Maasbruggen Rotterdam - 2e fase

Inleiding

In dit tweede deel van de bespreking van de gebeurtenissen rond de Maasbruggen op de tweede oorlogsdag wordt van west naar oost het Maasfront bekeken. Daarbij wordt het front voor het gemak in drie delen opgedeeld, te weten het westelijke deel, het centrale deel en het oostelijke deel. Het centrale deel vormde het epicentrum van de gebeurtenissen en is in alle boeken en verhandelingen over de meioorlog in meerdere of mindere mate van detail besproken. De beide uitersten van het Maasfront zijn echter zelden tot nooit onderdeel van verhandelingen. Beide worden hier uitvoerig beschouwd, omdat zo typerend is dat de intensiteit van de strijd rond het Noordereiland zo contrasteert met de gebeurtenissen op de flanken. De legitieme vraag dringt zich daarbij op waarom er op de flanken - in het westen van de stad tegenover de Waalhaven en Katendrecht, in het oosten tegenover het dorp IJsselmonde - zo weinig initiatieven werden ontplooid door de belligerenten. Die vraag zal zich bij de lezer nog verder opdringen als notie wordt genomen van de stand van zaken op de beide flanken tijdens de meidagen.

Stafkaart Rotterdam stad

In militair jargon is het gebruikelijk om posities (flanken) te duiden met links en rechts, daarbij georiënteerd vanuit de hoofdrichting van waaruit men kijkt. Dat betekent dat het westen van het Maasfront (richting Vlaardingen / Hoek van Holland dus) als 'rechterflank' wordt aangeduid en het oosten (richting Alblasserdam) als 'linkerflank'. Eveneens is het gebruikelijk de zuidoever van de Nieuwe Maas als 'linkeroever' en de noordoever als 'rechteroever' aan te duiden. Beide 'eigenaardigheden' zullen worden vermeden (of nader geduid) om verwarring bij lezers, die deze aanduidingen niet of nauwelijks herkennen, te vermijden.

In deze '2e fase' wordt de herschikking van het Maasfront in Rotterdam besproken tijdens de eerste oorlogsnacht en de tweede oorlogsdag. Alleen daar waar relevant voor verplaatsingen van eenheden, worden ook enige gevechtshandelingen in deze '2e fase' besproken. Uitgebreide bespreking van de gevechtshandelingen wordt gedaan in de '3e fase'. Zodoende blijft het overzicht enigszins gewaarborgd.   

De scheepswerven

Het havengebied west van de stad Rotterdam, bood plaats aan enige grote en middelgrote scheepswerven. Deze werven waren voor de toenmalige defensie industrie van essentieel belang. In hoofdzaak golden ze als voorname producenten voor marineschepen, maar ze waren ook betrokken bij productie voor de landmacht. De beheersing van de metaalbewerking en de bijzondere machinerie om dergelijk werk te verrichten waren eveneens van belang voor de fabricage van bijvoorbeeld artillerie vuurmonden en het bewerken van plaat- en pantserstaal. De werfterreinen en de onderhanden defensieorders spelen een bijrol in de strijd om Rotterdam. Desondanks past het in deze studie van de gebeurtenissen op het Zuidfront om ook aan dit zijtoneel enige aandacht te schenken. Te meer daar gedurende de gevechtsdagen diverse werfterreinen in beeld komen.

De Duitsers hechtten aan de importantie van het behoud van de Nederlandse scheepswerven. Ze werden niet gebombardeerd of anderszins aangevallen. Hoewel iedere aanwijzing terzake ontbreekt in Duitse bronnen, is het niet uit te sluiten dat de Duitsers de werven P. Smit jr en RDM – beide aan de Heijplaat – met opzet niet bezetten met militairen om ook geen aanleiding te geven voor Nederlandse of Britse tegenmaatregelen. Dat men wel degelijk veel aan de werven hechtte, zou op 13 mei blijken toen een Abwehr eenheid onder leiding van een marineofficier [Korvettenkapitän Kilwen] op Waalhaven landde en direct naar de werven op de Heijplaat vertrok (1). Een dergelijke handeling tijdens de operaties was een teken aan de wand dat de hoogwaardige RDM werf ook voor de Duitsers van groot belang was, hoewel de enige taak van de Abwehr eenheid was om industriële geheimen te onderscheppen. De werven waren natuurlijk ook van groot belang voor de op stapel staande operatie tegen het Verenigd Koninkrijk, waarbij scheepsruimte noodzakelijk was én waarbij schepen geprepareerd moesten worden.

(1) Korvettenkapitän was een rang die gelijk was aan de Heer rang Major.

De Duitse interesse voor de Degauss apparatuur (demagnetiseer apparatuur) blijkt bijvoorbeeld in ‘Blitz und Anker’ deel 2, pg. 522: “Korvettenkapitän Kilwen fand an Bord eines Schiffes in Rotterdam das Gaussing-Gerät der niederländische Marine, welches die deutschen Magnetminen ausschalten sollte. Er wurde zerlegt und in Deutschland analysiert.” Een bronvermelding ontbreekt. Ook Kurowski’s ‘Deutsche Kommandotrupps 1939-1945[506] meldt op blz. 64 over dezelfde actie, dat niet alleen het apparaat, maar ook de bouwtekening werd buitgemaakt. De bron voor Kurwoski’s bewering wordt niet gegeven.

Sommige bronnen beweren dat ook de ‘snuiver’ (de luchthapper of Schnorckel voor onderzeeërs) tot de Duitse interesse behoorde, maar op navraag van auteur dezes bij marinehistoricus Jac. Baart blijkt dat deze daar niet in gelooft. Baart geeft aan dat de Duitsers vooral in de mijnenveegtechniek waren geïnteresseerd. 

In het Rotterdamse havengebied kende men vier werven die van belang waren. Op de zuidoever waren dat de RDM en P. Smit jr (dat in feite aan RDM gelieerd was). Aan de noordzijde Gusto en Wilton Fijenoord. Op 10 mei 1940 was er een heel scala aan marineschepen in aanbouw op deze werven. Voor een duidelijk overzicht wordt verwezen naar de staat hieronder.

Scheepsnaam Klasse Type Tonnage Hoofdbew. In Duitse handen
 
RDM          
           
Eendracht  Eendracht  Lichte kruiser  8,350 t  10 x 15 cm  Ja, als KH-2
Gerard Callenburgh  Callenburgh  Jager  1,628 t  5 x 12 cm  Ja, als ZH-1
Tjerk Hiddes  Callenburgh  Jager  1,628 t  5 x 12 cm  Ja, als ZH-2
           
O-23  O-21 klasse  Onderzeeboot   1,205 t (ow)   6 x 21" tbuis   Nee, naar VK
O-24  O-21 klasse  Onderzeeboot  1,205 t (ow)  6 x 21" tbuis   Nee, naar VK
O-26  O-21 klasse  Onderzeeboot  1,205 t (ow)  6 x 21" tbuis  Ja, als UD-4
O-27  O-21 klasse  Onderzeeboot  1,205 t (ow)  6 x 21" tbuis  Ja, als UD-5
           
Wilton-Fijenoord          
           
De Zeven Provinciën   Eendracht  Lichte kruiser  8,350 t  10 x 15 cm  Ja, als KH-1
           
O-25  O-21 klasse  Onderzeeboot  1,205 t (ow)   6 x 21" tbuis   Ja, als UD-3 
           
Werf Gusto           
           
K-2   K-Klasse   Kanonneerboot   1,470 t   4 x 12 cm   Ja, als K-2 
           
TM-52    TM-51 klasse   Torpedomotorboot   32 t  2 x 17" tbuis   Ja, als S-201 
TM-53   TM-51 klasse   Torpedomotorboot  32 t  2 x 17" tbuis   Ja, als S-202 
TM-63 t/m TM-70 (a)   TM-51 klasse    Torpedomotorboot  32 t  -   Ja, naar Bulgarije 
           
P. Smit jr.           
           
K-1   K-Klasse   Kanonneerboot  1,470 t   4 x 12 cm  Ja, als K-1 
K-3   K-Klasse   Kanonneerboot  1,470 t   4 x 12 cm  Ja, als K-3 
Willem van Ewijck (II)     Jan van Amstel   Mijnenveger  525 t  1 x 7,5 cm  Ja, als HM-1 / M552 
           


(a) In menige bron worden abusievelijk de TM-54 t/m TM-61 serie aangeduid als zijnde de TM's op stapel bij Gusto ten tijde van de Duitse overval op Nederland. Auteur dezes voerde terzake echter uitgebreid overleg met maritiem krijgshistoricus Jac. J. Baart - auteur van de onderzoekswerkstukken 'Schnellboote' en het recente 'Rotterdam Oorlogshaven' [1509]. Baart geeft aan dat de serie TM-54 t/m TM-59 (bestemd voor Nederlands Indië) en TM-60/61 (bestemd voor kustwateren Nederland) weliswaar in opdracht waren gegeven voor 10 mei 1940, maar dat zij - mede wegens de beperkte bouwhalcapaciteit op de werf - nog niet in aanbouw waren in mei 1940. Wel dat vermoedelijk de meeste onderdelen voorradig waren en enige assemblage was begonnen. De volgens Baart in verregaande staat van afbouw verkerende boten waren de nummers 63 t/m 70, welke net als de 51 en 52, (vrijwel) identiek waren aan de TM-51 Power Boat. Nummer 62 komt overigens opvallend genoeg in de annalen van Gusto in het geheel niet voor. Deze boten werden door de Duitsers overigens afgekeurd. De S-201 (TM-52) en S-202 (TM-53) werden door hen getest (na verholpen sabotage), maar afgewezen wegens de benzinemotor van Rolls Royce, waar de Duitse Kriegsmarine - die bij diesel zwoer - niet aan wilde. Ook vond men de manoeuvreerbaarheid van de boten slecht. De kleine 17"(45 cm) torpedobuizen werden vervangen door 21" (53,3 cm) buizen. Het restant van de serie werd uiteindelijk aan de Bulgaarse marine beschikbaar gesteld. De serie TM-54 tot en met 61 werd naar Duits model gebouwd en zou als de S-151 serie dienst doen in de Kriegsmarine. Hun wederwaardigheden zijn uit het eerder aangehaalde werk 'Schnellboote' van Jac. J. Baart te halen, voor de geinteresseerde lezers. De informatie van Jac Baart blijkt volkomen congruent met die uit het (nog) recentere werk van Henk van Willigenburg [1513] over de Nederlandse oorlogsschepen in 1940.

Er waren dus een groot aantal marineschepen in aanbouw op de werven. Hiervan vielen op twee onderzeeërs na alle schepen in Duitse handen, in sommige gevallen na door het Nederlandse personeel te zijn beschadigd of tot zinken te zijn gebracht. Naast deze marineschepen waren er echter ook civiele schepen in aanbouw. Het voert te ver daarop ook in detail in te gaan.

Bij de toenmalige werf Gusto – officieel ‘Scheepswerf en Machinefabriek Werf Gusto v/h Firma A.F. Smulders‘ – waren die civiele schepen er niet, maar lagen wel twee Russische sleepboten om een drijvende kraan naar Riga te slepen. Gusto lag toentertijd aan de Oosterhaven. Dat was een zijhaven tussen de thans nog bestaande Voorhaven en Merwehaven. Na de oorlog werd de Oosterhaven verbreed tot aan het Merwehaven en de insteekhaven waaraan de toenmalige werf Gusto lag gedempt. Het toenmalige Gusto terrein bevond zich tussen de huidige Voorhaven en Merwehaven, waarbij de gehele zuidelijke landtong werfterrein was. De nog steeds bestaande firma Gusto verhuisde naoorlogs naar een locatie elders in het havengebied.  

De wederwaardigheden rond de werven – voor zover op latere datum dan 11 mei plaats hebbende – zullen besproken worden daar waar de desbetreffende gevechtsdagen aan de orde zijn. Gusto werd hier echter kort uitgelicht omdat ter plaatse een landmacht eenheid zou verschijnen op 11 mei.

De westelijke verdedigingssector

De westelijke verdedigingssector langs de Nieuwe Maas wordt in casu gedefinieerd als het deel van het Maasfront tussen Schiedam (als meest westelijk uiterste) tot aan de Parkhaven (als meest oostelijk uiterste) ten noorden van de Nieuwe Maas.

Nieuwe Maasfront West - Rotterdam 11 mei 1940

In de late avond van 10 mei en de ochtend van 11 mei werd de westelijke Maasoever (van west naar oost) op de meest rechter positie bezet door een detachement van het Marinedepot ter grootte van een kleine 50 man sterkte [258, 265]. Bovendien zat in een kaarsenfabriek [Apollo] nabij de werf Gusto een detachement van 50 man van V.Zl.A.tl. (3e Sectie). Het marinedetachement – onder de reserve 1e luitenant der Mariniers [KMR] C. de Jong – had als taak het gehele (!) Westfront van het kantonnement te bezetten en zich zodoende vanaf de Maasoever bij de Merwehaven, via posities op de Schiedamse weg en vlak ten oosten van het station van Schiedam gepositioneerd. De posities werden ieder met circa 15 man ingenomen, zodat de bezetting van de meest uiterste (rechtse) punt van het Maasfront slechts door 15 man marinetroepen en ca. 50 man van de zoeklichten werd bemand. Tussen de posities van dit marinedetachement en het volgende bezette punt langs de Maasoever lag een groot gat van 2 kilometer [welk gat recht tegenover de volle breedte van de Waalhaven lag] waar geen Nederlandse troepen met infanteristische mogelijkheden lagen opgesteld. Slechts drie posities met 2 cm Oerlikon licht luchtafweergeschut van de VLSK LAD [Vrijwillige Landstormkorps Luchtafweerdienst: in mei 1940 te Rotterdam 117 man sterk, waarvan 91 aanwezig] waren opgesteld in deze lacune. Eén opstelling – bestaande uit twee stukken onder commando van de sergeant Comello – was na expliciet verzoek daartoe door de C.Kant. op de kade tussen Keilehaven en Lekhaven opgesteld om specifiek tegen overstekende Duitsers te kunnen optreden. Een aantal op 10 mei over de Maas gevluchte batterijleden van 77.Bt.LuA alsmede enige militairen van de motordienst was als extra infanteristische bescherming ingedeeld [255]. Een andere bescheiden, zij het opvallende, versterking kwam van een klein detachement marinepersoneel dat vanuit de RDM was overgestoken met de twee daar in afbouw zijnde moderne onderzeeërs O-23 en O-24. Deze werden door de LTZ1 G.B.M. van Enkel op 10 mei overgevaren van de RDM haven naar de overzijde om aldaar te kunnen worden voorbereid voor de oversteek naar Engeland. Het meegevaren gewone personeel dat deze boten moest bemannen, werd met wapens uitgerust en als zodanig als gelegenheidsinfanterie ter beschikking gehouden [255].  

De eerstvolgende bezetting van de westelijke Maasoever was bij de Schiehaven, waar het detachement Rotterdam van de VLSK VD [Vrijwillig Landstormkorps Vaartuigendienst] haar positie had, versterkt met het 56e Peloton Luchtdoelmitrailleurs. Zij lagen pal tegenover de uiterste oostelijke zijde van de Waalhaven. Dit detachement – aangevoerd door reserve luitenant-kolonel C.D.H. Dijxhoorn – was getalsmatig sterk. Het had een sterkte van bijna 800 man [ca. 450 man landmacht en 325 man marinetroepen, vooral miliciens], maar het beschikte over slechts zes lichte mitrailleurs. Bovendien was men vrijwel geheel op de Lloydkade geconcentreerd en slechts voor een beperkt deel op of bij schepen die elders waren afgemeerd. Hierna was er weer een gat van circa 500 meter, waarna een detachement van het depot luchtstrijdkrachten – de 1e Luchtvaartcompagnie – posities innam naast de ingang van de (in aanbouw zijnde) Maastunnel en aan de De Jongh weg, 250 meter ten noorden van de tunnelingang. De compagnie bestond in haar geheel (inclusief opleidings- en facilitair personeel) uit een 240 man [279]; bij de Parkhaven was de aanwezige sterkte ca. 60 man.

Daarmee is de ‘oorspronkelijke’ bezetting van de westoever van de Nieuwe Maas besproken. Zonder nadere duiding is het helder dat deze bezetting niet veel voorstelde, grote gaten vertoonde en een serieuze oversteekpoging van de Duitsers vermoedelijk slechts zou kunnen hinderen, maar vermoedelijk niet voorkomen. Dit front ontving op 11 mei in feite geen enkele versterking, met uitzondering van circa de helft van III-21.RI dat het Westfront van de stad overnam van het Marinedepot – althans dit detachement aanvulde (omdat het zich niet liet aflossen) – en daarmee ook een (later met een zware mitrailleur versterkte) sectie tegenover de Heijplaat plaatste (nabij werf Gusto) waar eerder een klein verband van het Marinedepot had gezeten. Tenslotte zij opgemerkt dat op de diverse werven langs het noorden van de Nieuwe Maas, waar marineschepen werden gebouwd, kleine vertegenwoordigingen van de marine aanwezig waren, die toezicht op de constructie hielden. Zij waren vanzelfsprekend in defensieve zin niet van waarde.

Tegenover deze meest westelijke Nederlandse Maasoever positie (binnen het Rotterdamse territoir) lagen de Heijplaat (Tuindorp) en de Waalhaven alsmede het noordwestelijke puntje van Katendrecht en Charlois. Het is niet duidelijk welke sterkte de Duitsers aan de Maasoever alhier hadden gestationeerd. Zeker is wel dát er de eerste dagen geen Duitse bezetting was bij de Heijplaat [1508], maar vrijwel zeker ook niet nabij de noordelijke Waalhaven [Waalhaven N.z.]. Het is echter wel aannemelijk dat er voorposten waren geplaatst aan de zuidoever bij Charlois en Waalhaven Nz. Als die er inderdaad waren, hadden ze evident geen offensieve bedoelingen, maar vooral de taak Nederlandse oversteekpogingen te signaleren. Het door de Duitsers niet permanent bezetten van deze sector lijkt althans een logische conclusie uit het geheel onbesproken laten van dit frontdeel in de Duitse gevechtsverslagen en rapporten [410, 411].

De verlenging van het Duitse front langs de zuidelijke Maasoever tot aan de Waalhaven Nz is dus nergens in de Duitse bronnen besproken. Toch is het goed hier nader naar te kijken. Duidelijk is dat er in elk geval tot aan Katendrecht een Duitse bezetting van de oever was [410, 411], welke tot het commando van III./IR.16 behoorde, maar of die ook aan de westkant van de Maashaven in Charlois was te vinden is uit de bronnen niet duidelijk. Toch lijkt het aannemelijk dat het een bezetting kreeg. Als in de lijn der Duitse logica wordt gedacht, lijkt de taak tot bezetting van het secundaire Maasfront bij Katendrecht en Charlois bij 6./IR.72 te zijn neergelegd. Die compagnie arriveerde in de avond van 10 mei te Rotterdam, om daar vervolgens op de linkerflank in Rotterdam te worden ingezet. Althans, dat vermeldt het uitgebreide gevechtsverslag van III./IR.16 [410], dat meldt dat 6./IR.72 in het bruggenhoofd wordt ingezet om dekkingsvuur te geven. De compagnie verloor op die 10e mei ook twee man in Rotterdam, waarvan bovendien veldgraf foto’s in een tuin in Rotterdam bekend zijn bij het Bundesarchiv. Daarna wordt de compagnie echter niet meer besproken. Op latere kaarten van het bruggenhoofd - behorende bij het gevechtsverslag van III./IR.16 - komt het ook niet meer voor, terwijl andere bataljonsvreemde eenheden op de rechterflank wel worden benoemd. IR.72 kreeg vermoedelijk echter de taak het noordwesten en westen van IJsselmonde te bezetten. Zo verscheen ook het versterkte 1./IR.72 op de tweede oorlogsdag bij Hoogvliet/Spijkenisse en was het tevens 1./IR.72 dat later tegen de verdediging rond de olie installaties te Pernis zou ageren. Student's memoires merken op dat [500]:

» Eine dieser beiden Kompanien zur Säuberung und Sicherung des Geländes nortwestlich des Waalhavens bis zur Nieuwe Maas eingesetzt (wurde). Die zweite Kompanie wurde auf requirierten Fahrrädern beweglich gemacht und besetzte gegen swachen Widerstand bei Hoogvliet die Brücke über die Oude Maas. «

Het bezetten van de brug tussen Spijkenisse en Hoogvliet was een overdrijving, maar inderdaad verscheen daar dus 1./IR.72. Uit het rapport van III./IR.16 (alsmede de Duitse gevallenenregisters) [410] blijkt echter dat 6./IR.72 niet noordwestelijk van de Waalhaven werd ingezet, in eerste instantie, maar ten noordoosten. Latere bezetting van het dorp Pernis hoort wel nadrukkelijk tot de mogelijkheden. Maar in Tuindorp verschenen zij niet [1508]. Een rapport van kort na de strijd van I./IR.328 [227.ID], dat op 17 mei in de sector aankwam, meldde inderdaad IR.72 als de bezettende eenheid in het centrale en westelijke deel van het eiland IJsselmonde. Dat geeft echter geen zekerheid over de gevechtsdagen; slechts een aanwijzing dat IR.72 inderdaad ook tijdens de meidagen het westelijke deel van het eiland IJsselmonde als taakgebied had. De op 12 mei op Waalhaven arriverende hoofdmacht van I./IR.72 [bataljonsstaf, 2./, 3./ en 4./IR.72] zou overigens als taakgericht verband op het Eiland van Dordrecht worden ingezet – zonder 1./ en het aan het ingezette bataljon toegevoegde 6./IR.72 overigens [412]. In de toenmalige Duitse structuur denkende lijkt het voor de hand te liggen dat de beide compagnieën van IR.72 de taak kregen de sector Charlois – Hoogvliet voor hun rekening te nemen. Bewijs is er dus niet in de bronnen; niet voor deze theorie van sectortoewijzing noch voor de aanwezigheid van 6./IR.72 nabij Waalhaven Nz. In de beschikbare gevechtsverslagen van IR.72 [412, 413] wordt over de aard van de inzet van 1./IR.72 en 6./IR.72 zelfs niets genoemd. Wat echter wel helder is, is dat er tegenover het Nederlandse westelijke Maasfront hoogstens een zeer zwakke Duitse aanwezigheid was. 

De gebeurtenissen op 11 mei aan dit deel van het Maasfront zijn uiterst summier beschreven in schaars voorhanden verslagen van de Nederlandse eenheden die er lagen. Eens te meer een teken dat er weinig gebeurde, want in Duitse verslagen werd het frontdeel – zoals hiervoor al aangetoond – in het geheel niet opgenomen. Toen III-21.RI in Rotterdam haar bevelen kreeg, werd een sterkte van tweeënhalve sectie infanterie [van 2-III-21.RI, reserve kapitein B. van der Plaat] en een sectie MC [1e Sie, onder de reserve 1e luitenant A.J. den Engelsman] naar het ‘westfront’ gestuurd [162] ter versterking van de groep mariniers (en miliciens) onder de reserve 1e luitenant der Mariniers De Jong, die aldaar reeds de bezetting vormde. De commandopost van de compagnie werd te station Schiedam ingericht. Toen de commandant van de sectie MC zich bij het station te Schiedam meldde bij de fungerend commandant van het ‘westfront’, de mariniersluitenant De Jong, gaf de laatste aan zich niet te willen laten aflossen, maar de situatie ten noorden van Schiedam zo precair te achten dat hij liever met zijn detachement bleef. Zodoende groeide de bezetting van het ijle Westfront tot zo’n 200 man geregelde troepen. Dat geheel werd aangevuld met enige tientallen manschappen van pluriforme aard, die vanuit de Heijplaat waren overgestoken naar Schiedam, na de Duitse overval op Waalhaven op 10 mei. Er mag dus met enige slagen om de arm gesproken worden van een algehele sterkte van tussen de 250 en 300 man, die echter het gehele ‘westfront’ tussen Nieuwe Maas en Spaanse Polder diende te beveiligen, alsmede de Maasoever (ter plaatse) zelf. Het gros werd op de noordwest zijde ingezet tegenover de Spaanse Polder en Overschie. Opvallend was dat ondanks de aanwezigheid van de kapitein Van der Plaat, de 1e luitenant der Mariniers De Jong de operationele leiding behield [162]. Dat volgde echter uit een volgens de luitenant door de CMM gegeven instructie dat hij de commandant zou blijven [2]. Eén sectie infanterie werd verdeeld over het werfterrein van Gusto [162], waarbij de zware mitrailleur die de sectie kreeg toegewezen, op een afgemeerd schip bij de werf Gusto in stelling werd gebracht. Welk schip dit was, is niet na te gaan. In de haven van Gusto zelf lagen geen grotere schepen. In de nabije Merwe- en Voorhaven meerdere schepen.

De aandacht van III-21.RI alsmede de marinedepottroepen ging in hoofdzaak uit naar de bedreiging die men vanuit de Spaanse Polder en Overschie tastbaar voelde. Voor het front aan de Nieuwe Maas – waar de tegenstander zich kennelijk in het geheel niet roerde – was nauwelijks aandacht. Ook niet in de verslagen [162]. Met die vaststelling kan worden geconcludeerd dat er kennelijk ook geen aanleiding was in de verslagen om bijzonderheden te noteren. Als enige bijzonderheid gaf men namelijk aan dat er nog steeds oversteek van pontverkeer vanuit de Heijplaat plaatsvond, en dat de passagiers door de militairen werden gecontroleerd. Mede met het oog op die oversteken werd een groep infanteristen naar de oostzijde van de Merwehaven gestuurd om eventueel passagiers, aldaar arriverende, te kunnen controleren. Een duidelijker signaal van de Duitse passiviteit ter plaatse kan – althans in omstandige vorm – niet worden aangetoond.

[255] Bij de twee pelotons luchtafweer van de LAD, waarvan één opgesteld aan de Nieuwe Maas op de kop van de kade bij de Lekhaven, gebeurde ook niet veel. Het rapport stelt zelfs letterlijk ‘weinig bijzonders valt te vermelden’. De twee bijzonderheden die men wel meldde waren constante beschieting van de opstelling op het industrieterrein nabij de IJsselstraat (waar één stuk 2 cm stond opgesteld) vanuit de Hudsonstraat en het neerhalen van een vliegtuig. De Hudsonstraat liep (en loopt) langs het haventerrein in noordwestelijke richting. Het betrof volgens de verslagen vuur van vijandelijke elementen, maar het zal in werkelijkheid vrijwel zeker vuur zijn geweest van panische militairen die de Rotterdamse stadsdelen continue in beroering hielden. Uitgezonden patrouilles vonden huizen leeg en troffen geen enkele verdachte aan. Het stuk 2 cm werd vervolgens naar de Pelgrimsstraat verplaatst, waarmee men naar het noorden toe dekking in de rug had. Vanuit het zuiden – de kant waar de Duitsers zaten – kreeg men geen vuur. Het eerder genoemde tweede opmerkelijke feit op de tweede oorlogsdag was het neerhalen van een Duits vliegtuig in de loop van de middag. Het enige vliegtuig dat hiervoor in aanmerking zou kunnen komen [14, 33] is er één die ook door 53 Pel.Lu.Mi (terrein BPM bij Pernis) werd geclaimd. Dat betrof mogelijk de Hs-126B van Aufklärungsstaffel 7.FD die bij Pershil neerstortte. Dat toestel werd echter ook door de RAF geclaimd en die claim lijkt aannemelijker [zie beschrijving van dat voorval bij Wieldrecht 2e fase]. Merkwaardig is echter dat een andere bijzonderheid niet wordt vermeld in het rapport van de LAD. Dat was de afhandeling van het goudtransport dat aan de kade van de Lekhaven plaatsvond. Hierbij werd de BV-19A geladen met het goud van de Nederlandsche Bank en dit gebeurde precies tussen de opstellingen van de twee pelotons luchtafweermitrailleurs. Kennelijk vond men het gebeuren zo standaard, dat het niet werd vermeld, ondanks het feit dat er enige tientallen Britse zeelieden bij het gebeuren waren betrokken. Het goudtransport zelf is reeds beschreven in het hoofdstuk over Hoek van Holland op 11 mei. Het wordt hier niet herhaald.

Van het depot Vaartuigendienst in Rotterdam ontbreekt (auteur dezes) het vooralsnog aan een behoorlijk verslag. De door overste Dijxhoorn gecommandeerde eenheid viel kennelijk tussen wal en schip bij de inventarisatie van de gebeurtenissen. [2, 259] Het Depot kreeg in elk geval op 11 mei geen officiële opdrachten en werd niet actief – anders dan door haar eigen commandant – bij de verdediging van de Maas betrokken. Het stafwerk concludeert terzake dat het detachement vermoedelijk aan de aandacht van de kantonnementscommandant is ontsnapt en daardoor geen opdrachten kreeg [2: blz 96]. Dat lijkt inderdaad het geval, maar ze ontsnapte kennelijk evenzo aan de aandacht van de CMM. Het is goed mogelijk - zelfs zeer aannemelijk - dat de C.Kant. de eenheid onder het commando van de CMM achtte, te meer daar circa de helft ervan uit marinemensen bestond. Dat die gedachte bij de C.Kant. post had gevat, mede naar aanleiding van de handelingen door de CMM op 10 mei bij de inzet van oppervlakte eenheden van de marine bij de Maasbruggen, lijkt ook te spreken uit een andere aantekening. In zijn gevechtsverslag [259: aantekening '11 mei 11.45 uur'] maakt de C.Kant. namelijk wel aantekening van de officier-ordonnans van het Vaartuigendepot die een van de OLZ ontvangen order met de vernielingsinstructies voor de olie installaties in Pernis naar Vlaardingen bracht (per boot). De Vaartuigendienst was dus wel in beeld, echter kennelijk als eenheid onder de CMM geacht. Zekerheid over deze perceptie is er echter niet.

[2] Bij het detachement werd middels een drieploegendienst slechts op en direct bij het Lloydsterrein een continue bezetting vorm gegeven. Eén uitzondering hierop vormde een ploeg van 20 man onder een korporaal die op de achter het terrein gelegen Westzeedijk een beveiliging vormde. De reeds op 10 mei actieve waarneming voor I-10.RA werd ook op 11 mei uitgevoerd. [154] Een landmachtofficier liet zich in een mand met een kraan in de Schiehaven telkens omhoog hijsen om het vuur op Waalhaven te kunnen waarnemen. Middels telefoonverbinding werden de waarnemingen teruggemeld aan I-10.RA bij de Kralingse Plas. Deze verbinding werkte uitstekend en beter dan die op de toren van de Maastunnel.

Beschouwing Nieuwe Maasfront West

Resumerend kan vastgesteld worden dat aan het (Nieuwe) Maasfront West op 11 mei nauwelijks iets van betekenis gebeurde. Met uitzondering van enkele triviale gebeurtenissen (en het goudtransport), was er geen enkele belangwekkende ontwikkeling. Daarom valt er wel een aantekening te maken ten aanzien van de kennelijke non-importantie van dit ‘front’ deel.

Het is opvallend hoe insignificant het ‘westfront’ bleek in de ogen van de bevelvoering in Rotterdam, welke laatste in feite een duümviraat was van de kantonnementscommandant en de commandant maritieme middelen. Het geheel aan tactische handelingen op 11 mei vanuit het plaatselijk commando was geënt op zogenaamde tegenconcentraties. De Duitsers ontplooiden op 10 en 11 mei hun troepen vooral rond het Noordereiland en langs de meander in de Nieuwe Maas ten zuidoosten van de bruggen. De tegenmaatregelen van Nederlandse kant waren een spiegeling daarvan. Het westfront kreeg geen significante versterking en voor zover er al enige aandacht was voor het westen van de stad, betrof dat het noordwesten, vanwaar uit de Spaanse Polder en Overschie een (tastbare) dreiging werd gevoeld. Kennelijk kwam er onder de Nederlandse bevelvoerders niemand op het idee dat er op de linkerflank van de Duitsers een kans lag. Een kans om – zeker met de overdadig beschikbare scheepsruimte – een aanzienlijk contingent troepen over te zetten en de Duitse flank zodoende ernstig te bedreigen. Zo’n bedreiging zou immers de Duitsers dwingen troepen tegenover het centrale Maasfront te verplaatsen naar de flanken. Zo’n verplaatsing zou dus leiden tot deconcentratie en – met het oog op de Nederlandse focus op ‘counter-offensieve’ tegenmaatregelen door de as van het Duitse bruggenhoofd (de beide bruggen over de Nieuwe Maas) – geleid hebben tot in elk geval relatief grotere slagingskansen wegens afgenomen Duitse bezetting aldaar.

Er is echter alle reden aan te nemen dat de Rotterdamse bevelvoerders een dergelijk toch niet al te academisch tactisch handelen niet eens overwogen hebben. Het westfront wordt in geen enkel verslag besproken. Voorts leek men vooral geconcentreerd op het defensief; op het afgrendelen en beveiligen van de Nieuwe Maas tegen Duitse ambities, in de (valse) veronderstelling waarin men was, dat de Duitsers die ambities koesterden én daarvoor de mensen en middelen beschikbaar hadden. De Duitse reflex in zo’n situatie vaak direct het tegenoffensief te zoeken, was aan Nederlandse kant niet aan de orde. Nu was dat vanuit de lokale Nederlandse bevelvoering wellicht nog te begrijpen en te plaatsen. Men was immers helemaal niet geschoold in de tactiek van manoeuvres met grotere verbanden. Het bijkomende manco was echter dat men de kansen (kennelijk) daardoor ook niet herkende. En omdat men de kansen niet herkende, werd er ook niet over gerapporteerd naar bijvoorbeeld de staf van de Commandant Vesting-Holland. Diezelfde staf – het werd al in meerdere beschreven theaters aangetekend – zocht ook niet zelf actief naar dergelijke essentiële inlichtingen. Zo kon het dus ook gebeuren dat de feitelijk tot de middag van 11 mei openliggende route Vlaardingen – Pernis – Spijkenisse op het hoofdkwartier van de staf Vesting Holland onbekend bleef. Men veronderstelde toen al een Duitse overmacht in het westen van het eiland IJsselmonde. Daarvan was echter in het geheel geen sprake. In tegendeel zelfs. Bij de bespreking van de verplaatsing van III./FJR.1 naar Dordrecht [zie alinea: 'Students' meesterzetten'], werd reeds duidelijk dat het centrale en westelijke eiland van IJsselmonde slechts buitengewoon dun bezet was door de Duitsers en merendeels zelfs onbezet, slechts bewaakt door vliegende patrouilles. Indachtig echter de opdracht aan de Lichte Divisie om – na de Noord te hebben overgestoken – het vliegveld Waalhaven op de 11e te hernemen, is het duidelijk dat de open route vanaf Vlaardingen en Schiedam naar de overzijde van de Nieuwe Maas op haast tragische wijze niet werd erkend. En daardoor niet via die route een veelbelovende ondersteuningsactie van de geplande LD aanval op Waalhaven kon worden opgezet. Het was daarmee een typerend voorbeeld dat een hoge staf zonder de ogen en oren in het veld bijkans geblinddoekt was, zeker als het zelf de informatie niet actief verzamelde. Het betekende in concrete bewoordingen dat de Nederlanders een tactische én operationele kans misten.

Men kan slechts gissen naar de reden waarom de Duitsers zich niet bekommerden om hun linkerflank. Het is slechts omstandig duidelijk uit de schaarse Duitse bronnen over de gevolgde tactiek, welke overwegingen Kurt Student terzake maakte. Zoals reeds besproken bij de belichting van de strijd aan de Noord en in en rond Dordrecht [zie eerdere link naar 'Student's meesterzetten], lag Student in de nacht van 10 op 11 mei flink overhoop met zijn gevechtsstaf. Zijn chef-staf vond zelfs dat de generaal onwezenlijke risico's nam door het eiland IJsselmonde van zijn grootste operationele reserve te ontdoen, toen de generaal besloot III./FJR.1 naar Dordrecht te sturen. Het betekende dat niet alleen Waalhaven zo goed als ontbloot werd van Duitse gevechtstroepen, maar eveneens dat het gehele westen van IJsselmonde als ondergeschikte sector werd gesorteerd. Er waren immers geen troepen vrij om het te bezetten. IR.16 was volledig geoccupeerd de halve cirkel Rotterdam – Ridderkerk – Hendrik Ido Ambacht – Zwijndrecht – Barendrecht te verdedigen en te bezetten. Haar schaarse reserves lagen centraal rond Hordijk en Rijsoord verspreid. Student zijn overwegingen – het werd terzake al opgemerkt bij de bespreking van zijn besluiten – waren vrijwel zeker volledig gebaseerd op enerzijds zijn natuurlijke gevoel voor opportunisme en anderzijds zijn inschatting dat de Nederlanders hem tactisch niet zouden verrassen omdat dit nu eenmaal niet in de opleiding en aard van zijn tegenstanders lag. Student koos daarom voor de concentratie van zijn eenheden in zijn meest wezenlijke operationele doelgebieden en liet zodoende bewust zijn linkerflank vrijwel geheel open liggen. Het is zelfs zonder daartoe uitdrukkelijk ondersteunende bronnen vrijwel uitgesloten dat die open linkerflank buiten de welbewustheid van Student en zijn staf bleef. Ze namen er een gewogen risico mee en werden in hun c.q. in Student’s overweging terzake, bevestigd.

De centrale verdedigingssector

De centrale verdedigingssector wordt in casu gedefinieerd als het deel van het Maasfront tussen de Parkhaven (als meest westelijk uiterste) tot en met het Maasstation (als meest oostelijk uiterste) ten noorden van de Nieuwe Maas.

Op 10 mei in de late avond was er nog geen sprake van een aaneengesloten, maar vooral niet van een georganiseerd verdedigingsfront in de centrale sector. Er was een lappendeken van eenheden en subeenheden die de Maasoever bezet hield en waarvan de samenhang zelfs ter plaatse vaak volkomen onduidelijk was. Het was plat gezegd nog een ‘eerste reactie verdediging’ die in de loop van de eerste oorlogsdag ad hoc tot stand was gekomen. Voor de goede orde wordt kort geresumeerd hoe dat eruit zag. De exacte samenstelling van eenheden werd in de inleiding van dit hoofdstuk (1e fase) al gegeven.

Nieuwe Maasfront Centraal - Rotterdam 11 mei 1940

De meest westelijke sector was bezet door een detachement luchtvaarttroepen die tussen Parkhaven en Westerkade lagen, met de ene helft tegenover de Maashaven (Katendrecht) en de andere helft bij de Coolhaven, ter afsluiting van de binnenstad. De sector Westerkade – Veerhaven was het domein van 3-III-39.RI met een sectie van de MC. De beide mitrailleurs van de 1e sectie MC waren aan de Maas opgesteld en bestreken de Rijnhaven-/Wilhelminakade. Aanleunend waren twee stukken van de 2e Sectie MC opgesteld langs de Maasoever op de Willemskade en een stuk van de 4e Sectie op de hoek Willemskade / Veerkade. Het laatste stuk was richting Stieltjesstraat (noordzijde Rotterdam zuid) opgesteld, de beide stukken van de 2e Sectie stonden in de lengte van de Willemskade richting brug en Noordereiland gericht. Het tweede stuk van de 4e Sectie stond bij de Spido steiger (waar het eerst op had gestaan) en was opgesteld ter afsluiting van de Boompjes. In deze sector tussen Veerhaven en Leuvenhaven stonden tevens twee secties van 2-I-10.RA opgesteld. Twee stukken op de kop van de Veerkade met schootsrichting Waalhaven (vliegveld) en twee stukken in het verlengde van de Boompjes met schootsrichting naar de landhoofden van beide bruggen op het Noordereiland. Infanteristisch was er een detachement Luchtvaarttroepen van de 3e Compagnie van dat depot. Zij bezetten huizen aan de Willemskade en de sector daarachter.

Het epicentrum van de verdediging betrof de sector tussen de Leuvehaven en het Maasstation. Een zeer pluriform geheel aan verbanden was daar aanwezig. In de sector langs de Boompjes en daarachter aan de Scheepsmakershaven waren losse verbanden van de genie en Mariniers actief, alsmede een compagnie van het marinedepot. Een stuk van MC-III-39.RI (3e Sectie) was eveneens voorhanden. Bij en rond het Beursstation (inclusief het spoorviaduct) waren detachementen van II- en III-DGT alsmede enige manschappen van het marinedepot. Aan de Oosterkade en bij het Maasstation troepen van II-DGT, met achter hen aan de Nieuwe Haven, een compagnie van III-DGT. De kazerne van de Mariniers aan het Oostplein was door met name de jongste lichting Mariniers bezet.

In het vak tussen het Maasstation en het terrein van de Drinkwaterleiding, zo’n 1.250 meter breed, was geen enkele militaire bezetting. Dat deel, dat later als onderdeel van het ‘Oostfront’ zal worden besproken, was onbezet gedurende de gehele eerste oorlogsdag.

De vlekkenkaart die dit ad hoc gevormde dispositief van de Nederlandse verdediging tegenover het Noordereiland vormde, was ook aan de Veemarkt op hoofdlijnen bekend. Gezamenlijk met de op 11 mei gearriveerde en tot commandant over het Maasfront bestempelde C-11.RI [overste Reeser], werd daarom gedurende de eerste werkelijke oorlogsnacht een plan gesmeed om de aangekondigde versterkingen aan te wenden om een georganiseerd Maasfront te vormen, met als zwaartepunt de centrale sector.

De gedurende de nacht en dag (11 mei) in Rotterdam arriverende versterkingen werden grofstoffelijk als volgt over het centrale frontdeel verdeeld. Op de westelijke flank tussen Parkhaven en Leuvehaven 3-IV-10.RI, 1-I-11.RI en 2e Sectie MC-I-11.RI. Tussen de Leuvehaven en de bruggen alsmede de huizen west van het Beursstation twee compagnieën van I-11.RI ondersteund met twee secties van de MC, met erachter 3-III-11.RI en 11.Cie.Mr alsmede een sectie PAG bij de Boompjes en het Beursstation. Rond het Beursstation werd 2-IV-10.RI als aanvulling op de bestaande bezetting toegevoegd. De Oosterkade werd bezet door 2-IV-10.RI, het Maasstation alsmede (in de avond van 11 mei) de sector erachter door drie compagnieën van II-32.RI. In onderstaande beschouwing wordt op deze versterkingen en hun wederwaardigheden gedurende de 11e mei nader ingegaan. Omdat er bijzonder veel te beschrijven is, wordt het geheel opgedeeld in een eerste beschrijving waarin de herschikking van het front wordt besproken met de gebeurtenissen gedurende de nacht en nadien een beschrijving gegeven van de mutaties gedurende de tweede oorlogsdag en de beschrijving van de strijd op die dag.

Het westelijke vak van de centrale sector

[156] IV-10.RI kwam als eerste versterking in Rotterdam aan. Het uit drie compagnieën [een MC ontbrak] bestaande bataljon werd vervolgens – omdat het als eerste aankwam – verspreid over het centrale en oostelijke front. De 3e Compagnie [C. reserve kapitein L.M. Dreijer, plv. CC. reserve 1e luitenant H.G. Maagdenhaas] kreeg opdracht om stellingen in te nemen (daar waar noodzakelijk zelf te graven) langs de Park- en Westerkade. Bij het ontladen in Rotterdam werd het bataljon echter rond 21.30 uur door een overkomend Duits vliegtuig beschoten, waarbij de kapitein Dreijer [C. 3-IV] gewond raakte. Het bevel werd nadien door de reserve 1e luitenant Maagdenhaas overgenomen. De compagnie moest naar de Westzeedijk opmarcheren en van daaruit zich naar de Park- en Westerkade laten afzakken om aldaar de verdediging te vormen langs de Nieuwe Maas. Ter verkenning ging de (plv.) CC vooruit, waarbij de compagnie zelf op de Westzeedijk wederom met mitrailleurs werd beschoten door een overvliegend toestel. Hierbij raakte niemand gewond. Nadat de (plv.) CC terugkeerde bij de compagnie werd naar de bevolen opstelling vertrokken en gedurende de laatste nachtelijke uren een ingegraven positie voor de vier secties [opgesteld naast elkaar, 1e Sectie west] gerealiseerd. Voordat het licht was lag de gehele compagnie zodoende ingegraven langs de Nieuwe Maas.

[158] Kort na middernacht arriveerde I-11.RI in Rotterdam. Het kreeg opdracht om met haar 1e Compagnie [C. reserve kapitein S. de Groot] en een sectie van de MC de sector van de Jobshaven tot de Leuvehaven te bezetten. Eén sectie ontbrak aan de sterkte, want deze was onderweg het verband met de compagnie kwijtgeraakt. In de vroege morgen rond 0600 uur kwam het verband in de aangewezen sector aan en vond daar de reeds ingegraven compagnie van IV-10.RI. De kapitein De Groot nam daarop ook 3-IV-10.RI onder bevelen en richtte aan de Parklaan zijn CP in. Tevens werd de meest westelijke positie van 3-IV-10.RI (bezet door haar 1e Sectie) overgenomen en verbreed richting Jobshaven. De 1e sectie van 3-IV werd uit de stelling genomen om twee lichte mitrailleurs, die defect waren, te herstellen en zodoende als reserve gebruikt. De drie toegevoegde zware mitrailleurs van de 2e Sectie MC-I-11.RI werden op drie locaties opgesteld, te weten op de kade tussen de Jobs- en Parkhaven, op de Veerkade en op de positie op de Willemskade bij de Spido vlonder waar een zware mitrailleur groep van MC-III-39.RI werd afgelost. Zodoende was het bijna twee kilometer brede front tussen Jobs- en Leuvehaven bezet met twee compagnieën infanterie en een sectie zware mitrailleurs. De luchtvaarttroepen werden door hen afgelost en teruggenomen op hun depot.

[156, 158] Gedurende de ochtend werd de geïmproviseerde stelling nader verbeterd. De straat werd ten dele opgebroken en zandzakken werden georganiseerd en gevuld. Later op de ochtend begon steeds meer Duits vuur op de sector te vallen. Mortiervuur en mitrailleurvuur. Dit mortiervuur viel soms dekkend en verwonde een soldaat [soldaat G. van Leeuwen] van 1-I-11.RI zodanig zwaar dat deze dezelfde dag [een rapport van de regimentsarts van 11.RI – J.W. Smits – meldt dat hij op 12 mei zou zijn overleden] in het ziekenhuis aan de Coolsingel overleed. Laat in de avond zou een tweede slachtoffer door mortiervuur vallen, de soldaat H.H. Heisen van de 2e Sectie MC. Het vuur werd geregeld door de Nederlandse mitrailleurs beantwoord. Tevens werd voorgenomen de zware mitrailleur op de kade bij de Jobshaven tijdelijk op de toren van de Maastunnel te hijsen. Er was aan de kapitein De Groot gemeld dat er nog Nederlandse vliegtuigen op Waalhaven stonden en de kapitein wilde die met de zware mitrailleur in brand doen schieten. Dat dit een onmogelijke zaak was ontging de kapitein kennelijk. De afstand naar vliegveld Waalhaven was hemelsbreed vanaf de toren ruim 3 km, wat voor de zware mitrailleur een veel te lange afstand was om enig effect te kunnen sorteren. Toen men voorbereidingen nam de mitrailleur te verplaatsen, kreeg men van de op de toren aanwezige artilleriewaarnemer [I-10.RA] te horen dat de Nederlandse vliegtuigen al door de artillerie waren uitgeschakeld, waarna het onzalige plan werd afgeblazen [156].

Behalve de schootswisselingen met Duitsers – voornamelijk op de linkerkant van de opstelling (Willemskade, Westerkade) – op het Noordereiland en de oevers op zuid, vonden er geen bijzonderheden plaats. Men was vooral ooggetuige van de vele gebeurtenissen die in het aanleunende middelste vak en op het Noordereiland plaatsvonden. 

Aflossingen in het middelste vak in de centrale sector

[158] Na aankomt in Rotterdam kreeg de C-1-III-11.RI [C. reserve kapitein M.A.F. de Wilt] opdracht om de posities van het pluriforme verdedigingsverband aan en achter de Boompjes over te nemen, daarbij ondersteund door de 4e Sectie MC, twee secties mortieren en de 2e Sectie PAG (twee stukken).  Toen de versterkte compagnie arriveerde nabij de Leuvehaven, kreeg de kapitein De Wilt een uitgebreide instructie van een officier-marinier [vermoedelijk de kapitein der mariniers Schuiling] over de Duitse en eigen posities. Vervolgens werden drie van de vier secties in de huizen achter de Boompjes ondergebracht, alsmede achter de reeds de vorige dag opgeworpen barricades in de twee zijstraten. Bezwaarlijk kon men aan de Boompjes zelf belangrijke posities innemen. Niet alleen werden de huizen regelmatig zwaar beschoten, maar het deel nabij de brug stond hevig in brand en bedreigde ook andere huizen aan de Boompjes. De vierde sectie werd aangewend om de straten tot aan de Wijnhaven af te zetten, omdat men meende ook van achteren te worden beschoten. De sectie zware mitrailleurs werd opgesteld op de westpunt van de Boompjes. [158, 160] De twee secties mortieren vonden in de Oranjestraat een opstelling met een waarnemer – de korporaal Van Aalst – nabij de Boompjes. 

De aantekening in het rapport van kapitein De Wilt dat men een sectie opofferde om vuur van ‘eigen zijde’ te kunnen beantwoorden, is een aantekening die men telkens tegenkomt in Rotterdam. Het is vrijwel zeker dat men op deze locatie echter ketsende en door brand ontstoken Duitse kogels als vijandig vuur uit ‘eigen gelederen’ interpreteerde. Een fenomeen dat het ‘maagdelijke’ Nederlandse leger niet kende. Het betreffende gebied waaruit men vuur zei te ontvangen was vergeven van Nederlandse militairen. Voor subversieve elementen zou het volslagen zelfmoord zijn geweest zich daar tussen te mengen. Desondanks leidde juist die tegenmaatregel – waarbij Nederlandse militairen zich ‘intern’ gericht opstelden – weer tot maatregelen van andere eenheden en zo creëerde men ‘the running gag’ van een zeer actieve vijfde colonne terwijl men in feite levendig op elkaar schoot. Er zouden heel wat burger en militaire slachtoffers vallen door deze hysterie en het beheerste een groot deel van de operationele bevelvoering. Het onderwerp wordt uiteraard breed besproken in een latere fase. Het wordt alhier echter aangetekend dat deze tactische keuzes (gemaakt door meerdere bevelhebbers) voor het aanwenden van een deel van een eenheid voor bestrijding van interne vijand dus niet ongebruikelijk was.

[158] Al tijdens het innemen van de posities aan en achter de Boompjes werd de compagnie telkens overvallen door salvo’s mortiervuur en mitrailleurvuur dat vooral gericht leek op de straten. Het meeste vuur kwam vanaf het Noordereiland, dat pal tegenover de posities lag. Het steeds in hevigheid toenemende Duitse vuur was aanleiding voor de CC om artilleriesteun aan te vragen. Daar bleef het echter niet bij. Er was inmiddels ook luchtsteun aangevraagd om de bruggen uit te schakelen. Er zal later op worden teruggekomen.

[154] De op 10 mei ingenomen posities van 2-I-10.RA [C. reserve kapitein Max de Vries (2)] kwamen zwaar onder vuur te liggen op 11 mei. De batterij was verdeeld over twee secties met elk twee vuurmonden die een eigen opstelling kregen: oost van de Zalmhaven en onder de bomen op de Westerkade (nabij de Veerkade). Met name de sectie die bij de Zalmhaven (naast het Havendienst gebouw) stond en langs de Boompjes direct op de bruggen kon vuren, kreeg op 11 mei enige salvo's 8 cm mortiervuur te verwerken. Daarbij werd een mitrailleurnest op het balkon van het gebouw door een voltreffer uitgeschakeld en werd het linker stuk 10-veld onder puin bedolven. De bediening vluchtte weg, maar een soldaat wierp zich direct op het stuk in veiligheid te brengen. Dat was een gevaarlijke klus, omdat de Duitsers de vuurmond inmiddels in de peiling hadden. Bij het in veiligheid stellen van het 10-veld kanon, onderscheidden zich de dienstplichtig sergeant J.A. Mussert en de soldaat (motorordonnans) T.B.A. de Ridder. De soldaat De Ridder was het die de Trado, geparkeerd achter de huizen van een zijstraat, zodanig positioneerde dat hij de lier kon vieren en de vuurmond kon aanhaken. Vervolgens werd hij door de sergeant geassisteerd bij het ophalen van de remschoppen van de vuurmond. Nadat zo het stuk ‘naar binnen werd gelierd’, gingen beide moedige militairen nogmaals terug om met een bakfiets (!) het bij de vuurmond liggende munitierantsoen in veiligheid te stellen. Onderwijl stelde de soldaat De Ridder ook nog een stuk PAG van 11.RI veilig in een zijstraat, nadat het wegens de beschieting tijdelijk verlaten was. De sectie 10-veld werd teruggetrokken naar de Schiedamsche Dijk. Later zou de 2e Batterij terugkeren naar de Kralingse Plas en zich herenigen met de Afdeling. 

(2) Reserve kapitein Dr. Max de Vries, van Joodse bloede, verdronk op 15 mei 1940 in de gemeente Haarlemmerliede. Onduidelijk is of dit een ongeval was of zelfmoord. Hij was van zins zich naar Engeland te begeven en onttrok zich daarom aan krijgsgevangenschap.

Er zit nog een curieuze kant aan dit opmerkelijke optreden van de twee moedige militairen. De sergeant Mussert in kwestie was een zoon van overste Jo Mussert [154, 2200], de kantonnementscommandant van Dordrecht, en dus een neef van Anton Mussert, de leider van de NSB. De sergeant en de soldaat werden beide voor een onderscheiding voorgedragen, maar slechts de soldaat kreeg uiteindelijk het Bronzen Kruis toegekend (3). Sergeant Mussert kreeg deze niet. [154] Opvallend is dat reserve 1e luitenant G.J. van der Monde (sectiecommandant) in zijn verslag van 12 juni 1950 de volgende passage opnam:

» Sergeant Mussert is op een gegeven moment, toen iemand over zijn oom sprak, in huilen uitgebarsten en heeft gezegd, dat als wij wisten hoe hij zijn oom verafschuwde, wij nooit zouden verwachten dat hij iets tegen onze eigen troepen zou ondernemen. Voor zover ik weet heeft hij zich nooit over zijn vader, de overste Mussert, uitgelaten”«

De kennelijke frustratie over de hem ongetwijfeld overkomende achterdocht van zijn batterijkameraden zal de sergeant Mussert wellicht (extra) hebben aangezet zich tijdens de strijd te onderscheiden.

(3) De considerans bij de mutatie [KB 16 augustus 1950] was als volgt: “Heeft zich door moedig optreden tegenover de vijand onderscheiden door in de morgen van 11 mei 1940, ingedeeld als motorordonnans bij 2-I-10 Regiment Artillerie, welke batterij was aangewezen om vuur te brengen op de door de vijand reeds 10 mei 1940 bezette Maasbrug en het Noordereiland te Rotterdam, toen het stuk, met opstelling in de Eenhoornstraat nabij de Maas te Rotterdam, plotseling onder vijandelijk mortiervuur afgegeven van de zuidzijde van de Maas geraakte, waarbij twee gaten in het schild werden geslagen en enige paniek onder de bediening ontstond, zich op flinke wijze gedragen. In het bijzonder door, toen onmiddellijk daarna het bevel werd ontvangen om terug te trekken, het initiatief te nemen om de vuurmond en de munitie te redden. Daarbij geholpen door een onderofficier, ondanks hernieuwd vijandelijk vuur, de remschoppen van de affuit te demonteren en het zware stuk 10-veld op te lieren en tenslotte de munitie op te halen, waarbij hij, tijdens het verplaatsen van zijn trekker onder zodanig mitrailleurvuur geraakte, dat deze herhaaldelijk werd getroffen.”

De zoon van Jo Mussert die dit betrof, was Joan Anton Mussert geweest [2200]. Deze was op 2 januari 1939 voor het eerst opgekomen en opgeleid tot reserve onderofficier bij het 10e Regiment Motor Artillerie. Hij was in januari 1940 tot sergeant bevorderd [2200]. De andere drie zoons van overste Jo Mussert waren niet in dienst. De zoons Piet en Hans waren in mei 1940 nog (veel) te jong om te dienen en zijn zoon Dirk [2000] was vooroorlogs naar Nederlands-Indië vertrokken, waar hij voor de Pakketdienst op de vaart werkte (en in een Japans interneringskamp zou overlijden). [2000] Joan Mussert woonde in Dordrecht waar hij - geboren in januari 1919 - een vrouw had wonen. Hij veroorzaakte in februari 1943 een verkeersongeluk met dodelijke afloop. [2000] Kort nadien nam hij als vrijwilliger dienst in de Waffen SS en vocht onder meer bij Leningrad, waar hij gewond raakte. Hij overleefde de oorlog en werd in Nederland alsnog voor het misdrijf in 1943 veroordeeld tot vijf jaar celstraf, waarvan hij er slechts anderhalf uitzat. [2000] Ook zoon Hans nam dienst bij de SS en overleefde evenzo, ondanks verwondingen, de oorlog. [2000] Joan Mussert verklaarde naoorlogs dat hij in Duitse dienst was getreden om zijn straf voor het misdrijf te ontlopen en wegens rancune over het lot van zijn vader, die immers vermoord was voor iets wat hij niet had gedaan. Het feit echter dat hij door de vrijwillige toetreding tot de Waffen SS een zware (gevangenis)straf ontliep voor het hem verwijtbare ongeval met dodelijke afloop, lijkt te hebben meegespeeld. Vanwege zijn latere krijgsdienst bij de Waffen SS is het begrijpelijk dat Joan Mussert geen Bronzen Kruis kreeg toegekend voor zijn optreden in Rotterdam. Na de oorlog gingen de zoons Joan en Hans Mussert beide in Duitsland wonen, bleek Dirk te zijn overleden in Soerabaja in een interneringskamp en was slechts de jongste zoon Piet, een tiener, niet in beeld gekomen. De vrouw van Jo Mussert was fanatiek pro-Duits tijdens de oorlog net als de dochter van Jo Mussert, die haar moeder Dora een warm hart toedroeg.

[156] 2-IV-10.RI [C. reserve kapitein W. Wittenveen] was aangewezen voor het middelste vak in de centrale sector. Zoals eerder besproken kwam dit (onvolledige) bataljon reeds in de avond van 10 mei in Rotterdam aan, waarop de drie compagnieën over het gehele Maasfront werden verdeeld. De middelste compagnie kreeg daarbij opdracht zich rond het spoorviaduct op te stellen en aldaar gelegen depottroepen en mariniers af te lossen. De bataljonscommandant van IV-10.RI [majoor J.G. Arentz] zou zijn CP inrichten op het Beursstation.

[156] De 1e Sectie [C. reserve 1e luitenant H. de Boer] kreeg opdracht de bezetting van het Witte Huis af te lossen. In het gebouw was het verband mariniers en genie onder de bezielende leiding van de 2e luitenant der mariniers Menger, de sergeant-majoor der mariniers Sinke en de genie cadet-vaandrig F.C. de Boer [1-II-DGT]. Ze hadden een zware dag achter de rug en werden afgelost. De sectie van 2-IV-10.RI nam de posities in het Witte Huis over. De afgeloste mariniers zouden echter op weg naar het Oostplein worden tegengehouden nabij het Beursstation. Men was van mening dat hun aanwezigheid aan het directe front dringend gewenst bleef. De nieuw gearriveerde sectie infanterie raakte sterk onder de indruk van de hel waarin ze opeens terecht waren gekomen. Het Witte Huis lag niet alleen regelmatig onder vuur, maar de branden in de panden kort naast de brug op de Boompjes maakten dat men direct met de grimmige gevolgen van de strijd van de voorgaande dag werd geconfronteerd. Het zou nog gevolgen hebben voor de moraal van de sectie.

[156] De 2e Sectie nam posities in, in een bank annex makelaarskantoor [Hudig] op de uiterste oostzijde van de Wijnhaven, nabij het spoorviaduct. De aldaar aanwezige genisten werden afgelost. De 3e Sectie werd naar het Beursstation zelf gestuurd, alwaar een aanzienlijk contingent genie [twee secties van 2-III-DGT] en een kleine compagnie marinetroepen zat onder de (respectievelijke) leiding van de kapitein De Bats en de LTZ Douw van der Krap [258, 273].  Daarnaast arriveerde ook de BC van IV-10.RI met zijn staf en verbindingsafdeling op het station. De majoor Arentz nam ter plaatse het bevel over. De genisten kregen rust [in het pand van C&A achter het Beursstation [2]], de marinetroepen moesten paraat blijven en werden samen met de 3e Sectie op het emplacement (hoogste niveau) gehouden. De majoor raakte snel onder de indruk van de toestand ter plaatse. Er waren hier en daar zware vernielingen aangericht, onder meer door een bomaanval door een vliegtuig in de late avond, en er waren diverse branden gaande, waaronder een (mogelijk) door de Duitsers middels in brand geschoten benzinevaten aangestoken brand van enige spoorbielsen ten noorden van de spoorbrug [463]. Vrijwel al het glas in de bovenbouw van het station was door inslaande bommen en beschietingen uit de sponningen geslagen, zodat het gehele emplacementniveau een zee aan glasscherven bood. Bovendien kwam het spoorviaduct de majoor over als een gevaarlijke locatie waarlangs de Duitsers – volgens hem – eenvoudig zouden kunnen aanvallen. Het was de reden geweest de genietroepen slechts in de directe nabijheid rust te gunnen, maar niet terug te sturen naar hun depot. [156] De 4e Sectie van IV-10.RI werd in eerste instantie ingeschakeld om het goud van het Nederlandsche Bank filiaal (aan de Boompjes) in vrachtwagens op te laden. Nadat die klus was geklaard werd ook die sectie naar het Beursstation verlegd, maar bleef op de begane grond. 

[84, 265] De mariniers hebben in de late avond van 10 mei het Maashotel, dat door beschieting in brand geraakt was, moeten evacueren. Daarbij werden noodgedwongen gesneuvelden en enige gewonden achtergelaten. Bovendien raakte men het verband kwijt met de luitenant der mariniers Jonkman, waarvan men veronderstelde dat deze met zijn mannen in het Maashotel zat. Uiteindelijk zat deze – ten tijde van de evacuatie van het Maashotel – in het belastingkantoor ernaast. Desondanks ging een groepje mariniers onder de sergeant der mariniers Karstanje terug om de luitenant en zijn mannen te zoeken, maar ze vonden (vanzelfsprekend) niemand. De luitenant was nog voor middernacht met zijn mannen naar een lage etage in het Maashotel gekropen. Hij wist aldaar een werkende telefoon te vinden (op de begane grond) en zelfs een ambulance te regelen. Die kwam doodleuk over de Boompjes aangereden, maar werd door de Duitsers niet beschoten. Zonder enige twijfel werd in dit geval het oorlogsrecht nadrukkelijk door de Duitsers eerbiedigd, want voor het overige werd alles en iedereen beschoten die zich op de Boompjes begaf. De luitenant en zijn niet gewonde metgezellen wisten tenslotte via klimwerk alsnog in veiligheid te geraken aan de achterzijde en de Wijnhaven over te steken. Dat alles zonder notie bij de groep Karstanje, die rond 0200 uur (11 mei) de luitenant ging zoeken. Uiteraard zonder resultaat; men constateerde slechts dat het hotel en enkele huizen ernaast in lichterlaaie stonden. Daarop keerden de mariniers terug naar de Leuvehaven.

Het oostelijke vak in de centrale sector

Vervolgens de posities zoals deze ten oosten van het spoor werden ingenomen. [258] 2-II-DGT had op 10 mei reeds enige huizen bezet aan de zuidzijde van het Haringvliet, met achter hen 1-III-DGT dat zowel aan de noordzijde van het Haringvliet als de zuidzijde van de Nieuwe Haven huizen bezet hield. Een deel van 3-II-DGT hield het Maasstation en directe omgeving bezet. [258] 2-II-DGT [C. kapitein L. van Waegeningh] was in sectie en groepsdetachementen uiteengevallen, hoewel het geheel wel aansloot op de verdediging rond het Beursstation en verbinding had met de verdedigers nabij het Maasstation. Men had ook enige groepen in gebouwen nabij de Oosterkade. Twee boordmitrailleurs van gestrande Duitse watervliegtuigen werden aangewend om de vuurkracht te vergroten. De posities boden vooral schootsveld richting Bolwerk en landhoofd van de bruggen. De kleine hoek ten opzichte van de bruggen voorkwam dat men die effectief onder vuur kon nemen, omdat de dichte stalen profielen van de bruggen in die kleine hoek een haast aaneengesloten stalen muur vormden. [258] 1-III-DGT [C. kapitein W.J.G. Jurling] was meer verspreid opgesteld dan 2-II-DGT. Het had posities ingenomen langs het noorden van het Haringvliet en zuidzijde Nieuwe Haven, alsmede bij Plan C en de Oostmolenstraat. Het werd ook ingeschakeld om de zuidzijde van het Oostplein te barricaderen en af te sluiten met piketten.  [258] 3-II-DGT [C. kapitein J.F. Dohma] zat al sinds de ochtend van 10 mei in en rond het Maasstation. Men had zich verdeeld over de huizen achter het station, het station zelf, de loodsen en keten op het emplacement en bij de brug over het Boerengat achter het station. Gedurende de nacht van 10 op 11 mei werd de compagnie afgelost door 1-IV-10.RI [reserve kapitein W.J. Schokker].

[156] 1-IV-10.RI kreeg rond 2200 uur (10 mei) opdracht om de posities op het Maasstation van 3-II-DGT over te nemen en met een sectie een verband mariniers bij de watertoren (nabij het Waterleidingbedrijf, in oost) af te lossen. De compagnie werd opgedeeld over het Maasstation (twee secties, onder de reserve 2 luitenant Lüder en de AOOI Den Exter), de kantoren van de gemeentereiniging (sectie reserve 1e luitenant De Vos) en bij het Waterleidingbedrijf (reserve vaandrig Van Eck). De genie was om 0400 uur afgelost en uit de positie teruggetrokken. Kort na zonsopkomst ontstond een levendig vuurduel met Duitsers nabij het Antwerpse Hoofd en (vermoedelijk) de uiterste punt van de Nassaukade (op zuid), waarbij granaatvuur van Duitse zijde een loods op het spooremplacement deed ontsteken. De brand die ontstond veroorzaakte een lokaal inferno dat menige loods in de nabijheid in de as legde. Vervolgens werd een zeer intensief vuurduel met een Duits mitrailleurnest op de spoorbrug gevoerd, dat naar verluid eindigde in het tot zwijgen brengen van het Duitse wapen. [158] In de loop van de ochtend kreeg men bij het Maasstation nog de 1e Sectie zware mitrailleurs van MC-I-11.RI als extra vuursteun, waarbij tevens de C.MC-I-11.RI [reserve kapitein J.N. Hop] en zijn staf aansloten.

Beschouwing Nieuwe Maasfront centrale sector 

[2, 157, 259] Het ‘nieuwe’ Maasfront zou worden geleid door de C-11.RI, overste Reeser. In hotel Atlanta aan de Coolsingel (tegenover de Beurs) werd de CP van de overste ingericht door zijn verbindingsafdeling en staf. Hij werd door de C.Kant. als commandant over het Maasfront aangesteld, maar uit alles blijkt dat vanuit het kantonnementsbureau aan de Veemarkt ook autonoom infanterie en andere eenheden blijvend werden aangestuurd. Als enige reserve had de C-11.RI zijn ‘eigen’ 3-I-11.RI geposteerd ten noorden van het Beursstation, waar ook de voertuigen van de staf van 11.RI onder het spoorviaduct waren geparkeerd. Ook een sectie PAG en een sectie mortieren werd daar in reserve gehouden. De overste zelf was de gehele vroege ochtend bezig langs de diverse eenheden te gaan om hen persoonlijk een hart onder de riem te steken. Van enige tactische planning kwam niets terecht. Daarbij speelde vrijwel zeker dat de overste als instructie van C.Kant. meekreeg ‘overgang over de Maas en eventueel doordringen in de stad beletten’, gelardeerd met de inlichtingen over Duitse troepen, die (vermeend) op allerlei plaatsen waren geïnfiltreerd en zeer ambitieus leken het noorden van de stad te bezetten. 

Daarmee zijn de verplaatsingen en versterkingen van de nacht en vroege ochtend van 11 mei rond het centrale Maasfront besproken. Het uitgangspunt aan Nederlandse kant – zo valt op te maken uit zowel de krijgsverslagen en rapporten van betrokken officieren en de aard van de handelingen – was een infanteristisch geschoolde verdediging in de plaats te laten komen van de ad hoc verdediging, die op 10 mei was gevormd met depottroepen, en met die infanterie een afweerfront vormen tegen Duitse pogingen de Maas over te steken. Daarbij werd slechts een troepensterkte van ongeveer twee bataljons infanterie over het centrale (en oostelijke) Maasfront verdeeld. Heel nadrukkelijk anticipeerde de lokale legerleiding op een offensieve ambitie van de Duitse tegenstander, hoewel sec genomen de tekenen op het ‘slagveld’ daartoe geen aanleiding gaven. Er was aan Nederlandse kant gedurende de nacht nog geen enkel voornemen om spoedig een concentratie te organiseren om een (tegen)offensieve strategie mogelijk te maken. Begrijpelijk, want het eerste onderdeel dat als versterking arriveerde kon pas tegen het nachtelijke uur worden ingezet, waarbij men de infanterie evenwichtig over het centrale Maasfront wilde verdelen. Pas nadat meerdere bataljons gearriveerd waren, zou men tot een effectievere concentratie kunnen overgaan door de verdeelde onderdelen te hergroeperen. Dat zou pas in de avond van 11 mei kunnen geschieden. De overige overwegingen naar aanleiding van het integrale plaatje zijn reeds in de eerste fase beschouwd.

De oostelijke verdedigingssector

De oostelijke verdedigingssector wordt in casu gedefinieerd als het deel van het Maasfront vanaf het park de Oude Plantage tot oost van de meander in de Nieuwe Maas bij Kralingsche Veer (tegenwoordig Kralingscheveer).

Op 10 mei was het ‘oostfront’ in feite niet bestaand. Het Nederlandse dispositief langs de Nieuwe Maas hield in feite op voorbij het Maasstation; in feite voorbij het Boerengat, de laatste binnenhaven. Men bedenke daarbij dat het gebied dat tegenwoordig tussen Maasboulevard en de Brienenoordbrug volop is ontwikkeld, in 1940 nauwelijks enige bebouwing kende. Ook daar waar ten oosten van de huidige rijksweg A.16 tegenwoordig een grote mate van bebouwing is (Capelle aan den IJssel) was niets dan polderlandschap. De polder de Esch was het enig dat lag tussen het waterleidingbedrijf en het  toentertijd geïsoleerde Kralingsche Veer. Het gebied is nu ingevuld door bedrijven en woonwijken. In mei 1940 was die hele sector dus onbewoond, en lag het stadion van voetbalvereniging Excelsior (Woudenstein) vrijwel geheel vrij in het open polderlandschap, aan de zuidoostrand van Kralingen. In feite hield Rotterdam aan de oostzijde op bij Woudenstein. Dat was kennelijk ook de reden de verdediging van deze sector van de Nieuwe Maas zeer bescheiden te houden. Vandaag de dag is de sector Platage – Waterleidingbedrijf nog vrijwel in de (inrichtings)staat zoals zij in mei 1940 was. De rest van de omgeving is geheel veranderd.

Nieuwe Maasfront Oost - Rotterdam 11 mei 1940

De besproken sector aan de noordzijde van de Nieuwe Maas was 4 km breed, er tegenover de wijken Feijenoord en Hillesluis. Voorbij de meander in de rivier, tegenover Kralingsche Veer, het dorp IJsselmonde. Het gehele gebied tussen het Feijenoord stadion – dat net als Woudestein buiten de bebouwde kom lag – en het dorpje IJsselmonde was zo goed als onbebouwd. Slechts langs de Maas (stadionweg) waren enige bedrijven gevestigd. De polders Varkensoord en Oost IJsselmonde waren nog werkelijke polders. Vandaag de dag slingert zich de A.16 door dit gebied en is de gehele sector tot aan Bolnes volgebouwd. Een goed perspectief van hoe het anno mei 1940 was, is in het hedendaagse landschap ter plaatse niet te krijgen. Het is een verschil van dag en nacht. In mei 1940 was er echter sprake van een oostfront dat zich nauwelijks binnen bebouwing kon vormen, maar parken en bedrijfsgebouwen nodig had om enige versterking te ontlenen aan de verdedigde sector.

Op 10 mei was er vanuit het kantonnement slechts één minuscuul verband naar het oosten (van het Maasfront) gestuurd. Een door een sergeant geleidde sectie [32 man] van het marinedepot – bestaande uit matrozen en zeemiliciens en slechts met karabijnen bewapend – werd rond 0800 uur in de ochtend naar het pompstation gestuurd nabij het Waterleidingbedrijf. Het diende daar de weg richting (c.q. van) het Kralingsche Veer af te sluiten. De C-Kant had weliswaar een detachement [85 man] van IV-DGT [onder SMI der genie Kooman] naar Kralingen gestuurd, ter afsluiting van de stad aan de noordoostzijde, maar de meest zuidelijke posities die dat detachement innam lagen aan de ’s Gravenweg. Dat was 1 km ten noorden van de Oude Plantage. De trajecten van de spoorwegen naar het Maasstation, die toentertijd oost van de stad splitsten (richting Den Haag en richting Utrecht), werden in het geheel niet bezet of beveiligd. De Kralingerweg, ’s Gravenweg en de Veerweg (naar het Kralingsche Veer) waren de enige drie hoofdwegen die vanuit het oosten de stad binnenkwamen. De eerste twee werden door IV-DGT beveiligd, de laatste door de sectie van het marinedepot. Dan was er nog het op 9 mei geactiveerde mobiele vendel van de burgerwacht Rotterdam. Het was als beveiligingseenheid tegen sabotage op het terrein van het bedrijf van de Gemeentelijke Drinkwaterleiding geplaatst. Op 10 mei waren daar 22 man (inclusief een officier, de kapitein der burgerwacht Uilenbroek) aanwezig, later die dag versterkt tot 48 man (vier officieren, vier onderofficieren en 40 man) vanuit een vendel [‘Vendel Oost’] van de burgerwacht dat in de Hoflaan post had. De burgerwachteenheid had als enige veel vuurcontact met de Duitsers aan de overzijde, zoals al bij de bespreking van 10 mei werd beschreven. De eenheid had in de nabijheid (op de watertoren aan het havenkommetje bij het waterleidingbedrijf) gezelschap van een ongewapend detachement van de Luchtwachtdienst. Het was deze post die zoveel onduidelijkheid zou scheppen over de aantallen gelande Duitse watervliegtuigen (zie bespreking 10 mei). De verdediging – althans de militaire bezetting – van het oosten van het Maasfront was op 10 mei dus niet sterker dan een vijftigtal, later een zeventigtal man. Zij beschikten slechts over geweren en karabijnen als zwaarste wapen (4).

(4) Over de burgerwacht in Rotterdam zal te zijner tijd een thematisch ingericht artikel verschijnen op deze website. Het is echter van belang voor de lezer te weten dat er enkele bijzonderheden speelde rondom deze organisatie. De burgerwacht was sec genomen geen militaire organisatie volgens het Landoorlogsrecht [LOR]. Zij kon wel als zodanig worden ingezet, maar dat kon slechts nadat zij daartoe was geformaliseerd door een algemene bekendmaking, ook aan de vijand. Opvallend is echter dat hoewel de vrijwillige burgerwachtvendels in Rotterdam waren ‘gevorderd’ door de kantonnementscommandant, in de middag van 10 mei een radioboodschap werd afgekondigd dat de burgerwacht zich uitdrukkelijk niet met de openlijke strijd mocht bemoeien. Met andere woorden, de deelname van de Nederlandse burgerwacht aan de strijd – niet beperkt gebleven tot Rotterdam – was wederrechtelijk [ex LOR]. Hoe bewust men zich dit was – naoorlogs – blijkt wel uit het feit dat vendels die hadden meegedaan aan de gewapende strijd, geen recht kregen op het dragen van het Oorlogsherinneringskruis. Zij werden aangemerkt als politionele eenheid. Desondanks was er de burgerwacht in Rotterdam niets verwijtbaar. Kolonel Scharroo had hen telefonisch geïnformeerd dat hun toetreding tot de reguliere ‘weermacht’ gevorderd was bij toepasselijk verklaring van artikel 36 van de (oude) Oorlogswet (1899). Dat artikel bepaalde dat het Militair Gezag burgers kan dwingen tot participeren in militaire werkzaamheden. Dat deze wet op gespannen voet stond met het in 1940 geldende Landoorlogsrecht, gaat in casu buiten de orde. Het is echter wel een gegeven. Overigens maakten de Duitsers van de diverse voorvallen met aan de strijd participerende burgerwacht – ook elders (en regelmatig zonder volledige uniformdracht) – naar thans bekend is geen probleem na de capitulatie of tijdens de strijd. 
 
Het dilemma dat in Nederlands verband ook nog aan de orde was, en in praktische zin in mei 1940 veel tastbaarder was, was dat de burgerwacht afwijkend was uitgerust. Voornaam was bijvoorbeeld de zwarte helm, de M.15 Adrian, die van Franse makelij was en sterk leek op de helm die anno 1940 in het Franse leger nog steeds in gebruik was. De helm had een grote (stalen) rand, was overigens rond met het bekend franse ‘dakje’ (waardoor men met de helm ook effectief kon slaan). Er waren 10.000 van deze Franse helmen besteld tijdens WOI (juni 1916) wegens een tekort aan helmen voor het gemobiliseerde leger (zie afbeeldingen blz. 24-25 in ‘De Nederlandse stalen helm 1916-1946’ van Dr. Kevin de Joode). Ze kwamen in de jaren dertig vrijwel allemaal bij de burgerwacht terecht. Zo ook in Rotterdam. Dat leidde tot verwarring bij confrontatie met andere Nederlandse militairen, zoals de pluriforme schakering aan uniformen en uitrustingsstukken binnen de landmacht, marine, legerluchtmacht en talloze vrijwilligersverbanden toch al tot ongekende non-uniformiteit leidde in Rotterdam.
      

Dat was de toestand in de avond van 10 mei nog steeds. Een halve compagnie niet infanteristisch geschoolde militairen zonder automatische wapens, die het gehele oostfront langs de Maas vorm gaven. Een Duitse poging de Maas over te steken bij IJsselmonde of Bolnes zou in die situatie tot ongekende paniek hebben geleid. Gelukkig hadden de Duitsers die plannen niet. Het is echter een gegeven dat het oostfront langs de Maas op 10 mei 1940 gevaarlijk veronachtzaamd werd door de militaire leiding in Rotterdam, zowel C-Kant als CMM. Dat werd echter gedurende de nacht van 10 op 11 mei door de CMM gecorrigeerd.

[156] Bij de aankomst van IV-10.RI in Rotterdam, kreeg de 1e Compagnie van die eenheid opdracht posities in te nemen rond het Maasstation en aldaar de genisten af te lossen. De compagnie stuurde de 1e Sectie [C. reserve 1e luitenant F.W.L. de Vos] naar het terrein van de Gemeentereiniging en de 3e Sectie [C. reserve vaandrig Van Eck] naar het Waterleidingbedrijf. Gedurende de late avond van 10 mei en de vroege uren van de 11e, kwamen deze versterkingen aan. Door de 1e Sectie werden drie groepen geposteerd rond de gebouwen van de Gemeentereinigingsdienst nabij de Oude Plantage. De sectie die bij het Waterleidingbedrijf terecht kwam sloot zich niet bij de burgerwacht aldaar aan. Het bezette posities langs de rivier in het park Oude Plantage. Wat niet werd geregeld, was de bevelvoering. [2, 156, 267] De burgerwacht bleef niet alleen zelfstandig – trad niet onder het commando van de vaandrig Van Eck – maar coördineerde haar inzet vooral met de staf van de CMM (via de wekende telefoonverbinding) in plaats van met de plaatselijke infanterie van 1-IV-10.RI. Dat laatste was echter begrijpelijk, zoals zal blijken als in de bespreking in ‘3e fase’ de gebeurtenissen tijdens de strijd worden beschouwd. De troepen van IV-10.RI zouden namelijk spoedig door een paniek (onder de beide secties oost van het Maasstation), wijken en met panische verhalen de binnenstad opzoeken.

[161] Het in de ochtend in etappes in Rotterdam gearriveerde IV-15.RI werd voor het grootste deel ingezet voor zuiveringen van de stad en diende voorts een compagnie naar Vlaardingen te sturen. De 3e Compagnie kreeg echter aan het begin van de middag van de 11e mei opdracht om twee secties aan het ‘oostfront’ af te staan. Eén sectie werd met marinetroepen verenigd om de ’s Gravenweg af te zetten en tegen indringen te beschermen en de 3e Sectie [C. reserve 1e luitenant H.T.M. Koenders] werd naar het Waterleidingsbedrijf gestuurd, waar de sectie van IV-10.RI inmiddels de benen had genomen. De sectie van de luitenant Koenders arriveerde rond 1600 uur bij het Waterleidingsbedrijf. Voordat ze daar arriveerde speelde zich daar nog het één en ander af, wat hieronder wordt besproken.

[161] Twee stukken PAG van IV-15.RI [C. reserve 1e luitenant J. Sjoerds] werden in de avond [1700 uur] als extra ondersteuning naar het oosten van de stad gestuurd. Eén stuk bij de ’s Gravenweg en één stuk bij de Kralingsche weg. Het derde stuk werd naar de Honingerdijk gestuurd om de weg richting Kralingsche Veer te kunnen afsluiten. Dat laatste is echter slechts omstandig te traceren. Op die onduidelijkheid wordt in de '3e fase' van de bespreking der gebeurtenissen nog teruggekomen.

[2, 84, 161, 265] Gedurende de nacht en ochtend was het besef gegroeid bij de CMM en zijn staf dat het oostfront – met name het deel dat feitelijk buiten de stad lag – veel te fragiel was. Er werd als eerste maatregel een sectie van het marinedepot ter versterking van de al nabij het Waterleidingbedrijf zijnde sectie gestuurd. Dat gebeurde rond 0430 uur [265]. Onduidelijk is uit de bronnen overigens welke sectie dit was. Vervolgens werd de ’s Gravenweg en Kralingsche weg in oost met een sectie (geheel onder een SMI) versterkt. Zij kwamen daar aan voordat de eerder genoemde sectie van IV-15.RI ter plaatse zou verschijnen, wat pas rond 1500 uur zou zijn. [2, 84, 161] Vervolgens werd een eenheid ter sterkte van 70 man van het marinedepot onder commando van de 2e luitenant der mariniers Jonkman met twee autobussen vanuit de stad naar het Waterleidingbedrijf gereden om van daaruit te controleren of de Duitsers geen pogingen ondernamen bij het Kralingsche Veer over te steken. [265] De CMM staf had hiertoe besloten nadat via meerdere wegen berichten binnenkwamen van voortdurende Duitse landingen op het eiland IJsselmonde. Dit detachement stapte uit de bussen nabij de Honingerdijk en ging te voet verder langs de dijk. [161H, 267] Volgens de reserve majoor J. Gerritsen (5) – ten tijde van de strijd C.3-IV-15.RI – kreeg de luitenant Jonkman bij het vervolg van zijn tocht de korporaal burgerwacht (Jonkheer) Boddaert mee als gids. Deze reed met eigen auto al twee dagen ten bate van zijn vendel rond [267]. Toen het verband achter de dijk optrekkende uiteindelijk nabij het veerpunt geraakte, nam men tot de verbazing waar dat het veer nog gewoon bediend werd. [84, 267] Onderwijl zou nóg een detachement van marinetroepen, onder leiding van de LTZ2 Baron van Lynden en LTZ3 Siliacus, zijn aangesloten bij het verband Jonkman. Dat tweede verband kan in deze context niet met marinebronnen gestaafd worden, en wordt dus met dat voorbehoud gemeld. [265] Mogelijk betrof dit het verband dat volgens het verslag van de kapitein Keuchenius rond 0430 uur opdracht had gekregen naar de Oude Plantage te vertrekken ter ondersteuning van het front aldaar. [161H, 267] Na aankomst bij het veer werd dit stilgelegd door de luitenant Jonkman en werden de burgers aan boord van het net aangemeerde veer gecontroleerd, terwijl de korporaal Boddaert (kennelijk) met een boot (mogelijk het veer zelf) naar de zuidoever voer om aldaar op verkenning te gaan. [161H, 267] Tijdens die verkenning werd van de burgemeester van het dorp IJsselmonde vernomen dat een Duitse patrouille op de Rijksweg naar Dordrecht aanwezig was. Dat wel Duitse troepen enkele keren waren gesignaleerd in IJsselmonde, maar daar inmiddels niet meer waren. [161H, 267] De luitenant Jonkman sprak toen af met de veerdienst dat deze kon worden hervat, maar dat bij gebruik door Duitse troepen drie keer drie korte stoten met de luchtbeschermingshoorn zou worden gegeven. Op die voorwaarde mocht het veer blijven werken! De korporaal Boddaert werd hierna naar de kapitein Keuchenius [Marinedepot Meckelenburglaan] gestuurd waar hij namens de luitenant Jonkman zijn bevindingen meldde. Opmerkelijk is dat in het verslag van de burgerwacht van de luitenant-kolonel Boellaard van 24 juni 1940 [267] werd vermeld dat door de korporaal Boddaert bij de rapportage aan de kapitein Keuchenius “bijzonder den nadruk werd gelegd op het gebrek aan flankbeveiliging bij den vijand.” Een vorm van inlichtingen, die het Nederlandse leger zo node miste en waar kennelijk niets mee werd gedaan. Nadat de handelingen bij het veerpunt waren afgerond, werd teruggetrokken op het Waterleidingbedrijf. Er werd geen post achtergelaten bij het veer. Althans, daarvan wordt geen enkel gewag gemaakt in de verslagen. Men vertrouwde kennelijk op de afspraken die men ten aanzien van het akoestisch waarschuwingsmiddel had gemaakt met de bemanning van de veerdienst …

(5) De reserve majoor J. Gerritsen was tijdens de meidagen reserve kapitein en commandant van 3-IV-15.RI. Hij schreef naar aanleiding van het boek ‘De Zwarte Duivels[84] in augustus 1948 een vurige reactie aan de auteur van dat boek – Bert Honselaar – wat ook het militaire archief haalde. In die brief zette hij een aantal ‘onregelmatigheden’ recht waarin naar zijn mening de landmacht onrecht was aangedaan in de beschrijvingen van Honselaar. Zijn briefwisseling ging verder dan één brief en is voor de eenvoud van verwijzing met een apart bronnummer [161H] geduid. Overigens lijken veel van de nuanceringen van Gerritsen in zijn brieven niet zonder recht en reden gegeven. Zijn aantekeningen ten aanzien van de burgerwacht lijken overigens volledig te zijn gebaseerd op het verslag van dit vendel van luitenant-kolonel der burgerwacht A.P.H. Boellaard (24 juni 1940), dat ook voor de reconstructie van dit betreffende theater is aangewend door auteur dezes.  

Resumerend kan worden vastgesteld dat naast het vendel van de burgerwacht, er slechts een sectie marinetroepen in het uiterste oosten van het front was opgesteld, dat in de vroege ochtend van 11 mei met nog een dergelijke sectie werd versterkt. Kort nadien arriveerde twee secties van IV-10.RI, waarvan er één tussen Maasstation en Waterleidingbedrijf een opstelling vond en een tweede nabij het Waterleidingbedrijf positie koos. In de loop van de ochtend arriveerde vervolgens het marinedepot verband Jonkman, dat na een patrouillegang naar het Kralingsche Veer in de omgeving van het Waterleidingbedrijf opstellingen koos. Onderwijl hadden de beide secties van 1-IV-10.RI de benen genomen, nadat ze de Duitsers opeens op schepen voor hen meenden te ontwaren. Daarvan was geen sprake overigens. Maar met hun overhaaste vertrek was het 'oostfront' wederom extreem zwak bezet geraakt. In de late middag kwam echter een sectie van 3-IV-15.RI (later nog een stuk PAG van dat bataljon) als versterking aan, die wel zou blijven. Al met al betekende het dat de gehele sector tussen Maasstation en Waterleidingbedrijf met een ronduit zwakke bezetting te kampen had. Het had maximaal vijf secties weerbare troepen op het hoogtepunt, maar viel in de avond van 11 mei terug op een sterkte van twee secties marinetroepen, een sectie infanterie en een sectie burgerwacht. Dat was geen indrukwekkend geheel. Bovendien beschikte men over niets anders dan geweren en lichte mitrailleurs voor inzet langs het Maasfront.

Hiermee is de herinrichting van de oostzijde van het Maasfront besproken. Het hoe en waarom rond verplaatsingen en de vlucht van 1-IV-10.RI vormt onderdeel van de bespreking van de '3e fase', waarin de gevechten worden belicht. Het zou onverstandig zijn de schermutselingen in de ochtend reeds in deze 2e fase te bespreken, omdat ze een aaneenschakeling van ‘vervlochten’ gebeurtenissen vormen die bij opsplitsing verwarrend zouden kunnen zijn. Alle gevechtshandelingen op de oostzijde van het Maasfront worden daarom in de derde fase behandeld.

Nadat een blik is geworpen op de (traceerbare) gebeurtenissen aan Duitse zijde, zal de intensieve strijd die in de centrale sector aan de Nieuwe Maas werd gevoerd, worden belicht.

Ondertussen aan de overkant …

Daar waar de Nederlanders zich gedurende de avond van 10 mei en daaropvolgende nacht inspanden om hun defensief te organiseren en te versterken – in anticipatie op hernieuwde Duitse aanvallen – daar gebeurde aan Duitse kant in feite hetzelfde. Geen van beide partijen was zich uiteraard bewust van de overweging van de ander. Desalniettemin was al in de avond van 10 mei aan Duitse kant duidelijk dat voor verdere offensieve acties geen mensen en middelen beschikbaar waren en vrijwel zeker ook niet meer beschikbaar zouden komen. Handhaven was het devies.

[500] Daar waar de Nederlandse legerleiding het geheel ontbrak aan betrouwbare inlichtingen omtrent de tegenstander, maar terzake ook nauwelijks mensen en middelen inschakelde om die inlichtingen te verkrijgen, daar speelde een vergelijkbare blindheid aan Duitse kant. De inlichtingen voor de staf van Kurt Student moesten komen van de door Oberleutnant Lampertsdörfer geleide sectie 1c. Deze was echter in de ochtend van 10 mei gevangen genomen, na een al te ambitieuze tocht in ‘Feindesland’ [hij zou overigens zichzelf later bevrijden]. Daarnaast was voor Student van groot belang dat hij een eigen, op Waalhaven gestationeerde, vliegende verkenningseenheid ter beschikking had. Het was aan de stafsectie 1c toegevoegde Aufklärungsstaffel en een daarin opgenomen Korpsführungskette. De eenheid was oorspronkelijk de Fernaufklärungsstaffel van II.Flakkorps uit Köln-Ostheim en opereerde, wat de zes beschikbare Do-17Z verkenners betreft, nog steeds vanaf die basis. De vier beschikbare HS-126B toestellen werden echter deels op Waalhaven gestationeerd [67]. Van deze verkenningseenheid gingen echter al zeer spoedig (tenminste) drie toestellen verloren [14]. Er stortte er één (Do-17) rond 0430 uur neer bij Wilnis [vlieger Oberfeldwebel E. Rettig] na door de D-21 van 2e lt-vl Van der Vaart te zijn beschoten en de Do-17Z met de Staffelkapitän Oberleutnant Langhuth werd ook neergeschoten. Dat toestel, de QU+KH, stortte rond 0500 uur (10 mei) neer bij Westmaas, neergeschoten door G-1 no. 330 van SM-vl Buwalda [zie bespreking IJsselmonde op 10 mei]. De Hs-126 groep verloren op Waalhaven ook een toestel, vermoedelijk door beschietingen, en een Hs-126 ging verloren op 11 mei, stortte neer bij Piershil (beide bemanningsleden gesneuveld). De Do-17 verkenners hadden voorts het probleem dat de verzamelde informatie via de slecht werkende lange afstandverbinding met de staf (sectie 1c) van Student gecommuniceerd moest worden. Luchtopnamen werden – zo lijkt het – met aparte vliegtuigen overgevlogen naar Waalhaven. Daarin zat een grote vertraging. De voor deze verbindingen verantwoordelijk officieren op de staf – Major Schostag en Hauptman Schleicher – deden er echter alles aan om toch inlichtingen te verzamelen door alle energie te stoppen in het herstellen van de verbindingen. Het verlies op 10 mei van één van de twee Ju-52 met lange afstand verbindingsapparatuur door beschietingen op Waalhaven bezwaarde hun taak ten zeerste. Het gevolg was dat Kurt Student over de Nederlandse troepenbewegingen, de sterkte van de stellingen langs de Nieuwe Maas en vooral de opstelling van I-10.RA vrijwel niets te weten kwam [500]. Dat wat hij hoorde kwam van loslippige krijgsgevangenen of waarnemingen in het veld.

De onzekerheid over de bewegingen van de Nederlanders was in het bijzonder aanwezig als het aankwam op Rotterdam en de sectoren waar de Groepen Spui en Kil opereerden. Student opereerde daar in den blinde, zo melden zijn memoires [500]. Dat zal zo zijn, maar het weerhield de generaal niet om gedurende de nacht van 10 op 11 mei zijn belangrijkste eenheid van het eiland IJsselmonde naar Dordrecht te dirigeren. Tegelijkertijd had Oberstleutnant Von Choltitz te horen gekregen dat als de druk op het kleine bruggenhoofd ten noorden van de Maasbruggen in Rotterdam te groot werd, hij gemachtigd was terug te trekken op het Noordereiland [411, 500]. Von Choltitz schreef in zijn eigen memoires dat hij daarop verontwaardigd reageerde en zijn mannen nooit zou terugtrekken [528]. Dan waren de offers immers voor niets geweest. Het zal tenminste ten dele grootspraak zijn geweest. De realiteit was dat er geen contact met het vijftigtal Duitsers op noord gemaakt kon worden en de bruggen oversteken inmiddels zelfmoord was [411]. Ordonnansen die het probeerden waren teruggekeerd of al doende neergeschoten [410, 411]. Het was vooral het Duitse verband, dat in het gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank en onder de gewelven van de bruggen zat, zelf dat moedig volhield en geen enkel aanstalten maakte om terug te trekken. Onderwijl was er op de staf van de divisie een alternatief scenario in uitwerking waarbij in het geval Rotterdam niet gehouden zou kunnen worden, terug zou worden getrokken tot de sector ten oosten van Heerjansdam. Men zou zich dan concentreren op het behoud van de Dordtse, Alblasserdamse en Moerdijkse bruggen [411]. Het werd als volgt gesteld:

» Beim III./16 ist die Lage etwas unruhiger. Die Brückenköpfe werden gehalten. Fl.Div.7 hat den Kommandeur III/16 ermächtigt, den Nord teil der Brücke Rotterdam bei Überlegenem Feindangriff aufzugeben und sich auf die Insel zurückzuziehen. Auf Befehl der Fl.Div.7 ist bei weiterem stärkenden Angriff die gesamte Brücke aufzugeben. Die Div. beabsichtigt, sich, falls Rotterdam niet gehalten werden kann, in das ostw. Gebiet zwischen Noord und Maas zurückzuziehen. Die Brücken bei Dordrecht und die Autobahnbrücke hart südl. Alblasserdam [sic] sind unbedingt zu halten. «   

Daar waar de Nederlanders zich dus instelden op een Duitse aanvaller die offensieve bedoelingen ‘leek’ te hebben, daar waren de Duitsers juist beducht voor mogelijk beslissende Nederlandse tegenaanvallen, die zouden nopen in eerste instantie het noordelijke bruggenhoofd en nadien eventueel zelfs Rotterdam prijs te moeten geven. Er was in anticipatie daarop een alternatief plan ontwikkeld om de troepen ten westen van Heerjansdam in hun geheel op het oosten van het eiland IJsselmonde terug te trekken, in geval de druk op Rotterdam te groot zou worden. Dát was de prijs die Kurt Student bereid was te betalen om de bruggen bij Alblasserdam, Dordrecht en Moerdijk te behouden.

Op het Noordereiland, in het kloppend hart van het Duitse bruggenhoofd in Rotterdam, werd de stand van zaken anders ervaren dan de Nederlanders vermoed hadden. Er werden geen voorbereidingen getroffen aan te vallen, maar juist om hardnekkig vast te houden aan de verworven stellingen. Von Choltitz was niet van plan zijn bruggenhoofd op te geven en net zo vastberaden waren de leidende officieren Oberleutant Schreiber, Gottbehöde en Kerfin om het noordelijke bruggenhoofdje te behouden. [410] De 50-60 man Duitsers op noord hadden het echter zwaar. Een aanzienlijk deel van hun munitie en rantsoenen was verloren gegaan tijdens de brand in het Maashotel en de nabij gelegen panden. Het noopte tot strikte munitiediscipline. Mitrailleurs, waarvan men er in het Verzekeringsgebouw nog vijf had, mochten nog slechts worden gebruikt als er een wezenlijke bedreiging van de positie was. Men had nog slechts 300 kogels per wapen. Voor de geweren waren er nog 50 patronen per man. De door de Nederlanders regelmatig gemelde Duitse beschietingen vanuit het gebouw waren dan ook geen opzettelijke salvo’s, maar vooral detonaties van achtergelaten, brandende munitie in het nabij gelegen Maashotel. De Duitse situatie was zo nijpend dat de in het gebouw aanwezige Oberleutnant Kerfin de afspraken terzake in de ochtend van 11 mei als volgt omschreef [463]:

» Aus Gründen der Munitionsersparnis hatten die MG nur im äussersten Notfall Feuererlaubniss. Im übrigen durfte nur gezieltes Gewehrfeuer abgegeben werden.« 

Daarnaast was een aanzienlijk deel van de overige rantsoenen verloren gegaan. Het betekende honger voor de circa 40 man bezetting van het bankgebouw. Hun situatie werd al op 11 mei als uiterst precair gevoeld. Te meer daar ze al tenminste 10 gewonden in het gebouw te verplegen hadden [463]. Van de gevechtsgebeurtenissen in de late avond en ochtend van 11 mei raakte men echter niet heel erg onder de indruk. Op 11 mei meldde men in het gebouw sowieso geen enkele bijzonderheid van de gebeurtenissen overdag [463]. De onder de gewelven van de bruggen aanwezige circa 20 Duitsers, onder wie 11 parachutisten, zullen het nog beduidend slechter hebben gehad. Ze konden zich niet vertonen zonder zwaar vuur te trekken. Ze hadden bovendien geen contact met de Duitsers in het bankgebouw, die hun aanwezigheid pas later zouden ontdekken. Onderwijl stelde men aan de zuidzijde van de bruggen vast dat de radioverbinding met de noordoever niet werkte en dat ordonnansen en proviand en munitie transporten onmogelijk te versturen waren [410]. Men merkte op dat detonaties van brandende munitie stelselmatig door Nederlands vuur werden beantwoord, terwijl men zelf geen schot loste [410]. Tegelijkertijd meende de Duitsers dat de bruggen door enkele Britse bommenwerpers werden aangevallen rond middernacht (of kort erna). Mitrailleurvuur uit de vliegtuigen kostte hen enige doden en gewonden, zo stelt het rapport van III./IR.16 [410]. In Nederlandse verslagen werd de aanval juist aan Duitse toestellen toegeschreven. In feite is het echter onduidelijk wat er gebeurde. Het is de bekende populairwetenschappelijk journalist en auteur Aad Wagenaar die in zijn ‘Rotterdam, mei ‘40’ [98: blz. 152-153] suggereert dat Britse bommenwerpers de stad aanvielen, en wel de sector Blaak – Wijnhaven. Hoewel Wagenaar er geen bronnen bij vermeld, en geen enkele andere bron de Britten ’s nachts de stad laat bombarderen, kan Wagenaar wel eens gelijk hebben dat het Britse bommen waren die rond het middernachtelijk uur op de stad vielen. De RAF voerde een doorlopende aanval uit op Waalhaven en de kans is niet onaanzienlijk dat daarbij één van de ‘flights’ het doel miste en dacht een door de Duitsers beheerst gebied aan te vallen terwijl het in feite het noorden van de stad bombardeerde. Opvallend zijn namelijk ook de vele Nederlandse rapporten die melden hoe ’s nachts ‘Duitse’ vliegtuigen de stad verlichten met fakkels en soms mitrailleerden. In feite is er geen enkele aanwijzing dat de Luftwaffe gedurende de nacht actief was boven Rotterdam, wel in de avond overigens. Het is heel goed mogelijk dat het in werkelijkheid ging om terugkerende Wellingtons – inderdaad ook met fakkels uitgerust – die na het bombarderen van Waalhaven noordelijk over de stad omkeerden en mitraillerend laag overvlogen. Uitsluitsel is er niet, maar het Duitse rapport meldde dat ze ’s nachts door Britse toestellen werden gemitrailleerd. Dat kan een extra aanwijzing zijn, maar net zo goed de basis voor Wagenaar’s suggestie zijn geweest.

Aan Duitse zijde dus geen offensieve plannen; men verbreedde en versterkte slechts het front. In de avond van 10 mei kreeg men 6./IR.72, dat het front westwaarts verbreedde, terwijl 12./IR.16 voor de algehele vuursteun werd opgesteld [410]. Men bleef echter nadrukkelijk spreken van een nauwe ring (smal front) aan Duitse kant [410], zodat het aannemelijk is dat de linkerkant in de ochtend van 11 mei niet breder was dan de Rijnhaven-/Wilhelminakade, waar de HAL terminal was gelegen. Op 11 mei werd 10./IR.16 naar die linkerzijde van het front gedirigeerd [411]. In de ochtend van 11 mei kreeg III./IR.16 bovendien 2./IR.16 toegewezen als extra versterking, welke naar de rechterzijde werd gebracht om daar in de wijk Feijenoord de meander in de rivier te beveiligen [411]. 6./IR.72 kwam op 11 mei niet terug in de bevelen (en verslagen) van IR.16 en kreeg vermoedelijk opdracht het front noordwestwaarts te verbreden. In de memoires van Student [500] wordt dit slechts uitdrukkelijk bevestigd voor 1./IR.72, dat men naar Hoogvliet dirigeerde, maar voor de ‘tweede’ compagnie van IR.72 [6./IR.72; de rest van het ingevlogen deel van IR.72 landde pas op 12 mei] die voorhanden was werd slechts in algemene zin gesteld dat het voor het westen van IJsselmonde beschikbaar was. Zoals in de vorige fase al besproken is onduidelijk of daarmee de omgeving van (het dorp) Pernis werd bedoeld of een bezetting ten westen van de Maashaven in Charlois. De bezetting van het noordelijke bruggenhoofd, het Noordereiland en het front in Rotterdam zuid [tussen stadion Feijenoord op rechts en de Wilhelminakade op links] zou daarmee neerkomen op het gehele III./IR.16, 2./IR.16, 6./IR.72, een half peloton parachutisten, een halve compagnie pioniers alsmede enige ondersteuningswapens van de divisie en het regiment. Daarbij is zoals gezegd de verlengde aanwezigheid binnen voornoemde sector van 6./IR.72 op 11 mei uiterst onzeker. Het kwam er echter op neer dat het gehele Duitse bruggenhoofd in Rotterdam een bezetting kende van maximaal zo’n 800 gevechtsgerede manschappen. Bij lange na niet de vaak in Nederlandse geschiedenisboeken gepretendeerde ‘1.000 man' waarvan bovendien regelmatig wordt gesteld dat die zich in hoofdzaak op het Noordereiland bevonden. Daar was geen sprake van.

[De bronnen vindt u hier