6e Grensbataljon

Inleiding

Het 6e Grensbataljon had zich op 10 mei geconfronteerd gezien met een onverwachte taak en wel het heroveren van de positie die zij conform plannen juist geacht was te verdedigen. Men zou verwachten dat 6.GB daarom een groot voordeel had en de zwakke plekken van de verdediging reeds kende. En die zwakke plekken had de verdediging natuurlijk beslist, maar 6.GB deed niet erg haar best die te testen.

In de late middag van 10 mei had 6.GB zich ingespannen met ondersteuning van Nederlandse artillerie in de Hoekse Waard en enkele lichte bommenwerpers van de Militaire Luchtvaartafdeling een offensieve actie te ontwikkelen. Dat was op helemaal niets uitgelopen. De artilleriesteun was onvoldoende dekkend geweest en versprong op een zeker moment zelfs richting de eigen gelederen in plaats van dieper in Duits bezet terrein. Het betekende het einde van de offensieve ambities op de eerste oorlogsdag. Maar de tweede oorlogsdag moest nieuwe kansen bieden.

De gebeurtenissen op 11 Mei in de besproken sector roepen vele vragen op en genereren weinig antwoorden. De onzekerheid over zaken wordt met de lezer nadrukkelijk gedeeld. De mogelijke antwoorden op kwesties worden gegeven.

Duitse versterking

[458] Om circa 0100 uur werd een peloton van 1./Pi.22, die een aantal vrachten T-Minen [Tellermine], Behelfsminen en Versteckten Ladungen meebrachten, de verkeersbrug overgestuurd richting zuiden. Ze moesten het zuidelijk bruggenhoofd beter doen beveiligen tegen aanvallen van Nederlandse en mogelijk Franse troepen.

Moerdijk - Terheyden

De T.Mi.35 was een ronde bordvormige mijn die bedoeld was gewone of licht gepantserde voertuigen uit te schakelen. De mijnen wogen 10 kg per stuk en hiervan waren er 40 voorradig in een reguliere pionierscompagnie. Welke middelen in mei 1940 door de LL Pioniers als Behelfsminen (geïmproviseerde mijnen) werden gebruikt is onduidelijk. De Versteckten Ladungen waren ‘booby trap’ ladingen die in het terrein konden worden weggezet om hetzij waarschuwing te bieden aan de verdedigers van naderende tegenstanders hetzij in het voorterrein een tegenstander te demoraliseren of te hinderen door onverwachte verliezen of explosies. Welke middelen precies gebruikt werden is niet bekend, maar in 1940 zal de S-35 [Schrapnellmine 35] anti-personeelsmijn zeker tot dergelijke middelen hebben behoord.

[458] Met de voorraad die de mannen van 1./Pi.22 meebrachten werden de zuidelijk toegangswegen tot de verkeersbrug gedurende de nacht aanzienlijk versterkt. Aan de linkerkant van het Duitse bruggenhoofd kon dat in alle rust geschieden, maar aan de rechterkant – tegenover Lochtenburg – werd men beschoten bij het uitzetten van mijnen in het voorterrein. Daarbij werd een pionier van Pi.22 gewond. Daarop werd vanuit 7./FJR1 een Gruppe onder Feldwebel Hinrich richting Lochtenburg gestuurd.

Duitse verdediging

[464] Uit het naoorlogse verslag van II./FJR1 blijkt hoe de Duitse verdediging in de ochtend van 11 mei was voorgegeven rond Moerdijk.

Nadat op de 10e mei de Nederlandse troepen waren verslagen, werd II./FJR1 gehergroepeerd. De eenheid had rond de 50 man aan doden en gewonden verloren, wat ongeveer een halve compganiesterkte betekende. Nadat gebleken was dat ten noorden van Willemsdorp geen werkelijke Nederlandse dreiging over was gebleven, maar ten zuiden van Zevenbergen wel Nederlandse verbanden in beweging waren, besloot BC Hauptmann Prager om 6., 7. en 8./FJR1 ten zuiden van de bruggen in een krap bruggenhoofd rond de landhoofden te ontplooien. De 5e Kompanie bleef ten noorden van de bruggen.

[464] Aan de rechterkant (westen) werd 7./FJR1 in stelling gehouden. Het verdedigde de sector van Rode Vaart tot aan de verkeersweg. De linkerzijde was voor 6./FJR1 dat dus tussen verkeersweg en de hoek Lage Zwaluwe posities innam. Men bedenke dat beide compagnieën daarbij niet buiten een sector van 2 km van de bruggen af traden. Een binnenverdedigingsring dus. Voor de stelling, aan weerszijde van de weg in een oude opstelling van de Nederlandse verdediging, werd 8./FJR1 met haar acht zware mitrailleurs geposteerd. Hun posities waren ongeveer 400 m voor de ring die de beide andere compagnieën hadden gevormd.

[464] De CP van II./FJR1 lag aan de rechterkant van de weg (vanuit Duitse optiek, dus west van de verkeersweg), op zo'n 300 meter van de verkeersbrug. Er was een werkende radioverbinding met de CP van Bräuer in Tweede Tol.

De drie compagnieën hadden enige Gruppen moeten afstaan ter verdediging van Tweede Tol en ongeveer 35 man verloren tijdens de strijd op 10 mei. Een en ander betekende dat in de ochtend van 11 mei een sterkte van ongeveer 300 man parachutisten in de stelling zuid van de brug lag, aangevuld met zo'n 40 pioniers van Pi.22. Over eigen zware wapens beschikten zij niet. Naast de zware mitrailleurs en vermoedelijk twee 7,92 mm pantsergeweren, hadden zij slechts de Nederlandse stukken 6-veld (twee stuks) en aan de noordzijde van de brug de twee Skoda houwitsers van de Fallschirm-Geschutz-Batterie 7 ter beschikking. Onduidelijk is of reeds het peloton PAK was aangekomen, dat in Duitse verslagen weliswaar wordt beschreven als gedurende de nacht in Willemsdorp aangekomen, maar waarvan inzet ten zuiden van de bruggen op de 11e op geen enkele aanwijzing in verslagen kan rekenen. Auteur dezes is geneigd te stellen dat er op 11 mei 1940 nog geen PAK beschikbaar was ten zuiden van de bruggen. Wel lijkt er (tenminste) één stuk 7-veld (met munitie), veroverd op III-17.RA langs de Zeedijk, door de Duitsers naar het zuidelijke bruggenhoofd te zijn overgebracht. Het Duitse gevechtsrapport spreekt in elk geval van een door de 6e Kompanie meegebrachte veroverde vuurmond van 10,5 cm. Men vergiste zich vermoedelijk in het kaliber [458].

Al met al betekende het dat de Duitse verdediging kort op de bruggen was georganiseerd. Hoewel zij niet beschikten over zware wapens, was het geheel open terrein om hen heen tegen infanterie aanvallen uitmuntend te beschermen. De overdaad aan automatische wapens - er waren circa 40 lichte mitrailleurs en 8 zware mitrailleurs van Duitse origine en zo'n 35 automatische wapens die men van Nederlandse troepen had veroverd - was ruimschoots voldoende om een infanterie aanval af te slaan als dit niet van directe zwaardere vuursteun was voorzien.

Voorraad of parachutisten?

In de ochtend – het exacte tijdstip is onzeker maar gezien de meldingen in verslagen kort na zonsopkomst – vond een grote bevoorrading plaats van de Duitse parachutisten bij Moerdijk, vermoedelijk door een aantal He-111’s die vanaf grotere hoogte in groepen van drie toestellen Nachschubbomben afwierpen voor II./FJR1. Nederlandse en Franse bronnen meldden hierop hernieuwde Duitse parachutistenlandingen, zelfs met toevoegingen als 'honderden valschermtroepen ter versterking'.

In de voorste linies namen de Nederlanders waar dat het bevoorrading betrof, maar in het achterland was het onderscheid voor leken niet te zien tussen voorraad en personen. Het vervelende was dat de bevoorrading van veel grotere hoogte plaatsvond dan de afsprong van parachutisten, waardoor observators in een veel groter gebied de ‘droppings’ waarnamen. Binnen dat gebied ontstond dan in de regel grote beroering en werden veelal patrouilles uitgestuurd of berichten richting staven gestuurd die niet accuraat waren. Pas na enige dagen gingen sommige commandanten te velde inzien dat ze regelmatig voorraaddroppings waarnamen en geen parachutistenlandingen.

Het stafwerk Brabant en Noord-Limburg [5: blz. 379/380] – dat beschrijvend ziet op de gebeurtenissen rond 6.GB – schreef dat er in de ochtend van 11 mei Duitse parachutisten ter versterking landden en dat er zelfs enige in de rug van 6.GB landden. In 1952 toen het betreffende deel werd samengesteld [uitgegeven in 1953] had men kennelijk nog onvoldoende informatie over de details van de Duitse parachutistenlandingen. Alhoewel, enkele Nederlandse krijgsverslagen spraken duidelijk van Duitse bevoorrading die voor hun ogen plaatsvond. Het is dan een keuze tussen wat men wenst aan te nemen en af te drukken en die keuze viel op aangevoerde versterkingen.

In feite was het zo dat na 10 mei nog slechts eenmaal een kleine groep parachutisten werd gedropt, op 11 mei rond 0530-0600 uur. Dat was een groep van circa 60-70 man onder de Oberleutnant Moll, die op het Eiland van Dordrecht werd afgezet. Zij werden in hoofdzaak rond Tongplaat afgezet wat optisch, zeker vanaf Brabantse zijde, op een landing vlakbij Moerdijk geleken kan hebben. Alle overige meldingen van hernieuwde landingen betroffen waarnemingen van afweergeschut detonaties, bevoorrading of onverhoopt het verlaten van een aangeschoten vliegtuig.

In ieder geval leidde de waarneming van de dropping in de vroeger ochtend van 11 mei bij Moerdijk tot een (valse) melding in het hoofdkwartier van colonel Dario langs de weg Tilburg – Turnhout, dat massale luchtlandingen bij Moerdijk plaatsvonden. De kolonel was de chef van het verkenningsregiment [6.RC] van de op papier sterkste Franse tankdivisie, 1.DLM.

[606] Chef d’escadron Michon – commandant van een eenheid die naar Moerdijk zou worden gezonden in de ochtend van 11 mei – omschrijft de motivatie voor zijn opdracht als volgt:

« D’autres renseignements reçus au PC du Colonel signalent des descentes massives de parachutistes au Nord de Breda, au pont de Moerdijk, (route de Breda a Rotterdam), que ce pont serait occupé par l’ennemi qui aurait même pu l’atteindre par des éléments terrestres progressant du Nord de la Meuse.

Bien que cette région soit en dehors de la zone d’action du régiment, et meme de la DLM et appartiennes au groupement de GR du Colonel de Beauchesne, je recois l’ordre du Colonel de reconnaitre le pont de Moerdijk et, en tout état de cause, de m’opposer a toute incursion de l’ennemi en direction de Breda, par le Nord. »

Vertaling door auteur: De andere inlichtingen die op de CP van de kolonel werden ontvangen, maakten melding van massale parachutistenlandingen ten noorden van Breda, bij de Moerdijkse brug (de weg Breda/Rotterdam), welke door de vijand was bezet, die op aansluiting wachtte met de landstrijdkrachten die ten noorden van de Maas optrokken. Hoewel deze regio buiten het regimentsvak [6.RC] en het operatiegebied van de DLM [1.DLM] lag en toebehoorde aan de aan de verkenningsgroep van kolonel de Beauchesne toegewezen sector, ontving ik van kolonel [Dario] de opdracht de brug bij Moerdijk te gaan verkennen en in elk geval iedere offensieve actie van de vijand vanuit het noorden richting Breda te pareren.

Majoor Michon schreef zijn gevechtsbericht in augustus 1940 in krijgsgevangenschap. Hij plaatste in de tekst bij zijn bericht – waar hij de landing van de parachutisten meldde en iets zei over de aansluiting op troepen ten noorden van de Maas – een vraagteken. Dat deed hij elders in zijn verslag ook telkens op punten waar zijn informatie onzeker was. Uit het gevechtsverslag van 6.RC [613] is duidelijk dat men rond 0600 uur van de staf van kolonel Schmidt bij 6.RC in elk geval wist dat Moerdijk al door Duitse parachutisten was bezet sinds de vorige dag. Het lijkt niet voor de hand te liggen dat nieuwe landingen met die inlichten verward werden, hoewel niets valt uit te sluiten.

De dropping van voorraden bij Moerdijk werd alom waargenomen, door vriend en vijand. Of Michon dus slechts onzeker was of het voorraden of nieuwe parachutisten betrof of dat zijn vraag was of er überhaupt wel een dropping was geweest, is niet duidelijk. Wel zal hem duidelijk zijn geweest dat de aansluiting van parachutisten en Duitse grondtroepen die ten noorden van de Maas oprukten een slechte verklaring was voor de landing van Duitse para’s bij Moerdijk. Hij zal de afgedrukt - en door hemzelf reeds betwijfelde - versie na de strijd in de wandelgangen hebben vernomen en niet zelf hebben bedacht. Dat vraagteken was dus niet alleen goed te verklaren, maar ook zeer terecht.

Duidelijk is dat Michon zich in zijn gevechtsbericht alvast verontschuldigde. Althans, middels zijn kanttekening dat Moerdijk ‘buiten het vak van de DLM viel’ [wat ook zo was] er van hem desondanks slechts gevraagd was Moerdijk te verkennen en Breda vooral af te schermen tegen Duitse actie vanuit Moerdijk. Hoe relevant deze zinsnede later voor Michon zou blijken te zijn, wist hij natuurlijk allang bij het schrijven van zijn gevechtsverslag.

De Franse formaties en hun taken in Brabant

Bij Moerdijk was niet slechts sprake van een enkelvoudige en makkelijk duidbare Franse formatie. Het betrof een aantal Franse formaties, dat bovendien taakgericht was samengesteld. Om goed duidelijk te maken welke formaties en oorspronkelijke eenheden betrokken waren, wordt uitvoerig naar de eenheden gekeken.

Allereerst was er de Groupe de Beauchesne. Dat was een samengestelde verkenningseenheid onder colonel de Beauchesne. De verkenningseenheid van 4.DI [12.GRDI, lieutenant-colonel Moslard], de verkenningseenheid van 21.DI [27.GRDI, chef de batallion Van der Heyden] en die van 9.DIM [2.GRDI motorisé, lieutenant-colonel d’Astafort] vormden samen de Groupe de Beauchesne. De kolonel G. de Beauchesne was oorspronkelijk de chef van 2.BLM [Brigade Légère Mécanique], de lichte tankbrigade van 1.DLM. Hij had echter de drie verkenningsregimenten – bij elkaar met een brigadesterkte – onder zich gekregen. Colonel Dario nam zijn commando als chef van 2.BLM waar volgens sommige Franse bronnen (hoewel auteur dezes dat in twijfel trekt), naast het feit dat Dario gewoon het effectief bevel over 6.RC bleef voeren. De tweede samengestelde verkenningseenheid - Groupe Lestoquoi - wordt straks kort besproken.

In het Nederlandse theater hadden de beide verkenningsbrigaden Beauchesne en Lestoquoi taken om de ontplooiing van de eenheden van het 7e Leger in de Nederlandse sector van een eerste beveiliging te voorzien. Zij hadden niet de opdracht hardnekkige weerstand te bieden edoch de vijand te vertragen en te zorgen dat de ontplooiende eenheden van de hoofdmacht niet door Duitse eenheden zouden worden overvallen. De Groupe Lestoquoi diende het voorterrein tussen Tilburg en Den Bosch te verkennen en te bezetten en de Groupe Beauchesne het westelijke deel van Brabant. In de ochtend van 11 mei waren de eerste orders zodanig gewijzigd voor Lestoquoi dat die zijn eenheid voor 6.RC en 4.RDP – die tussen Tilburg en het Belgische Turnhout zouden ontwikkelen – in stelling diende te brengen. Zoals eerder besproken, was dat in aansluiting op de Nederlandse verdediging die de Zuid-Willemsvaart voor haar rekening diende te nemen (hetgeen pas in de ochtend van 11 mei zou worden afgestemd). De Groupe Beauchesne kreeg het gebied ten westen van Tilburg voor haar rekening te nemen om de voorbeveiliging van het Noorden van Antwerpen en de Scheldemond te vormen.

De meest voorname Franse eenheid in het noorden was 1.DLM, 1 Division Légère Mécanique, ofwel de 1e Lichte Gemechaniseerde Divisie onder général Picard. Licht is een misleidende titel, maar bedoeld om aan te geven dat de divisie een geheel gemotoriseerde eenheid was, zoals dat gedurende het interbellum gebruikelijk was. In feite was het echter een volwaardige tankdivisie, want 1.DLM – dat de beste Franse lichte tankdivisie was – was uitgerust met 88 uitstekende middelzware tanks van het type Somua S-35 en 86 (beduidend zwakkere) lichte tanks Hotchkiss H-35/39, grotendeels nog met het incapabele korte 3,7 cm torenkanon en het zwakke pantser.

1.DLM had een grote pantserwagenverkenningseenheid ter beschikking, het 6e Regiment Cuirassiers [6.RC] onder colonel Dario. Aangezien dit regiment een aantal keer duidelijk in beeld komt, een nadere beschouwing van de samenstelling ervan.

In hoofdzaak bestond een dergelijk cavalerie regiment uit een stafgroep [commandant, 7 officieren, 77 man], een lichte colonne [4 reserve AMD-178, kleine tros en 200 man] en twee identieke eskadrongroepen.

Elk van de twee eskadrongroep bestond uit een stafgroep met commando pantserwagen [AMD 178 TSF, paw zonder kanon met radio], een eskadron AMD (Auto Mitrailleuse Découvert, ofwel een wielpantserwagen) met stafgroep en vier pelotons met ieder vijf pantserwagens, 3 motoren met zijspan, 21 gewone motoren, 16 lichte mitrailleurs, één 6 cm mortier, zes verbindingsauto’s, vier kleine en drie grote vrachtwagens. Het eerste eskadron bestond uit 153 man. Het tweede eskadron Motocycliste [motorrijders] was samengesteld uit 147 man. Het bestond uit een stafgroep, vier pelotons motorhuzaren met ieder een commandogroep (7 man, 3 zijspanmotoren en een enkele motor) en twee gevechtsgroepen (elk 10 man, 5 zijspanmotoren en 2 lichte mitrailleurs).

In totaal had een Regiment de Découvert, zoals 6.RC was, een organieke samenstelling van 67 officieren, 129 onderofficieren, 753 korporaals en manschappen, 2 AMD 178 TSF, 44 AMD-178 Panhard (plus vier reserve), 223 motoren, 2 mortieren van 6 cm, 32 lichte mitrailleurs, 34 lichte verbindingsvoertuigen, 38 lichte vrachtwagens en bestelbussen, 33 vrachtwagens en enkele specifieke voertuigen (ambulances, radiowagens, menagewagen, etc.).

Binnen 6.RC werd de 2e Groupe d’Escadron gecommandeerd door chef d’escadron Michon. Die had dus een formatie van grofweg 300 man, 21 pantserwagens en 90 motoren onder zich.

Tenslotte dan de Groupe Lestoquoi, die bestond uit 5.GRDI (m) en 2.GRCA (m). De 5e Groupe de Reconnaissance Divisionnaire Motorisé [GRDIm], ofwel de gemotoriseerde verkenningseenheid voor een gemotoriseerde infanteriedivisie, werd gecommandeerd door lieutenant-colonel d'Arodes. De eenheid kwam voort uit 25.DIM, Division Infanterie Motorisé. Het was een eenheid van bijna 750man sterkte, bestaande uit vier volledig gemotoriseerde eskadrons. Een stafeskadron, twee eskadrons gemotoriseerde infanterie en een ondersteunend eskadron met mortieren, AT geschut en zware mitrailleurs. Een tankeskadron met 13 Hotchkiss tanks was toegevoegd, maar in de meidagen rond Antwerpen aangehouden. Lieutenant Martin, die hieronder in beeld zal komen, was de commandant van het 2e Escadron Moto van deze eenheid. Het 2.GRCA [van 1.CA, het Eerste Legerkorps van général de division Sciard] werd geleid door lieutenant-colonel Lestoquoi, die dus ook 5.GRDI onder zijn hoede had. Het had geen tanks of pantserwagens en bestond uit ca. 825 man. Het had drie gemotoriseerde eskadrons infanterie en een ondersteunend eskadron met antitank geschut en zware mitrailleurs. Het gros der infanterie was in beide eenheden met motoren en zijspanmotoren uitgerust. Ook had men enige terreinwagens.

De AMD-178 was een met 20 mm gelamineerd frontaal pantser en 13 mm zijpantser middelzwaar gepantserde vierwielige wagen met een 2,5 cm Hotchkiss antitank kanon en een Reibel 7,5 cm mitrailleur. Inclusief oorlogsbelading woog de wagen 8,2 ton. Het 2,5 cm antitank kanon, dat ook op wielaffuit als licht antitankwapen het standaard tankbestrijdingswapen der Franse troepen was, was in staat op korte afstand alle Duitse pantsers te doorboren. Op middellange afstand gold dit slechts voor de pantsers van de Duitse pantserwagens en beide lichte tanks Pz.I en II.

Hiermee is veel algemene informatie gegeven over de Franse eenheden die op 11 mei rond de sector Moerdijk in actie zouden komen.

Een tegenaanval …

[1, 5, 123] In de late avond van 10 mei hadden de troepen aan de rechterkant van de spoorlijn – zijnde de 1e, (hoofdmacht) 2e en de 3e Compagnie – opdracht om onder leiding van de kapitein Mol [C-2-6GB] de Duitsers aan te vallen. Aanvalstijdstip 0100 uur, 11 mei. Voordien zou ter voorbereiding artillerievuur worden afgegeven. Dat artillerievuur is aanleiding voor vragen, veel vragen.

De infanterie actie was eenvoudig van opzet. De 2e Compagnie zou de tegenstander binden terwijl de 1e en 3e Compagnie hem in de flanken zouden aanvallen.

Het stafwerk Brabant [5] merkt op dat te 2318 uur (10 mei dus) een vuur door II-23.RA voor het front van 2-6GB werd afgegeven en van 0024 – 0115 uur storende vuren nabij station Lage Zwaluwe alsmede om 0030 uur door II-23.RA vuurstoten nabij het station.

[142] In het dagboek van 23.RA, tevens dagboek voor Groepsartillerie, wordt aangegeven dat om 2318 uur afdeling II-23.RA het vuur opende op een aantal mitrailleurs in vt. 4,10 – 60,20 [snijpunt Lapdijk en de verbindingsdijk tussen Lapdijk en de Geldersche dijk; een deel van de oude Nederlandse stelling] en om 0030 uur inderdaad door II-23.RA een vuur op vt. 5,40 - 61,75 [300 m breed] werd afgegeven. Dat lag echter op de Streeplandsche weg, op enige afstand van het station dus. [143] Om 0024 uur werd dit vuur ondersteund door 25.AA dat op vt. 4,70 – 61,20 een 200m breed storend vuur gaf. Dat vuur lag exact rond de kruising spoorweg (Moerdijk-Breda) en de Streeplandsche weg, praktisch bovenop het station.

Deze vuren zullen qua locatie, soort en duur alle drie met kapitein Mol zijn gecoördineerd. De kapitein had immers telefonisch contact met de artillerie, zoals hijzelf ook in zijn verslag verklapte. De vuurintensiteit die de artillerie eenheden konden leveren was overigens veel beperkter dan de notities doen vermoeden. II-23.RA bestond uit slechts twee batterijen (die tot 0600 uur op 11 mei inderdaad nog beschikbaar waren) en het toch al traagvurende 25.AA had inmiddels enkele vuurmonden niet meer tot haar beschikking wegens mechanische storing en was daardoor nog slechts twee batterijen sterk.

Het stafwerk [5] spreekt vervolgens van ‘een aanval’ door de drie compagnieën van 6.GB in de sector. Een eufemistische aanduiding. Er werd door twee-en-halve compagnie troepen van 6.GB behoedzaam voorwaarts gegaan door een sector waar de tegenstander zich inmiddels al uit had teruggetrokken, met uitzondering van de kop van de oude Nederlandse opstelling tegenover station Lage Zwaluwe. De beste voortgang van de ‘aanval’ [Nederlandse rechterzijde, Duitse linkerzijde] was zo ver van de stellingen van de Duitsers vandaan – die zich inmiddels aan de linkerzijde van hun positie rond het binnenste bruggenhoofd van Moerdijk hadden teruggetrokken – dat de Duitsers die bescheiden progressie niet eens bemerkten. Zij waren druk bezig hun wel verdedigde perimeter te voorzien van passieve beveiligingen in de vormen van hinderlagen en het tactisch verstandig plaatsen van landmijnen. Aan de rechterkant van hun perimeter kwamen de Duitsers tijdens die werkzaamheden 's nachts al in aanraking met Nederlandse geweerschutters waarbij een Duitse pionier gewond raakte, waarop een Gruppe parachutisten van 7./FJR1 richting Lochtenburg werd gestuurd.

Maar eerst terug naar de beide afgegeven (duur)vuren op Lage Zwaluwe. Zij vormen aanleiding voor een controverse, hoewel deze nauwelijks aandacht kreeg, al helemaal niet in het (kwalitatief zeer matige) stafwerk Brabant [5]. De beide vuren op Lage Zwaluwe lagen immers op Nederlands bezet gebied en helemaal niet op Duits bezet gebied. Al in de middag van 10 mei waren de parachutisten teruggetrokken uit de omgeving station Lage Zwaluwe. Daarop had 6.GB de omgeving van het station bezet en waren vuurgevechten het gevolg. De Duitsers bevonden zich toen in de oude Nederlandse stellingen en de Nederlanders trachten de Duitsers daaruit te krijgen. De vuursteun der artillerie die toen in de namiddag van 10 mei werd gegeven om de Nederlanders bij een offensieve actie te ondersteunen lag ook al verkeerd. Ze viel na enkele verleggingen uiteindelijk op de Nederlandse posities waarbij enkele burgers werden gedood en huizen vernield, en de aanval niet tot wasdom kwam.

Gedurende de nacht in wezen hetzelfde liedje. Artillerievuur viel tussen de linies en op de voorste Nederlandse posities. Huizen werden vernield, burgers geraakt en de Nederlandse infanterie kon niet voorwaarts, moest zelfs terugtrekken. Iedereen wees naar iedereen, niemand was verantwoordelijk. Maar het had er alle schijn van dat 6.GB zelf verkeerde coördinaten voor ondersteunend vuur had afgegeven aan de artillerie. [123] Reserve 1e luitenant M.F.Ph.M.G. Janssen – in juli 1940 waarnemend compagniescommandant van 3-6.GB – zegt het als volgt:

« Toen 3-6GB gereed stond voor die aanval werd Lage Zwaluwe tot tweemaal toe onder vuur genomen door zware artillerie. Toen ik hiervan melding maakte bij het bataljon, werd me medegedeeld, dat vuur gevraagd was op de opstellingen, waarin de parachutisten zich genesteld hadden. Deze opstellingen waren evenwel 900 meter west van Lage Zwaluwe.»

[123] C-6.GB verzwijgt de zaak in zijn verslag en in de artillerieverslagen [142, 143] wordt geen notitie teruggevonden van afgegeven vuur op Lage Zwaluwe rond 11 mei 0100 uur. De betreffende vuren staan alleen - door II-23.RA afgegeven - op 10 mei 1950 uur geregistreerd. Zou de luitenant Janssen zich vergist hebben en naoorlogs de gebeurtenissen enigszins hebben verward? Zeker niet uitgesloten. Maar zeker is wel dat de Nederlandse artillerie de voorgenomen bataljonsaanval van 6.GB zwaar heeft gehinderd, want ook de andere compagnieën geven aan dat de aanval zwaar werd gehinderd door dat eigen vuur. En Duits vuur was het niet, want de Duitsers hadden pas veel later door dat ze überhaupt aangevallen werden!

Een opvallende kwestie, weggemoffeld in de marge, is dat een verslag van 25.AA [143] opmerkt dat ‘het stormvuurteken’ werd waargenomen. In het gevechtsverslag van 25.AA van 26 mei 1940 van de vaandrig D. Kruys, batterijofficier van 1-25.AA, wordt het volgende gemeld:

« Nog lang voor het licht worden, werden zes witte sterren waargenomen, terwijl het commando tot het afgeven van stormvuur doorkwam»

Uiterst curieus natuurlijk en bevestigd door 3-25.AA dat er op last van de afdelingscommandant stormvuur werd gegeven. Zeker is ook dat de waarneming de zuidzijde van het Hollands Diep betrof, de kaarthoek waarin de afdeling stond. Het afgegeven stormvuurteken is uiterst pikant.

Ten eerste is het opvallend dat men bij 25.AA in een overlopen stelling – die de stelling Moerdijk tenslotte was – nog steeds waarde aan een stormvuurteken hechtte (NB: de kans dat nieuwe stormvuren waren voorbereid is minimaal). Ten tweede was het stormvuurteken zo algemeen – zes witte sterren – dat het op lange afstand in de op 11 mei gegeven situatie bezwaarlijk kon worden beantwoord met een werkelijk door de artillerie afgegeven stormvuur.

Het is buitengewoon boeiend te weten welk stormvuur men waarop af heeft gegeven op 11 mei. Want welke - nog geldig zijnde - stormvuurafspraken lagen daaraan ten grondslag? Het verslag van de vaandrig Kruys meldt slechts dat stormvuur werd afgegeven. Dat meldt een verslag van de 3e Batterij eveneens. Dat stormvuur wordt nergens nader beschouwd, anders dan dat het op bevel van de afdelingscommandant werd gegeven.

Voor het afspreken van een artillerie stormvuur zijn nauwgezette afspraken noodzakelijk. Stormvuren worden namelijk afgegeven om direct parerend op te treden tegen een vijandelijke offensieve handeling, waarbij men maximale vuurkracht wil ontwikkelen binnen een beperkte sector. Daarbij werken veel of zelfs alle in een sector voorhanden zwaardere wapens samen. Een dan gecreëerd momentum geeft veel vuurkracht, vooral omdat het vaak in de hoogste intensiteit wordt afgegeven. Infanteriestormvuur houdt in dat er mitrailleurs en eventueel ondersteuningswapens als infanteriegeschut en mortieren gezamenlijk en voorafgesproken vuur afgeven. Als de artillerie daaraan bijdraagt betreft het meestal een afsluitingsvuur op een bepaalde sector of weg. Het enige vuur dat door 25.AA is afgegeven gedurende de nacht van 10 op 11 mei 1940 was het vuur dat voor het station Lage Zwaluwe landde. Het is niet na te gaan of dit het stormvuur was. Want ‘het’ stormvuur – als dat al bestond – is niet in de voorhanden bronnen vastgelegd. Merkwaardig is voorts dat de Gr.AC geen melding maakt van een afgegeven stormvuur door 25.AA. Dat terwijl het alleszins in de reden ligt dat nieuw afgesproken stormvuren bij de staf van de Gr.AC bekend zijn, zelfs van daaruit werden berekend en aan de eenheden bekendgemaakt. Immers, het snelvurende 7-veld was geschikter voor stormvuur dan het traagvurende 15-lang staal geschut.

De vraag kan voorts worden gesteld of deze kwestie verband houdt met granaten die dieper vielen dan door de aanvragers (6.GB) de bedoeling was en hoeveel granaten er dan werden afgevuurd. Een stormvuur door 25.AA kan immers nooit bijster intensief zijn geweest met het traagvurend geschut waarvan bovendien al een viertal stukken was uitgevallen. Curieuzer wellicht nog het waarnemen van stormvuurtekens. Geen van de 6.GB verslagen meldt dit te hebben afgegeven en logisch, want de Duitsers vielen niet aan. De Duitsers daarentegen gaven regelmatig lichttekens, waaronder ook witte sterren (hoewel de betekenis voor de sector voor 10/11 mei bij auteur onbekend is). Bovendien werden witgele lichtkogels gebruikt om sectoren te verlichten bij onraad of puur preventief. De waarneming van afgevuurde lichtkogels wordt dan ook in vele verslagen gemeld, maar als zaak van telkens terugkerende gebeurtenis en niet als specifieke waarneming. De kwestie roept dus enorm veel vragen op en beantwoordt geen enkele. Dat is zeer onbevredigend, maar het is niet anders.

Ook de werkelijke toedracht van het onjuiste artillerievuur wordt niet duidelijk. In de artillerieverslagen en dagboeken komt over de afstemming rond de vuren helaas geen nader gegeven boven. En dat is vast niet onbewust het geval. Kapitein Mol, commandant van 2-6GB en bevelhebber van de tegenaanval, had middels het postkantoor te Zevenbergschen Hoek telefonisch contact met de artillerie van Groep Kil. Op vrijdag had dit al niet tot de gewenste resultaten geleid en dat was op zaterdag in de zeer vroege ochtend wederom het geval. Hoewel er geen bewijs is om kapitein Mol verantwoordelijk te stellen voor onjuist vuur, lijkt daar alle aanleiding toe. Voor de vuren die net na middernacht op Lage Zwaluwe vielen, volgens het verslag van de 3e Compagnie, is in de artillerieverslagen geen verklaring te vinden. De coördinaten die wel worden gegeven in de artillerieverslagen kloppen met de vuren die werden afgegeven op de noordelijke zijde van de omgeving station Lage Zwaluwe. Mogelijk dat uitlopers van dit vuur nog dieper (zuidelijker) vielen, maar dat past bij dergelijke vuren over lange afstand. De coördinaten die II-23.RA en 25.AA hadden gekregen waren in elk geval te diep (lagen niet op de Duitse stellingen) en de verantwoordelijkheid daarvoor lijkt te hebben gelegen bij de aanvrager van die vuren. De artillerie zal immers zich welbewust zijn geweest van het vuren kort op eigen posities en kaartcoördinaten dubbel en dwars met de aanvragen hebben geverifieerd. Ook zal het eerder foutief gelegde vuur – in de vroege avond van 10 mei – niet onbesproken zijn gebleven. Zou de artillerie zich opnieuw gruwelijk hebben vergist? Nee, er is alle aanleiding aan te nemen dat kapitein Mol zelf de verkeerde coördinaten heeft afgegeven aan de artillerie en daarmee de verantwoordelijkheid had voor de diverse verkeerd gelande vuren. En dat dit vakkundig onbenoemd is gebleven in de diverse verslagen, c.q. door derden uit de dossiers ‘is gelaten’.

Moerdijk Vickers

Een gegeven is dat er veel schade werd aangericht aan burgerdoelen en vele burgers gedood werden en gewond raakten door gebrek aan kennis en kunde van Nederlandse officieren. Een treurige zaak.  Daarnaast liep de aanval dus volkomen verkeerd. Aan de rechterzijde werd nog enige terreinwinst geboekt, maar dat betrof zuiver door Duitsers verlaten gebied. Aan de linkerzijde bleven de Nederlanders [hier lag nog het verband onder reserve 1e luitenant Scheijgrond] passief en waren zij niet betrokken bij de aanval.

De Nederlandse krijgsverslagen van alle compagnieën van 6.GB alsmede de bataljonsstaf zijn overigens van een bedroevend laag niveau. Hoewel men faalde in het coördineren van het artillerievuur en de aanval niets voorstelde en niets opleverde, is het een blamage hoe officieren met een degelijke (maatschappelijke) opleiding de gebeurtenissen op papier gezet hebben. Uit het Duitse verslag van die nacht blijkt dat de Duitsers slechts enige hinder ondervonden van Nederlandse patrouilles, want van een aanval hadden de Duitsers niets gemerkt. Het enige verband dat 7./FJR1 in het geweer bracht in het hart van het bruggenhoofd was de Gruppe Feldwebel Hinrich. Het bracht uiteindelijk een veroverde Vickers mitrailleur mee terug. Dat dit een bewezen feit is, tonen de foto’s die in de archieven van de BDF te vinden zijn, en een Duitse onderofficier met een Nederlandse Vickers mitrailleur tonen.

Voor het overige hadden de Duitsers nauwelijks hinder van het Nederlandse gerommel voor hun positie. Ze hadden hun positie kunnen versterken gedurende de nachtelijke uren. Gerust waren de Duitsers er allerminst op. Ook zij waren zich bewust van mogelijk Franse aandacht voor Moerdijk en daartoe hadden de parachutisten weinig afweermiddelen. De Nederlandse stukken 6-veld waren hun zwaarste afweer tegen pantserwagens en voorts was er - behoudens de twee 7,5 cm houwitsers ten noorden van de burg - niets dat hen krachtig kon assisteren. Met grote onrust werd gewacht op een aantal stukken PAK als broodnodige versterking tegen pantserwagens.

De sterkte van het detachement Michon

[606] Majoor Michon was in zijn verslag redelijk duidelijk over welke middelen hij beschikte toen hij ingezet werd rond het Moerdijkse. Hij zegt daarover het volgende:

« Je dispose pour cette mission de mon PC, diminué de ma voiture de commandement (blindée TSF) et de mon side de commandement, c'est-à-dire au total de ma TO – 3 moto solo – une camionnette d’observateurs. Depuis, du 12e escadron du 4 RDP, des patrouilles A.M. motos des lieutenants de Villele & Cabet, du peloton moto du lieutenant Brenier et de la voiture sanitaire du Médicin Capitaine Thiry

Michon beschikte dus over zijn eigen commandopeloton echter zonder zijn AMD-178-TSF [onbewapende Panhard met radio] die hij ten bate van kolonel Dario achterliet. Deze was kennelijk niet voorzien van een werkend commandovoertuig in dat stadium. Bovendien had Michon zijn eigen motor met zijspan wegens panne niet ter beschikking. Dat betekende dat zijn commandogroep slechts bestond uit enkele enkelzitsmotoren en een kleine truck alsmede een ambulance. Daarnaast had hij bij zich het 12e escadron van het 4e Regiment Dragon Portés onder Capitaine Marie M.R. de Chabalier en van 6.RC zelf twee groepen met in totaal vier of vijf pantserwagens AMD-178 uit het 1e Escadron onder de lieutenant (1e luitenant) De Villele en sous-lieutenant (2e luitenant) Gabet, alsmede een motorhuzaren peloton van het 4e escadron onder de lieutenant Brenier.

Het 12e escadron 4.RDP behoorde tot het 3e batallion van dat regiment. Het was een Escadron de Fusilier Motocyclistes [FM], dat bestond uit een commandopeloton [PC] met een 6 cm mortiergroep [35 man plus officier] alsmede vier pelotons motorrijders met elk een officier pelotonscommandant met 25 man.

Bij elkaar was dit geen overweldigende strijdmacht en met recht een eenheid die door de Franse bronnen wordt aangeduid als een verkenningseenheid. De beide groepen pantserwagens bestonden in totaal uit slechts vijf pantserwagens. Naast die handvol pantserwagens was de harde kern van het detachement Michon naast enkele stafvoertuigen dus zuiver bestaande uit motoren: enkel- en dubbelzits. Deze motorrijders beschikten voornamelijk over lichte mitrailleurs en een enkele licht mortier. Zware vuurkracht had de formatie van Michon niet, want naast de 2,5 cm Hotchkiss AT hoofdbewapening van de Panhards, had men geen enkel krachtig wapen. Mobiliteit had men daarentegen te over. Het detachement was dan ook juist bedoeld om zich snel te kunnen verplaatsen en zodoende efficient te kunnen verkennen.

Michon had dus vijf Panhard AMD-178 wagens ter beschikking, alsmede circa 50 eigen motorrijders aangevuld met het eskadron van de Dragonders die met ongeveer 140 motorrijders beschikbaar waren alsmede een gemotoriseerde commandogroep met één 6 cm mortier. Een sterkte dus die minder is dan menige bron pretendeert, waarbij het stafwerk Brabant [5] overigens juist weer opvallend accuraat was (met uitzondering van vermelding van het 42e Eskadron in plaats van het 12e Eskadron – een vermoedelijke typefout) door vermelding van 200 man motorrijders en twee patrouilles pantserwagens.

De sterkte van acht pantserwagens die door de bekende auteur Brongers [30: dl.1, blz 187] wordt geponeerd – kennelijk gebaseerd op diens aanname dat de beide pantserwagenpatrouilles twee volwaardige pelotons waren – is onjuist, maar door andere bronnen helaas vaak overgenomen. Het boven geciteerde verslag van majoor Michon laat weinig aan de verbeelding over. Zijn detachement had slechts twee patrouilles pantserwagens met vijf wagens en niet twee volwaardige pelotons van ieder vier wagens.

Detachement Michon in aantocht

[606] Volgens het verslag van Michon zelf vertrok hij om 0850 uur [0930 uur Franse tijd] vanuit Tilburg, vermoedelijk vanuit de omgeving Goirle waar de hoofdmacht van 6.RC gedurende de eerste oorlogsnacht was verzameld.

[123, 606] Ten noorden van Breda, ten zuiden van Terheijden, maakte Michon rond 0930 uur contact met majoor Hendriksz van 6.GB, die zelf op zoek was naar hem gemelde Fransen. De majoor overhandigde zijn Franse rangsgelijke een 1:50,000 stafkaart [vermoedelijk kaart 44, Geertruidenberg West] met daarop de vermoedde Duitse en zekere Nederlandse posities.

De Franse Michelin kaarten van Nederland waren moderner dan de stafkaart die Michon van majoor Hendriksz kreeg. Die stamde namelijk vrijwel zeker van 1935 en daarop stond de Moerdijk verkeersbrug nog niet eens ingetekend. Maar wel werd op de overhandigde kaart duidelijk aangegeven waar de Nederlandse compagnieën zich bevonden.

[606] Michon gaf in zijn verslag nauwelijks opgave van de informatie die hij van de Nederlanders ontving, maar maakte van één punt wel melding. De Duitsers hadden zich volgens hem stevig in de Nederlandse betonnen kazematten verschanst, die zich zogenaamd aan beide zijden van de Maas [sic] bevonden. Die onjuiste informatie – althans wat betreft de aanwezigheid van betonnen kazematten aan de zuidzijde van de rivier – had Michon niet van Hendriksz gekregen. Goed mogelijk is echter dat een onderscheid tussen betonnen versterkingen en veldversterkingen, door gebrekkige kennis van de Franse taal bij de Nederlanders, niet overgebracht kon worden aan Michon. Frans sprekende liaison officieren in het zuiden stationeren was ook al een kwestie die bij de Nederlandse legerleiding niet was opgekomen, hoewel er wat dat betreft voldoende officieren voorhanden zouden zijn geweest.

[123, 606] Majoor Hendriksz sprak met majoor Michon af dat hij zijn CP zou verplaatsen naar het gemeentehuis te Zevenbergen. Michon zelf nam tijdelijk kwartier te Withuis, het gehucht op de driesprong ten noordwesten van Terheijden. Het is zonder aanvullende informatie niet te begrijpen waarom de beide commandanten geen gezamenlijke CP (of een CP op korte afstand van elkaar) inrichtten. Het heeft er alle schijn van – het verslag van Michon lezende – dat dit vooral te wijten was aan de afhoudende houding van de Franse commandant, die zich van de Nederlanders vooral erg weinig aantrok. Dat bleek des te meer uit de slechte kennis die Michon had van de Nederlandse status, die hij opvallend devalueerde in zijn krijgsverslag.

[606] Zo stelt de Fransman dat de Nederlandse majoor slechts twee compagnieën ter beschikking had zonder mitrailleurs en dat de Nederlandse sectorcommandant – zoals Michon majoor Hendriksz aanduidde – zich onvoldoende van zijn terugtochtwegen had vergewist. Voorts stelt Michon, zonder enige herleidbare aanleiding, dat een groep Nederlandse militairen (van 3-6GB) die zijn eenheid bij de brug over het Markkanaal had ontwaard, van plan waren zich terug te trekken op Breda nadat ze de betonnen brug zouden hebben opgeblazen.

Die alom vertegenwoordigde angst der Fransen dat Nederlanders zomaar overal bruggen zouden op willen blazen, komt vandaag de dag wellicht panisch over, maar als men zich zou verdiepen in die dagen, is die Franse angst zeer begrijpelijk. Op de gehele route van Noord-Frankrijk tot aan Zuid-Nederland waren de Fransen getrakteerd op opgeblazen bruggen en versperringen bij zowel de Belgisch-Franse als de Belgisch-Nederlandse grensstreek. Zij constateerden dat bij het minste geringste de jongste bondgenoten de boel opbliezen, ook als dit totaal geen enkel zinnig doel diende. Nederland met al zijn watertjes en zonder overvloed aan bruggen in het zuiden, was voor de Fransen een potentieel labyrint waarin ze maar al te eenvoudig opgesloten konden raken. Bovendien waren de bevelhebbers van het 7e Leger ongetwijfeld door général Giraud buitengewoon nadrukkelijk geïnstrueerd hun terugtochtwegen te bewaken. Giraud zag immers niets in het plan Dyle-Breda en voorzag een spoedige retraite, al dan niet direct door de Duitsers gedwongen. Hij wilde zijn eenheden in zo'n geval niet in Nederlandse poldertjes opgesloten zien. De nadruk die Franse eenheden bij hun plannen toonden voor de terugtochtwegen en de logistiek was in elk geval opvallend gelijk aan het (over)gewicht dat generaal Giraud doorgaans aan logistiek gaf in zijn plannen en concepten.

[1, 123, 606] Maar naast die terugtochtwegen toonde majoor Michon veel meer aandacht voor de beveiliging van de Mark – en zijn bruggen – dan voor een verkenning van Moerdijk. Het peloton van lieutenant Brenier [motorhuzaren van 4e Esk - 6.RC] werd bij de brug onder Terheyden achtergelaten. Daar was reeds een groep manschappen van 3-6.GB onder een sergeant. Zij waren het die majoor Michon de indruk hadden gegeven dat ze de brug wilden opblazen, terwijl ze aldaar slechts ter beveiliging van 6.GB waren geplaatst (al op 10 mei). Een peloton [motorhuzaren van 12e Esk - 4.RDP] van 25 man onder sous-lieutenant Hennessy werd naar de beide bruggen ten westen van Oosterhout gestuurd. De drie resterende pelotons van het 12e Eskadron, alsmede de stafgroep van Michon zelf, bleven bij Terheyden ter beschikking.

[606] De beide voorhanden pantserwagen groepen werden ook taakgericht ingezet. Zij dienden verkennend op te treden. De eerste patrouille – bestaande uit drie AMD-178’s onder lieutenant De Villele diende de Nederlandse posities te verkennen bij Zevenbergschen Hoek, Zevenbergen en Kalishoek. De andere patrouille – bestaande uit slechts twee AMD-178’s – onder sous-lieutenant Gabet, werd aan de rechterzijde van het Nederlandse front rond Moerdijk ingezet. Het diende de halve cirkel Terheyden – Lage Zwaluwe af te leggen en weer terug te rapporteren wat men onderweg was tegen gekomen. Zodoende reden de Franse pantserwagens zo nu en dan uitdagend in beeld van de Duitse parachutisten langs, zij het buiten schootsveld van de wapens die de Duitsers ter beschikking hadden.

De eenheden van 6.GB die in de voorste linies lagen, merkten niets van de Franse aanwezigheid in deze eerste fase. Zij hadden via hun compagniescommandanten gehoord dat Franse hulp was gearriveerd, maar zagen of hoorden niets concreets. Dat kwam omdat Michon – zoals hierboven duidelijk uiteen werd gezet – in eerste instantie vooral zijn rug zeker stelde. Hij zond troepen naar de Mark toe en liet de overige motorrijders in Terheyden, en dus achter de Nederlandse stellingen, gereed stellen. De pantserwagens werden pas na het middaguur op pad gestuurd. En ook die zouden veel Nederlandse soldaten nauwelijks zien. En degene die ze wel zouden zien waren verbaasd omtrent de Franse roekeloosheid, hoewel sommigen dat wellicht wel met moed verwarden in die fase.

Dat veilig stellen van de overgangen over de Mark had vermoedelijk nog wel een oorzaak, anders dan de eerder besproken Franse angst voor onverhoopte Nederlandse vernielingen. De Mark was een belangrijke positie in de Franse strategie. Het riviertje en het verbonden kanaal vormden een voorname sectorgrens voor de Fransen. Daarnaast mogen bepaalde onderzoekers en publicisten het Michon wel kwalijk nemen dat deze niet direct het offensief koos, maar deze officier lijkt daartoe alle reden te hebben gehad. Vooreerst wilde hij de zaak verkennen – en daarmee zijn eerste missiedeel afronden. Ten tweede besefte de Fransman natuurlijk prima dat hij weinig offensieve kracht voorhanden had. Hij had geen geschut en dat ontbeerden de Nederlanders ook. Hij had welgeteld één lichte mortier, de Nederlanders geen. En hij had slechts vijf licht gepantserde Panhards met een licht kanon van 2,5 cm. Geen overweldigende slagkracht dus. En ook met de acht Panhards die sommige auteurs Michon toedichten, was er geen sprake van die overweldigende slagkracht.

Er kon Michon dus helemaal niet zoveel worden verweten. Daarbij liet majoor Hendriksz zich niet meer zien na de eerste kennismaking, met uitzondering van een later – op Frans initiatief – korte afstemming. De C-6.GB liet zich maar al te gemakkelijk aan de kant schuiven door de Fransman en wachtte rustig in zijn CP te Zevenbergen af, wat Michon uit zijn hoge hoed zou toveren. Ook toen na het middaguur nog niets was gebeurd, liet majoor Hendriksz zich niet verleiden eens naar Terheyden te gaan om te controleren wat er gaande was. Wat hij in de tussentijd wél deed, kan nooit veel zijn geweest. Zijn verslag doet er het zwijgen toe en zijn eenheid deed niets bijzonders. Hoewel de majoor geen belemmering voelde in zijn verslag te stellen dat zijn compagnieën ‘met groote krachtsinspanning stand hadden gehouden’ in deze fase. Een kwalificatie die een wel erg overdreven voorstelling van zaken was. Want de tegenstander ondernam niets in de tussentijd. Nam slechts waar wat er zich afspeelde tegenover hen. Pas om 1630 uur ging majoor Hendriksz eens naar Terheyden om te zien wat er van het plan van Michon terecht kwam.

Général Eugène Mittelhauser

Nederlandse generaals zou heel Noord-Brabant curieus genoeg niet te zien krijgen in mei 1940, omdat OLZ Winkelman veel te lichtzinnig overwogen had dat een kolonel [Schmidt, commandant Peeldivisie] voldoende was om de Brabantse troepen te leiden en bovendien voldoende cachet bood om de Nederlandse belangen richting de Fransen te vertegenwoordigen. Twee inschattingsfouten van Winkelman die hem aangerekend mogen worden.

Franse generaals zouden er in Brabant voldoende in beeld komen. En de eerste die werkelijk Nederlands grondgebied bereikte was de général Mittelhauser. Dat was niet de eerste de beste, hoewel de Nederlandse geschiedenisboekjes de man nauwelijks benoemen of bespreken.

Eugène Désité Antoine Mittelhauser [1873-1949] is gedurende het interbellum in het buitenland het meest bekend geworden door zijn rol als chef-staf van het Franse leger in Tsjecho-Slowakije in de periode 1919-1921. Tsjecho-Slowakije als staat was een gevolg van de verplichte opdeling van Oostenrijk-Hongarije in 1918. De Fransen hadden na de vrede van Versailles een flinke militaire vinger in de pap in het nieuwe land. Zij hadden er lange tijd een aanzienlijk leger en leidden ook de officieren op die het Tsjechoslowaakse leger zouden moeten gaan leiden. Die Franse band met het land zou tot en met 1940 voortduren, toen veel gevluchte militairen van het Tsjechoslowaakse leger dienst hadden genomen in het Franse leger.

Begin jaren dertig was Mittelhauser een der meest belangrijke generaals in de Franse militaire top, waarna de generaal in de tweede helft van de jaren dertig met leeftijdsontslag ging. Hij werd echter in 1939 weer in actieve dienst herroepen, zoals vele bejaarde opper- en hoofdofficieren in het Franse leger. In september 1939 was hij aangewezen als het hoofd van de Franse militaire missie in Polen. Hij was als hoogste vertegenwoordiger van het Grand Quartier Général [GQG] aangesteld. In januari 1940 ging de generaal opnieuw met pensioen, wat met zijn 66 jarige leeftijd niet merkwaardig was, maar hij werd kort daarop wederom in actieve dienst geroepen.

In april 1940 waren er nog plannen Mittelhauser als delegatieleider naar Zweden te sturen om dat land te doen overreden de Geallieerde zijde te kiezen. Dat plan werd op het opperste Geallieerde niveau besproken, waarbij Mittelhauser zich met Reynaud en Chamberlain verhield in een Londense bijeenkomst op 11 april 1940. Maar Chamberlain kreeg koude voeten. Hij vreesde dat de Zweden garanties van de Britten en Fransen zouden verlangen en die konden – in elk geval de Britten – niet geven. De missie werd afgeblazen.

Mittelhauser was één van de vele Franse generaals die Philippe Pétain steunde bij het Vichy initiatief, ondanks een persoonlijk telegram van Charles de Gaulle aan Mittelhauser om de Vrije Fransen te steunen. Dat was nadat de generaal in juni 1940 – na op het nippertje Nederland op 14 mei te zijn ontvlucht via Scheveningen – commandant was geworden van het Franse Leger in het Midden Oosten [l’Armée du Levant] in opvolging van général Maxime Weygand, die naar Parijs was geroepen om per 19 mei de afgetreden Gamelin op te volgen als opperbevelhebber van het Franse leger. Mittelhauser zijn chef-staf colonel de Larminat – later een gevierd generaal onder de Vrije Fransen – sloot zich echter met zo’n 300 Fransen aan bij de Britten door vanuit Syrië de grens met Palestina over te trekken.

Mittelhauser was een Franse generaal van de oude school. Hij behoorde tot de uiterst conservatieve toplaag van het Franse leger, die erin geslaagd was de modern denkende hoofd- en opperofficieren buiten de invloedsfeer van Versailles en de voorname commando’s in de koloniën te houden. Deze toplaag van hoogbejaarde Franse generaals had alle voorname posities voor hun rekening genomen. Daarbij werden de voorname diplomatieke functies door hen eveneens weggekaapt voor de ‘andersdenkenden’. Mittelhauser was dan ook constant in beeld bij het GQG voor belangrijke functies, zoals uit bovenstaande beknopte bespreking mag blijken. Al voordat het 10 mei 1940 was, wist Mittelhauser dat zijn doel zou zijn een militaire liaison te vormen in Den Haag. In de ochtend van de 10e mei was de generaal dan ook gereed om te vertrekken. Hij kreeg enkele officieren mee als kleine staf, de Commandant (majoor) Winsback, de Capitaine (kapitein) Henquin en de Lieutenant (eerste luitenant) Pirson [614, 1526]. Hun komst werd telefonisch door attaché Van Voorst Evekink aan het AHK doorgegeven. Op 10 mei was men in de avond in Dendermonde (B.) aangekomen en daar door enige Belgische motorrijders geëscorteerd naar het hoofdkwartier van generaal Giraud, dat zich in Hamme (B.) bevond. Vandaar vertrok Mittelhauser in de vroege ochtend van 11 mei naar het hoofdkwartier van général Picard (1.DLM) in Oostmalle. Op zoek naar colonel Dario kwam de generaal in Breda op het gemeentehuis terecht, rond 10.00 uur. Daar is aan een Frans onderdeel, vermoedelijk de Groupe Lestoquoi, verzocht om een verkenning richting overgang van de Maas (Hollands Diep) te beproeven. Dat zou - zo zal hieronder uitgebreid worden beschreven - mislukken.

Op 12 mei zou Mittelhauser het via Zeeland proberen. Rond het avondeten arriveerde hij in Vlissingen. Keerde daar vandaan echter terug naar België omdat hij geen vervoer naar de Vesting Holland had kunnen vinden. Vanuit Halle ging hij naar Duinkerken terug waar hij aan boord ging van de kleine torpedoboot FS Cyclone, inmiddels 13 mei. Men vertrok in de avond en werd op 14 mei kort voor 04:00 uur te IJmuiden afgezet. Met auto's werd naar Den Haag gereisd. Om ongeveer 07:30 uur arriveerde Mittelhauser bij het AHK te Den Haag, waar Winkelman geen tijd voor hem maakte, kennelijk ontstemd over de uitblijvende Franse interdictie bij Moerdijk. Generaal Fabius werd als gastheer aangewezen. Deze introduceerde de situatie, die op dat moment al in fatale fase was gekomen, hoewel Rotterdam nog niet was gebombardeerd. Mittelhauser verzocht toen om geëvacueerd te worden, wat door de marine werd opgepakt. Uiteindelijk werd een groep militaire notabelen samengesteld bestaande uit leden van de Nederlandse marinestaf, een deel van de Engelse missie en de Franse officieren. De evacuatie gebeurde echter niet met een marineschip, zoals gepland was, maar met een botter (SCH 1, Johanna). Van Scheveningen werd om 21.30 uur naar Duinkerken gevaren, waar men pas op 15 mei na ochtendgloren veilig aankwam [1526].

Een nieuw detachement Fransen arriveert

Generaal Mittelhauser was geheel zelfstandig met twee auto's met zijn zeer kleine delegatie [vier officieren] vanuit Versailles richting Nederlandse grens getrokken. Op een zeker moment heeft de generaal zich bij de staf van een voornaam onderdeel aangediend om assistentie te krijgen om richting Den Haag te komen. Welk onderdeel dat was, is (nog) onduidelijk. Wellicht is het bij de burgemeester (Slobbe) van Breda gebleven. In elk geval is vanuit de sector Breda een Franse poging gedaan om voor de generaal te controleren of er een opening te vinden was dat de generaal en zijn kleine delegatie naar Vesting Holland kon brengen.

Wel helder is dat 5.GRDI – onderdeel van de Groupe Lestoquoi – in de ochtend van 11 mei opdracht kreeg om twee pelotons motorrijders vrij te maken, en daarmee verkenningen uit te voeren ten bate van de generaal. Dat geheel zou zijn geleid door de lieutenant Martin. Het had tot taak – zo melden de bronnen – om zowel de brugpassages te Moerdijk als die te Geertruidenberg te toetsen op bruikbaarheid.

Er ontbreekt erg veel informatie over deze gebeurtenis. Merkwaardig is het dat een 1e luitenant zo’n delicate opdracht kreeg en zoveel onderdelen [vier pelotons] onder zijn bevel had.

[606] Bovendien is het merkwaardig dat toen lieutenant Martin te Terheyden arriveerde [rond het middaguur], zijn eenheid door majoor Michon niet omschreven werd als een verband met twee pelotons pantserwagens en twee pelotons motorrijders, maar slechts als één peloton motorrijders. Michon spreekt namelijk van ‘le peloton Martin’, hetgeen niet duidt op het grote verband dat eerder werd geduid en in bronnen als de stafwerken [1, 5] en het relevante werk van Brongers [30] wordt aangehaald.

Het arriveren van de eenheid onder lieutenant Martin was in elk geval voor chef d’escadron Michon voldoende aanleiding om – zoals hij dat in zijn krijgsverslag letterlijk zegt – een ‘coup de main’ jegens Moerdijk te plegen. Een ‘coup de main’ is een verrassingsaanval of overval, zoals dat even letterlijk in het Duits als een ‘Handstreich’ wordt aangeduid. Dat Michon na een halve dag uitdagend met zijn pantserwagens rondrijdend weinig verrassingseffect meer sorteren kon, ontging hem kennelijk.

[606] Het ‘aanvalsplan’ was eenvoudig. Via de hoofdweg zou met het peloton van luitenant Martin in de voorhoede worden aangevallen. De pantserwagens zouden worden gevolgd door ruim twee pelotons motorrijders, waarvan het gros van het 12e eskadron van 4.RDP was.

De Nederlanders kregen geen enkele rol bij de aanval. [123] Ze waren trouwens ook niet ingelicht. Majoor Hendriksz die om 1630 uur te Terheyden verscheen om te kijken waar de Fransen nu na een dagje broeden mee los zouden komen, werd te verstaan gegeven dat de plannen nog niet waren afgerond. Dat waren ze echter wel, en de Nederlanders kwamen er niet in voor. Spoedig zou duidelijk worden dat dit uiteindelijk niets zou uitmaken …

Een Frans aanvalsplan in de maak

[123] In zijn verslag meldde majoor Hendriksz dat, toen hij rond 1630 uur zich te Terheyden begaf om met chef d’escadron Michon te overleggen over de aanvalsplannen, deze hem meldde nog niet gereed te zijn daarmee.

[606] In feite had de Fransman zijn bevelen allang gegeven. Dat er over zijn aanvalsplan niet al te academisch moet worden gedaan, was wel duidelijk. Er werd gewoon langs de hoofdweg opgetrokken met een kwartet pantserwagens met daarachter motorhuzaren met op de motoren geplaatste mitrailleurs. Dat Michon ergens nog een illusie koesterde dat de Duitsers geheel verrast zouden zijn door zijn pantserwagens, die zouden trachten langs de autoweg door te breken, toont de Fransman een rasoptimist of een buitengewoon naïeve man.

De Luftwaffe had ondertussen alle kans gekregen iets te doen. Al de gehele dag was zij bijzonder actief boven Noord-Brabant. De Fransen waren door de Duitsers ontdekt en die werden door de ogen van de gevleugelde Duitsers nauwlettend in de gaten gehouden. De Luftwaffe had ook in de gaten gehad dat Franse pantserwagens rond Moerdijk actief waren. De Gruppe Putzier – de Luftwaffe taskforce die de luchtlandingsoperatie moest verzorgen, assisteren en bewaken – had van chef d’escadron Michon werkelijk alle gelegenheid gekregen om een slagverband samen te stellen en rond Moerdijk te interveniëren.

Hoewel de techniek al in mei 1940 bestond om middels radioverbinding tussen grond- en luchteenheden te communiceren, slaagden de Duitsers daar in mei 1940 niet in. Er waren geen rechtstreekse radiotelefonische uitwisselingen tussen grondtroepen en de Luftwaffe mogelijk in de meidagen van 1940. De reden waarom is lastig te geven. Volgens sommige Duitse bronnen waren de technische mogelijkheden er niet. Maar dat is onzin, want zelfs de toch niet hypermoderne Nederlandse luchtmacht werkte met grondstations die radiotelefonisch contact met vliegtuigen hadden. Veel aannemelijker is dat men geen frequenties had afgestemd, wat wel essentieel was voor dergelijk verkeer.

In elk geval konden de parachutisten bij Moerdijk de luchtmacht niet rechtstreeks oproepen. Wel konden zij middels lichtsignalen een boodschap duidelijk maken. Een tweede – veel omslachtiger – methode was om via de reguliere kanister-telefunken een bericht van Moerdijk via Tweede Tol en Zwijndrecht aan Rijsoord door te geven. Van Rijsoord kon men dan trachten om Duitsland te bereiken met de lange golfzender die men had. Een verbinding die overigens bijzonder slecht werkte tijdens de meidagen, zoals ook wel blijkt uit het leerstuk rond het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940. Maar de tijd die verliep tussen het vertonen van de eerste pantserwagens in de voorste linies (rond het middaguur) en de eerste bommen (rond 1700 uur) was zodanig lang, dat ook de lange route voorstelbaar is. In het rapport van II./FJR1 [464] wordt in elk geval beweerd dat de Luftwaffe via Rijsoord opgeroepen was tegenmaatregelen te nemen. Daarin wordt echter gesteld dat het IV.FK [met KG.30] was dat werd gecontacteerd, terwijl aannemelijker is dat KG.4 werd ingezet. De zaak is niet glashelder, dus de reconstructie blijft hypothetisch.

In ieder geval had de Luftwaffe alle tijd gekregen een eskader bommenwerpers te organiseren.

[458] In de vroege middag namen de Duitsers twee Franse pantserwagens en enkele motorrijders waar. Het toen vermoedelijk ontvangen PAK geschut [vermoedelijk – het verslag maakt niet duidelijk hoeveel – een Zug, ofwel drie stukken en precies wanneer deze aankwamen] dat vanuit het noorden werd aangevoerd, werd daarom met enthousiasme begroet. Bovendien was één van de buitgemaakte stukken 6-veld in gebruik genomen door II.Zug van 7./FJR1, dat een stelling innam tegenover Lochtenburg. Vanuit Moerdijk werd door III.Zug van 7./FJR1 met het andere stuk 6-veld op Lochtenburg en omgeving geschoten.

[458] Onderwijl hadden de Duitsers niet stil afgewacht tot de Fransen kwamen doorzetten. De tegen Zevenbergschenhoek aanliggende 8./FJR1 – dat met twee Gruppen Pioniere de spits vormde van het Duitse bruggenhoofd – werd teruggetrokken. Die terugtrekking was mogelijk verbonden met het op handen zijnde bombardement (hoewel het verslag van 7./FJR1 dat niet zodanig bevestigt). [123] Die terugtrekking werd waargenomen door de Nederlanders van 2-6.GB die onder de reserve 1e luitenant Scheijgrond langs de Rode Vaart lagen. En niet alleen dat, een deel der Duitsers - volgens Nederlandse tellingen ca. 50 man - keerde zich tegen de Nederlandse sectie. Na een kort maar hevig vuurgevecht, waarbij diverse Nederlanders gewond raakten en drie man in Duitse handen vielen, moest de positie worden prijsgegeven. Met name het mechanisch falen van twee lichte mitrailleurs speelde de Nederlanders hier parten. De luitenant trok met de resterende manschappen terug op het gehucht Zwarte Schaap. Aan Duitse zijde vielen geen slachtoffers.

Daarmee was de linkerzijde van het bruggenhoofd door de Nederlanders zo goed als opgegeven voordat de voorgenomen Franse actie was ingezet. Tegenover het dorp Moerdijk en bij Rode Vaart was daarmee een gat in de afgrendeling gekomen.

Tegen 1700 uur verschenen vervolgens ineens Duitse bommenwerpers boven de sector.

Een locale catastrofe

Duitse bommenwerpers en jachttoestellen hadden de Franse concentratie rond Moerdijk ontdekt – al dan niet op instigatie van de grondtroepen.

[1, 5, 123, 606] Duitse Ju-88 en He-111 bommenwerpers vielen aan in de gehele sector van 6.GB en de formaties van Michon en Martin. Zevenbergen, Zevenbergschen Hoek, Terheijden en diverse locaties in de door de Franse en Nederlandse troepen bezette sector werden met bommen en boordwapens aangevallen. De Duitse aanval uit de lucht duurde naar verluid ruim een uur, sommige bronnen geven aan dat het nog langer was en bijna twee uur duurde.

[123] Zevenbergen kreeg enkele bomaanvallen te verwerken, maar vooral de Franse pantserwagen voorhoede bij de CP van kapitein Mol in Zevenbergschen Hoek werd aangevallen. Enkele series bommen gierden naar beneden en vernielden tientallen huizen. Enige Franse militairen raakten bedolven onder puin en sneuvelden (1), een pantserwagen werd uitgeschakeld en brandde uit. Een burger werd gedood, vele meer raakten gewond. Hollandse militairen raakten gewond, maar wonder boven wonder werd er geen enkele gedood. De brug bij Terheyden werd door een Duitse vliegtuig aangevallen en geraakt, waardoor de brug werd vernietigd.

(1) [35] De gesneuvelde Franse militairen waren: Soldat Alfred Caudron, caporal Pierre Gilles, soldat Marius Ovise, sergent Raymond Perdereau en sergent Serge Trichard: allen van 5.GRDI. De pantserwagen was van 6.RC, zodat deze gesneuvelde manschappen motorrijders waren, die met de uitgeschakelde pantserwagen niets van doen zullen hebben gehad.

Paniek brak uit, onder burgers en militairen. De meeste Fransen startten de motoren en verdwenen. Enkele Nederlandse militairen volgden hun voorbeeld, renden de polders in en waren later slechts met moeite terug te krijgen. Onder hen ook de kapitein Mol, die volgens sommige een zenuwinzinking kreeg. Desondanks bleef het gros der Nederlanders in hun posities zitten.

[606] De wijze waarop chef d’escadron Michon in zijn persoonlijk verslag – zonder overigens persoonlijk ooggetuige te zijn geweest – schildering maakte van de Nederlandse gedragingen, was op zijn zachtst gezegd tendentieus. Michon stelde:

« Les éléments hollandais qui tannaient les localités de Logtenburg et de Calishoek profitent de ce bombardement pour disparaitre complètement. »

Vertaling door auteur: De Nederlandse verbanden die de dorpjes Lochtenburg [Roode Vaart] en Kalishoek bezet hielden buitten het bombardement uit door geheel te verdwijnen.

Panhard Zevenbergschen Hoek

Op basis van vermoedelijk Michon zijn verslag, stelden andere Franse bronnen – zoals de Franse kroniekschrijver Marcel Lerecouvreux [614: in zijn boek ‘l’Armee Giraud en Hollande 1939-1940’, Parijs 1951] – dat de Nederlandse troepen tijdens het bombardement massaal de benen namen. Een merkwaardige vaststelling van zaken, want de Fransen waren niet in de positie daarvan veel waar te nemen. Lerecouvreux leverde met zijn werkstuk over het 7e Leger nogal een tendentieus werkstuk af. Hij was als stafofficier (1e luitenant; andere bronnen melden als kapitein) betrokken geweest bij de Franse veldtocht door België en Nederland, en had nadien kennelijk de missie aanvaard daarover een epos te schrijven ten faveure van Frankrijk en ten koste van Nederland en België. Hoe slecht hij in werkelijkheid geinformeerd was over de beschreven gebeurtenissen blijkt wel uit zijn boek, dat ook slechts beperkt als bron is gebruikt voor onderhavige onderzoek naar het Zuidfront, maar wel zo nu en dan zal worden aangehaald. Hoe slecht Lerecouvreux over bijvoorbeeld Moerdijk was ingelicht, blijkt wel uit het feit dat hij stelde dat er slechts licht gewonden vielen. Ook dat zal hij zelf hebben afgeleid van Michon zijn verslag, die ook de Franse doden niet noemde. Maar ook Michon was niet in de buurt toen de bommen op de gereedstaande Franse formatie vielen. Michon maakte een verslag uit de losse pols. Bovendien waren de doden alle vijf van 5.GRDI geweest en daar hadden beide heren officieren niets mee te maken. Lerecouvreux had naoorlogs in Frankrijk wel enig aanzien en zijn werkstuk - net als overigens twee andere over de oorlog - vond gretig aftrek. Helaas wel, want het bracht veel Fransen een sterk gekleurde en onuitgebalanceerde versie van de gebeurtenissen in Nederland en België in mei 1940.

Panhard te Zevenbergschen Hoek

Toch had Lerecouvreux wel enige grond te spreken van terugtrekkende Nederlanders. De Nederlandse sectie bij Lochtenburg [Roode Vaart], die overigens al voor de bomaanval terugtrok richting Zwarte Schaap en nadien naar Zevenbergen, en de sectie onder AOOI Kühne oost van Kalishoek waren inderdaad teruggetrokken. Dat geschiedde echter als gevolg van een offensieve actie van 8./FJR1 nog voordat het Duitse bombardement plaatsvond. Voorts trok de sectie van SMI van Dongen, die zich uit de voorste positie bij Blauwe Sluis had teruggetrokken (en die Michon wél kon waarnemen), terug als gevolg van de luchtaanval. Rond Zevenbergsche Hoek waren enkele Nederlanders tijdens het bombardement in de open polders gevlucht voor de Duitse bommen. Maar de hoofdmacht der Nederlandse compagnieën was op hun plaats gebleven. Het waren de Fransen zelf die hals over kop vertrokken als gevolg van de aanval. Daarvoor kan overigens vooral alle begrip worden opgebracht, want het waren met name de Franse verbanden die de Luftwaffe tot doelwit had uitgekozen.

Panhard te Zevenbergschen Hoek

In Zevenbergsche Hoek betekende het dat vrijwel de gehele Hoofdstraat onbegaanbaar was geworden door puin. Op een Duitse propagandafilm uit die dagen van de aankomst van de verkenningsgroep van SS Leibstandarte Adolf Hitler in Zevenbergsche Hoek - op internet vaak eenvoudig te vinden - is de zware schade aan het dorpje te zien. Bovendien toont de film de uitgeschakelde Panhard pantserwagen. Volgens opgaven van de burgemeester op 11 februari 1942 waren 21 woonhuizen vernietigd, één klooster, twee scholen en één patronaatsgebouw [Langeweg]. Diverse woningen en gebouwen raakten beschadigd. Die beschadigingen werden overigens mede veroorzaakt doordat de Duitsers kort na het bombardement met een stuk 6-veld, vlakbij Lochtenburg opgesteld [458], enige schoten losten op waargenomen troepen en op een toren in Zevenbergschen Hoek. Het gevechtsrapport maakt voorts melding dat men dit vuur met een buitgemaakt 10,5 cm kanon nader ondersteunde [458]. Maar een dergelijk kaliber had het Nederlandse leger ter plaatse niet. Het betrof vermoedelijk een stuk 7-veld omdat men spreekt van het feit dat men dit van de 6e Kompanie had overgenomen. Bovendien was dit stuk vrijwel identiek aan het Duitse 7,5 cm Feldkanone, en dus vermoedelijk voor de Duitsers eenvoudig te bedienen. Het gebruik van eveneens veroverd 12 lang staal lijkt nauwelijks voor de hand liggend in elk geval, te meer omdat tijdelijke herovering door de artilleristen van 14.RA op 11 mei (zie bespreking op 11 mei onder Vak Wieldrecht) duidelijk maakte dat alle stukken in de oorspronkelijke opstelling (of nabij) werden aangetroffen.

Te Zevenbergen was het aantal burgerdoden 32 volgens dezelfde gemeentelijke opgave als hierboven vermeld. Andere - officieuze - bronnen melden 39 doden. Er zouden 124 huizen en gebouwen zijn verwoest. Zevenbergen werd echter tijdens de meidagen ook na de zaterdag nog aangevallen, dus de schade zal deels ook nog na 11 mei zijn ontstaan.

Opvallend zijn de tamelijk ongeloofwaardige Nederlandse verhalen in verslagen over massa’s Duitse vliegtuigen die vermeend werden neergehaald. [123] Reserve 2e luitenant A. Daniëls – volgens zijn eigen fantastische verslag een absolute scherpschutter – haalde niet minder dan 20 vliegtuigen naar beneden. Daarvan 17 tijdens de Duitse aanvallen op de sector op 11 mei. Deze sensationele melding werd begin 1942 serieus opgevolgd door kolonel der generale staf Van Alphen, die verificatie zocht bij de burgemeester van Zevenbergen (waaronder Zevenbergschen Hoek ook viel).

[14, 33] In werkelijkheid werden ter plaatse niet meer dan twee Bf-109’s en een He-111 mogelijk neergeschoten door de Franse en Nederlandse afweer. Meer Duitse vliegtuigen konden er in de betreffende periode niet worden geïdentificeerd als mogelijk gerelateerd aan luitenant Daniëls zijn claims. Het onderzoek naar de wilde claim van de luitenant leverde niets op. Men kan zijn claim met een gerust hart met een flinke korrel zout nemen. Dergelijke aantallen vliegtuigen neerhalen gelukte nergens, zelfs niet mét capabel luchtafweergeschut voorhanden. De luitenant zal duikende vliegtuigen wellicht tot neerstortende slachtoffers hebben gerekend.

[606] Michon trok met zijn gehele eenheid af na de debacle. Hij geeft dat alles nogal omslachtig aan in zijn verslag. Onnodig dat in volle glorie weer te geven. Het kwam erop neer dat zijn vijf pantserwagens en zijn versterkte eskadron motorrijders zich hergroepeerden en via de sector Etten-Leur (!) tenslotte weer bij Breda terecht kwamen. Een volkomen onnodige omweg, die ertoe leidde dat pas rond het nachtelijke uur Breda werd bereikt. Lieutenant Martin, die met zijn eenheid werkelijk getroffen was door de Duitse luchtaanval, was met het restant van zijn verband via het oosten - Oudekerk en Den Hout - tenslotte bij Oosterhout het Markkanaal weer over gekomen. Of hij daarbij nog een poging heeft gedaan de brug bij Keizersveer te verkennen, spreekt het verslag van Michon niet uit. Gezien het feit dat général Mittelhauser later via de Zuid-Hollandse eilanden het westen van het land zou bereiken, heeft een verkenning van Keizersveer in ieder geval niets opgeleverd. Jammer, want de Franse generaal en zijn gevolg hadden diezelfde dag Den Haag kunnen bereiken als ze de brug bij Keizersveer hadden bereikt. Nu bereikten zij pas op 14 mei Den Haag om er direct weer te kunnen vertrekken en via Scheveningen ternauwernood Duinkerken weer te bereiken. Een heel avontuur voor een man van bijna 67 jaar oud!

Wat overbleef waren rokende puinhopen, een gedesillusioneerd 6.GB, een Duitse bruggenhoofdbezetting die zich gesterkt voelde en bovendien intussen met pioniers en een aantal stukken PAK 3,7 cm versterkt was. Geshockeerde burgers zagen eerst de Fransen, later de Nederlanders vertrekken. Of ze daar zo rouwig om waren is sterk de vraag. Het betekende immers dat er nadien geen (grote) aanvallen meer in de sector werden uitgevoerd.

Een vraagteken is nog welke Duitse Luftwaffe eenheid de luchtaanvallen tegen de sector inzette. Duidelijk is namelijk dat het een grote luchtoperatie betrof die aan het einde van de middag plaatsvond in West Brabant. In de gehele sector werden gronddoelen aangevallen. Bruggen werden door bommen bedreigd en hier en daar opgeblazen. De doorgaande wegen Tilburg-Breda en Breda-Roosendaal aangevallen. Breda, Tilburg, Princenhage, Zevenbergen en Etten-Leur zagen constant Luftwaffe vliegtuigen boven zich op zoek naar prooi. Uit de geschiedenis van KG.4 [1254] blijkt dat dit Geschwader op 11 mei 1940 consequent in de sector Tilburg, Breda, Roosendaal en Antwerpen is ingezet. Zoals het verslag van KG.4 aangeeft “Ziele des Geschwaders waren (…) 11.5 Kolonnen bei Tilburg, Antwerpen, Rosendaal und Breda.” Het sluit echter bepaald niet uit dat andere Luftwaffe verbanden (ook) werden ingezet.

Een geslagen bataljon

In de vroege ochtend van 11 mei had 6.GB zich nog zo strijdvaardig gevoeld. Het lag in een afgrendelende positie rond Moerdijk en zag de beloofde Franse hulp arriveren. Toen op zeker moment pantserwagens werden gezien en motorrijders met mitrailleurs, voelden de manschappen van 6.GB zich sterk. Het was door Duits toedoen dat het gevoel van vertrouwen ineens omsloeg in pure deceptie.

De Nederlandse manschappen in de stellingen bij Lage Zwaluwe en Zevenbergsche Hoek zagen niet alleen hun Franse bondgenoten een pak op hun donder krijgen, maar ook snel daarna verdwijnen. Op dat moment was de achterblijvers nog niet duidelijk dat de Fransen ook niet meer terug zouden komen. Wel had het bombardement om hen heen – deels nabij hun eigen posities – de mannen geschokt.

De gevolgen bleven niet uit. Hoewel het gros der eenheden in de posities was gebleven tijdens het bombardement, toonden de meeste officieren zich niet sterk nadien.

[1, 5, 123] De hoofdmacht van de 1e compagnie, inclusief een sectie PAG, onder de reserve 1e luitenant Brogtrop trok terug uit het gehucht Blauwe Sluis, richting Withuis en Terheyden. Met één sectie kreeg de luitenant geen contact meer en deze werd zonder meer achtergelaten. De sectie zou zich later blijvend bij de 3e Compagnie aansluiten. Bij de tweede compagnie waren het niet de manschappen die braken, maar de commandant. Reserve kapitein Mol, die in zijn CP aan de hoofdstraat te Zevenbergsche Hoek in het middelpunt van het luchtbombardement had gezeten, was er tussenuit geknepen na totaal overstuur te zijn geraakt door de luchtaanval. De kapitein had de bommen om hem heen horen en zien vallen en in het middelpunt van de vernielingen gestaan in ‘de Hoek’. Desondanks was zijn vlucht (naar Breda) en het achterlaten van zijn compagnie onvergefelijk. De compagnie – waarvan de sectie Scheijgrond dus al was weggetrokken uit Lochtenburg en te Zwarte Schaap was – was uiteengeslagen en zou fragmentarisch in een latere fase met de rest van het bataljon terugtrekken en hergroeperen langs de Noordsche weg bij Drie Hoefijzers, zonder de 4e sectie dat zich te Zwarte Schaap bij luitenant Scheijgrond zou voegen. Daarbij nam de reserve 1e luitenant Bertram de honneurs van de vermiste kapitein Mol waar. De exacte status van de bij de compagnie ingedeelde sectie zware mitrailleurs en de sectie PAG is in deze fase (aan de auteur) niet bekend.

[1, 5, 123] De slechts twee kleine secties sterke 3e Compagnie onder de luitenant Janssen – die zich steeds als bijzonder kranig had getoond – was ook nu weer in het gareel gebleven en hield een sectie van 1-6GB onder haar hoede. Hoewel de eenheid tijdens het voorafgaande bombardement grotendeels was gespaard, liet zij zich ook niet door de taferelen om zich heen misleiden. Ze bleef in haar posities. Luitenant Janssen verbleef na 1800 – toen hij het laatste contact met de bataljons commandopost had – in het ongewisse over de toestand. Hij kreeg geen contact meer met het aanleunende 1-6-GB en gedurende de nacht en vroege ochtend uitgezonden ordonnansen keerden niet terug. Op 12 mei – als 9.PD nadert – zal de compagnie – inmiddels geformeerd in een egelstelling – nog steeds op haar plaats liggen.

[1, 5, 123] De staf tenslotte, was door de 1e luitenant-adjudant Lucas verplaatst naar het gehucht Zwartenberg, dat aan de zuidzijde van het riviertje de Mark lag. Majoor Hendriksz was tijdens het bombardement in Terheyden geweest en niet in staat Zevenbergen opnieuw te bereiken. Toen hij nadien in Zwartenberg aankwam, constateerde de bataljonscommandant de chaos rond 6.GB. Hij kon slechts met een klein deel van het bataljon – circa de helft – contact krijgen. Dat betekende drie secties van de 1e Compagnie en twee secties van de 2e Compagnie. De gehele 3e Compagnie alsmede de twee secties (sectie Scheijgrond, sectie van Dongen) in Zwarte Schaap waren, althans bij de bataljonsstaf, vermist. Beide formaties, dat wil zeggen de 3e Compagnie met een sectie van de 1e en de twee secties onder luitenant Scheijgrond, zouden duurzaam aan 6.GB onttrokken blijven.

[123] De resterende eenheden van 6.GB, zijnde de kleine stafgroep, de zware wapens (sectie mitrailleurs en twee secties PAG) en vijf secties infanterie van de 1e en 2e Compagnie, werden door majoor Hendriksz uiteindelijk geïnstrueerd achter de Mark een verdedigende positie in te nemen. Een besluit dat de Fransen ongetwijfeld zouden waarderen. Het betekende echter dat 6.GB Moerdijk losliet.

[123] Majoor Hendriksz liet onderwijl zoeken naar de commandant Peeldivisie. Hij wenste te weten welke nieuwe opdracht zijn deel zou worden. Die commandant Peeldivisie was echter niet goed vindbaar. Die pendelde op en neer tussen Tilburg en Breda in een poging de resterende Nederlandse troepen in Noord-Brabant maximaal dienstbaar aan de Franse zaak te maken.

Het totale gebrek aan voorafstemming ten aanzien van de bevelvoering in Noord-Brabant, mede dankzij de geheimhouding van het terugtrekken van de hoofdmacht van het Veldleger uit de provincie, maakte dat geen Nederlandse bevelhebber in Brabant enig idee had van de vindbaarheid van de commandant Peeldivisie. Het feit dat deze commandant noch zijn staf te vinden waren voor Nederlandse eenheden, is een blunder van formaat geweest aan de kant van de Nederlandse legerleiding in de voorbereiding en uitwerking van de Winkelman strategie. Maar daar wordt op een ander moment op teruggekomen.

Een uitgebreide nabeschouwing

Hieronder een uitgebreide nabeschouwing door de auteur.

Moerdijk en Waalhaven waren twee scharnierpunten in de Duitse strategie. Beiden werden in zekere zin als zodanig onderkend door het opperbevel in Den Haag, maar ook in beide gevallen werd er operationeel door Den Haag ondermaats op geanticipeerd. Daarom kon het zijn dat in een theater waar de Nederlandse troepen een drie, tot lokaal soms een vijf- of zesvoud, sterker waren qua mankracht, de Duitsers moeiteloos stand konden houden.

Moeiteloos, want de inspanningen die de Duitsers moesten plegen om Waalhaven en Moerdijk te behouden waren minimaal. Waalhaven werd zelfs op 11 mei van zijn grote verdedigingsmacht ontdaan door Student, die dat risico wel durfde te nemen. Moerdijk was met drie kleine compagnieën parachutisten, ontdaan van hun mortieren, ook al niet zwaar bezet door de Duitsers, hoewel het met zwaardere middelen zou moeten worden aangevallen om succes te oogsten. Oberst Bräuer achtte het zuidelijk bruggenhoofd voldoende verdedigbaar zolang de Luftwaffe eenheid Gruppe Putzier haar taak zou uitvoeren.

Die operationele keuzes aan Duitse kant – die niet alleen spreken uit de memories van Student maar eveneens uit de feitelijke gebeurtenissen en operationele besluitvorming die spreekt uit de voorhanden gevechtsverslagen – werden niet lichtzinnig genomen. Generalleutnant Kurt Student - in Duits militairhistorische kringen overigens bepaald niet als strategisch of operationeel zwaargewicht geafficheerd - nam zijn besluit tot wegzenden van III./FJR1 richting Dordrecht, en het ontdoen van Waalhaven van zijn beveiliging, niet zonder bezwaard hart. Het was een keuze die gemaakt werd uit een triage bepaling van operationele importantie. Daarnaast nam Student bovendien het besluit Rotterdam niet verder te versterken. Die keuzes werden gemaakt ten faveure van beveiliging van de Noord (tegen de oversteek door de Lichte Divisie) en met name de versterking van de noordelijke sector op het Eiland van Dordrecht.

Bräuer en Student waren het erover eens dat Moerdijk voorlopig zichzelf wel kon redden, hoewel Bräuer na de Franse verschijning 12./FJR1 als versterking naar het zuiden zou sturen. Voornaam daarbij was dat in alle militair operationele logica werd overwogen dat troepen verplaatsen naar de extremiteit van een bruggenhoofd, automatisch betekent dat die eenheden niet eenvoudig weer naar een ander bedreigd punt konden worden verplaatst. Dat terwijl troepen in het centrale deel van een bruggenhoofd wel eenvoudig naar de linker- of rechterflank kunnen worden verschoven, als de noodzaak daartoe daar zou zijn. Spijkenisse en Pernis bleven zodoende lange tijd geheel onbelangrijk in Student’s ogen. Maar evens werd op basis van voornoemde overweging besloten door de beide bevelhebbers om Moerdijk slechts de vooraf al geplande pioniers en PAK eenheden te sturen, maar niet meer dan dat [m.u.v. 12./FJR1]. Voor het overige zal duidelijk met Duitsland zijn gecommuniceerd dat de Gruppe Putzier de omgeving van Moerdijk intensief moest patrouilleren en operationeel ondersteunen indien de noodzaak daartoe zou bestaan. Student had er eenvoudigweg de troepen niet voor.

De Duitsers aan het zuidelijk bruggenhoofd waren er helemaal niet zo gerust op als hun bevelhebbers (aan de oppervlakte) leken te zijn. Zij wisten de Fransen in opmars, maar kenden de overwegingen van hun bevelhebbers niet in de finesses. En zoals de Nederlanders hoopten op Franse assistentie, zo vreesden de licht bewapende parachutisten de Fransen als bedreiging. Beide partijen vergisten zich. Er viel weinig te hopen of te vrezen.

Opvallend is dat colonel Dario en chef d’escadron Michon in hun gevechtsberichten geen melding maakten van een aanval op Moerdijk. Voor hen was Moerdijk kennelijk in wezen geen doelwit. Het lag bovendien buiten het aan hen toegewezen territoir, en behoorde in wezen tot de ruimte die door Groupe Lestoquoi diende te worden gedekt. Michon sprak in zijn gevechtsverslag duidelijk van slechts het verkennen van de ruimte en hoogstens laagwaardig offensief opereren. Men zou kunnen aanvoeren dat hij dit had aangevoerd om de debacle van de actie achteraf wat af te zwakken, maar met zijn zwakke eenheid met slechts een vijftal pantserwagens en voor het overige slechts uiterst kwetsbare motorrijders en zonder enig geschut, was een aanval op een versterkte en ingerichte stelling, waarbij langs en over geheel open terrein zou moeten worden opgetrokken, geen redelijke opdracht geweest.

In de ochtend van 10 mei 1940 had Gamelin aan generaal Winkelman toegezegd [7: Dl 1c, vraag 15858/15859] dat het Franse leger zou assisteren bij het hernemen van Moerdijk. Over de inhoud van het bewuste gesprek is veel gesteggeld. Winkelman beweerde bijvoorbeeld [7: Dl 1c, vraag 15872/15873] dat door Gamelin zou zijn toegezegd dat de Fransen het 6e Grensbataljon zouden helpen bij herneming van Moerdijk. Letterlijk zei Winkelman:

« Op dat ogenblik was ons toegezegd de hulp van de Fransen, die op de Moerdijkbrug zouden aanvallen in samenwerking met het 6de Grensbataljon. Wat mij betreft, ik was hoopvol gestemd, dat wij de Moerdijkbrug zouden terugkrijgen. Dat is niet gelukt. Nu kan men zeggen: had u dit nog niet kunnen doen? Dat is achteraf praten. Op dat moment achtte ik het niet nodig andere troepen aan hun eigen taak te onttrekken en reserves waren niet meer beschikbaar »

Die toezegging door Gamelin – als die überhaupt al ooit werkelijk zo concreet aan de orde is geweest – is een merkwaardige. Gamelin was zich immers bewust dat hij zich een dergelijke toezegging nauwelijks kon permitteren, omdat zulks slechts door operationeel verantwoordelijke bevelhebbers zou moeten worden gedaan en niet door de opperbevelhebber. De vraag kan ook worden gesteld – ze is helaas niet gesteld – of Gamelin zijn toezegging tot herneming van Moerdijk deed voordat of nadat Winkelman had verteld dat hij de Peel-Raamstelling reeds had laten evacueren door de hoofdmacht.

Zou Gamelin nog zo toeschietelijk over Moerdijk zijn geweest als hij al had vernomen over de vroegtijdige evacuatie van de Peel-Raamstelling? Generalissimo Gamelin, de man die al die tijd vooral het grote gevaar erkende van een snelle Duitse opmars versus een te trage ontplooiing van zijn troepen, zou hij toeschietelijk zijn geweest na mededelingen over een reeds opgegeven Peel-Raamstelling? De boodschap dat de Peel-Raamstelling al van de (resterende) Nederlandse hoofdmacht werd ontbloot terwijl de oorlog nog nauwelijks goed en wel was uitgebroken, kan Gamelin toch niet in de stemming hebben gebracht allerlei zeer gedetailleerde toezeggingen te doen die in wezen de Franse doelstellingen niet dienden?

De kans dat Gamelin de specifieke toezegging over Moerdijk heeft gedaan is desondanks toch aanwezig. Hij was in veel opzichten een opportunist en de door hem gezochte opportuniteit in de ochtend van 10 mei was de politieke en militaire verbintenis met de Nederlandse troepen. Het winnen van Nederland voor het Franse doel – het binden van de Duitsers ten noorden van Frankrijk – was op 10 mei nog veel belangrijker dan wat dan ook. En in die vroege ochtend van 10 mei was er nog geen vuiltje aan de lucht. Gamelin zelf was net wakker – letterlijk – en zijn troepen waren nog nauwelijks de Frans-Belgische grens over. Er was nog geen tegenvaller genoteerd. Een lichtzinnige toezegging, mogelijk zelfs slechts een bevestiging van een licht retorische vraag van Winkelman, was zo gedaan. Winkelman had zich dit direct moeten realiseren. Hij had moeten weten dat de toezegging van Gamelin – als die er al was geweest – gratuit was gedaan, nauwelijks waarde kon worden toegedicht.

Winkelman verschuilde zich echter achter de Gamelin toezegging en dat is hem zeer verwijtbaar te stellen. Hij faalde daarmee als operationeel opperbevelhebber opzichtig, want daardoor liet Winkelman de achterdeur naar Vesting Holland welbewust open staan. Hij schatte de Duitse luchtlandingen in samenhang met de lopende grondoperaties strategisch onjuist in; de Duitse handelingssnelheid evenzo. Hij stelde voor de weinig kritische Enquetecommissie dat er geen reservetroepen beschikbaar waren, maar stuurde het gehele 3e Legerkorps welbewust in een dode hoek van de Vesting Holland. Een hoek waarvan het alle strategen vooraf helder was dat de Duitsers daar niet zouden aanvallen. Dus beweren dat er geen reserves zouden zijn geweest is onzuiver. Hij was niet bereid ze als zodanig aan te merken, dat is juist.

Winkelman – in samenwerking met zijn chef-staf en de commandant Veldleger – faalde met name in zijn beleid in de ochtend van 10 mei. In plaats van Noord-Brabant als een bezetene te evacueren na de Duitse coup bij Gennep, had hij via de Langstraat een krachtige eenheid richting Moerdijk moeten sturen uit bij voorkeur de daartoe bij uitstek geschikte Lichte Divisie, of anders uit het 3e Legerkorps een eenheid daartoe moeten aanwijzen. Hij had moeten streven naar het initiatief direct hernemen van de Duitsers. Niet het heroveren van de Moerdijkbruggen overlaten aan een daartoe niet geoefend grensbataljon of vertrouwen op een Franse bondgenoot die mogelijk pas een of twee dagen later een tegenactie zou kunnen ontwikkelen. Winkelman liet dit handelen na en liet daarom het initiatief bewust en weloverwogen uit zijn handen glijden. Dat is niet makkelijk redeneren achteraf - zoals Winkelman min of meer in zijn eigen verweer roept - maar gewoon een kwestie van ontbrekend juist militair beleid bij hemzelf geweest.

Generaal Reynders, door E.H. Brongers onterecht tot een bijkans militair genie gepromoveerd, had in één ding beslist gelijk in zijn naoorlogse brochures. Winkelman had zich veel te afwachtend opgesteld en Noord-Brabant als het ware zo uitgeleverd aan de Duitsers. Dat Reynders met die brochures zijn eigen – evenzo onhoudbare – strategie had willen verdedigen dat de Peel-Raamstelling nooit had mogen worden opgegeven, zij gezegd. Maar het is een gegeven, dat Winkelman veel te eenvoudig operationeel een streep trok onder het gebied dat ten zuiden van de grote rivieren lag. Zijn eigen vertrouwen in de Fransen, was zijn eigen verantwoordelijkheid. Maar het had er in wezen alle schijn van dat Winkelman niet eens alle vertrouwen in de Fransen had, maar zelfs gewoon geheel afscheid had genomen van Nederland onder de rivieren en zich er niet eens meer om wenste te bekommeren. Zijn operationele desinteresse voor het (werkelijke) zuidfront en zijn afstandelijke handelen jegens Zeeland, waar hij geen enkele aandacht aan schonk, waren daarvan ook al een toonbeeld. Het feit dat hij en zijn chef-staf H.F.M. van Voorst tot Voorst nauwelijks anticipeerden op de talloze berichten die hen bereikten over een tankdivisie die in opmars was naar Moerdijk is net zo veelzeggend.

Als Winkelman een strateeg van kwaliteit was geweest, een capabele opperbevelhebber, dan had hij nooit mogen vertrouwen op een vage Franse toezegging. Winkelman had immers tijdens datzelfde telefoongesprek in de ochtend van 10 mei 1940 de wetenschap met Gamelin gedeeld dat de Peel-Raamstelling al was opgegeven. Welk Frans belang zou er nadien nog worden gediend met de herneming van Moerdijk? Geen enkel!

De Fransen hadden in hun voorstudies van Hypothese Breda al een ontplooiing tot aan Dordrecht – toentertijd een belangrijk spoor- en haven knooppunt – laten vallen. De smalle en lang Moerdijkbruggen en de geheel open toerritten daarheen hadden de logistiek erg geëngageerde Fransen doen huiveren. Daarom was op aandringen van veel Franse generaals het riviertje de Mark als meest noordelijke verdediging gekozen en mochten slechts uitlopers van de voorverdediging ten noorden en oosten daarvan terecht komen. Moerdijk viel in een voorverdedigingsgebied – bij de Hypothese Breda – en was daarmee strategisch voor de Fransen alleen van belang als en indien de Nederlandse veldlegereenheden zich rond Tilburg volledig zouden binden aan de Fransen. Winkelman meldde Gamelin op 10 mei in de ochtend dat die vlieger niet op zou gaan, voor zover de Fransen dit voordien niet al duidelijk was gemaakt door Voorst Evekink. Met die mededeling op 10 mei 1940 was Moerdijk voor de Fransen volmaakt onbelangrijk geworden.

Op 11 mei was Moerdijk voor de Fransen dus al volkomen onbelangrijk. Op 12 mei werd het zelfs voor de Fransen interessant dat Moerdijk in Duitse handen bleef. Het was inmiddels immers duidelijk dat een Duitse tankdivisie via het noorden westwaarts kwam, vergezeld van enige Duitse infanteriedivisies. De druk op de ketel die West-Brabant heette zou spoedig enorm oplopen.

In het hart van het Belgische front werd een ontwikkeling gezien waar sterke Duitse formaties - met daarbij tenminste twee tankdivisies - met alle macht voor de Geallieerde hoofdweerstand moesten worden gehouden in het zogenaamde gat van Gembloux, een slecht verdedigbare sector voor de Geallieerde hoofdverdediging in het hart van België.

Een door de Duitsers bezet Moerdijk zou een voornaam deel van de Duitse troepen, die via het noorden kwamen, Vesting Holland in doen trekken. Een vernietigde of door de Geallieerden bezette Moerdijkbrug zou de gehele Duitse legermacht mogelijk naar het 7e Leger toetrekken. En dat was zeer ongewenst voor de Franse legerleiding. Kortom, Moerdijk hernemen en de bruggen vernielen zou de Duitse druk op de Fransen in West-Brabant enorm doen toenemen. Moerdijk aan de Duitsers laten zou de druk op de Fransen aanmerkelijk doen verlichten en een belangrijk deel der Duitsers noordwaarts sturen.

Kortom, voor de Fransen was een herovering van Moerdijk geen enkel moment een werkelijk doel; noch strategisch, noch operationeel. Au contraire zelfs, de Fransen hadden op 12 mei 1940 operationeel een sterk belang bij Moerdijk dat in Duitse handen zou zijn!

Winkelman, die vooroorlogs de militair attaché Van Voorst Evekink zo expliciet had opgedragen uit te vinden wat de Franse strategie zou zijn ten aanzien van Nederland en toen vernomen had dat er geen Franse intentie was noordelijk van de grote rivieren te treden, had moeten weten dat Gamelin geen enkel belang had bij de herovering van Moerdijk. Dat hij zich er gemakkelijk vanaf kon maken voor de Enquete Commissie had met het uitgesproken gebrek aan kennis en interesse bij de Commissie te maken. Een kundige Commissie had hem het vuur beslist meer aan de schenen gelegd in deze kritische kwestie.

[De bronnen vindt u hier]