Het Belgische front

Inleiding

Het front in België kende op de eerste dag van de Duitse invasie een zo mogelijk nog dramatischer ontwikkeling dan het Nederlandse front. Dat wil zeggen, als men de ontwikkelingen vergelijkt van de veldlegers, want de Nederlandse confrontatie met de grote luchtlanding in het westen bleef immers ongeëvenaard.

Het Belgische front, dat zich traditioneel (d.w.z. van oost naar west) ontwikkelde, was veel crucialer voor de zaak der verbonden landen en het succes van de Duitse veldtocht, dan het theater in Nederland. Met name de stand van zaken in Vesting-Holland was maar van marginale betekenis voor de ‘grand strategy’ van de Entente. Veel voornamer was het immers binnen de Dyle strategie om voldoende tijd te krijgen om de vele divisies van de Entente voldoende te kunnen verplaatsen naar - en ontwikkelen in - de hoofdweerstand in centraal België. Een vroegtijdige Duitse doorbraak aan het oostfront in België zou die tijdige ontwikkeling achter de hoofdweerstand in België ernstig in gevaar brengen. En die vroegtijdige doorbraak leek in de avond van 10 mei 1940 reeds aanstaande!

Noord-België in de ochtend van 11 mei

Voor een goed overzicht lijkt het verstandig kort de eerste strijddag in het noordoosten samen te vatten. Het zwaartepunt van de strijd in België werd op de eerste en tweede oorlogsdag vooral gevonden in het noordoosten. De stoutmoedige Duitse luchtlanding bij Eben-Emael en omliggende bruggen over het Albertkanaal [betonnen brug bij Vroenhoven, stalen brug bij Veldwezelt, en de smalle stalen brug bij Kanne] – welke operatie de sleutel tot overgang over Albertkanaal en Maas vormde – leek op een doorslaand Duits succes uit te draaien. Een geslaagde Duitse oversteek zou niet alleen betekenen dat de eerste weerstandslinie van de Belgen beslissend zou zijn doorbroken, maar tevens de weerstand rond Luik ernstig in gevaar brengen. Die beide aspecten zouden voor de strategie der Fransen funest kunnen uitpakken, omdat de door hen noodzakelijk geachte minimale vertraging (tot het door de Duitsers bereiken van de Dyle-stelling) op vijf hele dagen was geschat.

Bij Vroenhoven [zuidwest van Maastricht] en Veldwezelt [west-noordwest van Maastricht] hadden de Duitsers de bruggen intact in handen gekregen. Zware verliezen aan met name Belgische kant tot gevolg hebbende en al vroeg op de 10e mei leidend tot een bescheiden Duits bruggenhoofd aan de westzijde van het kanaal. Enkele Belgische tegenstoten, zelfs één met een peloton lichte C.47 [T-13 met 4,7 cm AT kanon] tanks, werden door de Duitsers weerstaan. De kleinste brug – bij Kanne [zuid van Maastricht] – werd als enige van de verdedigde bruggen wel tijdig vernietigd. Ook de zuidelijker gelegen bruggen bij Ternaaien werden op tijd opgeblazen.

Fall Gelb troepenbewegingen

De brug ten noorden van Veldwezelt - bij Briegden [gemeente Lanaken] - kon niet door de Belgen worden vernietigd. De brug lag over het kanaal [van Briegden naar Neerharen] dat de Zuid-Willemsvaart en het Albertkanaal verbond. Het was weliswaar geen essentiële overgang, maar vernietiging had de Duitsers beslist een extra uitdaging geboden.

Daarmee hadden de Duitsers twee sterke bruggen – bij Vroenhoven en Veldwezelt – in handen gekregen en wisten die de gehele eerste oorlogsdag succesvol te verdedigen. Een prestatie van formaat, omdat wegens vertraagde aansluiting van landeenheden de strijd gestreden moest worden met lichte troepen en Luftwaffe ondersteuning.

Het Fort Eben Emaël, dat de bruggen had moeten beschermen voor aanvallen, was zelf ook succesvol overvallen. Het was vanaf de vroege ochtend onder beleg van de taakgerichte eenheid die op het schuine dak van het verdedigingswerk was geland en aldaar succesvol de Belgische verdediging ‘achter pantser’ had weten te dwingen, waarbij verdedigingswerken en geschutsopstellingen met holle ladingen werden opgeblazen. Ondanks tegenaanvallen van buiten en binnen het Fort, lukte het niet de Duitsers te verdrijven. Die laatste werden dan ook stevig door de Luftwaffe bijgestaan. Met name Ju-87 Stuka’s waren in de ochtend consequent in de lucht om iedere vorm van Belgisch tegenoffensief in de kiem te smoren, daarbij nauwelijks gehinderd door de schaars aanwezige luchtafweer en al helemaal niet uitgedaagd door de luchtmachten der verbonden landen. Gedurende de dag werd de verdediging echter zo nu en dan wel ondersteund door artilleriebarrages van andere forten [o.a. door Fort Pontisse – bij Herstal aan de Maas - en Fort Barchon] ten noorden van Luik.

In de loop van de dag waren uit de regio Maastricht de eerste Duitse eenheden van het 6e Leger aangekomen. In hoofdzaak bestonden die uit een tweetal infanteriecompagnieën van IR.151 [61.ID], een versterkt Pioniersbataljon [Pi.Btl.51] en een FLAK afdeling met enkele zware [88 mm]  en enkele lichte batterijen. Door slechte Duitse afstemming kwamen deze eenheden in eerste instantie echter bij Kanne uit, waar precies de enige wel opgeblazen brug zat. Het Duitse leger zou daarom tot de volgende dag moeten wachten om Eben Emaël de genadeslag te verkopen.

Op 11 mei rond het middaguur werd dan tenslotte de witte vlag uitgestoken op het Fort. Het betekende dat het Duitse bruggenhoofd over de Maas en het Albertkanaal definitief geslagen was. De uitbouw van een bruggenhoofd west van het kanaal had echter al op het schema van de eerste oorlogsdag gelegen. De bedoeling was geweest over intact veroverde Maastrichtse bruggen door te stoten en de lichte troepen bij Eben-Emaël rond het middaguur (van de 10e mei) te ontzetten. Daarom hadden de tanks van het 6e Leger zo’n haast gemaakt Maastricht te bereiken. De vernietiging van de bruggen in Maastricht was een flinke domper voor de Duitse planning geweest. Zodoende kon 4.PD pas in de middag van 11 mei over de bruggen te Veldwezelt en Vroenhoven rijden. En niets dat hen toen in de weg lag om een flinke spurt westwaarts te maken. Er was geen sprake van dat de Duitsers zich ten westen van het kanaal in afwachting van aansluiting zouden laten verleiden tot rust. Doorstoten was het devies.

Het betekende voor de Entente een dusdanige tegenslag, dat de oorspronkelijke terughoudendheid om tactische grondsteun door de Franse en Britse luchtmachten toe te wijzen in de sector ten oosten van de hoofdweerstand, op de 11e mei werd losgelaten. Er werden vele grote eskaders lichte en middelzware bommenwerpers ingezet om de intacte bruggen alsnog te vernietigen. De Luftwaffe was zich vooraf bewust geweest van de grote kans op een dergelijke repliek en had niet alleen aanzienlijke contingenten FLAK in de voorste echelons meegenomen, maar enorme eskaders jagers volcontinue in het noordoosten van België paraat. Er was voor de Entente geen doorkomen aan. Complete eskaders bommenwerpers werden uit de lucht gehaald door de Duitse jachttoestellen en FLAK. Op een enkele bom na, kwam geen Entente aanvalsvliegtuig ook maar in de buurt van de bruggen (1). Zo betekende de succesvolle Duitse inname van de bruggen niet alleen een operationele overwinning op de grond, maar had het tevens een positieve operationele uitwerking in de lucht. Want de toch al zeer beperkte tactische vloot der Entente luchtmachten trok als een zwerm wespen op het vermeende zoet in het noordoosten en werd daar – in werkelijke zin – afgeslacht. Daarbij gingen naast de schaarse aanvalsvliegtuigen bovendien talloze moderne jachttoestellen verloren. De Duitse verliezen waren daarentegen alleszins beperkt. De enorme verliezen aan beschikbare bommenwerpers, die werden ingezet tegen de zwaar verdedigde bruggen over het Albertkanaal alsmede de Duitse noodbruggen bij Maastricht, zouden de verbonden landen bijzonder opbreken. 

(1) Voor zover valt na te gaan verloor de Belgische luchtmacht bij een inzet van 15 toestellen (9 Fairey Battle lichte bommenwerpers en 6 Gloster Gladiator jagers) 10 toestellen. Zij gebruikten bommen van 50 kg en daarvan werden enkele bij Vroenhoven rond de brug afgeworpen. Wegens ontbrekende bommenrichters moest men op gevoel afwerpen. De meeste bommen weigerden echter wegens malfunctie van de bommenafwerpinrichting. Bovendien waren de 50 kg bommen te licht om de stalen en betonnen bruggen werkelijk te deren. De Britse luchtmacht zette ook Fairey Battles in, naast Blenheim IV lichte bommenwerpers. Van de 42 ingezette toestellen - vrijwel allen richting noordoosten - keerden er 33 niet terug. Een eskader Franse LeO-13 middelzware bommenwerpers werd in zijn geheel (13 stuks) neergehaald door de Luftwaffe voor het doel was bereikt.

Het vroegtijdige verlies van de posities in noordoost België betekende dat het Belgische opperbevel de overige troepen – de 7e Infanteriedivisie [generaal Vantroyen] was einde van de tweede oorlogsdag vrijwel geheel verloren gegaan – terug liet trekken op de KW-stelling en dat overal in het tussengebied vernielingsopdrachten werden uitgegeven. Slechts kleine eenheden werden achtergelaten om de dekkingsstelling en de zogenaamde tussenstelling te verdedigen, om daarmee gevaarlijk Duits nadringen te voorkomen. Het terugtrekkingsbevel betrof de troepen van het 1e Legerkorps en de zogenaamde grenstroepen. Ook het 3e Legerkorps langs de Maas in het noorden (sector Luik) werd op de tweede oorlogsdag teruggeroepen naar de KW-stelling. De Forten rond Luik bleven echter bezet. Ze zouden in eerste instantie door de Duitsers worden genegeerd en pas in de tweede fase van de strijd in België worden aangevallen. Duitse oversteek pogingen [met name door 253.ID en 269.ID] rond Luik en Visé werden in de ochtend van 11 mei nog afgewezen.

Voor Nederland was het interessant wat er in de Kempische regio gebeurde, onderdeel van zo’n dekkingsstelling. In die sector [grof gezegd vrijwel het gehele noorden van België tussen Antwerpen en Nederlands Limburg] bevonden zich ook al Franse eenheden van 1.DLM. Zij zouden de dekking (vanuit het westen) tot aan het kanaal van Turnhout vorm gaan geven. De zwaardere eenheden der Duitsers waren echter vanuit de doorbraak bij Eben-Emaël niet westwaarts, waar zuidwestwaarts getrokken, richting het zogenaamde Gat van Gembloux. Dat betekende voor de Kempische verdediging [lees: de verdediging ten oosten van het kanaal te Turnhout] dat zij nog enige respijt zouden krijgen, en in hoofdzaak met lichte eenheden van het Duitse 6e Leger te maken zouden krijgen die in Nederland nog actief waren [9.AK: 30.ID en 56.ID].  Maar ook met eenheden [4.AK en 11.AK: 14.ID, 18.ID, 19.ID en 31.ID], die via Nederlands centraal Limburg in België geraakten. Ondanks dat de Duitse gemotoriseerde en gemechaniseerde eenheden zuidwestwaarts trokken, verschenen de Duitsers toch al op verschillende locaties op de 10e mei aan het Maas-Scheldekanaal [ook wel als het Kempische kanaal of Kanaal Bocholt-Herentals bekend]. Eenheden van 18.ID en 31.ID vochten lokale schermutselingen uit met Belgische achterblijvers. Alle bruggen over het kanaal [en de overige korte verbindingskanalen in de streek] waren weliswaar opgeblazen, maar de meeste verdedigers waren al teruggetrokken op bevel. Ook 19.ID en 30.ID bereikten de inmiddels onverdedigde Belgische kanalen in de sector reeds in de eerste oorlogsnacht of de daaropvolgende ochtend. Het betekende dat de kanalen in deze voorverdedigingssector in wezen geen dienst deden als verdedigingsobjecten, maar als hindernissen. Voor de Duitsers slechts een beperkte uitdaging om die niet al te brede kanalen spoedig over te steken, waarbij het gros van de eenheden – dat toch al te voet was – weinig hinder ondervond. Het waren vooral de trossen en de artillerie, hier en daar de gemotoriseerde ondersteuning bij de verkenningseenheden, die aanmerkelijke vertraging ondervonden of flink om moesten rijden.

Midden-België in de ochtend van 11 mei

De zware eenheden van het 6e Leger waren na de oversteek van het Albertkanaal direct in zuidwestelijke richting getrokken, richting Gembloux [in het Vlaams, Gembloers]. Het stadje dat tussen Brussel en Namen in ligt en dat in de zogenaamde Dyle-stelling lag. De betreffende sector Wavre – Namur [in het Vlaams, Namen] waarin Gembloux centraal lag, zou worden bezet door het zeer sterke Franse 1e  Leger (2).

(2) Het Franse 1e Leger [Général d’armee Blanchard] bestond uit vier legerkorpsen en een tankgroep. Deze waren uit de onderstaande eenheden samengesteld:

Vier gemechaniseerde eenheden van de actieve klasse en één [3.DLM] van de geformeerde klasse: 1.DCR [Division Cuirassée, gevechtstankeenheid met o.a. 70 zware gevechtstanks Char B1-bis en 90 lichte gevechtstanks Hotchkiss H-39; onder général de brigade Bruneau], 2.DLM [lichte gemechaniseerde divisie met o.a. 88 lichte gevechtstanks Hotchkiss H-35 en 90 middelzware gevechtstanks Somua S-35; général de brigade Bougrain] en 3.DLM [lichte gemechaniseerde divisie met o.a. 140 lichte gevechtstanks Hotchkiss H-39, 23 Hotchkiss H-35 en 90 Somua S-35; général de division Langlois] alsmede de zelfstandige infanterietankbataljons GBC.515 [Groupe de Batallion de Chars, met 45 lichte gevechtstanks Hotchkiss H-35 en 45 lichte infanterietanks Renault R-35; lieutenant-colonel Boissiere] en GBC.519 [met 45 lichte gevechtstanks Hotchkiss H-35 en 45 lichte infanterietanks Renault R-35; lieutenant-colonel Aubry]. De beide DLM’s behoorden tot het Corps de Cavalerie onder général d’armee René Prioux. Général Prioux zou eind mei 1940 het commando over het Franse 1e Leger overnemen.

De totale organieke tanksterkte van het 1e Leger bestond qua gevechtstanks dus uit 70 zware Char 1B-bis [28 tons tank, 75 mm houwitser plus 47 mm SA-34 AT kanon], 180 middelzware Somua S-35 [20 ton, 47 mm SA-35 AT kanon], 230 lichte Hotchkiss H-39 [11,5 ton, 37 mm SA-18 kanon; deels met 37 mm SA-38 lang kanon] en 201 lichte Hotchkiss H-35 [11 ton, 37 mm SA-18 kanon]. Daarnaast nog 90 lichte Renault R-35 infanterietanks [10,5 ton, 37 mm SA-18 kanon]. Een totaal van niet minder dan 771 tanks. Daarbij zijn lichte verkenningstanks [AMR-35, etc.] en pantserwagens [AFV’s] niet meegerekend.  

Daarnaast drie lichte divisies van de actieve klasse, 1.DIM [général de division Malivoire-Fihol de Camas], 12.DIM [général de division Janssen] en 15.DIM [général de division Juin]. En tenslotte 1.DM [Division Marocaine ; général de brigade Mellier] 5.DINA [Division d’Infanterie Nord-Africaines de formation; général de brigade Agliany], 32.DI [A-Type infanteriedivisie; général de brigade Lucas] alsmede enkele taakgerichte eenheden en legerkorpseenheden.

Hotchkiss H-35 model 39

Het na de overgang van het Albertkanaal geformeerde 16e Motorisierte Armeekorps [gemotoriseerde legerkorps onder General Höpner, ook vaak aangeduid als het 16e Panzerkorps], bestaande uit de 3e en 4e Panzerdivision alsmede 20.ID (mot.) (3), had tot taak exact dat te doen wat de Franse legerleiding verwachtte: een offensief ontwikkelen richting de zwakste schakel in de fortificaties in de Geallieerde hoofdstelling, het Gat van Gembloux. Dat Gat had zijn naam gekregen doordat tussen Ottignies [zuidwest van Wavre] en Namur geen natuurlijke barriere bestond waarachter de verdediging lag. Daarom was in een brede sector voor Gembloux een langgerekte kunstmatige tankversperring [merendeels door dubbele rijen van hoge in beton gegoten stalen profielen] geconstrueerd, die overigens in mei 1940 nog niet aaneengesloten was. De Fransen hadden in dit Gat de Duitse hoofdstoot verwacht en daarom hun sterkste eenheden achter de sector Wavre – Namur geprojecteerd. De sterke DLM's moesten de Duitsers tot en met 14 mei (oorspronkelijk 15 mei) voor de linie ophouden. Het was nu juist de taak van 16.AK om de Franse verwachtingen schijnbaar te doen laten uitkomen dat de Duitse hoofdstoot door dit Gat van Gembloux zou komen en zo de aandacht af te leiden van de door de Ardennen opstomende Panzergruppe Kleist.

(3) De sterkte van de beide Duitse tankdivisies – zonder rekening te houden met de geleden lichte verliezen in Nederland – was volgens het algemeen betrouwbare onderzoekswerk van Thomas L. Jentz [610] als volgt: 3.PD bestond uit 117 Pz.Kfw.I, 129 Pz.Kfw.II, 42 PzKfw.III, 25 Pz.Kfw.IV en 27 PzBfl (commandotanks, type I of III). 4.PD had de beschikking over 135 Pz.Kfw.I, 105 Pz.Kfw.II, 40 Pz.Kfw.III, 24 Pz.KfW.IV en 10 PzBfl. Een totaal van 252 Pz.Kfw.I [6 ton, 2 x MG], 234 Pz.Kfw.II [10 ton, 2 cm kanon], 82 Pz.Kfw.III [19-22 ton, 37 mm kanon] en 49 Pz.Kfw.IV [22-24 ton, 75 mm kort kanon].

Een totaal aan tanks van 617, waarvan echter slechts 131 middelzware tanks, die aan de Franse tanks van alle soorten en types partij konden bieden. Dat betekende dus dat slechts 20% van de tanks middelzwaar was en uitgerust met een kanon dat ‘a punch’ kon uitdelen, hoewel in de praktijk zelfs de 2 cm KwK op zeer korte afstand zij- en achterpantser van lichte Franse tanks bleek te kunnen doorboren. De beide pantserdivisies van Höpner waren dan ook de zwakste van de zeven grote tankdivisies in het Duitse leger. Zo had de op papier zwakste Duitse tankdivisie, de in Nederland opererende 9.PD dat slechts één tankregiment had, al 41 Pz.Kfw.III en 16.Pz.Kfw.IV. Die 57 middelzware tanks waren 40% van het bewapende geheel. Relatief dus tweemaal zoveel middelzware tanks als 3.PD en 4.PD.

De Franse strategie voorzag erin om het Gat van Gembloux in hoofdzaak te dekken met het tankkorps van generaal Prioux. Dat zou posities innemen tussen Tirlemont [in het Vlaams, Tienen] en Huy en vanuit die lijn de voorverdediging vorm geven die de volledige bezetting van de hoofdverdediging door de hoofdmacht van het 1e Leger moest verzekeren. Doelstelling was vanaf de tweede invasiedag in het gebied te arriveren en dit vier dagen nadien weer te verlaten als de hoofdverdediging zou zijn bezet.

De Duitsers van 4.PD lieten in de middag van 11 mei het Albertkanaal ver achter zich. Omdat men te maken had met grote logistieke problemen in de sector Maastricht, was er geen sprake van dat 16.AK zich in gesloten verband voorwaarts kon werken. Daarom nam 4.PD, dat als eerste was overgestoken over de beide waterbarrières, het voortouw en stootte tot voorbij Tongeren door. Het kwam onderweg met name in aanraking met de restanten van de Belgische 7e Divisie, die men vrijwel geheel gevangen nam. 3.PD kwam op de tweede oorlogsdag nog niet uit het bruggenhoofd west van het Albertkanaal, want de hoofdmacht was nog bij Maastricht de Maas aan het oversteken. Het zou nadien veel terrein moeten goedmaken om het verband met 4.PD te herstellen. Via een fractioneel noordelijker route zou het op 12 mei weer aansluiting maken, hoewel de hoofdmacht pas op 13 mei werkelijk zou aansluiten. Om de linker vleugel van 16.AK te dekken was het de bedoeling dat 27.AK op de uiterst linker vleugel van 6.Armee (en dus de uiterst linker vleugel van Heeresgruppe B) over Luik, langs de noordoever van de Maas [die tussen Namur en Luik een noordoostelijke stroming kent] richting de sector Gembloux – Namur zou optrekken. Daarmee zou het contact moeten houden met de rechtervleugel van de 4.Armee en het Panzerkorps Höpner dus op de linkervleugel beveiligen. Op 11 mei was 27.AK echter nog bezig de Maas over te steken en richting Luik te trekken. Haar divisies zouden lange tijd niet op de linkervleugel van 16.AK verschijnen.

Aan Belgische kant bleef men niet passief, ondanks het terugtrekkingsbevel voor de hoofdmacht. Men realiseerde zich dat een uitbrekende Duitse tankdivisie de terugtrekkende Belgische veldlegereenheden in groot gevaar zou kunnen brengen. Men wilde een provisorische stelling tussen het Albertkanaal en Tongeren tot aan de Maas opzetten en zo de Duitse penetratie afgrendelen. Maar de opzet werd totaal in de wielen gereden door de voortdenderende 4.PD, die even ten noorden van Tongeren dwars door de Belgische defensie heen braken en zonder omzien doordrukten. Daarmee werd in hoofdzaak de 4e Infanterie Divisie van de Belgen tot een overhaaste terugtocht gedwongen. Een tweede provisorische defensie werd geprojecteerd tussen Hasselt en Saint Trond [St Truiden], in hoofdzaak bezet door de 1e Divisie. Deze verdedigers kwamen in aanraking met gemotoriseerde infanterie en verkenners van 4.PD. Dat leidde echter, behalve tot enkele lokale schermutselingen, niet tot belangrijke progressie noordwestwaarts, omdat General Höpner 4.PD op koers hield richting Gembloux.

Onderwijl was generaal Van Overstraeten tot de overtuiging gekomen dat de vele gevaarlijke Duitse penetraties in het noordoosten voor grote contingenten eenheden omsingeling of vernietiging konden betekenen. Daarom werd in de late avond van 11 mei bevel gegeven de stellingen achter het Albertkanaal in de Kempische streek oost van het Kanaal van Turnhout, te evacueren. Slechts een kleine bezetting bleef achter. 

Aan Franse kant was men – na een aarzelende start in de morgen van de 10e – voortvarend van start gegaan. Generalissimus Gamelin had veel nadruk gelegd op het zeer voorname Franse aandeel in de voorverdediging van de hoofdweerstand in België. Snelle Franse eenheden trokken daarom als eerste de Belgisch-Franse grens over om richting de voorverdediging uit te waaien. Van Luxemburg tot aan Eindhoven had men snelle eenheden geprojecteerd die de vertragende gevechten met Duitse spitsdivisies moesten aangaan om de hoofdmacht gelegenheid te bieden de defensielijnen in te nemen. Voor het cavalerie korps van generaal Prioux gold dat zijn beide DLM’s spoedig voorwaarts gingen en al op 11 mei posities begonnen in te nemen op de lijn Tirlemont – Huy. De beide smalle riviertjes Grote Gete (zijrivier van de Demer, dat op haar beurt een zijsprong van de Schelde is) en Mehaigne (zijrivier van de Maas vanuit Wanze, bij Huy) vormen de natuurlijke barrières waarachter de Fransen hun voorste eenheden positioneerden. Achter de Gete nam 3.DLM posities, terwijl 2.DLM achter de Méhaigne kwam te liggen. De verdedigingssector van 3.DLM werd door 12.RC en 11.RDP [infanterie en 44 H-35 tanks] in het noorden en door 1.RC [44 H-39 en 45 S-35], 2.RC [44 H-39 en 45 S-35] en één bataljon infanterie en 22 H-35’s van 11.RDP in het zuiden gevormd. Van die zuidelijke groep was de voorste lijn tot aan Hannut naar voren geschoven. Daar werden een bataljon gemotoriseerde infanterie van 11.RDP, twee eskadrons S-35 en twee eskadrons H-39 van 1.RC gestationeerd. De overige eenheden lagen in de diepte daarachter verspreid. Bij 2.DLM was ervoor gekozen de voorverdediging met drie bataljons gemotoriseerde infanterie en de 70 lichte tanks en pantserwagens [AMR.33/AMR-35ZT-1] van 1.RDP vorm te geven, ondersteund door gevechtstanks van 13.RD en 25.RD. Die formaties werden reeds in de avond van 11 mei in hun finale dispositief gebracht, wat een formidabele prestatie was van de Fransen.

In de dagen die volgden zou een ruim twee dagen durende tankslag worden gevoerd tussen de beide kampen. Die slag zou de boeken in gaan als de tankslag bij Hannuit [In het Vlaams, Hannut], maar het was in feite een serie kortere slagen tussen Franse en Duitse tankeenheden, aan Franse kant ondersteund door artillerie en antitank eenheden en aan Duitse kant vooral ondersteund door de tactische componenten van de Luftwaffe [VIII Flieger Korps].

Op 11 mei was een prelude van de slag al een feit. Bij het gehucht Oreye – tussen Tongeren en Waremme – kwam een verkenningseenheid van het 12e RC [in totaal 45 P-178 Panhard pantserwagens met 25 mm Hotchkiss AT kanon: colonel Leyer] van het Régiment de Découverte (verkenningsregiment) van 3.DLM in aanraking met de verkennende 5e (Mittlerschwere) Panzerkompanie van Panzerregiment 35 [4.PD], uitgerust met Pz.Kfw. II en IV. Bij de confrontatie leden beide partijen enige verliezen. De Fransen trokken terug, onder achterlating van enige pantserwagens en personeel, terwijl de Duitsers – die o.m. een Pz.Kfw.IV verloren – nog een aanzienlijk stuk doorstootten naar het zuidwesten. Het zou uiteindelijk bij deze eerste korte confrontatie blijven op de tweede oorlogsdag. Maar 4.PD kwam tot vlak voor Waremme, waar het de nacht doorbracht. De achterop komende eenheden lagen zo ver achter, dat een directe doorstoot naar Geer en Hannut niet opportuun werd geacht.

Zo waren de Duitse spitseenheden op 11 mei al diep op Belgisch grondgebied doorgedrongen. In het noordoosten stonden diverse verkenningseenheden van Duitse infanteriedivisies [4.AK, 11.AK] aan de oevers van de kanalen in de Kempen. Tot aan Luik werd getracht het bruggenhoofd over de Maas en het Albertkanaal uit te bouwen door 27.AK. Tussen die beide uitersten was 4.PD erin geslaagd om een wig te drijven in de Belgische voorverdediging, door tot aan Waremme door te stoten met haar voorste eenheid. Waar Gamelin in zijn ergste nachtmerries voor had gevreesd, maar wat hij met snelle Franse troepen had willen ondervangen, leek uit te komen. De Duitsers waren volgens het slechtst denkbare scenario (vanuit de optiek van de verbonden landen) bezig het Franse Dyle plan in haar bestaansrecht te bedreigen. Anderzijds kregen de Fransen de indruk dat de Duitse invasiestrategie zich ontrolde volgens de verwachtingen van een gemoderniseerd Plan Schlieffen. In dat opzicht was het dus vanuit Frans perspectief vooral zaak het dispositief van de Franse en Britse hoofdverdediging tussen Tilburg en Namen zo spoedig mogelijk afgerond te krijgen.

Franse verplaatsingen in België op 11 mei

Het is al eerder aangegeven. Op 11 mei wisten verrassend veel Franse eenheden reeds posities te bereiken in het uiterste spectrum van de beoogde ontplooiing. Zo is het buitengewoon te constateren dat alle drie de DLM’s [de lichte gemechaniseerde divisies] hun voorste eenheden reeds in de nacht van 10 op 11 mei in posities rond Turnhout, Tilburg en de lijn Tienen-Huy wisten te krijgen. De beide DLM’s van generaal Prioux slaagden er zelfs in hun grote tankformaties op de tweede oorlogsdag vrijwel volledig in de sector voor Gembloux te krijgen. De per trein vervoerde tanks van 1.DLM werden ook rond Turnhout op 11 mei vrijwel geheel in het beoogde dispositief gebracht. Naast die drie grote en belangrijke tankformaties, die de verbonden landen een aanzienlijke slagkracht brachten in België, waren er talloze lichte verbanden – samengesteld uit de vele mobiele verkenningseenheden der Franse divisies in het noordoosten – en cavalerieverbanden in geslaagd om op schema voor de hoofdverdedigingslinies te geraken. In het zuidoosten van België en Luxemburg lukte dit op 10 mei reeds en elders op 11 mei. Daarmee slaagde opvallend genoeg deze component van Gamelin zijn strategie in wezen – althans vanuit de Franse inbreng (de Belgische en Nederlandse voorverdediging faalden natuurlijk vanuit Frans perspectief) – volledig, met uitzondering van de preventieve actie in Luxemburg [zie daarvoor de beschrijving van het Belgische front op 10 mei].

Ten aanzien van de semi-mobiele eenheden, zoals de DIM’s (Division d’Infanterie Motorisée), was er sprake van gedeeltelijke ontplooiing op 11 mei. De merkwaardige organisatie van de DIM’s is al besproken in de proloog. De Franse organisatie haperde daarin. De divisies kenden autonoom gemotoriseerde ondersteuningseenheden, maar de essentiële regimenten infanterie waren afhankelijk van externe gemotoriseerde eenheden. Het is nauwelijks uit te leggen wat de logica achter die organisatie was. Gemotoriseerde infanteriedivisies waarvan de nucleus – de infanterieregimenten – afhankelijk waren van externe leveranciers van vrachtwagens en auto’s lijkt een weinig voor de hand liggende organisatievorm. Het was echter een gegeven. Gamelin had het onnodig gevonden om op 7 mei 1940, toen de spanning sterk toenam, en zelfs op 9 mei, toen de signalen bijna onmisbaar waren van een ophanden invasie, om de apart georganiseerde vervoerscolonnes voor de DIM’s te activeren en te laten aansluiten bij de te vervoeren eenheden. Dat betekende dat toen Gamelin in de ochtend van 10 mei zijn marsorders uitgaf rond 0600 uur, de logistieke eenheden voor de DIM’s nog moesten worden aangetrokken. Hoewel bij bijvoorbeeld 25.DIM, dat voor Nederland was voorzien, enige eenheden vooruit werden gestuurd, vertrok de hoofdmacht pas laat in de middag van 10 mei van Frans grondgebied. Bij andere DIM’s was de situatie niet anders, waardoor grote contingenten infanterie pas laat op de 11e mei arriveerden in hun doelgebieden. Daarna moest men uiteraard op basis van gebiedsverkenningen nog de juiste positionering uitwerken en nadien uitvoeren. Desondanks slaagden de meeste gemotoriseerde infanterie eenheden erin in de loop van de 11e mei de belangrijkste posities te bezetten.

Voor de traditionele op de 'benenwagen' aangewezen infanterie eenheden gold dat zij nog lang niet zover waren. Zij zouden zich tot aan de 14e mei bezighouden met lange marsen naar hun doelgebieden. Welke gevolgen dat zou hebben, wordt duidelijker als de latere episode in de strijd wordt behandeld. Grosso modo was de ontplooiing van de Franse snelle en lichte eenheden volgens het operatieplan verlopen. De meest kritische posities – die onder Tilburg voor het 7e Leger en die bij Gembloux voor het 1e Leger – waren tijdig bezet.  

Een opmerkelijke divergerende strategische exponent

Die succesvolle Franse verplaatsing van hun snelle eenheden was een prestatie die was verricht terwijl de Luftwaffe uiterst actief was boven België. Vreemd genoeg waren het vooral de Belgische eenheden die slachtoffer werden van de Luftwaffe aanvallen. Maar was dit opzet of toeval?

Er is veel geschreven over de Duitse opzet om de Entente België in te lokken en allerhande instructies die zouden bestaan om de Entente vooral niet te vroegtijdig af te schrikken om posities in centraal België in te nemen. General der Flieger a.D. Wilhelm Speidel schreef in de jaren vijftig een zeer uitgebreide studie over de operatie [423]. Daarin gaf hij helder aan dat de doelstelling voor de Luftwaffe t.a.v. van grondsteun in mei 1940 in drie hoofdpijlers viel te onderscheiden: 1) het met kracht ondersteunen van de doorbraak van landmacht eenheden langs de grensverdedigingen in Nederland en België, 2) het verstoren van troepenbewegingen in de hogere echelons en 3) het voorkomen dan wel vertragen van de Entente troepenverplaatsingen richting de defensie in België. Daar kwam bij dat ook aanvallen op logistieke centra en met name spoorlijnen van importantie waren en de speciale opdracht hoofdkwartieren van Entente formaties aan te vallen wanneer deze verkend waren. Duidelijk valt daaruit op te maken dat in de eerste fase van de strijd de Luftwaffe niet slechts een tactische maar ook een strategische taak kreeg toebedeeld. Een onderscheid dat overigens in organisatorische zin binnen de structuur van de Luftwaffe niet uitmaakte, daar er geen sprake was van een scheiding tussen tactische en strategische componenten. De Luftwaffe was in wezen een dynamische multitask organisatie, waarbij enerzijds autonomiteit van de luchtstrijdkrachten werd bewaard, maar anderzijds een sterke operationele koppeling bestond tussen luchtmacht en landmacht strategie en tactiek. Dat lijkt een tegenstrijdigheid en dat was het in feite ook. Daarin - het bestaansrecht van die tegenstrijdigheid - was de rol en de persoon van Hermann Göring bepalend. Het is voor de bespreking alhier niet zinvol daarover nader uit te wijden, maar toch van belang het geschreven te hebben.

De vraag dringt zich dus op waarom de Luftwaffe de verplaatsing van Franse en Britse eenheden tijdens die eerste oorlogsdagen zo weinig hinderde. Want het is een gegeven dat de zich noodzakelijkerwijs snel verplaatsende Entente nauwelijks door de Luftwaffe werd aangepakt. De spoorwegen bleven zelfs vrijwel ongeschonden op de eerste oorlogsdag, waardoor bijvoorbeeld 1.DLM in staat was gedurende de eerste oorlogsnacht ongehinderd met treinen haar tanks naar het noorden te doen vervoeren.

De vraag laat zich in feite simpel beantwoorden: capaciteitsproblemen voorkwamen dat de Luftwaffe op de eerste oorlogsdagen naast directe tactische grondsteun, verwezenlijking van de ‘air superiority’ in het noordoosten en autonome taken (uitschakeling luchtmachten der verbonden landen, ondersteuning van de ‘eigen’ luchtlandingsoperaties in Nederland en bij Eben-Emaël) toe kwam aan het in sterke mate verstoren van de vijandelijke opmars en het vernielen van de westelijke infrastructuur in België. Daar kwam nog bij dat in de prioriteitsbepaling ten aanzien van het bestrijden van de Entente logistiek, de verkenning en aanpak van maritieme Entente landingen in Antwerpen, Vlissingen en Rotterdam de aandacht kreeg boven Entente verplaatsingen over land.

Die capaciteitsproblemen waren voorzien door met name Luftwaffe chef-staf Hans Jeschonnek. Deze confronteerde het OKW al eind 1939 met de beperkte capaciteit van de Luftwaffe en achtte de vele doelstellingen, die bij de Luftwaffe werden neergelegd, te ambitieus. Hij gaf heel duidelijk aan dat de Luftwaffe niet én de verbonden luchtmachten kon uitschakelen, én twee operaties (Scandinavië en het westen) plus een grote luchtlandingsoperatie kon ondersteunen, én zorg dragen voor de beveiliging van het thuisland én de logistiek der Entente legers belangrijk kon verstoren. Daarom opteerde de Luftwaffe tijdens de planning van Fall Gelb lange tijd voor een eerder begin van de luchtcampagne dan van het grondoffensief. Echter tijdens de planning van de aanval op het westen werd de overweging uiteindelijk gemaakt wat de waarde was van de verrassing voor het grondoffensief versus de waarde van een eerder begonnen luchtcampagne, die evident de waarschuwing zou leveren voor naderende grondoperaties. Uiteindelijk koos men voor het gelijktijdig beginnen van lucht- en grondoffensief, omdat men de waarde van de verrassing tegen de sterk geachte Entente legers zwaarder deed wegen dan een grondige luchtcampagne voorafgaande aan de aanval over de grond. En hoe sterk dringt zich dan de eigentijdse vergelijking op met de beide recent door de VS gevoerde oorlogen tegen Irak? Nog los van de opvallende vergelijkbaarheid van de grondoperaties, die de VS herkenbaar ontwikkelde met de Duitse strategie van mei en juni 1940 in het achterhoofd, werd ook daar een luchtoperatie voorafgaande aan de grondoperatie gepland. Het is vermoedelijk niet te gedurfd om aan te nemen dan tijdens de planningsfase van de beide VS-Irak oorlogen [in 1991 en 2003] de waarde van een voorbereidend luchtoffensief zwaarder woog dan de verrassing van de grondaanval. De wanverhouding in kracht van de wederzijdse landmachtcomponenten in die beide oorlogen maakt het zeer logisch dat men de voorbereiding van een autonome luchtcampagne meer gewicht gaf dan de verrassing op de grond. Het geeft echter aan hoe wezenlijk dergelijke afwegingen zijn geworden sinds oorlog ook in de derde dimensie wordt gevoerd.

Een en ander betekende dat de Luftwaffe gedurende met name de eerste twee oorlogsdagen in mei 1940 de capaciteit eenvoudigweg niet had om naast de zeer intensieve campagne om de grondtroepen te ondersteunen en beschermen in het noordoosten van België en de evident zware wissel die werd getrokken om de massieve luchtlandingsoperatie in Nederland van voldoende Luftwaffe capaciteit te voorzien, ook nog grote verbanden vrij te houden om de hogere echelons der verbonden landen aan te vallen. Hoe wezenlijk het was dat men die afweging in Berlijn maakte, werd alleen al getoond door de eerste overrompeling, waarbij de meeste Franse vliegvelden de dans macabre ontsprongen en bijna helemaal niet werden aangevallen in de eerste fase van de strijd. Het voornaamste deel van de Luftwaffe capaciteit was ingezet in het Belgische en Nederlandse theater en dat zou duren tot en met de derde oorlogsdag. Slechts een deel van het IVe Fliegerkorps, onderdeel van Luftflotte 2, werd ingezet om de Nederlandse, Belgische en Franse kust af te struinen naar Britse maritieme landingen en bevoorrading. Dat IV.FK bestond uit negen Gruppen bommenwerpers, gevormd door drie Gruppen van LG1, drie van KG.30 en drie van KG.27. Alle drie deze KG's opereerden met gemengde He-111H en Ju-88A verbanden. Zij hadden op tien mei echter slechts 235 bommenwerpers operationeel. Die hadden als primaire taak Britse maritieme operaties tegen te gaan, als secundaire taak om Command & Control centra van de Britse en Franse eenheden aan te vallen en daarnaast spoorweg- en wegenknooppunten. Bepaald was dat de eerste overval zich vooral op de C&C centra zou richten en de vliegvelden in West België en Noordwest Frankrijk. KG.30 werd echter vrijwel geheel in het noorden ingezet, zodat voor het zuiden van België en het noordwesten van Frankrijk nog slechts twee KG's overbleven. Daar kwam nog eens bij dat men nauwelijks jagerdekking kreeg, wat resulteerde in gevoelige verliezen. Voor massale aanvallen op de Entente legeronderdelen ontbrak het eenvoudigweg aan capaciteit. Datzelfde gold voor de Luftflotte 3, de kleinste van de twee Luftwaffe grootverbanden in het westen. Luftflotte 3 had als taakgebied om diep in Frans territoir te opereren, maar ter voorkoming van grote verliezen (wegens ontbrekende air superiority) werden diepe aanvallen [sectoren Dijon - Lyon - St Etienne - Parijs] in de eerste fase gedoseerd. De vliegvelden rond Parijs werden zelfs niet aangevallen. Daarbij opereerde zij beduidend minder intensief dan de Luftflotte 2.

Een en ander zou ertoe leiden dat de Entente eenheden relatief ongeschonden en snel hun verplaatsingen naar de hoofdverdediging in België konden doen uitvoeren. Daarin is echter nog een markante kwestie te herkennen. Want hoewel de BEF zich operationeel onder de Franse général Georges geplaatst wist, maakten de BEF en het Franse noordoostelijke leger andere afwegingen ten aanzien van verplaatsing. De commandant van het BEF [General Gort], dat over een aantal gemotoriseerde divisies beschikte, besloot dag en nacht door te marcheren. Voor de Franse eenheden was dat niet aan de orde, met uitzondering van de strategische voorverdedigingseenheden, zoals de drie DLM’s en de taakgerichte mobiele verbanden. De Franse hoofdmacht mocht zich alleen maar ’s nachts verplaatsen en zelfs treintransporten mochten slechts gedurende het donker plaatsvinden. Gamelin en Georges hadden hun vrees voor de Duitse luchtmacht doen laten prevaleren boven de erkenning van de importantie dat men tijd genoeg kreeg om de hoofdverdediging in België te kunnen bezetten. Die vrees voor de Duitse luchtmacht was zelfs zo groot, dat ook het gros van de Franse luchtmachtcapaciteit in het centrale en zuidelijke deel van Frankrijk werd gehouden. Men was veel te bang een belangrijk deel van de luchtmachtcapaciteit reeds in de beginfase van de strijd te verliezen.

Daaruit blijkt een opvallende Franse ambivalentie ten aanzien van hun strategie, die zich merkwaardig gespannen verhoudt met de planning rond de Hypothese Dyle-Breda en de feitelijke afkondiging daarvan in de vroege ochtend van 10 mei 1940. Want de tijdige bezetting van de Dyle en KW stellingen in België was van imperatief gehalte voor het slagen of falen van de Franse strategie. Daarbij was de afkondiging van Plan Breda een teken dat de meest extreme, de meest risicovolle, verdedigingsstrategie zou worden geëffectueerd. Men had in feite zelfs geen voorbereidingen (van werkelijke importantie) getroffen om een sterke verdediging in Noord-Frankrijk te organiseren, zou de Dyle strategie onverhoopt falen. Desondanks wees de strikte opdracht aan Franse formaties van het Franse 1e en 9e Leger (m.u.v. de eerder genoemde snelle troepen) om overdag geen grote troepenverplaatsingen uit te voeren alsmede het achterhouden van een groot contingent van de moderne Franse luchtmacht juist weer op terughoudendheid. Men hinkte dus op twee gedachten. Ontegenzeglijk zal de sterke wens van de Franse luchtmacht om met het oog op een langdurige strijd een groot contingent moderne vliegtuigen achter de hand te houden verband hebben gehouden met de instructie overdag niet te verplaatsen (tenzij operationele noodzaak bestond). Zou men overdag wel hebben willen verplaatsen, dan was het evident noodzakelijk geweest een paraplu van Franse jagers boven de formaties te hebben hangen. Maar los van het feit dat de Franse doctrine in werkelijkheid helemaal geen sterke samenhang zag in lucht- en grondoperaties, is het opmerkelijk dat men enerzijds een buitengewoon gedurfd dispositief van het Franse leger ambieerde [Plan Dyle-Breda], maar anderzijds zo terughoudend was in vrees voor de Duitse Luftwaffe. Men vraagt zich dan als analist af hoe de Franse legerleiding dan dacht over de kwetsbaarheid van haar troepen voor diezelfde Luftwaffe als die troepen vrijwel ongedekt door eigen luchtmacht hun eenmaal ingenomen posities op de grond moesten verdedigen? Die vraag doet te meer opgeld daar de Dyle stelling in wezen een vooral fictieve stelling was en helemaal niet zwaar versterkt en uitgebouwd zoals de naam en prominente positie in de 'grand strategy' doet vermoeden.

De voorgaande analyse van de Franse ambivalentie daargelaten, was er dus in wezen sprake van twee tegengestelde zetten door de belangrijkste belligerenten. Toen Jeschonnek zijn triages moest aanbrengen binnen de verwezenlijking van de toebedeelde taken voor de Luftwaffe, koos hij ervoor om met name de relatief meest intensieve inzet – die in de diepste echelons van het vijandelijk dispositief – de laagste prioriteit te geven. Een volmaakt logische afweging, gegeven de zwaartepunten van de Duitse operatie. De Fransen daarentegen kozen ervoor vooral ’s nachts te verplaatsen, daarbij geleid door de vrees voor de Luftwaffe, die nauwelijks zou verschijnen boven de Franse formaties gedurende de eerste drie dagen van de strijd. Hoewel ook in die Franse overweging logica te ontdekken valt, was de Franse keuze in relatie tot hun strategische keuze voor het extreme Plan Dyle-Breda niet alleen ambivalent, maar gegeven de Duitse triagestelling in wezen zelfs contraproductief. Zoals de gehele Westfeldzug, met name Fall Gelb, een aaneenschakeling zou blijken van ‘gelukkige’ Duitse en ‘ongelukkige’ Franse keuzes, was dit een typerend voorbeeld van wat men wel ‘twist of fate’ noemt. Het was één van de voorbeelden van de ambivalente beleidsmatige keuzes aan Franse zijde, die niet alleen slecht kan worden verklaard in het licht van hun strategische overambitie, maar die exemplarisch zou zijn voor het Franse falen de Duitse 'sneltrein' te stoppen in de maanden mei en juni 1940. Het hinken op twee gedachten was een fenomeen dat het Franse militaire beleid - op staven en in het veld - van 1939-1940 vermoedelijk het beste typeert.

Het een en ander betekende dat de Franse hoofdmacht nog lang niet kon bijsluiten aan de spitseenheden. Het zo door de Fransen geambieerde gesloten verband bleef daardoor verre van gerealiseerd op de tweede oorlogsdag. Dat was afgezet tegenover de operationele ontwikkeling van de Duitse veldtocht niet zo’n groot bezwaar, maar het betekende indirect wel het een en ander. Want de Franse bevelhebbers verboden iedere vorm van ambitie bij de veldcommandanten zolang de hoofdmacht geen aansluiting had verkregen. Zo zou de krachtige eenheid 1.DLM – met haar bijna 200 tanks – twee dagen volkomen geparkeerd in de sector Tilburg – Turnhout blijven liggen.

De ontwikkelingen in de Ardennen regio 11 mei

 

Inleiding

De Franse troepen die door Gamelin naar het zuidoosten van België waren gestuurd om met de Belgische eenheden in de Ardennen regio een voorwaartse verdediging te voeren, zouden – net als de Fransen van het 7e Leger – door hun opperbevelhebber niet blijken te zijn geïnformeerd omtrent de intenties der nieuwe bondgenoten. Vooroorlogs had het Belgische opperbevel met het GQG een stevig robbertje gevochten via de attachés. Gamelin had bij monde van zijn attaché (colonel Hautecoeur) in Brussel duidelijk gemaakt dat hij wenste dat de Groep K – bestaande uit de 1e Divisie Ardense Jagers en de 1e Cavalerie Divisie – onder bevel van generaal Keyaerts niet alleen allerhande vernielingen en versperringen zou stellen, maar deze ook zo lang mogelijk actief zou verdedigen. De Belgische generaal Van Overstraeten wees de suggestie resoluut van de hand. Het bijna 90 km brede front in en ten westen van de Ardennen was voor twee divisies een onverdedigbare sector. Hij zou zijn beide divisies moeten opofferen en weigerde dat. Gamelin zegde nadien toe dat Franse cavalerie zou komen assisteren. Daartoe werd het 9e Leger [général d’armee André Corap] versterkt met twee lichte cavaleriedivisies, 1.DLC [général de brigade d’Arras] en 4.DLC [général de division Barbe] (4)

(4) 1.DLC [Division Légere de Cavalerie] had 16 lichte gevechtstanks Hotchkiss H-35 (37 mm kort SA-18 kanon), 22 lichte verkenningstanks Renault AMR-35ZT (13,2 mm mitrailleur) en 16 pantserwagens Panhard P-178. 4.DLC had dezelfde bezetting qua AFV’s, zij het met Hotchkiss H-39 in plaats van H-35 tanks.
   

Beide lichte cavaleriedivisies waren de spil van een geformeerde voorwaarts opererend verband in het voorterrein van het 9e Leger. De Groupement d’Arras werd gevormd door 1.DLC, met 17.GRCA, 24.GRDI en 30.GRDI, ondersteund door de 75 mm (op auto’s vervoerde) luchtafweervuurmonden van III./405.RADCA. Zij zouden het noordelijke deel van het voorterrein in het vak van het 9e Leger voor hun rekening nemen. De Groupement Barbe was geformeerd rond 4.DLC, met 1.GRCA (m), 1.GRDI (m) en 94.GRDI, ondersteund door de lichte luchtafweerafdeling met 25 mm Hotchkiss AA kanonnen van 100/400.RADCA. Zij zouden het zuidelijke vak de voorverdediging voeren. Een reservegroep [Groupement de réserve] was gevormd rond de koloniale cavalerie eenheid 3e BS [Brigade de Spahis: colonel Marc], met daarbij het 41/1e Regiment de Chasseurs (afdeling traditionele cavalerie) en 41/19 alsmede 41/19 Regiment Dragons (traditionele cavalerie). Naast de koloniale brigade, waren de drie andere eenheden van de laagste klasse eenheden (vestingtroepen).

Ten zuiden van de sector van het Franse 9e Leger lag de sector van het 2e Leger. Dat hoefde zich niet te verplaatsen, want het lag in de kritische sector Sedan [tussen Charleville en Sedan]. Het scharnierpunt van het Franse dispositief bevond zich precies op de Vakgrens van het 2e en 9e Leger. Het 9e Leger verplaatste zich van Frans grondgebied naar het noordoosten, waarbij haar rechtervleugel dus slechts de ‘overkant’ van de grens bezette richting noordoosten, terwijl het 2e Leger [général d’armee Charles Huntzinger] geheel op haar plaats bleef. Maar ook het 2e Leger voerde een voorwaartse vertragende verdediging vanaf de vakgrens met het 9e Leger in het noorden (de rivier de Ourthe) tot aan de rivier de Sauer bij Martelange. Die voorverdediging werd vormgegeven door vijf taakgerichte lichte eenheden. De Groupement De Goustoun [12e Regiment Chasseurs, 64.GRDI, een bataljon Dragon Portés en een batterij 75 mm veldgeschut], Groupement Evain [11e Regiment Cuirassiers, 60.GRDI, een bataljon Dragon Portés en een batterij 105 mm veldgeschut], Groupement Du Bessay de Contenson [5e Regiment de Cuirassiers, 18e Regiment de Cuirassiers, 16.GRCA, 73.GRDI en een batterij 75 mm veldgeschut] Groupement Gastey [3e Regiment de Dragon Portés, 36.GRDI, 2e Regiment d’automitrailleuses, een eskadron lichte gevechtstanks Hotchkiss H-35 en een batterij 105 mm veldgeschut] en Groupement De Bouillon [12.GRCA, twee pelotons motorhuzaren, twee pelotons pantserwagens Panhard P-178 en twee pelotons lichte gevechtstanks Hotchkiss H-35].

Verkenningsrapporten genegeerd

De sectoren van zowel het 9e als het 2e Leger zag de Franse legerleiding als sectoren van tweede prioriteit. Men verwachtte weliswaar dat de Duitsers via de Belgische en Luxemburgse Ardennen uiteindelijk aan de Maas zouden verschijnen, maar dat zou volgens de snelste verwachting na vijf dagen gebeuren. Nog aannemelijker achtte Gamelin het dat zij niet voor de zevende of zelfs de negende dag gereed zouden zijn om de Maasverdediging bij Sedan aan te vallen, maar zelfs dat zag hij als een progressief scenario.

Al in 1928 had de Britse strateeg Liddell Hart de Ardennen regio bestudeerd en zich laatdunkend uitgelaten over de Franse overtuiging dat de sector door een groot leger niet eenvoudig zou zijn te doorkruisen. Het werd binnen de onderhavige studie ook al eerder gememoreerd dat er Franse opperofficieren waren die de inschatting terzake van Gamelin bestreden en van mening waren dat de Duitsers veel sneller in staat zouden zijn de Maasverdediging tussen Dinant en Sedan aan te grijpen met een door de Ardennen kruisend leger. Giraud en Georges hadden zich al eens laten ontvallen dat een Duitse legermacht welke door de Ardennen zou kruisen, de Fransen zou kunnen verrassen. De général de d’armee André Prételat – in 1938 nog de commandant van het 2e Leger – had zelfs tijdens een krijgsspel in juni van dat jaar – spelend voor de aanvaller – bewezen dat de Duitsers ondanks een bescheiden voorverdediging in 60 uur aan de Maas konden staan en binnen 84 uur de Maas konden oversteken [517: blz 46]. Respectievelijk tweeënhalve dag en drieënhalve dag, wat geprojecteerd op mei 1940 betekende op respectievelijk 12 mei aan de Maas en op 13 mei erover! Gamelin was woest geworden toen hem Prételat’s analyse ter oren kwam en beschuldigde de generaal van defaitisme en zwartkijken [‘jouer le pire’]. Een eventuele Duitse doorbraak door de Ardennen zou eenvoudig door reserves kunnen worden gerepareerd, zo riposteerde Gamelin. De uitslag van het krijgsspel werd in de doofpot gestopt en Prételat werd weggepromoveerd. Hij werd commandant van de tweede legergroep, die achter de Maginotlinie lag. Die nieuwe positie had te maken met het feit dat kort na zijn schokkende analyse dat de Ardennen eenvoudig door een sterk gepantserd leger konden worden doorkruist, hij de Conseil Superieur de la Guerre in Parijs opnieuw shockeerde door onderbouwd te stellen dat de Maginotlinie een veel te zwakke statische verdediging vormde, waarbij veel meer dynamische diepte in de bezetting diende te komen om er in elk geval enige waarde uit te halen. Een kwaliteitsinschatting die overigens in 1932 al op een andere wijze door de, in 1936 tijdens de grote Stalin zuivering ‘opgeruimde’, Sovjet maarschalk Mikhail Schtscherbakov was gekenschetst, toen hij schamper opmerkte richting maarschalk Henri Petain, dat de Maginotlinie in het era van parachutisten (waar het Sovjetleger toen in grossierde) een waardeloze stelling was geworden. Dat de Franse legerleiding Prételat zijn kwaliteiten als strateeg kennelijk eerder euvel duidde dan omhelsde, bleek wel uit het feit dat men niets aan de strategie of de bezetting van de sector Dinant – Sedan aanpaste. In feite was het zelfs zo dat het 2e en 9e Leger beiden met afstand de zwakste Franse eenheden in het noordoosten waren. Ze hadden nauwelijks goede tanks ter beschikking en bestonden voor het grootste deel uit B-type divisies alsmede klassieke cavalerie eenheden voor verkenningsdoeleinden. De tanks die men wel voorhanden had waren allen van de zwakste types, zoals de lichte gevechtstanks H-35/H-39 en de lichte infanterietanks R-35 en FCM-36 alsmede de slechts met mitrailleurs bewapende AMR-33/35 en FT-17. Zware of middelzware gevechtstanks hadden beide legers niet voorhanden. Interventies na een onverhoopt Duitse doorbraak – de remedie die Gamelin voor ogen had – zouden dus vanuit het noorden of vanuit het zuiden moeten komen, want op korte afstand was er tussen Namen en Montmedy geen slagkrachtige eenheid te vinden.

Renault FT-17

Dit alles komt in een nog curieuzer daglicht te staan als men bedenkt dat op 1 mei 1940 vanuit Zwitserland de Franse militaire attaché aan het GQG meldde dat de Duitse aanval zich zou ontwikkelen langs het gehele front tot aan de Maginotlinie, met als zwaartepunt de Ardennenregio. Het GQG zag dit echter als bewuste misleiding van Duitse zijde. Dat kan men nog wel verklaren. Immers, de op 10 januari 1940 in handen gevallen Duitse plannen hadden een heel ander scenario geduid (hoewel men au contraire het daarom óók aannemelijk had kunnen achten dat die Duitse plannen daarna gewijzigd zouden zijn ...). Bovendien kreeg men allerhande divergerende berichten over de Duitse aanvalsopzet en is het alleen achteraf eenvoudig de betrouwbare berichten – die de onderzoekers altijd (a posteriori) opvallen en dus in de geschiedenisboeken verwerken – te scheiden van de onbetrouwbare. Het is echter niet verklaarbaar waarom de strategische verkenningen die op 11 en 12 mei werden verricht, en inderdaad een grote legermacht in de Ardennenregio bewezen, niet direct aanleiding waren voor tenminste een gedeeltelijke aanpassing van de Franse strategie. Deels lag die oorzaak bij het filteren door de staven van het 2e en vooral het 9e Leger van verzamelde verkenningsinformatie. Op de staf van het 9e Leger werd zoveel ongeloof gehecht aan vliegerrapporten die duidden op grote massa’s gepantserde voertuigen, dat ze in eerste instantie niet eens aan de legerleiding werden doorgegeven. Het was dus niet slechts een falen van het GQG, maar in feite een collectief Frans falen om de sterke voortekenen van een afwijkende (dan verwachtte) strategie te onderkennen. 

Een opvallende kwestie hierbij was bovendien dat de l'Armee de l'Air geen middelen vrijmaakte om de Ardennen regio aan te vallen. Dat werd wel door de AASF gedaan, het vrije tactische deel van de BAFF. Op 10 mei werd door de AASF een tweetal (gezien de middelen) aanzienlijke luchtaanvallen op de Luxemburgse regio uitgevoerd. Die acties vonden overigens (a posteriori) geen goedkeuring bij de hogere Britse RAF bevelhebbers in Londen. De aanval werd op eigen titel door de commandant van de BAFF, Air Marshall Arthur Barratt, geinitieerd. Daarbij werden Fairey Battles van 7 squadrons ingezet, ongedekt door jachtvliegtuigen. In totaal ging het om 32 toestellen. In de eerste serie sorties werden er 13 neergeschoten door grondvuur. Een herhaling in de middag kostte nog eens 10 toestellen, waarbij deze keer ook onderscheppende Duitse jagers waren betrokken. Vrijwel geen bom kwam op de Duitse colonnes terecht. De terugkerende toestellen meldden echter wel uitgestrekte colonnes op de Luxemburgse wegen. Ook die berichten vielen onvoldoende in vruchtbare grond. De zware vliegtuigverliezen op de eerste oorlogsdag, en de vereiste inzet in het noordoosten, leidden ertoe dat er geen herhaling van de aanvallen op Duitse colonnes in de Luxemburgse regio werd opgedragen.

Aan verkenningsrapporten en signalen die aanleiding hadden kúnnen geven tot bijvoorbeeld het achter de Maas positioneren van sterke eenheden, die reparerend zouden kunnen optreden bij onverhoopt vroegtijdige Duitse doorbraken in de sectoren van het 2e en 9e Leger. Daartoe werd zoals eerder beschreven dus niet besloten. Daarbij dient echter te worden aangetekend dat de Britse, Belgische en Franse verkenningsrapporten niet gesorteerd op de plottafel van de Franse landmachtstaf of de generale staf lagen en dus een eenvoudig optelsommetje toonden. Door de intens omslachtige en weinig formele Franse bevelsketen, kwam er veel ruis op de lijn. Op zich alarmerende rapporten werden 'omlaag geschaald', niet eens doorgezonden naar hogere staven of kwamen zwaar vertraagd aan. Desalniettemin tonen ook die hiervoor benoemde praktijken aan dat het Franse leger in de volle breedte 'het evangelie' van Gamelin trouw naleefde, dat de Ardennen geen hoofdtheater zouden vormen. De wens was in feite meer vader van de gedachte geworden.

De sector van het Panzerkorps Hoth

Op 10 mei waren de Belgische formaties in de Ardennen, ondanks dat hier en daar hardnekkig en vooral moedig weerstand werd geboden, simpelweg opzij geschoven. Begrijpelijk. Zij vochten tegen spitsformaties van sterke Duitse tankdivisies en konden daar met hun handvol lichte tanks en antitankgeschut weinig tegen beginnen.

In het noordelijke deel van de Ardennen – midden België – opereerde op de flanken van de ijzersterke Panzergruppe Kleist, het zwakkere en met twee tankdivisies uitgeruste Panzerkorps Hoth. Het uit 5.PD [Generalleutnant M. von Hartlieb-Walsporn] en 7.PD [Generalmajor E. Rommel] bestaande tankkorps [15.AK] van General Hoth viel onder het 4.Armee. De 7e Panzerdivision werd gecommandeerd door de later legendarische Generalmajor Erwin Rommel. Een man die tot aan de invasie in Polen geen schim was van de latere tanktacticus en zelfs tot de fervente tegenstanders van de theorieën van Heinz Guderian behoord had. Maar tijdens de strijd in Polen bleek Rommel niet alleen een begaafd commandant en leider, maar zag hij ook het licht ten aanzien van Guderian zijn theorie van gebalde pantservuisten die met grote snelheid en excentrische door de vijandelijke linies moesten stoten. Zoals Karl-Heinz Frieser het zo mooi onder woorden bracht in zijn ‘Blitzkrieglegende’ [517] ontpopte Rommel zich in Polen ‘vom Saulus zum Paulus’. Ofwel, hij werd volledig bekeerd. Hoe die ontpopping zijn weerslag had op Rommel zijn eigen eenheid, zou de Westfeldzug duidelijk maken.

De 4.Armee vormde de verbinding tussen de 6.Armee en de 12.Armee, waarin de Panzergruppe Kleist was ondergebracht. Grofweg had het tot doel het centrale deel van België aan te vallen en dan met de 12.Armee naar het zuiden af te buigen richting Dinant. De eerste aanvalsrichting was in het stroomgebied van de Ourthe, waarbij de linker vleugel door het noorden van de Ardennen net boven Luxemburg trok en de rechtervleugel onder de Maas bleef.

Op de eerste oorlogsdag waren de beide tankdivisies tot 20 kilometer op Belgisch grondgebied doorgedrongen, daarbij meer gehinderd door de smalle slingerwegen dan de Belgische defensie. De aan te vallen sector lag in het vak van het Franse 9e Leger. Zij vonden aan Franse voorverdedigers dus de Groupement d’Arras en Barbe tegenover zich en qua Belgische verdedigers in hoofdzaak het 3e Regiment Ardense Jagers [2e Divisie Ardense Jagers]. 5.PD koos de noordelijke route richting Sankt Vith, terwijl 7.PD richting Houffalize trok. De 5e komt op 10 mei niet voorbij Sankt Vith met haar hoofdmacht, omdat de toevoerwegen effectief waren versperd door de Belgen. Het zuidelijker opererende 7e werd echter door Rommel persoonlijk in voorste lijn gecommandeerd de hoofdwegen te mijden en de niet of nauwelijks versperde binnenwegen te kiezen. West van Houffalize stopte 7.PD in de late avond van 10 mei, omdat de aansluiting met 5.PD verloren was gegaan.

Op 11 mei sloten de laatste Franse verbanden aan op de Belgische. Daarbij ontstond allerhande frictie tussen de Fransen en Belgen. De laatste hadden orders zich niet in langdurige gevechten te doen laten verwikkelen om uitschakeling van grote eenheden te voorkomen, terwijl de Fransen onder instructies waren hardnekkig weerstand te bieden en verteld was dat de Belgen hen zouden steunen. Bovendien waren de uitgebreide vernielingen die de Belgen van Groep K aanrichtten, nu juist hinderlijk voor de oprukkende Franse cavalerie eenheden. Gamelin had geweten van beide kwesties, maar dit niet aan zijn ondercommandanten doorgegeven uit angst voor sterke protesten tegen de marsorders. De onjuiste instructies van Gamelin aan zijn ondercommandanten leidden daardoor – net als in Nederland – tot een valse start bij de verbonden operaties. Het leidde hier en daar zelfs tot opmerkelijke excessen tussen Belgische en Franse officieren. De tweede dag verliep mede daardoor desastreus. De lichte eenheden van de Belgen en Fransen werden volkomen overlopen door de beide Duitse tankdivisies. Al in de loop van de dag werd 4.DLC door 5.PD tot aan Marche-en-Famenne teruggedrongen en tegen de avond wisten verkenningseenheden van 8.AA – de verkenningsafdeling van 5.PD – tot aan Ciney, op enkele kilometers van de Maas bij Dinant, door te stoten.

Ten zuiden van Marche opereerde 7.PD, dat erin slaagde 1.DLC terug te dringen tot Humain, Hargimont en Rochefort, waarbij de voorste eenheden van Rommel tot aan Houyet, op steenworp afstand van de Maas doordrongen. Twee dagen waren er verstreken waarin de voorste gelederen van het Panzerkorps Hoth op een paar kilometer stonden van het doel dat Gamelin hen pas na vijf tot zeven dagen had zien bereiken.

De Franse lichte cavalerie eenheden hadden weliswaar hier en daar enige afbreuk kunnen doen aan de Duitse lichte eenheden (Kradschützen), maar ontbeerden de zwaardere middelen om de pantserwals der Duitsers langer dan enige uren op te houden. Bovendien werden vele eenheden links en rechts uit de flanken verrast en vernietigd of gevangen genomen. Het 1.DLC werd zwaar aangepakt. Haar pantserwagen verkenningseenheid [1.RAM, Regiment d’Autos-Mitrailleuses] werd zelfs zo goed als vernietigd ten noorden van Rochefort.

De opgeblazen bruggen over de (Boven) Ourthe vormden voor de goed voorbereide Duitsers nauwelijks een uitdaging. De opgeblazen zware stalen brug te Hotton, even noordoostelijk van Marché, bleef bovendien voor licht transport en manschappen overschrijdbaar. Reeds in de middag slaagden de Duitse pantsers erin het riviertje over te steken. Ook andere bruggen werden eenvoudig omzeild of snelle aanleg van pontonbruggen bracht uitkomst. Bovendien slaagde de Fransen er niet in de versperringen effectief te verdedigen. Het gehele voorverdedigingsplan liep zodoende in het honderd. Hoe de Franse legerleiding daarentegen had kunnen verwachten dat de lichte eenheden van 1.DLC en 4.DLC Duitse gevechtstanks effectief hadden moeten tegenhouden, is een niet te beantwoorden vraag. Het typeerde echter de onderschatting van de snelheid van een Duitse opmars door het gebied in het noorden van de Belgische Ardennen.

Maar die onderschatting was ook op het OKH van toepassing. Zo was Franz Halder, de chef-staf - hoewel uiteindelijk een voorstander van de geconcentreerde grote aanval door de Ardennen - een cynicus geweest en gebleven ten aanzien van de geambieerde operationele snelheid. Hij dacht dat de calculaties die Von Manstein en Guderian hadden gemaakt - dat men in drie dagen aan de Maas kon staan - zwaar overdreven waren. Maar Halder was dan ook haast net zo’n traditiedenker als zijn tegenstrevers in Parijs. Hij dacht weliswaar strategisch progressiever dan Gamelin, maar organisatorisch (tactisch en operationeel) was hij haast net zo conservatief. Zijn uitgangspunten waren min of meer gesloten verbanden, die weliswaar brutaal maar in samenhang zouden optreden. Daarvan was echter in het veld geen sprake in mei 1940. De leidende Duitse veldcommandanten raasden voort met spitsformaties ter grootte van versterkte bataljons of regimenten, vaak de hoofdmacht ver achter zich latend. Zij namen tactisch soms enorme risico’s, maar werden in mei 1940 keer op keer beloond wegens een in het geheel aflatende tegenstand. Daarmee voldeden zij volledig aan de verwachtingen en lessen van Guderian en Manstein, maar verrasten zij het OKH. Zodanig dat het overkoepelende OKW in de avond van 11 mei ingreep.

De snelheid van het Panzerkorps Hoth was een gevaarlijke ontwikkeling voor de valstrik die de Duitse legerleiding immers had gezet voor de verbonden legers in België. Als Hoth zijn verbanden eerder aan de Maas zouden staan dan het Panzerkorps Guderian, dan zou dit negatieve effecten kunnen hebben op het Entente besluit om haar hoofdmacht verder in België te ontwikkelen. Hoth kreeg daarom te horen om even te temporiseren. Een bevel dat met nadruk bij zijn ondercommandant, Generalmajor Rommel, duidelijk werd neergelegd. Die werd zelfs vermanend op de vingers getikt dat hij te snel voorwaarts was gegaan!

De sector van het Panzergruppe Kleist

De Panzergruppe Kleist liet van noord naar zuid 2.PD [Generalleutnant R. Veiel], 1.PD [Generalleutnant F. Kirchner] en 10.PD [Generalleutnant F. Schaal] – gezamenlijk geadresseerd als 19.Panzerkorps, o.l.v. General Heinz Guderian – naast elkaar opstomen door Luxemburg richting Maas. Pas in het derde echelon kwamen 6.PD en 8.PD, met voor hen de infanterie van 2.ID (mot), 29.ID (mot) en het regiment Gross Deutschland (mot.).

2.PD had een route net ten noorden van de Sauer richting Nives. De centrale 1.PD koos een route net ten zuiden van de rivier in de richting van Martelange en de beduidend zuidelijker opererende 10.PD zocht haar route door centraal Luxemburg richting de noordoever van de Samois. Met name de Samois, met zijn grillige verloop en grote hoogteverschillen langs haar zuidoever, werd door de Fransen als een formidabel obstakel gezien voor Duitse gemotoriseerde eenheden die noordelijk van de rivier richting Maas zouden optrekken. De vertraging die de Fransen verwachtten van de oversteek van de ondiepe Semois was goed voor een voornaam deel van de tijdsconsumptie, die zij nodig achtten om de Maas bij Sedan te kunnen bereiken. De Semois stroomt bij Montherme – een plaatsje precies gelegen tussen Dinant en Sedan – in de Maas.

Zuid-Oost België 11 mei 1940

De Duitsers hadden de Fransen verslagen in de race voor de kritische kruispunten in Luxemburg en de Franse cavalerie eenheden spoedig tot terugtrekken gedwongen of gevangen genomen. Maar de eenheden lieten zich niet in de minste mate afremmen door tegenstand. De grootste uitdaging vonden de Duitsers in eigen handelen. Want logistiek ging bijkans alles mis wat er mis kon gaan. De voorste echelons merkten daar weinig van, maar de hoofdmachten van met name 1.PD en 2.PD raakten door elkaar, toen door fouten (maar ook bewuste keuzes volgend uit aangetroffen versperringen) men elkaars routes begon te gebruiken. Het zou niet alleen voor met name 1.PD grote vertraging op haar eerste dagschema betekenen, maar vooral leiden tot het gegeven dat de achteropkomende eenheden zich twee dagen lang in een nauwelijks bewegende file  bevonden. Een legermacht geparkeerd over de gehele Luxemburgse breedte, tot kilometers diep Duitsland in. Dat baarde niet alleen de lokale legerleiding grote zorgen, maar ook het OKH. Men voorzag een mogelijke catastrofe als de Entente luchtmacht de lange colonnes zou ontdekken. Merkwaardig genoeg gebeurde dat ook, maar zonder dat dit leidde tot paniek bij het GQG voor een onverhoedse massieve aanval vanuit de Ardennen op de Maas en zonder dat de ontdekking van de Duitse colonnes ertoe leidde dat luchtaanvallen werden uitgevoerd!

De redenen waarom de Franse en Britse luchtmachten de Luxemburgse wegen met rust lieten was deels gelegen in de strategische successen van de Duitsers in het noordoosten. Een groot deel van de Franse en Britse aanvalsvloot werd op 11 en 12 mei ingezet om de overgangen over de Maas (pontonbruggen) in Nederlands Limburg en het Albertkanaal (met name Veldwezelt en Vroenhoven) aan te vallen en alsnog te vernietigen. De Entente zag de daar door de Duitsers beheerste en gebouwde overgangen als de navelstreng bij uitstek voor de Duitse operatie. Bovendien bereikten lang niet alle alarmerende luchtverkenningsresultaten de Franse legerleiding, omdat ze door in het bijzonder de staf van het 9e Leger wegens scepsis maar mondjesmaat werden doorgegeven. Op 10 mei had die staf zelfs aan de luchtmachtstaf gerapporteerd dat sprake was van ‘geen bijzonderheden’. Maar daarnaast werden de wel op het GQG ontvangen berichten over mogelijk sterke Duitse formaties in en rond de Ardennen niet op hun waarde geschat. Die concentraties werden gezien als een zorg van ondergeschikte orde, omdat men verwachtte nog voldoende tijd te krijgen daarop te anticiperen. En doordat zowel de RAF als de Armee de l’Air onvoldoende aanvalsvliegtuigen voor het noordoostelijke leger beschikbaar stelden, leidde de afweging van het GQG ertoe dat de geparkeerde colonnes der Duitse gemotoriseerde en gemechaniseerde divisies onaangetast bleven. Daar kwam bij dat de interpretatie van de luchtverkenningen (met name door Belgische en Franse vliegtuigen) geen aanleiding gaf tot vaststelling van de aanwezigheid van vijf tankdivisies. Men dacht er met hoogstens twee te maken te hebben. Desondanks waren twee tankdivisies tegenover de lichte troepen in de voorverdediging – die slechts over lichte tanks beschikten – een macht waarmee men rekening diende te houden en die in feite al had moeten leiden tot het achter de Maas in vooruitgeschoven stelling brengen van enige gevechtstank eenheden. Dat was immers de doctrine geweest waarmee Gamelin had gemeend de theorie van général Prétalet te kunnen pareren, dat de Maas voor een kundige aanvaller met tanks al op de derde oorlogsdag zou zijn te overschrijden. In de gelederen van het 2e noch het 9e Leger waren slagtanks voorhanden. Die zouden uit het noorden moeten komen of helemaal vanuit het zuiden. Er werd echter helemaal geen actie ondernomen. Opnieuw waren de uitdagingen die de Duitsers ervoeren wegens slechte logistieke planning niet onderhevig aan afstraffing door de tegenstander.

2.PD – de divisie die tot maart 1938 door Heinz Guderian zelf was geleid – had op 10 mei een voortvarende start gekend, maar viel op 11 mei terug. De divisie bleef beduidend achter op de zuidelijk van haar optrekkende 1.PD. Dat zou nog een positief neveneffect hebben. Want de tegenover de divisie als vertragende verdediging opgestelde 3.BS zou daarom langere tijd in contact blijven met Duitse troepen en haar verdedigende taak rond Mouzaive (aan de Semois) daardoor verzaken. Daarvan zou 1.PD nadrukkelijk profiteren. De hier en daar door versperringen en plaatselijke gevechten opgehouden 2.PD zou de minste progressie maken van de drie tankdivisies en uiteindelijk haar opmars bij Libin en Paliseul op de tweede oorlogsdag eindigen, waarbij de hoofdmacht rond Libramont bleef liggen, nadat daar enige tijd slag was geleverd met voornamelijk Franse cavalerie.

Het dagdoel van de voorste gelederen van de Panzergruppe Kleist voor 10 mei was Neufchateau geweest. Dat had door 1.PD – algemeen gezien als de elite tankdivisie van de Duitsers – al bereikt moeten worden voor het vallen van de duisternis. Maar bij uitstek die divisie werd onderweg het meest opgehouden. Met name bij Martelange en Bodange moest de divisie pittige gevechten voeren met de Ardense Jagers, en kwam het bijna 8 uur lang niet vooruit. Nadien trof men op Belgisch grondgebied een zodanige veelheid aan vernielingen, en ontbrak het bovendien aan alternatieve routes, dat men bij lange na niet bij het doel van de eerste oorlogsdag aankwam. In plaats daarvan waren de Duitsers pas laat in de ochtend van de 11e gereed om Neufchateau aan te pakken, waarbij slechts delen van het 2e Panzerregiment werden ingezet wegens het feit dat de rest nog onderweg was. De Duitsers slaagden er echter direct in om zuidwestelijk om de stad heen te rijden en de opgeworpen Franse en Belgische weerstand te doorbreken. In plaats van op de rest van de divisie te wachten, commandeerde Generalleutnant Kirchner direct westwaarts door te stoten. Daarmee splitste de spits van de 1e PD de Groupement Evain in tweeën. Want de Fransen waren zo 'slim' geweest de vakverdeling tussen 11.Regiment Curassiers en 60.GRDI precies te laten vallen op de doorgaande weg naar het westen. En zoals iedere ervaren militaire tacticus weet, is dat onverstandig, omdat de coördinatie tussen twee verschillende eenheden veel lastiger is dan binnen eenzelfde eenheid. Zodoende stond colonel Evain ineens voor het voldongen feit dat zijn Groupement door de tanks van Pz.Rgt.2 in tweeën werd gesplitst, waartegen hij niets kon inbrengen. Bovendien had colonel Evain zijn CP en staf in het gehucht Petitvoir, langs de westelijke uitvalsweg rond Neufchateau ingericht. Precies op de kruising van wegen waar Pz.Rgt.2 na haar zuidelijke omtrekking weer op de hoofdweg richting westen kwam. Het inmiddels achter haar optredende Pz.Rgt.1 trok daarop verder westwaarts richting Bertrix terwijl Pz.Rgt.2 afrekende met het zenuwcentrum van de Groupement Evain. Voor de Fransen in Petitvoir was de terugweg zo goed als afgesneden en hoewel ze moedig partij boden, gaven ze zich in de middag over. Ondertussen had een eerste Schützenbatallion de stad Neufchateau ingenomen. Tegen 1800 uur Nederlandse tijd bereikte een deel van PzRgt.1 reeds Bertrix. De stad was 12 km verwijderd van de Franse grens.

De 1e Abteilung van Pz.Rgt.1 [1.PD] was eerst naar Bertrix gereden, maar ten westen daarvan bij Fays-les-Veneurs zuidwaarts gereden richting Bouillon. Die stad aan de Semois was bij de planning door de Duitsers prominent in beeld geweest als opportuun doel [een doel dat moeilijk haalbaar was, maar waarvan het bereiken operationeel grote voordelen zou bieden]. Want Bouillon vormde een wegenknooppunt dat voor directe benadering van Sedan van groot belang kon zijn. De Semois kende ter plaatse een grote meander (lus) waar twee bruggen over de rivier voerden. Als 1.PD Bouillon in handen zou kunnen krijgen, was er geen enkel obstakel meer richting Sedan. Aan Franse zijde werd de zuidoever verdedigd. Daar lagen diverse onderdelen verspreid over de rivieroever en het stadje zelf. De cavalerieverbanden die de voorverdediging hadden gevormd, hadden zich voor de Duitse tanks uit over de Semois teruggetrokken. Een aanzienlijk deel werd echter door de Pz.I en II’s van de 3e en 4e Leichte Panzerkompanies ingehaald, maar totaal genegeerd omdat de tanks trachtten om de nog ongesprongen bruggen over te steken. Maar tevergeefs, want beiden vlogen vlak voor de tanks de lucht in. Het bleek echter dat naast de noordelijke gesprongen brug de rivier doorwaadbaar was voor de Pz.III en IV van de 2e Mittlerschwere Kompanie, waardoor het noordelijke smalle deel van de stad, dat was ingeklemd tussen de beide bogen van de meander in de Semoise, in Duitse handen viel. Maar Duitse Stuka’s, onbekend met het snelle succes van hun landmachtkameraden, begonnen bij ondergaande zon de stad te bombarderen en verhinderden zo een uitbraak richting het zuiden van Bouillon. Toen ook Franse artillerie, 155 mm geschut, vanuit de stelling bij Sedan de stad begon te beschieten, werd het precair voor de Duitse tanks in het smalle stadsdeel. Rond het middernachtelijk uur trokken zij dan ook terug. Dat ontging de Fransen en wederom was er sprake van tegengesteld beleid aan beide zijden. Daar waar de Duitsers wegens de ongewenste tactische beperkingen van de smalle stad zich tegen het nachtelijk uur terugtrokken naar de noordzijde van de Semois, trokken de Fransen zich terug van het zuiden van Bouillon. Zij waren namelijk in de veronderstelling dat de Duitse tanks aan het uitbreken waren en hen zouden overlopen. Bovendien was aan Franse kant de (nog te beschrijven) Duitse inname van een intacte brug over de Semois bij Mouzaive hard aangekomen. Daarom werd een intensieve artilleriebarrage afgegeven, die de aftocht van de Franse troepen rond Bouillon diende te camoufleren. Inderdaad dachten de Duitsers dat de Fransen hen zouden aanvallen, zodat zij hun tanks langs de noordoever opstelden ter afweer. Zonder de infanterie van het Schützenregiment – waarvan slechts een compagnie was aangesloten – wachtten de Duitsers de Franse aanval liever aan de noordoever af. Maar de Fransen kwamen niet en trokken zelfs van Bouillon weg. Het zou betekenen dat de stad bij het krieken van de dag een eenvoudig in te nemen prooi werd, wat een groot gejuich op de diverse Duitse staven teweeg bracht. Men was zodoende recht tegenover Sedan in de vroege ochtend van 12 mei aan de goede kant van de Semois, zonder dat men nog enige natuurlijke weerstand zou tegenkomen tot aan datzelfde Sedan. Slechts de sterk vertraagde aankomst van een zware pontonbrug, zou de voortgang de volgende dag (12 mei) aanzienlijk belemmeren.

Ook westelijker was een onderdeel van 1.PD na Bertrix offensief doorgedrongen tot de Semois. Bij Mouzaive opereerde een vooruitgeschoven afdeling met Kradschutzenbataljon 1 [K.1], een deel van de 2e Afdeling van Pz.Rgt.2 en een batterij 10,5 cm houwitsers. Het geheel stond onder bevel van Major von Wietersheim, de commandant van het K.1. Hoewel deze opdracht had ontvangen om niet voorbij het op twee kilometer westelijker gelegen Cornimont te gaan, besloot de majoor toch te trachten een overval op de brug te Mouzaive te proberen. Daarbij kwam het rond middernacht tot een gevecht. Terwijl een stoottroep van enige motorrijders met lichte tanks van de 3e Kp vlak achter een terugtrekkend verband cavaleristen onverwacht de brug overstak, en deze dus intact in handen kreeg, kwam vanuit het noordoosten een terugtrekkend verband van de 3e Spahi Brigade (3.BS, een brigade koloniale Marokkaanse troepen onder Franse officieren) op de brug af met de bedoeling deze over te steken. Zij werden echter door de Duitsers krachtig afgewezen. Daarop besloot de commandant van de Marokkaanse cavalerie om zijn eenheid noordwestelijker over de rivier te brengen. Toen hij constateerde dat de Duitsers de brug in handen hadden en zijn tegenaanvallen werden afgewezen ontruimde hij – zonder overleg – de posities rond Mouzaive. Daarmee lag – zonder dat men het wist – de flank van de voorverdediging van het 2e Leger ten zuiden van het stadje ineens geheel bloot. Men wist daar niet van de ontruiming op hun linker flank, noch van de Duitse penetratie aan de zuidzijde van de rivier! Toen men ervan vernam, leidde het onmiddellijk tot het terugnemen van de voorverdediging van het 2e Leger. Het door een stoutmoedige actie innemen van de brug bij Mouzaive had zodoende tot gevolg dat zowel een intacte overgang was veroverd als dat de Franse voorverdediging tot aan de noordoever van de Maas werd teruggetrokken. Zoals eerder beschreven was de situatie bij Bouillon hiervan niet los te zien. Aan Franse kant achtte men de Semois verdediging immers op twee cruciale punten doorbroken.

De Duitsers hadden opnieuw geprofiteerd van falend Frans beleid. De brug bij Mouzaive lag exact op de grens tussen het 2e en 9e Leger. Het lag in een vacuüm tussen die beide legers en had daarom een zwakke bezetting. Sec genomen viel de brug nog onder het 9e Leger, maar direct onder het plaatsje begon het vak van het 2e Leger. Juist de 3e Brigade Spahi was voor de verdediging van Mouvalize verantwoordelijk, maar die Brigade was vooral ten noordoosten van de Semois actief. En door de ontwikkeling van de strijd waarbij 2.PD – de tegenstander van 3.Brigade Spahi – ten noorden van 1.PD veel minder was opgeschoten, was de 3e Brigade Spahi vertraagd richting de Semois teruggetrokken. De initiatieven van de Gruppe von Wietersheim, autonoom van de divisie ontwikkeld, leverden dus goud op voor de Duitsers. Want de intacte brug bij Mouzaive gaven de Duitsers niet meer uit handen. En deze brug lag precies in tussen Sedan en Dinant, bruikbaar voor zowel 1.PD als 2.PD.

Typerend is dat de situatie die hier plaatsvond een bijzonder grote parallel had met de Duitse inname van de brug bij Heeswijk over de Zuid-Willemsvaart. Ook daar profiteerden zij met hun ‘drive forward’ van armoedig tactisch en operationeel handelen bij de tegenstanders en wisten zij daardoor niet alleen direct te komen tot operationele uitbuiting, maar evenzo tot het volkomen ontregelen van de defensie aan weerszijden van de penetratie. Niet voor niets was het Nederlandse leger een (zwakke) operationele afspiegeling van het Franse. Bij beide legers betekende een lokale doorbraak in de heersende operationele doctrine, dat een gehele verdediging werd opgegeven. Er was geen sprake van handelingen tot afgrendeling en tegenactie. Men gaf gewoonweg een verdediging op. Zo kon het gebeuren dat de enkele brug bij Mouzaive aanleiding was tot het ontruimen van twee brede voorverdedigingsvakken en de Fransen zich met de hoofdmacht in het tussenterrein terugtrokken op de Maas en slechts zwakke vertragende verbanden achterlieten.

10.PD had op de eerste oorlogsdag flinke progressie gemaakt, maar ook gevoelige verliezen geleden. Op 10 mei had het in gevechten te Habay en Etalle [ten westen van Arlon]  – gevoerd met Franse en Belgische cavalerie – niet alleen een aanzienlijk aantal manschappen verloren maar ook de commandant van Schutzenregiment 69 [Oberst Dr Kurt Ehlermann, vaak abusievelijk in bronnen als commandant van SR.3 aangeduid]. In die sector was de divisie blijven liggen, waar het kort na middernacht van de Ia van de Panzergruppe Kleist opdracht kreeg op 11 mei zich zuidwaarts te keren richting Longwy en Virton, in anticipatie op een Franse flankaanval, die verwacht werd. Toen Korpscommandant Heinz Guderian van die opdracht lucht kreeg, pareerde hij deze onmiddellijk. Typerend voor deze bevelhebber, achtte hij de instructie contraproductief en vooral onwerkelijk behoudend, omdat slechts lichte Franse cavalerie werd verwacht. Hij wilde de 10e Panzerdivision westwaarts laten oprukken in plaats van passiveren aan de zuidelijke grens met Frankrijk. Onderwijl gaf hij de commandant van 10.PD vast opdracht via Rulles op te rukken richting Cugnon [oostelijk van Bouillon, zuidwestelijk van Neufchateua]. Zijn van de Panzergruppe Kleist afwijkende opdracht was de eerste eigenzinnige interventie van General Guderian tegen bevelen van hogeraf tijdens de Westfeldzug. Terwijl 10.PD al westwaarts onderweg was, kreeg Guderian goedkeuring voor de gewijzigde inzetrichting en de 10e Panzerdivision bereikte zonder al te veel problemen de Semois regio. Het regiment Gross Deutschland – de enige beschikbare zelfstandige (gemotoriseerde) infanterie voor 19.AK – werd achter 10.PD tot aan Herbeumont (zuidwest van Neufchateau) aangetrokken. Het diende de flank te dekken en als operationele infanteriereserve te fungeren. De staf en commandopost van General Guderian zelf werd te Neufchateau ingericht, in de avond van 11 mei.

Samenvattend en beschouwend

De tweede oorlogsdag bracht de spits van de Panzergruppe Kleist – gevormd door het gehele 19.AK Panzerkorps van Guderian – grotendeels tot aan de Semois. Een tweetal overgangen over die ondiepe rivier was al verkend en zelfs een intacte brug bij Mouzaive veroverd. Slechts 2.PD lag enigszins achter op het progressieve schema, maar de twee voornaamste voorstoten tegenover Sedan, door 1.PD in het centrum en 10.PD op de linkervleugel vorm gegeven, hadden de Duitse tanks al op steenworp afstand van de Franse grens en de Maas gebracht na nog geen twee dagen oorlog.

Noordelijker was het Panzerkorps Hoth – met name 7.PD – al zover doorgestoten dat het door het OKW tot een pauze werd opgeroepen. Hoth zijn verband diende als beveiliging van de rechtervleugel voor de gepantserde formaties van Von Kleist en mocht onder geen beding voor het dispositief van het 19.AK uit snellen. Dat zou immers het gevaar in zich herbergen dat de Entente zijn strategie van hoofdverdediging in België te vroeg zou loslaten en de opgezette valstrik vanuit de Ardennen niet zou slagen.  

De Belgische verdediging had zich vooral beperkt tot het stellen van onnoemelijke hoeveelheden versperringen en het opblazen van honderden bruggen en bruggetjes. Hier en daar wisten de Ardense Jagers en onderdelen van het 3e Legerkorps onder Luik de Duitsers enige tijd lokaal goed weerstand te bieden. Hun taken waren echter nadrukkelijk om niet ten offer te vallen aan de sterke Duitse verbanden en zich te beperken tot terugtrekkende gevechten. Die instructies stonden haaks op de Franse opzet, die juist was om met lichte verbanden de Duitsers tenminste vijf dagen op te houden in de sectoren voor de Maas en de KW-stelling. De samenwerking tussen de Franse en Belgische verdedigers verliepen moeizaam. In feite bestond er geen samenwerking, werkte de Belgische tactiek tegen de Franse en ontstonden er zelfs grote conflicten tussen lokale bevelhebbers van de beide legers. Daarnaast bleken de Franse lichte eenheden, die voor de hoofdverdediging van het 2e en 9e Leger opereerden, te slecht uitgerust met zware wapens en tanks om de vijf Duitse tankdivisies voldoende op te houden. Daarbij kwam dat de Franse doctrine van een gesloten verdediging zodanig in Duits voordeel was, dat iedere lokale Duitse doorbraak massale Franse terugwaartse verplaatsingen tot gevolg had. Zodoende voerden de Fransen uiteindelijk toch de gevechten – voor zover het zover kwam – zoals de Belgen hadden voorzien.

De Duitsers hadden de Franse operationele doctrine volkomen verwacht. Zowel op de staf van Hoth als van Guderian rekende men op Franse terugtrekking nadat zij lokaal waren verdreven. Precies zo geschiedde, waardoor het zelfvertrouwen van de Duitse veldcommandanten alleen maar toenam. Daarbij kwam dat de fouten die aan Duitse kant alom werden gemaakt en de tactische risico’s die de divisiecommandanten namen, op geen enkel moment door Belgisch of Frans handelen werden afgestraft. Doordat de Franse operationele handelingen volledig voorspelbaar bleken te zijn, durfden de Duitse veldcommandanten enorme tactische risico’s te gaan nemen. Risico’s die men a priori al in het tactisch en operationeel handelen had ingebouwd, werden nog eens uitgebreid. Zodanig, dat zelfs de handeling van een Duitse majoor om buiten de kaders van zijn opdracht te treden gesanctioneerd werden door de divisiecommandant en prompt een zeer belangrijk operationeel succes opleverde, doordat een intacte brug over de Semois werd ingenomen bij Mouzaive, wat bovendien tot een massale Franse terugtrekking leidde. Zo werden de marges tussen het Franse en Duitse operationele handelen met de dag, zelfs met het uur, groter. Alles wat de Duitsers initieerden, gelukte. En dat waren successen die niet alleen afgedwongen waren vanuit Duitse durf, maar vooral gefaciliteerd werden door de Fransen vanwege hun risicoloze operationele opvattingen.

Die risicoloze Franse opvattingen zijn niet goed te begrijpen. Daar waar zelfs de Nederlandse OLZ begreep dat troepen in een voorverdediging operationeel als verloren moesten worden beschouwd, dachten de Belgen en Fransen dat zij met hun voorste eenheden zowel een effectieve voorverdediging konden voeren als hen goeddeels intact terugnemen op de hoofdverdediging nadat hun vertragende taken waren volbracht. Dat toonde de Franse en Belgische legerleiding niet alleen grenzeloos naïef, in de onderschatting van het te ontwikkelen Duitse aanvalsmomentum, maar eveneens ambivalent. En die ambivalentie is nu juist de rode draad door met name het Franse operationele denken en handelen. Men komt het telkens tegen. In het noorden het buiten het hoofdtheater plaatsen van 1.DLM, maar het vervolgens niet operationeel inzetten. Het in het noordoosten ontplooien van grote voorverdedigingsverbanden, maar deze consequent gevechtscontacten laten vermijden. Het opteren voor een zeer risicovolle en tijdkritische strategie volgens het Dyle-Breda scenario, maar vervolgens dagmarsen voor grote formaties verbieden. Het onderkennen van een mogelijk Duitse doorstoot door de Ardennen, dit adresseren als te pareren met gemechaniseerde tegenmaatregelen achter de Maas, maar deze vervolgens niet ter voorbereiding alvast in positie brengen. Het uitgebreid inzetten van luchtmacht verkenners in de Ardennen regio, maar vervolgens de bevindingen bagatelliseren. Het was een aaneenschakeling van hinken op twee gedachten. En dat is fnuikend, want het betekende in concreto dat men in feite nooit, welke handeling of operatie dan ook, met overtuiging uitvoerde.

Als men voor een voorverdediging opteert, in een sector die zich voor hardnekkige verdediging niet leent en zo in strategisch opzicht ook niet bedoeld is, dan levert een simpele analyse op dat een dusdanige dynamische verdediging voeren in een gesloten verband onwaarschijnlijk is. Het betekent immers dat de door diverse eenheden verdedigde sectoren onafhankelijk van elkaar tot ontwikkeling zullen komen. Daar waar de tegenstander hoofdstoten ontwikkelt, zal in de regel eerder sprake zijn van wijkende verdediging en daar waar lacunes in het vijandelijk dispositief ontstaan of blijven, zal de verdediging langer kunnen vasthouden aan zijn posities. Daardoor ontstaan bedreigingen, maar evenzo kansen. Als in de flanken gepasseerde voorverdedigingen in eigen sector geen tegenstander krijgen, hebben zij in wezen twee opties. Terugtrekken of de tegenstander zelf in de flank aanvallen. De Fransen kozen in mei 1940 standaard om terug te trekken. Dat was enerzijds het gevolg van de doctrine om alleen in aaneengesloten verband te opereren, maar anderzijds ingegeven door de instructies om niet als eenheid te worden uitgeschakeld. Het gevolg was dat de Duitse tankdivisies een tegenstander troffen, die onmiddellijk het veld ruimde als zijn dispositief werd gepenetreerd. Dat bood de Duitsers de luxe om zich om kwetsbare flanken nauwelijks te bekommeren. De hele Duitse aanvalsdoctrine was gebaseerd op het uitgangspunt van Franse passiviteit en hun terughoudendheid om risico’s te nemen. De Fransen deden er alles aan om die Duitse perceptie van de Franse doctrine te bevestigen en daarmee de Duitsers volop te faciliteren. Uiteindelijk konden slechts delen van de voorverdedigingseenheden veilig naar het westen terugwijken maar ging het gros verloren doordat zij simpelweg in de armen van nakomende Duitse troepen liepen of omdat ze zich vrijwillig overgaven.

Zou de Franse legerleiding net als de Nederlandse uitgegaan zijn van afgeschreven troepen in de voorverdediging, dan hadden de Franse cavalerie eenheden wellicht op meer plaatsen initiatieven genomen of langer doorgevochten. De praktijk was echter dat zij gevechten meden, omdat zij alweer instructies ontvingen om een nieuwe verdedigingslijn in te nemen. De bakens werden telkens verzet, voordat de schepen ze hadden bereikt. Juist die operationele praktijk was zo typerend aan de orde in het zuidoosten van België en de gevolgen kwamen frappant overeen met de chaos, die op 11 en 12 mei ontstond in Zuid-Nederland, nadat de Nederlandse legerleiding verzuimd had vooroorlogs zich te buigen over een alternatief scenario voor een doorbroken Peel-Raamstelling. Want daar was juist aan de orde dat naast het afschrijven van de troepen in de voorverdediging, ook de troepen in Noord-Brabant waren afgeschreven. Als dat dan zo was, waarom werd dan niet aan de TBB in Nederland de instructie gegeven ook een lokaal doorbroken Peel-Raamstelling duurzaam te blijven verdedigen in andere sectoren? Ten aanzien van de Nederlandse besluitvorming t.a.v. de te volgen strategie in Brabant was er dus in vergelijking tot de Franse ambivalentie in zuidoost België een treffende overeenkomst te vinden.

De bovenstaande beschouwing zou aanleiding kunnen zijn te denken dat de Franse legerleiding zich in de avond van 11 mei grote zorgen maakte over de situatie in de sectoren voor het 2e en 9e Leger. Niets was minder waar! Met name het 9e Leger rapporteerde bedeesd, haast indolent, richting de legerstaf dat er geen reden tot zorg was. De posities in de hoofdverdediging waren ingenomen, de Duitse opmars weliswaar voortvarend, maar geen enkele reden aan te nemen dat de Duitsers met hun hoofdmacht spoedig zouden kunnen aanvallen. Men was vol vertrouwen. Dat was ook wel te verklaren. Want général Corap, de commandant van het 9e Leger, negeerde simpelweg de alarmerende berichten die zijn staf bereikten. De rapporten van zijn cavalerie, die door krachtige Duitse tankaanvallen waren teruggeslagen, achtte hij overdreven. De rapporten van verkenners van de luchtmacht over massale Duitse formaties in de Ardennen zelfs absurd. De klassieke fout werd gemaakt dat de eigen verwachting werd ingevuld door 'intell' te projecteren op die eigen verwachting. Zoals generaal Winkelman en zijn chef-staf op 11 en 12 mei talloze berichten zouden negeren van oprukkende tanks in de Langstraat – omdat ze die nu eenmaal niet verwachtten – negeerde général Corap de overdaad aan signalen dat zich tegenover hem wel eens een formidabele strijdmacht kon ontwikkelen. De snelle Duitse opmars weet hij eerder aan de ongeschiktheid van de lichte cavalerie eenheden in de voorverdediging, dan de overmacht waarmee deze eenheden door de Duitsers waren aangevallen. Alles viel bij de generaal op zijn plaats … maar wel op de verkeerde plaats.

Zodoende kreeg het GQG vanuit ‘het veld’ veel te weinig betrouwbare berichten binnen. In tegendeel zelfs, er werd gerapporteerd dat alles verliep zoals verwacht, dat er geen bijzonderheden waren. En hoewel anderszins wel degelijk berichten ontvangen werden in Parijs dat zich Duitse troepenformaties van omvang formeerden in de Ardennen, lag de prioriteit bij de eminente zorg: de Duitse successen in het noordoosten. En juist doordat de Duitsers daar op de grond en de lucht alle indruk wekten een hoofdaanval te ontwikkelen – en dat wél in de Franse verwachtingen lag – ging de zorg en aandacht van het GQG en de lagere staven uit naar het front in noordoost België. De Duitsers hadden in hun stoutste dromen niet verwacht dat hun opzet zo volledig zou landen …