Mill

Inleiding

De Slag bij Mill is de boeken ingegaan als een van de hevigste slagen in de meidagen van 1940, en dat was het ook. Dat was niet alleen vanwege de ontwikkeling van aanzienlijke onderdelen en middelen op een klein gebied, maar ook vanwege het feit dat er werkelijk een belangrijk tactisch-strategisch doel lag voor de aanvaller. Die zou namelijk na doorbraak van de Peel-Raamstelling geen enkele voorbereide verdediging meer voor zich vinden tot aan Rotterdam!

Peel-Raamstelling bij Mill

De Slag bij Mill was mogelijk ook de bloedigste slag in de meidagen als het aankomt op een gelijke vergelijking met elders. Nergens zouden zoveel verdedigers en aanvallers uitgeschakeld worden door sneuvelen of verwondingen binnen een dergelijk kort tijdsbestek en op zo’n klein oppervlak. Slechts de gevechten op 13 mei 1940 om de stoplijn op de Grebbeberg zijn vergelijkbaar wat dat aspect betreft.

Mill was toentertijd een voornaam knooppunt van wegen dat vlakbij de Maas lag. Het had een strategische ligging, want behalve de logistieke importantie was dit gedeelte van de Peel-Raamstelling voor een tegenstander zeer goed benaderbaar wegens ontbrekende moerassen of drassige gronden. Omgevingsfactoren die zuidelijker wel aanwezig waren. Een laatste voorname punt waarom Mill strategisch van belang was, was het feit dat het doorbreken van de verdediging in het noorden – langs de Maas – de gehele verdedigingsmacht zou afsluiten van een noordelijke vluchtroute. Als het gehele Nederlandse 3e Legerkorps en de Lichte Divisie in de stellingen waren gebleven en de Duitsers hadden bij Mill een doorbraak kunnen forceren, dan was de kans dat de Nederlandse troepenmacht zou worden ‘eingekesselt’ [omsingeld] heel groot geweest. Men bedenke daarbij dat de Duitsers al op 11 mei massaal het Albertkanaal over kwamen, ten zuiden van Weert. Het toont het belang van de slag aan, zeker voor de Duitsers.

Tegelijkertijd heeft de lezer vermoedelijk inmiddels de bespreking van de Maas-Waalkanaalstelling en de Maaslinie gelezen. Daarin wordt duidelijk gemaakt dat Mill weliswaar voor de Duitsers van groot belang was, maar dat parallel aan deze ontwikkeling twee vergelijkbare operaties waren ontworpen die eveneens tot doel hadden een met een infanteriebataljon uitgeruste trein bij verrassing door de Peel-Raamstelling te rijden en te laten ontladen in de rug ervan. Bij Deurne [centraal] en Weert [zuid] zou dit moeten hebben plaats vinden. Die acties smoorden echter voor ze werkelijk tot ontwikkeling waren gekomen. Daarnaast de poging om de Peel-Raamstelling vanuit het noorden te verrassen door de acties aan het Maas-Waalkanaal die uiteindelijk gericht waren op een verovering van de intacte bruggen bij Ravenstein en Grave.

Het feit dat de Duitse operatie helemaal niet alleen op Mill was geconcentreerd en in feite dus veel breder van opzet was, is vermoedelijk weinig lezers bekend. Het paste echter helemaal in de Duitse Auftragstaktik om meerdere acties te laten leiden tot eenzelfde doel; ieder onderdeel had binnen de kaders van de doelstellingen zijn eigen verantwoordelijkheid de tactische doelen te bereiken. Het was daarom alles behalve vreemd dat vier verschillende divisies, ja zelfs twee verschillende legerkorpsen die aan verschillende Legergroepen toebehoorden, parallelle operaties opzetten en nastreefden die allen het doel hadden concentrisch door de Peel-Raamstelling te breken. Daaruit blijkt dat het omsingelen van de Nederlandse troepenmacht het doel helemaal niet was, maar dat het enige doel was om zo spoedig mogelijk door de Peel-Raamstelling heen te breken richting westen. En dat – met in het achterhoofd de voornaamste taak van 26.AK – is volmaakt logisch. Want de aansluiting maken met de lichte troepen die de Moerdijkbruggen bezet hielden was imperatief – niet een lokale ‘Kesselslacht’. Dat laatste was echter door Nederlandse strategen (logischerwijs) wel altijd als groot risico gezien voor een doorbaak bij de locatie Mill.

Kortom, de initiële Duitse operationele opzet was een zuiver concentrische aanval vanuit meerdere divisievakken. En slechts bij Mill zouden de Duitsers daarvoor alle voorwaarden creëren doordat zij in de eerste uren van de strijd erin geslaagd waren een trein door de stelling te laten rijden, die de aan boord zijnde infanteristen in de rug van de verdediging kon uitladen.

Dan was er nog de Achilleshiel van de Peel-Raamstelling. Bij Weert sloot de linie niet aan op het Belgische defensief. Met het gereed komen van het Albertkanaal was er voor de Belgen geen noodzaak meer geweest om de ruimte tussen het Albertkanaal en de Peel-Raamstelling in hun dispositief op te nemen. Dat deden zij dan ook niet, ondanks aandringen van Nederland. België speelde daarin een vrij arrogante rol, dat gezien de onderlinge verhoudingen tussen de landen niet verwonderde. Het was in elk geval een feit dat de Peel-Raamstelling eenvoudig omtrokken kon worden.

Die mogelijkheid tot omtrekking wordt door veel krijgshistorische publicisten ook erkend, en was ook voor generaal Winkelman een van de meest voorname redenen om de Peel-Raamstelling niet langer te verdedigen met de sterke krachten die eerder waren voorzien. De ontwikkelingen in de meidagen gaven Winkelman min of meer gelijk, hoewel men daarover van mening kan verschillen. Deze interessante strategische kwestie zal later nog worden belicht.

De aanvallers

Mill lag in het taakgebied van 26.AK. De Duitsers hadden in eerste instantie het plan om slechts met 256.ID door de linie heen te breken, wat logisch is daar 256.ID het linkervak in de spits van 26.AK bezette. De andere spitsdivisie was 254.ID en deze zou oorspronkelijk via het land van Maas en Waal de rechterflank aanvoeren.

Het plan om de noot bij Mill te kraken was gelardeerd met de opzet van de gepantserde treincombinatie die via Gennep door de stelling moest rijden om dan een bataljon infanterie in de rug van de stelling uit te laden. Dat bataljon zou dan de stelling vanuit de rug moeten oprollen.

Twee regimenten van 256.ID kregen opdracht bij Mill de Peel-Raamstelling te doorbreken. Dat was IR.481 [Oberstleutnant Weber], dat met één van haar drie bataljons aan boord van de trein het spits zou afbijten en IR.456 [Oberst von Neindorff] dat IR.481 zou moeten assisteren bij de aanval. Daarbij zouden de divisiepioniers alsmede AR.256 [Oberst von Horstig] – dat haar vierde afdeling uitgerust met 15 cm geschut kwijt was geraakt aan 10.AK – assisteren. Een klein Schwadron lichte pantserwagens [Kfz.13, de voorloper van de Sd Kfz.221] en een Zug met vijf met mitrailleurs bewapende Pz.Kfw I tanks van 9.PD was toegevoegd aan de verkenners.

In de plannen was voorzien dat er veel meer artillerie zou ondersteunen. De divisie had een zeer zware delegatie artillerie toegewezen gekregen voor de doorbraak van de Peel-Raamstelling. Hiertoe behoorden, naast de eigen drie afdelingen 10,5 cm houwitsers, twee afdelingen 15 cm geschut met in totaal 24 vuurmonden [I./AR.58 en II./AR.54], een batterij met twee stuks gemechaniseerd geschut [I./698 met Bisons] van 15 cm en de Mörser Abteilung 735 met drie (mogelijk slechts twee) batterijen 21 cm zeer zware houwitsers. Dit alles werd ‘geleverd’ met een toegevoegde extra artilleriestaf. Bovendien kreeg men de beschikking over enkele artilleriewaarnemingsvliegtuigen.

De ontplooiing van al deze eenheden zou echter volkomen stagneren door de ontwikkelingen aan de Maas. De noodbruggen in de sector van de divisie waren allebei niet geschikt voor het vervoer van het zeer zware materieel. Bovendien kwamen de bruggen pas in de middag gereed, waarbij de zwaarste van de twee [vlakbij Gennep] ook nog eens beschadigd raakte door een zware artillerietrekker en hierdoor uren buiten bedrijf kwam. De spoorbrug bij Gennep liet niet toe dat zware voertuigen hierover reden vanwege de rails en bielsen. Hierdoor zou tot ver in de middag van 10 mei niet alleen slechts één infanterieregiment tot ontplooiing kunnen komen, maar behoudens enkele pioniers, slechts één batterij van vier stukken 10,5 cm van AR.256 beschikbaar komen.

De pantsertrein

De onderstaande informatie komt vooral uit de buitengewoon grondige studie van Wolfgang Sawodny die in 2006 werd gepubliceerd onder de titel ‘Die Panzerzüge des Deutschen Reiches 1899-1945’ [505].

Panzerzug no.1 was een zogenaamde Bahnschutzzug [spoorbeveiligingstrein]. Dit type trein was reeds in de twintiger jaren gebouwd om de Duitse spoorwegen in geval van oorlog te verdedigen. Hiervan bestonden er op de top 27 stuks. Deze eenheden werden door een waarlijk schaduwleger [buiten de beperkingen van de Versailles traktaten om] van Bahnschütze [spoorwegsoldaten] bezet. Uiteindelijk groeide dat legertje uit tot 27,000 geoefende militairen die de belangrijkste spoorknooppunten moesten verdedigen in geval van oorlog. Alle in Nederland ingezette pantsertreinen waren oospronkelijk Bahnschutzzüge geweest.

De Bahnschutzzug no.1 was de oorspronkelijke trein van RBD Osten uit Frankfurt Oder. De trein bestond uit een gepantserde locomotief met commando-voorwagen en vijf gepantserde wagons. Aan voor- en achterzijde een platte stootwagon. Met uitzondering van enkele MG.34 mitrailleurs, was de trein niet bewapend.

de locomotief van PZ.No1

De aandrijving geschiedde door een type 57-2043 locomotief, hetgeen een Pruisische G-10 loc was. Dit was een Schlepptender-Güterzuglokomotive, ofwel een combinatielocomotief geschikt voor het trekken van een zware goederentrein. Die combinatie was die van aandrijfmachine en kolenwagen. Deze krachtige machines konden een trein van 1,460 ton met een kruissnelheid van 50 km/u trekken. De loc was voorzien van ca 27 mm pantserplaatstaal in deels externe opgelaste, deels intern aangebrachte staalplaten. Pantserschorten waren rond het loopwerk aangebracht. De normaliter open bedieningsruimte was met pantserplaten gedicht, en de toegang was daardoor via de tender te bereiken. De locomotief kreeg zijn scherpe hoekige uiterlijk doordat de buitenste pantsermantel zo effectief mogelijk tussen de diverse uitstekende delen was aangebracht.

De wagons waren drie twee-assige ‘Einheits Durchgangswagen 3/4e Klasse’ uit 1928 met een lengte van 13,92 meter, twee drie-assige Pruisische ‘Länderbahn-Durchgangswagen 4e Klasse’ met een maximale lengte van 12,80 meter en een twee-assige G-wagon [voormalige remwagon die vroeger als sluitwagon op een trein zat] als commandowagen. De wagons waren allen voorzien van extern opgebrachte [geklonken] pantserplaten en de ramen waren voorzien van pantserluiken [bij de Pruisische wagons] of grotendeels achter de extern aangebrachte pantserplaten verdwenen [overige wagons]. De dikte van de bepantsering is onbekend en (helaas) in Duitsland verloren gegaan. Slechts voor de PZ. No.3 is deze nog bekend, maar hiervan is eveneens bekend dat deze een van de best gepantserde was. Deze was voorzien van platen van maar liefst 26 mm chroom-nickelstaal. Zeker is dat de PZ. 1., 2. en 5. beduidend mindere kwaliteit pantserstaal hadden. Dit wordt in de Duitse literatuur vooral aan de kwaliteit – niet de kwantiteit – van het pantser geweten. In elk geval waren de wagons voldoende gepantserd om munities uit alle handvuurwapens en machinegeweren te weren. Opgemerkt wordt in de Duitse bron dat dit niet gold voor weerbaarheid tegen munitie uit pantsergeweren.

De commandowagen – waarin de treincommandant [Hauptmann Fritz Mundus] zat – was voorzien van 30 mm zachtstaal aan de binnenzijde, en 30 mm hardstaal aan de buitenzijde. Deze pantsering is een aanname, daar de exacte gegevens van de PZ no.1 niet meer bestaan en dus naar de broers en zusters van deze trein gekeken moest worden.

Tenslotte was de trein zelf voorzien van twee MG.34 machinegeweren, alsmede een luchtdoelmitrailleur en twee infanterie PAK. Die zeer beperkte bewapening werd uiteraard aangevuld met de bewapening die zij op 10 mei 1940 zou meevoeren. Geschutswagens – die bij deze trein niet waren aangekoppeld – zouden pas later een standaard uitrusting van pantsertreinen worden.

De PZ No. 1 t/m 7, die allen voor het Nederlandse front waren voorzien, waren vrijwel gelijk qua specificatie. Alle zeven hadden een vergelijkbare 57-serie locomotief. PZ No.1 was overigens wel de kleinste van allemaal, want alle overigen hadden tenminste een wagon meer, en bovendien waren PZ. No.3 [Zutphen] en PZ. No.4 [Deventer] alsmede No.6 [Winschoten] en No. 7 [Westervoort] voorzien van geschutswagons. Van de ingezette Sonderzüge – zoals bij Neerbosch en Venlo de bedoeling was – zijn aan auteur geen gegevens bekend. Wellicht waren dit licht gepantserde treinen, maar het is mogelijk dat dit zuiver voor militaire doeleinden ingezette Reichsbahn goederentreinen waren.

Pz.No.1 had een flinke eigen bezetting, bestaande uit de Zug Kompanie, die was samengesteld uit een staf, verbindingsgroep, twee kleine pelotons infanteristen, twee PAK's op de platte wagons, een luchtafweermitrailleur en de twee sMG. De PAK bediening behoorde vermoedelijk tot IR.481, de verbindingsgroep tot Na.Abtl.256. Volgens het KTB van 256 1a bestond de IST sterkte vlak voor de inval uit:

Omschrijving Aantal mansch. Opmerking
Staf 6 Incl. cmdt en plv.
Na Trupp 6
Fla MG 6 1 x Fla MG
1. Zug 23
2. Zug 24
3. Zug (sMG) 33 2 x sMG
Versterking:
PAK Gruppe 10 2 x PAK 3,7 cm
Na Trupp 6 Middengolf
Total 114 man


De Pz. No.1 had - naast de organieke "Zug Kompanie" de volgende manschappen aan boord:

- Deel staf van het 3e bataljon IR.481
- Deel van 12.Kp met mortieren [enkele sMG plus deel manschappen in volgtrein]
- 13.Kp [regimentscompagnie licht infanteriegeschut, zonder stukken]

De PZ. No.1 werd gevolgd door een reguliere Reichsbahn goederentrein met een tenderlocomotief en 23 wagons. Hierin zat het gros der eenheden van het te vervoeren 3e bataljon van IR.481. De trein was samengesteld in de navolgende volgorde:

- platte voorwagon met 1 PAK 36 en twee MG.34 sMG,
- remwagon met daarin de rest van de bataljonsstaf, een verband van NA256 met radioverbindingen, verbindingsstaf
- locomotief
- vier wagons met 11.Kp en 2 MG.34 sMG
- remwagon met staf radioverbindingen en enkele officieren 12.Kp
- platte wagon met 2 MG.34 sMG
- platte wagon met 2 PAK 36 en 2 l.IG18 75 mm
- goederenwagon ingericht als hospitaalwagon met een tiental hospikken en bataljonsarts
- remwagon met compagniescommandant en pelotonscommandanten 10.Kp
- vier wagons met 10.Kp en 2 MG.34 sMG
- remwagon met compagniescommandant en pelotonscommandanten 9.KP
- platte wagon met 2 MG.34 sMG
- twee platte wagons met rubbervlotten

Deze troepen vertegenwoordigden dus alle manschappen van het 3e bataljon van IR.481 plus een peloton PAK [3 vuurmonden] van 14.Kp en een peloton licht infanteriegeschut [2 vuurmonden] van 13.Kp alsmede een sterke verbindingsafdeling van de divisie. Dit zullen bij elkaar circa 800 manschappen zijn geweest. Daarbij geteld de ca. 100 man van de treincompagnie, betekent dat een sterkte van ca. 900 man in de twee treinen was ondergebracht.

De verdediging

Het verhaal van de verdediging is vermoedelijk genoegzaam bekend als het aankomt op de terugtrekking van het 3e Legerkorps uit Noord-Brabant, met al haar artillerie. In deze wetenschap was er aan Nederlandse kant een aantal bataljons ‘uitverkoren’ om de Peel-Raamstelling met een ijle bezetting te blijven bemannen.

De infanterie had geen beschikking over antitank geschut. Dat was te noodzakelijk gebleken voor de Vesting Holland. Zelfs de antitank vuurmonden in de Maas- en Ijssellinie hadden op nominatie gestaan naar de Vesting Holland te worden teruggetrokken. De vervangende 8-staal stukken waren vrijwel over al aangekomen, maar de tijd had ontbroken om de PAG’s terug naar west Nederland te brengen. In de Peel-Raamstelling waren ze echter helemaal niet aanwezig. Het beste wat men ter bestrijding van gepantserde doelen in kon zetten in het vak bij Mill waren vier stukken licht infanteriegeschut, type 6-veld [57 mm].

Twee bataljons leverden de hoofdbezetting in het bijna 10 km brede vak bij Mill. Dat waren I-3RI [majoor A. Netze] en I-6RI [majoor A.J.M. Allard], waarbij III-14RI noordelijk en II-2RI zuidelijk aanleunde. Beide eerst genoemde bataljons behoorden tot de 3e Legerkorps troepen, maar dienden in de stelling achter te blijven. De betreffende sector heette Vak Schaik en werd door reserve luitenant-kolonel J. Detmar gecommandeerd. De omgeving van de spoorlijn en het dorp zelf was aan de manschappen van I-3RI toevertrouwd, en zij wisten zich gesteund door de twaalf 8-staal vuurmonden in hun rug. Daarnaast was er een compagnie pioniers ter beschikking, die deels voor vernielingstaken waren ingedeeld [15.C.Pn].

In de sector tussen kazemat 28 tot en met 45 lag I-6RI, met van noord naar zuid de 1e [res. 1e luitenant H. Broer], 3e [res kapitein B.M. Wirtz] en 2e compagnie [res. 1e luitenant C.D.M. van Exel]. Het defensiekanaal ging ter hoogte van kazemat 31 over in de Lage Raam. Zuidelijk aangeleund was de sector met de kazematten 548 tot en met 518 het vak van I-3RI, met de compagnieën 2 [res. kapitein J.J. Luikinga], 1 [res. 1e luitenant G.P.J. van Tilborg] en 3 [res. kapitein L.H.M. Huris] van noord naar zuid. Ten noorden van I-6RI lag III-14RI, en ten zuiden van I-3RI lag II-2RI.

De merkwaardige kazemat tellingen – deze verspringt immers tussen 45 en 548 om schijnbaar onverklaarbare reden – had te maken met de oorspronkelijke linie. De lage telling was afkomende vanaf de Maas bij Grave. De hoge telling kwam vanaf het zuiden bij Weert. De lezer mag echter gerust weten dat de kazematten 45 en 548 in feite (h)echte buren waren.

De bataljons waren in de vroege morgen van 10 mei om even voor 0100 uur door de Peeldivisie geinstrueerd om de stellingen om 0300 uur volledig paraat te bezetten.

De Nederlandse artillerie

Als compensatie voor de migrerende divisie- en legerkorpsartillerie werd een speciaal artillerieregiment ingedeeld dat was uitgerust met museumstukken van het type 8-staal. Het was 20.RA, oorspronkelijk voorzien om in de loop van 1940 uitgerust te worden met de in Duitsland bestelde stukken 10,5 cm houwitsers [Nederlandse variant van de lFH18 van Rheinmetall]. De kanonniers kregen echter niet de meest moderne stukken die onze landmacht kon bieden, maar de meest gedateerde vuurmonden: het stuk veldgeschut van 8-staal.

Langeboomseweg Mill

De 8-staal vuurmond was vlak na de Pruisisch-Franse oorlog een uitstekende aanschaf geweest, maar volmaakt verouderd in 1940. Het label volstrekt archaïsch paste bij dit wapen. En dat was niet alleen vanwege het geboortejaar van de vuurmond, maar eveneens vanwege het feit dat de stukken niet deugdelijk onderhouden waren, hoewel men wel een plastische afsluiting had aangebracht in de twintiger jaren. Het gebrek aan onderhoud en deugdelijke opslag betekende dat de vuurmonden te lijden hadden van metaalmoeheid, falende pakkingen en verroeste munitie. Dat waren dan de mechanische uitdagingen. Er was meer.

De manschappen – die hun vuurmonden vlak voor de meidagen hadden ontvangen – waren geoefend voor de bediening van de nieuwe Duitse vuurmonden die de karakteristieken van houwitsers hadden, krombaangeschut. Het enige dat de 8-staal en die houwitsers gemeen hadden was dat ze met gescheiden munitie [patroon en drijflading apart geladen] schoten. Maar de 8-staal was een wapen dat in de regel met directe richting schoot, dat ongeremd was [en dus na ieder schoot diende te worden nagericht] en waarvan de schootskarakteristieken aan de officieren en stukscommandanten onbekend waren. De afdelingen waren niet eens voorzien van de juiste meet- en regelgereedschappen om vuren kundig te kunnen uitrekenen. Dat vergde improvisatie. Schootstabellen – als ze er al waren – waren volmaakt onbetrouwbaar door de ouderdom van wapens en munitie. Bij III-20RA was echter een onderofficier aanwezig die de stukken nog goed kende, wat bijzonder handig bleek.

Een batterij van vier stukken 8-staal had eenzelfde vuurkracht als een enkel stuk 7-veld. Een afdeling van twaalf vuurmonden had dus minder vuurkracht dan een batterij van vier stukken 7-veld. Daar kwam bij dat de 8-staal vuurmond geen effectief (!) vuur kon geven dat dieper lag dan 3,500-4,000 meter. Ongeveer 40% van het maximale bereik van de 7-veld.

Het was kortom vooral als een morele injectie bedoeld om deze haast antieke stukken geschut aan de Peel-Raamstelling toe te wijzen. Het waren 36 vuurmonden geworden, verdeeld over drie afdelingen die elk een deel van de stelling moesten versterken. Bij Mill stond dus één van die drie afdelingen, III-20.RA [reserve kapitein S.L. Groenewoud]. Ze beschikten over brisantgranaten en granaatkartetsen. Vermoedelijk 500 stuks per batterij.

pantserremmende betonbrug Mill

Een geluk was dat de afdelingscommandant bij aankomst van de stukken direct de sluitstukken en afvuurpistolen liet controleren, wat was ingegeven door advies van de aanwezige ervaren onderofficier-artillerist [wachtmeester]. Hierbij werden allerhande mankementen vastgesteld en konden bijvoorbeeld de schietpistolen [op het sluitstuk geschroefd mechanisme om het stuk af te vuren] binnen 48 uur door Philips worden gereviseerd.

De vuurmonden waren pas enkele dagen voor de Duitse inval aangekomen. Desondanks slaagde de afdeling erin nog een aantal vuren voor te bereiden. De hoofdrichting van de afdeling was richting het eerste prioriteitsvuur: de versperring bij de brug in de Langenboomseweg [tussen B-kazemat 537 en kazemat 538] te Mill. Drie andere vuren werden eveneens voorbereid: op het kruispunt Graafseweg / Karstraat [t.h.v. kazemat 544], op het kruispunt voor kazemat 520 en op een kruispunt bij het gehucht Bruggen [t.h.v. kazemat 548]. Dat waren vuren binnen een hoek van 12 militaire graden [=75 civiele kompasgraden]. Dat betekende dat voor al deze vuren de stukken intensief moesten worden omgezet, omdat de 8-staal een vaste schietbuis en affuit had en dus voor iedere richtingaanpassing een fysieke correctie nodig had.

Het prio 1 vuur – op de versperring bij de Langenboomseweg – was als enige als stormvuur uitgewerkt. Het zou per batterij worden ingeschoten [3 seconden tussen de lagen] en na correctie als stormvuur over een breedte van 300 meter worden afgegeven. Dat dit vuur het eerste en meest voorname voorbereide vuur was, kwam omdat men er vanuit ging dat een Duitse aanval op die locatie zijn zwaartepunt zou krijgen.

Er was ook een waarnemer in het voorterrein geplaatst die per telefoon was verbonden met de afdeling. Reserve 1e luitenant Fennel zat een 200 meter achter de kazematten 535 en 536 op een in de bomen geconstrueerd plateau.

De stelling

De oorspronkelijke Peel-Raamstelling was een vrij diepe stelling met daarin – in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Grebbelinie – ook enige diepte van frontlijn en stoplijn zelf. Nadat het besluit was gevallen de stelling met een antitank kanaal te versterken werd op een aantal locaties de frontlijn zodanig opgerekt dat men daar bezwaarlijk meer kon spreken van één integrale frontlijn. Hier en daar lag een afstand van meer dan een kilometer tussen de kazemattenlijn aan het kanaal en de ‘oude’ frontlijn [ten oosten van Gemert zelfs zo’n 4 km]. Op andere locaties was de oorspronkelijk frontlijn echter zo’n 250-300 meter verwijderd van het kanaal. Men zou dus daarom in wezen drie verdedigingslijnen hebben: de nieuwe frontlijn achter het defensiekanaal, de oude frontlijn en daarachter de stoplijn.

De Peel-Raamstelling profiteerde sterk van de drassige veengebieden die met name het zuidelijke en centrale deel van de stelling buitengewoon lastig benaderbaar maakten. Dat werd verder versterkt door een gebrek aan goede (oost-west) wegen. In het noordelijke deel ontbraken die voordelen echter. Ze werden slechts ten delen door lokale inundaties [zoals de Raam vallei] gecompenseerd.

De stelling was wel goed voorzien van prikkeldraad en uitgebreide mijnenvelden. Ook daarin onderscheidde de Peel-Raamstelling zich van de Grebbelinie.

Grofweg tweederde van de stelling was achter het nieuwe antitank kanaal [Defensiekanaal] vorm gegeven, terwijl het zuiden achter de Zuid-Willemsvaart was gebouwd. In het zuiden had men dan ook niet de bezwaren van de wijkende oude en nieuwe frontlijn.

Langs het kanaal waren dicht op elkaar koepels [G-kazematten] en stekelvarkens [S-kazematten] gebouwd, hier en daar [om de kilometer] een flankerende B-kazemat in een lijn achter de voorste rij kazematten. De kazematten lagen aanmerkelijk dichter op elkaar dan in de Maas- en IJssellinie het geval was. De onderlinge tussenruimte was circa 250 meter, soms minder, soms meer. In de voor Mill relevante sector tussen De Gagel en Opdorp – een strekkende afstand van circa 11 km – waren 78 kazematten gebouwd [60 x S, 7 x G, 11 x B]. Daaruit blijkt duidelijk dat de onderlinge afstand van de kazematten in deze sector gemiddeld onder de 150 meter kwam.

Een aanzienlijk nadeel dat de kazematten in de linie trof was het feit dat het landschap hier en daar een vlak biljartlaken was. Dit deed de profielen van de kazematten, die pal op het kanaal waren gebouwd, sterk afsteken tegen de achtergrond. Bij Mill speelde dit overigens veel minder een rol.

Bij Mill zelf liep het defensiekanaal direct west van het dorp, waar het gebied enigszins hoger lag dan het naderingsgebied. Het kanaal maakte daar een scherpe knik naar het zuidwesten. Aan de westzijde van het kanaal waren enkele dichte bospercelen, waarin de Nederlanders diverse loopgraven en commandoposten hadden ingericht. Bospercelen zuid van Mill lagen voor de linie, en konden de aanvaller dekking bieden tot relatief kort op het kanaal, te meer daar geen schootsveldruimingen hadden mogen worden verricht. Ten westen van Mill – bij kazemat 526 – maakte het defensiekanaal een 90 graden hoek naar het zuiden, waarna onder kazemat 523 direct weer 90 graden westwaarts om bij kazemat 520 weer 90 graden zuidelijk af te buigen. De door de Duitsers in hoofdzaak aan te vallen sector bevond zicht tussen de kazematten 542 in het noorden en 519 in het zuiden.

Peel-Raamstelling

De spoorlijn kruiste het defensiekanaal bij de S-kazematten 532 en 533. Het spoor liep net ten zuiden van het dorp tussen de bospercelen ten zuiden en ten oosten van Mill. Door de haakse hoeken in het defensiekanaal ten westen van het dorp Mill, liep het kanaal – en daarmee de defensie erachter – over ettelijke honderden meters vrijwel parallel aan het spoor op zeer korte afstand. In feite was dit het geval tussen de kazematten 534 net ten noorden van het spoor en koepel 526 ten zuiden ervan. De spoorlijn was voorbereid voor een zware aspergeversperring voor de linie met daarachter een coupure. Tussen Mill en Haps zou een spoorvernieling worden uitgevoerd en bij Haps zelf – op ongeveer twee kilometer oostelijk van Mill – zou de kleine spoorbrug over de Hapsche Sloot worden opgeblazen. Even ten zuiden daarvan zou een bruggetje in de weg tussen Haps en Volkel eveneens worden vernield. Bovendien waren er ettelijke kleine bruggetjes over de Lage Raam [waarvan de Hapsche Sloot een zijstroompje was], die eveneens moesten worden vernield. Deze taken waren voorzien voor 15.C.Pn. Een betonring versperring lag voorts op de weg van Haps naar Volkel vlak voor de linie. De koepel 518 dekte die versperring.

De opstelling van de 3e Afdeling Artillerie van 20.RA was op circa 1 km achter het defensiekanaal gekozen, west van het bosperceel en ter hoogte van het meest noordelijke huis van Mill. De batterijen lagen in het open veld [voorzien van slechts een zandzakdekking], hetgeen noodzakelijk was in verband met de vlakke projectielbaan en de geprojecteerde doelen die rondom Mill lagen. In de periode 7-10 mei waren - zoals gezegd - ondanks het extreem korte tijdsbestek tussen ontvangst der stukken en de Duitse inval enkele vuren op de wegkruispunten bij Mill voorbereid.

De trein rijdt …

Om even na 0100 uur [Nederlandse tijd] reed de PZ No.1 met daarachter de lange troepentransporttrein weg bij het station van Üdem [ca. 20 km oostelijk van Gennep]. In het kleine stadje Hassum, pal oost van de grens met Nederland, werd gestopt tot het exacte tijdstip van de grensoverschrijding was aangebroken. Om precies 0350 uur zette de trein zich weer in beweging, met enkele minuten achter zich de transporttrein.

De gebeurtenissen bij Gennep werden elders beschreven. Nadat de trein zich aldaar weer in beweging had gezet, kort gevolgd door de trein met het gros der manschappen, reed men ongehinderd door naar de Peel-Raamstelling. De manschappen aan boord verwachtten ieder moment schoten te horen, maar tot hun stomme verbazing keken de paar Nederlandse soldaten die ze onderweg zagen apathisch naar de trein en schoten geen kogel af.

De trein passeerde het station van Mill met een vaart van vermoedelijk tussen de 40 en 50 km/u. Nog steeds viel geen schot en van een versperring was ook niets te zien. De manschappen aan boord die naar buiten durfden te kijken zagen dat de Nederlandse verdediging werd gepasseerd, en nog steeds volgde geen schot …

Mill 10 mei 1940

Nadat de Peel-Raamstelling achter de trein lag, matigde de PZ No. 1 vaart en stopte bij de halte van het gehucht Zeeland, zo’n 1,500 meter achter de Nederlandse stelling. Het eerste stapte de manschappen uit die de Panzerzug hadden bemand. Waarna de transporttrein werd uitgeladen. Het was 0450 uur.

Major Schenk verzamelde zijn compagniescommandanten en gaf de orders uit. Zijn bataljon werd in drie formaties opgedeeld. Aan de rechterzijde van de spoorbaan zou 11.Kp met vier zware mitrailleurs van 12.Kp optreden. De linkerzijde was voor 10.Kp met eveneens een peloton zware mitrailleurs. Bij de trein bleven in eerste instantie als reserve 9.Kp met een peloton zware mitrailleurs en de zware wapens.

Ondertussen probeerde de manschappen van NA.256 met een middellange golfzenders contact te maken met de Divisionsgefechtstand. Major Schenk had hierom zijn eigen commandopost nog in de commandowagon van de PZ ingericht. Alle pogingen contact te krijgen met het oostelijke divisiehoofdkwartier mislukten. Dat betekende dat men in het oosten, waar men nog lang niet bij Mill was aangekomen, ongewis bleef van de succesvolle penetratie. De uitblijvende radiocontacten werden zelfs als aanwijzing gezien dat het plan mislukt was. Er werd besloten om met de PZ om de transporttrein heen te rangeren en terug te rijden naar Gennep om het nieuws dan op die wijze over te brengen.

Ontspoorde trein bij Mill

De PZ reed na het omrangeren dus terug richting Gennep, maar kwam ter hoogte van de Nederlandse stelling tot ontzetting van de machinist in aanraking met de inmiddels wel gestelde aspergestelling (1). De trein ontspoorde en liep danige schade op, waarbij ook enkele wagons in het defensiekanaal vielen. Ook de op de platte wagon opgestelde stukken PAK en MG.34’s werden buiten gevecht gesteld door de ontsporing, daar de stootwagon in het kanaal stortte.

(1) Die asperges waren alsnog gesteld nadat de trein voorbij was gereden. Infanterie en pioniers onder reserve 1e luitenant M. van Velden hadden daarvoor zorg gedragen. De ontsporing van de pantsertrein wordt in publicaties soms toegeschreven aan haastig opgegraven landmijnen die onder de rails waren geplaatst. Onderzoek ter plaatse door enkele lokale (krijgs)historici heeft echter aangetoond dat de aspergeversperring zodanig verwrongen is geraakt dat de trein hier wel tegenaan moet zijn gereden. Het wordt overigens niet uitgesloten dat een combinatie van spoorondermijning en gesloten aspergeversperring de oorzaak van ontsporing was. Dat lijkt ook terecht. Er zijn veel verslagen van pioniers en getuigen die het ondermijnen van het spoor wel degelijk bevestigen.

De troepentrein – waarvan men zich realiseerde dat deze een prachtig doelwit vormde als ze stil bleef staan – bewoog zich in de ochtend verscheidene malen heen en weer tussen halte Zeeland en het bos ten westen van Mill.

Het eerste treffen

Aan Nederlandse kant was er begrijpelijkerwijs enorme verwarring ontstaan. In eerste instantie hadden de Nederlanders zich ontzettend verbaasd over de modern ogende trein die door de linie heen kwam, waarbij een enkeling zich hardop verwonderde over het feit dat het Nederlandse leger kennelijk ook over dergelijke ‘moderne’ zaken beschikte. Hoewel men zich moet afvragen hoe modern een pantsertrein werkelijk was, toonde men daarmee natuurlijk een grenzeloze naïviteit. Spoedig was echter duidelijk dat het een Duits stel treinen was geweest dat hen was gepasseerd. Enkele ogenblikken later immers maakten de eerste schotenwisselingen in hun rug duidelijk dat er iets goed mis was.

Nadat de beide treinen de linie waren gepasseerd was de pantsertrein doorgereden tot aan de halte Zeeland, ongeveer 4 kilometer achter het defensiekanaal. De troepentrein was eerder gestopt. Deze was anderhalve kilometer achter kazemat 526 gestopt, waarop de hele meute de trein vliegensvlug verlaten had. Daarna reed de trein door richting halte Zeeland, waar uiteindelijk de pantsertrein om de goederentrein heen werd gerangeerd [de exacte tijd dat dit gebeurde kan niet worden vastgesteld].

Ter linkerzijde was het 10.Kp dat met een peloton zware mitrailleurs versterkt naar het noordoosten trok. Tegelijkertijd ging 11.Kp, eveneens versterkt met een peloton M.34’s, naar het zuiden richting het kruispunt van de stelling [t.h.v. G-520] en de weg naar Volkel. 9.Kp bleef achter op de locatie aan het spoor en zou even later langs het spoor oostwaarts trekken.

De troepentrein was gestopt naast de commandopost van 3-I-3RI van de reserve kapitein L.H.M. Muris. Vanuit de cp werd direct gebeld met de bataljonscommandopost die een kilometer westelijk, vlakbij Halte Zeeland, lag. De bataljonscommandant zelf [majoor A. Netze] meldde de kapitein dat zijn eigen commandopost bedreigd werd door optrekkende Duitsers. Deze waren vanuit de pantsertrein de omgeving gaan verkennen en hadden een handvol Nederlanders krijgsgevangen gemaakt. De majoor besloot zijn commandopost te verplaatsen en vertrok naar de commandopost van 2-I-3RI in de sector Nieuw Mill. Hij verzuimde van deze actie iemand op de hoogte te stellen, hoewel de telefooncentrale gewoon werkte. Overigens werd diezelfde centrale ook niet vernield en liet de majoor deze zelfs bezet achter. Naar de reden waarom hij verzuimde zijn compagnieën te informeren kan men slechts gissen. Na verloop van tijd, toen gebleken was dat geen Duitser zich bij de bataljonscommandopost had vertoond, zou de majoor terugkeren naar zijn oorspronkelijke commandopost.

De kapitein Muris was op hetzelfde idee gekomen als de majoor, verliet zijn cp en trok met zijn kleine staf naar het oostelijk van hem gelegen bos. Hij kon dit ongemerkt bereiken en wist zich met zijn manschappen zo goed te verschuilen dat de alom aanwezige Duitsers hen niet opmerkten.

Ondertussen hadden de Duitsers geen idee gehad van de beide commandoposten in hun opmarsgebied en gingen hun eigen gang. Het was kennelijk de bedoeling dat de beide op de flanken uitgezonden compagnieën het gebied tussen de kazematten 520 en 544 moesten schoonvegen zodat de wegen vanuit Mill toegankelijk zouden worden voor de uit het oosten naderende verbanden. In ieder geval trok de 10e compagnie door het open veld op naar het noorden, achterlangs het bosperceel. Zonder het te weten liepen zij recht op de opstelling van III-20RA af. De Duitsers kenden wel de oorspronkelijke artillerie opstellingen van de stelling, maar niet de nieuwe 8-staal positie.

De rechterbatterij [1-III-20RA, onder reserve 1e luitenant H.J. Mulder] zag de Duitsers als eerste aankomen. Aangezien de afdeling geen enkele infanteristische ondersteuning had, realiseerde hij zich dat het beste afweermiddel dat men voor handen had de stukken zelf waren. Een verzoek aan de afdelingcommandant om dit zichtvuur uit te mogen brengen werd met een merkwaardige halve bevestiging beantwoord: 'Akkoord, maar met één stuk'. Dat bleek (vanzelfsprekend) al onmiddellijk onvoldoende. Daarop werd zonder ruggenspraak met de afdelingscommandant door de luitenant Mulder het commando gegeven alle vier de stukken om te zetten. Een pittige klus daar de staartzware vuurmonden in oostelijke richting stonden en de Duitsers de stelling uit zuidwestelijke hoek naderden. Zodoende moesten de vier vuurmonden 120 graden worden gedraaid. Een volgend probleem was dat men nu diagonaal over elkaar diende te vuren. Dat kon niet met bezette vuurmonden [vanzelfsprekend werd, zeker bij vuurmonden die schoten met gescheiden munitie, dicht bij de vuurmond het gevaar van restproducten uit de schietbuis bij afvuren onderkend]. Lagenvuur was daarom niet mogelijk, zodat telkens een stuk moest vuren, bemanning moest wijken, volgende stuk vuren, etc. Alleen de bemanning van het meest linker stuk kon blijven staan. De afdeling ontbeerde voorts kartetsen [bussen met schroot of kleine kogels – voor vuur met directe richting op zogenaamde zachte doelen; deze kartetsen waren voor de 8-staal wel beschikbaar maar niet gedistribueerd aan de batterijen] waardoor de tegenstander met brisantgranaten moest worden beschoten. Voor granaatkartetsen was de afstand te kort. De brisantmunitie was in de gegeven situatie beduidend minder effectief dan kartetsmunitie. Daarbij was de vuursnelheid [hoogste tempo kon met 2 granaten per minuut worden gegeven] laag. Spoedig bleek dat de Duitsers [ca. 200 man] zich door het vuur van die ene batterij niet lieten stoppen.

De middelste [3e] en linkerbatterij [2e] draaiden toen ook de stukken richting zuidwesten. Hierbij bleek dat de 2e batterij [reserve 1e luitenant H. Klopper] een geblokkeerd schootsveld had, en dat twee stukken verplaatst moesten worden. Na enige tijd stonden uiteindelijk drie batterijen in open veld [enkele zandzakken rondom de stukken was alle stellingbeveiliging die ze hadden] te vuren op een nog steeds naderende tegenstander die zich inmiddels aanzienlijk had verspreid. Waarnemer wachtmeester M.J.G.E. Reinards – die op het dak van een huis was gaan zitten – corrigeerde het vuur van de afdeling. Toen de gehele afdeling tenslotte goed dekkend vuur gaf op de Duitse linie, stokte hun opmars, om tenslotte te worden afgebroken. Ze waren inmiddels al binnen 500 meter van de rechter [1e] batterij geraakt. Nadat de Duitsers terugtrokken en richting bosperceel verplaatsten werden nog enkele schoten nagegeven. Eenmaal uit beeld van de waarnemer werd een patrouille samengesteld om het terrein op achterblijvers te verkennen. Op enkele slachtoffers na bleken die er niet te zijn. De 10e compagnie [III./IR481] was krachtig afgewezen en moest een alternatieve route richting kazematlinie vinden.

Aan de rechterzijde was 11.Kp met een peloton zware mitrailleurs onderweg gegaan naar de winkelhaak in de Peel-Raamstelling bij de weg naar Volkel. De compagnie was eerst oostwaarts getrokken maar constateerde dat zij zich het beste langs de versperring aan de achterzijde van de stelling konden verplaatsen. Bovendien bood de prikkeldraadversperring, en het mijnenveld tussen hen en de kazemattenlinie in, hen geen andere optie dan ter hoogte van koepel 520 de aanval in te zetten. Aldaar waren de drie kazematten 518 – 520 gebouwd en daarbij lag een infanteriesectie van reserve 1e luitenant G. Bleeker [2e sectie 3-I-3RI] en een groep met de 2e luitenant Leenknegt. Bovendien was een stukje westelijker langs de weg naar Volkel een tweetal 6-veld stukken beschikbaar dat de brug in de weg bestreek.

De Duitsers slaagden erin ongezien te naderen, en gebruik te maken van de boomgaard direct achter de stelling om zeer dicht bij de opstelling van de Nederlanders te geraken. Ze wisten daarbij de eerste posities te verrassen en enkele Nederlanders tot overgave te dwingen, maar de overige posities met een zware en een lichte mitrailleur openden daarop het vuur richting boomgaard. Spoedig volgden de infanteristen het voorbeeld door met hun geweren de aanvallers in dekking te dwingen. Duits mortiervuur lag daarbij op de weg en vlakbij de Nederlandse opstelling. De Nederlandse sectie, gesteund door een handvol menage personeel dat toevallig ter plaatse was, wist de positie zodanig te verdedigen dat na ruim een uur de Duitse compagnie zich georganiseerd terugtrok richting spoorlijn. Drie Nederlanders waren gesneuveld. Aan Duitse zijde kon geen gesneuvelde worden vastgesteld.

Aan beide zijden van het spoor hadden de Nederlanders de eerste twee uur – ondanks de overrompeling in de rug – de stelling weten te houden. Het aantal slachtoffers was minimaal gebleven en de manschappen hadden zich uitstekend gehouden. Aan Duitse kant zal een en ander tot enige teleurstelling hebben geleid. In ieder geval besloot de Duitse commandant na deze eerste tegenvallers zijn eenheid te concentreren en vanaf dat moment concentrisch te gaan optrekken evenwijdig aan het spoor richting Mill.

De Duitse actie langs het spoor

Major Schenk had geleerd van het weinig effectief gebleken excentrisch optreden van zijn bataljon. Hij concentreerde rond 0700 uur zijn troepen en voerde twee evenwijdige aanvalsstoten uit richting Mill, waarbij het rechter verband [vermoedelijk 11.Kp] de taak kreeg de deels parallel aan het spoor lopende kazematlinie op te rollen. Die tactische opdracht was uitstekend bedacht, want het spoortalud bood alle kans aan de noordzijde ervan voldoende ontplooiing mogelijk te maken buiten gezichtsveld van de kazematten [532 – 526] die zuidwaarts langs het defensiekanaal waren gelegen.

kazematten Mill

Vooreerst even terug naar de pantsertrein. Deze was ter hoogte van de brug over het kanaal ontspoord. Hierbij waren weliswaar enkele Duitser omgekomen, maar een deel van de bezetting van de trein [het is onbekend hoe sterk die was in deze fase] was in staat zich uit de op maaiveld niveau gebleven wagons te laten zakken en verweer te bieden aan de Nederlandse verdediging die de trein zwaar onder vuur nam. Van alle kanten begonnen Nederlandse vuurorganen de trein te beschieten en volgens Duitse getuigen was het als een hagelbui op een zinken dak. Tegelijkertijd was duidelijk dat de trein een prima schuilplaats vormde omdat geen kogel door de pantsering drong. De enige mogelijke uitgang van de wagons werd echter belemmerd door een tweetal kazematten. Dat was het gepaarde stel S-kazematten [532 en 533] aan het spoor, waarvan de 532 richting spoor en de 533 richting kanaal gekeerd was. Korte tijd concentreerden de Duitsers hun vuur op beide kazematten en dwong de bezetting tot overgave [de MG-34 mitrailleurs hadden pantserdoorborende munitie]. Ze [vijf manschappen] werden in de trein ontwapend. Zodoende was er toen een gat gevallen in de defensie op een cruciaal punt. De Duitsers in de trein konden zich er echter niet buiten bewegen zonder overgoten te worden door Nederlands vuur, dat vooral vanuit het noorden kwam. Ze bleven daarom veilig zitten.

Ontspoorde Panzerzug Mill

Major Schenk had echter zoals gezegd drie compagnieën sterk een aanval langs het spoor ingezet, waarbij de rechterflank zich pal achter het noordelijke spoortalud voorwaarts werkte. Zij kwamen geen tegenstand tegen, en verdeelden zich in groepjes die tegenover de kazematten 530 tot en met 526 zich gereed stelden. Het smalle mijnenveld omzeilend wisten de Duitse stoottroepjes in een eenparige manoeuvre de gehele sector aan de achterzijde te overrompelen en de manschappen die de kazematten bezetten gevangen te nemen. Toen werkte het talud wederom in hun voordeel, want eenmaal aan de zuidzijde konden de Nederlanders aan de noordzijde van het spoor in de sector van kazemat 534 de Duitsers niet langer onder vuur houden. Gebruik makende van deze luwte rolde de aanvallers de linie verder op tot aan de autoweg richting Volkel. Nadat ze de hoek richting westen hadden gemaakt en bij S-522 waren aangekomen, keerde het tij. De manschappen van S-522 werden vanuit het veld achter hen overvallen, de deur werd geopend en ze werden gedwongen de handen omhoog te steken en aan de achterzijde de kazemat te verlaten. Dat gebeurde volgens plan, maar de laatste man, soldaat S. van Dam, trok plotseling de pantserdeur achter zich dicht, opende het linker schietluik en begon met de Lewis mitrailleur door het schietgat te vuren. De Duitsers werden op hun beurt compleet verrast, en nadat andere posities het gevaar ook opmerkten en eveneens op hen begonnen te vuren trokken de aanvallers terug op de smalle strook tussen de kazematten 523 en 526. Daarmee was echter de gevallen sector niet terug in Nederlandse handen gekomen. Een gevaarlijk gapend gat in de stelling was het gevolg. Slechts het feit dat nog geen Duitser vóór de stelling was gekomen voorkwam dat de Duitsers hun plaatselijk succes direct konden uitbuiten.

Het Duitse verslag [550; 551, pg.31] maakte gewag van de gevangenneming van maar liefst 210 Nederlandse verdedigers. Dat is een zware overdrijving, die helaas door menig publicatie werd over genomen. In de betreffende veroverde sector waren niet eens zoveel militairen in stelling. Vermoedelijk werd de helft niet eens gehaald. Er werd in het KTB en het verslag van Selz gesproken van 1000 uur Duitse tijd [0820 uur Nederlandse tijd] waarbij men 210 gevangenen zou hebben gehad. Als men bedenkt dat op dat moment slechts een sector was aangevallen waarin twee compagnieën aan Nederlandse zijde streden, die nog voor een zeer aanzienlijk deel ongeschonden of slechts licht geschonden waren, is duidelijk dat het getal van 210 man geen enkele feitelijke betekenis heeft. Het is een overdrijving van formaat.

De commandopost van MC-I-3RI

De noordelijke Duitse aanvalsstoot werd vermoedelijk door twee compagnieën [10.Kp en 12.Kp] vorm gegeven en zij brachten daarbij enkele stukken licht infanteriegeschut en mortieren mee.

In het bosperceel [de Meeren] lag de commandopost van MC-I-3RI. Daar was slechts één zware mitrailleur voorhanden [de rest was in de stellingen of kazematten opgesteld], samen met ongeveer 20 man personeel. Aan de zuidoostzijde van het perceel was een ruïne [Kapelhof], waar ook een provisorisch scherm van verdedigers was gevormd tegen uitbreiding van de Duitse penetratie aan de zuidzijde van het spoortalud.

Deze relatief kleine sector zou urenlang de achtergrond zijn waartegen een bijzonder intensief gevecht tussen enkele tientallen Nederlanders en zo’n 400 Duitsers tot ontwikkeling kwam.

De Nederlandse officieren ter plaatse hadden, nadat zij de Duitse actie aan het spoor hadden opgemerkt, enkele tientallen manschappen [van 1-I-3.RI] langs het spoor in stelling gebracht [onder reserve 1e luitenant T.A.A. Eeckelen] en daarmee een provisorische afgrendeling van de Duitse penetratie bewerkstelligd. Die afgrendeling was zo effectief dat het de Duitsers niet lukte om de manschappen bij de ontspoorde trein te bereiken. Hierdoor gooide Major Schenk het over een andere boeg en viel de commandopost van de MC [reserve kapitein P.H. van der Weele] vanuit het zuiden en westen aan, om zodoende nadien achter de verdedigers aan het spoor te kunnen geraken en die op te rollen.

Rond de commandopost troffen de Duitsers echter een zeer weerbarstige verdediging. De kapitein had spoedig door dat zich tegenover hem een sterk vijandelijk verband bevond en vertrok noordwaarts naar de 2e compagnie om daar versterking te halen. Ondertussen omsingelden de Duitsers de Nederlandse positie in het bos en in toenemende mate werden kogels in de loopgraven geschoten, wat duidde op Duitsers die van dichtbij uit bomen de manschappen beschoten. Een door de kapitein geregelde versterking met een zware mitrailleur arriveerde, maar was onderweg met de motor onderuit gegaan. Bij aankomst bleek de meegenomen zware mitrailleur beschadigd. Zodoende moesten de manschappen het met de ene mitrailleur doen die men al bezat. Kornet F.P. Alting du Cloux [gedetacheerde 3e batterij 6-veld, LD] leidde de verdediging met enorme inzet en zonder zelf om risico’s bekommerd te zijn. Twee luitenants van de nevencompagnie arriveerden en namen de leiding in handen. De manschappen verdeelden zich over de verhogingen in het bos rond de commandopost. Enkele verkenningen wezen uit dat men omsloten was door een sterke tegenstander die ook zware wapens bij zich had.

De ring om de positie werd steeds strakker aangetrokken en in toenemende mate werd het Duitse vuur voelbaar. Slachtoffers vielen onder de verdedigers, waaonder de zware mitrailleurschutter die een kogel door het hoofd kreeg. Het was na 1000 uur dat de Duitsers zo dicht op de Nederlandse positie waren gekomen dat handgranaten konden worden gebruikt. Een middel dat de verdedigers niet hadden. De Nederlanders trokken zich terug rondom de loopgraven van de CP. Reserve 1e luitenant J.H.C de Kruif [Bt cmdt 3e bt 6-veld, LD] leidde de manschappen op dit laatste bolwerk, tot dat het niet langer houdbaar was. De resterende verdedigers gaven zich tenslotte tegen 1100 uur over, de meeste gewond, een vijftal gedood. Ze hadden een buitengewone prestatie geleverd.

De positie langs het spoor hield echter hardnekkig stand. De Duitsers die rond 1100 uur ook vanuit het noorden de verdedigers aldaar bedreigden werden door snelle verplaatsing van enkele Lewis mitrailleurs opnieuw teruggewezen. Ze kwamen geen stap meer vooruit.

Het 3e Legerkorps

Generaal-majoor van Nijnatten – de commandant van het 3e Legerkorps en de hoogste bevelhebber in het zuiden – had ondertussen bericht gekregen van het onfortuin bij Gennep en de geslaagde Duitse treinactie bij Mill. Volgens bronnen was hij om 0500 uur van deze zaken op de hoogte en overwegende dat hij als één van de weinigen op de hoogte was van de aanstaande evacuatie van het Veldleger uit Noord-Brabant, was hij zich welbewust van het gevaar dat een Duitse doorbraak bij Mill zou vormen voor diezelfde evacuatie.

C-III.LK nam daarom direct contact op met de staf AHK in Den Haag en verzocht machtiging een aanzienlijk onderdeel ter ondersteuning van Mill te mogen aanwenden. Hiervoor kwam slechts een mobiel onderdeel in aanmerking en dus was het duidelijk dat de Lichte Divisie zou moeten worden verzwakt. Omdat dit onderdeel was aangewezen als strategische reserve voor Vesting Holland diende de generaal zich tot het algemeen hoofdkwartier te wenden voor machtiging. Merkwaardig genoeg verzuimde de generaal zijn verzoek te delen met de commandant van de Lichte Divisie, de kolonel van der Bijl.

De toestemming werd verleend. Hierop kreeg de commandant van het 2e Regiment Huzaren [luitenant-kolonel A.J.E. Mathon] te Den Bosch rechtstreeks van de C-III.LK opdracht onverwijld langs de spoorlijn Uden-Mill op te treden tegen de Duitse penetratie. Bijzonder genoeg werd de commandant LD pas rond 0615 uur ingelicht terwijl de commandant Peeldivisie slechts vernam dat 2.RHM was toegewezen aan het frontdeel Mill, maar niet welke tactische bevelen waren uitgedeeld. Opnieuw – de lezer las al eerder hoe het 3.GB en 6.GB onder auspiciën van deze legerkorpscommandant en zijn staf verging – een kwestie die weinig sierend was voor de staf III.LK.

2.RHM

Het 2e Regiment Huzaren Motorrijders was in feite maar een klein onderdeel en niet – zoals de naam valselijk suggereert – een werkelijk regiment. Het onderdeel bestond slechts uit een 600-650 man en had daarmee nog niet eens een volwaardige bataljonssterkte. Het had een stafeenheid van ongeveer 90 man, twee eskadrons motorrijders met ca. 200 man en negen lichte mitrailleurs elk, een zware mitrailleur eskadron met zes Schwarzlose cavalerie mitrailleurs en een afdeling PAG met vier stukken. De eenheid was in de vroege morgen van 10 mei in Den Bosch gelegerd en toen het bevel tot inzet te Mill werd ontvangen, had men dus een aanzienlijke afstand af te leggen.

Nadat het bevel tot inzet was gekomen [ca. 0600 uur] werd de eenheid snel tot verplaatsing gereed gemaakt. Bezwaarlijk daarbij was dat de manschappen vooral op de hoogte waren van hun oorspronkelijke taakgebied, de zuidelijke sector van de provincie Noord-Brabant. De sector bij Mill, alsmede de eigenaardigheden van de stelling, waren hen volmaakt onbekend. Stafkaarten hadden de onderdelen niet. Men moest het dus met globale kennis doen, wat evident ook opging t.a.v. de status van het strijdperk. De huzaren verplaatsten zich via Schijndel, Veghel, Uden en Volkel en kwamen als zodanig via de weg Uden-Mill bij de stelling aan. Op dezelfde locatie die enige tijd daarvoor door de luitenant Bleeker en zijn sectie nog zo manmoedig was verdedigd.

Het was 0800 uur toen men volledig ter plaatse was aangekomen. Terwijl de staf zich probeerde te laten inlichten over de toestand gaf de overste direct opdracht aan zijn pantserafweergeschut om de telkens heen en weer rijdende troepentrein uit te schakelen. Hij liet ook de twee stukken 6-veld [sectie 6-veld onder reserve 2e luitenant Montagne], die de weg bestreken richting St Hubert, uit hun stelling halen en bijdragen aan de beschieting. Na enige minuten werden duidelijk waarneembare treffers op de stoomlocomotief geplaatst en stopte de trein. Een patrouille van enkele manschappen werd dwars door het veld naar de trein gestuurd en vond deze door Duitsers verlaten. Slechts kledingstukken, waaronder Nederlandse uniformstukken, wapens en munitie werden aangetroffen. Een auto en een motor met zijspan stonden op een platte wagon. De Nederlandse uniformstukken suggereerden dat wellicht ook enkele manschappen van het Gennepse overvalcommando met de trein waren meegereisd richting Mill.

Het was reeds na 1200 uur toen een aanvalsplan was ontwikkeld. Er zou zonder al te veel omhaal worden aangevallen op twee evenwijdige assen. Een eskadron met een peloton van het tweede eskadron als reserve zou langs het spoortalud rechtstreeks op het Duitse bruggenhoofd optrekken. Het tweede eskadron zou ten zuiden van het spoor – dwars door de versperringen en mijnenvelden aan de achterzijde van de oorspronkelijke stelling – de sector van kazematten 523-526 aanvallen.

IR.481 in opmars

Tegen het eind van de ochtend onstond een bijzonder situatie. Eén waarbij een toevalligheid, zoals die zich soms op een slagveld voordoet, een zekere partij onverwacht begunstigt. In dit geval lachte het ‘geluk’ de Nederlanders zeer toe.

Het Duitse leger anno mei 1940 wordt vaak alle suprematie toegeschreven. Ze zou zowel kwantitatief als kwalitatief verre de bovenliggende partij zijn geweest. De slag bij Mill, juist en objectief beschouwd, toont de onjuistheid van die generieke beweringen.

Van meet af aan faalden de Duitse communicatiemiddelen. En niet alleen in de pantsertrein, ook in de goederentrein en bij de achtergelegen eenheden bij de Maas. Zodoende slaagde Major Schenk lange tijd niet eens om over een kilometer afstand contact te krijgen vanuit zijn troepentrein met de ontspoorde pantsertrein, waarvan de radiowagon [commandowagon] ongedeerd nog op het spoor stond. Uiteindelijk zou het in de middag wel lukken contact te krijgen met de Duitse eenheden op de oostoever van de Maas, maar door een stom toeval kon men van daaruit de westoever urenlang niet bereiken. De 16 T zware pontonbrug bij Gennep, die naast de spoorbrug was gelegd, was rond 1500 uur (NL tijd) versperd doordat een zware Schlepper [trekker halfrups] of tank (2) door de dekplaat was gezakt en muurvast zat [550: verslag PiBtl.52, doss. BaMa RH12-5-v486]. De opstoppingen elders voorkwamen dat een ordonnans de reeds aan de overzijde zijnde elementen van IR.481 kon bereiken met de mededeling dat III./IR.481 een bruggenhoofd had weten te slaan en ontzet wenste te worden.

(2) [550, BaMa RH24-26-20] De aanvalsgroep van IR.481 bestond uit het regiment zelf (min III./IR.481 aan boord van de trein), 3./AR.58, verband van I./AR.49, 1./ en (een peloton van) 3./Pi.Btl.256, Pi.Zg.476, een Sturmbootstaffel van Pi.Btl.52, twee pontonboot pelotons en een Zug Panzerkampfwagen. Er wordt een peloton van vijf Pz.I licht tanks in de bronnen genoemd. Een pionierverslag meldt echter het door de brug zakken van een zware vechtwagen. Die had alleen de hoofdmacht ban 9.PD. Dat laatste is helaas ook in andere bronnen nergens herhaald, zodat wellicht een zware pantserwagen c.q. trekker werd bedoeld. Het is echter mogelijk dat een formatie Pz.II en Pz.III tanks van 9.PD ook op het laatste moment naar voren was geschoven. Overigens zijn door Nederlandse militairen geen middelzware tanks vastgesteld bij Mill. Zeker is wel dat al vroeg in de ochtend over de Gennepse brug drie pelotons gemotoriseerde PAK en het peloton van de vijf lichte tanks kwamen. Zij vormden samen met 5./IR.481 de Vorausabteilung, die later via Haps als eerste in Mill arriveerden.

Zo kon het zijn dat de twee bataljons van IR.481 die zich inmiddels wel over de noodbrug bij Gennep hadden weten te werken, samen met één batterij 10,5 cm vuurmonden van AR.256, een koers zetten richting Mill, zonder van enig succes van hun zusterbataljon wetenschap te dragen. Daarbij stuurde de regimentscommandant verkenners [onder Oberleutnant Gruber] vooruit om de status van het gevechtsterrein te toetsen. Die constateerden dat de weg richting Volkel versperd was en de verdediging intact was. Ook werd de ontspoorde pantsertrein gemeld. Maar van het 3e bataljon had men kennelijk geen spoor gevonden. Dat de stelling ter plaatse helemaal niet verdedigd werd was dus al helemaal niet vastgesteld. Dat was wel logisch, want men had op grote afstand verkend. Dat weinig doortastende optreden betekende dat een grote kans werd gemist.

Zo kon het gebeuren dat de regimentscommandant overwoog dat zijn 3e bataljon mogelijk was uitgeschakeld en zijn eerste en tweede bataljon het werk moesten klaren. Kennelijk overwoog Oberstleutnant Weber eveneens dat een doorbraak bij het spoor erg lastig zou zijn, wat op zich begrijpelijk was (in onwetendheid verkerend van de status op dat moment). Die sector van de verdediging was immers aanzienlijk qua sterkte en zou zich gereed stellende aanvalstroepen bovendien vroegtijdig in beeld brengen bij de verdediging.

Zoals gezegd hadden verkenningen uitgewezen dat de linie zwaar bezet was [quod non]. Men meende zelfs zoals verwacht tegenover de hoofdmacht van het Nederlandse Veldleger in Brabant te staan. Er werd daarom gekozen west van Mill aan te vallen op het liniedeel dat vlak aan het dorp grensde en deze aanval zou door de enige voorhanden batterij artillerie worden voorbereid. Zodoende werden de vier stukken 10,5 cm in stelling gebracht. II./IR.481 – dat in St Hubert was aangekomen – werd naar Mill gedirigeerd nadat de verkenningen vóór het middaguur hadden uitgewezen dat aldaar weinig eer leek te behalen. I./IR.481 kwam er rond het middaguur al aan. Twee voltallige bataljons en een batterij lichte houwitsers was alles waarover C-IR.481 rond 1300 uur beschikte.

Ondertussen was de 254.ID, die bij Mook zo’n zware kluif had gehad om de rivier over te steken, bezig de Maas over te steken. Doel was om de sector ten noorden van Mill aan te vallen. De divisie zou daartoe nog uren onderweg zijn.

De huzaren in het offensief

Zoals gezegd was een eenvoudige operatie opgezet voor de huzaren motorrijders. Die zouden in de sector tussen het bos ten noorden van het spoor en de weg Volkel-St Hubert hun offensieve actie ontwikkelen en daarmee de Duitsers uit hun bruggenhoofd moeten smijten. Eenvoudig van opzet, maar complex qua uitvoering. Enkele manschappen van I-3RI gingen mee als gidsen, omdat men door de eigen versperringen en mijnenvelden zou moeten trekken. Dat een dergelijk omzichtig manoeuvreren – deels in open veld en in vol beeld van de tegenstander – een weinig brisante aanval impliceerde, is de lezer duidelijk.

Major Schenk – die ondertussen ambivalente gevoelens had bij zijn positie – besloot ongeveer op hetzelfde moment dat de huzaren hun voorwaartse beweging inzetten, dat hij niet langer op ontzetting door zijn regiment zou blijven wachten, en daarom zou trachten uit te breken richting noorden. Het Duitse verslag maakt niet duidelijk of de Major daarbij noordwaarts achterlangs het kanaal wilde uitbouwen of dat hij noordoostwaarts richting Mill wilde uitbreken en zijn bruggenhoofd opgeven. Dat laatste zou een enorme zwakke beslissing zijn geweest van deze toch al niet bijzonder doortastende Duitse bevelhebber. In ieder geval gaf de Major zijn 10e, 11e en 12e compagnie opdracht om een aanvalsformatie te formeren. Juist op het moment dat zij zich wilden gaan ontwikkelen, kwam opeens de formatie huzaren in beeld. Hoewel het Duitse gevechtsrapport vanzelfsprekend geen paniek etaleert bij de bevelhebber, zal daarvan wel sprake zijn geweest. Men overschatte de verdediging ter plaatse reeds enorm, maar de aanval werd eveneens direct als zeer bedreigend ervaren. Onmiddellijk werden de drie compagnieën teruggehaald en werd een grote egelstelling gevormd rondom de ontspoorde pantsertrein.

De huzaren waren inderdaad in contact gekomen met de achterzijde van het Duitse bruggenhoofd. De Duitsers zagen een brede formatie Nederlanders die hun bruggenhoofd over een sector van circa 1 km breed leek te bedreigen. Er werd vuurcontact gemaakt, terwijl de rechterzijde van de huzarenformatie zich vastliep op de eigen versperring. Onder leiding van een aantal militairen van 3.RI wisten enkele groepjes zich echter door de draadversperring en tussen de mijnen door tot aan het kanaal te manoeuvreren. De Duitsers hadden daar geen enkele militair meer ter bezetting en zodoende werden de kazematten 522 tot en met 525 eenvoudig weer in eigen bezit gebracht. De dolgelukkige soldaat van Dam – die nog altijd in de 522 zat met zijn Lewis mitrailleur – kon worden bevrijd. De man was volkomen uitgeput.

De herbezetting van de kazematten leidde opnieuw tot een gelukkig toeval. Een opnieuw door de Duitsers uitgezonden verband [tirailleursformatie van II./IR.481 met enkele lichte tanks], dat opdracht had om de sterkte van de linie ter hoogte van de weg naar Volkel nogmaals te toetsen en mogelijk contact te maken met het 3e bataljon, reed rond 1400 uur richting stelling. Ze werden (volgens eigen zeggen) afgewezen door Nederlands vuur en meldden terug dat weliswaar de trein was waargenomen maar geen spoor van de mannen van het 3e bataljon. Bijzonder veel risico had de stoottroep overigens niet genomen. Hij werd door de Nederlanders nauwelijks opgemerkt.

Ondertussen was de door de huzaren ontwikkelde actie ook tot stilstand gekomen. Er werd niet bijster doortastend opgetreden door de militairen die hun vuurdoop hier doorstonden. Men week echter ook niet, ondanks het feit dat de Duitsers mortieren en mitrailleurs aanwenden om de huzaren van het lijf te houden. Er ontstond een patstelling die tot aan de avond zou duren.

Mill bezet

Rond het middaguur kwamen de eerste Duitsers [I./IR.481] in het dorp Mill zelf aan. In het Duitse krijgsverslag kan men vaststellen dat de bezetting van het dorp verslagen werd middels een ware strijd. Men rapporteerde vanuit huizen constant beschoten te worden.

In WOI had de Duitse angst voor de zogenaamde ‘Heckenschützen’ – de franc tireurs – al dramatische proporties aangenomen in België en Frankrijk, en daar soms aanleiding gegeven voor zwaar overtrokken represailles op de burgerbevolking. Een algemeen misverstand is dat alleen de Nederlanders of de Geallieerden last hadden van de Vijfde Colonne kolder; de Duitsers deden echter bepaald niet voor de overvallenen onder! In veel meer krijgsrapporten over de inval in Nederland wordt bij volkomen onverdedigde plaatsen – ja plaatsen waar geen militair ooit gelegerd was – schietpartijen door vermeende burgers gemeld. In de strijd in en om Dordrecht worden nog enkele staaltjes van Duitse paniek rond dit fenomeen beschreven.

Zeker is dat zich allang geen Nederlander meer aan de oostzijde van het kanaal bevond, toen de Duitsers in Mill arriveerden. Het dorpje was bovendien deels geëvacueerd. Er waren dus weinig burgers te vinden die zich eventueel hadden kunnen verzetten. Nadat de Duitsers zich hadden ‘doorgevochten’ in de kern van het dorp, vestigde regimentscommandant Weber zijn hoofdkwartier in het kleine statige raadshuis. Snel werd een aanvalsplan uitgewerkt.

Het was de bedoeling dat in de sector tussen kazemat 534 en 546 de twee bataljons met in totaal twee compagnieën in voorste lijn zouden optrekken tegen de verdediging achter het kanaal. Die moest lokaal op meerdere plaatsen worden doorbroken. Daarbij zou – zoals eerder gezegd – de artillerie meewerken. Dat dit laatste slechts betekende dat vier stukken 10,5 cm houwitser zouden assisteren, was reeds duidelijk. Lokaal moesten de aanvallers het met ondersteuning van vier pelotons met elk drie stukken PAK, mortieren en zware mitrailleurs klaren. Tegenover hen lagen anderhalve compagnie van I-3RI. De helft van de 1e compagnie verdedigde nog het vak ten zuiden van de Langenboomse weg [die de stelling t.h.v. S-538 kruiste], terwijl de 2e compagnie in het aan te vallen vak ten noorden daarvan de kazematten en stellingen bezette. Op de versperring bij de Langenboomse weg was een stormvuur door de 8-staal afdeling voorbereid.

Een actie die door Duitsers vanaf het station Mill zuidelijk langs het spoor werd ingezet werd door de verdedigers aan Nederlandse zijde onmiddellijk gepareerd. Het Duitse verband moest zich voortdurend dekkend terugtrekken.

De eerste voorzichtige Duitse aanval vanuit Mill op het kanaal werd door de Nederlanders zonder al te veel problemen afgewezen, hoewel enkele kazematten te maken kregen met wapenuitval door storing of Duitse treffers. De aanval in het zuidelijke deel kwam zelfs nauwelijks tot wasdom omdat de afdeling 8-staal vuur op de opmarsroute legde dat de voorste Duitse compagnie snel de aftocht deed blazen. Nadat de eerste rapporten bij de staf van het regiment binnen druppelden werd een en ander serieuzer aangepakt. Om 1550 uur zou door de twee bataljons met twee compagnieën ieder gelijktijdig voorwaarts worden gegaan en een krachtige aanval tot ontwikkeling moeten komen. De Duitse commandant prentte zijn bevelhebbers positiviteit in. Hij was zich inmiddels bewust geworden aan het krijgsrumoer dat het 3e bataljon kennelijk nog steeds in strijd was en niet was uitgeschakeld. Bovendien achtte hij de Nederlandse weerstand zwak en dacht dat dit door het verrassende optreden van zijn regiment was. Vanzelfsprekend dacht de Oberstleutnant tegen een voltallige divisie te vechten in zijn sector in plaats van tegen een bataljon. Echter nog tijdens de voorbereiding van de nieuwe Duitse aanval kwamen de rapporten ook van de mislukte actie langs het spoor binnen op de staf. Er bleek geen doorkomen aan. Het werd duidelijk dat zonder een grondige artilleristische voorbereiding iedere aanval zou stuklopen op de ‘stärk befestigte’ Nederlandse stelling. Weber schortte de aanval op, maar liet wel een vuurverkenning via de Langenboomse weg uitvoeren. Die leverde slechts als resultaat op dat het peloton pantserwagens met deuken in de voorkant terugkeerde in de eigen gelederen.

Een opvallend huzarenstukje werd aan Nederlandse zijde nog wel geboekt. De Duitsers hadden in diverse huizen aan de westzijde van Mill, alsmede in de hoge kerktoren aan de Langenboomse weg [ook aan de westzijde van het dorp] mitrailleurs geplaatst. De kerktoren was echter vanuit de sector van 2-I-6RI ook goed zichtbaar. Een stuk 6-veld – dat opgesteld stond langs de weg voor pantserbestrijding – werd uit de stelling genomen en op de toren gericht. Na enige schoten werden ettelijke treffers op de toren geplaatst. Op een afstand van 2,000 meter was dat een prestatie van formaat. Hoewel alleen de toren daarna door de Duitsers werd geëvacueerd en dit zuiver een morele overwinning was, was het toch een opmerkelijk voorval.

Aan Duitse zijde was men inmiddels qua initiatieven opvallend stil gevallen. Oberstleutnant Weber meende ondertussen dat zonder aanmerkelijke versterking van artilleristische ondersteuning een aanval slechts tot zinloze offers zou leiden. De weinig inventieve regimentscommandant besloot eenvoudigweg te wachten tot dat hem nieuwe middelen ter dienst werden gesteld. Zijn troepen onderhielden ondertussen op gepaste afstand vuurcontact met de Nederlanders.

De pantsertrein

stuk III-20RA

Bij de pantsertrein hadden de Duitsers het zwaar, maar voelden de Nederlanders zich gefrustreerd dat ze de Duitsers er niet konden verjagen. Tegen het einde van de middag werd III-20RA prominent ingeschakeld bij de beschieting van het doel. Dat was een bezwaarlijke opdracht omdat door ontbreken van verbinding naar de locatie, vuur niet kon worden gecorrigeerd. Kapitein van der Weele [commandant MC], die om het vuur had verzocht, bood aan zelf met een motor de waarneming te verrichten. Op zich weer een voorbeeld van onverstandig voortrekkersgedrag van een officier, maar het werd aanvaard. De kapitein ging op weg richting spoor om een proeflaag van de rechter batterij te kunnen waarnemen en corrigeren. Uiteindelijk kon de kapitein de proeflaag niet waarnemen, omdat hij onvoldoende dichtbij kon geraken.

Om 1700 uur werd besloten dan maar een volledig ongecorrigeerd kaartvuur af te geven, en zo geschiede. Dit vuur lag in feite accuraat en redelijk dekkend op de trein en omgeving. Aan Duitse zijde dacht men met antitank geschut beschoten te worden, en evacueerde men de trein. De nabij gelegen Nederlandse loopgraven boven een dankbare dekking.

Vuurstorm

Rond 1800 uur ontstond een kentering in de status quo. Niet dat die ontstond door het actief handelen van Oberstleutnant Weber, maar eindelijk kwam hem goed nieuws ter oren. Een met een vliegtuig vlakbij Mill gelande stafofficier [Major von Bornstedt – IIa, Divisionsadjutant 256.ID] meldde Weber dat het 3e bataljon inderdaad erin was geslaagd een bescheiden bruggenhoofd te slaan, en meldde hem ook waar dit was. De Major meldde eveneens dat ondertussen IR.456 [Oberstleutnant von Neindorff] was aangekomen in de sector en door de divisiecommandant aan IR.481 ter beschikking werd gesteld. Slecht bericht was dat de artillerie hopeloos vast zat in de logistieke chaos in het achterland. Major von Bornstedt – die namens de divisiecommandant Kaufmann sprak – drukte Oberstleutnant Weber op het hart dat ‘ein Durchbruch (…) noch am Abend des 10.5 ungeheuert wichtig (…) war’. Er werd van de regimentscommandant een slagvaardig besluit verwacht. Het was Weber ongetwijfeld duidelijk dat een gebrek aan doortastendheid hem in deze fase zonder enige twijfel het opperbevel over dit theater zou kosten. Hij nam daarom het besluit een krachtige infanterieaanval te ontplooien met steun van een batterij artillerie geconcentreerd in de sector tussen de Langenboomse weg en het spoor, waarbij II./IR481 de aanval richting het 3e bataljon zou leiden. Het eerste bataljon zou noordelijk van het tweede tegen de linie ageren. De bataljons van IR.456 zouden vanuit St. Hubert een aanvalsrichting kiezen in de smalle sector tussen de weg naar Volkel en de spoorlijn met als doel het 3e bataljon vanuit het zuidoosten te ontzetten. De Major leek door dit operatieplan overtuigd dat de instructie van zijn divisiecommandant bevredigend zou zijn beantwoord en vertrok weer naar het oosten.

De Duitse compagnieën die in de voorste lijn lagen hadden onderwijl hun tijd niet verspild. Hoewel men op gepaste afstand van de Nederlandse stellingen bleef, werden die opstellingen wel voortdurend onder vuur genomen met PAK, mortieren en zware mitrailleurs. Al voor de Duitse aanval werd ingezet hadden met name de opstellingen tussen het spoor en de Langenboomse weg het zwaar te voortduren, en vielen enkele slachtoffers door voltreffers in loopgraven en mitrailleuropstellingen. De sectie die ten noorden van de trein bij de ruïne van de Kapelhof de Duitsers bij het spoor al sinds het eerste uur in bedwang hield, was tegen 1600 uur zodanig in de problemen geraakt door het niet aflatende Duitse vuur, dat uiteindelijk besloten werd naar het westen weg te trekken. Zodoende was het zo moedig volgehouden defensieve scherm zuid van de kazemattenlijn uiteindelijk toch gezwicht voor de Duitse druk. Het typeerde de enorme druk die überhaupt stond op met name de sector tussen het spoor en de Langenboomseweg. Het betekende ook dat de volgende uitdaging die de moedige verdedigers te wachten stond voor velen een ware hel zou betekenen.

Wat was er namelijk ondertussen geschied? Ten noorden van Mill was ook rond 1600 uur de aanleunende 254.ID aangekomen in de sector langs de Nieuwe Raam. II./IR454 was tegenover Bruggen gearriveerd en stelde al spoedig vast dat er zonder artilleriesteun – die ook zij ontbeerden – geen kansrijke aanval mogelijk was. En deze divisie had dat proefondervindelijk vastgesteld bij Mook. Zij vroegen luchtsteun aan. Die luchtsteun werd bij de Luftwaffe als prominent noodzakelijk op tafel gelegd door 26.AK, en daarmee ontstond een voor IR.481 onverwacht gunstige situatie. Want zonder dat men zich het bewust was, werd een aanzienlijk verband tactische bommenwerpers vrijgemaakt om de sector van beide divisies tussen Mill en De Gagel te ondersteunen.

Aan Duitse zijde was men buitengewoon bezorgd geweest over het gebrek aan progressie van de eenheden die de Peel-Raamstelling moesten doorbreken. De doelen voor 10 mei zouden niet worden gehaald, en de logistiek was een fiasco. De voorste eenheden van 26.AK hadden zich nog maar gedeeltelijk ontwikkeld tegenover de Peel-Raamstelling, terwijl die al achter hen had moeten liggen volgens schema. In hoeverre dat schema op zichzelf realistisch moet worden geacht, is een tweede. Aangezien een ‘battle assessement’ aan Duitse zijde aantoonde dat de wel ontwikkelde infanterie niet op belangrijke artilleriesteun kon rekenen, werd besloten de vliegende artillerie in aanzienlijke mate in te zetten ter ondersteuning van het vak van 26.AK. Zodoende kregen zowel 254.ID als 256.ID onverwacht zware luchtsteun.

Er werd een tactisch bombardement ontworpen dat gedurende een tijdspanne van 45 minuten in golven tot uitvoering moest komen in het noordelijke deel van de Peel-Raamstelling. Aangezien Duitse eenheden hier dicht op de stelling lagen, diende het bombardement precies en dus op lage hoogte te worden uitgevoerd. Daarvoor waren slechts duikbommenwerpers geschikt (3).

(3) Het betrof vermoedelijk Ju-88 bommenwerpers. In het KTB van XXVI.AK [1256: Ba/Ma doss RH-24-36-34] wordt gesproken van 'durch 1 Gruppe K.G.4'. Die eenheid beschikte over He-111 en Ju-88 [III./KG.4]. Het wordt echter in het verkorte KTB van de eenheid niet als inzetdoel genoemd. Daarom kan niet met volledige zekerheid worden gesteld dat KG.4 verantwoordelijk was voor de aanval. Aannemelijk is het echter wel, en dan vooral voor III./KG.4, dat overigens ook op 10 mei in Brabant werd ingezet (o.m. tegen vliegveld Woensdrecht).

Het was de bedoeling dat aansluitend op het bombardement de aanval van de beide Duitse regimenten bij Mill zou losbarsten over de gehele sector rondom Mill.

Om even na 1800 uur [volgens het KTB van 256.ID was het tussen 1820 en 1900 uur NL tijd] [550] verscheen de eerste golf bommenwerpers van KG.4 [550, 1256] plotseling boven de Nederlandse stellingen langs het kanaal. Een ware hel brak voor de verdedigers los. In elkaar gedoken hoorde ze dat de ene na de andere bom fluitend omlaag kwam, gepresenteerd met een gehuil van duikende en optrekkende bommenwerpers waar men geen enkel bestrijdingsmiddel tegen had. Vrijwel geen Nederlander in de aangevallen sector die niet in elkaar gedoken lag te wachten op die fatale klap. De volgende golven vliegtuigen zochten steeds meer de diepte, en vrijwel de gehele stellingsector tussen kanaal en de opstelling van III-20RA kreeg een aanzienlijke hoeveelheid bommen te verwerken. Hoewel in essentie de aanval niet massaal tot ontwikkeling kwam, maar gegroepeerd in golven over het terrein werd uitgevoerd, kwam het voor de Nederlandse soldaten als een overweldigende ervaring.

De avondaanval

De Duitsers putten enorme moraal uit de zich voor hun ogen tot wasdom komende macht van hun Luftwaffe. Ze zouden echter uiteindelijk in eerste instantie teleurgesteld raken over de schijnbaar beperkte effecten ervan. Nadat rond 1915 de laatste bommen waren gevallen, trokken vijf Duitse bataljons naar voren en stelden zich gereed voor de aanval.

Aan Nederlandse kant waren vele verdedigers volkomen uit het lood geslagen door de om hen heen ingeslagen bommen. Bizar genoeg was er geen dode gevallen, omdat geen enkele stelling een voltreffer had gekregen en een ieder – waar dan ook – een veilig heenkomen had gezocht. Het moreel was echter danig geschokt. Kazematbezettingen – voor zover niet eerder al vertrokken wegens uitgeschakelde wapens – waren blijven zitten. Geen hunner betonnen onderkomens was geraakt door de Duitse bommen. Een aanzienlijk deel van de in de bossen opgestelde Nederlanders, alsmede loopgraafbezettingen rond het kanaal, waren in de tussenpauze tussen de bommenwerperaanvalsgolven westwaarts getrokken, soms in blinde paniek, maar vaak toch in enige orde. Slechts een beperkt deel kon weer terug worden gestuurd. Overzicht van bezette en onbezette stellingdelen was er echter niet meer bij de bevelvoerders. Vanaf dat moment was het ieder voor zich.

Aan de zuidzijde van de Langenboomseweg werd een batterij 10,5 cm houwitsers door de Duitsers ingezet ter voorbereiding op de aanstaande aanval. Al tijdens het bombardement startte de batterij met inschieten om vervolgens een (batterij) barrage van enkele verspringende vuurconcentraties vlak achter het kanaal af te geven. Dat dit op zich weinig effectief was met slechts één batterij deed niets af aan het feit dat men desondanks enkele voltreffers wist te plaatsen. Het bombardement door de batterij duurde maar liefst een uur. Huizen vlogen in brand, schuren stonden in lichterlaaie en bomen werden totaal ontbladerd. De hele omgeving kreeg een flikkerend rode verlichting door de branden die afstaken tegen het inmiddels donker wordende stellingenterrein.

Langeboomseweg Mill

Vele kazematten waren onderwijl uitgeschakeld, de meeste door direct vuur van PAK. Toen de manschappen van de 6e en 7e compagnie van II./IR.481 voorwaarts gingen, met planken en vlotten om het kanaal over te steken, werd hen niets meer in de weg gelegd. Kazemat na kazemat werd bezet door de Duitsers, en geïsoleerde groepjes Nederlandse verdedigers tot overgave gedwongen.  De commandant van de 7e compagnie [Oberleutnant Mirlach] zou zich hierbij hebben onderscheiden. Van die lauweren zou deze officier niet lang kunnen genieten want enkele uren later vloog hij met negen andere manschappen in de lucht toen ze zich per ongeluk in het mijnenveld achter de kazemattenstellingen hadden begeven.

Ondertussen meldden teruggetrokken manschappen uit deze sector langs de Langenboomseweg aan III-20.RA dat de Duitsers er door waren. Hierop besloot de afdelingscommandant met twee batterijen het stormvuur af te geven op de locatie, dat met een aantal lagen er spoedig uitging [2100 uur]. Nadien besloot de afdelingscommandant de afdeling te evacueren. De afschietpistolen moesten de stukscommandanten afschroeven en meenemen. Zodoende geschiedde bij de meeste stukken, maar enkele stuksbemanningen besloten zelfstandig hun munitie op te schieten. Na enige tijd kwamen meer manschappen terug, en kwamen vrijwel alle stukken van III-20RA weer in bedrijf. De munitie werd vrijwel opgeschoten en uiteindelijk verlieten de laatste manschappen rond 2300 uur de batterij. Men had gedaan wat men had kunnen doen. De omgeving van de Langenboomseweg rond versperring en kanaal, door twee partijen flink beschoten, toonde een ware ravage.

Ten noorden van het Duitse 2e bataljon opereerde I./IR.481. Het had nog enige moeite het kanaal over te komen, maar ook in deze sector waren inmiddels de meeste kazematten uitgeschakeld. Rond 2100 uur was men beslissend doorgedrongen in het stellingdeel ten noorden van de Langenboomseweg, en rolde de lineair opgestelde Nederlandse steunpunten vakkundig op. Het bos werd schoongeveegd, en tegen 2200 uur was men heer en meester in de sector.

Merkwaardig genoeg was het van de vroege morgen af meest aangetaste deel van de stelling, de sector rond het spoor, een dusdanige hindernis voor III./IR.456 dat het bataljon de aanval noordwaarts afboog naar het vak van II./IR.481 en in de sporen van dat bataljon de overkant bereikte. Het waren slechts drie kazematten en een half open zware mitrailleuropstelling die hen hadden afgeslagen. Anderzijds moest men ook in volkomen vlak en open terrein optrekken en was het begrijpelijk dat men er daarom voor koos via een reeds gebaand pad de overkant te bereiken.

De beide zusterbataljons trokken op tegen de sector onder de winkelhaak in de stelling zuid van het spoor. Zij liepen zich volkomen vast tegen dit nog goed bezette stellingdeel. Het zou reeds 11 mei zijn voordat deze bataljons de westzijde van het defensiekanaal zouden betreden.

In de achtergelegen zone hadden tot 1815 uur de huzaren zich nog steeds in een patstelling teruggevonden. De overste Mathon was er spoedig achter gekomen dat zijn beide eskadrons weinig kans maakten de Duitsers van III./IR.481 uit hun positie te kunnen verjagen. Hij liet daarom zijn reserve peloton via het noordwesten aanvallen door het bos. Dit peloton kreeg steun van enkele tientallen andere militairen. Opvallend agressief werd er door het Nederlands verband opgetreden. De commandant van het daadkrachtige peloton huzaren, de 1e luitenant J.A.C. Peterse [C 1-I-2.RHM], voerde zijn mannen krachtig aan. De Duitsers van III./IR.481 waren onder de indruk en trokken zich geleidelijk aan terug. Het bombardement bracht even een gevechtspauze, maar spoedig trokken de huzaren weer voorwaarts en bereikten uiteindelijk vlak voor de Duitse aanval de spoorlijn. Daar constateerde de luitenant tot zijn grote frustratie dat zijn eskadron aan de zuidzijde van het spoor inmiddels was teruggetrokken!

Het terugtochtbevel

De Peel-Raamstelling viel onder het commando van de commandant Peeldivisie, de kolonel L.J. Schmidt. Deze bevelhebber was in de middag tevens de hoogste militaire commandant voor het gehele territoir van Noord-Brabant geworden.

De kolonel had zich nog niet actief met de strijd in de Peel-Raamstelling bemoeid tot de avond van 10 mei. Hij was voor de avond viel tweemaal verhuisd met zijn hoofdkwartier. Van Eindhoven – zijn oorspronkelijke hoofdkwartier – naar Helmond in de vroege ochtend. En in de late middag weer van Helmond naar Vught. In die laatste plaats nam hij samen met zijn chef-staf met toenemende verontrusting de ontwikkelingen waar. In de loop van de dag was de kolonel geïnformeerd dat de pantsertrein was ontspoord en de tegenstoot van de huzaren motorrijders geslaagd. In de veronderstelling dat de situatie aan het defensiekanaal daarmee weer was hersteld had hij het AHK geïnformeerd dat bij Mill de Duitse penetratie was geëlimineerd. Het leidde tot een misleidend legerbericht die dag dat in Mill de nultoestand was hersteld.

In de avond kreeg de kolonel echter een rapport uit Weert dat militairen en burgers Duitse eenheden [van 30.ID] in de richting van België zagen trekken. Ook dat bericht klopte niet [dat zou pas op 11 mei in de late ochtend gebeuren]. Het zorgde echter voor grote opwinding. Kolonel Schmidt was vooroorlogs een groot aanhanger geweest van de strategie van generaal Reynders, maar in tegenstelling tot de laatste was hij wel van mening dat Duitse eenheden om de Peel-Raamstelling zouden trekken. In Reynders zijn era had de Lichte Divisie echter de taak gehad dergelijke manoeuvres met hun mobiliteit voor te zijn en te pareren. Schmidt realiseerde zich in maart 1940 – toen hij van de nieuwe OLZ vernam dat de Lichte Divisie zou vertrekken uit Brabant – dat het open uiteinde van de stelling onder Weert enorme risico’s bood. Hij zag zijn angsten bewaarheid, en juist omdat hij zo in Duitse omvatting geloofde, twifelde hij niet aan de berichten. Toen in de loop van de avond de berichten uit Weert met (wel betrouwbare) rapporten uit Mill werden aangevuld, en deze rapporten repten van een wankelende defensie, werd onmiddellijk een noodplan uit de kast getrokken. De gehele Peel-Raamstelling diende om 2400 uur op de Zuid-Willemsvaart terug te trekken en zich hierachter opnieuw te weer te stellen. Dan zou men mogelijk in staat zijn de tegenstander op te houden tot Franse hulp zou arriveren. Het besluit van de kolonel om de stelling te evacueren was logisch.

Kolonel Schmidt liet de orders voor alle bataljons gereed maken terwijl een speciale order voor het regiment huzaren direct door een ordonnans naar Mill werd gebracht. De huzaren moesten onverwijld het gevecht afbreken en naar Den Bosch terugkeren. Die orders kwamen aan en werden direct opgevolgd. Luitenant Peters trof daarom rond 2030 uur geen huzaar meer aan bij de trein of het spoor. De overige orders gingen om 20.30 uur, meest per ordonnans, op weg naar de troepen. Daarvan wisten ze bijna alle eenheden te bereiken. Behalve enkele in het zuiden van de linie en de twee bataljons die in strijd waren bij Mill. De ordonnansen kwamen bij Mill in een onoverzichtelijk gevechtsterrein terecht. Zij zullen niet werkelijk getracht hebben een van de compagnieën te bereiken, maar de commandant van III-20.RA werd wel op de hoogte gesteld. Deze kreeg bovendien opdracht zijn stukken achter te laten. Hoe het bevel werd opgevolgd door de afdeling werd eerder al beschreven.

Alle bataljons in de Peel-Raamstelling dienden dus een positie achter de Zuid-Willemsvaart in the nemen. Voor de beide bataljons bij Mill was dit de sector tussen Dinter en Den Dungen. Slechts enkele militairen die toevallig vlakbij III-20RA waren nadat zij tijdens het luchtbombardement enkele schreden terug hadden gemaakt, werden op de hoogte gesteld. De compagnieën die achter het kanaal in vol gevecht met de Duitsers waren bleven in het ongewisse.

Het betekende dat de nieuw geprojecteerde opstelling achter de Zuid-Willemsvaart al bij voorbaat in gevaar was. Want er waren geen troepen die de stelling bezet hielden totdat de aangewezen eenheden zouden arriveren. Zelfs de ene brug die in de sector lag was niet aangewezen voor een detachement om reeds uit veiligheid te bezetten. De staf van Schmidt had voorts geen enkele andere eenheid aangewezen uit de Peel-Raamstelling om voor de zekerheid een ijl scherm in de sector van de Mill bataljons te bezetten.

Hoe het ook zij, bij Mill wist vrijwel niemand van iets. En ondertussen was de staf van de Peeldivisie [annex Territoriaal Commando] alweer aan het inpakken geslagen. Men zou een nieuw hoofdkwartier inrichten in het postkantoor bij het station van Tilburg …

De Duitse doorbraak

Rond 2130 uur waren de Duitse bataljons aan de directe overkant van de sector tegenover het dorp Mill beslissend aan de westzijde van het defensiekanaal doorgedrongen. Maar in het bos moesten zij nog diverse lokale gevechten voeren alvorens zij in staat waren zich werkelijk te kunnen beroepen op een vast bezet bruggenhoofd. Dat leidde hier en daar nog tot bittere gevechten, waarbij de schijn van chaos ook aan Duitse kant sterk naar voren komt. Wederom zij vastgesteld dat de zo vaak valselijk geroemde Duitse precisie en methodische strijdwijze ook bij Mill ontbrak. In het bos hebben Duitsers beslist op eigen troepen geschoten, zeker in de grenssectoren tussen de beide bataljons, en wellicht zelfs op de eigen troepen van III./IR.481.

Wat voorts opvalt – als men de rapporten van Nederlandse en Duitse zijde beschouwt – is dat dit derde bataljon schijnbaar de gehele avond niets (opvallends) deed om hun collegae van het neven bataljon te ondersteunen. Hun enige wapenfeit dat zij nog op hun conto hadden kunnen schrijven was het verdrijven van de Nederlandse sectie bij de Kapelhof. Wellicht waren zij ook niet in staat vriend en vijand te onderscheiden in het bos. In ieder geval lijkt het bataljon afwachtend op zijn plaatst te zijn gebleven tot dat eigen troepen hen kwamen ontzetten. Pas rond 2200 uur werd contact gemaakt tussen hen en manschappen van het 2e bataljon. In een rapport van de bemanning van de trein stelde men zelfs dat men flink onder vuur had gelegen, ook van artillerievuur. Dat kan echter hoogstens geduid hebben op Duits vuur. Van Nederlandse zijde is na 1715 uur niet meer in die richting gevuurd met artillerie.

Het duurde nog uren voor de Duitsers van IR.481 zich in werkelijke zekerheid achtten over de toestand. Het 2e bataljon was daarin het meest vooruitstrevend. Nadat het zich had ontwikkeld in het bos en langs de Langenboomseweg, was het tegen middernacht langs diezelfde weg naar het noordwesten getrokken. Ter hoogte van de stellingen van III-20RA stopte het de opmars en werd het verband tussen de eenheden hersteld. Het 1e bataljon was noordwaarts getrokken en ontwikkelde zich achter de stellingen van de sector van I-6RI. Op die ontwikkelingen wordt hieronder nader in gegaan.

De Duitse aanval bij Bruggen

Synchroon met de aanval die bij Mill tot ontwikkeling kwam na het luchtbombardement, vielen twee regimenten van 254.ID – rechts aanleunend tegen 256.ID – over een breed front aan bij Bruggen en Gassel [vlak onder Grave]. Het IR.454 trad op aan weerszijde van het gehucht Bruggen, en het IR.471 bij Gassel. In de sector Bruggen was I-6.RI hun opponent, en bij Gassel was het III-14.RI.

Vier bataljons bestormden het defensiekanaal in de sector, maar allen werden zij teruggeslagen door het vuur uit de kazematten en nevenstellingen. Het betekende voor de Duitsers een onplezierige verrassing. Men zou het anders moeten gaan aanpakken en plande daarom een nieuwe aanval met zware ondersteuning van inmiddels in de rug arriverende artillerie.

Ondertussen waren echter de eerder genoemde troepen van I./IR.481 doorgebroken bij Mill en noordwaarts getrokken. Die vormden een plotselinge en volkomen onverwachte bedreiging voor de manschappen van 3-I-6RI en de bataljonscommandopost in Langenboom. De Duitsers trachtten om in de rug van de stelling te komen via een fietspad dat van Langenboom naar het kanaal liep. Dit gevaar werd echter spoedig onderkend door (reserve) kapitein B.M. Wirtz [3-I-6RI], die direct handelde. Hij haalde militairen uit de stellingen en vormde een rugverdediging onder leiding van reserve 1e luitenant A.J. Boersma. Deze manschappen werden door de luitenant eerst ferm toegesproken, omdat ze zich terneergeslagen voelden door de vijand in de rug. Spoedig produceerde dit scherm echter zo’n fel vuur richting Duitsers dat die zich uit de voeten maakten.

Kapitein Wirtz was echter na zijn snelle reactie niet in staat zijn kordate houding voort te zetten. Enkele paniekerige berichten die hem bereikten alsmede schietpartijen op meerdere locaties in de rug van de stelling deden hem tot de gehaaste conclusie komen dat de linie werd verlaten. Hij besloot hetzelfde te doen. Hij verzamelde ongeveer een sectie aan manschappen uit zijn stellingen achter het kanaal en trok via Langenboom op het dorpje Zeeland terug. In al zijn haast weg te komen had hij de groep militairen onder luitenant Boersma niet geïnformeerd, en evenmin de sectie en mitrailleurmanschappen in de kazematten [35 t/m 39] binnen zijn vak. Een kwalijke zaak, te meer daar de stelling helemaal niet was geëvacueerd.

Van de bataljonscommandant [majoor A.J.M. Allard] ging in deze fase ook niet veel kracht uit. Hij raakte telkens snel onder de indruk van de uitgebrachte rapporten en gaf op een zeker moment zijn compagniescommandant (reserve) 1e luitenant H. Broer [1-I-6.RI] toestemming zich met de beide secties die niet direct aan het kanaal lagen een echelon te laten zakken en daar opnieuw stelling te kiezen. Toen de luitenant een half uur later terugkwam met de melding dat daar geen verdediging te vormen was, en daarom maar met twee secties op Langenboom was teruggetrokken verzuimde de majoor krachtig op te treden. De manschappen in de kazematten 28 t/m 34 zaten echter nog plichtsgetrouw in hun kazematten, en ondergingen steeds intensievere beschietingen van de oostoever.

De 2e compagnie, die het rechtervak verdedigde, zat nog keurig op zijn plaats. Doordat het Duitse I./IR481 om hen heen was getrokken was hun stelling nog redelijk onaangetast. Wel werd de commandant (reserve) kapitein C.D.M. van Exel zich spoedig bewust van vijandelijke activiteit in diens rug, en enige tijd later zelfs ten noordwesten van zijn stelling. Even na middernacht wisten manschappen onder de luitenant Boersma contact te krijgen met de 2e compagnie, waarop de beide officieren met elkaar overleg voerden. Van Exel werd op de hoogte gebracht van het feit dat Boersma als enige van zijn compagnie nog in stelling was behoudens de kazematbezetting. Hij besefte dat omsingeling door de Duitsers een groot gevaar was, en dus werd besloten terug te trekken via de positie van de middelste compagnie. De luitenant zou met zijn manschappen wederom krachtig vuur afgeven om de tegenstander gedekt te houden. Die opzet gelukte en zodoende werd rond 0230 uur de stelling in het vak van 2-I-6RI ontruimd. Op enkele kazematten na, wist de gehele compagnie, samen met het kleine verband van Boersma op Den Bosch terug te trekken.

Hoewel de majoor wetenschap droeg van het feit dat een deel van zijn linkercompagnie was vertrokken uit de stelling, was hij in het ongewis over zijn middelste en rechter compagnie. Op een of andere manier kreeg hij na verloop van tijd weer de geest. Inmiddels hadden zich zo’n tweehonderd man rond zijn commandopost verzameld, waaronder ook enkele manschappen van het zuidelijk aanleunende bataljon. Volgens verslagen van aanwezige militairen hield de majoor toen tussen 0200 en 0230 uur een emotionele toespraak. Aanwezige soldaten waren onder de indruk van zijn woorden waarin hij benadrukte dat er door kameraden van de soldaten die voor hem stonden nog steeds hard werd gevochten aan het kanaal. Hij wees op de lichtflitsen in het oosten en gaf aan dat men hen niet in de steek kon laten. Terug naar de stellingen werd het devies. Door deze woorden onder de indruk geraakt kostte het de luitenant Broer niet veel moeite zijn mannen weer oostwaarts te leiden. De commandant van de MC-I-6RI leidde een verband dat de stellingen van de middelste compagnie weer moest bezetten bij ontstentenis van de oorspronkelijke compagniescommandant die in onderwijl in het dorpje Zeeland was aangekomen.

Toen begon het in het oosten ineens enorm te flitsen. Precies op het moment dat Majoor Allard zijn mannen weer richting stellingen had weten te krijgen, begonnen enkele afdelingen Duitse geschut met een barrage op het stellinggebied. De in het open veld weer opmarcherende Nederlanders verspreiden zich. Bij 1-I-6.RI werkte het intensieve vuur verlammend. Een deel der manschappen dook in het gras, terwijl anderen waaronder de compagniescommandant door Duitse patrouilles gevangen werden genomen. Het leidde ertoe dat het vak van de linkercompagnie buiten de kazematten om vrijwel onbezet bleef.

De middelste compagnie onder (reserve) kapitein D.J.A. Kieviets, de commandant MC, wist wel haar stelling weer te bereiken. Daar aangekomen werd men gegijzeld gehouden door een dodelijk vuur van Duitse mitrailleurs, PAK en artillerie. Enkele kazematten waren door het vuur inmiddels uitgeschakeld, en daardoor lukte het de tegenstander om in het relatief slecht verdedigde punt tegenover de hoeve de Berkhof het kanaal over te steken. Overmoedig stormden de Duitsers daarop voorwaarts, waardoor de eerste manschappen recht in het mijnenveld vlak achter de kazemattenlinie terecht kwamen. Het gaf weer daverende klappen, die de gemoedsrust van de verdedigers wederom danig op de proef stelden. Hoewel menig soldaat het ondertussen te kwaad kreeg, waren er zoveel die van zich af beten dat de Duitsers het gebied niet onder controle kregen. Beducht als ze waren voor de mijnen, durfde ze vanaf het kanaal ook niet voorwaarts te stoten. Aan de oostzijde kreeg men rapport dat het pleit nog niet beslecht was. Een nieuwe barrage werd gepland. Het was ondertussen 0600 uur, in de morgen van 11 mei.

Naspel

Overal in het gebied werd tot circa 0730 uur nog lokaal gevochten. De werkelijke Slag om Mill werd echter op 10 mei om 2200 uur beslist. De Duitse doorbraak was toen ter hoogte van het dorpje Mill compleet. Zou zij dat niet zijn geweest, dan was volgens Nederlands plan de stelling om 2400 uur opgegeven.

Dat opgeven stond bepaald niet model voor de Nederlandse verdedigers ter plaatse. Er is door de Nederlandse militairen – uitzonderingen daargelaten – opvallend goed en hardnekkig gestreden. De reden waarom het collectief bij Mill zo goed bleef presteren blijft gissen. Elders waren soldaten die op papier eenzelfde statuur, opleiding en uitrusting hadden veel eerder tot overgave of terugtrekking gekomen. Bij Mill zal echter hebben meegespeeld dat men vertrouwen had in de stelling.

De Peel-Raamstelling was in maart 1940 in feite gedegradeerd tot een voorverdediging. Eentje die niet tot functie had om troepen in de hoofdverdediging erachter gereed te laten stellen voor de naderende tegenstander, maar een taakstelling die de grote verbanden in het achterland veilig kon laten terugtrekken. Gelukkig waren maar weinig militairen in de stellingen zich bewust van die onaantrekkelijke opdracht. Daarom waren zij wellicht nog beter in staat om die ondankbare taak zeer goed te vervullen. III.LK en de Lichte Divisie bereikten veilig de Vesting Holland in de middag en avond van 10 mei.

De Duitsers op hun beurt waren in de veronderstelling dat ze troepen van het beste Nederlandse legerkorps hadden verslagen. Dat waanidee bleef lang overeind. Pas op 12 mei werd het aan de hogere staftafels duidelijk dat niet III.LK was verslagen, maar een dekkingsscherm. Het was echter geen aanleiding om Oberstleutnant Weber – commandant van IR.481 en bevelhebber over de aanval bij Mill – niet alsnog het Ridderkruis te verlenen. Het zal de euforie van de Westfeldzug zijn geweest dat deze officier deze hoge onderscheiding kreeg. Bijzonder verdienstelijk had hij niet geopereerd, maar dat zal de Duitsers in 1940 wellicht onvoldoende of niet duidelijk zijn geworden. Ze hadden wel wat anders aan hun hoofd dan de toenmalige tegenstander achteraf analyseren. Feit is dat twee regimenten tijdens de slotaanval geheel tot ontwikkeling kwamen tegenover in feite slechts drie [toen inmiddels] onvolwaardige Nederlandse compagnieën. Dat het de Duitsers toch nog tot diep in de nacht kostte om de sector Mill veilig te stellen, en in feite een volledige dag had gekost [na de penetratie van de stelling op 10 mei 0430 uur] om een groot succes in het eerste uur uit te buiten, was in feite geen operatie die met Ridderkruizen opgesierd diende te worden. Tijdens de Westfeldzug werd echter met onderscheidingen gesmeten. Overwinnaars zijn vaak genereus in het erkennen van moed in de strijd ...

Een ander bijzonder fenomeen was wederom de gebrekkige ‘cross unit’ informatie uitwisseling aan Duitse zijde. Terwijl twee regimenten van 254.ID zich kapot liepen op de stelling even ten noorden van Mill, had men zich bij Mill zelf al over het kanaal heen gewerkt. De offers die 254.ID tussen Bruggen en Gassel bracht waren in feite volkomen nodeloos. Het kan zijn dat de legerkorpscommandant zijn eenheden dwingend had opgelegd op twee punten door de Peel-Raamstelling heen te breken en zodoende beide autonoom voorwaarts te gaan. Het is auteur onbekend of dit aan de orde was. Dat zou echter een bizarre opdracht zijn geweest. De weg die vanuit Grave kwam, en het enige doelwit kon vormen, vond slechts aansluiting op de wegen naar Zeeland en Uden. Kortom, dezelfde weg als die bij Mill werd veroverd. Overigens werd het bericht van doorbreken van de stelling bij Mill ook niet met het zuidelijk aanleunend Armeekorps gedeeld. Die wisten op 11 mei tot in de middag van niets. Het kan dus wel als een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden aangenomen dat wederom de onderlinge coördinatie en uitwisseling beneden peil was. Dat de concurrentiecomponent die de Auftragstaktik in zich had, de Duitsers mogelijk wederom parten had gespeeld, kan niet zomaar worden uitgesloten als oorzaak voor dit gebrek aan informatie uitwisseling.

De boodschap aan 26.AK dat Mill was ingenomen, en een doorbraak was bewerkstelligd, was in elk geval wel aanleiding om 9.PD te informeren dat de motoren gestart konden worden. De Panzers zouden spoedig de Nederlandse grens over rollen op weg naar Moerdijk. Geen voorbereide stelling die hen meer tegen zou houden, zo meenden de Duitse bevelhebbers.

Slachtoffers

Aan Nederlandse kant was de strijd relatief weinig kostbaar geweest. Er waren dertig militairen omgekomen, en volgens sommige cijfers een vijftigtal gewonden. Gezien de duur en intensiteit van de gevechten, de overmachtige tegenstander en het feit dat er vanaf de vroege middag tot de volgende morgen vrijwel constant sprake was van gevechten op korte afstand, is het dodental van dertig mild te noemen. Wat voorts opvalt - ten opzichte van andere voorname strijdlocaties - is dat bij Mill geen enkele Nederlandse officier-bevelhebber sneuvelde. Elders kan men een patroon herkennen van een groot aantal sectie- en compagniescommandanten dat sneuvelde, en daarom een onweerlegbare invloed had op het lokale beleid. Bij Mill was daarvan geen sprake, en mede overwegende het onderscheidend optreden van diverse bevelhebbers bij Mill kan men het vermoeden uitspreken dat dit bij de prestaties een rol zal hebben gespeeld.

Nederlandse graven Mill

Aan Duitse kant zijn de cijfers, zoals vrijwel altijd, een mysterie. De Duitse gevechtsrapporten zijn niet consistent. IR.481 meldde 62 gesneuvelden, IR.456 had er 41. Het laatste cijfer is weer opvallend zwaar, wegende dat in feite slechts één bataljon van IR.456 werkelijk in hevige gevechten terecht kwam en dan nog eens in het spoor van II./IR.481. Dat laatste regiment had vanaf het eerste uur gevochten, terwijl IR.456 pas in de late middag verscheen.

Geregistreerde Duitse doden die in Ysselstein begraven liggen en als sneuvelplaats Mill hebben gekregen komen echter niet verder dan een som van 58 doden. Daarvan waren 13 man gevallen op 11 mei, vooral van 254.ID.

Moet men nu de cijfers aan gesneuvelden uit de Duitse Gefechtsberichte als leidend nemen, of dient men de geregistreerde doden in Ysselstein aan te houden? Dat moet ieder voor zichzelf uitmaken. Beide cijfers zijn hier gegeven.

Overigens werd door IR.456 een getal aan vermisten en geregistreerde gewonden genoemd van 136. Deze gegevens werden door IR.481 niet vermeld. Het aantal vermisten werd later vaak nog teruggebracht.

In ieder geval mag men stellen dat de strijd een bloedige was geweest. Aan Nederlandse kant circa 80 slachtoffers [doden en gewonden], aan Duitse kant mogelijk zo’n 400. Voor een beperkt strijdgebied waar 24 uur lang was gevochten was dit een aanzienlijke slachtofferlijst. Veel gesneuvelden vonden in eerste instantie een rustplaats in de grond die hun bloed al had verzwolgen. In Mill werden Duitse en Nederlandse slachtoffers in gescheiden zones op de begraafplaats ter aarde besteld.  

Opvallend genoeg wist een groot deel van de troepen die de verdediging hadden gevoerd Den Bosch te bereiken. Dat zij in feite naar het zuiden van Den Bosch hadden moeten vertrekken om daar positie achter de Zuid-Willemsvaart in te nemen, was hen zoals gezegd onbekend.

[De bronnen vindt u hier]