Alblasserwaard - 1e fase

Inleiding

In de avond van 10 mei kwam geleidelijk de uit Noord-Brabant verplaatste Lichte Divisie in de Alblasserwaard aan. In de middag van diezelfde dag was de divisie geïnstrueerd om na een overgang over de Noord te hebben geforceerd door te stoten tot onder Rotterdam en daar het door de Duitsers bezette vliegveld Waalhaven te hernemen. Daartoe zou de divisie reeds rond 0200 uur [11 mei] tegen Waalhaven aan moeten liggen.

In de avond van 10 mei – het was reeds donker – had de C-Lichte Divisie [Kolonel H.C. van der Bijl] te Alblasserdam de situatie aan de Noord in zich opgenomen. Een melding van de plaatselijke veldwachter en nadien de brugwachter dat in de middag Duitse verkenners waren waargenomen aan de westzijde van de brug, was voldoende voor de kolonel om de oversteek uit te stellen tot de volgende morgen. Daarbij was tevens de overweging geweest dat zijn divisie nog verre van gereed was voor een offensieve beweging, daar diverse onderdelen nog op verplaatsing waren naar het westen van de Alblasserwaard. Deze zaak en de curieuze besluitvorming bij C-LD is al bij de bespreking van de gebeurtenissen op 10 mei over het voetlicht gebracht. Hieronder wordt uitgebreid besproken hoe de divisie op 11 mei opereerde.

De status van de eenheden in de Alblasserwaard

Nadat in de late avond van 10 mei het besluit was genomen geen overgang over de brug over de Noord te forceren, werd aan een ander deel van de instructies aan C-LD – namelijk het afstaan van een bataljon aan het kantonnement Dordrecht – voldaan door III-2.RW via het veer bij Papendrecht over te zetten naar de laatstgenoemde stad. Het bataljon was als eerste aangekomen te Alblasserdam en had uitstekend kunnen worden ingezet om direct een overval op de brug te plegen. Maar daarvoor koos de C-LD dus niet. De 3e bataljons van beide regimenten wielrijders waren kort voor de meidagen toegevoegd aan de regimenten. Ze waren organiek licht afwijkend van de vier andere bataljons, onder meer doordat ze met Vickers in plaats van Schwarzlose mitrailleurs waren uitgerust, wat overigens geen verzwakking betekende. Voornamer was dat het kader nog onvolledig was en sommige eenheden onder sterkte waren en bovendien veel matig opgeleide recruten in de gelederen hadden. In elk geval werd voor de inzet langs de Noord III-2.RW afgevoerd van de aanwezige sterkte.

Stafkaart Alblasserdam

[106] Daarnaast ontbrak II-1.RW nog aan de sterkte. Deze eenheid was als laatste vertrokken uit Noord-Brabant (omgeving Heeze). Bovendien ontbraken nog twee compagnieën die operationele taken hadden gehad in Brabant toen het evacuatiebevel was gegeven. Het betrof 1-I-1.RW en 2-I-2.RW.

[103a] 1-I-1.RW was op 10 mei gelegerd te Baexem, achter de sector Roermond in de Maaslinie. Het diende na het uitbreken van de vijandelijkheden direct op haar bataljon terug te keren (Eindhoven). De compagnie was echter slachtoffer van alle vernielingen die reeds in de eerste uren werden uitgevoerd tussen de Maaslinie en de Peel-Raamstelling. Het werd zelfs opgesplitst toen het onderweg een half vernielde brug [over het kanaal van Nederweert] passeerde en de ter plaatse met vernieling belaste pioniers de oversteek onderbraken met de mededeling dat de brug zonder omhaal vernield moest worden. Het nog op de verkeerde oever verkerende deel van de compagnie kon toen weer op zoek naar een alternatieve oversteekplaats, die kilometers verderop werd gevonden. Bij deze uiterst ongelukkig gang van zaken – wederom een sprekend voorbeeld van het ontbrekende integrale beleid bij de veldleger eenheden [in casu C-LD en C-Peeldivisie, beide op de hoogte van de nieuwe strategie sinds eind maart 1940] – verloor de compagnie een deel van haar treinmaterieel. Nadat in de loop van de ochtend de compagnie weer herenigd was, stuitte men op vernielde bruggen over de Zuid-Willemsvaart. Dat werd opgelost door twee schepen naast elkaar te plaatsen en zodoende over te steken. Na deze logistieke uitdagingen slaagde men er alsnog in contact te verkrijgen met het regiment en kreeg men opdracht naar Loon op Zand te marcheren. Vandaar trok de compagnie naar Waalwijk, waar bij Drongelen in de avond de Maas werd overgestoken. Te Eethen werd de nacht doorgebracht. In de vroege morgen van de 11e mei is de compagnie eerste de afgedamde Maas over gegaan en vervolgens bij Brakel overgezet en naar Gorinchem gegaan. Bizar genoeg werd de pontonbrug bij Brakel vernield terwijl nog niet alle manschappen waren overgezet, zodat een sectiesterkte moest achterblijven. Pas rond 1500 uur in de middag werd bericht ontvangen dat het bataljon zich vermoedelijk bij Alblasserdam zou bevinden, waarop de mars werd voortgezet. Tegen de avondschemering kwam men aldus in Bleskensgraaf aan. Daar kon de verbindingsafdeling van de LD de compagniescommandant [reserve kapitein W.J.M. Jacobs] niet inlichten waar zijn bataljon zich bevond. De compagnie had twee volle dagen mars achter de rug en maakte gretig gebruik aan het gebrek aan orde bij de LD. De volgende dag – 12 mei – zou zij pas worden ingezet, als beveiliging van de Noord te Alblasserdam.  

Lichte Divisie aan de Noord - 11 mei

[104a] 2-I-2.RW was op 10 mei te Blerick gelegerd, achter de Maas te Venlo. De compagnie had daar taken in het rijden van grenspatrouilles. Het was net als 1-I-1.RW onder orders onmiddellijk bij uitbreken van de vijandelijkheden terug naar haar bataljon te keren, dat bij Oirschot was gelegerd. In de ochtend van de 10e mei was de compagnie weliswaar door de staf Peeldivisie geïnformeerd dat de hoogste gevechtsgereedheid gold voor de nacht, maar twee van haar secties hadden patrouilletaken langs de oostzijde van de Maas en konden zich niet direct aansluiten. Zodoende werd met slechts de helft van de compagnie afgemarcheerd richting Oirschot. De twee secties sloten zich later weer aan bij de compagnie. Via Keizersveer stak men de Maas over en werd de compagnie onder Gorinchem overgezet over de Merwede waarna men overnachtte te Schelluinen. Aldaar sneuvelde de korporaal J.J. Schellekens door paniekerig eigen vuur bij een wachtdienst. In de ochtend vertrok de compagnie richting Sliedrecht, alwaar men opdracht kreeg naar Alblasserdam te vertrekken. Het was intussen reeds middag, 11 mei.

Voor de voorgenomen aanval op Waalhaven waren dus bij lange na geen twee regimenten Wielrijders beschikbaar. Twee gehele bataljons ontbraken alsmede twee compagnieën. Daarmee was de infanteriesterkte van de LD al teruggebracht tot 3 ½ bataljon, ofwel iets meer dan één regiment. En ook van die eenheden ontbraken secties, wegens alom verlangde beveiligingsdiensten van kwartieren en treinen. Daarnaast waren er meer onderdelen van de divisie die ontbraken. Zoals bekend waren de pantserwagens, 6-veld batterijen en een regiment huzaren motorrijders al tijdens de mobilisatieperiode aan de divisie onttrokken. Dat was ook het geval geweest voor de beide afdelingen 7-veld, maar deze waren weer toegevoegd in april 1940 en bovendien vlak voor de meidagen volledig gemotoriseerd. Maar door de inzet van 2.RHM op de 10e mei bij Mill, ontbrak dit onderdeel op 11 mei nog bij Alblasserdam. Tot slot waren er enkele minder belangrijke staf- en ondersteuningseenheden niet bij de divisie (her)aangesloten, meestal omdat zij verkeerde routes gevolgd hadden, maar in geval van het divisiedetachement Politietroepen en enige kwartiermakers, omdat zij nog de routes volgden die waren opgegeven vanuit het oorspronkelijke marsbevel in de ochtend van de 10e mei. Een aanzienlijk deel van deze ‘verdwaalde’ eenheden maakte op 11 mei weer contact met de divisie.

[106] Een en ander betekende dat op 11 mei in de vroege ochtend C-LD – qua gevechtseenheden – de beschikking had over I-1.RW (min 1./), III-1.RW, I-2.RW [min 2./) en II-2.RW alsmede de vier batterijen 7-veld van het KRA, hoewel die in de sector Oud-Alblas / Bleskensgraaf in marsopstellingen nog ruim achter de infanterie verkeerden.

[106] Te Oud Alblas werd in het gemeentehuis de commandopost van de Lichte Divisie ingericht. Van daaruit was er een werkende verbinding met het noordwesten van het land, wat voor de commandovoering in die zin van groot belang was, dat men sinds 1700 uur [10 mei] onder de C-VH ressorteerde.  De Afzonderlijke Staf bevond zich in eerste instantie te Ottoland, maar werd gedurende de nacht aangetrokken naar Oud Alblas.

De planning van een aanval over de Noord

[1, 106] De brugwachter van de grote verkeersbrug tussen Hendrik Ido Ambacht en Alblasserdam had kolonel Van der Bijl in de late avond van 10 mei [rond 2200 uur] geïnstrueerd dat hij rond 1830 uur een (gevorderde) auto met enige Duitsers bij de brug had waargenomen, die een uur eerder ook al was geweest. Deze keer waren de Duitsers uitgestapt en hadden onder de brug gekeken en waren daar – volgens de brugwachter – met kabels in de weer geweest, terwijl het leek of zij wat bevestigden. Bovendien had een aantal Duitse militairen vanaf de overzijde de brugwachter gesommeerd de brugklep (die aan – en naar – de westzijde geheven werd) te doen laten zakken, wat geweigerd was. De Duitsers waren daarop vertrokken.

[106] Zekerheid omtrent wat de brugwachter aan de kolonel meldde is er niet, maar duidelijk is dat zijdens de staf LD op basis van de mededelingen van de brugwachter rekening werd gehouden met een Duitse bezetting én ondermijning van de brug. Door een veldwachter zou de Duitse bezetting op 200 a 300 man zijn geschat, wat bij kolonel Van der Bijl niet naliet een indruk achter te laten. In feite was de situatie geheel anders op dat moment.

[411] Door het deels in het honderd gelopen landingsschema voor Waalhaven, was een voor Ridderkerk en Hendrik Ido Ambacht bedoeld Duits detachement op 10 mei nog niet aan de Noord verschenen. Zij hadden – twee groepen met een Funktrupp versterkt – luister- en voorposten moeten vormen voor de beveiliging van de noordoost zijde van IJsselmonde. Zoals al besproken, was het de Duitsers immers onbekend dat de brug bij Alblasserdam bestond. Dat die bestond werd om 1830 uur gemeld op het hoofdkwartier van IR.16 te Hordijk, en dat was vastgesteld door militairen van één peloton van 6./IR.16 dat naar Ridderkerk en Hendrik Ido Ambacht was gestuurd met gevorderde voertuigen. Het ging om in totaal zo’n 30 militairen, zonder enige ondersteunende wapens anders dan een twee- of drietal lichte mitrailleurs. Het gros hunner was in Ridderkerk gebleven, terwijl slechts een groep naar Hendrik Ido Ambacht was gegaan om dat te verkennen. Na de ontdekking van de brug werd in eerste instantie aan Duitse kant nog steeds lauw gereageerd. Een stukgroep met een PAK werd naar Hendrik Ido Ambacht gestuurd, maar daar bleef het bij. Tot ruim na het middernachtelijk uur was de gehele westzijde van de Noord beveiligd door een Duitse peloton luchtlandingstroepen met welgeteld één antitank vuurmond.

[106] Kolonel Van der Bijl beging echter zijn grootste tactische blunder van de meidagen. Hij besloot de volgende dag af te wachten om in alle rust een aanval voor te kunnen bereiden. Een stoutmoedige poging met enig ondersteuningsvuur in de donkere uren over de brug te stormen achtte hij te risicovol. Het beschikbare III-2.RW had uitstekend binnen afzienbare tijd een dergelijke actie kunnen ondernemen. De kolonel zijn gehele inschatting van de zaak was echter louter gebaseerd op de melding van de brug- en de veldwachter. Daarbij was het besluit tot uitstel een direct failliet van het gehele aanvalsplan richting Waalhaven. Dat de kolonel overwoog de aanval uit te stellen, zonder zelf de sterkte van de Duitsers te hebben getoetst, was hem zeer kwalijk te nemen. Dat vonden de naoorlogse onderzoekers ook.  

[411] Terwijl kolonel Van der Bijl zijn plannen wijzigde, kwamen steeds meer verbanden van de Lichte Divisie aan in Alblasserdam. En aangezien de divisie deels gemotoriseerd was, maakte die aankomst ruim voldoende motorgeluiden om de Duitse luisterposten in Hendrik Ido Ambacht en Ridderkerk te waarschuwen. Enkele malen rapporteerden zij aan Hordijk dat constant geluiden van motoren te horen waren en er dus Nederlandse militairen aan de oostzijde van de Noord moesten zijn gearriveerd. Al rond 2200 uur werd de eerste melding door Oberleutnant Brückner [6./IR.16] gedaan en nadien volgden er nog enkele. Kort na middernacht besloot Oberst Kreysing, de commandant van IR.16, in samenspraak met Generalleutnant Kurt Student om de posities langs de Noord aanzienlijk te versterken. Er werd ongeveer anderhalve compagnie toegevoegd aan de sterkte bij de brug. Het regimentsverslag gaf aan dat geheel II./IR.16 naar Hendrik Ido Ambacht werd gestuurd, maar dat is feitelijk onjuist. Er werd wel een tweede peloton van 6./IR.16 (het derde peloton bleef bij de brug te Barendrecht liggen) gestuurd, samen met 5./IR.16. 7./IR.16 lag (samen met enige pioniers) reeds sinds de vorige dag verspreid over de gehele sector tussen Sofia Polder en Zwijndrecht ter beveiliging van de Oude Maas oever en bleef daar liggen en 8./IR.16 is vooralsnog ontraceerbaar, zelfs op positiekaarten van IR.16. Aan de ongeveer twee compagnieën sterkte werd voorts schaarse artillerie toegevoegd. In de nacht van 10 op 11 mei 1940 had het gehele Duitse bruggenhoofd onder Rotterdam nog slechts de beschikking over vier vuurmonden van de Fallschirmjäger Batterie 7 en vier van de tot dan toe enige gelande batterij van AR.22, 4./AR.22. Die vier vuurmonden van 4./AR.22 werden eveneens naar het noordoosten gestuurd.

[411] Die Duitse eenheden ontplooiden zich als volgt (van zuid naar noord). Tussen Zwijndrecht en Hendrik Ido Ambacht [HIO] werd een dun scherm gevormd door het daar al sinds de middag van 10 mei liggende 7./IR.16, versterkt met een groep pioniers. Tegenover de Sofia Polder (het eiland in de Noord tussen Papendrecht en HIO) werd een PAK in stelling gebracht, omdat daar oversteekmogelijkheden voor de Nederlanders werden gezien. Aan weerszijde van de brugoprit te HIO werd (in totaal) één peloton van 6./IR.16 geposteerd, met ten zuidwesten van de brug langs de Pruimendijk het tweede beschikbare peloton van die compagnie, waarbij tevens de CP van C-II./IR.16, die als sectorcommandant fungeerde, werd gevestigd. Achter die positie werd langs het Waaltje een tweetal PAKs in stelling gebracht, kennelijk uit vrees voor een maritieme ‘handstreich’ door de Nederlanders. Aan het westelijke einde van de autoweg, waar deze met de oude autoweg Zwijndrecht – Rotterdam kruiste (bij het gehucht De Heul), werden de vier 7,5 cm houwitsers van 4./AR.22 opgesteld met schootsrichting naar de brug. Tussen de autoweg en Slikkerveer werd 5./IR.16 ontplooid, met posities ten zuidoosten van Ridderkerk (versterkt met een PAK), bij het veer te Ridderkerk (versterkt met twee PAKs) en bij Slikkerveer zelf (versterkt met twee PAKs). Voorts verzorgde 5./IR.16 mobiele patrouilles langs de Maas tot aan (het dorp) IJsselmonde.

Deze Duitse dispositie - die vrij gedetailleerd in het krijgsverslag van IR.16 [411] wordt gegeven én geschetst - lijkt echter een samenvatting van de maatregelen die gedurende de gehele 11e mei werden genomen. Er is alle aanleiding aan te nemen dat de posities van 7./IR.16 tegenover Sofia Polder en de positie van een mitrailleurgroep van 6./IR.16 zuidwest van Oostendam, pas later op de 11e mei werden ingenomen. Voor de laatste positie is dit in feite wel zeker, omdat - zoals zal worden gezien - een Nederlandse patrouille aldaar tot diep in de ochtend een positie zou innemen en geen Duitser op korte afstand ontmoette. Voor de positie van een PAK en een mitrailleurgroep van 7./IR.16 tegenover Sofiapolder lijkt het bezwaar evenzo dat zij dan zonder enige twijfel op het verband Lampe (zie later in detail beschreven) hadden moeten stuiten. De posities van 5./IR.16 bij Ridderkerk, van 6./IR16 bij de brug en van 4./AR.22 zijn echter verifieerbaar juist weergegeven in het Duitse rapport. De andere maatregelen zullen vermoedelijk naar aanleiding van de Nederlandse landingen zijn genomen en dus niet opgaan voor de situatie in de ochtend van 11 mei toen twee Nederlandse patrouilles aan weerszijde van de brug op de westoever landden.  

[411] Het Duitse dispositief was dus sterk opgerekt over een afstand van zo’n tien kilometer. Daarin bevonden zich troepen ter sterkte van nog geen drie compagnieën. Ten opzichte van de Nederlandse plannen – die hieronder besproken zullen worden – betekende het zelfs dat in eerste instantie slechts troepen ter sterkte van zo’n twee pelotons ondersteund door slechts één PAK en op enige afstand de batterij houwitsers de oppositie vormden rond de brug. Anderzijds had deze bescheiden verdediging het voordeel dat de polders aan beide zijden van de brug en autoweg voor ontplooiing van aanvalstroepen ongeschikt waren en de aanvaller zijn hoofdaanval dus te allen tijde langs de autoweg zou moeten voeren of anders zware verliezen voor lief zou moeten nemen. In dat opzicht had C-II./IR.16 zijn troepen uitmuntend ontplooid. Alle naderingen van de sector waren door PAK afgesloten en de troepen waren zo ontplooid dat zij in feite iedere landing vanuit tenminste één punt zouden kunnen waarnemen en – in het volstrekt open (met uitzondering van een klein perceel bij de Oude Molen), vlakke en door sloten doorsneden landschap – eenvoudig zouden kunnen afwijzen.

[1, 106] Nadat het plan om nog op de 10e mei de Noord over te steken rond 2200 uur was afgeblazen, diende een nieuw plan te worden ontwikkeld. Hiervan deed de kolonel Van der Bijl telefonisch aan de C-VH verslag. En generaal Van Andel aanvaardde de uitleg van de kolonel. Vervolgens werd te Oud-Alblas krijgsoverleg gevoerd en een nieuw aanvalsplan ontwikkeld dat bij het krieken van de nieuwe dag tot uitvoer zou moeten komen. De voor de aanval op Waalhaven gevormde linker en rechter marsgroep, respectievelijk onder de luitenant-kolonels H. Mijsberg [C-2.RW] en R.O. van Gennep [C-1.RW], ontvingen nieuwe bevelen. De overste Mijsberg per telefoon (van de chef-staf majoor J.E. Coers) en de (reserve) overste Van Gennep fysiek te Oud-Alblas. Het bevel aan de beide eenheden was als volgt [citaat uit verslag C-1.RW [1, 103]

   1. De brug bij Alblasserdam is door vijand bezet.
   2. 1 en 2.RW zullen de Noord met eigen middelen overschrijden in een vak tussen Kinderdijk en Hendrik Ido Ambacht, 1.RW re.(chts) en 2.RW li.(nks). Scheidingslijn door de P.(rotestante) Kerk te Alblasserdam noord van de uitmonding van de Graafstroom
   3. Bovendien komt ter beschikking van ieder regiment een peloton van de Comp.Pont. Lt.D.
   4. I-KRA zal 1.RW steunen.
   5. Aangezien II-1.RW nog niet ter plaatse is, wordt dit bataljon divisiereserve.

Ter nadere duiding van het bevel de volgende aanvulling. Het overschrijden met eigen middelen was voor de LD geen uitnodiging de plaatselijke kanovereniging van haar materiaal te ontdoen, maar een verwijzing naar de aanwezigheid van de organieke ATOS boten, waarvan ieder bataljon er organiek zes had, maar waarvan de aanwezigheid van in totaal slechts twaalf stuks met zekerheid is te geven. Deze snel vaargereed te maken oversteekmiddelen konden 6-8 man met rijwiel en uitrusting of tien man zonder fiets overvaren, exclusief een bemanning van drie man. De compagnie pontonniers van de divisie had bovendien de beschikking over op vrachtwagen vervoerde pontonboten, zes stuks per peloton. Deze grote boten konden vrijwel een gehele sectie overvaren zonder rijwielen of een groep met rijwielen. Aan elkaar gekoppeld konden twee pontonboten een stuk PAG overvaren. Ten aanzien van het riviertje de Graafstroom zij opgemerkt dat deze in feite bij Alblasserdam als de Alblas bekend was en bij de voornoemde stad in de Noord stroomde.

[1, 106] De oorspronkelijk rechter marsgroep (1.RW) zou dus rechts van de Alblas (of Graafstroom) optreden en 2.RW links daarvan. Zodoende werd door C-1.RW bepaald dat I-1.RW(min 1./)  rechts [pontveer Kinderdijk – Ridderkerk] en III-1.RW links zou optreden. 2.RW werd links (zuid) van de Alblas ontplooid, en zodoende door C-2.RW bepaald dat II-2.RW rechts direct tegenover de verkeersbrug, en I-2.RW (min. 2./) ten zuiden daarvan in een sector tot aan het eiland Sofiapolder zou optreden. [106, 145] I-KRA zou achter Alblasserdam een tweetal batterijstellingen innemen, maar de Afdeling was hopeloos vertraagd en raakte in het donker zelfs drie voertuigen [keukenwagen en twee lichte munitiewagens] en een munitiecaisson kwijt, doordat die van de dijk ten oosten van Bleskensgraaf [Ottoland] in het water van het riviertje schoven. [145] De nieuwe bevelen had de Afdelingscommandant [majoor W.W.B. Halbertsma] nog niet gekregen, dus reed deze volgens het oude bevel door naar Alblasserdam. Daar vond hij niemand van het regiment en besloot daarom terug te rijden naar Oud-Alblas, waar zijn Afdeling in afwachting van nadere bevelen stond opgesteld. Pas om 0900 uur werden de batterijen op een positie 400 m ten oosten van de Protestantse Kerk opgesteld, langs de weg die (tegenwoordig) Kortland heet. Dat was al ruim na de aanval over de Noord. II-KRA was op dat moment nog onder Bleskensgraaf en daarom in het geheel niet in staat een aanval te ondersteunen. De aanval over de Noord – gepland aan te vangen kort na zonsopkomst – zou het dus zonder artillerie ondersteuning moeten doen.

Zo was de ontplooiing van de Lichte Divisie – die zoals gezegd goed hoorbaar was aan de overzijde van de rivier – volop gaande gedurende de nacht. Bij elkaar werden de ruim drie bataljons gereedgesteld voor offensieve actie langs vrijwel de gehele rivier. Daarbij zou weliswaar artilleriesteun ontbreken, maar PAG en mortieren alsmede talloze zware mitrailleurs waren voorhanden. Een groot gevaar was echter dat de Lichte Divisie in het geheel niet over luchtafweer beschikte en in de gehele regio iedere vorm van zelfstandige luchtafweer eveneens ontbrak. Met de lintontplooiing langs de open rivieroever – en het vooruitzicht na een onverhoopt geslaagde oversteek een uitgestrekt open gebied te moeten overschrijden – moet dat de plaatselijke commandanten grote zorgen hebben gebaard. Het was echter niet anders. 

De aanvalsopzet

[104, 104b] De aanval over de Noord zou in eerste instantie vooral door II-2.RW worden ontwikkeld. Dat bataljon was kort voor middernacht in haar posities gekomen bij Alblasserdam, met 1-II [C. reserve kapitein J.G.J. Zwarts] zuid en 3-II [C. reserve kapitein H.J. Belleman] noord van de brugoprit. 2-II werd in reserve gehouden ten oosten van de brug. Beide compagnieën bij de brug hadden een sectie zware mitrailleurs als ondersteuning. Aan weerszijde zouden de beide (voor)compagnieën een verband in Atos-boten naar de overzijde sturen. Die verbanden, elk niet groter dan twee groepen en geleid door een luitenant, kregen wel erg ambitieuze opdrachten mee. De BC [majoor J. de Bie] had van de C-2.RW [overste H. Mijsberg] de opdracht gekregen de brug te heroveren. De BC vertaalde die opdracht naar zijn beide CC’n van 1-II en 3-II zodanig, dat men rekening moest houden met vijand ter sterkte van een sectie en dat deze de brug mogelijk aan HIO zijde had ondermijnd. Na een (door de CC’n uit te werken) amfibische landing aan beide zijden van de brug diende men de bezetting uit te schakelen, de brug op explosieven te controleren – en bij aanwezigheid ervan deze weg te nemen – en vervolgens het neerlaten van de brugklap mogelijk maken zodat de hoofdmacht [van de 1e en 3e Compagnie] over de brug kon doorstoten tot aan IJsselmondse zijde.

Actie over de Noord

[104b] De reserve 1e luitenant D.J. Boerman [C. 1e sie] leidde het zuidelijke amfibische verband van 1-II. Zijn CC gaf hem de opdracht mee ‘de vijand te vernietigen, na te zien of de brug met springstoffen was geladen, deze te verwijderen en zodoende een overtocht over de brug mogelijk maken’. De luitenant besloot met zijn beide boten met daarin twee van zijn drie mitrailleurgroepen over te steken bij het kleine haventje onder de brug [lijn recht tegenover de watertoren te HIO t.h.v. pl 122]. Pal daar tegenover was de Bospolder, een open met gras begroeide polder omzoomd door een smalle dijk. Men zou via de dijk richting Oostendam trekken en aldus de brugoprit vanuit het zuiden benaderen.    

[104b] De reserve 1e luitenant L. Falkenburg [C. 2e sie] leidde het verband van 3-II en kreeg identieke bevelen van zijn CC. De luitenants beschikten over ieder twee Atos-boten en twee lichte mitrailleursgroepen en de manschappen waren voorzien van handgranaten. Zijn sectie werd naar de haven gebracht onder de monding van de Alblas. Daar waren twee Atos-boten afgeleverd. Twee groepen [elk met een Lewis lichte mitrailleur] zouden daarin plaatsnemen en de derde groep [onder korporaal Kok] zou vanuit de uiterste zuidelijke punt in de haven vuursteun geven als daaraan behoefte was. Bedoeling was recht over te steken en in de Oude Bos Polder te landen en dan over te steken over een smal doch lastige brede sloot die de Polder omzoomde. Zodoende zou men vlakbij de brugoprit komen en van daaruit ontplooien om de missie tot uitvoering te brengen.

[104] Het was de bedoeling dat beide verbanden door twee volledige secties zouden worden uitgevoerd, maar men had slechts vier Atos-boten voor de beide compagnieën in totaal voorhanden. Dat betekende dat slechts vier groepen van 12-13 man en twee commandanten naar de overkant konden gaan. De verbanden bestonden dus uit zo’n 27 man elk. Men wilde gebruik maken van het duister om aan de overzijde te komen, zodat er onopgemerkt zou kunnen worden overgestoken.

Dit plan was op zichzelf beslist niet slecht ontworpen. Maar dat gold wel voor de landcomponent. Een amfibische actie is altijd risicovol, zeker voor de troepen die de amfibische component zelf vormen. Dat betekent dat een ondersteuningscomponent onderdeel van het plan moest zijn. [104b] Zodoende was de mortiersectie [sie Mr II-2.RW, C. reserve 1e luitenant G.H. Hentzepeper] – bestaande uit twee stukken – opgesteld achter een rij huizen die op de kop van de haven (ten noorden van de brug) stond. Daarmee stond men bijna in het verlengde van de brug. De sectie MC [onder vaandrig O.J.E. Steenbeek] die bij 3-II was ingedeeld, stond ten noorden van de haven opgesteld, de sectie MC [onder reserve 1e luitenant C.F.F. Rinia van Nauta] bij 1-II bij de watertoren aan Alblasserdamse zijde, welke in de winkelhaak van de Hooge Dijk stond. Alleen de sectie bij de haven zou vuur op de brugoprit aan westzijde van de Noord kunnen uitbrengen. De sectie MC bij de watertoren had een zeer beperkte ondersteunende capaciteit en kon slechts een bedreigde landingszone van de zuidelijke amfibische groep onder vuur nemen. Nadien zouden dijken en huizen het schootsveld minimaliseren.  [104b] De compagnie PAG [C. reserve 1e luitenant J.G. Buddingh de Voogt] werd defensief opgesteld. Een sectie werd onder het viaduct geplaatst als reserve – samen met de rest van de MC – en de andere sectie verdeeld over het viaduct (de brugoprit dekkende) en de weg over de dijk richting Papendrecht, waar men kennelijk vijand vandaan verwachte.

Al met al was de ondersteuning voor de amfibische verbanden dus minimaal – te meer daar artilleriesteun niet voorhanden zou zijn. Men zou offensief slechts met twee mortieren vuursteun kunnen geven, waarbij zichtvuur slechts zeer beperkt zou kunnen worden gegeven. Waarnemers waren niet bij de amfibische teams voorhanden. De mitrailleurs konden slechts zeer beperkt vuurdekking geven. In feite was die steun zelfs alleen aan de orde voor de directe landingssectoren. Dieper ondersteuningsvuur was wegens dijken en bebouwing haast niet aan te bieden door de secties MC, zeker niet voor de sectie die bij de watertoren was opgesteld. Het was buitengewoon jammer dat men de meest cruciale actie – die aan weerszijde van de brug – niet had voorzien van bijvoorbeeld tenminste een extra sectie mortieren, om de zuidelijke groep vuursteun te kunnen verlenen of om een effectief uitwerkingsvuur op de brugoprit aan de westzijde te kunnen afgeven. Het was minstens zo te betreuren dat - door toedoen van de regimentscommandant overste Mijsberg [104] - niet eens een batterij 7-veld beschikbaar kon worden gemaakt om onmiddellijk te kunnen interveniëren als de amfibische component in gevaar zou komen. Hoewel duidelijk uit de planning van de operatie blijkt dat de Lichte Divisie juist voor dit soort operaties bestaansrecht had, was de dynamiek die de divisiestaf toonde snel te manoeuvreren met vuursteun verlenende eenheden ronduit teleurstellend. Het betekende in elk geval dat de gedurfde amfibische operatie wel een heel ideaal verloop zou moeten kennen wilde het de beoogde resultaten bereiken. Het is echter zeer verleidelijk te concluderen dat juist het optimisme en de onderschatting – op zichzelf al zo opvallend contrasterend met het eerdere besluit de vorige avond om niet direct met III-2.RW handelend op te treden – een betere organisatie van de vuursteun als overbodig had doen gelden. Dat dit besluit in feite geheel en alleen voor rekening kwam van overste Mijsberg, die vreesde dat de artillerie gevaarlijk zou kunnen worden voor de beide aan weerszijde van de westelijke brugoprit opererende groepen [104, 145], dient overigens te worden toegevoegd.

De vuursteun voor de beide amfibische groepen was dus minimaal. Het plan dat was ontwikkeld, was daarentegen ambitieus, zoals al gememoreerd. Te meer daar men de tegenstander – in tegenstelling tot de vorige avond – volkomen onderschatte en dacht dat deze nog steeds met slechts circa een sectiesterkte geconcentreerd bij de brug lag. Dat dit alles behalve accurate informatie was, zou spoedig blijken. Hoe zich dit vertaalde naar daden, wordt hieronder per fase van de operatie behandeld.

De oversteek van de rechter aanvalsgroep

[104b] De rechter aanvalsgroep [3-II] werd zoals gezegd geleid door de luitenant Falkenburg en bestond uit twee lichte mitrailleurgroepen onder de sergeanten Dekker en De Wijk. In het schemerdonker bemande men de boten en voer tussen 0330 en 0345 uur af om zonder enig probleem de overzijde te bereiken. De luitenant liet de beide boten vast op de oever trekken, zodat deze niet door de stroming konden worden meegevoerd. Vervolgens trok de luitenant zelf naar de dijk aan de Kleine Noord (die verder westelijk als ’t Waaltje bekend is). Hij ontwaarde direct grote uitdagingen voor zijn team, daar brede sloten en het moerassige gebied direct west van de Oude Bospolder een eenvoudige benadering van de brugsector ernstig belemmerden, te meer daar het tussenliggende terrein geheel vlak en open was. Spoedig volgde bovendien ontdekking door de Duitsers, die zich nabij de oprit van de brug hadden ingegraven. Sporadisch vuur werd de polder in gejaagd, wat de aanvalsgroep in dekking dwong. Daarop liet de luitenant groepjes van drie man sprongsgewijs voorwaarts gaan richting een grassig dijkje dat langs de Kleine Noord lag. Zonder kleerscheuren wist uiteindelijk iedereen die lage dekking te bereiken. Vanaf dat moment kwamen er echter steeds meer kinken in de kabel. Vastgesteld werd dat twee Duits mitrailleuropstellingen aan de noordzijde van de brugoprit waren ingegraven. Het bestrijden van die beide posities zou levensgevaarlijk zijn omdat de lage zachte dijk ruim onvoldoende dekking bood.

De Nederlanders waren vooraf geïnstrueerd dat er slechts Duitse troepen bij de brugoprit lagen. Hoe men met zoveel zekerheid dergelijke aannames kon doen, en dus zich totaal niet voorbereide op mogelijk een veel intensievere vijandelijke ontplooiing, was slechts weer één van de symptomen van een zwakke militaire opleiding en een totaal gebrek aan praktische oorlogservaring in het Nederlandse leger. [411] Zoals eerder beschreven hadden de Duitsers gedurende de late avond en nacht versterking toegestuurd naar de Noord. Zo was 5./IR.16 aan weerszijde van Ridderkerk en Slikkerveer in positie gekomen om zodoende Nederlandse actie tegenover Kinderdijk te kunnen afwijzen. Van 6./IR.16 waren twee mitrailleurgroepen aan de zuidzijde van het veerpunt bij Ridderkerk opgesteld. Die hadden een uitstekend schootsveld op het noordelijke deel van de Oude Bospolder en het Wilgenbosch (dat ten noordwesten van de Oude Bospolder lag). Bovendien was een PAK opstelling op de Molendijk ingericht. Die drie posities zouden de gelande Nederlanders spoedig parten gaan spelen.

Brug Alblasserdam

Toen het vuur op de nauwelijks dekking biedende grasdijk bleef vallen, en daarbij al snel twee soldaten ernstig gewond raakten [soldaat Gerard van Dorth door een schot in de borst en soldaat David Rijkens met een buikschot; beiden overleden die dag nog ter plaatse], realiseerde de luitenant zich dat hij vuursteun nodig had. Een UKG toestel om zulks op afstand aan te vragen was niet voorhanden en optische middelen ontbraken evenzo. Daarop besloot de luitenant zich naar enkele huizen in het gehucht Oude Molen te begeven die enige honderden meters ten noordwesten van de landingsplaats lagen. Hij wilde daar telefonisch contact maken met de oostzijde. De luitenant gaf het commando over aan de sergeant Dekker, instrueerde hem om de gewonden een klein stuk naar achteren te brengen en onder enige knotwilgen te doen neerleggen en vertrok. Maar na zo’n 50 meter werd hij bij een sprong over een sloot, waarbij hij zich even bloot moest geven, getroffen door twee kogels in de linkerschouder. Dat vuur kwam uit het noorden, waarop de luitenant desondanks in de veronderstelling kwam door eigen troepen (overzijde Noord) te worden beschoten. Omdat hij zich realiseerde zijn leven en dus dat van zijn mannen in de waagschaal te leggen door desondanks de paar honderd meter naar de woningen te overbruggen, besloot hij naar de Noord-oever te gaan en met stem en gebaar duidelijk te maken dat versterking nodig zou zijn. Dat die onmogelijk aangevoerd zou kunnen worden zonder boten – want die waren immers al gebruikt (en de rest was elders gedistribueerd) – en met een waakzame tegenstander om een oversteek krachtig te bestrijden, zal de luitenant zich niet hebben gerealiseerd. Veel erger was dat zijn wilde handgebaren inderdaad eigen vuur uitlokten van de Alblasserdamse zijde. Dat had echter ook een voordeel, omdat de Duitsers bij het Ridderkerkse veer als antwoord een duel aangingen met de Nederlandse vuurpunten bij de haven. Toen realiseerde de luitenant Falkenburg zich dat hij wel degelijk met Duitsers had te doen die hem vanuit het noorden beschoten. Die gedachte was echter direct ontnuchterend. Het betekende immers dat zijn verband op dat moment geheel was ingesloten door Duitsers én eigen troepen die kennelijk alles aan de overzijde tot vijand verklaard hadden. Na nog een vergeefse poging te hebben gedaan door met zijn kaartentas te zwaaien en deze doorboord door een Nederlandse kogel schielijk omlaag te trekken, besloot de luitenant dat hij terug moest naar zijn troepen. Maar Duitse kogels vanuit het noorden troffen hem nog tweemaal, deze keer door de rechtervoet en kort nadien wederom een treffer, dit maal door de rechterarm. Ongelofelijk genoeg gaf de luitenant het nog niet op. Hij besloot dat hij in het donker dan maar opnieuw richting Oude Molen moest gaan, te meer daar er nog steeds rond de brug werd geschoten en hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn mannen daarbij betrokken waren. Toen hij eindelijk het eerste huis bereikte en aanklopte werd hij voor hem volkomen onverwacht door enkele Duitsers gevangen genomen. Toen hij vervolgens naar HIO werd gebracht en daar in een klein noodhospitaal werd verbonden, realiseerde hij zich pas dat de actie was mislukt. Hij lichtte de Duitsers in dat er nog diverse gewonden in het veld moesten liggen. Daarop gingen de Duitsers met enige groepjes zoeken maar vonden slechts twee soldaten van luitenant Falkenburg zijn team, die waren gesneuveld (een derde werd over het hoofd gezien).

[104b] De groep mannen aan de grasdijk was het ondertussen erg heet aan de voeten geworden. De Duitsers namen hen constant onder vuur. De sergeant Van Dijk ging daarop met twee soldaten naar Oude Molen, waarbij ze trachtten door het moerassige gebied te waden, maar daarbij bleken ze tot hun middel weg te zakken, waarbij munitie nat werd en zelfs een geweer verloren ging. Hopeloos moesten ze zich aan enige opduikende Duitsers overgeven. Ze kregen daardoor wel een bijzondere ontmoeting te verwerken. Generalleutnant Student was namelijk bijzonder benieuwd naar de ontwikkelingen op zijn front en bezocht in de ochtend Hendrik Ido Ambacht. [411, 500] Net toen hij op bezoek was bij Hauptmann Sander – Commandant van II./IR.16 – werden de drie Nederlandse gevangenen binnengebracht. Die beseften niet tegenover de Duitse opperbevelhebber van de gehele luchtlandingsoperatie in Nederland te staan, maar hadden wel door dat het ‘een hele hoge’ was. Vragen die de generaal stelde konden zij niet beantwoorden, waarop zij werden afgevoerd en opdracht kregen enkele bevoorradingscontainers te bergen die ten noordoosten van Rijsoord in de polders waren afgeworpen. Nadat ze dat met goed gevolg hadden gedaan, kregen zij een eersterangs positie bij de Duitse commandopost om een aangevraagd bombardement te mogen gadeslaan. Het werd hen met enig leedvermaak gemeld.

[104b] De sergeant Dekker had intussen niets anders kunnen doen dan met de mitrailleurs en de geweren sporadisch op Duits vuur te reageren. Hij had nog zo’n 16 man om zich heen, want intussen waren er drie gesneuveld en nog eens twee man (bovenop de eerdere twee) gewond geraakt. De gewonden werden met de grootst mogelijke moeite meegenomen naar de oever, toen het duister uiteindelijk weer gevallen was. Aldaar werden zij door een moedig team mannen van het bataljon – dat met twee andere boten de overzijde bereikte – teruggehaald. De Duitsers hadden wederom niet door gehad dat er Nederlanders overvoeren. Zodoende werden op de vier krijgsgevangenen en de drie gesneuvelden na, de overige circa 16 man gered.

De drie soldaten die het leven hadden gelaten waren Pieter Boomert, Gerard van Dorth en David Rijkens. De soldaat Boomert was omgekomen door granaatscherven, de andere twee zoals beschreven tijdens de eerste fase van de strijd door schotwonden. Alle (overige) gewonden, inclusief de vijfmaal getroffen luitenant, overleefden de strijd en herstelden van hun verwondingen. Aan luitenant Falkenburg werd de Bronzen Leeuw toegekend [KB 13 november 1946] voor zijn buitengewoon moedige en doortastende optreden. Geen der andere deelnemende militairen van de rechtergroep viel een onderscheiding ten deel.   

De oversteek van de linker aanvalsgroep

[104b] De linker aanvalsgroep – bestaande uit twee groepen van de 2e sectie 1-II onder de sergeanten H.N. Dade en H.J.T. Orth en gecommandeerd door de luitenant D.J. Boerman – werd eveneens maximaal bezet. De luitenant vulde zijn groepen aan tot 13 man elk en bemande zodanig de boten met 27 man in totaal. Precies op tijd – 0345 uur – was men ongemerkt naar de overzijde gevaren en werden de boten op de kant getrokken. De groep Orth toog nadien naar de Veersedijk (Ringdijk) en volgde die naar het noorden om zo via Oostendam bij de Veerweg te geraken en deze te verkennen. De groep Dade, met daarbij aangesloten de luitenant zelf, bleef aan de Noord-oever en trok langs het haventje om naar de scheepswerf en controleerde de gebouwen op vijandelijke bezetting. Rond 0500 uur werden beide groepen achter de Veerweg weer verenigd en verkenden gezamenlijk de brugoprit. Daarbij werden drie Duitse mitrailleuropstellingen aan de zuidelijke taludzijde van de oprit vastgesteld. Het was direct duidelijk dat die posities zodanig benaderen dat ze met granaten konden worden uitgeschakeld door de Grote Noord (zijriviertje van de Noord) en het havenkommetje (direct onder het landhoofd van de brug) werd verhinderd. Contact maken met de noordelijke groep was wegens de hoge brugoprit eveneens onmogelijk.

Actie over de Noord

[104b] Terwijl de luitenant Boerman een autonoom plan trachtte te ontwerpen om de Duitse posities te neutraliseren, werd opeens van Nederlandse kant het vuur geopend op de brug. Hoewel luitenant Boerman in zijn verslag opmerkte dat dit vuur van Alblasserdamse zijde kwam en de Duitsers hierdoor onmiddellijk waakzamer werden, is het vrijwel zeker het vuur van de rechter aanvalsgroep geweest waarop hij duidde. En juist omdat de Duitsers op de brugoprit dus vijand ontwaarden op hun linkerflank, werd men ook bedacht op de mogelijkheid van vijand op de rechterflank. En die ontdekte men spoedig, waarop het achterste (westelijke) mitrailleurnest aan de zuidzijde van de oprit opeens het vuur opende op de voorste gelederen van de formatie Boerman. Een levendig vuurgevecht ontstond, waarbij de Groep Boerman erin slaagde een aantal Duitsers uit te schakelen.

[104b] Rond 0600 besloot de luitenant Boerman de groep van sergeant Dade te verdelen tussen huizen aan de Veerweg. Hij deed dit zodanig dat tegenover elk der drie Duitse mitrailleurnesten een troep met lichte mitrailleur of uitmuntende geweerschutters werd geplaatst die zodanig tussen de huizen was opgesteld dat zij slechts een vuurduel met één der nesten konden aangaan, maar de Duitse mitrailleurs evenzo slechts vanuit één mitrailleurnest de Nederlandse groep konden beschieten. Zodoende konden de Duitse posities worden onderdrukt. Maar tenzij men alle Duitsers zou weten uit te schakelen over de afstand van circa 150 meter waarover men vuur uitwisselde, konden de Nederlanders de Duitse posities niet uitschakelen omdat het brede water van de Grote Noord en de havenkom ertussen zat waardoor fysieke benadering onmogelijk was. De groep Orthe had in eerste instantie posities ingenomen bij de kruising Veerweg / Veersedijk. Zij lag daarmee in een veel opener vuurcontact met de Duitsers. Daarop nam de sergeant de groep langs de Veerweg terug en zocht beschutting tussen de gebouwen en huizen vlakbij de Groep Dade. De verplaatsing leidde echter tot een zwaar gewonde [soldaat Cornelis van Tillaart, die op 15 mei aan zijn verwondingen zou overlijden] en een licht gewonde, waarbij de soldaat Van Tillaart onbedoeld - de groep Orthe besefte niet dat hij getroffen was - achtergelaten werd.

[104b] Onderwijl was luitenant Boerman op het idee gekomen om te kijken of de telefoonverbinding met Alblasserdam nog werkte. Dat bleek het geval en zodoende werd contact gelegd met de staf van de BC [II-2.RW]. Rond 0730 uur kon op die wijze het al sporadisch afgegeven mortiervuur worden gecorrigeerd wat ertoe leidde dat één der vijf Duitse opstellingen langs de brugoprit een voltreffer te verwerken kreeg.

[104b] Met de bestaande telefoonverbinding werd aan de oostzijde van de Noord door de BC [majoor J. de Bie] het idee opgevat om een oversteek te wagen over de brug. De sectie van vaandrig F.R. Ruijs [4e sie 3-II-2.RW] kreeg opdracht zich voor die opdracht gereed te stellen.

De ‘bestorming’ van de brug

[104] Aan de voorgenomen actie tot ‘bestorming’ van de brug vanaf de oostelijke oeverzijde kleefde het grote nadeel dat de opgehaalde brugklap eerst neergelaten diende te worden, wat elke vorm van verrassing evident weg zou nemen. Daar kwam nog bij dat de BC wegens het gevaar van door de Duitsers aangebrachte (contact)ontstekers de klap niet geheel wilde laten zakken. De klap moest circa een meter boven haar oplegblokken gestopt worden. Een kwestie die de wenkbrauwen sterk doet fronzen, omdat dit operationeel gezien twee voorname nadelen had. Het eerste nadeel was dat van ondersteunend vlakbaan vuur vanaf de oostelijke brugoprit op die wijze geen sprake kon zijn, omdat dit vuur dan te hoog gericht zou moeten worden. Het tweede nadeel was dat de aanvallers van de nog licht geheven klap af moesten springen om aan de westzijde te kunnen komen en evenzo terug zouden moeten klimmen als zij onder vuur zouden moeten terugtrekken. Die nadelen werden echter aanvaard omdat de BC – en vermoedelijk zijn superieuren evenzo – teveel angst hadden voor een vernielde brug.

Hoe men echter tot de merkwaardige gedachte had kunnen komen dat de Duitsers contactontstekers zouden kunnen hebben aangebracht onder de brugoplegging, is een raadsel. Een dergelijke operatie had vereist dat de Duitsers bij de oplegging uitgebreide voorbereidingen hadden moeten treffen, die zeker in het oog waren gelopen omdat dit zeer kort op de Alblasserdamse oever had moeten geschieden. Te meer daar voor vernieling van de klap een aanzienlijke lading zou moeten zijn aangebracht, die visueel goed zichtbaar zou moeten zijn geweest. Men woog echter die kans kennelijk desondanks als bijzonder sterk aanwezig. Het gegeven dat de brugklap diende te worden neergelaten voordat een bestorming zou plaatsvinden en de klap niet geheel zou worden gesloten waren dus twee argumenten die een bestorming buitengewoon hachelijk maakten en bovendien de kans op succes vrijwel nihiliseerden. Daar kwam nog bovenop dat de voorbereide ondersteuning wederom bijzonder pover was. De beide voorhanden mortieren waren de enige wapens die effectieve vuursteun konden bieden. Rookgranaten om zo’n actie de gewenste sluier te bieden waren niet voorhanden, maar evenzo was met twee mortieren geen mogelijkheid te genereren om meerdere Duitse posities te onderdrukken. En – onvoorstelbaar maar waar – de artillerie was nog steeds niet voorhanden. [104, 145] Overste Mijsberg achtte artilleriesteun ongewenst, omdat hij meende dat de beide groepen aan de westzijde te dicht op de brugoprit zaten om zelf buiten gevaar te blijven. Een typerende overweging voor het Nederlandse veldleger anno 1940, waarbij de veiligheidsmarge tussen artillerievuur en eigen infanterie positie gesteld werd op niet minder dan 300 meter!

Aan de operationele voorwaarden om een dergelijke riskante gevechtshandeling, zoals het oversteken van een open en door de vijand met vuurorganen beheerste brug, tot een goed resultaat te kunnen helpen, was dus wederom in het geheel niet voldaan.

[104b, 650] De actie die bevolen was aan de vaandrig zou in eerste instantie - ter verkenning - met een kleine groep worden uitgevoerd. De vaandrig Ruijs werd vergezegd door de dienstplichtig sergeant J.H.W.M. Klekamp en vijf soldaten. Zij werden rond 0800 uur op de nog half hoge brugklap gepositioneerd, waarna deze (door brugwachter A. van Holten) omlaag werd gebracht tot iets minder dan een meter van de oplegblokken. Doel van de operatie was met de zeven man te kijken in welke mate er vuur zou worden aangetrokken en vooral waar vandaan. Aan de hand van de bevindingen zou vervolgens een werkelijk bestormingsplan worden ontworpen. Toen de brugklap voldoende was gezakt sprongen de mannen er vanaf en werden direct door Duitse mitrailleurs zwaar beschoten. De sergeant Klekamp werd door een kogel aan de hals getroffen, hoewel niet ernstig. Onmiddellijk besefte de vaandrig dat het geen doen was de actie door te zetten en zodoende werd vrijwel direct teruggetrokken. De brugklap was echter – bizar genoeg – weer opgedraaid. Vuursteun was daardoor al bij voorbaat onmogelijk, maar het betekende evenzo dat de mannen zich slechts achter de spanten van de brug konden verschuilen tot de brug weer gezakt zou zijn. Het was de gewonde sergeant Klekamp, het dichtste bij de brugklap, die zich klimmend in een spant van de brug inspande om aan de andere zijde duidelijk te maken dat de klap weer omlaag moest. Zo geschiedde, maar ondertussen was de groep Ruijs bijna een uur aan de ‘verkeerde’ zijde van de brugklap onder vuur gebleven.

[104b] Onderwijl had de groep onder luitenant Boerman getracht de Duitse mitrailleurnesten met onderdrukkend vuur tijdelijk het zwijgen op te leggen, zodat de groep Ruijs over de brug kon oprukken. Maar de luitenant Boerman zijn mannen konden de tenminste twee Duitse posities aan de noordzijde van de oprit uiteraard niet onderdrukken. Rond 0815 uur had de luitenant weer telefonisch contact met de staf van het bataljon en vroeg om versterking. Het daarop ontvangen antwoord was uiterst curieus. Zodra de gelegenheid zich zou voordoen zou men een gehele compagnie overzetten, zo luidde het antwoord [104b]. De luitenant zal het een bizar antwoord hebben gevonden. En dat was het ook. Er werd namelijk op hetzelfde moment hard gewerkt aan een ambitieus plan, dat in het volgende hoofdstuk wordt besproken. Maar van dat plan wist de BC van luitenant Boerman in het geheel niet!

[104b] Rond de klok van 1000 uur namen de Nederlanders vanaf de oostzijde van de Noord een grootschalige parachutistendropping waar, net als luitenant Boerman. Men zag rond Rijsoord parachutes landen en concludeerde dat de Duitsers versterking kregen. Telefonisch werd e.e.a. besproken. Het veranderde de situatie in zoverre, dat de luitenant zich vanaf dat moment zorgen moest gaan maken om zijn linkerflank en rug. Want zowel de BC als de luitenant meenden een parachutistenlanding te hebben waargenomen ten zuidwesten van Rijsoord. Dat het in werkelijkheid om bevoorrading ging was hen niet bekend. Maar het vermoeden van vijand in de rug zou spoedig voor de luitenant worden ingevuld, want na 1000 uur begon men opeens ook ‘Duits’ vuur te ontvangen uit het zuiden. Dit werd door de luitenant Boerman begrijpelijkerwijs uitgelegd als afkomstig van de kort daarvoor (vermeend) in zijn rug en linkerflank gelande parachutisten, die zich (kennelijk) in zijn richting bewogen. [104a] In feite was het echter zo dat contact werd gemaakt met vermoedelijk het verband van luitenant Lampe, dat een oversteek had gemaakt naar de Bospolder. Een gebeurtenis waarvan luitenant Boerman geen weet had, zoals kort eerder al geschetst bij het telefoongesprek tussen de luitenant en zijn BC inzake het overzenden van versterking. Daarover later meer.

[104b] Rond de tijd dat vanuit de flanken contact ontstond met ‘parachutisten’ kreeg luitenant Boerman de instructie van de BC dat als het te heet onder de voeten zou worden, de groep moest terugvloeien op de Noord-oever en onder dekking van het bataljon een terugtocht zou kunnen worden aanvaard. Daartoe toog de luitenant zelf naar het aanlegpunt waar hij rond 0400 uur die ochtend was geland, maar constateerde tot zijn schrik dat de beide boten waren afgedreven wegens het tijverschil (1). Daarop zocht hij in het haventje naar oversteekmiddelen en vond twee roeiboten. Deze werden geprepareerd om een terugtocht mogelijk te maken indien de omstandigheden daartoe aanleiding zouden geven. Daarna verzamelde de luitenant zijn manschappen en toog naar het kruispunt van de Veerweg met de Veerse Dijk, om aldaar posities in te nemen die naar alle windstreken zicht boden. Dat bleek echter na de Duitse ‘landing’ ten zuidwesten van hen geen houdbare zaak waarna weer op de sector Veerweg werd teruggegaan. 

(1) Volgens contemporaine gegevens was het tijverschil in die periode circa 1,6 m tussen eb en vloed.  

[104, 650] Onderwijl was rond 1000 uur opnieuw een poging gedaan de brug over te steken. De waarnemers hadden gemeld dat twee Duitse mitrailleurnesten uitgeschakeld leken, waardoor een nieuwe poging de brug over te steken zinvol leek. Dit keer waren het twee groepen onder de dienstplichtig sergeanten C. Verhoef en D. Dammers, die aan weerszijde van de brugklap werden opgesteld, waarna het ritueel van neerlaten van de klap zich herhaalde. Deze keer gaf de majoor echter opdracht de klap op een meter hoogte gezakt te laten nadat de beide groepen eraf gesprongen waren. De Duitse weerstand was merkbaar minder op het eerste gedeelte van de over te steken brug, maar nadat enige afstand was afgelegd begonnen niet alleen mitrailleurs te vuren, maar leek bovendien PAK en zelfs artillerievuur op de brug te landen. Twee mitrailleurs werden uitgeschakeld en twee man raakten gewond. Bovendien begon een eerste Duitse luchtaanval op de posities rond Alblasserdam, waarbij bommen vielen op en bij de oostelijke oprit en vliegtuigen ook de brug mitrailleerden. Daarop werd kruipend teruggetrokken naar de ‘veilige’ kant van de brugklap. De pogingen de brug stormender hand te nemen waren mislukt.

[57, 500, 650] Het intussen losgebarsten bombardement – dat door bronnen rond 1015 uur wordt geadministreerd – werd uitgevoerd door een Staffel bommenwerpers, vermoedelijk Ju-88. De bommenwerpers waren aangevraagd door de Duitse staf in Rijsoord, wat wel duidelijk werd toen de Duitse toestellen zich concentreerden op de oprit van de brug aan de Alblasserdamse zijde en de Nederlandse posities aan de Hogendijk (dijk ten zuiden van Alblasserdam die naar Papendrecht voert). Naar verluid [57] vielen er 45 bommen tijdens die eerste aanval. Ze zorgden vooral voor veel materiële schade aan zowel civiele als militaire objecten. Maar ook enige slachtoffers vielen. Het leidde er echter vooral toe dat C-LD zich inmiddels een beeld had gevormd dat zijn opdracht – zonder luchtafweer en pantserwagens – niet zou slagen. Hij nam contact op met Den Haag en verwittigde de C-VH van zijn bevindingen. Welke gevolgen dit zou hebben wordt echter pas besproken nadat alle andere gebeurtenissen aan de Noord zijn beschouwd.

Ondertussen was er ook brand ontstaan in Alblasserdam, vrijwel zeker veroorzaakt door vuur van de Duitse houwitserbatterij die de posities van Nederlandse troepen aan de oever beschoot. Bij het Pek- en Teerbedrijf J. Vroege [57] ontstond brand door inslagen van Duitse granaten. Bij die beschieting raakte de dienstplichtig sergeant A.J. Denissen van 1-III-1.RW zwaar gewond (en overleed de volgende dag in een Gorinchems ziekenhuis). Tevens werd een bij het geraakte bedrijfscomplex afgemeerd schip [Leonidas IV, 280 ton] geraakt, waarbij een brand van de houten dekbeschoeiing ontstond. Het brandende schip en de branden op de werf waren in de wijde omtrek goed waar te nemen.

Een grote oversteek

[104b] Hoewel de staf II-2.RW de luitenant Boerman de indruk had gegeven dat een versterking aanvoeren over de Noord onder de gegeven omstandigheden was uitgesloten, werd in feite aan dat plan juist hard gewerkt. Wellicht vreesde men voor Duitse afluisteraars op de telefoonlijn, wat geenszins overdreven zou zijn geweest, en informeerde men de luitenant daarom niet dat er al hard werkt gewerkt aan het overzetten van een verband wielrijders. Gezien echter de frictie die zou ontstaan tussen de groep Boerman en het over te zetten verband Lampe lijkt het veel meer voor de hand te liggen dat de staf II-2.RW van de actie van het aanleunende zusterbataljon in het geheel geen weet had!

[1, 104, 145] Rond 0830 uur gaf C-2.RW opdracht aan I-2.RW een grootschalige maritieme oversteek van de Noord voor te bereiden. Omdat de groep Boerman kennelijk zich kon handhaven in de omgeving van Oostendam, kreeg I-2.RW opdracht ter hoogte van pl. 122 een veerdienst op te zetten om zodoende snel het bataljon over te brengen naar de westoever en na het verzamelen van de overgezette delen de brugoprit te veroveren. Onderwijl werd zowaar een artillerieverbinding gelegd met een AOI [Artillerie Officier Inlichter, 1e luitenant F.E. Lagerwerff] van II-KRA, die met een UKG op de CP van C-2.RW – die zich onder het viaduct te Alblasserdam bevond – werd ingedeeld. Een waarnemer – de  kornet H.D. Huet – werd in de watertoren te Alblasserdam geplaatst. C-2.RW had inlichtingen gekregen vanuit de staf LD dat bovendien Duitse versterkingen per auto waren aangevoerd. Lovenswaardig was dat hij daarop niet besloot om de offensieve operatie te staken, maar juist meer troepen naar de westzijde van de Noord aan te voeren. Daarop werd I-2.RW door C-2.RW geïnstrueerd zo spoedig mogelijk de oversteek te maken naar Oostendam en C-II.KRA om dit met beide batterijen te ondersteunen. Zijn bevel luidde als volgt [citaat [104]]. 

»
I-2.RW zal bij pl. 122 (nabij de watertoren ± 1 km ten zuiden van Alblasserdam) de Noord overgaan en krijgt daartoe de beschikking over het 1e Peloton van de C.Pont.

1e Aanvalsdoel: de westelijke dijk langs de Noord, van Oostendam naar Zwijndrecht;

2e Aanvalsdoel: Vrouw Geeleweg.

Daarna aanval inzetten op Hendrik Ido Ambacht en de vijand van de brug verdrijven (gevechtsdoel).

Ter dekking van de rechterflank der aanvalstroepen artillerievuur te leggen op de omgeving van de watertoren te Oostendam en vervolgens de aanval op Hendrik Ido Ambacht met artillerievuur ondersteunen. 
«

Het eerste doel was dus de Veersedijk, het tweede de daarachter parallel liggende Vrouw Gelenweg [zoals deze tegenwoordig heet]. De bedoeling was om daarna de vijand van de brugoprit te verdrijven. Hoe, dat werd ook in deze instructie niet duidelijk. Want vanuit het zuiden van Oostendam zou men niet zonder hulpmiddelen aan de noordzijde van het zijriviertje van de Noord [Grote Noord] geraken, daar de directe benadering door Oostendam geblokkeerd was door Duits vuur. Men zou of moeten oversteken met hulpmiddelen of helemaal via de rijksweg [Zwijndrecht – Rotterdam] aan de noordzijde moeten zien te geraken. In hulpmiddelen was niet voorzien en dus waren de opties sterk beperkt, eufemistisch gesproken. Contact leggen met de groep Boerman stond niet in de instructie, wat opmerkelijk te noemen is.

[145] C-II.KRA – de majoor C.W.L. Baron van Boetzelaar – kreeg opdracht de vuursteun voor te bereiden. Daarbij rees echter het bezwaar dat voor de gewenste vuursteun – die wegens de aard van de doelen vooral middels indirect vuur [gekromde baan] afgegeven diende te worden – de voorverkende opstellingen bij Alblasserdam te kort op de doelgebieden lagen. Zodoende moesten nieuwe opstellingen worden verkend, wat veel tijd zou kosten. Het uitstel zou leiden tot afstel. Want voordat nieuwe posities waren verkend, zouden alweer tegenorders worden ontvangen, die de Lichte Divisie grotendeels van de Noord zouden doen losmaken.  

De pontonboten die eerder al beschikbaar waren geweest, maar door C-2.RW niet nodig geacht waren, werden in dit stadium wel afgeroepen. [107] Zodoende kwam cadet-vaandrig K. Mobach de plaats inspecteren waar zijn pontonboten ingezet zouden worden. Vanuit de watertoren beschouwde de vaandrig de situatie, wat des te meer noodzakelijk voor hem was wegens het geheel ontbreken van stafkaarten van het gebied bij de compagnie pontonniers. Nadien meldde de vaandrig zich bij de majoor Eggens, C-I-2.RW, om te overleggen waar de boten zouden worden afgeleverd. De majoor meldde echter de boten niet meer nodig te hebben. Dat bericht stelde de vaandrig niet teleur, want hij zag – terecht – vooral bezwaren om de logge pontonboten voor een amfibische aanval in te zetten, te meer daar het daglicht was en er geen sprake van verrassing zou zijn.

[104a] C-I-2.RW [reserve majoor J. Eggens]  had ondertussen 3-I-2.RW – onder de reserve kapitein J. IJssenagger – de opdracht gegeven als eerste de Noord over te steken. Onderwijl werd een uitgebreide verkenning aan de oever verricht en werden twee secties zware mitrailleurs MC-I-2.RW, een sectie met twee stukken PAG van 2.RW en de sectie mortieren van het bataljon zodanig opgesteld dat zij vuursteun zouden kunnen bieden. Voorts werd de verbindingsafdeling voorbereid om de noodzakelijke veldverbindingen te maken. Tijdens de voorbereidingen raakten door beschietingen vanaf de overzijde reeds vier man gewond. Dat zette de BC aan het denken. De BC en zijn CC’n waren de mening toegedaan dat de lichte boten die beschikbaar werden gesteld, de Atos- en pontonboten, een oversteek wel erg avontuurlijk zouden maken. De kapitein bereidde daarom een oversteek voor middels een ijzeren klipper (‘Nooit Volmaakt’), die ter plaatse was aangetroffen en gezien haar zware ijzeren constructie tegen vuur van lichte wapens enige bescherming kon bieden. Bovendien kon zo een sterkte van twee secties tegelijk worden overgebracht. De enige uitdaging was het afmeren aan de westelijke oever als niet in de haven zou kunnen worden aangemeerd.

[56, 104a] De schipper van de Klipper – J. van der Vaart – maakte in eerste instantie bezwaar tegen het vorderen van zijn boot, maar werd spoedig overgehaald gewoon mee te werken. Nadat zijn vrouw en kind van boord waren gegaan en onderdak hadden gekregen in een woning aan de Hooge Dijk, gingen circa 70 man aan boord. Zij waren van de 1e sectie, 2e sectie en een groep van de 4e sectie. Het geheel werd geleid door de commandant van de 1e sectie, reserve 1e luitenant A.W.P. Lampe. [650] En deze keer werden wel communicatiemiddelen meegenomen, namelijk een sluiter [een seinlamp, die middels eenvoudige morsecode gebruikt kon worden]. Zonder al te veel problemen slaagde men erin de overzijde te bereiken, waar rond 1015 uur werd aangemeerd. Onder de op de boeg opgestelde mitrailleurgroep was één licht gewonde gevallen tijdens de overtocht [soldaat Van den Hoorn]. Nadat het schip was ontladen, ter hoogte van een scheepssloperij in de Bospolder, bleek echter dat het zodanig was vastgelopen dat het onwrikbaar op haar plaats bleef liggen. Dat bericht werd met de sluiterlamp direct aan de overzijde kenbaar gemaakt, zodat aldaar even later alsnog twee Atos boten werden gereed gemaakt voor de overtocht van de rest van de compagnie.

[104a] De manschappen onder de luitenant Lampe namen in afwachting van de rest van de compagnie posities in, in enkele gebouwen langs de oever. Het uiterst curieuze feit deed zich vervolgens voor dat rond 1030 uur de luitenant Boerman, die nog ten noordwesten van het haventje, op ongeveer 350 meter van de halve compagnie Lampe vertoefde met zijn troepen, besloten had dat zijn positie hem uitzichtloos leek en de vijand dichterbij leek te komen. [104b] De luitenant omschreef in zijn krijgsverslag hoe hij ten zuiden van zijn positie Duitse troepen waarnam op korte afstand. [104a] De luitenant Lampe meldde in zijn positie nabij de Noord-oever, vuur uit het noordwesten te ontvangen. Voor beide verbanden betekende deze vuuruitwisseling – die bovendien bij beide partijen gewonden opleverde – de aanleiding hun missie af te kappen. [104b] De luitenant Boerman besloot van de beide roeiboten gebruik te maken en onder dekking van door een sectie MC afgegeven vuur (dezelfde sectie die het verband Lampe steun moest bieden) terug te keren. Hij liet drie man achter. Twee waren vermist, een derde (gewonde) was met toestemming op zoek gegaan naar een arts maar gevangen genomen. De ene vermiste was de eerder genoemde dodelijk gewonde soldaat, de ander was gewond achter gebleven en bleek later gevangen genomen te zijn. [104a] Luitenant Lampe besloot aan de hand van de beschieting vanuit het noordwesten te blijven zitten waar hij zat. Het vervolg van zijn actie wordt later behandeld.

En daar komt dan weer de naoorlogse analyse in beeld, die verzuimde de juiste conclusies te trekken aan de hand van de voorliggende verslagen en de daaruit samen te stellen situatieschets.

Een analyse van de gebeurtenissen ten zuiden van Oostendam

[1, 650] Het stafwerk – generaal-majoor b.d. Calmeijer – kwam niet verder dan de verbazing uit te spreken dat het verband Lampe en de groep Boerman elkaar niet waarnamen, terwijl de afstand kort was en de groep Boerman zelfs weer inscheepte in de haven vlakbij de positie van het verband Lampe. De defensieonderzoeker merkte nog wel op dat het zo opvallend was dat geen van beide luitenants kennelijk de aanwezigheid van de ander had opgemerkt, ondanks de geringe afstand.

Een andere bekende historicus betreffende de episode mei 1940, overste E.H. Brongers, die alle gelegenheid had om zich in de kwestie te verdiepen, verzuimde dit nadrukkelijk toen hij in 2004 de volgende passage opnam in zijn ‘Opmars naar Rotterdam’ deel 1 [30: blz 227, 228]:

» Inmiddels was achthonderd meter ten zuiden van de brug wederom een overgang beproefd. Ditmaal met een daar aangetroffen zeilschip dat een ijzeren ruim bezat. De schipper ging vrijwillig mee. Onder vuur zeilden zestig man naar de overkant. Dankzij de ijzeren ruimconstructie kostte dat slechts één lichtgewonde. De mannen renden de wal op en kwamen direct in gevecht met de Duitse 6e Compagnie, die hier in stelling lag. Bij de landing was het schip op de oever vastgelopen en het lukte helaas niet meer het los te krijgen. (…) Het nu geïsoleerde detachement aan de overzijde kon alleen ook niets beginnen en kreeg ’s middags het bevel terug te keren.«

Het was Brongers kennelijk ook niet opgevallen dat de verklaringen niet logisch op te tellen waren. Een andere zaak viel kennelijk aan de defensie onderzoekers en Brongers ook niet op en dat was het merkwaardige fenomeen dat de luitenant Boerman door zijn BC niet werd geïnformeerd dat het verband van luitenant Lampe overstak. De twee afzonderlijke verbanden hadden natuurlijk uitstekend hun krachten kunnen verenigen. Maar in de verslagen blijkt niets van een onderlinge afstemming tussen de bataljons die de beide verbanden leverden. En overste Mijsberg en zijn staf leken geheel conform de Nederlandse legertraditie van mei 1940 op een strikte ‘need-to-know’ basis informatie met ondercommandanten te wisselen. Ofwel, wat men niet strikt noodzakelijk moest weten, kreeg men niet te horen. Zo kon het gebeuren dat twee aanleunende bataljonsvakken, beide betrokken bij dezelfde operatie en vallende onder dezelfde RC, niet afstemden noch door de RC staf over mekaar werden ingelicht, zodat de majoor de Bie zijn luitenant Boerman niet met de werkende telefoonverbinding kon verwittigen dat een halve compagnie van het nevenbataljon was overgezet. Dat betekende niet alleen dat de luitenant Boerman zich niet kon aansluiten, maar evenzo dat men op elkaar ging schieten. Want dat was wat er vrijwel zeker aan de orde was!

Luitenant Lampe, bepaald minder doortastend dan de luitenants Falkenburg en Boerman van II-2.RW, meldde in zijn verslag aan zijn CC hoe zijn positie werd beschoten. Nadat men in afwachting van de rest van de compagnie gebouwen had bezet (op circa 150 meter van de haven), ontving men opeens geweer en mitrailleurvuur uit westelijke richting. In westelijke richting zat op dat moment – het was rond 1030-1045 uur – nog geen vaste Duitse positie, maar uit het rapport van IR.16 [411] lijkt te worden gesuggereerd dat inderdaad een lichte mitrailleurgroep zich naar het kruispunt Veerse Dijk – Veerweg begaf op enig moment tijdens de 11e mei. Zeker is dat zij er niet zaten op het moment dat de luitenant Boerman nog op de westoever was, want zijn groep bezette het desbetreffende kruispunt tot vlak voor hun vertrek naar de oostoever. Maar het is mogelijk dat de Duitse mitrailleurgroep zich op dat moment wel al naar die positie begaf. Dat verklaart althans het beste dat zowel de groep Boerman als het verband Lampe toenemend vuur uit het westen meldden. Veel opmerkelijker is echter dat de luitenant Boerman nadrukkelijk enkele keren vermeld vanaf circa 1000 uur toenemend vuur uit het zuiden te ontvangen. Hij legde dat uit als vuur van de voordien gelande parachutisten. Maar het is vrijwel zeker dat het vuur was dat werd afgegeven door de mannen van het verband Lampe dat ondertussen gebouwen bezet had onder de haven in de Bospolder. In feite is dat wel zeker. Want dat verband Lampe meldde zelf helemaal niet vanuit het zuiden te worden beschoten, maar slechts vanuit het noordwesten. Bovendien meenden de mannen van luitenant Boerman Duitsers ten zuiden van hun positie waar te nemen. Ze namen echter vrijwel zeker de wielrijders van de luitenant Lampe waar, want anders zou zich het onwerkelijke feit voor doen dat de circa 300-350 meter verder van 'de Duitsers' verwijderde groep Boerman Duitsers zag, die de vlakbij die vermeende Duitsers liggende mannen van luitenant Lampe dan totaal gemist zouden moeten hebben. Beide verbanden namen daarom met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid elkaar onder vuur.

Het is zelfs goed mogelijk dat het vuur voordien – dat door de luitenant Lampe als komend uit het noordwesten werd getypeerd – door de groep Boerman werd afgegeven. Aanleiding om dat te denken is dat de halve compagnie in de Bospolder na het heimelijke vertrek van de groep Boerman nauwelijks meer vuur ontving. Dat is onlogisch binnen de toen geldende Duitse operationele instructies. De Duitsers waren namelijk buitengewoon strikt in het vuren op doelen op afstand. Zij streefden ernaar zo laat mogelijk vuuropening te plegen, zodat trefzekerheid hoog was, de uitwerking op het moreel van de tegenstander groot en de eigen positie zo laat mogelijk onthuld werd. Het is daarom onlogisch als Duitse militairen eerst over grote afstand het vuur op het verband Lampe geopend zouden hebben en nadien, toen zij op kortere afstand de positie bij het kruispunt Veerweg / Veersedijk zouden hebben ingenomen, het vuur deden zwijgen.

Twee andere opvallende zaken zijn de volgende. De eerste is natuurlijk het falende ‘cross unit’ beleid van de overste Mijsberg en zijn staf. Het feit dat de beide bataljons zuid van de brug niet werden geïnformeerd over elkaars acties leidde ertoe dat de beide verbanden elkaars positie niet kenden, niet konden afstemmen en zelfs op elkaar schoten. Dat terwijl de unieke gelegenheid zich voordeed dat luitenant Boerman bij de haven een werkende telefonische verbinding met zijn BC had! Een gemiste kans door slecht beleid op regimentsniveau, maar evenzo op bataljonsniveau waar de BC'en en hun staven kennelijk ook geen informatie uitwisselden. De andere opvallende zaak – door auteur Brongers nog eens onwerkelijk ten positieve aangedikt in de slotzin in het eerder gegeven citaat – is de opmerkelijke passiviteit van de halve compagnie onder luitenant Lampe. Van deze luitenant ging nauwelijks iets uit. Met zijn 60 man had hij evenveel troepen als zijn tegenstander, maar hij ondernam niet het geringste om noordwaarts te trekken en te bezien of hij door een sluwe handeling de vijand kon verrassen. Dat de luitenant helemaal niet zo kansloos was als de auteur Brongers wil doen geloven, blijkt wel uit het gegeven dat de halve compagnie in de middag zonder enig probleem met de lichte Atos boten geëvacueerd kon worden. Kennelijk toen geen vijand in de buurt om hen de voet dwars te zitten.

Het is natuurlijk best te begrijpen dat het stafwerk mild blijft in analyses ten aanzien van het lokaal gevoerde krijgsbeleid. Maar het feit dat men de mogelijkheid dat beide groepen op elkaar schoten in het geheel niet noemt, en de opvallende ontbrekende afstemming binnen het regiment (in-situ bestaande uit slechts twee naast elkaar gelegen bataljons) evenzo niet bespreekt, is eenvoudigweg een manco in de krijgshistorische beschouwing. Te meer daar hier voor de Lichte Divisie wel degelijk aanzienlijke kansen hebben gelegen om een veelbelovend bruggenhoofd te slaan op de westoever. In een uitgebreide beschouwing van de acties van de Lichte Divisie aan de Noord wordt er uitgebreid op teruggekomen.

Een laatste poging door 2.RW

Het feit dat het schip waarmee het verband Lampe naar de westzijde was vervoerd onwrikbaar vast bleek te zitten en zodoende niet meer voor een oversteek gebruikt kon worden, leidde ertoe dat alsnog de lichte overgangsmiddelen beproefd zouden worden.

[104a] Luitenant Lampe slaagde erin met de sluiterlamp om zijn CC reserve kapitein IJssenagger te informeren dat de pogingen de boot vlot te krijgen mislukt waren. Daarop besloot de kapitein alsnog twee beschikbare Atos boten in te zetten. Maar inmiddels hadden de Duitsers de zaak op de oostoever goed in beeld en beschoten de zich gereed makende militairen. Daarbij werden vier man geraakt, waarvan volgens het verslag van de CC de soldaat Manintveld dodelijk werd getroffen, terwijl de soldaten Saris en Oldekerk alsmede de sergeant Tuin gewond raakten. [1501] Opvallend is dat over soldaat Manintveld ook een alternatieve doodsoorzaak bekend is en wel dat deze op zijn geweer met opgestoken bajonet leunend de gebeurtenissen stond gade te slaan en getroffen door een kogel in zijn eigen bajonet viel. Het lijkt op zich een wat curieus verhaal. Overigens had de soldaat Manintveld, die van de staf van I-1.RW was – althans op papier – niets te zoeken in het vak van 3-I-2.RW. Zijn aanwezigheid bij 3-I-2.RW is dan ook niet goed verklaarbaar.

Nadat de vier slachtoffers waren gevallen – terwijl de boten nog niet eens in het water waren gebracht – blies de BC de acties af. Voor 2.RW hadden er beslist kansen gelegen. Dat die niet genomen waren had wederom vooral te maken met falend krijgsbeleid en in slechts beperkte mate met ontbrekende doortastendheid bij de uitvoerende eenheden zelf.

Thans zal bekeken worden welke acties ten noorden van de Alblas werden genomen door 1.RW. Zie de bespreking in de 2e fase.

[De bronnen vindt u hier]