3e Grensbataljon

Inleiding

Van de grens met België – waar 3.GB op 10 mei in de vroege ochtend begon – tot aan de Oude Maas in de omgeving van Barendrecht – waar het bataljon een voorname rol diende te gaan spelen in de herovering van het door de Duitsers bezette vliegveld Waalhaven. Dat alles in minder dan 24 uur. 3.GB was daarmee een soort vliegende brigade geworden, die aan het zuidwestelijk front van de ene naar de andere hoek was gejaagd door de hogere legerleiding.

Een machtig raadsel …

Dat 3.GB werd ingezet als eenheid om vanuit het zuiden – dat wil zeggen ‘het territoir van Groep Kil’ – een flankerende ondersteuning te leveren voor de groots opgezette tegenaanval van de Lichte Divisie op het eiland IJsselmonde, is nog wel verklaarbaar. De bestaande eenheden van de Groepen Kil en Spui waren taakgebonden en 3.GB was na haar grensversperrende taken te hebben verricht in wezen ongebonden. Maar er was een andere kwestie.

Stafkaart Barendrecht

Bij de slotbalans van de 3.GB bespreking op 10 mei werd reeds gesteld dat de voorbereiding van de aanval van 3.GB en de Lichte Divisie nu niet het toonbeeld was van degelijkheid. Het voorbereidende stafwerk, zowel vanuit de staf Vesting Holland als de lagere staven, was eigenlijk ronduit bedroevend. Een nadere aanwijzing daartoe vormde het feit dat 3.GB geen gebruik zou maken van de geheel vrije en in Nederlandse handen verkerende brug bij Spijkenisse, maar zich een weg naar de overzijde moest vechten bij Barendrecht over een door de Duitsers beheerste brug. In plaats van als ongedeeld bataljon met alle zware wapens eenvoudig van Spijkenisse naar Hoogvliet oversteken en tot aan het onbezette Rhoon optrekken, moest 3.GB zich opsplitsen tussen Heerjansdam en Goidschalxoord en zich een weg naar de overkant vechten, zonder haar zware wapens.

Het is een machtig raadsel waarom de C-VH kort na het middaguur op 10 mei reeds besloten had dat 3.GB naar Groep Kil zou overgaan – in plaats van de Groep Spui waartoe het was voorzien – en door C-VH besloten werd dat de brug bij Barendrecht voor 3.GB een object van importantie zou vormen. Er lijkt geen enkele plausibele reden (be)denkbaar waarom C-VH ervoor koos 3.GB via Barendrecht te leiden. De enige denkbare reden is dat C-VH, om even onverklaarbare redenen, in de veronderstelling was dat de brug bij Spijkenisse in Duitse handen was, dan wel door de Duitsers werd beheerst. Maar wie dan die feitelijk onjuiste inlichtingen heeft gegeven is onbekend.

Er is nog een andere reden om aan te nemen dat C-VH inderdaad in de veronderstelling verkeerde dat Spijkenisse in Duitse handen was – c.q. het westen van IJsselmonde door de Duitsers werd gecontroleerd. De door Groep Kil aangevraagde munitietransporten voor de luchtdoel- en veldartillerie werden via ingewikkelde omwegen naar Groep Kil geleid, in plaats van gebruik te maken van de open route via Maassluis, Pernis en Spijkenisse.

Hoe het ook zij – 3.GB kreeg zoals in het relaas op 10 mei besproken in de vroege avond van 10 mei, nadat chef-staf Calmeijer rustig had zitten dineren, zijn opdracht. Kolonel van Andel gaf zelf nog enige sterkte informatie aan majoor Reijers [122, verslag majoor Reijers dd. juni 1940]: aan de overzijde van de Barendrechtse brug zaten slechts enkele Duitsers, met een paar lichte mitrailleurs. Aan eigen kant zat een peloton met enkele zware mitrailleurs die tot ondersteuning konden fungeren.

Een aanval opgezet

Bij de bespreking van de gebeurtenissen op 10 mei was reeds duidelijk opgesomd tot welk aanvalsplan uiteindelijk zou worden gekomen. Voor de goede orde en het overzicht wordt het hier beknopt herhaald [122].

1-3GB zou vanaf Goidschalxoord de Oude Maas oversteken en direct richting viersprong ten zuidwesten van Waalhaven trekken. Aan haar linkerkant zou 2-3GB – althans haar twee resterende secties – optrekken.

3-3GB zou bij de Barendrechtse brug oversteken – met de zware wapens van het bataljon – terwijl 4-3GB de Duitsers bij Barendrecht in hun (linker) flank aanviel. Nadat de Duitsers verslagen of verdreven zouden zijn, zou 3-3GB via Smitshoek richting Waalhaven. C-3GB zou met de compagnie de brug oversteken en tot die tijd zijn CP vlakbij de brug  betrekken.

4-3GB zou bij Puttershoek de Oude Maas oversteken, westwaarts trekken richting Barendrecht en daar de Duitsers bij het Velo complex in hun (linker) flank aanvallen ter ondersteuning van 3-3GB. Nadat de Duitsers zouden zijn verslagen of verdreven zou de compagnie zich via een flinke omweg ook richting Waalhaven begeven.

Bezwaarlijk aan dit alles was de factor tijd. Volgens het oorspronkelijke bevel diende 3.GB om 0230 uur (11 mei) gereed te staan in de omgeving van Waalhaven om te profiteren van het Britse bombardement dat rond die tijd zou zijn beëindigd. Omdat de beide hoogste compagnieën over fietsen beschikten – en de hoop gekoesterd werd die intact te kunnen meenemen naar de overzijde – kregen die de grootste afstanden te overbruggen.

Om middernacht was 3.GB echter in het geheel niet gereed om de Oude Maas over te steken. Daarmee was het plan in feite al mislukt voor de eerste fase was uitgevoerd. Wat was er gaande?

Vertraging op vertraging

De wijze waarop 3.GB fractioneel en zonder strak beleid naar diverse locaties was gestuurd in de late middag van 10 mei, was al zwak beleid geweest, hoewel onder de omstandigheden nog best begrijpelijk. Beleid dat immers in mei 1940 alom werd gezien. Officieren waren opgeleid in de militaire tijdgeest en het strijdtempo van de 19e eeuw en dachten alle tijd te hebben en te krijgen om uiteindelijk hun troepen weer in een volgende fase aan te sturen. Zij kregen die tijd echter in de praktijk van de moderne oorlog niet.

[122] Om middernacht was het bataljon niet gereed voor de oversteek. Men was de 2e Compagnie kwijt. Ordonnansen hadden de eenheid niet kunnen vinden en toen C.2-3GB zich om 2300 uur telefonisch te Puttershoek meldde, werd de kapitein Dorreman kenbaar gemaakt zich onverwijld naar Goidschalxoord te begeven. Aangezien de compagnie te voet was, diende zij nog een flinke afstand te marcheren vanaf Klaaswaal, wat een mars van circa 8 km betekende. De compagnie kwam pas tegen 0300 uur te Goidschalxoord aan.

[122] 4-3GB werd geïnstrueerd pas met de oversteek te beginnen als daartoe van C-3GB het signaal zou komen. Begrijpelijk natuurlijk. De majoor realiseerde zich dat hij na de oversteek iedere afstemming met de compagnie kwijt zou zijn en hij dus niet eenvoudig de plannen zou kunnen bijstellen. Noodzakelijk dus de compagnie pas op het laatste moment los te laten. 

[122] Vanuit Goidschalxoord besloot C-3GB - nog ongewis van 2-3GB zijn locatie, maar inmiddels geïnformeerd dat de aanval op Waalhaven pas rond 0300 uur zou plaatsvinden - dat het tijd was de operatie uit te voeren zonder 2-3GB. Een sectie van 1-3GB kreeg opdracht de linkerflank te beveiligen tot dat 2-3GB zou aansluiten. Zodoende werd C.1-3GB op weg gestuurd naar de overzijde van de Oude Maas. Zelf toog de majoor Reijers weer naar Blaak, naar zijn eigen CP. Aldaar aangekomen gaf hij opdracht aan C-4.3GB de overtocht uit te voeren en Barendrecht aan te vallen conform plan.

[101c, 122] Terug aan de Blaaksche dijk legde majoor Reijers contact met de C-3-3GB om te zien hoe die de mortieren en PAG geplaatst had. Daarna legde hij contact met de luitenant van Urk, van het brugdetachement, om eens te peilen of die iets van de sterkte van de tegenstander wist. Een aftastende verkenning, die de majoor in wezen uren te laat maakte! Want eerst een aanval plannen en dan pas informeren of de sterkte van de tegenstander bekend was, was ook in mei 1940 de omgekeerde wereld. De majoor kreeg te horen dat er zich een redelijk sterke tegenstander bevond, die over machinegeweren en tenminste één of twee mortier(en) beschikte.

[122] De opstelling van de Nederlandse wapens was vrij ondiep, wat kwam door de schootsveldobstakels die dieper achter de dijk lagen. Alle (6) zware mitrailleurs waren geconcentreerd opgesteld, in de voorste linie, links en rechts van de brug – drie om drie. Een gestaffelde opstelling was wegens begroeiing niet praktisch. PAG was opgesteld bij de toegang van de lange brug en ter dekking van dat eerste stuk een kruising achterwaarts. De drie mortieren stonden achter de Gorzenweg. Vlak daarachter aan de doorgaande weg, bij een benzinestation en garage, had C.3-3GB zijn CP ingericht. Aan de Blaakseweg, op aanzienlijke afstand van de brug, was de CP C-3.GB.   

Het was ondertussen wachten op de aanval van 4-3.GB in de flank van de Duitse troepen. Maar wat zat er nu eigenlijk tegenover de Nederlanders?

De Duitsers bij Barendrecht

Helemaal duidelijk is het niet hoe sterk de Duitsers waren. Die onzekerheid over hun kracht ligt grotendeels in de vaagheid der bronnen. Helaas ontbreekt een gevechtsverslag van II./FJR2 [C. Hauptmann Pietzonka] en zijn de besprekingen van deze eenheid in andere bronnen, zoals een regimentskroniek van Arnold von Roon [476] alsmede het gevechtsrapport van de Ia van IR.16 [411], ongespecificeerd. Duidelijk is wel dat II./FJR2 onvolledig aan de grond kwam in Waalhaven. Hoe onvolledig, dat is dus niet duidelijk.

Met die inleiding wordt al aangegeven dat II./FJR2 een rol speelde bij Barendrecht. De eenheid was als reserve door Generalleutnant Kurt Student ingedeeld. Het was de jongste eenheid van de parachutisten en grotendeels nog niet voorzien van het parachutistendiploma. Alle wel ‘Sprungfähige’ parachutisten in II./FJR2 waren in 6./FJR2 geconcentreerd en dat was bij Valkenburg tot inzet gekomen. De drie andere compagnieën alsmede de bataljonsstaf werden deels ingevlogen in de vroege avond van 10 mei op Waalhaven. Zeker is wel dat de 5e, 7e en 8e Compagnie onvolledig waren. Vermoedelijk was de 8e Kompanie zelfs zeer zwak en in wezen slechts een peloton sterk. Duitse bronnen spreken stelselmatig van ‘delen van het IIe Bataljon FJR2’ of ‘zwakke delen’. Er is geen enkele man van II./FJR2 (m.u.v. het elders ingezette 6./FJR2) gesneuveld tijdens de strijd, wat een unicum is. Bij alle ingezette eenheden zijn één of meer manschappen gesneuveld. Des te meer reden aan te nemen dat II./FJR2 zeer onder de sterkte is geland en bovendien niet of nauwelijks is ingezet. Dat is echter nadrukkelijk een conclusie van auteur zelf. De delen van II./FJR2 werden door C-I./IR.16 – die de gehele zuidzijde van het eiland IJsselmonde met zijn eenheden diende te beveiligen – onder bevel genomen.

Barendrechtse hefbrug

Naast die eenheden van II./FJR2, waren er eenheden van I./IR.16 aanwezig. Een schetskaart in het gevechtsverslag van IR.16 [411] geeft voor de locatie bij de Barendrechtse brug op 11 mei een Duitse sterkte van 5 zware mitrailleurs, 2 mortieren van 8,14 cm en enkele lichte mitrailleurs. Vrijwel zeker waren die zware wapens van 4./IR.16. Onduidelijk is of die sterkte de totale sterkte (aan zwaardere wapens) toont, maar dat lijkt wel aannemelijk. Voor de oevers tegenover Goidschalxoord en Puttershoek worden gemotoriseerde verkenningseenheden aangegeven. Bekend uit de Duitse bronnen is dat langs de Oude Maas in deze sector I./IR.16 beveiligend optrad [411].

Wat vond 3.GB dus tegenover zich? Een onduidelijke hoeveelheid manschappen, deels van II./FJR2 , maar grotendeels van I./IR.16 ondersteund door vijf zware mitrailleurs en twee mortieren van 8,14 cm t.h.v. de Barendrechtse brug en van hetzelfde bataljon van IR.16 enkele vliegende patrouilles langs de Oude Maas.  
 
Overigens schatten de Duitsers [411] de sterkte aan zware wapens aan Nederlandse kant als volgt in: 4-6 mortieren van 8 cm, 2 PAK, 2 zware mitrailleurs en 3 lichte mitrailleurs. De onderschatting der zware mitrailleurs aan Nederlandse kant zegt wat over de Nederlandse opstelling én het gebruik van die wapens. Kennelijk schoten nooit meer dan twee zware mitrailleurs (er waren er zes) tegelijkertijd. In zijn algemeenheid was de Nederlandse sterkte redelijk ingeschat.

De oversteek van de Oude Maas

Dat de aanval van 3.GB niets meer van doen kon hebben met de vanuit de staf VH opgedragen aanval op Waalhaven, die om 0300 uur diende aan te vangen, moet C-3GB om middernacht al duidelijk zijn geweest, anders wel kort daarna. Dat er desondanks gewoon doorgezet werd met de offensieve beweging was des te opmerkelijker.

[70, 192] Het stafkwartier Groep Kil in Puttershoek had niet heel veel aandacht voor het gebeuren langs de Oude Maas. Men achtte het kennelijk in veilige handen bij majoor Reijers , wachtte op nieuws van de succesvolle oversteek maar stuurde ‘en passent’ 2-3.GB nog wel even door naar Goidschalxoord toen die compagnie zich zonder de kruimels van Kleinduimpje als verloren meldde in Puttershoek. Ondanks de eigen afwachtende houding was men op het stafkwartier verbaasd geen feedback meer uit het veld te horen nadat de majoor Reijers het stafkwartier in de avond had verlaten, maar de chef-staf liet dat maar zo. Kennelijk was de aanval over de Oude Maas van een andere categorie dan die bij Amstelwijk, zoals door het bataljon Ravelli uitgevoerd in de vroege avond van 10 mei.

[122] C.3GB had zich onderwijl zelf richting Goidschalxoord begeven om daar de oversteek van de compagnieën te regelen. In het dorp besprak hij met de CC van 1-3GB [kapitein T. van Leuven] de finesses van het plan en bedacht een oplossing voor de ontbrekende veerpont en de ontbrekende 2e Compagnie.

[122] De compagnieën konden geen gebruik maken van de veerpont, want die was in de ochtend van 10 mei al door pioniers van Groep Spui grondig onklaar gemaakt aan de zuidelijke oever. Zodoende werden er kleine bootjes en een motorvlet gecharterd, wat allemaal in het donker van de nacht diende te gebeuren.

[122] Al deze extra afstemming en organisatie betekende dat 1-3.GB niet voor 0400 uur gereed was om de Oude Maas over te steken. Niet alleen was daarmee duidelijk dat er van de geplande aanval op Waalhaven niets meer terecht zou komen, maar evenzo dat alle actie sowieso bij daglicht zou plaatsvinden. Want even voor 0400 uur begon de opkomende zon de aarde te verlichten.

[122] In ruim een uur tijd werd de compagnie – die uit slechts drie secties bestond – overgezet. De Oude Maas is een brede rivier en op het overzetpunt was zij van oever tot oever 350 meter breed. Hoewel het wegens geluidsproductie riskant was, nam de C.1-3GB het gewogen risico de grotere motorvlet te gebruiken voor de oversteek. Deze kon een sectie per tocht meenemen. De oversteek gelukte zonder dat er een tegenstander aan de overkant op hen schoot. Een geluk voor de Nederlanders, die geen enkel zwaar wapen hadden om de oversteek vanaf de zuidelijke oever te dekken. De bataljonscommandant had immers alle zware wapens naar Blaak gestuurd terwijl de twee voorhanden zware mitrailleurs (die abusievelijk nog aanwezig waren, maar in feite ook naar de Barendrechtse brug hadden gemoeten) klaar waren gemaakt voor transport.

veerpunt Goidschalxoord

[122] Als eerste was de sectie van reserve 1e luitenant H.F.C. de Pauw Gerlings aan de overzijde aangekomen. De sectie was met de motorvlet overgevaren. Het was de taak van deze voorsectie om langs de winterdijk [Portlandse Zeedijk] een beveiliging te vormen waarachter de overige secties zouden kunnen landen. In eerste instantie liet geen Duitser zich zien, waarop de luitenant een ordonnans naar het veerhoofd stuurde met de vraag om meer munitie [er waren maar drie trommels per lichte mitrailleur] en eten. Toen de ordonnans terugkwam, meldde die de luitenant dat deze zich bij de kapitein moest gaan melden.

[122] Onderwijl was ook 2-3.GB aangekomen in Goidschalxoord en had de reserve-kapitein Dorreman met C.1-3.GB afgesproken na diens compagnie te worden overgezet en de linkerflank van de eerste compagnie te beveiligen, zoals het oorspronkelijke plan was geweest. De tweede compagnie bestond echter maar uit de 1e en 4e sectie (de 2e en 3e sectie waren zoals bekend in Geertruidenberg) ondersteund door twee mitrailleurs van de MC.

[122] Nadat de beide secties van 2-3.GB waren overgezet, ontwikkelde de kapitein Dorreman zijn circa 60 man sterke verband noordwestelijk van de Veerweg en kwam zodoende midden in de Zegenpolder terecht. Daar vond de formatie zo’n 30 parachutes en nog een aanzienlijke hoeveelheid lichte mortiergranaten [eenheden van tien granaten per kist werden gevonden, wat duidt op 5 cm granaten van een parachutisten Schwere Waffen Zug]. In de morgen van de 10e mei waren landingen waargenomen door de mannen op het stafkwartier van de sectie zoeklichten in Rhoon. Duidelijk was dus dat er tenminste een peloton parachutisten ver van hun doel Waalhaven verwijderd waren neergekomen en dat zij haastig vertrokken waren zonder al hun voorraden te verzamelen.

In veel publicaties wordt over de groep Dorreman gesproken als zouden zij vlakbij Waalhaven zijn teruggeroepen. Dergelijke informatie is misleidend. Waalhaven lag sowieso op relatief korte afstand van de Oude Maas. Om precies te zijn op 4 km van de landingsplaats van de compagnieën. [122] De kapitein en zijn manschappen waren hemelsbreed nog nauwelijks een kilometer verwijderd van hun landingsplaats, toen zij op de Essendijk een ordonnans van C.1-3.GB in zicht kregen. Die meldde dat ten oosten van de landingsplaats – richting Koedood – vijand was waargenomen en dat de ‘compagnie’ moest terugkeren. Zo geschiedde.  

Een ontbijt dat zwaar op de maag lag …

Nederlandse officieren bleken er aan het zuidfront gevaarlijke eetgewoontes op na te houden en niet wegens het gehalte suiker of vet in de maaltijden. Zoals de majoor Ravelli na een ‘aanval’ op Amstelwijk – totaal ongewis van het vijandbeeld – de kapucijners met spek liet aanrukken in de late avond van 10 mei, zo achtte de kapitein van Leuven het na de oversteek van de Oude Maas hoog tijd een stevig Hollands ontbijtje te nuttigen. Zonder ontbijt kon men immers niet werken. Dik brood, boter, jam en koffie moest door de menagemeester worden geserveerd. De motorvlet met de voedselvoorraad was al onderweg.

Beide officieren – Ravelli en Van Leuven – waren beroepsofficieren en geen burgersoldaten, zoals het gros der officieren aan het zuidfront. Beroepsofficieren die uiterst curieuze keuzes maakten tijdens de strijd. Niet voorafgaande aan een missie liet men de troepen eten, maar tijdens. In het geval van de kapitein van Leuven komt daar nog bij dat zijn eenheden in eerste instantie onvoldoende munitie hadden kunnen meevoeren bij de overtocht. Maar in plaats van de munitieaanvoer te regelen, werd de kuch en koffie aangerukt per motorvlet.

[122] Kapitein van Leuven meldde in zijn gevechtsverslag vergoelijkend dat hij een beveiligde perimeter hard verzorgd voordat de kuch met boter en jam was verdeeld onder de Jantjes. Eten moet een soldaat, dat is duidelijk, maar dat had de kapitein moeten laten doen toen men nog aan de zuidelijke oever stond. Niet terwijl men zich midden in onbekend vijandelijk gebied bevond en daarin helemaal nog geen veilige perimeter had opgebouwd, zoals de kapitein bekwaam loog in zijn verslag. Deze beroepskapitein had verzuimd de munitieaanvoer te regelen terwijl de eenheid een offensieve actie moest ondernemen! Geen munitie, wel kuch en koffie.

[411] Aan Duitse kant is de berichtgeving over de botsing met de Nederlandse eenheid ten zuiden van Rhoon summier. Duidelijk is dat één van de kleine vliegende patrouilles zich bedreigd had gevoeld door de Nederlandse landing. Die landing was duidelijk waargenomen, zonder dat de Nederlanders dit doorhadden. Die waanden zich onontdekt en dus leek er aanleiding wat koolhydraten in te nemen door een ontbijt te nuttigen. Onderwijl was aan Duitse kant echter om versterking gevraagd, die door C.I./IR.16 [Major R. Hentschel] in de vorm van een halve compagnie werd gestuurd. De aangewezen commandant van dat verband was Hauptmann (der Reserve) Diedrich Bruns, de commandant van 4./IR.16 (1). Volgens het verslag van de  Ia van  IR.16 was het een eenheid met daarin ook een peloton van 2./IR.16. Het is dus aannemelijk dat Hauptmann Bruns over zowel ondersteunende wapens als tirailleurs beschikte. En volgens de Duitsers maakten zij snel korte metten met de Nederlanders, die zij verliezen toebrachten en wegjoegen, zonder daarbij zelf enig verlies te lijden.

(1) Hauptmann der Reserve Diedrich Bruns [1897-1988] was tijdens WOI reeds compagniescommandant (Oberleutnant) in een zware mitrailleurcompagnie. Na de demobilisatie bleef hij tot eind 1937 buiten de dienst, om nadien als Oberleutnant der Reserve weer te worden geactiveerd. In maart 1938 kreeg hij het bevel over 4./IR.16. Aan de vooravond van de inval in Polen werd Bruns tot Hauptmann der Reserve bevorderd. Tijdens de meidagen was hij vrijwel de gehele strijd gelegen aan de Oude Maas bij Barendrecht. Tijdens operatie Barbarossa raakte Bruns al op 12 juli 1941 gewond, waarna hij twee maanden later terugkeerde en in de staf van IR.16 werd aangesteld. Tijdens de eerste slag om Sebastopol werd Bruns C. II./IR.65. Kort daarop werd hij bevorderd tot Major der Reserve en C.II./IR.16. Bij de tweede slag om Sebastopol werd Bruns tijdens een stormaanval aan het onderbeen gewond (verbrijzeling) op 29 juni 1942. Dat bracht hem ruim een jaar in hospitalen en revalidatie. Voor de aanval kreeg hij het Ridderkruis uitgereikt. Voordat hij in actieve dienst terugkeerde, werd Bruns tot Oberstleutnant der Reserve bevorderd en uiteindelijk commandant van IR.16. Zijn laatste optreden was toen hij zijn regiment in de strijd tegen Joegoslavische partizanen leidde. Toen de Duitse capitulatie bekend werd wist Bruns te ontsnappen aan de Joegoslaven en Duitsland te bereiken. Tijdens de oorlog waren twee van zijn drie zonen gesneuveld. Zijn oudste zoon Dieter sneuvelde als luitenant bij II./IR.16 in de strijd in Joegoslavië, zijn tweede zoon Gunther kwam om bij de strijd in Duitsland aan het westfront.

[122] Aan Nederlandse kant zat men dus rond 0800 uur voor een gedeelte aan kuch en koffie. En hoewel de kapitein van Leuven beweerde dat daarbij afdoende veiligheidsmaatregelen waren genomen, werden de Nederlanders geheel verrast door plotseling Duits mitrailleurvuur op redelijk korte afstand. De kapitein meldde in zijn rapport

» Het vuur wordt door de compagnie beantwoord met licht- en zwaar mitrailleurvuur en geweervuur, terwijl patrouilles in het voorterrein werden uitgezonden, welke echter weinig konden uitrichten omdat de vijand zich uitstekend had ingegraven en gemaskeerd. Er begint zich munitiegebrek voor te doen, aangezien aanvulling per vaartuig niet mogelijk was, daar de veerlieden weigerden onder vuur over te varen en de boten zich aan de zuidelijke oever bevonden. «

Die weergave van zaken – opgeschreven op 17 mei 1940 door de kapitein zelf – is veelzeggend voor de zorgvuldige lezer. Want uit het citaat blijkt dat a) er dus helemaal geen afdoende beveiliging met bijvoorbeeld voorposten was verzorgd, b) de Duitse actie totaal verkeerd werd ingeschat, omdat er geen sprake van ingraven was, maar juist van dynamisch handelen en c) het ronduit een kwalijke zaak was dat er wél brood en koffie naar de noordoever was gebracht, maar geen aanvullende munitie.

Dankzij dit uiterst curieuze beleid door beroepskapitein Van Leuven, vielen er spoedig slachtoffers aan Nederlandse kant. Manschappen van de 2e Compagnie ontwikkelden een tegenvuur naar de tegenstander in het oosten, van waar Duits vuur vanaf de Molenpolderse Zeedijk en de Essendijk binnen de Nederlandse gelederen viel. Maar de mannen van 2-3.GB werden door mitrailleur- en mortiervuur weggejaagd en lieten zich terugdrijven, zuidelijk langs de Veerweg.

[70, 122, 192] Onderwijl was kapitein Van Leuven de kluts helemaal kwijt. Hij had al een ordonnans naar de 2e Compagnie gestuurd na de eerste schoten, maar deed datzelfde naar de majoor Reijers bij Blaak. De ordonnans moest het bericht overbrengen dat er over de gehele noordoostelijke linie contact met de Duitsers was ontstaan en het bevel tot terugtrekken naar de zuidoever van de Oude Maas was gegeven. Onbekend is hoe de ordonnans weer aan de overkant van de Oude Maas kwam, want volgens de kapitein zijn eigen verslag weigerden de veerlieden te varen. Maar nog voor 0730 uur arriveerde de ordonnans bij de Blaaksche dijk en informeerde majoor Reijers dat de kapitein Van Leuven opdracht tot terugtrekken zou geven. De majoor belde Puttershoek. Daar werd men echter woest en vroeg aan C-3.GB een verklaring waarom er teruggetrokken werd nadat men op weerstand stootte. Men was toch immers met een aanval op de Duitsers bezig, vroeg men zich op het Groepskwartier vertwijfeld af.

[1, 70, 122, 192] Majoor Reijers kreeg opdracht zo spoedig mogelijk naar Goidschalxoord te gaan, daar op de noordoever stand te houden en zodra daartoe een mogelijkheid was voorwaarts te gaan. Daarbij werd de majoor tevens verteld dat er vanuit Charlois ook werd aangevallen, wat pure onzin was, wat echter chef-staf Calmeijer niet kon weten. Dat was informatie van staf C-VH, die duidde op een mariniersactie langs de Nieuwe Maas in Rotterdam. Informatie die dus ten aanzien van het spectrum voor Groep Kil totaal irrelevant was. Maar het was opvallend hoeveel onjuiste informatie telkens uit de staf van C-VH richting Zuidfront kwam.

[122] Terwijl de secties van de beide compagnieën tegenover Goidschalxoord zich weer richting waterkant begaven, floten ineens hele series mortiergranaten omlaag. De felle explosies deden manschappen naar veiligheid springen. Het was tijdens die beschieting dat diverse militairen van 3.GB gewond raakten en totale chaos uitbrak. Wapens werden in het water of de grienden gesmeten. Er werd geschreeuwd, manschappen sprongen in paniek het water in of renden westwaarts langs de Maas weg. De controle bij de circa 120 man Nederlandse troepen was geheel weg. Onderwijl kwam majoor Reijers per auto aan in Goidschalxoord, observeerde de gebeurtenissen aan de overkant en stuurde toen de motorvlet naar de noordoever. Hij realiseerde zich dat het geen zin meer had de paniekerige manschappen te bevelen aan de noordzijde te blijven en daar een weerstand te bouwen.

[122] In de motorvlet scheepten, ondanks de paniek, een groot deel der secties in, maar bleven vrijwel alle wapens achter op de noordelijke oever. Na de eerste oversteek weigerde (begrijpelijkerwijs) de civiele veerman verder te varen en nam één der militairen – de soldaat Wijker van 1-III-34.RI (van het detachement Groep Spui dat bij het veerhoofd postte) – de besturende rol over. Een laatste tocht was nodig om de beide kapiteins en een laatste groepje manschappen over te brengen naar de zuidelijke oever. Hoewel de Duitsers nog diverse granaten naar de zuidoever zonden, drongen zij niet na. Zij zagen daartoe ook geen noodzaak [411].

[31, 122] Uiteindelijk waren twee man zwaar gewond (één zou aan de verwondingen overlijden; soldaat M.C. van de Merwe van 2-3.GB) en één gesneuveld (soldaat W.J. Klootwijk), nadat hij een kogel door het hoofd kreeg tijdens bediening van een der zware mitrailleurs. Een inventarisatie van middelen leerde dat maar liefst 8 van de lichte mitrailleurs, één der zware mitrailleurs en vele geweren achter waren gebleven op de noordelijke oever. Bovendien dat 20 manschappen en enkele onderofficieren niet aanwezig bleken. Een deel was later, zo bleek, in Rhoon terecht gekomen. Anderen waren gevangen genomen.

De operatie was een fiasco geworden. De even na 1100 uur in Goidschalxoord verschijnende chef-staf Calmeijer – die gezien het eerdere bericht al voor het ergste vreesde – besefte dat maar al te goed, maar had de tegenwoordigheid van geest zich te realiseren dat een tirade op dat moment niet het gewenste effect zou sorteren. Hij gaf een korte instructie aan de aangetreden troep, die bij elkaar inmiddels niet sterker meer was dan één compagnie. Bovendien gebrekkig bewapend. Kapitein Calmeijer gaf aan dat 3-3.GB gesteund door een batterij artillerie over de Barendrechtse brug zou aanvallen. De gecombineerde 1e en 2e Compagnie zou op 3-3GB volgen en zich op de noordoever revancheren.  Voor die aanval besproken wordt, wordt gekeken naar wat 4-3.GB op de rechter flank van de Barendrechtse brug presteerde.

4-3 GB opererend in de flank

[122] Het eenvoudige plan van C-3.GB, in samenspraak met C-Gr Kil ontworpen, was om met de 4e Compagnie van het bataljon bij Puttershoek over de Oude Maas te gaan en vervolgens via Heerjansdam in de flank te komen van de Duitse bezetters van de brug bij Barendrecht. Op het moment dat 4-3.GB de aanval op die Duitse linker flank zou inzetten, zou 3-3.GB – gesteund door alle zware wapens van het bataljon (3 mortieren en 2 PAG’s) – een frontale aanval over de lange Barendrechtse brug ontplooien. Daarbij gesteund door de mitrailleurs van het detachement Van Urk en de eigen mitrailleurs.

[122] Reserve kapitein G.J.A. Manders leidde de compagnie zelf. Het personeel van de veerpont werd door de reserve 2e luitenant Bootsma van de Vaartuigendienst gecommandeerd. De gehele sector tussen Heerjansdam en Zwijndrecht was in die fase onbezet terrein, waarin zelfs geen vliegende patrouilles door de Duitsers werden ingezet. Een merkwaardige zaak, die later nog zal worden besproken. De compagnie ging echter zodoende zonder problemen de rivier over en kwam bij de Veerweg in de Achter Lindt terecht (waar tegenwoordig de waterzuivering is). Merkwaardig genoeg liet de kapitein daar de manschappen hun fietsen parkeren en besloot hij te voet verder te gaan over de Lindtweg [tegenwoordig Lindtsedijk].

Heerjansdam

[122] Van enig initiatief van kapitein Manders was geen sprake. Deze officier was bang en toonde dat door binnen zeer korte tijd terug te trekken richting veerhoofd op de eenvoudige mededeling van de burgemeester van Heerjansdam – de heer Beelaerts van Blokland [68] – dat een sterk Duits contingent in Rijsoord en in Barendrecht zat. Hoe sterk, was deze burgemeester niet bekend, maar kapitein Manders was direct voldoende onder de indruk om terug te keren op zijn schreden. Dat merkwaardig lichtvaardig genomen besluit tot de terugtocht, wist de kapitein later in één volzin met daarin talloze excuses te vergoelijken. In zijn persoonlijk verslag meldde de kapitein Manders:

» Gezien de ingewonnen berichten, de oververmoeidheid der troep, om nog niet te spreken van de oude lichtingen (welke nog nimmer in Bat. verband en slechts twee maal in comp. verband geoefend hadden) alsmede het feit dat geen enkele verbinding bestond met mijn BC en ook omtrent 1-3GB en 2-3GB, welke van het Westen zouden oprukken, niets bemerkt werd, heb ik gemeend, teneinde algehele omsingeling en daardoor vernietiging te voorkomen, niet ter plaatse te moeten verblijven en heb ik mij begeven naar mijn BC … «

Er zullen weinig mensen zijn die zodanig eloquent zijn aangelegd dat ze zoveel excuses in één goedlopende zin weten te verwerken. Deze officier verzon ze waar men bijzat om maar aannemelijk te maken waarom hij bij de minste geringste vermoedens van vijand al was teruggetrokken. Want vrijwel ieder argument dat hij noemde is non-valide, alleen al omdat het vooraf al bekend was. Het enige argument dat hij rechtens wellicht had mogen gebruiken – de mededeling van de burgemeester dat er sterke Duitse formaties in Barendrecht zaten – zit niet in zijn excuuszin! Al het overige was al bekend voor afmars en bovenal was het argument van ontbrekend contact met de beide compagnieën erbij gezocht, want deze hadden geen taak in de aanval op Barendrecht. Kapitein Manders had – helemaal op zichzelf aangewezen – slappe knieën gekregen, en in de boodschap van de burgemeester van Heerjansdam een door hemzelf gezocht excuus gevonden snel terug te trekken.

[122] De enige prestatie die 4-3GB (waarschijnlijk) nog verrichtte was dat tijdens het kortstondige verblijf in Heerjansdam, twee Duitse motorrijders – komend over de Achterzeedijk uit de richting Barendrecht – werden beschoten. Daarvan werd er naar verluid één gedood. [68] Volgens de onderzoekers van de gebeurtenissen rond Barendrecht tijdens de oorlog, zou een Duits verband dat nadien in Heerjansdam arriveerde, de burgerij verdenken van het doden van de Duitse ordonnans. Op achterdocht en Vijfde Colonne paranoia had het Nederlandse leger geen monopolie. Het leidde volgens de overlevering tot het bijeen drijven van enkele burgers, mogelijk tot doel hen te executeren als represaille. Uiteindelijk bracht wederom de burgemeester helderheid in de zaak. Deze gebeurtenissen werden uit de memoires van de toenmalige burgemeester zelf gediept, die korte tijd later ad interim burgemeester van Barendrecht werd. De gedode Duitser is overigens uit de voorhanden gesneuvelden gegevens der Duitse strijdmacht niet te isoleren [32]. Het verhaal blijft daarom onbevestigd. 

[411, 462] Wat wel goed mogelijk is, is dat men in Heerjansdam gedurende de avond en nacht twee aanzienlijke Duitse formaties voorbij kan hebben zien komen. De eerste was een formatie bestaande uit 7./IR.16, versterkt met enkele stukken PAK en een deel van de compagnie pioniers 1./Pi.22. Deze formaties trokken in de middag en vroege avond van 10 mei richting Zwijndrecht. Gedurende de nacht kwam de hoofdmacht van III./FJR1 naar Zwijndrecht. Het is mogelijk dat deze formaties in beeld kwamen van de burgemeester van Heerjansdam, maar aannemelijker dat zij via Rijsoord naar Zwijndrecht trokken. Dat geldt zeker voor III./FJR1, dat als het via de Kleine Lindt was getrokken in beeld zou zijn gekomen bij 4-3.GB. Dat kwam zij – gelukkig voor de Nederlanders – niet. De eenheden – waarschijnlijk nog zonder de 12e Compagnie [hierover bestaat geen zekerheid] – werden met gevorderde vrachtwagens over de autoweg Rotterdam – Zwijndrecht vervoerd en kwamen in Zwijndrecht 11 mei rond 0300 uur Nederlandse tijd aan.

Aan 4-3.GB waren dus gedurende de nacht aanzienlijke gifbekers voorbij gegaan. Een geluk bij een ongeluk wellicht dat de formatie niemand tegenkwam aan de noordzijde. In elk geval was tegen het middaguur op die tweede oorlogsdag de 4e Compagnie alweer met de veerpont naar de veilige zuidelijke oever vertrokken. Vandaar fietste men terug over de dijk richting stafkwartier Groep Kil.

Een zinloze aanval

[122] Onderwijl was men bij de hefbrug aan Blaakse zijde natuurlijk in gespannen afwachting van de aanvalsactie van 4-3.GB. De hef was in de loop van de dag omlaag gebracht omdat ergens iemand - vermoedelijk de Groep Spui - besloten had dat de hef bij Spijkenisse omlaag moest. Luitenant van Urk had toen, vanuit onbekende bron, ook opdracht gekregen de hef in de Barendrechtse brug te doen zakken. Onlogisch, maar zo waren de zaken gegaan. Toen nadien de hef weer geheven moest worden, bleek de stroom elders te zijn verbroken. De brug was daardoor dus eenvoudig te overschrijden.

Reserve kapitein Verhulst was de chef-de-mission ter plaatse, maar de werkelijke commandant op de ‘werkvloer’ bleek de reserve 1e luitenant de Bot, sectiecommandant binnen 3-3.GB. Deze luitenant maakte samen met de reserve 1e luitenant van Urk – detachementcommandant van 1-III-34.RI – een ‘aanvalsplan’. Dat plan hield niet veel meer in dan dat men aan twee zijden van de weg op zou marcheren naar de brug, en er dan overheen stormen. De zware mitrailleurs zouden die stormaanval dekken en de mortieren zouden vuur geven op de Velo fabriek aan de overzijde van de Oude Maas, waar de Duitse hoofdmacht werd vermoed.

Chef-staf Groep Kil kapitein Calmeijer kwam uit Goidschalxoord bij de Blaaksche Dijk aan en vernam van de plannen. In zijn memoires [70] schreef kapitein Calmeijer lovend over de initiatieven van beide luitenants:

» Bij de Barendrechtse brug (…) vond ik de commandant van het daar in de morgen van de vorige dag geplaatste detachement (…) in gezelschap van reserve 1e luitenant T.G.C. de Bot. De beide luitenants hadden samen – eerst even later bleek mij dat de eigenlijke commandant van deze compagnie de reserve kapitein Verhulst was – een aanvalsplan opgemaakt. (…) Aangezien van de 4e Compagnie nog niets was bemerkt, hadden de beide luitenants, toen ik aankwam, juist besloten de aanval op eigen kracht in te zetten. Het was een verademing eindelijk eens een paar flinke officieren met initiatief te treffen. «

Opvallend hoe uit deze kwestie maar weer eens duidelijk wordt dat de compagniescommandant zo goed verscholen zat, dat gedacht werd dat luitenant de Bot de CC van 3-3GB was. Later zou Calmeijer in zijn Memoires de kapitein daarover nog een en ander toevoegen.

De lichte mate van euforie over de initiatiefrijkheid van de luitenants bij kapitein Calmeijer is – gezien de algemene lamlendigheid van het officierenkader binnen Groep Kil – te begrijpen. Maar luitenant van Urk had beter moeten weten, na het kostbare fiasco van de vorige dag. Zijn ‘plan’ voor de nieuwe aanval was identiek als de aanval van de vorige dag en de luitenant droeg kennis van de afloop van die eerdere uitvoering. Een aanval over een 400 meter lange brug zonder ondersteuning van artillerie, bij ontstentenis van een sterke formatie goed geoefende infanteristen met voldoende lichte mitrailleurs en zonder een rookgordijn om de aanvallers in elk geval aan het zicht te onttrekken, was pure zelfmoord. Luitenant van Urk had het de vorige dag aan den lijve ondervonden en inmiddels was de tegenstander alleen maar sterker geworden.

Velo fabriek

aarnaast kan men zich in goede moede afvragen waarom kapitein Calmeijer een aanval sanctioneerde zonder dat de flank aanval ter ondersteuning doorgang kon vinden. Wat was de zin van herneming van de brug bij Barendrecht terwijl Calmeijer op geen enkele wijze troepen vrij had of vrij kon maken om een eventueel heroverd Barendrecht te bezetten of goed te verdedigen? Daarbij, men had toch aangetoond dat uitstekend naar de overkant kon worden gekomen middels veerponten aan weerszijde van Barendrecht? Waarom dan niet een dergelijke actie herhaald, maar dan met een degelijke officier aan de leiding en een grotere strijdmacht?

Calmeijer zegt in zijn memoires [70: blz. 301] dat hij die ochtend vernam dat C-VH had gemeld dat de Lichte Divisie een gereviseerde opdracht had ontvangen om in plaats van via Alblasserdam, via de Kil en de Oude Maas naar IJsselmonde op te rukken. Dat was duidelijk een aanleiding om de brug bij Barendrecht te heroveren. Letterlijk zei kapitein Calmeijer zelf dat daarmee het belang van de herovering van de brug ‘nog onderstreept’ werd. Kortom, ook zonder de mededeling van de C-VH had Calmeijer de belangen gezien van een rechtstreekse aanval op de lange brug.

Helaas, kapitein Calmeijer vermeldde er niet bij dat als hij tactisch zo sterk was geweest als hij zich voordeed in zijn Memoires en het stafwerk, hij in de ochtend van 10 mei het detachement van Urk direct opdracht had gegeven de noordzijde van de brug te bezetten. Toen was echter de importantie de chef-staf kennelijk nog niet zo duidelijk geweest, hoewel hij toen al wist van de Duitse luchtlandingen op IJsselmonde en het zenden van het detachement van Urk juist zijn reactie was geweest. De opdracht op 10 mei de oversteek van de brug door de tegenstander te voorkomen, was impliciet een opdracht geweest de zuidzijde sterk te bezetten en niet de noordzijde. 

De informatie die de C-VH verschafte over de opdracht aan de LD was voor kapitein Calmeijer echter weer een kans; een kans ‘om iets te managen’. Zoals de chef-staf Groep Kil de gehele meidagen de indruk zou blijven maken vooral een vinger in de pap te willen als er wat te besturen viel, waarbij de zin van zaken ondergeschikt leek te zijn aan de zin om iets te ‘managen’.

Terecht voerde de kapitein aan dat er zonder artillerie geen sprake kon zijn van enige kansrijkheid op succes en regelde daarom artilleriesteun. Inderdaad was zonder artilleriesteun de aanval al helemaal kansloos geweest. Maar de wijze waarop die artilleriesteun door hem daarop vervolgens vorm werd gegeven, vertoonde opvallende parallellen met de zinloze artilleriesteun die Calmeijer op 10 mei aan het bataljon Ravelli had doen geven bij de ‘herneming’ van Amstelwijk.

De 'vuursteun' die de chef-staf met reserve kapitein R. Bichon van IJsselmonde [C.1-II-23.RA] regelde, was in wezen namelijk helemaal geen vuursteun. Het was een inleidende beschieting. Terwijl de aanval juist behoefte had aan een beschieting die gelijktijd met de stormaanval over de brug zou plaatshebben. In wezen was alles voorhanden om – gegeven de a priori onaantrekkelijke omstandigheid van het bestormen van een lang smal object als een brug – een kansrijke aanval te ontwikkelen. Er was een batterij snelvurende artillerie die met directe richting kon vuren, er waren drie 8 cm mortieren en er waren zes zware mitrailleurs. Met de artillerie zou men de Duitsers op het Velo terrein kunnen onderdrukken en met de mortieren en de zware mitrailleurs de Duitsers achter de dijk in dekking houden. Met door de infanterie meegevoerde lichte mitrailleurs – en de inmiddels uitgereikte aanvalshandgranaten – kon men de Duitsers die zich op de brug verscholen onderdrukken en/of bestrijden. Een goed opgesteld aanvalsplan, met elkaar dekkende groepen infanteristen, zou hiertoe kansen moeten hebben geboden.

Zo verliepen de zaken echter niet. Uiteraard niet, zou men haast zeggen. De operatie werd net als die bij Amstelwijk de avond ervoor, een toonbeeld van zwak beleid door de chef-staf van de Groep Kil. Uit alles blijkt dat de betrokken officieren totaal niet geïnformeerd of gecoördineerd werden. Het was ieder voor zich. Mitrailleurs en infanterie werkten niet samen, mortieren vuurden niet op het moment van de aanval en de artillerie zweeg toen de infanterie voorwaarts ging.

[1, 142, 192] In opdracht van staf C-VH had Kapitein Calmeijer in de vroege ochtend via tussenkomst van Gr.AC reeds een batterij [1-II-23.RA, met vier stukken 7-veld] opdracht gegeven om zich vlakbij Goidschalxoord in te richten voor beschieting van Waalhaven omwille van het feit dat de stukken 10-veld bij Hilligersberg munitieschaarste kregen. Onderweg werd echter wegens beschieting door Duitse mortieren van de zuidoever bij Goidschalxoord, gemeld aan C-Gr.Kil dat het de batterij (dus) onmogelijk was daar stelling te nemen. [142] Daarop kreeg de batterij opdracht terug te keren richting Puttershoek [10.04 uur] en even later om een geschikte opstelling in te nemen ter ondersteuning van een aanval bij de brug van Barendrecht [10.20 uur]. Die opstelling werd gevonden achter de (huidige) provinciale weg, ten noorden van de Sint Anthoniepolder, juist ten westen van een watermolen (de Oostermolen, zuidoosten van Blaaksedijk). [142] Vanuit de molen was met de verrekijker een excellent beeld op de overzijde van de Oude Maas te verkrijgen omdat de molen pal ten zuiden van de Velo fabrieken stond op een hemelsbrede afstand van 3,400 m volkomen open terrein.

[142] Kapitein Bichon meldde in zijn persoonlijke verslag dat hij uitstekend zicht had vanuit zijn observatiepost in de molen. Hij begaf zich vervolgens naar de brug zelf waar hij afstemming zocht met de officieren aldaar. Op dat moment nog niet beschikkend over een UKG toestel. Uiteindelijk werd een AOI [reserve 1e luitenant Scholtens] met een korte golf toestel naar de brug gestuurd om het vuur van de batterij te kunnen corrigeren. Die UKG viel na korte tijd uit wegens doorgebrandde lampen (voorlopers van de transistor). Daarop werd de AOI samen met zijn assisterende team (een korporaal en een soldaat) als artillerie ordonnans ingezet.  

[101c, 122] Luitenant van Urk – die tot aankomst van 3-3GB het brugdetachement had geleid – had samen met de sectiecommandant van 3-3GB luitenant de Bot een kopij van het aanvalsplan van 10 mei ontworpen, zij het dat hij nu drie extra zware mitrailleurs ter beschikking had en drie mortieren. Maar de essentie bleef hetzelfde, men zou aan beide zijden van de brug optrekken met voldoende tussenruimte om niet te kwetsbaar te zijn voor automatische wapens. De zware mitrailleurs zouden uit de flanken – in hoofdzaak de rechterflank – vuursteun geven en pas nadat de beide in te zetten secties van 3-3GB aan de overzijde zouden zijn gekomen, zouden de mitrailleurs van 3.GB [3 zware mitrailleurs onder de commandant SMI Becht] naar de overzijde worden verplaatst. Het was de bedoeling dat een sectie onder luitenant de Bot aan de noordelijke zijde centraal en links uit de flank zou doortrekken, terwijl de sectie onder de CC rechts over de brug een beveiliging zou opbouwen en eventueel resterende weerstand op het Velo terrein zou opruimen. Kapitein Calmeijer – na van het plan gehoord te hebben – gaf aan dat een succesvolle oversteek met de restanten van 1-3 en 2-3GB zou worden ondersteund. Die lagen verder achterwaarts op een teken van succes te wachten. Meer troepen had Calmeijer niet voorhanden, zodat in wezen een formatie van zo’n 300 man de beveiliging van de brug alsmede de bezetting van de overzijde voor hun rekening zouden moeten nemen.

[122, 142] Rond 1230 uur sloeg het eerste inleidende vuur van de batterij 7-veld rond de Velo gebouwen in. Maar het gros der granaten viel tekort of te ver links van de gebouwen, waardoor het effect nihil was. De paar lagen 7,5 cm granaten deden dan ook hoegenaamd niets om de aanval te ondersteunen. Bovendien – een merkwaardige keuze – wachtte de infanterie op het beëindigen van de beschieting om daarop pas voorwaarts te gaan. Slechts de zware mitrailleurs gaven toen nog onderdrukkend vuur op de overzijde. Hierop trokken de beide formaties infanteristen ter linker en ter rechter zijde van de brug op, waarop van de overzijde een storm aan knetterend mitrailleurvuur losbrak. De groep onder de kapitein Verhulst lag tegen de grond en kwam daar niet meer vanaf. De sectie de Bot kwam nog wel enkele tientallen meters de brug op, maar was toen ook niet meer te vermurwen. De eerst op enige afstand verblijvende kapitein Calmeijer sprong toen ook moedig op en trachtte de buitengewoon stoutmoedige luitenant de Bot bij te staan. Heel oprecht schreef de romanticus Calmeijer in zijn Memoires [70: blz. 303] over zijn eigen emoties van dat moment “Nu ben je eindelijk in het vuur!”. Mogelijk dat hij graag ter plaatse was gesneuveld in de gedachten dat daarmee epische normen van vervlogen era waren gediend, maar vermoedelijk kwam de kapitein spoedig weer met de voetjes op de aarde. Duidelijk was namelijk dat er geen doorkomen aan was. De brug en directe omgeving lagen bezaaid met slachtoffers. Maar liefst vier gesneuvelden en twaalf gewonden. Een bloedbad. Een zinloos en eenvoudig te voorkomen bloedbad (2).

(2) Kapitein Calmeijer kreeg voor zijn rol bij deze actie, waarbij hij zichzelf enige tijd bloot had gesteld aan vijandelijk vuur, een Bronzen Kruis uitgereikt in juli 1946. De motivatie daarbij was: "Heeft zich door moedig optreden tegenover den vijand onderscheiden op 11 mei 1940 bij een poging tot herovering van de brug bij Barendrecht, door aan het hoofd van een afdeeling deze brug te bestormen, welke poging door het hevig vijandelijk vuur is mislukt." Een aanzienlijk aangezette considerans, die daarnaast kennelijk de beleidstoets (de noodzaak voor de chef-staf om zich bloot te geven alsmede het zwakke aanvalsplan) niet meewoog. Overigens kregen de luitenants Van Urk en De Bot de Bronzen Leeuw toegekend voor (o.m.) deze actie, waarmee recht werd gedaan aan de werkelijke helden onder de plaatselijke officieren. Echter, noch de vier gesneuvelden noch de gewonde gewone militairen werden - al dan niet postuum - onderscheiden, waarmee wederom het arbitraire karakter van het Nederlandse onderscheidingencircus rond de meidagen wordt aangetoond.  

[31] Vier soldaten van 3.GB betaalden de hoogste tol: sld J.A. van Broekhoven (3-3GB), sld F. Herrijgers (2-3; hoofdwond), sld J. Koenraads (3-3; hoofdwond) en sld A.F.M. van de Voort (1-3; scherven van mortiergranaten in borst en hals). Een aantal militairen, waaronder de sectiecommandant van de mortieren (sergeant-capitulant Schmitt), raakten zwaar gewond.

[122, 192] Merkwaardig – uiterst merkwaardig zelfs – is dat de meest werkzame vuursteun pas na de aanval volgde. Per UKG werd de batterij artillerie gesommeerd een uitwerkingsvuur te geven op de Velo fabriek nadat eerst enkele proefschoten (!) waren gecorrigeerd. Gelijktijdig werd door de drie mortieren een vuur gegeven op huizen naast de Velo en schoot een der beide PAG’s ook een paar granaten mee. Het door kapitein Calmeijer in zijn stafwerk als kinnesinne vuur bestempelde toetje, de nabrander die het geschonden moreel moest oppeppen, had echter als voorbereiding moeten worden gegeven voor de aanval zelf! Zoals volkomen terecht door de luitenant van Urk in zijn rapport gesteld [101c; onderstreepte tekst door H. van Urk zelf]:

» Naar mijn bescheiden mening had na deze vernietigende beschieting een tweede doorbraakpoging ondernomen moeten worden. De kapitein Verhulst wilde hiertoe echter niet overgaan, kreeg overigens ook geen nadere bevelen hiertoe. «

Dat er geen tweede doorbraakpoging kwam, was op dat moment zeer te begrijpen. De 16 slachtoffers, waarvan het gros nog op de brug lag, waren hard aangekomen bij de militairen. Maar waarom – wederom na zoveel voorbereidingstijd – was de barrage die als toetje was gegeven, niet als voorbereiding op de aanval afgegeven? Een vraag die niet meer beantwoord zal worden.

[70] Kapitein Calmeijer was teleurgesteld in de actie, maar tevreden dat er nog een barrage was gevolgd, die de Velo fabriek in vlammen zette. Een tastbaar resultaat, zij het operationeel van generlei waarde. Na vijf uur aaneengesloten van het stafkwartier te zijn weggeweest, was het voor de chef-staf de hoogste tijd terug naar Puttershoek te gaan. De manschappen bij de brug werden achtergelaten met de boodschap de brug in staat van verdediging te houden en voor geen prijs te doen verlaten. Toch zou kapitein Calmeijer enige tijd later bij monde van kapitein Voorwinden nog trachten uit te vinden of er nog een kans op een hernieuwde aanval inzat. De kapitein zou snel met negatief nieuws terugkeren naar Puttershoek.

Voordien al terugkerend in Puttershoek trof de chef-staf zelf tot zijn verbazing de net vanuit het veerpunt arriverende kapitein Manders van 4-3.GB. Op de prangende vraag waarom diens compagnie niet aan de linkerflank der Duitsers verschenen was kwam het slappe antwoord dat de burgemeester van Heerjansdam de kapitein voor de Duitsers had gewaarschuwd. Calmeijer zegt letterlijk in zijn Memoires [70]:

» Bij Puttershoek gekomen, ontmoette ik de 4e Compagnie van 3 GB onder kapitein Manders, rustig op de dijk fietsende. Het bleek, dat deze, na in de afgelopen nacht bij Puttershoek over de Oude Maas te zijn gezet, de rijwielen had achtergelaten en te voet verder was gemarcheerd, wat natuurlijk veel tijd kostte. Toen kapitein Manders van de burgemeester van Heerjansdam had vernomen, dat Barendrecht en Rijsoord door sterke vijandelijke afdelingen waren bezet, was hem de moed in de schoenen gezonken en was hij weer op zijn schreden teruggekeerd! Ik kon van verontwaardiging nauwelijks woorden vinden, maar kolonel van Andel, die uit de commandopost naar buiten was gekomen, kon dat wel en de lucht trilde ervan. Het hielp echter niet meer, de aanval was door de schuld van de kapitein Manders mislukt. Had de oorlog langer geduurd, ik had hem vermoedelijk voor de krijgsraad doen brengen. Nu heeft hij zijn dagen in vrede geëindigd als burgemeester van een Brabants dorp [Zundert, 1948-1966]. «

Duidelijke taal van de chef-staf Groep Kil, die – op één aspect na – natuurlijk volkomen gelijk had. Twijfelachtig is natuurlijk of de aanval met een flankondersteuning van de compagnie Manders wel geslaagd zou zijn. Die kans is niet zo heel groot, omdat de Velo fabriek aan de open Achterzeedijk lag en deze open dijk niet zomaar van oost naar west door 4-3.GB zou zijn overtrokken. Dat was wel noodzakelijk om de Duitsers in hun linkerflank te kunnen bedreigen. Maar duidelijk was dat zelfs naar de maatstaven van mei 1940 – toen veel mislukkingen toch op milde response konden rekenen – de buitengewoon slappe houding van kapitein Manders woeste reacties opleverde. 

De kwestie van nut en noodzaak

In oorlogstijd kijkt men anders tegen nut en noodzaak aan dan in vredestijd. Desalniettemin mag bij het gebeuren rond de aanvallen van 3.GB over de Oude Maas een flinke kritische kanttekening worden geplaatst.

Hamvraag was vooral waarom de aanvallen door 3.GB door Calmeijer waren opgedragen in plaats van gestaakt voordat ze tot uitvoering kwamen. Het was immers al spoedig duidelijk dat er geen sprake van kon zijn van een succesvolle actie tegen Waalhaven conform de uiteengezette plannen van C-VH. Want om 0300 uur – het laatst bekende aanvalstijdstip voor de actie rond Waalhaven – stond 3.GB nog doodleuk aan de zuidzijde van de Oude Maas. Het was toen dus alle betrokkenen volkomen duidelijk dat van de bevolen aanval door C-VH geen sprake meer kon zijn.

C-Gr.Kil, Chef-staf Calmeijer en C-3.GB waren zich zeer goed bewust van het feit dat 3.GB niet een eenheid was die zich bij uitstek leende voor een offensieve actie. Stuk voor stuk beamen de hoofdrolspelers dat in hun verslagen en memoires. De eenheid was voor de helft bestaande uit lichting 1939, maar voor de andere helft uit oude reservisten zonder enige behoorlijke oefening. Het bataljon had bovendien de gehele eerste oorlogsdag gemarcheerd, kende het operatiegebied niet en was een aanzienlijk deel van haar trein kwijt. Twee compagnieën waren ook nog eens gedecimeerd door detacheringen en achtergebleven vernielingsgroepen. Het toch al niet op volledige sterkte verkerende bataljon was dus alles behalve een uitgelezen aanvalseenheid.

Waarom de Groep Kil desondanks - dus nadat het duidelijk was dat de actie rond Waalhaven nooit meer doorgang kon vinden - besloot om op 11 mei een actie door te zetten, is niet na te gaan. Calmeijer zelf bespreekt het niet, maar suggereert wel dat het in feite zijn eigen besluit was – als chef operaties Groep Kil – om de verovering van de Barendrechtse brug door te zetten. Zoals betoogd gaf Calmeijer namelijk aan dat de gewijzigde opdracht aan de Lichte Divisie extra noodzaak bood de brug te hernemen. Kortom, zonder die gewijzigde opdracht zag de chef staf Groep Kil ook al een goede aanleiding om de brug te hernemen. En die aanleiding kwam niet van C-VH.

Het hernemen van de Barendrechtse brug door de Groep Kil was weer een van de persoonlijke projecten van kapitein Calmeijer. Bij Amstelwijk had hij nog zijn persoonlijk hoogtepunt beleefd – volgens zijn eigen zeggen – door een modelaanval waar te nemen die hijzelf had opgezet en bij de Blaaksedijk ervoer hij de eigen vuurdoop, wat hem minstens zoveel opwond blijkens zijn euforische woorden erover. Het is in deze opvallende officier te waarderen dat hij zijn emoties zo oprecht deed spreken in zijn Memoires, maar de achting voor zijn vakmanschap neemt er sterk door af.

De aanvallen die Calmeijer met zijn versnipperde en zwakke eenheden ondernam, waren vooral ondernemingen van de kapitein zelf. De operationele noodzaak ertoe was namelijk allang weg toen ze werden uitgevoerd. De chef staf Groep Kil stond er echter kennelijk niet bij stil dat hij met zijn acties gevaarlijke tegenacties kon uitlokken. Zowel tegen de artillerie die hij inschakelde en die in het open veld moest worden opgesteld, als tegen de infanterie die hij langs de Oude Maas opstelde. Het zou heel goed mogelijk zijn geweest dat de Duitsers zich bedreigd hadden gevoeld aan hun zuidelijke flank en die bedreiging met felle offensieve reacties zouden beantwoorden. Daarop had Groep Kil het antwoord schuldig moeten blijven, omdat de Groep al de handen vol had voldoende operationele eenheden vrij te maken voor wel operationeel noodzakelijke acties, die grotendeels langs de Kil en op het Eiland van Dordrecht lagen.

Het is uiterst merkwaardig als men zich realiseert dat Groep Kil zich enerzijds al vanaf de eerste oorlogsdag zeer inspande om meer troepen en munitie te krijgen en anderzijds zo lichtvaardig omging met de troepen en munitie die men voorhanden had. De aanvallen die door 3.GB werden uitgevoerd in de ochtend van 11 mei waren ondernemingen die op geen enkele wijze de operationele nut en noodzaak dienden van dat moment. Ze hadden - zeker nadat duidelijk was dat de aanval op Waalhaven niet meer kon plaatsvinden - niet mogen plaatsvinden.

De wonden likkende

Na de debacle van de inzet langs de Oude Maas, was het tijd de wonden te likken. Het grensbataljon was meer dan 24 uur achter elkaar in touw geweest. De beide laagste compagnieën waren na de traumatische ervaring aan de noordzijde van de Oude Maas, teruggenomen tot Blaak en Heinenoord. Daar waren zij in afwachting van het succes van de beide hoogste compagnieën in tweede echelon geplaatst. Als 3-3GB met succes de overzijde van de Barendrechtse brug zou weten te bereiken, zou de rest van 3.GB naar de overzijde volgen en het verworven bruggenhoofd bezetten.

Spoedig werd duidelijk dat er niets zou komen van een oversteek. En er zullen weinig manschappen in 1-3 en 2-3GB zijn geweest die dat uitblijven van fortuin bij hun broeders van 3-3GB betreurd zullen hebben. Onderwijl werden er patrouilles uitgestuurd om de gehele sector tussen Heinenoord en Blaak af te zoeken naar eventuele Duitse penetraties.

De restanten van de beide laagste compagnieën – iets meer dan vier secties met nog nauwelijks lichte mitrailleurs en nog slechts twee zware mitrailleurs – kregen opdracht zich langs de Gorzenweg in te graven, waarbij een aantal erven van boerderijen uitstekend van pas kwam. De Gorzenweg liep parallel aan de Oude Maas tussen Heinenoord en Rustenburg.

4-3.GB bleef de gehele dag in de directe omgeving van Puttershoek, ter beschikking van C-Gr.Kil.

De 3e Compagnie die kort na het middaguur de Barendrechtse brug had bestormd en daarbij flink had geleden, was naast de vele gewonden een deel van haar mitrailleurs kwijtgeraakt die op de brug achter waren gebleven. Eén lichte mitrailleur was door vuur vernield. Het gros van de wapens was achtergelaten toen de manschappen van de beide verbanden lange tijd in en om de brug in dekking lagen tegen Duitse mitrailleur- en mortiervuur. De Nederlandse mortieren hadden de aanwezige munitierantsoenen opgeschoten, terwijl de batterij artillerie eveneens vrijwel door haar munitierantsoenen heen was. De batterij had op bevelen van de Gr.AC haar caissons in de oude opstelling achtergelaten.

Het was dus uit met de pret. 3.GB had voor het moment haar olielampje opgebrand en moest weer wachten tot er nieuwe olie zou worden aangevoerd. Met uitzondering van incidentele beschietingen (over en weer) langs de oever en door overvliegende Duitse jachttoestellen, werd het voor de mannen van 3.GB een rustige dag. De compagnieën zonder opdrachten, de - inmiddels piepkleine - staf met een uitgedund bataljon.

[De bronnen vindt u hier]