd) beduidend onvoldoende was. De UKG was een product van de NSF [Nederlandse Seintoestellen Fabriek] en een modern draagbaar apparaat, waarmee op basis van radiotelefonie verbindingen konden worden gelegd over korte afstand. Het nadeel van de apparatuur was dat het zeer gevoelig was voor interferentie en al gestoord werd door relatief weinig obstakels in het verbindingsgebied. Het was technisch ondenkbaar om vanuit de Hoekse Waard (bij Strijen) een rechtstreekse UKG verbinding met de Alblasserwaard te gebruiken. Een artilleriewaarnemer van een 10-veld batterij die indirect vuur over grote afstand moest corrigeren, diende dan ook of via een directe telefoonverbinding met zijn batterij of afdeling te zijn verbonden of middels een ‘hub’ [een extra UKG tussenschakel] een UKG verbinding te leggen over een afstand van 15 km. Daarvoor waren dus tenminste drie toestellen nodig en die had men niet voorhanden. De 10-veld was in mei 1940 dan ook veroordeeld tot het afgeven van kaartvuren bij vuren die werden afgegeven op de grootste dracht. In het geval van het vuur op de Moerdijkbruggen, was het echter met enige moeite mogelijk geweest een verbinding te leggen met de Gr.AC van de Groep Kil. Die beschikte niet alleen over een aantal UKG toestellen (en AOI's), maar had ook al een waarnemer beschikbaar die op de Moerdijkbruggen uitzag. Daarbij had de LD tot en met 12 mei een werkende telefoonverbinding met Groep Kil in Puttershoek, hetgeen ook wel bleek uit werkelijk gemaakte telefoonverbindingen tussen de stafchefs majoor Coers [LD] en kapitein Calmeijer [Gr.Kil]. Men had bij I-11.RA (en de staf van KRA) dus niet veel verder gekeken dan de neus lang was om een mouw te passen aan de uitdaging. Als tweede aantekening kan men zich afvragen waarom in die fase van de strijd – het decreet uit Den Haag dat de Moerdijkbruggen onbeschadigd moesten blijven stond nog – er überhaupt vanuit de Alblasserwaard artillerievuur op het Duitse bruggenhoofd te Willemsdorp gelegd zou moeten worden. Er waren immers operationeel veel meer doelen die voor de vuurmonden van 11.RA voor de hand lagen en in de Hoekse Waard stond voldoende artillerie met uitstekend zicht op de Moerdijkbruggen!

Nadat ook het vuur op de Moerdijkbruggen als optie was afgevallen, bleef de Afdeling werkloos tot aan de volgende dag. Net zoals de beide Afdelingen van het KRA zou de moderne artillerie van 11.RA dus op 11 mei niets aan de operaties bijdragen.

Het losmaken van de Noord

Zoals het bevel van 1355 uur aan de ondercommandanten meldde, zou een Vasthoudende groep worden gevormd die de Noord tegen Duitse oversteekpogingen diende te beveiligen. [106] Uit het bevel bleek dat daartoe de twee bataljons van 1.RW (I en II) die al ten noorden van de Alblas aan de oever lagen, waren aangewezen. Zij zouden de beide batterijen van I-KRA voorlopig als directe ondersteuning behouden. C-1.RW [overste Van Gennep] zou commandant worden over de Vasthoudende Groep.

[104] I-2.RW en II-2.RW zouden zich dus los gaan maken van hun posities ten zuiden van de Alblas. Voor I-2.RW gebeurde het losmaken met spoed. Het bataljon had opdracht gekregen onmiddellijk naar Papendrecht te vertrekken en de Merwede naar Dordrecht over te steken om zich ter beschikking te stellen van de kantonnementscommandant. Daarbij zou zich ook weer 2-I-2.RW (min 2e en 4e Sectie) aansluiten dat tot dan toe van het bataljon gescheiden was gebleven wegens haar eerder besproken taken langs de Maas (bij Blerick) op 10 mei. [104, 104a] Opmerkelijk genoeg zou ook de halve compagnie van 3-I-2.RW, dat onder de reserve 1e luitenant Lampe aan de westoever ‘vast zat’, heraansluiting vinden. De luitenant, die zich zo in het nauw gedreven voelde door de Duitsers dat hij geen kant op durfde, slaagde erin ongehinderd met een roeiboot naar de oostelijke oever te komen en daar nieuwe instructies te halen. Hij werd ingelicht over de afgebroken actie aan de Noord en kreeg opdracht zijn afdeling terug te halen. Een passerend binnenvaartschip werd vervolgens gepraaid en nam de twee secties infanterie van de westoever aan boord, die probleemloos werden overgezet naar de oostoever. Men kon zich dus bij I-2.RW aansluiten voor de mars naar Papendrecht, waarvoor men rond 1400 uur opdracht had gekregen van de C.2.RW.

[104a] De BC van I-2.RW nam een deel van zijn verbindingsectie mee vooruit naar Papendrecht en stak rond 1500 uur bij het veer reeds over, om zich vervolgens een half uur later bij het bureau van de kantonnementscommandant overste Mussert te melden. Daar werd instructie ontvangen het bataljon naar het Park Merwestein te dirigeren, alwaar een deel van III-2.RW zich ook al bevond. In feite werd het bataljon daar doelloos ‘geparkeerd’. Meer daarover als de gebeurtenissen in Dordrecht op 11 mei worden besproken.

[104, 104b] Alvorens echter de verplaatsing van I-2.RW naar Papendrecht zijn beslag kreeg (en nog onbekend was bij de BC'n), ondergingen de troepen van 2.RW de eerder besproken reeks van luchtaanvallen, die na het middaguur specifiek hun sector – met name die van II.2.RW – terroriseerden. Het leidde ertoe dat bij de aan de kop van de Alblas ontplooiende 2e Compagnie en delen van de compagniestaf een paniek uitbrak, die mannen de open polders injoeg. Later volgde ook delen van de 3e Compagnie. Onderwijl nam de C. II-2.RW het besluit zijn bataljon – zonder bevel daartoe te hebben verkregen – terug  te nemen tot de boomgaarden ten zuidoosten van Alblasserdam, langs de nieuwe rijksweg. Het kwam zo uit dat net op dat moment de RC – overste Mijsberg – op de CP van de Lichte Divisie in Oud Alblas was wegens de mondelinge toelichting op de in voorbereiding zijnde nieuwe bevelen. Hij keerde spoorslags terug naar Alblasserdam. De meeste manschappen werden weer terug in het gareel gebracht, maar van de 3e Compagnie ontbrak een groot contingent. Deze zouden in sommige gevallen pas veel later weer aansluiting maken met een geregeld verband. Overste Mijsberg gaf aan C-II-2.RW bevel om zijn bataljon te hergroeperen en vervolgens op de weg richting Papendrecht (de huidige Edisonweg) in dekking op te stellen in afwachting van afmars naar het Papendrechtse veer. Van daaruit zou men op 2300 uur afmarcheren richting het veer en gedurende de nacht worden overgezet naar Dordrecht. Daarbij bleef een deel van de 3e Compagnie zoek.

I-2.RW had zich dus volgens opdracht losgemaakt van de Noord, terwijl II-2.RW dat min of meer ordeloos had gedaan onder druk van het intensieve Duitse luchtbombardement. Rond 1500 uur was daarmee de zuidoost oever van de Noord in feite niet langer bezet. Het zou dus in de lijn der logica hebben gelegen als 1.RW reeds voordien posities zuid van de Alblas zou hebben ingenomen. Immers, het objectief van de Vasthoudende groep was het bezetten van de Noordoever ter voorkoming van Duitse overgangspogingen. C-1.RW [overste Van Gennep] gaf volgens eigen verklaring [103] even na 1400 uur instructies uit dat I-1.RW (min 1-I, dat zich pas op 12 mei zou aansluiten) zich ten zuiden van de Alblas diende op te stellen, maar mede door de bombardementen die rond dat tijdstip plaatsvonden en de ook nadien actieve Duitse aanwezigheid in de lucht, kwam er van een spoedige herpositionering helemaal niets terecht. De compagnieën van I-1.RW kregen zodoende pas in de vroege avond (!) opdracht zich naar posities onder de Alblas te begeven [103a]. Voor een deel werden die zelfs pas gedurende de nacht van 11 op 12 mei ingenomen. [103c] III-1.RW kreeg eveneens pas tegen de avond opdracht haar posities te verbreden tot aan Kinderdijk. 

Het is opvallend dat het stafwerk [1] en de officiële beschrijving van de gevechten aan de Noord in de Militaire Spectator [650] de wanstaltige uitvoering van het bevel van 1355 uur van C-LD door met name C-1.RW nauwelijks werd besproken. Er was echter alle reden om de C-1.RW in deze als volstrekt incapabel te evalueren. Een buitengewoon voorzichtige poging daartoe deden de auteurs van het artikel in de MS [650: MS april 1941, auteurs: de overste Van Hilten en Wilson alsmede de kapiteins Calmeijer en Eterman] door te stellen dat de overste Van Gennep de situatie aan de Noord ‘somber – te somber’ inzag.

Een appel van de overste aan zijn chef – rond 1415 uur middels een uitgestuurd bericht naar de CP te Oud-Alblas – dat hij de toestand onhoudbaar achtte (2), leidde tot een antwoord dat met een gerust hart een meidagen platitude genoemd mag worden: ‘standhouden’. Er kan echter slechts worden vastgesteld dat tussen 1400 en 1900 uur op 11 mei 1940 door de overste Van Gennep geen beleid werd gepleegd. Zijn beide bataljons werden niet geïnformeerd omtrent de nieuwe opdracht, wat door de overste zelf in zijn krijgsverslagen werd verklaard uit het feit dat door het bombardement, waarbij een deel van de regimentsverbindingen verloren waren gegaan, zijn beide bataljons onbereikbaar waren geworden. In zijn vermoedelijk tamelijk wanhopige geestelijke toestand van dat moment toog de overste aan het eind van de middag naar zijn chef in Oud-Alblas en deed daar kond van de toestand aan de Noord alsof de Duitsers aan alle kanten doorgebroken waren. Hij meldde onmogelijk aan zijn opdracht – het vasthouden van de oostoever van de Noord – te kunnen voldoen. In de praktijk was het echter zo dat zijn bataljonscommandanten helemaal niet in paniek waren en de troepen de posities voor het grootste deel gewoon bezet hielden. Dat waren echter de posities die in de ochtend van 11 mei waren ingenomen; niet de nieuwe posities. Pas nadat de overste – vermoedelijk streng terecht gewezen door de kolonel – terugkeerde op zijn CP, werden kort daarop de beide bataljons verwittigd van de nieuwe opdracht. Toen bleek het ineens wel te kunnen!  

(2) Het betreffende bericht van de C 1.RW luidde letterlijk [106]: “In aansluiting aan mijn telefonische en mondelinge mededeling aan C.Lt.D. bevestig ik dat een deel van het dorp Alblasserdam achter den rug der stellingen door het werpen van brandbommen in lichte laaie staat. Volgens mondeling bevel moeten III en I-1.RW door het terugnemen van 2.RW vasthoudende groep worden en wel in het vak Kinderdijk tot Hendrik Ido Ambacht. Ik meldde reeds dat III-1.RW door den bomaanval van hedenmorgen ernstig geleden heeft, zoowel materieel (stuk geschoten banden en gedeeltelijk vernielde munitietrein) als personeel (uitvallen van vijf officieren van een reeds arm aan officieren zijnd bataljon, dooden en gewonden). Aan de mij opgedragen taak kan ik derhalve zeer onvoldoende voldoen. Ik bericht u dat de toestand hier onhoudbaar is. Telefonische verbinding bestaat niet meer. Ik kan noch verband met de voorste Bats., noch met 2.RW krijgen (door brandende huizen).” W.g. Luitenant-kolonel C-1.RW Van Gennep. In werkelijkheid had III-1.RW overigens 2 officieren en 16 minderen (dodelijk) gewond zien uitvallen. Dat als ‘ernstig lijden’ uitleggen, was een overtrokken voorstelling van zaken.  

Het stafwerk bespreekt de zaak slechts omstandig, het uitgebreide thematische artikel in de MS alleen in zeer mild-kiritische vorm. Geen van beide officiële organen geeft echter aan dat het beleid in deze wederom aan alle kanten faalde. C-LD had in zijn bevel van 1355 uur duidelijk geen modus operandi gedicteerd waarin de Vasthoudende groep moest worden ontplooid en vooral – we zagen het al eerder – geen tijdschema genoemd. Indachtig de daarin wel gestelde doelstelling voor de Vasthoudende groep om de oostoever van de Noord te verdedigen tegen een eventuele Duitse oversteekpoging over de rivier, lag het in de reden – nee, was het evident – dat C.1.RW en C.2.RW met elkaar overleg zouden voeren hoe de aflossing van 2.RW zou geschieden in het linkervak. C.1.RW gaf in zijn noodoproep aan de C-LD aan dat hij geen contact kreeg met C-2.RW, wat op dat moment [1400-1415 uur] een terechte vaststelling was wegens de toen plaatsvindende bombardementen, maar de C-LD reageerde daarop slechts met standhouden. Er werd niet geïntervenieerd in de zin van verificatie of 2.RW zich niet al volledig zou hebben losgemaakt van de Noord voordat het zou zijn vervangen door een van de bataljons van 1.RW. Daarmee nam de C-LD een enorm risico. Maar ook de beide regimentscommandanten stonden daar kennelijk niet bij stil. Men dacht volkomen verkokerd. Een en ander betekende dat naast het in paniek vrijwel geheel van de Noordoever geweken II-2.RW ook I-2.RW – weliswaar georganiseerd – uit haar positie kwam en snel gevolg gaf aan de opdracht zich aan het Papendrechtse Veer te melden. Zo kon het gebeuren dat de Noordoever ten zuiden van Alblasserdam vanaf 1430 uur tot ruim na het vallen van de duisternis zo goed als onbezet bleef. Dat de Duitsers geen enkele ambitie hadden naar de overzijde te komen, was een groot geluk voor de Nederlanders. Hadden zij dat wel gehad dan zou het ze erg eenvoudig zijn gemaakt de overzijde heimelijk te bereiken.

Nog een kleine nabrander ten aanzien van tactisch gogme bij de bevelhebber van 1.RW. Deze schreef in zijn naoorlogse verslag [103] dat hij het logisch vond om III-1.RW in haar oorspronkelijke positie (direct ten noorden van de Alblas) te laten en naar Kinderdijk te doen laten verbreden, waarna I-1.RW (dat rond Kinderdijk lag, het meest noordelijk dus) om Alblasserdam heen zuidwaarts zou worden teruggenomen om het linker oevervak te bezetten. Zijn redenatie daarachter was dat III-1.RW compleet was en het kleinere I-1.RW met haar sterkte van ongeveer tweeënhalve compagnie eenvoudiger verplaatsbaar zou zijn. Die uitleg mocht dan plausibel lijken, maar ze sneed geen hout. Het betekende namelijk dat I-1.RW om het noorden (via de Lek) en oosten richting het voormalige vak van 2.RW zou moeten trekken en daardoor tenminste twee uur de Noordoever zou loslaten, zodat III-1.RW er volledig alleen voor stond. Onderwijl zou de zuidoost oever tenminste twee uur volledig ontbloot blijven van alle troepen. Een dergelijke manoeuvre plaats doen vinden onder de omstandigheden zoals werden verwacht (een agressieve tegenstander), was ronduit onverantwoord. III-1.RW had dus zuidwaarts moeten worden verplaatst en I-1.RW had zich moeten verbreden over het vak Kinderdijk – Alblasserdam Noord. Dat was het enige logische én verantwoorde beleid geweest.

Beide kritische besluiten binnen het LD beleid werden in stafwerk en in het uitgebreide MS artikel in april 1941 niet of nauwelijks aangestipt. Het waren echter beide getuigenissen van de volstrekte onbekwaamheid bij -  in dit geval – de Lichte Divisie om de meest ‘simpele’ [aanhalingstekens indachtig Clausewitz: ‘het meest eenvoudige in oorlogstijd is reeds complex’] veldmanoeuvres juist uit te voeren. Het zou echter tot de volgende ochtend – 12 mei 1940 – duren voordat er weer sprake zou zijn van een gesloten front langs de oever van de Noord. 

Slotbeschouwing

Op papier was de Lichte Divisie het meest capabele, best uitgeruste en meest dynamische Nederlandse veldlegerverband. Het was in haar oorsprong al geschapen om de vuilste klussen op het slagveld op te knappen, de grootste uitdagingen te kunnen opnemen. Uiteraard alles binnen perspectief. De divisie was een carrière eenheid. In die zin, dat haar hogere kader vaak bestond uit de meest veelbelovende beroepsofficieren, die met hun functioneren binnen de divisie konden aantonen over tactisch en operationeel vernuft te beschikken.

Dat oorlogstijd het kaf van het koren scheidt is een cliché. Het is echter geen cliché vast te stellen dat geen der hoofdofficieren binnen het divisieverband voor hun optreden aan de Noord punten hadden gescoord. Opvallend was dat geen der regimentscommandanten zich werkelijk capabel toonde en de commandant van 1.RW in feite ongenadig door het ijs zakte. Zijn rol zou overigens ook uitgespeeld zijn na de debacle aan de Noord. De regimentscommandant van 2.RW had meer initiatief getoond, maar ook hij onttrok zich niet aan een weinig overtuigend optreden. In zijn regimentsvak hadden bij uitstek kansen gelegen bij de ochtendoversteken, maar hij verzuimde zijn bataljonscommandanten te coördineren en hen tot de juiste prestaties te motiveren. Bij de opgedragen evacuatie in de middag liet C-2.RW na om in elk geval tot de aankomst van het bataljon van 1.RW in zijn vak een veiligheidsbezetting achter te laten. Ook toonde geen van de vier bataljonscommandanten opvallende kwaliteiten. Met name hun onderlinge afstemming was ronduit slecht. Bij 2.RW toonden beide BC’n zich onwerkelijk isolationistisch in hun beleid, wat ertoe leidde dat grote kansen niet alleen niet werden uitgebuit, maar zelfs volledig gemist werden. De traagheid van hun besluitvorming en de indolentie ten aanzien van gebrekkige aangevoerde ondersteuning is haast stuitend te noemen. Bij 1.RW waren beide zaken wellicht nog sterker aan de orde. De C-I-1.RW was ronduit initiatiefloos en deed niet de geringste moeite in zijn vak een oversteekplaats te zoeken. Zijn collega bij het aanleunende III-1.RW had wellicht nog het beste excuus, want de enige poging binnen zijn vak was inderdaad door de tegenstander direct geblokkeerd. Tegenover het vak van III-1.RW waren de omstandigheden te ongunstig om een nieuwe poging te doen.

De divisiecommandant zette zijn ronduit zwakke beleid van de vorige avond door. Daar waar hij op 10 mei had aangetoond een commandant van de archaische soort te zijn geweest door niet direct een kans uit te buiten door de zwakke verdediging aan de westzijde van de verkeersbrug te trachten te overrompelen, daar toonde hij in de ochtend van 11 mei een onthutsend afstandelijk beleid. Het feit dat zijn beide regimentscommandanten het onnodig achtten artillerie in te zetten, daar waar de tactische wetmatigheid artilleriesteun als imperatief dicteerden, werd door de C-LD niet hersteld. Hij schonk zijn beide regimentscommandanten alle vrijheid, zonder dat zij aantoonden die vrijheid waard te zijn. Toen die beide ondercommandanten vervolgens op lichtvaardige gronden aan de op grote afstand vertoevende C-LD melding maakten van de onmogelijkheid de Noord over te steken, voer de kolonel Van der Bijl bijkans blind op dat oordeel. Hij ging niet zelf naar de Noord om e.e.a. te verifiëren, maar stuurde een kapitein. Toen die min of meer onderschreef dat de tegenstander de overzijde wel stevig in handen leek te hebben en de detonerende bommen de rest van het werk deden, werd direct contact met de C-VH opgenomen. Die vond het kennelijk niet nodig zijn C-LD tot meer daadkracht aan te zetten en aanvaarde op minstens zo lichtvaardige gronden als zijn divisiecommandant de dunne argumentatie om de aanval over de Noord af te breken.

Zoals de C-VH in geen enkel geval tijdens de meidagen zijn ondercommandanten tot daden kon aanzitten, faalde hij in dit geval vermoedelijk het zwaarst. Bovendien betrof het een vooral dat een cruciaal element van de gehele slag op het zuidfront vormde, als het ware een fatale omslag initieerde. Want het besluit in de ochtend van 11 mei 1940 om de Noord offensief los te laten, besliste in feite de slag op het zuidfront. Zoals de Duitsers dat zo treffend een ‘Vorentscheidung’, een ‘voorbeslissing’ noemen. Bijkans de eerste regel in het handboek tactiek dat ziet op de bestrijding van lichte troepen, is dat zij de kans niet mogen krijgen zich te ontplooien en ter verdediging in te richten. Zij moeten voortdurend onder druk gehouden worden, maar vooral krachtig worden aangepakt, in een zo vroeg mogelijk stadium van hun verschijning. In Den Haag was men zich welbewust dat Waalhaven – het Eiland IJsselmonde in de bredere zin – de navelstreng voor de gehele Duitse luchtlandingsoperatie was. Niet voor niets zette de OLZ relatief veel kaarten op de bestrijding van de Duitse bezetting van het vliegveld. Het was dus van imperatief gehalte om de Lichte Divisie via de kortst mogelijke weg en binnen de kortst mogelijke tijd op het eiland van IJsselmonde te krijgen. Die opzet was bijna geslaagd, mede dankzij een opmerkelijke fout aan Duitse zijde (het niet in kaart brengen van de verkeersbrug bij Alblasserdam). De eerste Nederlandse fout was dat kolonel Van der Bijl in de avond van 10 mei niet een overgang forceerde. De tweede - en direct fatale - fout was dat er niet met alle kracht, ondersteund door alle voorhanden middelen, een groots opgezette oversteek werd gepleegd op de 11e mei, maar slechts een bijzonder omslachtige zwakke poging werd ondernomen. Kennelijk had luitenant-generaal Van Andel zijn ondercommandant niet onmiskenbaar duidelijk gemaakt dat het slagen van zijn oversteek over de Noord van strategische importantie was. En slagen die een strategische waarde hebben, mogen gepaard gaan met zware verliezen. Die verliezen dienen immers het hoogste strategische doel van een krijgsmacht op zo'n moment, zeker in een klein land als Nederland. De oversteekpoging bij de Noord was zo’n cruciale slag met een zware strategische lading. Hoewel het begrip slag meer iets zegt over wat het had moeten worden, en in feite niet wat het uiteindelijk werd. Welgeteld zeven Nederlandse militairen sneuvelden tijdens een (min of meer) offensieve actie, terwijl aan Duitse zijde drie man omkwamen. Dergelijke cijfers maken meer dan duidelijk dat er geen sprake was van een slag, maar van een marginaal gevecht, onwillekeurig alle indrukken die de moderne oorlog op de deelnemers en de omstanders (burgers) maakten. Voornoemde verliescijfers waren echter wel de aanleiding voor twee regimentscommandanten om aan hun divisiecommandant te melden dat een oversteek onmogelijk zou zijn. Het is natuurlijk mogelijk dat de kolonel Van der Bijl vervolgens een bloedbad omschreef aan zijn superieur. Dat heeft de annalen dan niet gehaald, maar het is zeker niet uitgesloten. Het alternatieve aanvalsplan – dat uit de koker van de generaal Van Andel kwam – was echter dan een nog veel onwerkelijker plan dan het op zich al was. Want de opdracht die de Lichte Divisie kreeg om het Eiland van Dordrecht schoon te vegen en vervolgens twee waterwegen over te steken, waarvan de laatste opnieuw door de tegenstander werd beheerst, was een veelvoud zwaarder en zou rationeel gezien een veelvoud meer slachtoffers opleveren dan een overtuigende oversteekpoging van de Noord. Het heeft er echter alle schijn van dat de generaal Van Andel en de kolonel Van der Bijl het wel best vonden. Ze konden beiden gemotiveerd voor dat moment een grote uitdaging nog even voor zich uitschuiven …

Voor de Duitsers was het een regelrechte ‘Vorentscheidung’; in hun voordeel wel te verstaan. Dat beseften zij nog niet en Kurt Student zou nog heel wat angstige uren doormaken voor het zover was dat het besef doordrong dat ze door de Nederlanders gespaard waren. Zeker is dat de opdracht van generaal Van Andel ervoor zorg droeg dat de Duitse navelstreng niet op het cruciale punt kon worden doorbroken en de Duitsers tenminste twee dagen respijt zouden krijgen in de baarmoeder van de operatie, die IJsselmonde vormde. Het was immers hom noch vis, het alternatieve aanvalsplan van Van Andel. Als hij al een alternatieve opdracht had moeten geven voor de oversteek van de Noord, dan was dat een opdracht geweest om met de volledige hoofdmacht van de Lichte Divisie Moerdijk te hernemen. Als het zolderdak niet gesloten kon worden, dan maar de achterdeur. Het was echter zo dat Van Andel met zijn instructie welbewust moet zijn geweest van het feit dat de Lichte Divisie tenminste twee dagen lang zich vechtend naar het Eiland IJsselmonde zou moeten bewegen. Na de eerste oorlogsdag de gehele dag te hebben gemarcheerd, de tweede dag te hebben gevochten en een mars naar het Eiland van Dordrecht te hebben gemaakt, vervolgens tenminste één dag vechten ten zuiden van Dordt, een rivier oversteken en opnieuw een verdediger langs een rivier bestrijden om vervolgens als klap op de vuurpijl te mogen optrekken naar Waalhaven en Rotterdam Zuid! ‘What was the man thinking?!’ De divisie had aan de Noord aangetoond niet eens een zwak verdedigde rivier te kunnen oversteken, dus met welke wijsheid werd dan door Van Andel verondersteld dat zijn uitzonderlijk ambitieuze alternatieve aanvalsplan wel zou werken?

Er is maar één conclusie mogelijk: Generaal Van Andel toonde met zijn instructie aan totaal ongeschikt te zijn als veldheer. Hij werd desondanks niet door bijvoorbeeld de chef-staf Landmachtstaf gecorrigeerd. Op de staf AHK stond er kennelijk niemand op die aandrong op een rationele, een realistische, opdracht voor de Lichte Divisie. Het is de overtuiging van auteur dezes dat er goed beschouwd slechts twee opties voor hadden mogen liggen:

  1. De Lichte Divisie alsnog (hernieuwd) een zware aanval op de westoever van de Noord laten uitvoeren op de derde oorlogsdag, met ondersteuning van de beide afdelingen 7-veld en de beschikbare afdeling 10-veld. Men had met zo’n contingent artillerie – 16 stukken 7-veld en 12 stukken 10-veld – de smalle corridor tussen Hendrik Ido Ambacht en Ridderkerk haast letterlijk kunnen omploegen. Met concentratievuur had men iedere Duitser van de brug aan de westzijde kunnen weg hameren. Vervolgens zou men met goed fatsoen, eventueel met gerequireerde scheepsruimte, een aanzienlijke landing op de westoever nabij de brug moeten uitvoeren.
  2. Met de hoofdmacht van de Lichte Divisie de oversteek over de Merwede maken, maar niet met als doel om vervolgens via de Hoekse Waard naar IJsselmonde te geraken, maar om met de vier bataljons en een afdeling artillerie de Duitsers uit Willemsdorp weg te jagen. Als dat geslaagd zou zijn, was het vroeg genoeg om de Lichte Divisie – als die nog energie over zou hebben – naar het noordwesten te laten optrekken. De achterdeur sluiten was echter minstens zo belangrijk als het zolderraam te dichten.

De hele luchtlandingsoperatie – zo wist men in Den Haag natuurlijk dondersgoed – was bedoeld om een Duits landleger over de Moerdijk de Vesting te laten binnentrekken. Dat idee landde echter maar half in Den Haag. Ten eerste vertrouwde men blind op de Fransen, hoewel ieder bericht dat in Den Haag doorsijpelde eerder aanleiding gaf aan de Franse toewijding te twijfelen dan op hen te vertrouwen. Het grote vooroorlogse wantrouwen van de OLZ in de Fransen was omgeslagen in een blind vertrouwen. De aanleiding daarvoor leek eerder (wan)hoop dan ratio. Het werd echter aanleiding om Moerdijk als te hernemen object van subsidiair belang voor de eigen strijdkrachten te maken. Het gevolg van die zwakke inzichten bij de OLZ en zijn serviele chef-staf was dat generaal Van Andel als C-VH carte blanche kreeg om zijn hersenschim, de operatie via het Eiland van Dordrecht, over de Hoekse Waard richting Rotterdam, te mogen laten uitvoeren. Die hersenschim – waar kennelijk in hoge geestelijke nood verkerend veel meer generaals in gingen geloven – verdween pas op 12 mei rond 2300 uur, toen voor het eerst door de afluisterdienst werd gemeld dat vermoedelijk toch (eerdere berichten had men naar het land der fabelen verwezen) een Duitse tankdivisie Moerdijk had bereikt. Op die fatale gebeurtenis – die op 11 mei om 1200 uur (toen het bevel tot het alternatieve aanvalsplan tussen Van Andel en Van der Bijl werd gewisseld) nog anderhalf etmaal op zich zou laten wachten – liep men in feite op het middaguur van 11 mei al vooruit door Moerdijk niet als primair doel aan te wijzen. En dat was volledig te wijten aan onwerkelijk zwak beleid op de bureaus van alle verantwoordelijken. De OLZ en zijn chef-staf, de staf Vesting Holland en ‘last but not least’ de operationeel betrokken staf van de LD zelf ….

[De bronnen vindt u hier]