De Fransen

Inleiding

Op de tweede oorlogsdag – of eigenlijk al tijdens de eerste oorlogsnacht – begon de voorhoede van het Franse 7e Leger al te arriveren in haar doelgebied. Na de afkondiging door de Franse opperbevelhebber van de ‘Manoeuvre Breda’ (1), waren de voorste gemotoriseerde eenheden van het 7e Leger rap op weg gegaan om zich tijdig in het beoogde doelgebied in Nederland en België te kunnen ontplooien. Hun taak was daarbij tweeledig. De eerste taak was de beveiliging van het buitengebied van het beoogde Franse dispositief ten noorden en noordoosten van Antwerpen (sector Den Bosch - Turnhout). De tweede taak was het zo effectief mogelijk afstemmen met de lokale Belgische en Nederlandse bevelhebbers ten faveure van de Franse strategie. Dat laatste was een volkomen eenzijdige benadering van zaken, maar zo stonden de Fransen erin. En vermoedelijk in hoofdzaak terecht.

(1) De Hypothèse Breda is de benaming die het strategische plan droeg tot het effectief werd afgekondigd als de toe te passen strategie op 10 mei 1940. Vanaf dat moment was het de Manoeuvre Breda geworden. In de tekst wordt naar de 'Hypothèse' verwezen als het ziet op het plan voor de effectuering ervan.

Spoedig na aankomst van de eerste Franse eenheden, waarvan sommige al in de avond van 10 mei arriveerden, zou blijken dat de Franse bevelhebbers ondanks hun voorbereidingen op ‘Hypothèse Breda’ niet eenduidig waren in hun perceptie bij de eigen taken en (tactische) beperkingen. Het zou leiden tot grote verwarring bij henzelf en de Nederlandse bevelhebber in Noord-Brabant, de kolonel Schmidt. Deze zou daarom vrijwel de gehele nacht en ochtend zich persoonlijk (moeten) bekommeren om kundig met de Fransen te kunnen afstemmen. Toen de Fransen bleek dat de Nederlanders hun afweer in de Peel-Raamstelling al hadden moeten opgeven, werd de Franse interesse in een goede en vooral een hoffelijke afstemming met de Nederlandse bondgenoot zo mogelijk nog bescheidener. De gehele tweede oorlogsdag in Noord-Brabant zou dan ook in het teken staan van de ook in het Nederlandse leger gevreesde praktijk van ‘ordre – contr’ordre – desordre’ – ofwel ‘order, tegenorder, wanorde’.

Voor de specifieke lokale eigenaardigheden rondom de Frans-Nederlandse interacties wordt voor het grootste gedeelte verwezen naar de beschouwingen die daarover geschreven zijn in het hoofdstuk ‘Noord-Brabant’. Dit hoofdstuk geeft - voor het juiste begrip - een uitgebreide inleidende bespreking van het operationele plan, waarna eerst de gebeurtenissen op 11 mei in de sector Turnhout - Tilburg en vervolgens de sector Breda - Etten worden besproken, inclusief de samenhang met aanleunende verdedigingsvakken. Uiteindelijk wordt de Franse strategie geëvalueerd en een these behandeld ten aanzien van de Franse besluiten ten aanzien van het bruggenhoofd Moerdijk.

Franse hoofdrolspelers

Twee Franse generaals zouden vanaf 10 mei 1940 een hoofdrol spelen bij de gebeurtenissen in zuid Nederland en noord België. Dat waren de commandant van het zeer grote Franse Noordoostelijke leger, dat het gros van de Franse strijdkrachten behelsde, général d’armée Alphonse Joseph Georges [1875-1951], en de commandant van het 7e Franse leger, général d’armée Henri Honoré Giraud [1879-1949]. Tussen de beide Franse generaals stond nog de commandant van de Franse 1e Legergroep [1er Groupe d’Armées] dat bestond uit het 1e, 2e, 7e en 9e Leger. Dat behelsde alle Franse eenheden die in België en Nederland opereerden. Deze commandant was de général d'armée Gaston Henri Gustave Billotte [1875-1940], die op 21 mei 1940 tijdens de chaotische terugtocht van de Franse 1e Legergroep, op de weg terug van een ‘joint operations meeting’ met de vrachtwagen waarin hij reed verongelukken zou in het Belgische Locre [Loker, een dorp ten zuiden van Yper/Ieperen]. Twee dagen later overleed hij aan zijn zware verwondingen in een ziekenhuis te Ieperen. Billotte zou echter slechts een intermediaire rol spelen ten aanzien van de gebeurtenissen in Nederland. De bevelen van zijn chef – Georges – en de uitvoering ervan door de aan hem ondergeschikte commandant van het 7e Leger – Giraud – zijn wel zeer relevant voor een korte bespiegeling alhier. Zeker voor die lezers, die het relevante prolooghoofdstuk niet hebben gelezen.

Franse hoofdrolspelers

Alphonse Georges werd algemeen gezien als een zeer kundige Franse infanteriegeneraal. In 1932 werd hij reeds benoemd tot général d’armée en kwam hij bij de Franse versie van de Generale Staf, de Conseil supérieur de la Guerre (CSG). Deze staf was in werkelijkheid een brede strategische defensiepolitieke denktank, waarin ook prominente (burger) politici zitting hadden en geenszins een generale staf naar Duits voorbeeld. Uiteindelijk was het zelfs een dood vehicle dat in de praktijk nooit zou functioneren. Desalniettemin werd men er niet zomaar in beëdigd. Toen in 1935 de oude opperbevelhebber Weygand moest worden opgevolgd, verwachtten vele dat Georges de nieuwe chef van het Franse leger zou worden, maar het werd Gamelin. Georges belandde enige tijd op een zijspoor en werd inspecteur van de Franse troepen in Noord-Afrika. Desondanks weerhield dit Georges niet zich te beklagen over de archaïsche staat van het leger. Hij was een vakkundig generaal die, hoewel niet zo modern denkend als bijvoorbeeld toenmalig overste Charles de Gaulle, sterke ambities uitsprak omtrent verregaande motorisatie van eenheden en vooral opriep tot de vorming van sterke strategische reserves. Net als De Gaulle, liep Georges tegen alle denkbare muren van legerconservatisme op. Bij de mobilisatie van het Franse leger kreeg Georges echter het belangrijkste commando, namelijk dat van het noordoostelijke Franse leger waarbij later het BEF ook zou aansluiten. Bovendien werd hij (c.q. bleef hij) plaatsvervangend opperbevelhebber.

Georges was een vakinhoudelijk vermaard tegenstander van de Franse opperbevelhebber Gamelin, die in veel opzichten een uiterst conservatieve inslag had. Bij de planvorming rond de Franse (re)actie op de verwachte Duitse ambities, toonde Georges zich bijzonder negatief ten aanzien van de inzet van het 7e Franse Leger achter de Dyle linie en – in de meest extreme strategische variant – in de Breda stelling. Het meest kritisch was Georges over de inzet van het 7e Leger in het uiterste noorden. De generaal was niet alleen bevreesd voor mogelijk verlies van dit leger doordat het afgesneden zou kunnen worden of doordat de Duitsers eerder bij Breda zouden zijn dan zijn divisies, maar vooral ook bevreesd het 7e Leger uit de rug van zijn kwalitatief zwakkere 2e en 9e Leger weg te halen, zodat het niet meer als strategische reserve boven de Somme kon fungeren. Een bezwaar dat hij inbracht ruim voordat het in de tweede helft van mei 1940 van profetische waarde zou blijken te zijn geweest. Georges noemde de Hypothèse Breda ‘één groot avontuur – een droom die een nachtmerrie kon worden’. Georges wees overigens ook vroege theorieën af die studie maakten van Franse ontplooiing ten oosten en noordoosten van de Dyle, waarbij Franse divisies tot aan de Maas zouden optrekken. Die theorieën werden echter uiteindelijk door niemand gedragen.

Er was beslist sprake van ongezonde animositeit en rivaliteit tussen Georges en zijn superieur, Gamelin. Eén ander opmerkelijk verschil tussen de twee was het besef dat Georges had dat de Duitsers wel eens niet hun feitelijke hoofdstoot via het noorden van België zouden kunnen plannen en er sprake kon zijn van een afleidingsmanoeuvre om het Franse noordoostelijke leger in het noorden te binden. Hij uitte die gedachte meermaals jegens Gamelin, maar deze verwierp die gedachte door te stellen dat als dat aan de orde zou zijn, er tijd genoeg zou zijn om alsnog aanvullende maatregelen te nemen vanuit het zuiden, waar voldoende reserves zouden worden aangehouden. Georges had zich echter ook, omwille van andere redenen, verzet tegen de Hypothèse l'Escaut, de minst ambitieuze Franse bezetting van België waarbij men ten westen van de rivier de (Beneden) Schelde het grote veldleger zou opstellen. Dat was in feite een bezetting van het Belgische Reduit Nationale, de westerse sector van het land. Georges zag in die plannen een massieve logistieke bedreiging, vooral als de zaken mis zouden lopen. De kans om zuidelijk afgesneden te worden was dan immers erg groot omdat de smalle toegang tot het gebied na een Duitse penetratie nauwelijks te beveiligen viel met manoeuvres.

Général Georges was een formidabele tegenstander van de Franse opperbevelhebber geweest gedurende de schemeroorlog. Dat was – naast de concurrentie om de hoogste legerfunctie – een voorname reden waarom hij en Gamelin elkaar niet goed verdroegen. Die gespannen verhouding leidde ertoe dat Gamelin niet alleen geheimzinnig over zijn werkelijke intenties bleef doen – zodat zijn directe ondergeschikten op 9 mei 1940 geen idee hadden welke strategische variant Gamelin uiteindelijk zou kiezen – maar tevens dat Georges op zijn beurt nooit met volle overtuiging aan de voorbereidingen op Hypothèse Breda zou meewerken. Hij vond in zijn scepsis een uitgesproken medestander in de toentertijd veelbelovende Franse général Giraud. Deze was commandant van het 7e Leger, dat voor de vorming van de Hypothèse Breda een strategische reserve zou vormen voor het noordoostelijke leger. Een bijzonder zwaarwegende taak, omdat alle andere legers onder Georges een gefixeerde taak hadden, waardoor zij (eventueel na verplaatsing) vanuit statische posities zouden opereren. De twee legers die als reserve van het GQG fungeerden of de zelfstandige reserve eenheden waren of van slechte kwaliteit, of niet in effectieve commando's gebundeld, of ver van het noordoostelijke theater verwijderd. Het 7e Leger daarentegen moest in staat zijn snel te kunnen manoeuvreren en gedurfde en verstandige tegenaanvallen kunnen ontwikkelen om bedreigde frontsectoren te kunnen repareren. Voor die (counter)offensieve dynamische taak was Giraud volgens Franse kritieken erg geschikt. Een legitieme vraag was overigens of dit 7e Leger wel zo geschikt voor die strategische reservetaak was. Voordat het eind maart 1940 met de gemechaniseerde 1e DLM werd versterkt, had het slechts één tankbrigade en twee gemotoriseerde divisies, naast drie, later vier traditionele infanterie divisies. De kracht en kwaliteit van dit 7e Leger wordt echter vaak in de literatuur en historische werken overdreven sterk aangezet.

Net als Georges was Giraud lid van de Conseil supérieur de la Guerre en bovendien voorstander van een sterk gemotoriseerd leger, dat snel en krachtig kon optreden. Beide generaals waren bovendien – in de traditie van Napoleon – zeer gebrand op een degelijke organisatie en schonken erg veel aandacht aan de logistiek. Hun fixatie op de strategie (en tactiek) van opereren in gesloten formatie en de saillantloze lineaire ontwikkeling te velde – het hardnekkige en in feite volkomen achterhaalde Franse strategisch dogma van het ‘front continu’ – was echter niet alleen een voornaam negatief onderscheid met hun Duitse tegenstrevers, maar ook de achilleshiel van hun kwaliteiten in algemene zin, omdat het hun hele denken en handelen domineerde. Daarbij was Giraud – veel meer dan Georges – een ronduit narcistisch man, die bijkans omviel van zelfgenoegzaamheid. Zijn ijdelheid zat hem regelmatig in de weg om voorstanders voor zijn vooruitstrevende denken te verkrijgen, maar zou hem uiteindelijk ook in zeer directe zin opbreken na de debacle van mei/juni 1940 toen hij het tegen De Gaulle zou opnemen inzake het leiderschap van de Fransen buiten Frankrijk.

Giraud vormde in het laatste jaar voor de Duitse inval meer een tandem met Georges dan zijn directe superieur Billotte deed. Général d’armée Gaston Billotte had in eerste instantie een intermediaire rol vervuld tussen Gamelin en Georges. Hij was het die als eerste door de sluw opererende Gamelin was benaderd een theorie uit te werken voor de Hypothèse Breda. Billotte zelf verzette zich niet zo uitdrukkelijk tegen het plan, maar liet de kolen door Giraud en Georges uit het vuur halen. Uiteindelijk was Billotte met zijn 1e Legergroep in feite door Gamelin deels buitenspel gezet, doordat het 7e Leger operationeel losgemaakt was van zijn 1e Legergroep. Giraud werkte veel van de formele bezwaren van Georges op de Hypothèses l'Escaut en Breda uit en zette die nog sterker aan dan Georges zelf zou hebben gedaan. Zo voerde Giraud aan dat als het 7e Leger werkelijk het noorden moest verdedigen en het plan Schlieffen door de Duitsers zou worden herhaald, zijn leger met sterke Duitse tankformaties zou worden geconfronteerd. Hij eiste daarom veel meer divisies (hij noemde er tien als minimaal noodzakelijk), een sterk contingent antitank- en luchtafweergeschut en een gemechaniseerde divisie met slagtanks, alsmede (een onmogelijk te realiseren) ‘air superiority’ in de opmarsgebieden. Dat alles had het 7e Leger tot en met eind maart 1940 immers niet, toen het nog slechts uit een kleine tankbrigade, twee gemotoriseerde infanteriedivisies, drie reguliere infanteriedivisies en enkele kleine lichte cavalerie eenheden bestond. Giraud stelde de zaken zo voor dat hij overtuigend betoogde dat één tot twee Duitse (tank)divisies in twee dagen in Breda konden zijn, spoedig gevolgd door gemotoriseerde infanteriedivisies, en dat de Fransen dit haast onmogelijk zouden kunnen pareren. Daarnaast legde Giraud veel toewijding aan de dag in het uitrollen van bijzonder complexe en uitgebreide logistieke planningen, waarbij hij bovendien allerhande extra maatregelen eiste zoals beschikbare scheepsruimte voor eventuele terugtochten, tot op details uitgewerkte terugtochtplannen, facilitaire ondersteuning voor oversteken van grote waterpartijen, alsmede een extra eenheid voor bewaking van de kuststrook in de rug van zijn Leger.

De niet aflatende bezwaren van Giraud en Georges tegen de Breda plannen, leidde ertoe dat Gamelin concessies deed en de beide generaals tot medewerking verleidde door hen eind maart 1940 toe te zeggen dat een van de sterkste Franse divisies, 1.DLM, aan het 7e Leger zou worden toegewezen alsmede een brigade lichte tanks. Ook werd een divisie uit de reserve – de 68e DI – aangewezen voor kustbeveiliging in de rug van het 7e Leger. Bovendien kreeg Billotte het zeer sterke cavalerie korps [CC] Prioux, dat met twee DLM’s plus een extra tankbrigade het zo gevreesde Gat van Gembloux [een zwak punt centraal in de Belgische KW-linie] kon dekken, zodat aldaar een mogelijke Duitse tankaanval tijdig zou kunnen worden gepareerd. Die toezeggingen trokken alle drie de generaals over de streep, zij het dat Georges en Giraud zulke grote weerstand behielden, dat ze in feite de schijn wekten hun onwil – tijdens een eventueel afgekondigde Manoeuvre Breda – nog wel te zullen materialiseren door simpelweg operationeel handelend hun wil alsnog door te drukken.

En dan was er nog één kwestie dat de zaken verder compliceerde. De beide generaals vroegen Gamelin welke zekerheid zij kregen omtrent de Nederlandse defensieplannen. Zouden de Nederlanders zich überhaupt verzetten tegen een Duitse inval, en zo ja, welke weerstand zouden zij bieden die voor de Fransen van belang kon zijn? Gamelin gaf hen aan dat hij wist dat de Nederlanders zich tegen een Duitse inval zouden verzetten, maar bovendien dat zij hun stelling in het oosten van Noord-Brabant zouden verdedigen. In feite wist Gamelin wel beter, want de Nederlandse militaire attaché luitenant-kolonel Van Voorst Evekink had de GQG in maart 1940 ingefluisterd dat de Peel-Raamstelling mogelijk niet hardnekkig zou worden verdedigd als de Belgen er niet op aan zouden sluiten. Op 11 april 1940, toen inmiddels zeker was dat de Belgen niet aansloten, had de attaché Gamelin laten weten dat de Peel-Raamstelling zeker niet hardnekkig zou worden verdedigd, hoewel een zekere bezetting zou blijven bestaan. Die wetenschap deelde Gamelin maar gedeeltelijk, maar zeker niet in zijn volledigheid, met zijn ondergeschikten, bevreesd als hij was hun steun voor de Hypothèse Breda definitief te verliezen. Hij deelde général Georges mede – nadat deze op 14 april een schriftelijk protest had gestuurd dat met deze informatie Hypothèse Breda een gevaarlijke gok werd – dat de Nederlanders weliswaar de Peel-Raamstelling niet hardnekkig zouden verdedigen, maar dat het Nederlandse leger wel actief zou blijven in Noord-Brabant. Volgens Gamelin was er dan voldoende tijd om de sterke noordvleugel te ontrollen voordat de Duitsers de lijn Tilburg-Turnhout zouden hebben bereikt.

Vlak voor de Duitse aanval op het westen nam Gamelin nog een opmerkelijke maatregel, die de rivaliteit tussen hem en zijn plaatsvervanger sterk accentueerde. Hij plaatste zijn belangrijkste ‘veldcommandant’ – général Georges dus – buiten de bevelketen der (toekomstige) verbonden naties. Per decreet stelde hij vast dat Georges geen afstemmingen met de Belgische en Nederlandse legerleiding zou zoeken, maar dat die taak terug bij hem c.q. het GQG zou worden gelegd. Gamelin zou de afstemming op strategisch vlak zelf zoeken. Daarmee werd Georges nog meer in de rol van executeur van een voldongen strategie gestopt, en dus verder verwijderd van operationele autonomie. Gamelin vreesde namelijk dat Georges zijn macht anders zou misbruiken om de door hem zo fel bestreden afstemming op de Belgische en Nederlandse legers terug te brengen tot zijn eigen visie en zodoende de verwezenlijking van Hypothèse Breda alsnog te torpederen.

Dat was vanuit Frans politiekmilitair perspectief het uitgangspunt voor de strijd die op 10 mei 1940 ontbrandde.

De Franse plannen

Toen in de ochtend van 10 mei generalissimus Gamelin – tot ontsteltenis van général Georges en général Giraud – de effectuering van de Hypothèse Breda daadwerkelijk afkondigde, werden de grotendeels voorbereide orders uitgegeven aan de diverse eenheden. Het is van belang voor het algemene begrip om nog eens te zien waar die Franse plannen in hoofdlijnen op zagen.

Op 10 mei 1940 werden de plannen, die sinds 12 maart 1940 bij het GQG formeel als ‘Hypothèse Breda’ te boek stonden [wegens de 11e geheime persoonlijke instructie van Gamelin] en sinds 20 maart middels de 9e persoonlijke instructie van Georges bij de 1e Legergroep waren gearchiveerd, ontrold. Het plan Breda herbergde een progressieve variant en een behoudende. De progressieve variant was die waarbij de lijn Tilburg – Turnhout zou worden gehandhaafd terwijl de behoudende lijn die was welke Breda en het smalle riviertje de Mark als uiterste oostelijke respectievelijk noordelijke positie bepaalde. In eerste instantie was er echter aan te sturen op ontplooiing van de Tilburg variant – dezelfde variant die (logischerwijs) als favoriet van de Belgen werd gezien. Een variant die in Nederland onderdeel was geweest van de (al eens eerder) door de GS theoretisch bestudeerde ‘Oranjestelling’ (2), maar die tijdens de officieuze besprekingen tussen de Nederlanders en Belgen gedurende het laatste jaar voor de oorlog door Nederland was afgewezen. De Belgen hadden – indachtig de zwak geachte defensie in Nederland en de Franse ambitie tot noordwaartse inzet van het 7e Leger – in de betreffende sector, welke zij als een deel van de ‘vooruitgeschoven stelling’ afficheerden, achter het kanaal van Antwerpen naar Turnhout hun (zwakke) 18e Divisie gestationeerd (3). Zij zouden die divisie ongetwijfeld verplaatsen als de Nederlanders hen niet ten noorden van de grens zouden dekken en/of de Fransen de Hypothèse Breda niet zouden uitvoeren. Volgens de draaiboeken van Giraud zou de gehele verplaatsingsoperatie in het gunstigste scenario in tien volledige dagen worden afgerond. Voorwaarde was dan dat gedurende die periode de Belgische verdediging aan het Albertkanaal het hield en de Duitsers Breda nog niet hadden kunnen bereiken met hun hoofdmacht.

(2) De ‘Oranjestelling’ was door één prominente Nederlandse opperofficier geadopteerd als een na te streven alternatief (of defensie in tweede lijn) voor de Peel-Raamstelling. De commandant veldleger J.J.G. van Voorst tot Voorst had zich enige tijd opgeworpen als pleitbezorger voor deze door de Fransen voorgestelde linie die als hoofdverdediging de diagonaal Den Bosch - Tilburg volgde of de pal voor Tilburg noord-zuid langs lopende Oranjestelling welke aansloot op de Waal-Lingestelling en zo dus op Vesting-Holland oostfront aansluitende.

Deze imaginaire opstellingen waren ook voordien door de Generale Staf bestudeerd en in krijgsspellen getoetst. Een linie die vanaf de oostzijde van Den Bosch in een diagonale lijn achter de zeer smalle rivier de Reusel – met hoofdverdediging achter het Wilhelminakanaal – verbonden zou worden met een Belgische linie achter het kanaal van Turnhout, en vervolgens aansluitend op de Belgische defensie achter het Maas-Scheldekanaal, beter bekend als het Albertkanaal, dat op zo’n 12 km onder Turnhout lag. Het was een stelling die rekening hield met een Duits démarche door alleen het oosten van Brabant en dus nauwelijks 'bondgenootschappelijk' te noemen. Deze stelling was echter voor Nederland geen praktisch uitvoerbare optie (meer) in 1940. Het ontbrak de geprojecteerde linie aan natuurlijke sterkte, met uitzondering van de hier en daar uitgestrekte bossen die opstellingen van troepen en artillerie konden camoufleren. Een voordeel dat de stelling bood tegenover de Peel-Raamstelling was dat zij de helft korter was, ondanks de diagonaal, en bovendien dat ze wel aansloot op een verdediging ten zuiden van de grens. Groot nadeel was echter dat een natuurlijke barrière goeddeels ontbrak en dat de grote steden Den Bosch en Tilburg prominent vlak achter de stelling lagen. Het  te verdedigen gebied was daarbij in het centrale deel tussen Vught en Tilburg vrijwel volledig open en geen aantrekkelijke sector voor een verdediging, zonder dat die zeer zware permanente versterkingen kende, die het geschikt maakte zware luchtaanvallen en artilleriebeschietingen te kunnen weerstaan. Tenslotte ontbeerde de stelling een natuurlijk alternatief in haar rug, zodat het als voorste stelling onaantrekkelijk was. Zou de stelling vallen, dan zouden haar troepen geen weg terug hebben richting Vesting Holland, omdat aangenomen mocht worden dat de Moerdijkbruggen al zouden zijn opgeblazen of onder sterk vijandelijk vuur lagen. Zeker voor een doorbraak in het zuidelijke deel, zou betekenen dat de troepen die daar ten noordoosten van lagen vrijwel zeker ingesloten zouden raken. Toen de stelling voorts in de winter van 1939/1940 opeens weer als alternatief werd geopperd, was er nog geen spade in de grond gestoken om de stelling zelfs maar in de meest rudimentaire vorm mogelijk te maken, wat zeker één tot twee jaar intensieve stellingbouw zou hebben gekost. Het kortere alternatief, van de grens bij Goirle tot Heusden kende kracht in het centrum (gebied van de Loonse en Drunense duinen), maar had dezelfde kwestbaarheid van de stad Tilburg pal achter de linie en de open ruimte noord van de Drunense duinen tot aan de Maas. Deze korte Oranjestelling had echter uitstekend aangesloten op de Frans/Belgische wensen. Van Voorst tot Voorst kreeg echter geen steun voor een ‘Oranjestelling’. En dat gold evenzo voor de gelijkluidende Belgische en Franse verzoeken in de winter 1939/1940 voor een dergelijke stelling.

(3) De Belgische 18e Divisie – slechts circa 5 bataljons sterk en daarmee in feite een brigade – was een zogenaamde tweede reserve divisie, organiek gezien vergelijkbaar met een Franse B-type infanteriedivisie. Het behoorde tot het IVe Legerkorps [luitenant-generaal André H.F.M. Bogaerts]. De divisie was pas laat gemobiliseerd [Fase D, vanaf 22 september 1939], volledig mobilisabel, kende nauwelijks beroepskader en was qua manschappen volledig bestaande uit oudere reservisten (tot en met lichting 1926). De eenheid was zoals alle Belgische tweede reservedivisies archïsch uitgerust. De infanteriebewapening bestond uit de oude en in WOI reeds gebruikte en daardoor versleten Mauser model 1889 geweren, watergekoelde mitrailleurs Colt 1917 en de oude Chauchat mitrailleuses. Het artillerieregiment – slechts drie batterijen sterk – beschikte over 12 vuurmonden van 7,5 cm snelvuurgeschut uit 1907. Deze Belgische tweede reserve divisie had geen mortieren, geen antitankgeschut en geen infanteriegeschut en het ontbrak evenzo aan luchtafweergeschut. Commandant was (de oud adjudant van de Belgische koning en in 1939 geheractiveerde) luitenant-generaal Henri Emile Albert Joseph Six [1877-1942].

De eerste fase van uitvoering van de Nederlandse component van de Manoeuvre Breda zag op een direct vertrek van de zogenaamde taakgerichte gemotoriseerde verbanden die door de eenheden waren gevormd om een voorverdediging te kunnen opbouwen ter beveiling van de later arriverende hoofdmacht. Die eenheden waren gevormd uit verkenningsafdelingen, aangevuld met taakgerichte eenheden uit de hoofdmacht. Er waren in hoofdzaak drie formaties welke vooruit zouden worden gestuurd en direct na afkondiging van Manoeuvre Breda naar het noorden zouden snellen. Dat waren de twee taakgerichte versterkte verkenningsgroepen De Beauchesne en Lestoquoi en het 6e Regiment Currassier samen met 4.RDP (beide van 1.DLM). De Groupe de Beauchesne diende direct naar West-Brabant en Zeeland te vertrekken en daar de veiligheid te verzekeren van de over zee aan te voeren infanteriedivisie [60.DI] die bestemd was om in Zeeland de Franse voorste positie te bezetten. Dat was bedoeld om de waterwegen leidende naar Antwerpen zo kort mogelijk na een Duitse inval te beveiligen. De Groupe Lestoquoi diende als voorverdediging voor de 25e Gemotoriseerde Infanterie Divisie [25.DIM] en moest een voorverdediging vormen in de sector Breda – Tilburg. Bovendien werd die eenheid opgedragen contact te zoeken met het Nederlandse opperbevel in Noord-Brabant. Het tot 1.DLM behorende 6.RC werd vooruit gestuurd om in de omgeving Tilburg posities in te nemen en 4.RDP om hetzelfde te doen voor de sector Turnhout. Beide formaties dienden ter beveiliging van de aankomst van 1.DLM, dat met haar hoofdmacht rond Turnhout zou worden ontplooid om een Duitse aanval ten noorden van het Albertkanaal krachtig te kunnen pareren. Tot de eerste fase behoorde eveneens het voorbereiden van het beladen van treinen met de tanks van 1.DLM, die tijdens de eerste oorlogsnacht naar het noorden van België vervoerd moesten worden. Voorts zou een bataljon van een regiment infanterie van 68.ID [224.RI] in Duinkerken worden ingescheept om op 11 mei in Vlissingen te kunnen worden ontscheept. 68.DI – uit de reserve beschikbaar gesteld – moest de kust tussen Zeeuws-Vlaanderen en het gehele achterland van het 7e Leger bezetten en het 224.RI voor bezetting van Walcheren afstaan, terwijl het in de tweede fase aan te voeren 60.DI Zuid-Beveland en de monding van de Schelde zou moeten verdedigen.

De tweede fase van de plannen was de aankomst van de voorhoedes van 9.DIM en 25.DIM, de hoofdmacht van 1.DLM alsmede de legerkorpstroepen [1.CA, 16.CA]. De reguliere infanteriedivisie 60.DI viel er ook onder, maar werd naar Zuid-Beveland vervoerd. De drie gemotoriseerde divisies zouden met hun voorste hoofdmachteenheden op de derde oorlogsdag in het operatiegebied moeten arriveren, waarbij de tanks van 1.DLM per spoor werden vervoerd, wat alleen ’s nachts mocht geschieden vanwege de verwachte superioriteit van de Luftwaffe. 25.DIM diende zich bij Breda en aanleunend tegen 1.DLM te ontplooien, dat zich tussen Tilburg en Turnhout met haar lichte tankregiment [2.BLM dat slechts uit 4.RDP bestond] achter het kanaal van Turnhout zou opstellen naast het noordelijk daarvan reeds ontplooide 6.RC. De zware tanks van 1.DLM [1.BLM], pas vanaf de derde dag verwacht, zouden in het derde echelon worden gehouden. 9.DIM zou achter 1.DLM en naast (onder) 25.DIM een positie innemen, in het gebied ten westen van Turnhout. Deze ontplooiing zou in totaal vier tot vijf dagen duren volgens Girauds draaiboek.

In de derde fase zouden de traditionele infanteriedivisies per trein worden vervoerd en vanaf Antwerpen geleidelijk aan inschuiven. De als reserve beschikbare tankbrigade GBC.510 zou eveneens per trein worden aangevoerd, maar hadden een lagere prioriteit dan de drie DLM's die naar midden respectievelijk noord België moesten worden vervoerd. De beide reguliere infanteriedivisie 4.DI en 21.DI zouden eenmaal aangevoerd achter de gemotoriseerde eenheden in reserve blijven, en zich als zodanig ten noordoosten van Antwerpen opstellen, geheel op Belgisch grondgebied. Daarbij had 21.DI de taak zich ten westen van Turnhout op te stellen om aldaar de verdediging van het 7e Leger te verdiepen. 4.DI had een reservetaak en werd in situ achtergehouden. De aankomst van deze beide divisies zou tussen de achtste en tiende dag moeten zijn gerealiseerd.

Voor de gehele ontplooiing stond vanaf het vertreksignaal tot aankomst een periode van tenminste tien dagen. Dan zouden dus één gemechaniseerde divisie, één tankbrigade, twee gemotoriseerde infanteriedivisies en vier traditionele infanteriedivisies zijn ontplooid in Zuid-Nederland en noordwest België.

Regio Turnhout – Tilburg – Oosterhout

De vooroorlogse inzichten van de generaals Giraud en Georges zouden op veel punten worden bewaarheid tijdens de Duitse veldtocht, maar op één aspect was Giraud opvallend genoeg veel te behoudend geweest. Dat was op het punt van de snelheid waarmee de Franse voorhoedes zich wisten te verplaatsen naar het noorden. Opvallend genoeg was op dit punt Gamelin ook weer andersdenkend geweest. Hij had juist bijzonder veel verwacht van de grote snelheid van de Franse voorhoedes, die ook elders in België en in Luxemburg buitengewoon belangrijk waren om de Franse strategie te kunnen doen laten slagen. Gamelin was – hoewel terecht optimistisch over de snelheid van die voorhoedes – echter zijn eigen vijand geweest door het Franse leger op 9 mei niet en op 10 mei pas laat te alarmeren. Daarom zouden veel beoogde voorhoedes alsnog te laat arriveren, wat juist in het zo cruciale Ardennen gebied prominent verkeerd uitpakte.

Op de tweede oorlogsdag zouden alle voorhoedes van de Franse hoofdmacht, die beoogd waren naar het uiterst noorden te trekken, reeds op Nederlands territoir arriveren, terwijl ze daar ten dele pas laat op 11 mei verwacht waren volgens Giraud zijn meest optimistische schema’s. Vooral de snelle ontplooiing van 1.DLM zou Giraud plezierig verrassen. Hieronder zal eerst worden beschreven hoe de Franse formaties hun plaatselijke verdediging – die zij als de ‘Ligne Tilburg – Canal de Turnhout’ adresseerden – innamen. Nadien aandacht voor de ontwikkeling van het front tussen Breda en Etten.

Fransen in Midden-Brabant 11 mei

Sector Turnhout 11 mei

 

 

 

 

 

 

 

[5, 245, 601, 614] De Groupe Lestoquoi – bedoeld als beveiligende voorverdediging in het uiterste noorden voor 1.DLM – kwam al op 10 mei ’s avonds aan ten zuiden van Breda. De ontmoeting die de Franse overste Lestoquoi gedurende de nacht had met de kolonel Schmidt is elders uitgebreid besproken. Nadien kwam er contact tot stand tussen de overste Lestoquoi [C. van de verkenningsgroep bestaande uit 2.GRCA en 5.GRDI], de overste d’Astafort [C. 2.GRDI] en de colonel Dario [613]. Hoewel specifiek besproken zaken niet in het verslag van Dario’s eenheid worden benoemd omtrent het contact, is uit de gebeurtenissen duidelijk dat de Groupe Lestoquoi de opdracht kreeg [c.q. dat die opdracht bevestigd werd] een noordelijke aansluiting te vormen op 6.RC dat de sector Tilburg moest verdedigen. Daarbij werd de loop van het Wilhelminakanaal van Tilburg naar Oosterhout aangehouden. Men diende de bruggen te bewaken en vroegtijdige vernieling daarvan te voorkomen en tijdige vernieling te verzekeren.

De Groupe Lestoquoi was een eenheid ter grootte van circa twee bataljons, geheel gemotoriseerd en voorzien van een eskadron met 13 Hotchkiss H-35 tanks, hoewel dit in Nederland zou ontbreken. De sterkte en samenstelling was reeds bij de bespreking van Moerdijk (11 mei) uitgewerkt. Op 11 mei ontbrak het eskadron tanks, dat nog niet eens voorbij Antwerpen was geraakt, omdat het daar werd aangehouden. Zodoende had men geen gepantserde eenheden. Voorts ontbrak in de stelling langs het Wilhelminakanaal het detachement van 5.GRDI dat was ingezet bij Moerdijk en Geertruidenberg en onder leiding stond van lieutenant Martin, de commandant van het 2e Eskadron. Zeker is dat ook de bruggen langs de rivier de Mark (inclusief het gekanaliseerde deel) door de Franse eenheden werden bezet gedurende de 11e mei. Een deel van die bezetting vluchtte echter tijdelijk tijdens de zware Duitse luchtaanvallen in de late middag, die de Franse ontplooiing langs de Mark, bij Moerdijk en in geheel West-Brabant zwaar frustreerden. Het gevolg was dat er een gat ontstond in de Franse linie. Want de luchtaanval op het detachement Michon bij Moerdijk rond 1700 uur, die gelijktijdig plaatsvond met luchtaanvallen op kleinere detachementen langs de Mark, joeg vele Fransen op de vlucht, zodat ten noorden van Oosterhout de Franse troepen voor een aanzienlijk deel terugtrokken. Vele zouden niet meer terugkeren. Het werd al besproken bij de beschrijving van de gebeurtenissen rond Moerdijk op 11 mei.

[613] In de late avond van 10 mei arriveerde een voorhoede van 6.RC [Colonel Dario] – Detachement Decouvert 1 [DD.1] – nabij Poppel de grens over te zijn gegaan, in de omgeving van Goirle. Gedurende de nacht sloot de hoofdmacht van dat verkenningsregiment van 1.DLM aan, nadat men de hinderlijke grensversperringen had weten te slechten. In de ochtend van 11 mei, rond 0600 uur, verscheen de colonel Dario bij kolonel Schmidt zijn reizende staf in Tilburg. Aldaar werd uitgebreid overleg gevoerd tussen beide ranggelijken, waarbij een eerste werkelijke strategische afstemming (na de chaotisch verlopen eerste ontmoeting in Breda) plaatsvond tussen de Fransen en Nederlanders. Dit leidde ertoe dat de Franse kolonel enige detachementen (4) het voorterrein instuurde. Om precies te zijn drie stuks. Een detachement [D.D.2.] onder Capitaine Devouges [commandant 1e Groupe d’Escadrons 6.RC] naar Den Bosch, een detachement [D.D.3] onder Capitaine Dudognon [commandant 4e Escadron, 2e Groupe d’Escadron 6.RC] naar Eindhoven en later nog een derde dekkend detachement onder Capitaine Lelievre [commandant 3e Escadron, 2e Groupe d’Escadron 6.RC] dat achter het detachement Devouges een positie moest innemen om eventueel een terugtrekking te kunnen dekken van beide vooruitgestuurde eenheden. Een vierde eenheid, het samengestelde detachement Michon [commandant 2e Groupe d’Escadron] met versterking van een eskadron van 4.RDP, werd naar Moerdijk gestuurd om aldaar een agressieve verkenning uit te voeren. De gebeurtenissen rond dit laatste detachement zijn elders uitgebreid beschouwd. Onderwijl werd door de staf van 6.RC contact gezocht – en gevonden – met de Groupe Lestoquoi. Men had vermoedelijk van kolonel Schmidt vernomen dat hij hen al eerder in de nacht ontmoet had in Breda. De commandopost van 6.RC werd onder Tilburg ingericht langs de weg naar Goirle.

(4) Er is aanleiding aan te nemen – op basis van diverse Nederlandse krijgsverslagen – dat deze drie zogenaamde D.D.’s kleine eenheden waren met slechts twee tot drie Panhard pantserwagens en enige motorrijders. Deze eenheden leken nog kleiner dan een regulier pantserwagenpeloton in een Regiment de Découverte. Zo’n peloton bestond organiek uit vijf Panhard en drie begeleidende motoren, totaal uit 25 man inclusief commandant. Vermoedelijk echter waren de D.D.’s samengestelde verkenningsverbanden van pantserwagens uit het 1e eskadron en motorrijders uit het 2e eskadron, zodat het geheel weer een pelotonsterkte kreeg. Een precieze samenstelling is echter niet gevonden.

[613] De D.D.2 vertrok kort na 0800 uur richting Den Bosch, waar een vooruitgeschoven patrouille onder pelotonscommandant sous-lieutenant Schèrer contact maakte met de Nederlanders bij Vught. In de avond verkende het vooruitgeschoven peloton achter de Zuid-Willemsvaart en werd daarbij rond 2030 uur ontdekt door een Duitse verkenningseenheid van Aufkl.Rgt.9 nabij Sint-Michielsgestel [554, 613]. Daarbij werd een Duitse pantserwagen uitgeschakeld – waarbij twee Duitse gewonden vielen [554] – en werden twee Duitse mitrailleurs uitgeschakeld. Vervolgens hadden de Fransen echter het probleem dat men niet meer op eenvoudige wijze terug naar Tilburg kon, omdat alle bruggen door de Nederlanders waren opgeblazen of versperd. Uiteindelijk bereikte men pas de volgende dag de eigen gelederen weer, onder achterlating van enkele motoren en met verlies van twee pantserwagens [614: blz. 170]. Het verslag van 6.RC meldt overigens dat men geen pantserwagens verloor [613]. Dat lijkt onjuist te zijn.

[613] D.D.3 – bestaande uit twee Panhards en enige motorrijders – ging op weg naar Eindhoven, maar kwam uiteindelijk na verkenningen van het Wilhelminakanaal en de brug over de Reusel bij Moergestel niet verder dan die laatste plaats, waar het eerst vergeefs zocht naar de commandant van een groep Nederlanders die de brug bewaakte. Rond 2300 uur raakte het Franse verband ten oosten van Moergestel – ter hoogte van het gehucht Vinkenberg – in een gevecht met een Duitse voorhoede van 9.PD [voorhoede van Gruppe Oberstleutnant Sponeck], waarbij volgens de Franse rapportage drie Duitse pantserwagens [waaronder één zware, vermoedelijk een Sd.Kfz. 232 Funk] en enkele Duitse motorrijders werden uitgeschakeld, deels tijdens man-tegen-man gevechten. De voorste Duitse pantserwagen zou – verrast als de Duitsers waren – recht in de voorste Panhard pantserwagen zijn gereden en vervolgens twee eigen motoren hebben verpletterd, waarna de voorste Panhard de wagen met enkele schoten uitschakelde [614: blz 171]. Een kort gevecht volgde, waarbij de Duitsers het onderspit dolven. De resterende twee Duitse pantserwagens zouden door de Fransen zijn vernield, twee motoren werden door de Fransen buitgemaakt en zouden tot aan Duinkerken dienst hebben gedaan. Twintig Duitsers werden volgens Lerecouvereaux [614: blz 171] gedood, vier gevangen genomen. Eén Franse soldaat, Gilbert Hautbout, sneuvelde bij het gevecht [35]. Men trok daarop terug, waarbij de brug over de Reusel (ten noordoosten van Vinkenberg) door een Nederlandse vernielingsploeg [van 16.C.Pn] werd opgeblazen terwijl er net een vrachtwagen met Duitse infanteristen overheen reed. Volgens de Franse verslagschrijver werden daarbij alle inzittenden van de vrachtwagen gedood. Het stafwerk bespreekt het voorval kort, en meldde twee vernielde Duitse pantserwagens [5: blz. 322]. Bron van het stafwerk is onbekend.

Het Franse verhaal over D.D.3 lijkt  te mooi om waar te zijn. Het gevecht wordt in zijn geheel niet door de KTB’s van 9.PD [552] of Aufkl.Rgt.9 [554] besproken – hoewel erbij dient te worden gezegd dat deze beide KTB’s niet uitputten in details. Maar ook gegevens van verloren pantserwagens en motoren in het KTB van de divisie bevestigen het verlies bij Moergestel niet. Er ontbreekt ook de onvermijdelijke reeks slachtoffers op de Duitse verliesinventarisatie (5). Wel wordt in het Duitse KTB bevestigd dat men bij Moergestel Fransen tegenkwam, dat deze echter direct terugtrokken, maar dat wegens de opgeblazen brug de Duitse eenheden tot de volgende dag aan de oostzijde van de Reusel moesten blijven liggen. Een gevecht of verliezen worden niet genoemd. In het Mitteilungsblatt d. Kameradschaft der Schnelle österreicheschen Bundesheeres [561] wordt de zaak in een redelijk gedetailleerd artikel over I./SR.11 – dat eveneens onderdeel uitmaakte van de Gruppe Sponeck van 9.PD – echter verrassend uit de doeken gedaan. De bewuste Duitse eenheid was een peloton van de AA Bentele, welke vooruit was gestuurd om de buitenwijken van Tilburg te verkennen. Nadat het peloton over de brug (over de Reusel) was gereden, was deze achter hen opgeblazen. Wederom echter over een gevecht geen woord. Door de brugvernieling was de rest van de AA Bentele gedwongen ten oosten van de Reusel blijven liggen. Daar werd zij gedurende de nacht met de hoofdmacht van de Gruppe Sponeck versterkt. Men moest een alternatieve route vinden en kon zodoende met de gemotoriseerde eenheden pas in de middag van 12 mei met de hoofdmacht van de Gruppe Sponeck westwaarts trekken.

(5) Wel viel een Duits slachtoffer van 2./Aufkl.Rgt.9 op 11 mei nabij Tilburg, Gefreiter Johann Schmidt. Deze moet bij het bewuste gevecht zijn gesneuveld, want bij Tilburg in de buurt kwam geen enkele andere Duitse eenheid op 11 mei. Hij is echter de enige. Ook het uitvallen van drie pantserwagens wordt niet gedekt door Duitse bronnen.

6.RC nam ondertussen met haar hoofdmacht en die van 5.GRDI posities in ten oosten en ten zuiden van Tilburg, met 5.GRDI in hoofdzaak langs het Wilhelminakanaal opgesteld. Ook werden de uitvalswegen bezet. Onderwijl onderging men echter zware luchtaanvallen. De Luftwaffe was de gehele tweede oorlogsdag uiterst actief in Noord-Brabant. Het had haar gehele KG.4 ingezet om de inmiddels waargenomen opmars van het 7e Leger in het noorden van België en het zuiden van Nederland te frustreren. Zodoende werden alle doorgaande wegen genadeloos gemitrailleerd en vele bommen afgeworpen op waargenomen troepenconcentraties. Tilburg zelf kreeg talloze bommen te verwerken, waarbij ruim 20 burgerdoden vielen [1510]. Ook de Fransen leden verliezen. 6.RC meldde twee doden en drie gewonden door een luchtaanval op de commandopost van colonel Dario, die overigens zelf elders was [613]. Een door het bombardement ontstane brand bedreigde de munitiecolonne van het regiment. Met vereende krachten wist men echter snel de colonne uit de gevarenzone te verplaatsen.

[619] 6.RC was spoedig gevolgd door het eveneens tot 1.DLM behorende 4.RDP, dat deels op Belgisch grondgebied bleef, maar op 11 mei eveneens met haar linkerflank de grens met Nederland overstak. Vervolgens schoof de eenheid zodanig op naar links dat ze einde van de dag een groot deel van haar hoofdmacht aan de noordzijde van de Belgisch-Nederlandse grens had liggen met haar 2e bataljon in de sector Hoge-Mierde / Diessen, het 3e op de grens van Nederland en België ter plaatse en de regimentscommandopost [Colonel De Causans] eerst in Poppel, kort nadien in het dorpje Hoogeind, terwijl het 1e Bataljon in de omgeving van Beers (west van Turnhout) in reserve werd gehouden. Zodoende lag 4.RDP al op 11 mei achter de Reusel en het kanaal van Turnhout in positie. In de sector van 4.RDP werd bovendien in de loop van de 11e mei artillerie van het 74e Artillerie Regiment opgesteld, waarvan de commandant colonel Marguerittes zijn commandopost samenbracht met die van C-4.RDP.

[620] 4.RDP was een sterke cavalerieformatie van ca. 4.000 man sterkte. Het was volledig gemotoriseerd, grotendeels zelfs gemechaniseerd. Het beschikte over 69 tweemans Renault lichte tanks AMR-35, 220 Lorraine trucks voor infanterie, 144 vrachtwagens, 460 motoren en een groot aantal mortieren en lichte antitankvuurmonden. De door 4.RDP gebruikte 60 stuks lichte tanks (plus 9 reserve), van het type AMR-35ZT waren eerlijk verdeeld over de drie bataljons Dragons Portés en werden grotendeels op Nederlands grondgebied ontplooid. Alleen die van het 1e Bataljon bleven in reserve in België. De AMR-35 was een lichte tank bedoeld voor lichte gevechtsondersteuning en als verkenningstank. Het gros van de 6,5 ton zware tanks was uitgerust met een Hotchkiss 13,2 mm zware mitrailleur. Als secundaire bewapening was er een 7,5 mm Reibel mitrailleur. De zware mitrailleur - hoewel voorzien van pantserbrekende kogels - was vrijwel werkeloos tegenover zelfs het meest bescheiden Duitse pantser. Ondanks de relatieve zwakte van deze Franse tanks tegenover zwaarder gepantserde tegenstanders – welke zij in Nederland overigens niet zouden ontmoeten – was de vuurkracht van 4.RDP met 60 (inclusief reserve en staf 69) tanks, twaalf stukken AT van 2,5 cm, twaalf mortieren van 8 cm, negen mortieren van 6 cm en 48 zware mitrailleurs meer dan aanzienlijk voor een eenheid van dat formaat. Het was een bewapening waar een Duits regiment infanterie – die 4.RDP in Nederland als tegenstander trof – niet aan kon tippen.

Het 74e Artillerie Regiment [74e RATTT of 74e RADLM ofwel Regiment d’Artillerie de DLM a Tracteurs Tous Terrain] was een gemotoriseerde eenheid van 1.750 man sterk, behorende tot 1.DLM. Het beschikte over 24 stukken van 7,5 cm [model 1897] in twee afdelingen en twaalf houwitsers van 10.5 cm [105 mm Court, model 35 B] in de derde (zware) afdeling. De tractie werd verzorgd door Laffly S15R of Citroën P.107 halfrupsen. Daarnaast beschikte men over de toegevoegde eenheid 10.BDAC/74e RATTT [Batterie de Division Anti-Char] met acht stukken 4,7 cm antitank geschut. Voor de betekenissen van de begrippen wordt verwezen naar de proloog.

[614] Nadat de voorhoede van 1.DLM zich ontplooid had kwam in de avond ook een deel van de voorhoede van het tot 16.CA behorende 9.DIM in haar operatiegebied aan. Die divisie vormde samen met 25.DIM de infanteristische voorhoede van het Franse leger in het noorden en leunde rechts van 25.DIM aan in de sector Hoogstraten – Turnhout, achter de voorhoede van 1.DLM en naast de voorhoede van 121.RI (25.DIM) dat – zo wordt hieronder nader besproken – in de omgeving Minderhout de meest rechtervleugel van het vak van 25.DIM vormde. [614] De voorhoede van 9.DIM was zwaar vertraagd gealarmeerd in de ochtend van 10 mei. De eenheid had pas vlak voor het middaguur vernomen dat de Hypothèse Breda was geëffectueerd en was bovendien wegens een oefening – zoals bekend had de Franse legerleiding aan de vooravond van 10 mei 1940 geen verhoogde paraatheid afgekondigd – ver van haar uitvalsbasis verwijderd. Als klap op de vuurpijl waren de eenheden van 9.DIM zo’n 20% onder sterkte wegens verloven. [614] Het gevolg was dat de voorste delen pas op 10 mei om 2000 uur richting het doelgebied vertrokken en rond 2300 uur de Franse grens met België passeerden.

[613] Die voorhoede van 9.DIM bestond uit II-13.RI [commandant colonel Barbé] en III-131.RI [commandant lieutenant-colonel Munier], respectievelijk ondersteund door de 2e en 3e afdeling artillerie van 30.RADT [elke afdeling had 12 halfrups getrokken stukken 7,5 cm snelvuurgeschut], elk een batterij 4,7 cm antitankgeschut van 10.BDAC [van 30.RADT] en ieder een geniecompagnie van Compagnie de Sappeurs-Mineurs 9/1. De voorhoedeformatie van 13.RI had bovendien een verbindingseenheid bij zich, samengesteld uit elementen van Compagnie Télégraphique 9/81 en Compagnie Radio 9/82. Die laatste moest de commandopost voor de divisiecommandant voorbereiden. Bovendien was de colonel Larcher – infanteriecommandant van de divisie – met de voorhoede mee opgetrokken. De troepen hadden onderweg bijzonder veel last van door het Belgische leger opgeworpen versperringen, maar belangrijker was dat men grote moeite had de rivier de Schelde over te steken bij Dendermonde, omdat de Luftwaffe daar ernstig tegen ageerde. Een alternatieve route, waarbij een spoorbrug bij Temse moest worden gebruikt voor de oversteek, leidde tot veel vertraging. Uiteindelijk arriveerde slechts één van de colonnes rond 1900 uur in de avond van de 11e mei in het doelgebied, de tweede colonne pas de volgende dag.

Daar waar de Franse voorverdediging tussen Tilburg en Turnhout planmatig – in feite zelfs progressiever dan vooroorlogs gedacht – tot stand kwam, faalde juist de uitvoering ten noorden van Tilburg. De sector Oosterhout – Geertruidenberg vertoonde een grote zwakte. Het gebied tussen Tilburg en de Maas bij Geertruidenberg diende zoals eerder gezegd door de Groupe Lestoquoi te worden bezet. Die toch al zwakke formatie – voor een dergelijk brede en cruciale sector – was ten dele door de Duitse luchtaanvallen verspreid geraakt. Daarom had het verdedigingsfront ten noorden van Tilburg niet eens de schijn van een sterke weerstand. Het betekende in feite dat de gehele Franse strategie van de Manoeuvre Breda op dat moment wankelde. Want hoewel de ‘Ligne Tilburg – Canal de Turnhout’ de meest ambitieuze voorverdediging in de Manoeuvre Breda vertegenwoordigde, was de sobere versie – een linie achter de Mark en bij Breda – door het gapende gat ten noorden van Tilburg ook direct in gevaar. Een sterke Duitse aanval via het noorden zou immers door de fracties aan Franse troepen die op 11 mei in die sector gevechtsgereed waren hoogstens zeer korte tijd kunnen worden vertraagd.

De Franse ontplooiing werd niet alleen door hun eigen toedoen gefrustreerd. Men kreeg al op 11 mei te maken met de eerste grote vluchtelingenstromen, wat zeker in de late middag gestalte begon te krijgen. Die vluchtelingenstromen, meestal bestaande uit Nederlandse militairen die het noorden en midden van de Peel-Raamstelling en vervolgens de provisorische Zuid-Willemsvaartlinie hadden verdedigd, trokken aandacht van de Luftwaffe. Die liet haar greep op het verkeer in Noord-Brabant en de sector Turnhout vanaf 11 mei niet meer los. KG.4 in het bijzonder opereerde zeer actief, maar werd gesteund door talloze jachtvliegtuigen en andere aanvalsverbanden. Noord-Brabant en de sector Turnhout werden op de tweede oorlogsdag op vele locaties intensief gebombardeerd. Bij Turnhout werd het Jezuïtenklooster per ongeluk gebombardeerd omdat het werd aangezien voor de in 1938 in het stadseel Tuinwijk gebouwde Majoor Blairon kazerne. Het kostte vijf mensen het leven. De effecten van de Duitse bombardementen waren echter nergens zo sterk als in de sector Breda – Moerdijk, waar de bombardementen van de Luftwaffe ook tactisch ingrepen in de gevechtsoperatie en zodoende de organisatie in het cruciale naderingsgebied van Moerdijk sterk beïnvloedden. De effecten daarvan zouden niet meer worden hersteld door de Fransen, maar evengoed niet door de Nederlanders, die er vanaf de middag van 11 mei defensief in Brabant volkomen de brui aan zouden geven. Welke desastreuze gevolgen dat had, zou op 12 mei spoedig duidelijk worden.

Sector Minderhout – Breda – Etten

De sector Minderhout (B.) – Breda – Etten [een bijna 30 km opgerekt front] was de aangewezen sector voor het op papier sterke 25.DIM [Division d’Infanterie Motorisé] van général de division Jean Baptiste Emmanuel Molinié [1880-1971] (6). De divisie zou zich in een bestaand dispositief moeten bewegen, waarbij het links aangeleund zou worden door de eenheden van Groupe de Beauchesne en rechts door de Groupe Lestoquoi. De operationele instructies voor de ontvouwing van de Hypothèse Breda gaven de divisie de opdracht dat twee voorhoede formaties als beveiliging en kwartiermakers vooruit zouden moeten worden gestuurd en dat hun succesvolle ontplooiing in het geprojecteerde doelgebied pas gevolgd zou worden door het bevel de hoofdmacht na te sturen. Die hoofdmacht zou vooreerst tot Antwerpen optrekken en daar het nadere bevel afwachten. De in twee formaties gesplitste voorhoede had Frankrijk verlaten rond 1500 uur op 10 mei en was in de avond tot Antwerpen gekomen, alwaar kwartiermakers de CP voor général Molinié zouden voorbereiden [614]. Men lag toen reeds een dag voor op het schema van Giraud.

(6) De Franse DIM's waren geen zelfstandig gemotoriseerde infanteriedivisies, zoals bijvoorbeeld de paar gemotoriseerde Duitse divisies wel waren. Slechts enkele ondersteuningsonderdelen hadden eigen motorisatie, een ander deel werd door externe zelfstandige autobataljons gemotoriseerd, maar het gros van de infanterie werd slechts gemotoriseerd door middel van gevorderde burgervervoermiddelen. Zo was de Parijse busdienst vrijwel al haar bussen kwijt aan o.m. de 25e DIM. Het gevolg van deze gekunstelde motorisatie was dat de pluriformiteit van het wagenpark enorm was, maar vooral dat verplaatsing in het frontgebied of tijdens de strijd bezwaarlijk was. In feite waren de gemotoriseerde divisies zodoende eenmaal tijdens de strijd vaak verworden tot gewoon reguliere infanterie.

[614] De voorhoede bestond uit twee formaties. De eerste, met als doelgebied de sector Etten – Princenhage, werd gevormd door het 1e Bataljon van 38.RI, een afdeling door tractoren getrokken 7,5 cm veldartillerie, een sectie met drie stukken 2,5 cm antitank geschut van 13/121 CDAC, een sectie met vier stukken 4,7 cm antitank geschut van 10.BDAC [16.RADT], een compagnie pioniers van 25.CSM, een peloton brugslagpioniers van 13/92.CP en een batterijen 2,5 cm luchtafweer van 409.RADCA. De formatie werd geleid door colonel Denis, commandant van 38.RI. De tweede voorhoede, met als doelgebied de sector Meer – Minderhout (vlak onder de grens bij Hazeldonk), was iets kleiner wegens ontbreken van een peloton brugslag pioniers en bestond uit het 3e Bataljon van 121.RI, en voorts dezelfde samenstelling als de eerste voorhoede. Deze tweede formatie werd geleid door de commandant van 121.RI, colonel Charbonnier. De rest van de divisie lag aanzienlijk achter op deze voorhoede.

[614] Rond 4 uur in de ochtend passeerde de voorste formatie van 25.DIM de Beneden Schelde en kort erna zetten zij via het Belgische Essen voet in Nederland. Daar kwam men bij een door de Nederlanders opgeblazen bruggetje over de Molenbeek bij Nispen urenlang vast te staan, zodat de Franse colonne in elkaar schoof. Met behulp van lokale ambtenaren werd de brug hersteld, waarna de Franse colonne, die inmiddels gevaarlijk gecomprimeerd in een kilometers lange file tot diep op Belgisch grondgebied opgesteld stond, via Roosendaal en Etten op weg ging naar Breda. De divisie zou zich vanaf de middag van 11 mei ontplooien langs en achter de hoofdweg Roosendaal – Breda, waarbij de sector Etten - Breda het zwaartepunt vormde.

Onderwijl had de Luftwaffe de Franse colonnes waargenomen. [1256] Waarnemingsrapporten in de KTB van 26.AK maken gewag van luchtverkenningen door 4.(H)/21 tot voorbij Roosendaal, waarbij men de Franse colonnes – waarin vele eenvoudig uit de lucht herkenbare autobussen die voor het vervoer van de infanterie werden gebruikt – waarnam bij Nispen en Roosendaal, bij Etten en Breda en talloze waarnemingen deed in het achterland van de Peel-Raamstelling tot aan Eindhoven en Tilburg. [1254] KG.4 werd ingezet om direct met de bestrijding van de arriverende Fransen te beginnen. Voortvarend pakte ze dit op, ondersteund door jachtvliegerverbanden. De gehele middag en avond was de vierkant Tilburg - Turnhout - Antwerpen - Roosendaal in het vizier en talloze happen werden er uit de Franse colonnes genomen. De aanvallen in West-Brabant op de Franse troepen van 25.DIM werden al eerder beschreven. [614] Volgens de Franse kroniekschrijver Lerecouvreux werd bij een grote Duitse luchtaanval rond 1300 uur – uitgevoerd door tenminste 25 bommenwerpers en begeleid door een groot aantal jagers – een Franse colonne tussen Roosendaal en Etten zwaar getroffen. [614] Daarbij zouden tien voertuigen volledig zijn vernield, zes van de acht verbindingswagens zijn uitgeschakeld, tientallen voertuigen zwaar zijn beschadigd en circa 20% van de manschappen in het aangevallen deel van de colonne gewond zijn geraakt of gedood. Het psychische effect op de troepen was – zo stelde Lerecouvreux – een veelvoud groter dan het materiële effect, dat – zo schrijft hij – meeviel gezien het feit dat de Luftwaffe geen enkel tegenspel kreeg. De Franse verlieslijst toont overigens nauwelijks gesneuvelden, die verwijzen naar deze episode. [35] Ongeveer een vijftal slachtoffers zou met de gebeurtenis in verband kunnen worden gebracht, maar dan alleen als hun sneuveldatum niet correct is weergegeven. [614] Colonel Denis zou het gevoel hebben gehad dat de Luftwaffe specifiek zijn CP op de korrel had en verplaatste die vijf maal. Uiteindelijk bleef de CP in het bos bij Princenhage, waar de voorhoede van 38.RI zijn posities innam. [614] Lerecouvreux – tijdens de meidagen zelf (reserve) officier bij de staf van het 7e Leger (7) – meende dat er verraad in het spel was en de positie van de Franse CP door spionage bij de Luftwaffe steeds bekend was. Een weinig doorwrochte gedachte. Typerend voor de stijl waarin zijn boek ‘l’Armee Giraud en Hollande’ geschreven werd. De overweging dat de locatie waar de CP werd ingericht buitengewoon voor de hand lag (in eerste instantie het enige strategische kruispunt van wegen bij Breda), en bovendien telkens omringd werd met grote troepenconcentraties, waardoor de Luftwaffe eenvoudig een prominent doel waar kon nemen, kwam kennelijk bij de achterdochtige Franse schrijver niet op.

(7) In sommige publicaties wordt beweerd dat Marcel Lerecouvreux een beroepsofficier was, zelfs een Generale Stafofficier [30, dl.2: blz 275]. Het zorgvuldig lezen van zijn 'l Armée Giraud en Hollande' had deze onjuistheid kunnen voorkomen. Hierin staat in het voorwoord "M. Lerecouvreux n'est pas un officier de carrière". Het vertalen van l'Etat-Major naar Generale Staf is onjuist. De betekenis van l'Etat Major is niets anders dan (onderdeels)staf. Ieder groter onderdeel in het Franse leger kende een staf die als l'Etat Major werd aangeduid, waar weliswaar ook GS officieren functioneerden, maar waar net als in ons leger tevens reserve officieren een functie hadden. Zo ook Lerecouvreux, die reservist was.

Marcel Lerecouvreux was mijnbouwingenieur en werd als reserveofficier gemobiliseerd in september 1939. Hij was tot en met half mei stafofficier bij het 7e Leger, nadien bij 2.DLC. Zijn functie was dus wel stafofficier. Het mag echter bekend zijn dat een Generale Staf officier een carrière officier was, die hogere krijgsvorming had genoten en zich daardoor onderscheidde van een reguliere stafofficier.

[614] Al voor de aankomst van de beide voorhoedes op hun locaties noordwest (38.RI sector Etten – Princenhage) en ten zuidwesten van Breda (121.RI sector Minderhout – Meer), werd rond 1000 uur door général Giraud de opdracht gegeven aan de hoofdmacht van 25.DIM [zonder 92.IR] om op trekken naar de posities tussen Minderhout en Roosendaal. 92.IR had opdracht gekregen bij het Belgische Hamme [west van de Schelde, ca. 20 km ZW van Antwerpen] halt te houden. De voorhoede van de hoofdmacht zou tegen middernacht de grens met Nederland bereiken, terwijl de CP van général Molinié bij Antwerpen zou blijven. Molinié achtte het namelijk opportuun zijn CP te combineren met die van 1.CA (het eerste legerkorps, waartoe 25.DIM behoorde) dat ook bij Antwerpen haar hoofdkwartier koos. Daardoor zat de divisiecommandopost van 25.DIM op onwerkelijk grote afstand van de divisie zelf. De infanteriecommandant van de divisie, de général de brigade Lucien Monniot, koos wel zijn commandopost in de hoogste echelons en kwam zodoende in Etten terecht. En ook dat ging weer gepaard met aanzienlijke Franse concentraties, zodat de Luftwaffe ook die positie snel in het vizier kreeg. Reeds op 11 mei daalden de eerste bommen op Etten neer (8).

(8) Het is auteur dezes overigens onbekend wanneer de Franse generaal Monniot daadwerkelijk in Etten arriveerde. Dat blijkt niet helder uit de bronnen. Vermoedelijk was dit echter pas in de nacht van 11 op 12 mei, omdat toen de eerste delen van de hoofdmacht van de divisie aankwamen in Noord-Brabant en II-38.RI de sector Etten – Zundert bezette. Dat gegeven is dus echter met de nodige armslag aan de lezer meegegeven. Monniot werd overigens door Lerecouvreux [614] stelselmatig als Monniaut beschreven. De Nederlandse stafwerken volgden die verschrijving.

De verbinding Zeeland - West Brabant

Voor het integrale overzicht resteert nog kort terug te kijken op hetgeen in een ander hoofdstuk al besproken werd ten aanzien van West-Brabant.

De Groupe Beauchesne was op 10 mei met zijn drie verkenningseenheden in Nederland aangekomen. De eenheid had als eerste taak om de sector rond de Scheldemonding veilig te stellen voor het arriveren van de infanterie in Zeeland. Als in Vlissingen het per schip uit Duinkerken verscheepte bataljon van 224.IR zou zijn aangekomen, zou de Groupe oostwaarts verplaatsen en zich onder 25.DIM stellen om de voorverdediging van die divisie te gaan vormen langs de Mark tot aan Moerdijk. Rechts aanleunend zou het daar Groupe Lestoquoi vinden die deze taak voor 1.DLM noordwaarts zouden verrichten.

Op de 11e mei verplaatste colonel De Beauchesne zijn CP reeds van Middelburg naar het Brabantse land, door bij Korteven (buurtschap ten noorden van Hoogerheide) zijn nieuwe kwartier op te slaan. In West-Brabant waren al sinds de 10e enige formaties van 27.GRDI, die via Woensdrecht het land waren binnengekomen. Onderdeel van de primaire taak was het namelijk geweest de verbinding van Zuid-Beveland met Brabant te beveiligen en het militaire vliegveldje bij Woensdrecht te bezetten. [617] Het 27e GRDI had deze taak gekregen en verspreidde zich zodoende over Zuid-Beveland en West-Brabant, terwijl de tot de Groupe behorende 2.GRDI en 12.GRDI zich grotendeels op Walcheren en het westen van Zuid-Beveland bevonden.

[613, 617] Nadat colonel De Beauchesne nieuwe orders had gekregen in de middag van 11 mei, werd door hem het bevel gegeven aan 2.GRDI en 12.GRDI - beide vormende de gemotoriseerde delen (niet het geheel) van de 4e en 21e DI - de voorverdediging te gaan vormen voor 25.DIM langs de riviertjes Dintel en Mark (bij Standdaarbuiten werd de Mark de Dintel) in West-Brabant. 27.GRDI werd verdeeld over West-Brabant, en diende drie gevechtsgroepen te verdelen over Woensdrecht, Huijbergen en Essen. De verplaatsingen zouden heel wat voeten in aarde hebben en pas op 12 mei werkelijk tot wasdom komen.

Recapitulatie

Op de tweede oorlogsdag was de basis van het Franse defensieplan in het uiterste noorden van hun dispositief dus tot stand gekomen. De meest progressieve versie van het operatieplan werd nagestreefd, waarbij de lijn kanaal van Turnhout - Tilburg - Wilhelminakanaal - Geertruidenberg als voorste (Franse) verdedigingslinie werd opgebouwd, met daarachter de tweede defensielijn achter de Mark bij Breda en Geertruidenberg, vervolgens het riviertje Mark volgende tot aan het uiterste westen van Brabant.

De voorste defensielijn werd ingenomen door de Groupe Lestoquoi (sector Geertruidenberg - Wilhelminakanaal - noordgrens Tilburg), 6.RC (sector Tilburg - Goirle) en 4.RDP (sector Goirle - kanaal van Turnhout). In de sector nabij Turnhout werden de Fransen zijdelings bijgestaan door enkele bataljons Belgische troepen van de 18e Divisie. In de Nederlandse sector ontbrak enig georganiseerd Nederlands verband ter ondersteuning. Wel waren er talloze vernielingsploegen die plichtsgetrouw de vele bruggen en bruggetjes bewaakten tot dat zij deze moesten opblazen. De pogingen de Nederlandse verbanden van de Peeldivisie de Oranjestelling te laten verdedigen - ter vertraging van de Duitse progressie - faalden. De meeste Nederlandse bataljons waren niet bereikbaar of reeds gedesintegreerd na de Duitse doorbraak bij de Zuid-Willemsvaart. De sector bij Weert was zodanig laat geëvacueerd door de Nederlanders dat het gros der verdedigers werd uitgeschakeld. Daarmee werd de Nederlandse inbreng in een georganiseerde defensie ter plaatse gereduceerd tot vrijwel nihil.

De tweede defensielijn was op 11 mei nog niet sterk ontwikkeld. De twee voorste eenheden van 25.DIM hadden grote moeite hun sectoren binnen te komen. De enige voorhoede die Nederlands grondgebied zou betreden werd door een versterkt bataljon van 38.RI gevormd en deze had de gehele dag nodig om van Nispen tot Princenhage te geraken. Aldaar zou het zich ter verdediging inrichten. De tweede voorhoede, gevormd door een versterkt bataljon van 121.RI, bleef net onder de grens met Nederland nabij Hazeldonk liggen om de uiterste rechterflank van 25.DIM te vormen. De hoofdmacht van 25.DIM, waarvan 92.RI in België in eerste instantie werd vastgehouden, zou tussen de beide posities van de voorhoede inschuiven. Dat was pas na 11 mei aan de orde, zodat op die tweede oorlogsdag de tweede defensielijn nog nauwelijks gevormd was.

De beveiliging van 25.DIM zou door de Groupe Beauchesne moeten worden gevormd, die de gehele voorhoedelijn diende te vormen achter de Mark tot aan Zevenbergen. Als het kon diende ze op te treden tegen Moerdijk. De Groupe was echter niet in staat op 11 mei reeds de verdediging achter het Hollands Diep in te nemen en zou dat op hoofdlijnen pas op 12 mei tot ontplooiing brengen. De Groupe was op 11 mei wel in bezit van West-Brabant (sector Roosendaal - Essen) en met haar onderdelen aan het opschuiven richting westen.

9.DIM haar voorhoedes werden onderweg sterk vertraagd en moesten een omweg maken. Daardoor kwam haar eerste voorhoede pas in de avond van 11 mei in haar operatiegebied, dat ingeklemd lag tussen 25.DIM op haar linker flank en 1.DLM in haar front. De tweede voorhoede kwam pas op 12 mei aan.

In de middag van 11 mei kregen de eenheden aangepaste instructies van de legerkorpsen. De voorste verdedigingslinie werd opgeheven, waarbij de verdedigingslijn Tilburg - Geertruidenberg verdween. De aldaar (deels) liggende Groupe Lestoquoi werd in de rug van 4.RDP teruggenomen en zodoende in tweede lijn opgesteld. Het tot 1.DLM behorende 6.RC diende met 4.RDP de noordelijke flank van 1.DLM te dekken in de sector rond Goirle en de grens. In de tweede lijn bleef de verdediging ongewijzigd m.u.v. het inschuiven van Groupe Lestoquoi onder Breda. 9.DIM bleef achter 1.DLM en naast 25.DIM west van Turnhout liggen.

Lieten de Fransen Moerdijk bewust aan de Duitsers?

In deze sectie wordt de these behandeld of de Fransen het bruggenhoofd Moerdijk gecalculeerd en dus welbewust aan de Duitsers lieten. Er lijkt alle aanleiding die these te formuleren en te beantwoorden.

Met de aankomst van het versterkte I-38.RI ten westen van Breda was er een sterkte van circa 1.500 man Franse troepen gearriveerd met moderne uitrusting en voorzien van een adequate bewapening. Desalniettemin was daarmee slechts een zeer beperkte defensiewaarde gevestigd. Samen met de reeds gearriveerde Groupe Lestoquoi en 6.RC betekende het dat er in het gebied tussen Etten en Tilburg een 6.000 man troepen lag, terwijl die troepen een 40 kilometer lange verdediging moesten vormen. Het voorverdedigingsfront Tilburg – Geertruidenberg (waaronder 4.RDP aansloot) was circa 25 kilometer lang, het secundaire frontdeel van Hazeldonk tot Princenhage, en van de laatste plaats tot aan Etten was circa 15 km lang. Op die 40 km stonden dus iedere 200 m drie Fransen, zou men de 6.000 man gelijk verdelen over de gehele frontlijn. Die Fransen werden daarbij niet of nauwelijks gesteund door georganiseerde Nederlandse troepen, daar waar de bataljons van de Belgische 18e Divisie wel de voorverdediging langs de kanalen rond Turnhout mede vorm gaven, hoewel hun taak – incompleet als de divisie was – meer was om geplande vernielingen te dekken. Het was dus niet onlogisch dat de Franse generaals, tot aan de hoogste lokaal verantwoordelijke generaal Giraud, zeer bezorgd waren.

Dat de Fransen ambieerden dat de Nederlanders door de vorming van een ad hoc verdediging in Midden-Brabant hen nog enige respijt zouden geven voor het tijdig (kunnen) aantrekken van hun hoofdmacht, was dus zeer logisch. Ze hadden immers nog minstens twee dagen nodig om de hoofdmachten van de beide DIM’s en 1.DLM juist en voorbereid in hun posities te krijgen. Die zouden niet voor de avond van 13 mei volledig kunnen zijn ontplooid. De 4e en 21e Infanteriedivisie (in de avond van 11 mei werd al een deel van 21.DI per trein richting Lokeren gestuurd) waren nog op Frans grondgebied, zouden op 12 mei per trein worden vervoerd tot onder Antwerpen (St. Niklaas), en zouden pas op zijn vroegst drie dagen nadien volledig gevechtsgereed bij Antwerpen kunnen liggen. Van de 60e en 68e Divisie, bedoeld om de noordelijke kuststrook in België en op Walcheren/Zuid-Beveland te bezetten, waren nog slechts vooruitgeschoven eenheden naar het noorden gekomen. De rest had nog zeker drie dagen nodig om ter plaatse te geraken. Slechts de Groupe Beauchesne alsmede één bataljon van 224.IR met een afdeling artillerie, welke laatste twee eenheden per schip vanuit Duinkerken naar Vlissingen waren verscheept, waren in het Zeeuwse aangeland. Nadat de reguliere infanterie van het bataljon van 224.IR ontscheept was in Vlissingen, begon de Groupe Beauchesne oostwaarts te verplaatsen om haar eigenlijke taak, de verdediging van het uiterste westen van Brabant en het riviertje Mark tot aan Zevenbergen als voorhoede van 25.DIM, op zich te nemen. De Groupe zou daarin pas op de 12e slagen.

Dat het Nederlandse leger in Noord-Brabant op 11 mei een geheel onvoorbereide en weinig professionele indruk maakte op de Fransen, lag grotendeels in de lijn der Franse verwachting. De Fransen sloegen vooroorlogs het Nederlandse leger niet hoger aan dan een lokale militie. Dat tegelijkertijd de Duitsers al door de voorbereide Peel-Raamstelling waren, zal de Franse zorg echter wel vergroot hebben. Dát had immers niet in de verwachting gelegen, want Gamelin had Georges in april 1940 nog verzekerd dat het Nederlandse leger die stelling weliswaar niet met alle macht maar toch met voldoende middelen zou verdedigen. Er was in maart en april 1940 al grote scepsis geweest bij de Franse bevelhebbers t.a.v. de plannen tot frontuitbreiding boven het Albertkanaal, maar met de wetenschap van de werkelijke stand van zaken op 11 mei, is het niet al te opportuun om met overtuiging te vermoeden dat er op die tweede oorlogsdag reeds geen Franse generaal meer geloofde in kansen op een succesvolle Manoeuvre Breda. Daarbij kwam dat men in de avond van 11 mei natuurlijk nog het nieuws had gekregen van de onafwendbare doorbraak van het Duitse 6e Leger bij Eben-Emael, waardoor het Belgische leger de terugtocht aanvaarde vanuit de voorverdediging (9). Dat gegeven op zichzelf had de Franse generaals Billotte en Giraud al de operationele aanleiding mogen geven de ontwikkeling ten noorden van het Albertkanaal in de avond van 11 mei direct stop te zetten. De Belgische ontruiming van de Kempen regio was immers een strategische doodsteek voor Manoeuvre Breda. De risico’s van een Duitse doorbraak langs de kanalen onder de Nederlandse grens waren evident. Daarmee zouden ze het 7e Leger eenvoudig kunnen splitsen.

(9) De Belgische 4e Divisie bij Hasselt en de 6e Divisie bij Kwaadmechelen - achter het Albertkanaal - kregen omstreeks 2030 uur NL tijd het terugtochtbevel. Het was echter wel de bedoeling om een rugdekking achter te laten. Dat gebeurde niet overal, zoals bij Kwaadmechelen waar de Duitsers de stelling in de ochtend van 12 mei vrijwel verlaten vonden. Het gevolg was dat buiten de 4e Panzerdivision, ook Duitse infanterie reeds op 12 mei onder het Albertkanaal geraakt. Daarmee werd de dreiging op de rechterflank van het 7e Leger zeer groot. Strategisch gezien had er voor een Frans besluit om in de avond van 11 mei het 7e Leger naar rechts te trekken en zodoende bijvoorbeeld 1.DLM via de Britse sector op de linkerflank van het Corps de Cavalerie te brengen, veel gezegd kunnen worden. Men besloot daar overigens niet toe. Duidelijk mag het echter zijn dat het Franse dispositief in het noorden er ronduit beroerd voor stond in de nacht van 11 op 12 mei.

Het staken van de opmars van het Franse 7e Leger richting de uitersten van het beoogde dispositief onder regime van het Breda-plan, was echter opvallend genoeg niet aan de orde op 11 mei. Gamelin had rond het middaguur weer contact gehad met Winkelman en deze had zijn Franse evenknie nog eens op het hart gedrukt dat Moerdijk zou moeten worden hernomen. Het leidde tot de weinig overtuigende instructie van Gamelin (om 1320 uur Nederlandse tijd) aan Giraud:

» De ne pas s’engager, au – delà de Breda, d’ou la VII Armée est d’ailleurs en état d’aider les Hollandais a reprendre le pont de Moerdijk, et de reprendre la liaison avec eux

[Vertaling: Niet offensief opereren voorbij Breda, maar het is anderzijds toegestaan als het 7e Leger de Nederlanders kan bijstaan bij het hernemen van Moerdijk daartoe te assisteren en zodoende de verbinding met hen te herstellen].

Het stafwerk [3] maakt daarvan een andere realiteit dan de werkelijkheid gebiedt. Op blz 166 van het Algemeen Overzicht wordt door Nierstrasz gesuggereerd dat de C-I.CA aan de Groupe de Beauchesne uitdrukkelijk opdracht gaf om Moerdijk te hernemen. Daarvan was geen sprake. Er werd slechts opdracht gegeven [overigens pas in de nacht van 11 op 12 mei] tot een agressieve verkenning [613, 617] en bovendien werd deze door de Groupe de Beauchesne – die niet eens ter plaatse was maar goeddeels nog in Zeeland vertoefde – niet uitgevoerd. Wel werd een dergelijke actie door 6.RC [van 1.DLM] tot uitvoering gebracht, waarbij ze door omstandigheden van 5.GRDI [Groupe Lestoquoi] ondersteuning kreeg. Die actie was echter al in opdracht gegeven voordat de middaginstructie van Gamelin daar aanleiding toe gaf. Een daadwerkelijke aanval door dat verband was overigens weinig opportuun. Het was daarvoor te zwak en ontbeerde iedere vorm van artilleristische ondersteuning. Enig ander Frans initiatief tot een aanval op het bruggenhoofd Moerdijk is er niet geweest, zelfs geen zwakke poging.

Men realiseerde zich aan Franse zijde natuurlijk inmiddels al dat de situatie precair was, maar er werd alleen maar in de (aanvullende) instructies aan 1.CA en 16.CA duidelijk gemaakt dat slechts het voorverdedigingsplan voor de sector Tilburg zou vervallen, maar de hardnekkige verdediging achter het riviertje Mark voor 1.CA aan de orde bleef. 16.CA diende met 1.DLM achter het kanaal van Turnhout stand te houden en naar het noorden haar linkerflank zelf te beschermen. Achter haar zou Groupe Lestoquoi naast 121.RI in tweede lijn worden geplaatst waardoor de Groupe dus ten noorden van Tilburg zou verdwijnen en … niet werd vervangen in die positie. Met deze maatregel kantelde het dispositief een slag, waardoor de diagonaal Turnhout – Breda ontstond, waarbij Moerdijk buiten de boot viel. Dat laatste is een opvallende zaak.

Lerecouvreux bespreekt de kwestie ook. Zeer typerend is de volgende passage uit zijn boek [614: blz 186], waarbij hij zijn eigen citaat geeft van de eerder genoemde zwak geformuleerde instructie aan Giraud:

» Il ne faut pas que la VII Armée s’engage sensiblement au nord de Bréda, tout en demeurant en situation d’aider les Hollandais pour reprendre le pont de Moerdijk et d’établir les Communications de ce cote avec eux. «

[Vertaald: Het is niet de bedoeling dat het 7e Leger zich in sterke mate laat betrekken bij de strijd ten noorden van Breda, hoewel alles in het werk moet worden gesteld de Nederlanders te assisteren bij het hernemen van de brug bij Moerdijk om zodoende een open verbinding met het Nederlandse leger te herkrijgen.]

Een ronduit tegenstrijdige instructie, zoals Lerecouvreux ook al aantekent als hij het citaat inleidt [Lerecouvreux: “ … la première partie est en complète opposition avec la seconde”]. Wellicht nog boeiender is een deel van het vervolg van zijn beschouwing van de situatie aan het einde van de tweede oorlogsdag [614: blz 186]:

» L’effondrement si rapide de la défense hollandaise au sud des grands fleuves ainsi que la situation confuse qui régnait au nord de ceux-ci agissaient dans le même sens et paraissaient rendre désormais inutile une action sur Moerdijk. «

[Vertaald: De zo snelle ineenstorting van de Nederlandse verdediging ten zuiden van de grote rivieren met tegelijkertijd de chaotische situatie die ook al ten noorden van de rivieren heerste, deden het gezond verstand ingeven dat het nutteloos zou zijn een actie tegen Moerdijk te ontwikkelen.]

Het zij nog maar eens herhaald. Inderdaad werd het eerste Franse legerkorps te verstaan gegeven dat het zich diende te concentreren op een bezetting van West-Brabant, inclusief Breda, met als uiterste begrenzing de rivier de Mark en slechts indien dit werkelijk mogelijk bleek, een poging te wagen Moerdijk te hernemen. Het zou op de 12e daarbij meer jachtvliegtuigdekking krijgen dan voordien. 1.DLM diende zich in hoofdzaak te bekommeren om de omgeving Turnhout en slechts een afscherming van haar linkerflank te handhaven ten zuidoosten van Tilburg. De Groupe Lestoquoi zou zich op Breda mogen terugtrekken, nadat het door 1.DLM daartoe gemachtigd zou worden. Het zou daardoor aansluiten op 121.RI en zodoende een tweede ijle linie achter 4.RDP vormen. De sector Tilburg - Geertruidenberg werd in dat bevel dus niet meer bezet.

Lerecouvreux stelt het ‘netjes’ in zijn beschrijving van de zaken. Hij geeft aan dat Moerdijk hernemen voor de Fransen geen winst had opgeleverd daar het Nederlandse leger boven de grote rivieren ook al in chaos was. Het is echter als eerste tegenargument al sterk de vraag of de lokale Franse legerleiding op die chaos boven de rivieren enig zicht had in die dagen. Eigenlijk is dat wel uit te sluiten, want er was geen enkel lokaal contact met de Nederlandse legerleiding, wat vooral ontbrak omdat de bewegelijke Fransen dat contact niet zochten en doordat de liaisonstaf onder leiding van général Mittelhauser nog (lang) niet in Den Haag was aangekomen. Veel aannemelijker dan de ‘versie Lerecouvreux’ is het echter dat de leiding van het 7e Leger – wellicht zelfs wel die van de 1e Legergroep [général Billotte] – zich realiseerde dat de in Duitse handen verkerende Moerdijkbruggen een welkome ontluchtingsklep vormden voor de snel toenemende druk op het 7e Leger. De Fransen waren zich wegens enkele korte gevechtscontacten (waarbij zij enige gevangenen hadden gemaakt) en Nederlandse inlichtingen bewust dat de Duitsers reeds met tenminste één tankeenheid – althans delen daarvan – door de Peel-Raamstelling waren en de geprognosticeerde verdedigingslijn Den Bosch – Tilburg [ergo, de ad hoc ingerichte Oranjestelling] geen stand had gehouden. De Duitsers waren dus spoedig, dat wil zeggen binnen een dag, voor de buitenverdediging van het Franse 7e Leger te verwachten. Dat was ook al het geval in de Belgische Kempen, waar vooruitgeschoven eenheden van de Belgische 18e Divisie op nadering van de eerste Duitse verkenners zich naar de westzijde van het kanaal van Turnhout spoedden.

Het 7e Leger, nog bij lange na niet met haar hoofdmacht ter plaatse, zou dus spoedig onder grote Duitse druk komen over haar volle frontbreedte. Welke baat hadden de Fransen er op dat cruciale punt (tijdens de nog jonge veldtocht) bij om het gat Tilburg – Geertruidenberg te sluiten, en welke voordelen brachten hen het hernemen van Moerdijk, zodat de Nederlanders die verbinding zouden kunnen opblazen? Juist dergelijke Nederlandse vernielingsmaatregelen zouden het aanstormende Duitse leger verleiden c.q. dwingen met hun gehele capaciteit zich op het 7e Leger te storten.

Dat was het scenario dat Giraud zich eerder heel uitdrukkelijk (als nachtmerrie scenario) had voorgesteld in zijn bezwaren tegen de toen nog Hypothèse om tot Breda te ontwikkelen; de Duitsers die overmachtig in het gebied zouden arriveren voordat zijn 7e Leger zou zijn ontplooid, met bovendien een constante Duitse superioriteit in de lucht. Een horrorscenario dat Giraud meermaals bij zijn superieuren voor de voeten wierp en – zie hieronder – niet onterecht. Zou dezelfde Giraud daarom zijn divisiecommandanten opdracht hebben gegeven om de aanstormende Duitse eenheden in Noord-Brabant de voet dwars te zetten en – door de deur dicht te slaan bij Moerdijk – hen naar zijn kwetsbare Leger toe te trekken? Zo’n contradictoire strategische denktrant van Giraud zou onverklaarbaar zijn. Daarom is het heel aannemelijk dat Giraud zijn legerkorpscommandanten instrueerde juist het gat tussen Geertruidenberg en Moerdijk wijd open te laten en zodoende een groot deel van de Duitse druk af te voeren en Vesting Holland binnen te leiden. Het toch al kansloze Nederland zou dan die afgeleide Duitse eenheden wellicht enige dagen bezighouden. Dagen die Giraud nodig had om zijn dispositief te vervolmaken, zodat bij een Duitse aanval op zijn positie hij tenminste over zijn volledige legermacht beschikken kon.

Interessant – niet opvallend natuurlijk – is het dat aan de andere zijde van het front deze planmatige calculatie van concentratie en tegenconcentratie rond het scharnierpunt Breda werkelijk een hoofdrol had gespeeld in de uitwerking van de Fall Gelb plannen. Niet alleen de essentie van het aanvalsplan, waarin zo veel mogelijk Frans-Britse eenheden België ingelokt moesten worden, maar vooral ook de Anglo-Franse concentratie die ten noorden van Antwerpen werd verwacht. Hoewel de Duitsers onzeker waren over de hoeveelheid troepen die naar Nederland zouden worden gezonden – zelfs óf er troepen zouden worden gezonden – werd een theoretisch scenario bestudeerd waarbij, vrijwel geheel volgens de plannen van de (toen nog) Entente, een legerkorps van circa vijf tot zes divisies in het gebied tussen Antwerpen en Breda zou worden ontplooid. Daarbij was het de Duitse gedachte dat hiermee vooral het gemotoriseerde BEF zou worden belast. Dat was opmerkelijk vanuit Gamelin’s objectief (die de snelheid voor zijn voorverdediging wel, maar voor zijn hoofdmacht geen hoofdzaak vond), maar de Duitse logica gebood te denken dat alleen in Antwerpen geloste alsmede gemotoriseerde BEF eenheden zo’n snelle verplaatsing aan zouden kunnen en vóór de Duitse eenheden bij het scharnierpunt Breda konden arriveren met een sterke component. Die gedachte deelde Giraud indirect met zijn aanstaande tegenstrevers, want zijn berekeningen toonden aan dat zijn maar half gemotoriseerde 7e Leger in elk geval niet binnen twee tot drie dagen met haar gemotoriseerde hoofdmacht ter plaatse kon zijn, reden waarom hij vreesde de race tegen de Duitsers te verliezen. In ieder geval was het op 7 februari 1940 het uitgangspunt van een groot opgezet Kriegsspiel op het hoofdkwartier van Heeresgruppe A, waarvan de resultaten op 24 februari aan alle legergroep en legercommandanten werden gepresenteerd. Daaruit bleek dat de Duitse landmachtstaf een aanzienlijke Britse inspanning verwachtte bij Antwerpen, mogelijk verlengd naar het zuiden van Nederland. Het scenario van de geplande aanval op Nederland werd op 28 februari 1940 in Wesel door de belangrijkste bevelhebbers van het 18e Leger ‘uitgespeeld’. Von Küchler, in casu opperbevelhebber van de Duitsers (de blauwe partij) in het spel, had als leidende opdracht de Geallieerden voor te zijn bij Breda. Von Bock was erbij aanwezig. Al op de derde dag kwam het tot een grote confrontatie tussen het 26e Legerkorps en Geallieerde divisies in Midden- en West-Brabant. Opvallend genoeg simuleerde de tegenpartij (in het krijgsspel) dat zij zich volledig concentreerden op het neutraliseren van het 26e Legerkorps alvorens het – ook in dit gesimuleerde scenario succesvol bezet gehouden Moerdijkse bruggenhoofd – afleiding zocht in het ageren tegen de Duitse bezetting van de Moerdijkbruggen. De Geallieerde troepen [door de Duitsers geleid uiteraard] concentreerden zich op de driehoek Tilburg – Antwerpen – Breda en lieten Moerdijk letterlijk links liggen!

Op zich een buitengewoon aardig ‘toeval’, maar er zijn natuurlijk twee belangrijke kanttekeningen te maken bij die gesimuleerde Geallieerde (tegen)strategie. De eerste ligt het meest voor de hand: de gesimuleerde Geallieerden werden niet geleid door de met het ‘front continu’ dogma besmette Franse generaals. De tweede is minder evident, maar evengoed belangwekkend. In de Duitse simulatie waren de Geallieerden erin geslaagd binnen 72 uur maar liefst zes divisies samen te brengen in de bewuste driehoek! Met een dergelijke sterke legerconcentratie kon de Geallieerde zijde het zich dus ook permitteren om het Duitse bruggenhoofd Moerdijk ‘even’ links te laten liggen. Dat bruggenhoofd was immers zonder aansluiting op de hoofdmacht, op termijn hopeloos verloren. Het uitgespeelde scenario leverde overigens een verlies op voor het blauwe team. Het 26e Legerkorps werd teruggedrongen en bereikte dus zijn doel niet. Aan de hand van die uitkomst zou Von Bock – protesterende over te weinig reserves – de 208e (voordien 223.ID) en 225e ID als extra reserve krijgen toegespeeld, hoewel Halder hem meedeelde dat het krijgsspel vrijwel zeker veel te optimistische scenario’s had vertoond ten aanzien van de Geallieerde progressie.

Het Duitse krijgsspel simuleerde niet alleen de crux van de (werkelijke) veldtocht treffend, maar uiteraard is het ook een saillant gegeven dat vanuit Duitse optiek Moerdijk een irrelevant bruggenhoofd was – voor beide partijen – als de belligerenten erin zouden slagen elkaar (in elk geval tijdelijk) in Midden-Brabant in balans te houden. Het behoeft dan ook geen nader betoog dat als de blauwe partij er in het krijgsspel wel in zou zijn geslaagd om op de derde oorlogsdag in numeriek opzicht te domineren in de sector Tilburg – Breda, het ronduit onlogisch zou zijn geweest als de rode partij dan opeens wel een lokale deconcentratie zou toepassen en Moerdijk zou ontzetten. Overeind blijft staan dat daarmee slechts vanuit de Duitse tactisch-operationele logica werd gehandeld. Desondanks had Giraud – altijd al een fervent tegenstander van de ontwikkeling van zijn 7e Leger boven het Albertkanaal – ook nog dat argument (ongewenste deconcentratie van zijn zwakke troepen) als overweging bij zijn besluit Moerdijk niet te (helpen) hernemen.

Een ander zeer concreet bezwaar voor de Fransen om Moerdijk op 11 of 12 mei aan te vallen, lag nog dichter bij de operationele werkelijkheid op de lagere tactische niveaus. De Fransen waren in tegenstelling tot de Duitsers alles behalve opportuun in hun tactische handelingen. De dogma's van strikte onderlinge samenhang, het beperken van offensief ageren vanuit slechts een perfect georganiseerde uitvalsbasis en het heiligen van een 'front continu' speelden hen niet alleen strategisch parten (zie de voorverdediging van de Ardennen) maar ook vooral tactisch. Pas bij de ad hoc georganiseerde tegenaanvallen op de Duitse gepantserde voorhoedes na de oversteek van de Maas bij Sedan werd enige vorm van afwijkend gedrag van de Franse dogma's gezien, maar direct met catastrofale gevolgen wegens de totale onbekendheid met dit soort operaties. Op 11 mei en in het leger van de autoritaire alles bepalende Giraud [die neerwaarts in de bevelsketen streng aan de l'ordre dictée vasthield] was het ondenkbaar dat het fragile dispositief in de lijnen Tilburg - Turnhout en Roosendaal - Breda - Hazeldonk een gevechtsformatie vrij kon maken, voorzien van artillerie en voldoende mankracht, die een succesvolle herneming van Moerdijk zou kunnen realiseren. In en voor zover de Franse bevelhebbers überhaupt trek hadden in zo'n avontuur, ontbrak het hen bij voorbaat (vanuit hun tactisch begrip) aan de middelen en de operationele durf.

Naast deze uitgebreide bespreking van de bezwaren die er voor de Fransen kleefden aan het hernemen van Moerdijk, is de these of de Fransen Moerdijk bewust niet hernamen wellicht nog eenvoudiger te beantwoorden door de vraag te stellen welk voordeel er voor hen zat aan het hernemen van Moerdijk. Eigenlijk is die vraag hierboven al beantwoord, want het gewicht van de nadelen tot herneming van Moerdijk moet (lood)zwaar hebben gewogen in de overwegingen op de diverse Franse staven. In het gunstigste geval had men er ambivalent gevoelens bij, zoals wellicht al (aantoonbaar) sprak uit het citaat van de instructie van Gamelin aan Giraud. Het enige voorzichtige voordeel dat men eventueel zou kúnnen aanvoeren, was het feit dat Nederland, door afsnijden van de verbinding (voor de Duitsers) die de Moerdijkbruggen boden naar Vesting Holland, vermoedelijk langer de strijd zou kunnen volhouden en daarmee enige Duitse eenheden én een deel van de Luftwaffe zou blijven binden. Dat zeer bescheiden voordeel zou echter nauwelijks opgeld doen. Immers, operationeel waren op dat moment andere overwegingen belangrijker; met name het acute gevaar van een sterk bedreigd 7e Leger dat nog niet tot volledige ontwikkeling was gekomen. Dat 7e Leger kon wel eens vernietigd worden als het zich zou deconcentreren of als het, het volle gewicht van de Duitse troepen in Noord-Brabant naar zich toetrok. Dat gevolg – dat min of meer evident was zou Moerdijk voor de Duitsers duurzaam worden afgesneden – woog met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid veel zwaarder dan de nauwelijks tastbare verlichting van een in Nederland met enige troepen en vliegtuigen gebonden Duitse tegenstander. Het enige voordeel dat er dus met de beste wil te vinden was, was non-valide en/of verloor het van de vele zwaarwegende nadelen.

Er is naar alle waarschijnlijkheid slechts één argument dat nog opgeld kon doen, en dat was het argument waar het allemaal volgens Gamelin om was begonnen. De politiek-militaire moraal van Gamelin om Nederland te hulp te komen. Dat die moraal in feite bij Gamelin helemaal niet bestond en Hypothèse Breda slechts prominent in zijn portfolio verscheen omdat het noorden de enige werkelijk tastbare kans bood op een tegenoffensief (op termijn), is niet onbelangrijk om aan te tekenen. Een oprecht verbond met Nederland werd immers door niemand gevoeld: niet door de Fransen, de Belgen of de Britten. Daarmee is ook het mogelijke argument van de ethische moraal jegens Nederland van tafel.

Geconcludeerd kan worden dat het zeer aannemelijk is dat de Fransen het bruggenhoofd Moerdijk vanaf 11 mei bewust niet wilden hernemen. De nadelen die een dergelijke herneming voor de operationele werkelijkheid bood, waren zo zwaarwegend dat hernemen van Moerdijk door de Fransen juist een onlogische handeling zou zijn geweest. Resteert de vervolgvraag waarom deze these nooit eerder in prominente publicaties over deze episode werd besproken.

Politieke correctheid was leidend bij beoordeling Fransen

Politiek speelde dan wel geen werkelijke rol bij de totstandkoming van de Hypothèse Breda, maar vrijwel zeker speelde politiek op een ander vlak wél de hoofdrol. In de vorm van politieke correctheid wel te verstaan.

Allereerst speelde dit vrijwel zeker bij Franse krijgshistorici en militairen, door het niet openlijk benoemen van de overweging Moerdijk (welbewust) aan de Duitsers te laten. Zelfs de politiek uiterst bevooroordeelde Lerecouvreux durfde die specifieke overweging niet te noemen, zelfs niet in een ‘lekker puh’ context, waar zijn boek ‘l’Armee Giraud en Hollande’ toch mee doorspekt is. Het ging kennelijk zelfs deze Franse kroniekschrijver te ver ‘les sales Boches du Nord’ [‘de rotmoffen uit het noorden’] in die mate te schofferen. Of was zijn overweging de Fransen 'apres le guerre' niet in verlegenheid te brengen?

Veel opvallender is het dat Nederlandse krijgshistorische analyses ook niet verder komen dan te wijzen op de Franse passiviteit rond Moerdijk of de snelle ontwikkelingen aan het Belgische front in algemene zin. Verleidelijk natuurlijk om daarop te wijzen, omdat de Fransen zich inderdaad uiterst passief toonden in Nederland en de Duitse veldtocht inderdaad snel aanleiding gaf tot (voor Nederland negatieve) tegenmaatregelen. Het is echter totaal onlogisch om in een kundige analyse van de gebeurtenissen in West-Brabant niet heel nadrukkelijk te theoretiseren over een mogelijk bewuste Franse keuze ‘ten noorden van Breda geen offensieve initiatieven te ontplooien’. Toch ontbreekt zo’n theoretische bespreking of analyse in alle bekende boeken over deze episode. Om dat nader te onderbouwen worden enkele prominente bronnen kort beschouwd.

Lou de Jong zijn deel 3 [Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog] zwijgt in kritisch opzicht over de zaak. Het door de Generale Staf samengestelde stafwerk is ook mild. Het Algemeen Overzicht [3] bespreekt de Franse operationele werkelijkheid zeer summier op blz. 174 en 175 en oordeelt niet of nauwelijks. Over de keuzes ten aanzien van Moerdijk geen woord. Hetzelfde resultaat geldt voor het deel dat Noord-Brabant belicht [5]. Wel schreef Nierstrasz in de Militaire Spectator editie 1952 [652] een kritische beschouwing op het toen kort voordien verschenen boek ‘l’Armee de Giraud en Hollande’ – met alle recht en reden – maar noemde daar nog niet eens zijdelings de Franse besluitvorming ten aanzien van Moerdijk.

In navolging van de Generale Staf producties, schreef toenmalige GS chef operatiën (overste) J.J.C.P. Wilson het vrij uitgebreide beschouwende boek 'Vijf oorlogsdagen en hun twintigjarige voorgeschiedenis' [36], dat in 1960 het levenslicht zag. Het is een boek dat duidelijk als missie had begrip te kweken bij de Nederlandse bevolking voor de snelle nederlaag. Kritiekloos richting legerleiding, nog immer met vol ontzag jegens de toenmalige tegenstander en vol onzuiver- en onwaarheden. Het toont voorts vooral aan hoe weinig men in feite van de werkelijke zaken afwist buiten de eigen gelederen. Over de Duitse en Franse kant van het verhaal wordt vooral veel onwaarheid verteld - of - mist men belangrijke observaties. Over de Franse overwegingen in het zuiden des lands wordt nauwelijks iets gezegd. Uit de aantekeningen over de Franse bewegingen en ontplooiing blijkt dat Wilson daar niet al te veel informatie over had gelezen. In zijn nabeschouwing ('Waarom slechts vijf dagen') worden vooral veel platitudes uit het militaire metier ontwaard. Een serieuze analyse is het alles behalve. Over de Fransen geen woord ...

Eppo Brongers gaat in zijn deel 2 van Opmars naar Rotterdam [30] op blz. 283/284 kort in op de Franse rol in Noord-Brabant. Hij stelt daarbij terecht vast dat de nieuwe bondgenoten van elkaars individuele belangen onvoldoende doordrongen waren, maar verder dan die weinig verrassende analyse komt ook de (jegens bondgenoten en tegenstander) vrijwel immer kritische Brongers niet. Geen woord over een mogelijk welbewust Frans besluit het gat Moerdijk – Geertruidenberg op 11 mei ’s avonds te laten vallen en niet meer te dichten.

Het NIMH [Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Ministerie van Defensie] product ‘Mei 1940 – de Strijd op Nederlands Grondgebied’ (2e druk, 2005) [52] – inmiddels ook in Engelstalige versie verschenen in 2010 met als prominente ondertoon dat men zich baseert op de meest recente vruchten van academische onderzoek terzake – mijdt iedere analyse of conclusie over de kwestie. Het hoofdstuk zeven in dit boek beschrijft de gebeurtenissen en sluit met een nietszeggende kool en geit sparende conclusie af. Men stelt feitelijk slechts dat de Fransen zich terug moesten trekken op 12 mei wegens de ontwikkelingen elders in België. Zeer onbevredigend als men zich voorstelt dat de crux voor het verloop van de veldtocht in Nederland juist lag bij Moerdijk. Over de gebeurtenissen en Franse besluiten rond Moerdijk geen woord in de conclusie. In hoofdstuk elf, geschreven door professor Herman Amersfoort, docent aan de VU en de NDA, wordt zogenaamd de proef op de som genomen. Men verwacht dan wellicht een doorwrochte analyse van de Franse handel en wandel op Nederlands grondgebied, maar tevergeefs. Het deel van de ‘proef’ dat ‘De militaire operaties geanalyseerd’ getiteld is zou deze kwestie moeten bespreken. Het hoofdstuk laat de Franse kwestie echter onbesproken, net als de cruciale rol van bruggenhoofd Moerdijk als specifiek strategisch leerstuk. Dat is teleurstellend voor een werk dat pretendeert wetenschappelijk ‘state of the art’ te leveren aan haar lezers en dat door de auteurs zelf tot ‘standaardwerk’ is uitgeroepen.

Het is verleidelijk te suggereren dat in elk geval de van staatswege schrijvende auteurs – zoals die welke het stafwerk [Groene Serie] samenstelden en via het NIMH publiceren – zich wellicht de beschuldiging niet willen (of mogen) permitteren de Franse houding ten opzichte van Moerdijk objectief kritisch en analytisch te beschouwen. Het zodanig laken van de Franse mores dat daaruit een welbewuste discriminatie aan Franse zijde van het Nederlandse belang bij hernemen van Moerdijk zou worden gesuggereerd, zal wellicht voor voornoemde auteurs een brug te ver zijn geweest. Het is echter ook niet geheel uit te sluiten, zeker niet voor het (op details en analyse) voornoemde kwaliteitsarme werk van het NIMH, dat de kwestie als zodanig niet eens is beschouwd. Voor het stafwerk geldt daarnaast ook nog dat men maar over beperkte bronnen beschikte ten tijde van de samenstelling ervan, hoewel ook met die beperkte bronnen een dergelijke analyse verleidelijk zou moeten zijn geweest.

Een andere overweging waarom de GS onderzoekers de zaak niet aankaarten is nog prikkelender. Die overweging zal echter onderdeel uitmaken van een brede analyse van het Nederlandse krijgsbeleid, welke tenslotte na beschrijving van de vijf krijgsdagen zal worden gegeven.

Desalniettemin zou het inmiddels bespreekbaar moeten zijn dat de Franse houding ten opzichte van Moerdijk – het opvallend passief blijven van hun eenheden jegens die zwak bezette Duitse positie – in elk geval in theoretische zin opgehangen zou moeten worden aan welbewust Frans handelen; aan een bewust besluit om ten faveure van de eigen operationele uitdagingen de by-pass richting Vesting Holland voor de Duitsers open te laten. Naar de mening van auteur dezes is er alle aanleiding om de these ‘Lieten de Fransen Moerdijk bewust aan de Duitsers?’ te beantwoorden door te stellen dat er veel argumenten aan te voeren zijn om te stellen dat Moerdijk door de Fransen bewust aan de Duitsers is gelaten.

Nawoord

Eén belangrijke nuance moet nog worden aangebracht. De vinger mag hier op een zere plek worden gelegd waarbij de Franse bondgenoot in zijn overwegingen wordt aangesproken, maar in die context mag - bij een uitgebalanceerde analyse van het gebeuren - niet ontbreken dat de gedesintegreerde Nederlandse legermacht van meer dan 15 bataljons na de middag van 11 mei natuurlijk ook opvallend passief bleef. Inclusief het bij Etten gelegen 6e Grensbataljon, deed men in het geheel niets om Moerdijk te hernemen. Men trok er in de volle haast tot 'het redden van het vege lijf' langs.

Nadat kolonel Schmidt in de vroege ochtend van 12 mei gevangen zou worden genomen door de Duitsers, was er nog geen greintje initiatief over bij de resterende duizenden manschappen van de voormalige Peeldivisie. Onder hen enkele hoofdofficieren, die echter slechts uitblonken door initiatiefloosheid. Hoewel daarvoor talloze redenen zijn aan te voeren, mag het niet zo zijn dat uit bovenstaande analyse van de mogelijke Franse opzet om Moerdijk niet te hernemen, een onevenwichtig verhaal ontstaat waarbij de Franse bondgenoot alle blaam zou krijgen. Dat zou de realiteitszin geweld aan doen en is dan ook in geen enkel opzicht de intentie van auteur dezes. Er is immers voor de mogelijke Franse overwegingen om Moerdijk bewust niet te hernemen alles te zeggen. Het is naar mening van auteur dezes zelfs zo sterk, dat de Fransen zichzelf kwalijk kunnen nemen niet reeds op 11 mei de gehele Manoeuvre Breda te hebben afgeblazen. Een mening die in latere fase op dit medium zal worden uitgewerkt.

De bedoeling van de these is in hoofdzaak om een doorwrochte - en naar mening van auteur dezes 'noodzakelijke' - aanvulling te geven op de tot noch toe in Nederland gepubliceerde beschouwingen van de gebeurtenissen in Nederland in mei 1940.

[De bronnen vindt u hier]