Alblasserwaard - 2e fase

Inleiding

In de beschrijving onder de 1e fase was er aandacht voor de acties ten zuiden van de Alblas, het riviertje dat de Albasserwaard in een noord en een zuiddeel verdeelt. Daarbij werd gekeken naar de actie waarbij twee kleine secties aan weerszijde van de brug de Noord overstaken – onder dekking van de ochtendschemer – en daar in actie kwamen, gevolgd door enige pogingen om over de brug een stoottroep frontaal te laten aanvallen om zodoende de Duitse verdediging te overklassen. 

Bij de beschrijving van de 2e fase aandacht voor de gevechtshandelingen ten noorden van de Alblas en de verandering van de kompas in de middag, toen de Lichte Divisie op aandringen van de eigen commandant een gewijzigde marsorder ontving. Het eerste deel van de beschrijving eindigt met een uitgebreide nabeschouwing van de strijd aan de Noord door de Lichte Divisie.

In het tweede deel van de beschrijving wordt bekeken hoe de Lichte Divisie zich grotendeels los zou maken van de Noord en het aanzienlijke bombardement besproken dat rond 1300 uur de omgeving van Alblasserdam en het achterland trof.

Acties in het vak van 1.RW

[103] De rechter marsgroep – ofwel 1.RW met I-1 [min 1./, C. reserve majoor C.F. Overhoff] en III-1 [C. Ritmeester H.A.M. Latour] – had gedurende de ochtend van 11 mei posities ingenomen ten noorden van de Alblas, met de laatstgenoemde eenheid op de linkerflank. De C-1.RW, de overste Van Gennep, had in het noordoosten van Alblasserdam zijn CP ingericht. Hij zocht onmiddellijk contact met het links aanleunende bataljon van 2.RW, en bezocht als zodanig de majoor de Bie onder de brug waarbij ook de ritmeester Latour werd aangetroffen en kort nadien majoor Overhoff ook polshoogte kwam nemen. De majoor De Bie informeerde de officieren van 2.RW omtrent de voortgang aan de westzijde van de Noord. Een prachtig staaltje (noodzakelijke) afstemming, dat zo node gemist werd onder de paraplu van 2.RW zelf en dat helaas uniek zou blijven gedurende de gehele actie langs de Noord.

Stafkaart Alblasserdam

Bezwaarlijk voor de posities van de beide bataljons ten noorden van de Alblas was dat een groot deel van hun (oever)vak in het open zicht van de Duitsers lag. Met name het noordelijke deel van het linker regimentsvak en vrijwel het gehele rechtervak (dat eindige onder de kern van Kinderdijk) kenden nauwelijks dekking door bebouwing of begroeiing. Het betekende dat de logistiek ernstig belemmerd werd en gereedstellingen – zeker die welke voor een amfibische operatie noodzakelijk zouden zijn – slecht gecamoufleerd zouden kunnen worden. In die verkennende fase hield de vijand zich bovendien nog vrij rustig, vermoedelijk bewust.

[103c] Dat de oever tussen brug en Ridderkerk door de Duitsers bezet was, werd 1.RW al vroeg op de morgen duidelijk. C-III-1 en C-I-1 verkenden in de ochtend ongeveer 0600 uur de oever van de Noord t.h.v. de protestante kerk tussen Kinderdijk en Alblasserdam en ontvingen al snel Duits vuur. Daaruit bleek dat er een Duitse bezetting was in die sector wat voordien niet bekend was en (dus) ook niet was medegedeeld. De algemene gedachte op de CP van de LD was immers dat zich slechts een Duits peloton aan de overzijde bevond en wel kort bij de brug. C-I-1.RW besloot daarop zijn MC posities te laten innemen langs de Kinderdijk (buitendijk langs de Noord), tegenover pl. 124 (het noorden van de Oude Bospolder). Ze zouden zo een oversteek goed kunnen dekken.

[103c] Van C-III-1.RW kreeg de sectie van de reserve 2e luitenant G. Steen [2-III-1.RW] rond 0630 uur opdracht om als eerste een oversteek naar de Oude Bospolder te maken. Daarvoor waren Atos boten van I-1.RW beschikbaar. Het vertrekpunt was in de bocht van de dijk, daar waar deze de oever van de Noord begon te volgen, vlak onder de meest noordelijke protestante kerk. Toen de eerste boot aan de oever gereed werd gemaakt, door een groep werd bemand en de CC reserve 1e luitenant P.H. Sluiter [wegens ziekte van de werkelijke CC] de afvaart gadesloeg, raakten enige mitrailleurbundels de verzamelde groep militairen. De rechtop staande luitenant werd dodelijk getroffen, enkele soldaten raakten gewond. Ook ritmeester Latour, die naast de luitenant stond, kreeg een (overigens onbeduidend) schampschot. De soldaat J. Jonges wilde het vuur met een lichte mitrailleur beantwoorden, plaatste deze open op de dijk en vuurde, maar werd vrijwel direct door een salvo van de overzijde gedood. Toen duidelijk werd dat het ontschepen voor de oever onmogelijk zou zijn zonder aanzienlijke verliezen te lijden, werden de pogingen een oversteek te wagen afgeblazen. C-III-1.RW bracht zijn bataljon toen geheel in defensieve posities tussen de kerk en de havenbekkens. 

Lichte Divisie aan de Noord - 11 mei

[103] Voor de regimentscommandant overste Van Gennep was het na ontvangen rapportage omtrent de gebeurtenissen bij zijn 3e Bataljon ook duidelijk dat de omstandigheden te ongunstig waren voor een grootscheepse oversteek van de Noord. Dat was al rond 0830 uur dat die conclusie werd getrokken. Hij achtte het kennelijk niet opportuun om op rapporten van zijn rechtervleugel te wachten, die wellicht ten noorden van Kinderdijk mogelijkheden zouden zien.

[103c] 1-III-1.RW [reserve kapitein P.T. Tjabbes] had na de mislukte overgangspoging opdracht gekregen om posities in te nemen direct ten noorden van de Alblas, bij de twee kleine havenbekkens van Alblasserdam boven de monding van de Alblas. Aldaar was ook het terrein van het in fase 1 al besproken terrein van Pek- en Teerbedrijf J. Vroege. Vanuit die sector gaf het bataljon – met PAG en mortieren – vuur af op Duitse posities in het brugtalud aan de westzijde en – zoals in de 1e fase al besproken – ook (onbedoeld) op de Nederlandse luitenant Falkenburg in de Oude Bospolder. Het mortiervuur gaf men autonoom af en werd dus niet – zoals bij II-2.RW – ten dele geleid via de telefoonverbinding met de westoever. Het felle vuur vanaf het haventerrein werd na enige tijd beantwoord door Duits artillerievuur.

Hoewel de bronnen [1, 103, 103c, 650] stelselmatig spreken van mortiervuur is er alle reden aan te nemen dat het in werkelijkheid de batterij 7,5 cm houwitsers [4./AR.22] was die het vuur op de scheepswerf en het teerbedrijf afgaf (1). Het is hoogst onzeker of de Duitsers ter plaatse überhaupt wel over mortieren beschikten, daar 8./IR.16 – het enige verband binnen II./IR.16 dat daartoe geschikte 8 cm mortieren bezat – niet aanwezig lijkt te zijn geweest [411]. De detonaties op het haventerrein leidden ertoe dat er twee onderofficieren (waaronder de later aan zijn verwondingen overleden sergeant Denissen) en drie soldaten van 1-III-1.RW gewond raakten. [103c] Van de compagnie PAG raakte de commandant – de kapitein B.P.F. van Driel – aan de voet gewond door een granaatscherf en moest daarom het commando overgeven aan vaandrig S.A.H. van der Geijn, sectiecommandant van de mortieren. Ook de ordonnans van de kapitein werd gewond door dezelfde detonatie. Nadat eerst een gebouw en later opslagtanks op de werf in brand raakten verplaatste 1-III-1.RW haar posities ten noorden en zuiden van de werf.

(1) Een goed geoefend militair of veteraan zou hier mogelijk tegenin willen brengen dat het onderscheid tussen het geluid van een vallende mortiergranaat of een inkomende artilleriegranaat zodanig groot is, dat een verwarring tussen beide granaten haast niet kan bestaan. Het korte fel fluitende geluid van een mortiergranaat en het veel langer durende brommen of gieren van een artilleriegranaat is voor een getraind militair oor snel te onderscheiden. Dat leek niet het geval voor de Nederlandse militairen in mei 1940. Zo is het met zekerheid vast te stellen uit de Duitse verslagen dat bijvoorbeeld de kerktoren en watertoren in Alblasserdam door hun batterij houwitsers werden beschoten, daar men er waarnemers in verwachtte. Ook dat vuur werd stelselmatig door Nederlandse bronnen als mortierbeschieting geadresseerd, ondanks het feit dat aan inslagen duidelijk te herkennen was dat het om een veel vlakkere projectielbaan ging dan van mortiervuur gewoon was.

[103c] 2-III-1.RW [C. reserve 2e luitenant G. Steen, plv cmdt wegens sneuvelen luitenant Sluiter] nam na de mislukte oversteekpoging rond 0930 uur posities in ten noorden van de havenbekkens – als middelste compagnie – over een breedte van ongeveer 200 meter, waarbij huizen tot dekking fungeerden, maar delen van het vak gevaarlijk open waren. Ten noorden daarvan was een deel van de MC [reserve 1e luitenant J.T.H. Burgers] voordien al rond 0630 uur in stelling, met als bedoeling vuursteun te kunnen verlenen voor de eerder geplande overzetpoging. Daarnaast kwam de 3e Compagnie [C. reserve kapitein H. Hardijzer] in een positie te liggen, direct aanleunend tegen de linkerflank van I-1.RW. Dit vak was het minst voorzien van obstakels om achter te schuilen, zoals bij de oversteekpoging al was geconstateerd. Het bataljonsvak eindige op de rechterflank daar waar de buitendijk (genaamd Kinderdijk) de oever van de Noord losliet.

In deze posities bleef het bataljon liggen en zou het nog lange tijd vuur uitwisselen met de Duitsers aan de overzijde.

[103a] 1.RW was pas rond 0500 in positie gekomen om zich langs de Noord te ontplooien. I-1.RW [C. reserve majoor C.F. Olthoff] – waarvan de 1e Compagnie nog ontbrak – verplaatste na de eerdere verkenning in de morgen met de ritmeester Latour, zijn bataljon compagniesgewijs in het vak tussen de PK kerk ten noorden van Alblasserdam en het veerpunt bij Kinderdijk. Dat ging echter bepaald niet zonder kleerscheuren. Het gehele stuk dijk tussen de kerk en het veerpunt was open, zonder infrastructuur erachter (aan de oostelijke zijde). Verplaatsingen waren dus ook bezwaarlijk en werden dus waargenomen door de Duitsers, die direct het vuur openden op gespotte militairen. Het kostte enige gewonden.

[103a] Het meest links werd de 3e Compagnie [C. reserve kapitein R. Haarsma] opgesteld. Het had dus de kleinste afstand af te leggen. De compagnie was verre van compleet, want een deel van de 1e en de gehele 4e sectie ontbrak wegens beveiligingsdiensten oost van Alblasserdam. Bij de verplaatsing richting (en over de) Kinderdijk raakten twee man zwaar gewond door een dekkend mitrailleursalvo van de overzijde. Men betrok posities tegen III-1.RW aan, kort op het terrein met de opslagtanks en olievaten. Datzelfde terrein werd – zoals reeds beschreven – korte tijd later door Duitse artillerie in brand geschoten. Even na het middaguur werden bovendien enige bommen geworpen op vermeende en werkelijke Nederlandse posities, wat het aantal branden en de verwoesting slechts deed toenemen. Enige offensieve actie kon de compagnie niet ondernemen.

[103a] Naast de 3e Compagnie moest de 2e Compagnie [C. reserve kapitein G.R.D. Crommelin] in stelling komen, versterkt met een sectie MC en een stuk PAG. Men diende op eigen houtje een oversteekpoging te ondernemen – indien mogelijk. Om 0830 uur vertrok de compagnie uit Alblasserdam langs de weg [Kortland] ten oosten van het stadje noordwaarts. Langs de Lek westwaarts en dan weer afzakkend langs de Noord zodat men voor Slikkerveer langs bij het pontveer terecht zou komen dat tegenover Ridderkerk lag. Men werd tot aan Kinderdijk niet beschoten, maar langs de dijk optrekkend richting het veerpunt kwam de versterkte compagnie in beeld van Duitse schutters, zodat behoedzaam het laatste deel werd afgelegd. Daarbij kon de positie bij het veer niet worden ingenomen omdat daar zwaar Duitse mitrailleurvuur op lag, later eveneens (vermoedelijk) artillerievuur door de batterij berghouwitsers. Daarom werd een deel van de compagnie plus de sectie MC op een bedrijfsterrein in opstellingen gebracht, waarbij voldoende dekking kon worden gegenereerd. Van daaruit onderhield men vuurcontact met de overzijde. Van enige poging tot overzetten van troepen kwam het niet.

[103] Met uitzondering van de overzetpoging tegenover de Oude Bospolder die wegens slachtoffers bij het vertrek van de eerste boot direct gestaakt werd, zou 1.RW verder niets ondernemen. In tegenstelling tot het vak van 2.RW was de Duitse bezetting tegenover het noordelijke vak aanzienlijk sterker. Het vak van 2.RW had het voordeel dat in feite de westelijke oever tussen Oostendam en Sofia Polder door de Duitsers nog niet bezet was in de ochtend van 11 mei. Want hoewel het Duitse verslag van IR.16 [411] vastlegde dat er een mitrailleurgroep van 7./IR.16 ondersteund door een stuk PAK van 14./IR.16 op de Veersedijk was gepositioneerd tegenover de Sofia Polder, was dit beslist niet het geval toen het verband Lampe zich daar vlakbij bevond. Al het Duitse vuur dat op de sector onder de Alblas viel, kwam van de posities bij de brug en de batterij berghouwitsers aan de kop van de Oudelandsche weg, ten zuidwesten van Ridderkerk. Het Duitse rapport zal dus hebben verwezen naar een ingenomen positie later op de 11e mei.

Op de staf van de LD

[106] De rapportages over de oversteken over de Noord bereikten ook de staf van de Lichte Divisie. Daar kreeg men in eerste instantie het goede bericht dat de beide oversteken in het vak van 2.RW in de ochtendschemering waren geslaagd. Tegelijkertijd kort erna het bericht dat de brugverdediging niet kon worden uitgeschakeld, maar – zo meldde C.2.RW [104] – dat artillerievuur niet gewenst was. De overste Mijsberg was namelijk bang dat artillerievuur de kort op de Duitse posities verkerende verbanden van de luitenants Falkenburg en Boerman ook zou kunnen treffen. Men was echter hoopvol gestemd dat de overgangspogingen met boten zouden slagen. [106] Ook een naar de Noord gestuurde stafofficier [sous-chef kapitein der GS P. Forbes Wels, hoofd Sectie I] beaamde dit na terugkeer te Oud Albas, zodat nog tot rond 0600 uur een hoopvolle stemming heerste.

[106] Korte tijd na 0600 uur veranderde het beeld geleidelijk. Eerst kwam er bericht van C-2.RW dat de Duitse bezetting aan de westoever versterkt moest zijn, omdat men op een aanzienlijk aantal Duitse mitrailleurnesten was gestuit en er vuur uit de omgeving Ridderkerk op de oostoever terecht kwam. Rond 0630 uur kwam het bericht binnen van landende parachutisten tussen Hendrik Ido Ambacht en Zwijndrecht. Het beeld begon toen al te kantelen.

[106] Niet veel later kreeg de staf LD bericht dat een overzetpoging door III-1.RW was mislukt wegens zwaar vijandelijk vuur vallend op de Kinderdijk. Dat bericht viel min of meer samen met de melding van de eerste mislukte bestorming van de brug en de rapportage van de groep Boerman dat men muurvast lag aan de westzijde van de Noord en versterking nodig had. Daarop werd door C-LD opdracht gegeven aan C-2.RW om in zijn vak een oversteek te organiseren bij paal 122. De C-LD zag toen dus nog kansen.

[106] Onderwijl was rond 1015 uur het eerste Duitse luchtbombardement op Alblasserdam ondergaan. Dat kon vanuit de commandopost in Oud Alblas worden gehoord en waargenomen en bovendien had men zelf last van overscherende Duitse jachttoestellen, die zo nu en dan militaire doelen mitrailleerden. Daarbij werden twee vooruitgeschoven onderdelen van de staf bijna getroffen. Een telefoongroep toegewezen aan de staf van C-1.RW moest haastig worden verplaatst [waarbij de commandant van de verbindingsgroep reserve 1e luitenant H.P. Everzwijn zwaar gewond raakte] en de hulpverbandplaats van 1.RW diende evenzo uit het helledal te worden gehaald, wat gelukt maar waarbij vrijwel al het materieel verloren ging. Ongeveer tegelijkertijd kwam er bericht van staf 2.RW dat een nieuwe poging de brug te overschrijden was vastgelopen in mitrailleur en geschutsvuur. Daarop besloot de C-LD om geen verdere oversteekpogingen te wagen en liet hierover zijn beide regimentscommandanten informeren. Het was rond 1100 uur toen beide regimentscommandanten dit bericht ontvangen hadden.

[106] Het luchtbombardement dat kort na 1000 uur plaatsvond leidde weliswaar niet tot meer dan enige zwaar gewonden onder de troepen, maar het had een enorme psychologische uitwerking op de bataljons aan de Noord, echter – zo lijkt het – nog meer op de bevelhebbers en de C-LD. De staf LD besefte terdege dat zij de middelen ontbeerde om zich zelfs maar rudimentair te verdedigen tegen Duitse aanvalsvliegtuigen. Men had eenvoudigweg niets meer dan de infanteriemitrailleurs om zich te verweren tegen de bommenwerpers, want in de gehele omtrek ontbrak ook enige zelfstandige luchtafweer. Daarop besloot de C-LD zich te verhouden met zijn superieur, de C-VH.

[106] Kolonel Van der Bijl deelde aan de generaal Van Andel mede dat zijn eenheid de Noord niet zou kunnen oversteken omdat de vijandelijke sterkte sinds de vorige avond aanzienlijk was toegenomen en hij de essentiële middelen om onder die omstandigheden een oversteek te realiseren miste. Uitdrukkelijk wees de kolonel op het ontbreken van ‘zijn’ pantserwagens en luchtafweermiddelen, subsidiair op het ontbreken van eigen vliegersteun. Voorts gaf de kolonel de generaal ter overdenking mee, dat zijn divisie een eventueel succesvol geslagen bruggenhoofd aan de westzijde waarschijnlijk ook niet zou kunnen uitbouwen, wegens de enorme kwetsbaarheid voor luchtaanvallen. General Van Andel overwoog de gerapporteerde situatie en besloot de Lichte Divisie een herziene opdracht te geven. De Lichte Divisie zou de Noord offensief gezien loslaten en daar slechts vasthoudend ontwikkelen en met haar hoofdmacht de Merwede oversteken, het Eiland van Dordrecht zuiveren, vervolgens de Kil oversteken en daarna via de brug bij Barendrecht alsnog naar het zuiden van Rotterdam oprukken.

[106] De sectie I moest het nieuwe bevel van de C-VH snel uitwerken in een gedetailleerd schriftelijk bevel dat aan alle ondercommandanten zou moeten worden verspreid. Om 1355 uur was het bevel door de C-LD goed bevonden en ondertekend en werd met de distributie begonnen. De strijd om de Noord agressief over te steken was daarmee formeel gezien voorbij. Kort nadien zouden op de westoever aanwezige militairen [het verband van luitenant Lampe] worden teruggehaald [het restant van de groep Falkenburg pas in de late avond].  

Een uitgebreide nabeschouwing

Alvorens een juiste en begrijpelijke beschouwing van de gebeurtenissen aan de Noord te kunnen geven, is het noodzakelijk beknopt naar de voorgeschiedenis van de Lichte Divisie te kijken.

De Lichte Brigade – die kort voor de Tweede Wereldoorlog tot Lichte Divisie was omgedoopt – was bij uitstek een eenheid die bedoeld was om het dynamische gevecht in een hoog tactisch spectrum te voeren. In normaal Nederlands betekent dit zoveel als dat de eenheid bedoeld was om zich snel op en naast het slagveld te kunnen verplaatsen, slagvaardig en slagkrachtig was opgebouwd zodat zij al met relatief kleine eenheden voldoende autonome vuurkracht had en bovendien in staat was om grotere tactische uitdagingen, zoals rivieroversteken, goed en kundig te kunnen uitvoeren. Met dat doel was de divisie ingericht in regimenten die beschikten over bataljons met – in vergelijking tot reguliere infanteriebataljons – aanzienlijke autonome operationele waarde en slagkracht, zoals een eigen PAG compagnie (met vier stukken; de compagnie was tevens bedoeld om een sectie geweren tegen pantser te krijgen), een eigen mortiersectie (met twee stukken) en een eigen aanvalsboten eenheid. De artillerie was geheel gemotoriseerd en opgeleid om snel verplaatsbaar te zijn en zodoende dynamisch samen te werken met de beide gevechtsregimenten infanterie. De infanteristische component was versterkt met een gepantserde eenheid bestaande uit twee eskadrons met moderne goed bewapende pantserwagens en twee regimenten motorhuzaren voor de snelle operationele interventie. Die beide eskadrons en regimenten huzaren konden over beide regimenten wielrijders worden verdeeld. De gepantserde component was de Lichte Divisie weliswaar afgepakt, maar had haar als eenheid, althans op papier, een divisie gemaakt die op de leest was geschoeid van de lichte eenheden die in weermachten elders in Europa gedurende het eerste deel van het interbellum alom op deze wijze waren ingericht.

Elders waren dergelijke lichte eenheden echter gedurende de jaren dertig met tankeskadrons versterkt, waarbij de Duitse landmacht voorop liep, maar de Franse landmacht evenzo op 10 mei 1940 al drie lichte divisies had met een zeer sterke tankcomponent. Die ontwikkeling was Nederland beslist niet ontgaan. In 1935 werd al gesignaleerd dat tanks mogelijk toegevoegd dienden te worden aan de Nederlandse landmacht als onontbeerlijk wapensysteem in de moderne oorlog. In 1937 werden de eerste formele schriftelijke verzoeken bij de Minister van Defensie [toentertijd de oud beroepsofficier en ARP Minister J.J.C. van Dijk] neergelegd voor de aanschaf van lichte en middelzware tanks. Die verzoeken waren afgewezen, waarbij de rol van (toenmalig) majoor Dijxhoorn – in de functie van chef kabinet op het ministerie – uiterst curieus bleek. Dijxhoorn meende - in navolging van sommige internationale 'strategen' - dat de oorlog in Spanje had bewezen dat tanks als wapensysteem achterhaald waren door de ontwikkeling van krachtige antitank wapens en het aanvalsvliegtuig en meende die opinie gestaafd te zien in de feiten die de Spaanse burgeroorlog naar voren had gebracht. Dat tijdens die oorlog slechts lichte tanks waren ingezet en dat de Duitsers daarbij het conflict vooral als tactische laboratorium gebruikten ontging de ‘high potential’ Dijxhoorn kennelijk volkomen. Het verdere verloop van de oorlog zou het volkomen gebrek aan inzicht terzake bij de in 1939 tot Minister van Defensie benoemde Dijxhoorn aantonen. Maar minstens zo opmerkelijk was dat de internationale militaire vakbladen en overige krijgskundige publicaties [het was toentertijd gewoonte dat strategen hun denkbeelden in boekvorm uitbrachten, als wetenschap] juist in de laatste vier jaar voor de oorlog eenduidig een tendens etaleerden van het specifiek rond een sterke tankcomponent opgebouwde modern leger. Duitse, Oostenrijkse, Franse en Britse experts publiceerden artikelen over de groeiende importantie van tanks op het slagveld en waren het er grosso modo over eens dat de middelzware en zware tank voor de moderne aanvalsoorlog een essentieel ingrediënt waren geworden. Uit de publicaties bleek voor de goede verstaander reeds hoe zwaar de Duitse, Franse en Britse strategen inzetten op de vorming van grotere geconcentreerde tankverbanden binnen hun respectievelijke landmachten.

Het is helaas een wijdverbreid misverstand dat de Nederlandse legertop deze ontwikkelingen miste. In tegendeel. Men zag in Den Haag dus al in de eerste helft van jaren dertig deze ontwikkelingen met argusogen aan, in het besef dat de landmacht (gegeven haar toenmalige uitrusting) weerloos zou zijn tegen die moderne wapensystemen. De eerste reflex was het aandringen op aanschaf van krachtige antitankwapens. In 1936 gevolgd door het ontwerpen van een behoefte voor ‘vechtwagens’ [zoals tanks in toenmalig jargon genoemd werden, wat een letterlijk vertaling was van het toenmalige Duitse begrip ‘Kampfwagen’], die in 1937 formeel naar het kabinet van de Minister werd verstuurd. Mede dankzij het negatieve advies tot aanschaf van de majoor Dijxhoorn, werd door de Minister negatief besloten op het verzoek van de [toenmalige] chef-staf luitenant-generaal I.H. Reynders. Ook smeekbedes van de legertop nadien leidden niet tot de overtuiging bij de Minister dat de aanschaf van tanks absoluut noodzakelijk was, wilde het Nederlandse leger een geloofwaardige weermacht nastreven. Toen in 1939 de inmiddels tot overste bevorderde Dijxhoorn zelf Minister van Defensie werd, was direct bij de legertop duidelijk dat het niet tot aanschaf van tanks zou komen. Zelfs toen in september 1939 het Duitse leger indruk maakte met haar lichte divisies in Polen, volharde Dijxhoorn in een afwerende houding als het aankwam op de aanschaf van tanks, hoewel ontplooide initiatieven op dat moment toch al niet meer tot tijdige aanschaf en oefening hadden kunnen leiden. Heimelijk door de defensie inkoopcommissies bij diverse leveranciers in opdracht gegeven voorontwerpen of zelfs prototypes, zoals bij Van Doorne, werden door het Ministerie in de kiem gesmoord. Zelfs een door Defensie gepoogde aanschaf van drie licht L.61 tanks van de al bij defensie bekende producent Landsverk in Zweden, aan te wenden ten bate van oefening van de infanterie in de ‘bestrijding van vechtwagens’, stuitte op bezwaren op het Ministerie. Nederland ging de oorlog in zonder vechtwagens en zelfs zonder er – althans voor de weermacht van het vaderland – serieuze inkoopgedachten voor te hebben ontwikkeld.

De Nederlandse Lichte Divisie was er daarom (op 10 mei 1940) één van de vorige generatie. En dat gegeven werd in de praktijk nog eens versterkt door twee andere kwesties. De eerste was het gegeven dat de Lichte Divisie ontdaan was van haar gepantserde component. In april 1940 waren wegens extra maatregelen tot beveiliging van de Vesting Holland het 1e Regiment Huzaren Motorrijders samen met beide eskadrons pantserwagens aan de sterkte ontnomen. Dat gegeven ontdeed de Lichte Divisie in feite van haar ‘bite’, omdat ze daarmee geen tactische eenheid meer in haar gelederen had, die snel en met voldoende bescherming en vuurkracht kon handelen. De tweede kwestie was dat de Lichte Divisie geen eigen luchtafweer component had, ondanks het feit dat – onwillekeurig haar nieuwe taken onder OLZ Winkelman (als vliegende brigade binnen de hoofdweerstand in te zetten waar dit operationeel het meest noodzakelijk was) – de aard van de geprognosticeerde inzet van de eenheid een dergelijke autonome luchtafweerafdeling aan alle kanten zou hebben gerechtvaardigd. Het gevolg van deze twee zaken was dat de Lichte Divisie in feite niets meer was geworden dan een relatief snel verplaatsbare vrij reguliere infanterie eenheid, ter grootte van een forse brigade, die zich slechts in twee opzichten van een reguliere infanteriedivisie positief onderscheiden kon: de algehele mobiliteit en de grotere autonome vuurkracht der bataljons. Voor het overige kende ze daarentegen t.o.v. een reguliere divisie als negatief onderscheid dat ze beduidend kleiner was, een zwakke artilleriecomponent kende en – zeker geldend voor de 3e bataljons der regimenten – zwak was geëncadreerd.

Qua kader en manschappen wordt de Lichte Divisie in menig geschiedkundig werk als elitair of tenminste als bovengemiddeld bezet (en geoefend) geportretteerd. Daarvan was op hoofdlijnen geen sprake, zij het dat de divisie relatief gezien over een aanzienlijke en goed opgeleide staf beschikte, mede veroorzaakt door het in haar organisatie opnemen van een afzonderlijke staf, die als operationele tweede staf kon fungeren in het geval de divisie zou worden opgedeeld in twee min of meer autonoom opererende verbanden. Tegelijkertijd was de commandant van 1.RW alsmede die van de helft van de commandanten van de bataljons wielrijders reserve-officier en dus geen beroepsofficier. Onbegrijpelijk voor een eenheid met (op papier) zo'n zware en prominente taak, daar het de enige werkelijke manoeuvre eenheid van de gehele landmacht was. Lager in de organisatie – met name binnen de bataljons – was bovendien sprake van een grote onderbezetting van officiersfuncties. Er waren compagnieën bij met slechts twee officieren. Er was relatief een zeer groot contingent aspirant officieren en niet slechts bij de kort voor de meidagen geëncadreerde 3e Bataljons. Daar kwam bij dat de organisatie van de 3e Bataljons nog niet was voltooid, deze nog niet beschikten over eigen Atos boten, een relatief groot deel half opgeleide rekruten was ingestroomd en sommige secties ver beneden de sterkte waren. Het gegeven dat hun zware mitrailleurs van het type Vickers waren in plaats van Schwarzlose - in menig publicatie onterecht als nadeel genoemd - was in feite geen verzwakking. De Vickers waren minstens zo betrouwbaar als de Schwarloze en bovendien enige kilo’s lichter.

Ondanks alle voorgaande aantekeningen, was de Lichte Divisie bij uitstek het onderdeel dat binnen de Nederlandse landmacht geschikt zou (moeten) zijn voor de haar door de C-VH in de middag van 10 mei 1940 opgedragen taak. Het was zelfs zo dat de divisie bedoeld was om een operatie uit te (kunnen) voeren zoals haar werd opgedragen, namelijk het oversteken van een rivier en het zich vervolgens aan de overzijde snel ontwikkelen. Niet voor niets had zij Atos aanvalsboten en pontonboten van de compagnie pontonniers om snel enige compagnieën over een waterbarrière te kunnen zetten en autonoom een bruggenhoofd te laten slaan. De opdracht aan de divisie door de C-VH was in die zin dan ook een bevel dat op geen enkele wijze kritische kanttekeningen hoeft op te leveren anders dan de armoedige informatie die C-VH aan de C-LD meegaf, zoals uitgebreid besproken is bij de beschouwing van gebeurtenissen op 10 mei 1940. Het was de divisiecommandant zelf die in de avond van 10 mei aantoonde niet over het militaire gogme te beschikken dat paste bij zijn commando. Overigens toonde de rest van het hoger kader op de 11e mei aan dat de divisie slechts op papier juist voor dit soort sterk maritiem georienteerde manoeuvres was voorbereid.

Brug Alblasserdam

De Lichte Divisie had op 10 mei in de avond beslist een snel succes kunnen behalen als direct handelend was opgetreden door kolonel Van der Bijl. Op dat moment bevonden zich hoogstens twee tot drie dozijn Duitsers aan de westoever van de Noord, terwijl de kolonel zelf reeds over een bataljon infanterie beschikte. Er deed zich een gelegenheid voor – het bij verrassing nemen van de verkeersbrug tegen een zwak geachte tegenstander – die in het Duitse leger in mei en juni 1940 juist zo vaak direct werd uitgebuit en als zodanig de voorname tactische en daardoor operationele winsten opleveren zou die uiteindelijk tot de snelle overwinning in België en Frankrijk geleid hebben. Het Nederlandse beroepskader was echter in de Franse leer geschoold, waarbij een uitgebreide voorbereiding en hecht dispositief bijkans heilig was verklaard. Niet het uitbuiten van krijgskansen en effectieve concentratie van mensen en middelen was erin gehamerd, maar het bewaren van organisatie en uitgebalanceerde brede ontplooiing. Het beslis-zwaartepunt lag bij risicobeheersing, niet bij kansen uitbuiten. Het was precies binnen dat oerconservatieve kader dat de kolonel Van der Bijl handelde. Hij waande zijn divisie te ongeoefend in het nachtelijke gevecht en zijn organisatie te ver opgerekt en te onstabiel – wegens de vele nog gaande verplaatsingen – om direct handelend op te treden. Zelfs indachtig het gegeven dat hij geen middelen voorhanden had om de brugovergang bij daglicht met kracht te forceren of om het groot gewaande luchtgevaar af te weren, besloot de kolonel tot een uitstel van handelen tot de volgende dag.

Het was een tactische doodzonde, maar tot stand gekomen vanuit een archaïsche militaire opleiding. Een opleiding waarbij gedurende het laatste decennium voor de oorlog – de periode waarin tactiek en operationele werkelijkheid een grote vlucht hadden genomen – er geen enkele aandacht was gegeven aan de modernismen in de krijgskunst. Daar waar die aandacht er wel was, betrof het de piepkleine kring rond de Hogere Krijgsschool [HKS]. De elite van subalterne officieren, die elkaar gratuit vliegen stond af te vangen in het elitaire militaire vakblad Militaire Spectator [MS] en daarin etaleerden dat het Nederlandse leger qua modernismen volkomen afhankelijk was van zeer selectieve groep eigenzinnig subaltern kader, dat opvallend veel leerstoelen innam aan de HKS en KMA, zonder dat zij zich dit militair-intellectueel konden permitteren. De artikelen in de MS tussen 1935 en 1940 tonen die elite aan subalterne officieren zelfs zodanig zelfgenoegzaam, dat ze meenden de kennis van zaken te hebben gerenommeerde internationale strategen te kunnen corrigeren en allerhande internationale lessen in tactiek eigenzinnig kritisch aanpasten en tot onwerkelijke eigen theoriën ontwikkelden. Dat vormde de lesstof voor de studenten aan de HKS in die periode. Alle officieren der Generale Staf – officieren die hun HKS opleiding voordien al hadden genoten – werden nauwelijks in de wetenschap van moderne krijgskunst geschoold. Zij die wel werden geschoold deden dit vanuit autodidactiek, maar werden niet vanuit Defensie zelf daartoe aangezet. De smalle militaire top kenmerkte zich vooroorlogs door een opmerkelijke zelfgenoegzaamheid en onwerkelijk elitair denken. Hoe funest dit was bleek uit den treure tijdens de meidagen van 1940, toen het ronduit zwakke militaire beleid de ene onnodige en/of ontijdige lokale nederlaag na de andere opleverde. En voor datzelfde zwakke militaire beleid verschool - zonder enige uitzondering - iedere hoofd- en opperofficier zich naoorlogs. Het was allemaal de schuld geweest van het gebroken geweertje en de politiek. Men was volkomen blind voor de eigen incompetentie en vooroorlogse zelfgenoegzaamheid. Het was exact die moraal onder de hoogste legerofficieren geweest, die ertoe leidde dat in mei 1940 de hoogste officieren met veldcommando’s – zoals de kolonel Van der Bijl – opzichtig faalden op het slagveld. Ze faalden tactisch, operationeel en organisatorisch. Het was hom noch kuit. Overigens in goed gezelschap van hun Franse evenknieën, aan wiens 'kennis en kunde' men zich zo lange tijd had gelaafd.

Kolonel Van der Bijl faalde dus opzichtig om in de avond van 10 mei het juiste besluit te nemen en stelde de oversteek over de Noord uit tot de volgende ochtend. Daarin werd hij niet gecorrigeerd door de C-VH, die zich gedurende de meidagen qua operationele commandovoering opvallend indolent zou opstellen jegens zijn ondercommandanten. Ook toen de C-LD zich de volgende dag kort voor het middaguur opnieuw telefonisch meldde met een boodschap dat zijn divisie er niet in geslaagd was de Noord over te steken en bovendien geen kansen zag daarin alsnog te slagen, was de C-VH onmiddellijk bereid dat te aanvaarden. Het falen van de op papier tactisch best geoutilleerde veldlegereenheid was zelfs aanleiding voor de C-VH om een nog veel ambitieuzere opdracht te verstrekken. Als het niet rechtstreeks lukte om op IJsselmonde te geraken en door te kunnen stoten naar Waalhaven, dan maar indirect. Er werd de kolonel Van der Bijl opgedragen via het Eiland van Dordrecht naar de Hoekse Waard op te trekken en via de Waard de Oude Maas over te steken, waarna men via het zuiden op Waalhaven moest opmarcheren. ‘Tussen de bedrijven door' moest de Lichte Divisie de Duitse weerstand op het Eiland van Dordrecht oprollen.

Een opdracht van de C-VH waar de lichtzinnigheid en het totale gebrek aan inzicht vanaf spatte! Onwerkelijk was het dat een eenheid die even voordien was tegengehouden door een bescheiden contigent Duitsers, zich kennelijk in de ogen van de C-VH wel uitstekend leende om drie waterpartijen over te steken, onderweg vele honderden parachutisten uit te schakelen (die voordien er 'slechts' in geslaagd waren talloze Nederlandse verbanden te overwinnen of te verdrijven) en via de ook al door de Duitsers bezette Oude Maas er wel in zouden slagen een operatie succesvol te volbrengen, die men met zijn hoofdmacht langs de Noord tot een totale mislukking had zien worden. Men kan met gerust hart (en zonder dat er sprake is van wijsheid achteraf) vaststellen dat de C-VH totaal onwerkelijk in de materie stond. Kolonel Van der Bijl was allang blij van zijn missie aan de Noord verlost te zijn en stribbelde vast niet tegen, hoewel dat een suggestie is van auteur dezes. Bovendien zal hem niet de juiste informatie zijn verschaft. De staf C-VH had in feite alle juiste gegevens over de Duitse weerstand voorhanden, want zij werd vanuit de Groepen Kil en Spui alsmede het kantonnement Dordrecht regelmatig op de hoogte gehouden. C-VH had de vele uitdagingen voor de Lichte Divisie op haar nieuwe pad kunnen weten. Het ontbrak hem c.q. zijn staf slechts aan de juiste sterktegegevens. Maar hoe onwerkelijk was het de Duitse sterkte te blijven onderschatten – en de Nederlandse krijgskunsten te blijven overschatten – terwijl er werkelijk niet één operationeel succes was geboekt door Nederlandse eenheden sinds 10 mei 0400 uur? Hoe onwerkelijk was het dat in de ochtend van 11 mei C-VH aan de chef-staf Groep Kil duidelijk maakte dat aanvoer van artilleriemunitie niet aan de orde kon zijn wegens de Duitse wurggreep rond het Zuidfront, maar dat terzelfder tijd aan C-LD een opdracht werd gegeven datzelfde Duitse cordon niet alleen te doorbreken, maar zelfs op te ruimen? Dat, nadat diezelfde eenheid zojuist had aangetoond een door de Duitsers licht verdedigde rivier niet eens te kunnen overschrijden. Waarom zou men meer succes hebben bij de overschrijding van de Oude Maas, waarvan C-VH wist dat deze door de Duitsers fel verdedigd werd? Het zijn vragen waarop geen antwoord meer zal komen, maar die wel door de sectie operatieën van de staf VH beantwoord moeten zijn alvorens zij een opdracht als voornoemd aan de C-LD gaven. En kennelijk zag die staf aanleiding die vragen zodanig te beantwoorden dat de kansen reëler leken om via een grote omweg vol obstakels het eiland IJsselmonde te bereiken dan rechtstreeks via de Noord. Of was men er in Den Haag vanuit gegaan dat aan de Noord een grote Duitse macht lag en dat de Duitse sterkte elders aanmerkelijk zwakker zou zijn?

De operatie van de Lichte Divisie langs de Noord was er één met twee gezichten. Allereerst kan men de zaak beschouwend niet anders dan vaststellen dat het wederom aan moed en inzet bij de uitvoerende militairen bepaald niet ontbroken had. De beide overgezonden groepen wielrijders toonden zich doortastend, mede dankzij prima sectiecommandanten, die de groepen aanvoerden. Zij handelden geheel in de geest van het takenportfolio waar een eenheid van de Lichte Divisie zich voor gesteld zag. De oversteek van het verband Lampe was beduidend minder doortastend, waarbij de zwakke rol van de luitenant Lampe zelf hoogstwaarschijnlijk de doorslag gaf. Er ging niets van deze aanvoerder uit wat tot resultaat had dat men weliswaar met een zeventigtal manschappen succesvol overstak, maar vervolgens passief een bolwerkje vormde aan de westoever zonder zelfs maar een fractie van initiatief te tonen. De cruciale rol van de bevelvoerder bij de prestatie van een eenheid wordt met deze drie acties weer eens aangetoond.

Het andere gezicht was dat van de uiterst zwakke leiding op bataljons- en regimentsniveau. De bataljonscommandanten faalden opzichtig in hun horizontale communicatie. Daarbij spande 2.RW de kroon, mede dankzij een falende C-2.RW [RC], die zijn beide bataljons niet collectief aanstuurde en niet de onontbeerlijke liaison tussen beide bataljonscommandanten vormde, maar ze individueel leidde. Zo kon het gebeuren dat een bestaande telefoonverbinding tussen C-II-2.RW met ‘zijn’ patrouille (luitenant Boerman) aan de westzijde van de Noord in het geheel niet gebruikt werd bij de oversteek die later op de ochtend door het grotere verband Lampe werd gemaakt vanuit het bataljonsvak van I-2.RW. De C. I-2.RW wist niets van die verbinding, maar C-II-2.RW op zijn beurt niet van de op handen zijnde actie in het nevenvak. En het was nu bepaald niet zo geweest dat de beide bataljons zo ver van elkaar af lagen dat er bezwaren aan te voeren waren om de cross-unit communicatie goed te voeren. In tegendeel. Men lag op een steenworp afstand van mekaar en beide commandanten hadden een werkende verbinding met de RC. Het effect van deze non-communicatie was niet alleen dat de communicatie na de oversteek van het verband Lampe volledig overbodig uiterst moeizaam middels een sluiterlampverbinding verliep, maar tevens dat de groep Boerman geen aansluiting kon maken met het verband Lampe (wat een niet onaanzienlijke gezamenlijke sterkte van circa 95 man zou hebben opgeleverd) en men zelfs op elkaar begon te schieten in de veronderstelling met ‘de vijand’ te maken te hebben! Dat, terwijl juist deze door de Nederlanders bezette locatie op de westoever bij uitstek het zwakke punt in het Duitse dispositief blootlegde. Indien de bijna 100 man ten zuiden van Oostendam zich hadden kunnen verenigen en zich vervolgens initiatiefrijk hadden opgesteld, waren de kansen beslist tastbaar geweest om de ongeveer 60-70 man Duitse bezetting bij de brug in elk geval het vuur zodanig aan de schenen te leggen, dat een geslaagde oversteek over de brug door Nederlandse troepen vanuit het oosten wellicht tot de mogelijkheid zou hebben behoord. Het is koffiedik kijken welke kansen men zou hebben kunnen afdwingen of verzilveren, maar zeker is dat men de kansen of mogelijkheden die er waren, mede door ronduit slecht beleid, niet pakte.

Dat koffiedik kijken geldt nog een andere overweging. Want waarom werd er zo lang gedraald tussen de eerste geslaagde overzetpoging, die al om 0400 uur was afgerond, en het nasturen van extra troepen? Tussen 0400 uur en de inzet van het verband Lampe zaten bijna zes uur! Voordien had men botweg de boten van de pontonniers geweigerd, want die achtte men te lomp en kwetsbaar. Het vuur op de zuidelijke oever was echter lange tijd minimaal geweest. Had men binnen een of twee uur na de geslaagd oversteek van de groep Boerman, enkele boten nagestuurd, dan had men snel bij Boerman kunnen aansluiten met alle kansen van dien. In werkelijkheid dacht men het met levensgevaarlijke acties zoals een stormloop over de door de vijand beheerste brug te doen. Daar nam men opeens wel grote risico’s, maar met boten in de redelijk luwe zuidelijke sector oversteken vond men te riskant! Toen om even voor 1000 uur de ijzeren platbodem met het verband Lampe werd overgestuurd kreeg men nauwelijks vuur te verwerken. Vier uur later kon men ditzelfde verband zelfs zonder enig probleem met een gepraaid schip terugnemen over de rivier! Het geval toont slechts aan hoe weinig doortastend de divisie was geweest en welke kansen men had laten liggen in het vak van 2.RW.

De RC 2.RW – overste Mijsberg – faalde niet alleen opzichtig in het cross-unit coördineren van zijn bataljons, maar hem was minstens zo hard aan te rekenen dat hij welbewust de voorhanden artillerie [II-KRA] niet wenste in te zetten, omdat die mogelijk bij een beschieting uitlopers tussen de eigen patrouilles aan de overzijde zouden kunnen schieten. Ook die gedachte was een baby uit een archaïsch vormgegeven kaderopleiding. Het zou elders in Nederland evenzo leiden tot onwerkelijk grote marges die gehanteerd zouden worden bij tactische artilleriesteun. Men hanteerde een marge van 250-300 meter tussen eigen infanterie en het dichtstbij vallende eigen artillerievuur. Een dergelijk uitgangspunt was wellicht nog aanvaardbaar voor granaatkartetsvuur [vuur dat met een versnelde ontsteking boven de grond tot een scherf- of projectielhagel moet leiden en daardoor een grote spreiding kent], maar voor schokbuisvuur een marge die in die dagen van uitstekend te richten artillerievuur veel te groot was. Te meer daar men gezien de korte dracht een zeer beperkte spreiding zou hebben en bovendien volledig waargenomen vuur kon afgeven. Daarbij komt nog dat de RC met zijn maatregel ook voorkwam dat het diepere vijandelijke echelon beschoten kon worden, wat sowieso tot indirecte steun kon leiden om de vijand te hinderen bij de aanvoer van versterkingen. Zou overste Mijsberg – als regimentscommandant binnen de Lichte Divisie – zich ook maar enigszins hebben georiënteerd in bijvoorbeeld de Duitse publicaties gedurende WOI en tijdens het interbellum inzake operaties waarbij rivieren worden overgestoken, dan had hij meegekregen dat bij dergelijke complexe operaties juist de inzet van geschut van groot, ja zelfs wezenlijk belang was. Daarbij is het ook onbegrijpelijk dat het voor direct vuur uiterst geschikte 7-veld niet deels – bijvoorbeeld een sectie of een batterij – naar het eerste echelon werd gehaald. Het voor direct vuur tegen zachte doelen beduidend minder geschikte PAG werd overigens ook nauwelijks ingezet. Er is daarom alle aanleiding de overste Mijsberg een aanzienlijk deel van de verantwoordelijkheid toe te dichten voor de mislukte actie van zijn bataljons.

De andere RC – reserve overste Van Gennep – toonde zich nauwelijks bekwamer dan zijn evenknie, hoewel hij in tegenstelling tot zijn collega van het 2e Regiment geen beroepsofficier was. Zijn regiment kwam later in Albasserdam aan en had als zodanig ook geen kans zich bij verrassing naar de overzijde te bewegen. In die zin was de rol van 1.RW bij voorbaat anders en minder ‘eenvoudig’. De merkwaardige poging van 1.RW om een oversteek van de Noord te plegen bij de bocht in de (Kinder)dijk, precies tegenover de Oude Bospolder, toonde de C.1.RW een weinig bedreven kaartlezer en tacticus. Bovendien valt hier opnieuw op dat de cross-unit communicatie slecht was. C-1.RW wist kennelijk niets van de eerdere (geslaagde) poging van 2.RW met de beide patrouilles en de daaropvolgende Duitse vuuropening. Maar zeker is dat de commandanten van zijn beide bataljons dit wél wisten, want zij waren – overigens op hun eigen initiatief – door majoor J. de Bie [C.II-2.RW] tijdens voorverkenningen in de ochtend rond 0500 uur geïnformeerd omtrent de landingen aan de overzijde. Die kennis werd mogelijk onzorgvuldig gedeeld, want niet alleen leek C-1.RW er niet van te weten, maar bovendien waren het juist de troepen van III-1.RW die fel op de Oude Bospolder zouden schieten toen zich daar de hopeloze zwaar gewonde luitenant Falkenburg vertoonde! De conclusie over de wezenloosheid van de overzetpoging wordt nog sterker als men - indachtig de wetenschap bij de BC'n van de overgezette patrouilles - bedenkt dat de beide bataljonscommandanten juist de initiatoren waren van de overzetpoging van een sectie infanterie juist tegenover de Oude Bospolder. Als men vervolgens de stafkaart pakt [zie afbeelding daarvan bovenaan deze pagina] dan kost het zelfs een leek geen moeite vast te stellen dat de Oude Bospolder omzoomd werd door een brede sloot aan de westzijde, daar waar zij aan de zuidzijde de monding van de Kleine Noord als obstakel kende. Het landen op dat punt – zeker met de kennis van een dergelijke operatie bij het nevenbataljon van 2.RW in de ochtend – was dus alleen al vanuit dat uitgangspunt ondoordacht.

Er was voor 1.RW maar één locatie logisch geweest om een oversteek te maken en dat was in het noorden van Kinderdijk tegenover Slikkerveer. Op iedere locatie tussen de Oude Bospolder en het noorden van Ridderkerk zou men immers landen op door water doorsneden polderland, wat iedere vorm van ontwikkeling van de gelande eenheid zou blokkeren, nog los van het gegeven dat men geen enkele dekking zou hebben. 1.RW ontwikkelde zich echter direct ten noorden van de Alblas, waarbij echter opviel dat haar 2e Compagnie (verstandig genoeg) via Kortland naar de Lek trok en vervolgens langs de Lek en de Noord afzakkend richting het veerpont bij Ridderkerk toog. Onderweg werd men tot aan Kinderdijk niet beschoten, maar kennelijk was dat gegeven onvoldoende om het kwartje te doen laten vallen dat er tegenover Slikkerveer wellicht kansen lagen. Dat die er lagen blijkt wel uit het Duitse rapport van IR.16. Slechts mobiele patrouilles van 5./IR.16 – dat in hoofdzaak aan weerszijde van Ridderkerk lag – bewaakten de gehele oever tussen Slikkerveer en het dorp IJsselmonde. Er werd echter strikt geluisterd naar de instructies van de RC, en die waren weer een vertaling van die van C-LD. Men werd geacht een aaneengesloten dispositief te ontwikkelen tussen de veerpont van Kinderdijk en de Sofia Polder. Het gevolg was dat 1.RW tegenover het sterkste deel van de geïmproviseerde Duitse verdediging lag, in een kruisvuur van vrijwel alle beschikbare Duitse wapens. Uiteraard kan men het commando van 1.RW onmogelijk euvel duiden dat zij het zwaartepunt van de Duitse verdediging tegenover zich hadden, maar men verzuimde nadrukkelijk zelf initiatief te ontplooien om een geschikte oversteeklocatie te vinden. En dat terwijl men er gewoon langs gemarcheerd was! Een en ander leidde ertoe dat 1.RW, met uitzondering van de al in de kiem gesmoorde poging rond 0730 uur tegenover de Oude Bospolder, geen enkele oversteekpoging waagde.

Met het aanzienlijke potentieel aan troepen dat de Nederlanders aan de Noord hadden liggen, was het initiatief dat daarmee werd ontwikkeld dus onwerkelijk klein gebleven. Dat gold vooral voor het vak boven de Alblas. In harde cijfers lagen er circa 2,500 man troepen op de ongeveer 3 kilometer brede strook tussen Kinderdijk en Sofia Polder. Zij lagen tegenover ongeveer 120-150 Duitsers in diezelfde sector. Het doet qua verhoudingen haast denken aan een facet uit de strijd om de Maaslinie, maar dan met een omgekeerd scenario en zonder verdedigers die in voorbereide kazematten of loopgraven lagen. Daar waar de Duitsers langs de Maas moedig het vuur der versterkt opgestelde Nederlandse vuurorganen trotseerden en een eventueel mislukte poging door een nieuwe of een enigszins verlegde poging deden volgen, waren enkele slachtoffers aan Nederlandse kant (waarvan slechts één tijdens - de voorbereiding op - een oversteek) voldoende om iedere poging nadien als ‘ondoenlijk’ te afficheren. Als men voorts bedenkt dat er slechts acht doden aan Nederlandse kant vielen, waarvan bovendien slechts vier bij de groepen met de geslaagde oversteekpogingen, dan kan men zich afvragen welke tol Nederlandse bevelhebbers bereid waren te betalen voor een doortastende operatie. De acceptatie van een aanzienlijke slachtofferrol was bepaald niet aanwezig in het Nederlandse leger, dat na 1815 in het vaderlandse theater geen felle strijd meer had gekend. Ook de opgetekende ervaringen van de slagvelden van WOI hadden kennelijk niet tot de inzichten geleid dat een doortastende landsverdediging een hoge tol kon eisen. Daarvoor kan op zichzelf menselijkerwijs alle begrip bestaan, maar hoe een dergelijke overweging in verhouding stond tot een juiste afweging om dan als alternatief een veel ambitieuzere opmarsroute te kiezen, die de divisie dwars door, door sterke vijand beheerst gebied moest leiden en vervolgens alsnog voor een door de vijand bezette waterbarrière [Oude Maas] moest brengen, is daarmee niet verhelderd.

Het is beslist eenvoudiger om ruime tijd na een oorlog, met alle gegevens voor de neus, met de ontbrekende oorlogsdruk de wijsheid in pacht te hebben. Desondanks lijkt het niet slechts een eenvoudige vaststelling achteraf dat de Lichte Divisie op 11 mei in de ochtend aan de Noord niet alleen tastbare kansen had (en verzuimde te verzilveren), maar ook bepaald niet uitblonk in het efficiënt en doortastend inzetten van de beschikbare mensen en middelen. Binnen de argumenten tijd, ruimte, mensen, middelen en doel slaagde de Lichte Divisie bepaald niet in het bereiken van aansprekende resultaten. In tegendeel - de bevelhebbers van de divisie hadden opvallend slecht gepresteerd.

General Student’s meesterzetten

De Duitsers waren zich in het geheel niet bewust dat de Nederlanders [C-LD] al ruim voor het middaguur besloten hadden dat de oversteek van de Noord onuitvoerbaar was. De Duitsers waren zelfs in de veronderstelling dat de hoofdaanval nog moest komen. General Student zelf had bij Hendrik Ido Ambacht een drietal krijgsgevangenen (mede) ondervraagd en geconstateerd dat men met Wielrijders van doen had. In hoeverre hij op dat moment reeds de informatie voorhanden had dat hij met de hoofdmacht van de Nederlandse Lichte Divisie te maken had, zal nooit duidelijk worden. Zijn door Hermann Götzel geschreven memoires [500] doen dunken van wel. Götzel beweert daarin dat bij het bezoek van de generaal [in de ochtend van 11 mei, rond 0800-0900 uur] gevangenen van 1.RW en 2.RW werden ontmoet [500: blz 129]. Dat is echter een overdrijving, want geen enkele militair van 1.RW bereikte de overzijde van de Noord. De drie militairen die Student ontmoette waren alle drie van de patrouille Falkenburg en zelfs als hij al één van de twee van de andere patrouille gevangen genomen militairen (van de patrouille Boerman) sprak, dan nog waren die ook van hetzelfde bataljon [II-2.RW]. Ook de oversteek die later op de ochtend plaatsvond, van het verband Lampe, kwam voort uit 2.RW. 

Een compleet divisie-KTB van 7.FD is helaas nooit aan de oppervlakte gekomen, dus een vaststelling op papier dat Student werkelijk in de ochtend van 11 mei zich tegenover de hoofdmacht van de Lichte Divisie waande is niet te verkrijgen. De schijn dat hij dit in werkelijkheid pas ruim na de meidagen vaststelde, wordt in zijn memoires door Hermann Götzel nadrukkelijk gewekt, doordat deze uitvoerig vertelt hoe Student op basis van het boek van luitenant-kolonel der Generale Staf P.L.G. Doorman [over de strijd op Nederlandse bodem in de periode 10-17 mei 1940] zijn finale beeldvorming kreeg [500: blz 134]. Desalniettemin was het Kurt Student en zijn chef-staf Major Trettner duidelijk dat een aanzienlijk Nederlands veldlegerverband aan de Noord lag. De informatie die de Nederlandse krijgsgevangenen gaven, hadden dit bevestigd. Aan Duitse kant was echter zonder enige twijfel onduidelijkheid over het gegeven dat het de Lichte Divisie wel was die men aantrof. Die was immers volgens hun beste weten – de bijlagen van de restanten van de KTB van 7.FD tonen het aan – in Noord-Brabant en daarmee was aanwezigheid van diezelfde eenheid aan de Noord, al in de avond van 10 mei, ongeloofwaardig. In ieder geval bleef XXVI.AK – het in Noord-Brabant opererende Duitse hoofdverband – onwetend van het vertrek van de Lichte Divisie uit de sector en zou daarvan pas vernemen nadat de kolonel Schmidt (of één van zijn stafofficieren) na zijn gevangenneming daarover direct doorsloeg op 12 mei. Er is echter weinig aanleiding te denken dat men in Duitsland op Student zijn eventuele melding van de Lichte Divisie aankomst aan de Noord positief of bevestigend heeft gereageerd - als men er al van vernam. Student zal dus naar alle waarschijnlijkheid niet overtuigd zijn geweest dat de Lichte Divisie met haar hoofdmacht was gearriveerd, maar het hoogstens vermoed hebben. Het is overigens zelfs heel sterk de vraag of de generaal überhaupt in contact met Duitsland stond in de betreffende nacht en ochtend, want de verbindingen waren ronduit slecht en zijn eigen vliegende verkenningseenheid op Waalhaven was vrijwel geheel lamgelegd. Dat er echter sterke Nederlandse verbanden aan de Noord waren gearriveerd, was hem in de nacht en de daaropvolgende ochtend van 11 mei wel duidelijk geworden.

Het weerhield de Duitse generaal er niet van om brutaal te opereren. Kurt Student is naoorlogs niet als groot strateeg of als kundige bevelhebber van grotere verbanden geportretteerd. Hij wordt echter wel alom gezien als een buitengewoon kundige troepencommandant en tacticus (2). En inderdaad vertoonde hij die kunsten tijdens de meidagen, hoewel daarbij gezegd moet worden dat hij nauwelijks door zijn tegenstander op de proef werd gesteld. Hermann Götzel verklaarde Student zijn tactische besluitvorming naoorlogs als volgt:

» General Student hatte sich bei der Vorbereitung des Unternehmens sehr sorgfältig mit den Führungsgrundsätzen und der Mentalität seiner holländischen Gegner beschäftigt. Er rechnete damit, dass sie schwerfällig führen und kühne Entschlüsse scheuen würden. Viele seiner eigenen Entschlüsse wurden von ihm unter dieser Voraussetzung gefasst. Die damit verbundenen Risiken nahm er bewusst in Kauf. Diese kühne Wagen nach sorgfältigem Wägen war eine wichtige Voraussetzung für den Erfolg des Unternehmens; denn die holländische Führung beging tatsächlich die meisten der von Student erwarteten Fehler. Sie nutzte die Leistungsfähigkeit ihrer durchweg guten Truppe bei weitem nicht aus

(2) Dit lijkt vooralsnog - zonder bronvermelding - een ongesubstantieerde aantekening van auteur dezes. Het zal echter ter zijner tijd in een uitgebreide analyse van de Duitse bevelvoering nader worden onderbouwd. Over Student zijn in algemene zin én in specifieke zin vrij veel beoordelingen op papier gezet. In recente werken over de Fallschirmjäger van onder meer Karl-Heinz Golla [501], Hans-Martin Stimpel [524] en Günter Roth [526] wordt de generaal bijvoorbeeld regelmatig beoordeeld. Zo wordt onder meer geschetst hoe Student zelf opteerde voor de risicovolle operatie 'Merkur' [Kreta] met vooral als motivatie zijn om actie mekkerende troepen. Student was ook zelf de gene die aanbood de actie heel snel te ontwerpen. Het toonde hem een opportunist, een beschuldiging die hem meermaals voor de voeten wordt geworpen door criticasters. Tevens wordt besproken hoe hij - als Kommandierend General des Luftlandekorps - meermaals bewust werd gepaseerd als het op strategische zaken aankwam. Dat gebeurde - volgens de voornoemde auteurs - zelden wegens motivatie vanuit machtsstrijd, maar vooral omdat zijn bijdrage slechts operationeel als waardevol werd gewogen. Student werd wel algemeen geroemd om zijn onverschrokkenheid en zijn moed, door zich met grote regelmaat tijdens gevechten of beschietingen in de voorste linie te bewegen. Zoals gezegd, t.z.t. wordt de hier (in de tekst) gedane bewering met uitgebreide bronverwijzing nader onderbouwd.

Hoewel onmogelijk is vast te stellen of Götzel werkelijk de uitgangspunten beschrijft die op 10 mei 1940 (en de dagen nadien) als onderlegger fungeerden onder de besluiten van Kurt Student, tonen de daden van de generaal inderdaad een analoog aan Götzels beschrijving ontwikkeld beleid tijdens de oorlogsdagen. Student nam inderdaad – op papier – grote risico’s bij de ontplooiing van zijn troepen en vond zijn chef-staf daarin lang niet altijd aan zijn zijde. Dat Student zelf uiterst gespannen raakte onder die omstandigheden en de genomen risico’s ook werkelijk als zodanig ervoer, neemt wel iets van de glans weg die Götzel eraan tracht te geven; nog los van de overdrijving dat de Nederlandse tegenstander en 'gute(n) Truppe' was. Feit is dat Student in mei 1940 de juiste keuzes maakte. In de nacht van 10 op 11 mei nam hij een reeks besluiten die de beschrijving van Götzel, zoals hierboven geciteerd, duidelijk ondersteunen.

Kurt Student had te maken met de klassieke afwegingen van een bevelhebber met structureel te weinig troepen en middelen om een alom aanwezige tegenstander te bestrijden. Hij voerde in feite vanaf de middag van 10 mei goeddeels een verdedigingsoorlog en niet één op een linie maar in een ‘Kessel’. Want in de eerste uren waren alle objectieven van de operatie bereikt: de bruggen bij Moerdijk, Dordrecht / Zwijndrecht en in het hart van Rotterdam waren onbeschadigd in handen gekomen of werden met vuur beheerst (ter voorkoming van vernieling achteraf). Bovendien was het vliegveld Waalhaven in bezit en kon de operatie aldaar dus logistiek worden ondersteund. Vanaf dat moment draaide de operationele crux dus om behoud van die vier behaalde doelen. Van deze vier objectieven waren de Moerdijkbruggen bij lange na het voornaamst. Verlies daarvan zou catastrofaal zijn voor de gehele Duitse operatie vanuit het zuiden. Bijna net zo belangrijk vond Student de bruggen bij Zwijndrecht / Dordrecht. Minder van belang achtte hij daarentegen die in Rotterdam. Hij was zelfs bereid die bruggen te laten schieten als hij de rest van de corridor maar kon beveiligen, getuige ook zijn herhaalde instructies aan C-III./IR.16 terug te trekken op het Noordereiland of zelfs op Rotterdam-Noord als vernietiging van het bruggenhoofd aldaar dreigde. Student volgde dus een triage, waarbij Moerdijk en Dordrecht het voornaamste waren.

Binnen die prioriteitstelling paste zijn besluit om in de nacht van 10 op 11 mei het vliegveld Waalhaven van vrijwel alle beveiliging te ontdoen en III./FJR.1 te herenigen met zijn regimentscommandant door hen naar het Eiland van Dordrecht te sturen. C-FJR.1 kreeg van Student de uitdrukkelijke instructie met die troepen het bruggenhoofd Moerdijk veilig te stellen (wat geschiedde door 12./FJR.1 noord van de bruggen te ontplooien en heel II./FJR.1 ten zuiden ervan) en met de overige troepen het bruggenhoofd bij Dordrecht uit te breiden, maar in elk geval zodanig te beveiligen dat de bruggen niet bedreigd werden. Dordrecht zag de generaal als het meest kwetsbare punt in zijn corridor. Tegelijkertijd was de dreiging die aan de Noord was gemeld – kort voor middernacht – gepareerd door twee compagnieën infanterie naar de Noord te sturen, ondersteund door enige stukken PAK en de enige voorhanden batterij artillerie van 22.ID. Het gevolg van deze beide instructies was echter dat er toen geen vrije eenheden meer waren op enkele kleine (onvolledig) gelande compagnieën van IR.16 en IR.65 na. De staf van Student maakte daarom bezwaar tegen het verplaatsen van III./FJR.1 naar Dordrecht, maar verloor het pleit. De generaal drukte door.

Student besloot tevens gedurende de nacht om zijn hoofdkwartier vanuit de school in Rotterdam Zuid te verplaatsen naar Rijsoord. Die locatie lag niet alleen in het hart van zijn corridor, maar tevens dichtbij het epicentrum der gebeurtenissen. Immers, aan de Noord drongen de Nederlanders aan en in Dordrecht spande het er zelfs om (binnen de Duitse perceptie). Daarnaast lag Rijsoord zodanig centraal aan de rijksweg naar Rotterdam, dat het logistiek gezien eveneens een uitstekende locatie zou zijn als er aansluiting met XXVI.AK zou komen. Tegelijkertijd lag het op steenworp afstand van Hendrik Ido Ambacht. Een onverhoopte Nederlandse doorbraak over de Noord zou het gehele zenuwcentrum van de operatie dus direct in gevaar brengen. Student geloofde echter totaal niet in een Nederlands succes aan de Noord. [500] Om zich daarvan te vergewissen toog hij in de ochtend – na eerst te Waalhaven de situatie (na de gemelde schade van de RAF bombardementen) kort te hebben opgenomen – naar de commandant van II./IR.16 [Hauptmann Sander], die aan de weg richting de brug bij Hendrik Ido Ambacht zijn CP had. Toen hij de omgeving bestudeerde en ongetwijfeld de posities van de Duitse verdediging kritisch bekeek, kreeg hij alle vertrouwen in de houdbaarheid van de ijle Duitse bezetting van de westoever van de Noord. Dat vertrouwen werd kennelijk niet verminderd door de gesprekken die de generaal met de drie gevangen Nederlandse militairen voerde. [500] Nadien vertrok hij per auto naar Dordrecht waar hij C-I./FJR.1 aan de Weeskinderendijk bezocht en nadat hij daarvan terugkeerde in zijn inmiddels ingerichte nieuwe kwartier in de herberg te Rijsoord, werden geen extra troepen naar de Noord gestuurd. De generaal had er – binnen zijn triage afwegingen – alle vertrouwen in dat zijn defensie het aankon en had bovendien zijn staf opdracht gegeven ondertussen luchtsteun aan te vragen. Van die aanvraag is geen bewijs te vinden in de vorm van een instructie of bevel en het is bovendien hoogst onzeker of er in de ochtend van 11 mei een werkende verbinding met Duitsland bestond. De zonder afstemming met Student ingezette parachutistenreserve lijkt bijvoorbeeld een sterke aanwijzing dat men in de betreffende nacht en ochtend helemaal geen werkende verbinding met Duitsland had. In Student zijn memoires worden de luchtaanvallen ook niet geadresseerd als specifiek opgedragen, slechts als een gegeven dat zij werden uitgevoerd ‘gegen die bei Alblasserdam erkannten Bereitstellungen[500: blz 129]. Ofwel verkende gereedstellingen, wat duidt op een reactie op eerder luchtverkenningen en niet op een aanvraag. Het is echter vrijwel zeker dat de generaal voor zichzelf het vertrouwen had dat de Luftwaffe vroeger of later zou onderstenen en dat de Nederlanders daarmee voldoende onderdrukt konden worden, zodat hij geen extra troepen hoefde op te offeren aan die beveiliging.

De risico’s waar Götzel in het citaat op duidde, waren desondanks aanzienlijk. Er was bekend dat er tegenover de brug bij Barendrecht relatief sterke Nederlandse troepen lagen. In de ochtend van 11 mei onderging men daar zelfs de oversteek van een compagnie van 3.GB bij Goidschalxoord, die door een vrij deel (een deel van het bataljon vormde een strategische reserve bij de CP van C-16.IR te Hordijk) van I./IR.16 moest worden gepareerd. Dat bataljon had als taak om de gehele zuidzijde van IJsselmonde te beveiligen. Zij had daartoe ondersteuning van ongeveer twee compagniesterktes van II./FJR.2, dat onvolledig was geland en bovendien 6./FJR.2 bij Valkenburg ingezet wist. Dat was een erg ijle bezetting van de Oude Maas, want nadat III./FJR.1 op Dordrecht was aangetrokken was het vliegveld zo goed als ontdaan van haar bezetting. Daarnaast was vrijwel het gehele westen van IJsselmonde nog vrij van Duitse troepen. Slechts kleine vliegende patrouilles beveiligden de linkerflank van de Duitse corridor op IJsselmonde. De uiterste zwakke bezetting op de linkerflank werd niet versterkt ondanks het feit dat de brug bij Spijkenisse intact was en dus voor Nederlandse troepen te gebruiken. Daartoe werd pas in de loop van de 11e mei een even daarvoor gelande compagnie (van I./IR.72) naar het westen gestuurd. Op het moment van Student zijn maatregelen gedurende de nacht was de linkerflank echter nog geheel onbezet. Aan snel te verplaatsen troepen had Student slechts nog enige incomplete onderdelen beschikbaar. Die troepen hadden een sterkte van ongeveer twee compagnieën. Ze waren van I./IR.16 en enige incomplete delen van ‘verdwaalde eenheden’ – vooral onderdelen van IR.65, die op Ockenburg of Ypenburg hadden moeten landen – gesteund door enkele stukken PAK. Dat was een uiterst summiere reserve. Student had daarover uiteraard grote zorg, maar dat verleidde hem niet tot passiviteit of noodmaatregelen. Het autonoom door Berlijn [Luftflotte 2] in de nacht van 10 op 11 mei genomen besluit de Fallschirmjäger Ersatz Kompanie van Oberleutnant Moll op het Eiland van Dordrecht af te doen laten zetten, maakte de generaal zelfs woest. Hij had hen (nog) niet nodig en wilde op zijn laatste reserves uiterst zuinig zijn.

Het gegeven dat Kurt Student zulke operationele risico’s nam, toonde hem niet alleen een kundig tacticus, maar bewees ook het gelijk van de beoordeling van Götzel t.a.v. de generaal zijn inzichten in de Nederlandse commandovoering. Want tegenover de haast klassieke tactische handelingen van Student – het kundig met zijn eenheden schuiven binnen zijn bruggenhoofd – stond het totaal ontbreken van Nederlandse kundigheid t.a.v. het aanpakken van een geïsoleerde omsingelde tegenstander. Student zijn beleid had door de Nederlanders – even klassiek – moeten worden beantwoord met gelijktijdige excentrische aanvallen op de Duitse posities. Een handeling die de Duitsers traditioneel een ‘Kesselslacht’ noemden en tot de internationale militaire kennisportfolio behoorde, zeker na de opmerkelijke slag om Sedan in september 1870. Een dergelijk wijze van opereren dwingt de verdediger tot het verdelen van zijn troepen over alle bedreigde en aangevallen posities en voorkomt dat de verdediger vrijelijk kan schuiven met troepen, middelen en reserves. Zoals Götzel echter terecht lijkt vast te stellen, ging zijn generaal er vanuit [vermoedelijk is het meer waarheidsgetrouw te zeggen ‘dat hij hoopte’ …] dat de Nederlanders dat niet zouden doen en dat de logheid van hun bevelvoering en gebrek aan doorzettingsvermogen een dergelijk excentrisch optreden aan Nederlandse kant zou verhinderen. Naar goed Duits gebruik was er dus alle gelegenheid om vooral naar eigen kansen te kijken en niet (naar Franse maatstaven) alle risico’s af te dekken met als gevolg het deconcentreren van eenheden. Daar kwam dan nog bij dat de Nederlanders het op vele locaties prominent aanwezig zijn van de Duitse troepen zouden kunnen vertalen naar overdreven sterktecijfers. Opmerkelijk is echter dat de Nederlanders eerder de tegenstander numeriek onderschatten dan overschatten. Daarin bleken de Nederlanders dus niet aan de verwachtingen te voldoen.

Student ging dus voor een agressieve aanpak van zijn kansen. Ten aanzien van de beveiliging van zijn buitengrenzen vertrouwde hij nadrukkelijk op de onverzettelijkheid van zijn eenheden en de Gruppe Putzier – de Luftwaffe eenheid die operationele ondersteuning aan de luchtlandingsoperatie moest geven. Dat vertrouwen werd uiteindelijk niet beschaamd, mede doordat de commandant van de 18.Armee, en zelfs de commandant van Heeresgruppe B [Fedor von Bock], op melding van Franse troepen in Brabant onmiddellijk de Luftflotte 2 instrueerde de Fransen met alle middelen aan te pakken. De Luftwaffe verzaakte niet. Bij Moerdijk en bij Alblasserdam gaven zij – de gevleugelde artillerie – de doorslag. De Luftwaffe kreeg daarmee op 11 mei veel meer een strategische dan een tactische rol in het geheel, wat op de eerste oorlogsdag – mede door veel opgelegde beperkingen – vrijwel volledig had ontbroken na de voorbereidende bombardementen tijdens het eerste aanvalsuur.

Het waren dus – met de kennis achteraf – meesterlijke tactische besluiten die Student in weerwil van zijn staf nam. Hij werd door de Nederlandse tegenmaatregelen, en de wijze waarop die tot ontwikkeling kwamen, volledig bewaarheid in zijn risicovolle tactiek.

Het tweede bombardement op de Alblasserwaard

[1, 103, 106] Kort na 1000 uur was al door een vermoedelijk negental [57, 650] Duitse bommenwerpers een luchtaanval uitgevoerd op Nederlandse troepenconcentraties langs de Noord. Die actie had meer de signatuur van een ‘toevallige’ aanval gehad, daar vrijwel alle Luftwaffe verbanden – jachtvliegers of aanvalsvliegtuigen – vrije jacht kregen in hun taakgebieden. Om 1300 uur volgde echter een aanval die opgedragen leek. Of dat als gevolg van radiocontact met Student was of door voorafgaande luchtverkenningen is onzeker. Het laatste lijkt het meest voor de hand te liggen.

[106] Het eerste bombardement gecombineerd met de negatieve rapporten van de beide regimenten aan de Noord omtrent de oversteekmogelijkheden en de status van een overgestoken verband onder Oostdam, verleidde de C-LD de offensieve acties over de Noord af te blazen. De Duitsers hadden daarop vast niet gerekend. Een Gruppe – vermoedelijk Ju-87 – duikbommenwerpers viel even voor 1300 uur voor de eerste keer aan in een serie luchtaanvallen op de westelijke Albasserwaard. Kort daarop volgde een tweede golf.

[103, 106] Ongeveer om 1400 uur verschenen – wederom in twee golven – opnieuw Stuka’s boven de Alblasserwaard. Zij vielen doelen en objecten aan tussen de Noord en Bleskensgraaf.

Er wordt door auteur dezes over veel gegevens beschikt, maar ten aanzien van de vliegtuigen die de ‘grote’ luchtaanvallen op de Albasserwaard uitvoerden in de middag van 11 mei, ontbreekt nog ieder bewijsstuk dat de eenheid en type vliegtuigen beschrijft die hiervoor verantwoordelijk waren. Aangezien uit getuigenissen vrijwel vaststaat dat het hier werkelijk Ju-87 Stuka vliegtuigen betrof, is het zeer aannemelijk dat het toestellen van IV./LG.1 waren, die als enige Ju-87 eenheid op 11 mei ter beschikking van Gruppe Putzier stonden. Het andere Stuka verband dat in Nederland tijdens de meidagen tot inzet kwam, StG.77, werd pas vanaf de 12e mei beschikbaar gesteld. IV./LG.1 bestond uit een kleine vliegende staf [3 toestellen] en drie Staffels met ieder 12 Ju-87. Volgens Luftwaffe gegevens begon de eenheid de Westfeldzug met 39 toestellen. In hoeverre geleden verliezen werden aangevuld is niet te zeggen. Men mag er vanuit gaan dat 9-12 toestellen per Staffel operationeel waren op 10 mei. De eenheid was uitgerust met de Ju-87B-1 type Stuka, die in de regel met een bom van 250 kg [SC250] onder de romp en vier van 50 kg [SC50] onder de vleugels was uitgerust. Daarnaast twee voorwaarts vurende MG.17 (7,92 mm) en een bedienbare achterwaarts vurende MG.15 (7,92 mm) mitrailleur (3).

(3) Het wellicht bekende boek 'De strijd om de vergeten brug' van auteur A. Korpel [57] stelt dat de Stuka's hun secundaire bommenlast uit brandbommen bestond. Dat is feitelijk onjuist. In mei 1940 had de Luftwaffe nog slechts de beschikking over 1 kg staaf brandbommen [type B 1], die bovendien slechts met speciale rekken uit oppervlaktebommenwerpers konden worden afgeworpen. De Stuka's wierpen in mei 1940 vrijwel alleen maar de SC50 [25 kg springstof] en SC250 [270 kg springstof] brisantbommen af, incidenteel ook al de SC500 zware bom. Korpel beriep zich vermoedelijk op de onjuiste analyses van overste Van Gennep [C 1.RW] die deze bewering over brandbommen deed.

Tijdens de beide aanvallen was het aan het ontvangende eind een hel. Gevangen als de troepen waren in gebied met beperkte wegen en dijken in een overigens volstrekt vlak en open landschap, hadden zij geen veilig heenkomen. Burgers van de niet geëvacueerde dorpen en Alblasserdam zelf, ondergingen de luchtaanvallen zo mogelijk met nog meer angst en afgrijzen. De laagduikende vliegtuigen met hun huilende rompen en sirene propellers, de kort gierende aankondiging van de vallende bommen en de onwerkelijk zware explosies van de zwaarste Stuka bommen, maakten de vredige Alblasserwaard tot hel op aarde. De Stuka’s concentreerden zich niet alleen maar op militaire doelen langs de rivier. Ze vielen objecten aan waar men Nederlandse kwartieren verwachtte, vielen knooppunten van wegen aan om de Nederlandse logistiek te ontregelen en opgestelde treinen van staven en legeronderdelen, die in het dekkingsloze gebied vanuit de lucht eenvoudig herkenbaar waren.

De effecten van de bombardementen waren vooral groot op het moreel. De eerste bommen die omstreeks 1015 uur vielen, hadden de LD al doen besluiten de aanval over de Noord te doen staken. Maar de bommen die tussen 1300 en circa 1500 uur vielen – in vier aanvalsgolven – braken het moreel van de Nederlandse troepen voor een langere tijd. Bovendien richtten ze zware schade aan, aan het stadje Alblasserdam. Talloze huizen en fabrieksterreinen raakten werden verwoest en/of raakten in brand, zodat de troepen die nog aan de Noord lagen zich ingeklemd voelden tussen de vijandige overzijde en grote branden in hun rug; soms zelfs in hun eigen posities, zoals het terrein van de firma Vroege waar laaiende vlammen alle militairen uit hun stellingen deden jagen. In het stadje werden talloze burgerobjecten geraakt. Halve straten werden vernield door de zware bommen en opvolgende branden. [57] Tijdens de aanval rond 1300 uur vielen in de Kerkstraat (lopende noord van en parallal aan de Alblas), Polderstraat (lopende zuid van en parallel aan de Alblas), Oranjestraat (direct ten noordoosten van de brug onder de Alblas), de Dam (verbinding zuid en noord Alblasserdam op de kop van de Alblas) – waar het gemeentehuis een voltreffer krijgt – en de werf ‘De Noord’ [toentertijd ‘de Nieuwe Werf’] talloze bommen. Tientallen burgers werden gedood of gewond. De gehele sector aan weerszijde van de Alblas stond in korte tijd in lichterlaaie. Het gevolg was een exodus van burgers, die massaal via de uitvalswegen de open polders invluchtten op zoek naar een beter heenkomen.

[57] Het volgende bombardement rond 1400-1430 uur leidde weliswaar tot minder bommen op Alblasserdam zelf, maar alsnog vielen enige bommen in het stadje. Eén ervan zaaide dood en verderf toen een betonnen kelder van een garagebedrijf aan de Plantageweg, waarin zo’n twee dozijn burgers een schuilplaats hadden gezocht, een voltreffer kreeg en zeven burgers doodde en de meeste anderen verwondde. Twee brandstofvaten scheurden open en zetten een waar inferno in gang. De gevolgen van de bombardementen waren voor het stadje aan de Noord enorm. De gemeentesecretaris rapporteerde na de strijd aan de onderzoeker overste Nierstrasz van Defensie dat tijdens de bombardementen in mei 1940 – waarbij Alblasserdam vooral op 11 mei veel schade leidde (maar ook op 12 en 13 mei nog bommen te verwerken zou krijgen) – in totaal 174 panden waren vernield. Daaronder 121 woningen, 26 winkels, en diverse bedrijfspanden. Een veelvoud was beschadigd en in de huizen van de authentieke kern, langs de Noord en Alblas, was vrijwel geen ruit meer heel.

Buiten Alblasserdam was de Luftwaffe evenwel ook actief geworden. Hadden de eerste drie bombardementen [rond 1015, 1245, 1300 uur] nog het karakter van directe tactische grondsteun aan de Duitse verdediging van de Noord, de tweede grote luchtaanval die rond 1400-1430 uur plaatsvond, zag veel meer dieptewerking. Daarbij werden weliswaar niet zoveel bommen geworpen, maar wel werden regelmatig militaire posities door de aanvallers gemitrailleerd.

De gevluchte bewoners van Alblasserdam waren een voorbode van een later die dag volgend formeel besluit de gemeenten Kinderdijk en Alblasserdam geheel te evacueren. Een laat besluit, maar desondanks had het tot gevolg dat de Alblasserwaard spoedig tot een ware evacuatiezone verwerd. Want de bewoners van de beide stadjes aan de Noord ontmoetten bij hun tochten oostwaarts, evacues uit de Betuwe, Wageningen en Rhenen. De Lek, die ten noorden van de Alblasserwaard loopt, was vergeven van de schepen met evacues uit voornoemde stellinggebieden (Betuwestelling, Grebbelinie), die wegens de geblokkeerde vaarwegen en oorlogstoestand in het westen ten dele naar de Alblasserwaard zouden worden verplaatst. De sector kreeg zodoende ongelofelijk veel evacues te verwerken, waarop men niet was voorbereid. Met name in Krimpen aan de Lek (ten noorden van de rivier), Nieuw Lekkerland en Streefkerk kwamen zij terecht. Zo ontstond ook in korte tijd een hechte band tussen die gemeenten en het zo door de meidagen geteisterde Rhenen (4). Hoewel in België en Frankrijk geheel tegenstrijdige ervaringen werden doorstaan, bleek de Luftwaffe uiterst terughoudend bij het mitrailleren van wegen. Zij hadden een waar bloedbad kunnen aanrichten onder de evacues die de open dijken van het polderland ten oosten van de Noord vulden. Ze vlogen echter weliswaar regelmatig laag over het gebied, maar openden zelden het vuur als zij geen militaire doelen waarnamen. Een groot geluk voor de duizenden op de smalle wegen in de Alblasserwaard.     

(4) Naoorlogs werd Rhenen door de gemeenten Nieuw-Lekkerland, Lekkerkerk, Krimpen aan de Lek, Bergambacht en Berkenwoude een monument ter nagedachtenis aan mei 1940 aangeboden, dat tegenover de gemeentesecretarie in de Herenstraat werd geplaatst.

[De bronnen vindt u hier]