Zuid-Willemsvaart - doorbraak

Inleiding

In het hoofdstuk over de ontruiming van de Peel-Raamstelling ten noorden van Vak Weert werd al kritisch teruggekeken op de bevelvoering in Noord-Brabant. De keuze van de C-Peeldivisie om op de Zuid-Willemsvaart terug te trekken en aldaar een nieuwe defensie te vormen was – gegeven de defensieve uitgangspunten van het Nederlandse leger waarbij gesloten linies imperatief waren – niet onlogisch. Desondanks klopte er planmatig weinig van. In bijzonder de situatie in vak Schaijk – waar troepen van drie bataljons intensieve gevechtsaanraking met de Duitsers hadden of zelfs met hen vervlochten waren zoals direct rond Mill – zou het bevel tot terugtrekken en hergroeperen achter de Vaart niet aankomen. Zou de boodschap wel aangekomen zijn, dan nog hadden de meeste verbanden nooit hun nieuwe posities achter de Zuid-Willemsvaart kunnen innemen, omdat zij simpelweg afgesneden of uitgeschakeld waren. Dat gold met name voor I-3.RI en I-6.RI, die ten westen van Mill in volledig gevechtscontact stonden met de twee in de avond van 10 mei aldaar offensief optredende Duitse regimenten.

Omdat de C-Peeldivisie en zijn chef-staf alsmede de C-Vak Schaijk opzichtig faalden om de situatie bij Mill ook maar fractioneel juist in te schatten ten opzichte van het alternatieve verdedigingsplan, en geen veiligheidsbezetting stuurden naar de sector waar de Schaijk bataljons hun nieuwe posities zouden moeten innemen, failleerde het alternatieve verdedigingsplan voor Noord-Brabant al bij voorbaat. Het zou grote invloed hebben op het bestaan van het Nederlandse leger in Noord-Brabant, dat in de ochtend van 11 mei 1940 toch nog uit 14 intacte bataljons en enige individuele compagnieën bestond.

In het ‘voorspel’ werd gekeken naar de Duitse plannen en enige andere relevante zaken. In deze tweede fase ‘doorbraak’ wordt per vak gekeken naar de details van de bezetting van de Zuid-Willemsvaart en daarop volgend de gevechtscontacten die volgden. Wederom wordt daarbij deels informatie herhaald, met als enige bedoeling de lezer niet te verliezen in de bijzonder complexe materie.

Vak Schaijk – evacuatie en opstelling

[5, 241] Reserve luitenant-kolonel Detmar – C-Vak Schaijk – kreeg in de avond van 10 mei geen telefonisch contact meer met zijn bataljons. Al in de middag verloor hij de contacten met I-3 en I-6, in de avond, na het Duitse bombardement langs het defensiekanaal in het Vak, ook met zijn andere bataljons. Hij beweerde in zijn eerste korte beschrijvende verslag desalniettemin telefonisch contact te hebben gehad met (tenminste) enige van zijn bataljons, maar dat lijkt hoogst onwaarschijnlijk. Zeker is dat hij in ieder geval I-3.RI en I-6.RI niet kon bereiken en zond daarom dan ook ordonnansen daarheen. Maar het is evenzo uiterst onwaarschijnlijk dat II-29.RI en III-14.RI wel werden bereikt per telefoon. Beide BC’n geven in hun krijgsverslagen aan van niets te weten en de evacuatieberichten per ordonnans te hebben gekregen tussen 2200 en 2300 uur. Ook C-III-20.RA werd (bij Zeeland) – wederom met een ordonnans (wat in dit geval logisch was omdat de Afdeling al verplaatste) – bereikt en geïnstrueerd naar Den Dungen te verplaatsen. Deze had al zijn stukken doen laten vernielen en trok uiteindelijk met een deel van zijn manschappen op Den Bosch terug. Onderwijl had de overste een curieuze maatregel genomen. Berichten dat er Duitse motorrijders op de autoweg Grave – Den Bosch waren doorgedrongen, ontlokten de overste het bevel aan zijn verbindingsafdeling de opdracht te geven om reeds om 2215 uur de verbindingen te vernielen en alvast naar Vught terug te trekken! Dus tijdens de belangrijke strijd aan de Peel-Raamstelling en nog voordat de cruciale evacuatie was ingezet, waarvan zijn troepen nog niet eens weet hadden, maakte de overste zich definitief onbereikbaar voor zijn ondercommandanten. Als ‘compensatie’ wachtte de overste de troepen buiten Den Bosch op, om ze eventueel direct naar hun nieuwe posities te kunnen dirigeren.

Het is zinvol – voor het juiste perspectief – nog kort te kijken naar de toenmalige infrastructuur in dit gebied. In de sector van Vak Schaijk bevonden zich twee hoofdroutes, die naar het westen liepen. De noordelijke sector kende de hoofdweg naar Den Bosch, waarop alle wegen in het noordoosten aansloten bij Heesch. Dat maakte die route voor de beide noordelijke bataljons de enige logische terugtochtroute, maar betekende ook dat Duits nadringen via dezelfde route aannemelijk zou zijn. De andere hoofdroute die westwaarts leidde was die welke van Uden naar Veghel leidde. Alle wegen vanuit de omgeving Mill waren verbonden met die zuidwestelijke route. De vork van wegen die bij Uden samenkwam zou voor de Duitse hoofdmacht bij Mill de meest logische route richting Zuid-Willemsvaart vormen, te meer daar bij Veghel een parallel aan de Vaart lopende hoofdweg naar Den Bosch én langs alle overgangen over de Zuid-Willemsvaart leidde. Voor I-3.RI en I-6.RI was de route over Veghel dus de enige logische, met evenzo de wetenschap in het achterhoofd dat de Duitsers hen ongetwijfeld zouden volgen.

Zuid-Willemsvaart defensie 11 mei

[241] Vernielingen in de sector van Vak Schaijk achter de Peel-Raamstelling vielen onder verantwoordelijkheid van de twee secties van 6.C.Pn., onder commando van de vaandrig J. Sneep. Diens 1e Sectie (sterkte ca. 45 man) onder leiding van de sergeant Nijhof was aangewezen voor vernielingen in en achter de Peel-Raamstelling terwijl de 2e Sectie (ca. 40 man o.l.v. de sergeanten Hompes en Vollenberg) de mijnenvelden in de Peel-Raamstelling scherp moest stellen en een kleine 200 mijnen nog diende te leggen.  De 2e Sectie werd na het volvoeren van haar opdracht naar de Vesting Holland gestuurd, terwijl de 1e Sectie vernielingen achter de vanuit de Peel-Raamstelling terugtrekkende troepen moest verrichten. Het betrof slechts twee verhakkingen ten westen van Heesch, die om 0500 uur (11 mei) werden verricht, zonder dat men wist dat alle troepen voorbij waren uiteraard. De vaandrig wilde echter niet langer wachten. Nadat deze taak was verricht werd het laatste verband van 6.C.Pn via Vught teruggestuurd naar Tilburg. Aan vernielingen bij en voor de Zuid-Willemsvaart kon men volgens de overste Detmar kennelijk niet meer bijdragen, hoewel de bruggen in beheer bij enkele manschappen van de politietroepen waren en door hen werden opgeblazen. Wel zouden enkele genisten nog bijdragen bij het vernielen van een verkeersbrug over het Wilhelminakanaal nabij Tilburg [129].

Met de kennis van voorgaande bevelen, de twee hoofdroutes westwaarts en het bestaan van de parallelle weg aan de Zuid-Willemsvaart, wordt thans gekeken naar hoe het de vier bataljons van Vak Schaijk individueel zou vergaan op hun terugtocht naar de Zuid-Willemsvaart.

II-29.RI

[5, 243] Het bataljon was als enige in het Vak Schaijk niet met de vijand in contact. Het bezette dan ook de verbindingsstelling langs de Bergsche Maas tot aan de brug bij Ravenstein. Onduidelijk is of de BC [majoor J.W.L. Versteegh] telefonisch door C-Vak werd verwittigd van de evacuatie of dat een boodschapper tijdig aankwam. De C-Vak Schaijk zegt dat hij telefonisch het bevel doorgaf, het verslag van de BC ontkent dit. Feit is dat de eenheid tijdig van de evacuatie (voor hen: naar Den Bosch) wist en zodoende kort na middernacht de terugtocht aanvaarde.

De compagnieën werden uit de stellingen gedirigeerd en – onder achterlating van achterhoedes ter beveiliging van de terugtocht – naar Oss gedirigeerd. Van Oss trok men naar Heesch en vandaar naar Den Bosch. Daarbij werden troepen en wapens – zoals de sectie 6-veld van 29.RI – ingeschakeld om de aftocht van de hoofdmacht te dekken. Er werd voor de verplaatsing gebruik gemaakt van fietsen, karren, auto’s en bussen. In Heesch raakten echter verbanden van II-29.RI met onderdelen van III-14.RI verstrengeld, waardoor diverse eenheden (van beide bataljons) van hun route raakten.

Het bataljon kwam desondanks – enkele vermiste elementen daargelaten – in hoofdzaak in de juiste positie achter de Vaart en in de aangewezen posities in Den Bosch terecht. Binnen die positie lag de sluis no.1 en de brug in de oostelijke standsrand van Den Bosch (linker grens bataljonsvak). De burg bij Den Dungen lag op 200 m rechts van het eigen vak en zou door III-14.RI worden bezet. Rond 0900 was het geheel zodanig gevormd dat van noord (west) naar zuid 3-II, 2-II en 1-II-29.RI lagen, elk met een sectie met (twee) zware mitrailleurs versterkt. De nog beschikbare sectie mortieren werd bij de CP van de BC opgesteld in de zuidwest rand van Den Bosch. De sectie 6-veld kwamen achter de Zuid-Willemsvaart aan de zuidoost rand van Den Bosch in stelling. Rond 1000 uur waren de in het voorterrein liggende bruggen opgeblazen.

Op 11 mei rond 1230 uur kreeg het bataljon opdracht te verbreden en ook de spoorbrug over de Dieze – vlakbij de citadel in Den Bosch – te bezetten. Dat was toentertijd de noordwestelijke stadsrand. Daardoor verschoof het dispositief aanmerkelijk en werd bovendien opgerekt.

III-14.RI

[5, 242] Middels een ordonnans was de staf van III-14.RI bereikt met het schriftelijke terugtochtbevel. Het bataljon was weliswaar voor een gedeelte in vuurcontact met de tegenstander [254.ID], maar de Duitsers hadden hun grote aanval pas voor de volgende ochtend op het programma staan. Men kon zich dus met de hoofdmacht eenvoudig losmaken van de stelling. Slechts 1-III-14.RI had – doordat zij pas om 00.30 uur van de cadet-vaandrig H.C. Vel over het bevel tot terugtocht vernam – moeite tijdig te vertrekken. Bovendien kreeg het slechts te horen in Schaijksehoek te moeten verzamelen.

[242] De meeste compagnieën van III-14.RI konden zich dus relatief eenvoudig losmaken van de stelling en na de zonder grote problemen verlopen verplaatsing de sector rond Den Dungen bezetten. Een deel van de eenheid raakte echter in Heesch verward met II-29.RI en toog daarom abusievelijk naar Den Bosch. De drie secties van 3-GBJ (plus een keukengroep, e.e.a. onder commando van de kapitein) – die in de avond van 10e mei als versterking was opgenomen – werden in het bataljonsverband (verdeeld over de drie tirailleurcompagnieën) gehouden. Voor een aanzienlijk deel van het bataljon werd motorisatie gevorderd alsmede gebruik gemaakt van de acht voortuigen waarmee de secties van 3-GBJ op 10 mei bij het bataljon waren gekomen, zodat delen (waaronder die van 3-GBJ) reeds vooruit konden gaan naar de Dungense bruggen. Alleen 1-III-14.RI moest individueel – dat wil zeggen via Schaijksehoek – naar het nieuw aangewezen vak verplaatsen, waarbij zij één sectie van de MC en een sectie van 3-GBJ in haar gelederen had. Pas om 0130 uur vertrok de versterkte compagnie richting Schaijksehoek, waar het rond 0330 uur aankwam. Een deel van de 1e sectie was reeds op eigen initiatief vertrokken en zou die dag helemaal in Tilburg terecht komen. In Schaijksehoek trof de CC niemand aan voor een vervolgbevel en aangezien de eerdere opdracht om naar den Dungen te vertrekken hem niet was overgebracht, toog de compagnie naar Den Bosch in de veronderstelling daar nadere gegevens te kunnen krijgen. Uiteindelijk zou men via Den Bosch, bij de sluis no.1 de Zuid-Willemsvaart overstekende, pas rond 1900 uur zich bij den Dungen terug in het bataljonsverband melden.

[242] Hoewel aanzienlijke delen van het bataljon dus dankzij de verkeersopstopping en verwarring in Heesch alsmede de gescheiden verplaatsing van 1-III abusievelijk in Den Bosch terecht kwamen (met zelfs uitlopers in Tilburg), kwam een sterkte van circa drie compagnieën (inclusief drie secties 3-GBJ) redelijk ordentelijk in de sector Den Dungen, waar hen posities was gewezen. Van 1-III (in gevechtsaanraking) en het laattijdig gewaarschuwde brugdetachement te Grave – dat onder de BC viel – was het gros niet aanwezig. Een deel kwam later alsnog aansluiten, een deel was te Den Bosch geraakt en een ander deel was samen met de bataljonstrein westelijker in Brabant terecht gekomen. De troepen die doorgestuurd werden c.q. op eigen initiatief naar West-Brabant trokken, zouden niet meer terugkeren in het bataljonsverband. Delen ervan zouden uiteindelijk zelfs via Frankrijk Engeland bereiken, een enkeling de tragedie van het Franse schip Pavon meemaken.

[242] Als eerste kwamen de twee per bus en vrachtwagen vooruitgestuurde secties van 3-GBJ ter plaatse bij Poeldonk (Den Dungen). Toen men met de hoofdmacht rond 0730 uur bij Den Dungen was aangekomen en een uur later de BC met de CC’n van 2-III en 3-III ook was gearriveerd – werd de verkeersbrug over de Zuid-Willemsvaart door politietroepen opgeblazen. 2-III-14.RI werd links van de brug, 3-III rechts ervan opgesteld, tot aan 250 m links van sluis no.2 met vernielde ophaalbrug bij Middelrode. De MC – waarvan een sectie nog tot in de late middag in Den Bosch zou verblijven en drie stukken onklaar waren gemaakt in de oorspronkelijke stelling – werd langs de as van de toegangsweg geconcentreerd. De positie van de sectie 6-veld werd gekozen achter de Dungense verkeersbrug. De organisatie van deze defensie was niet door de BC, maar door diens luitenant-adjudant [reserve 1e luitenant O.A.G. Kauffman] verricht. De Dungense brug was daarbij evident het zwaartepunt van het bataljonsvak. Via de Dungense brug leidde een verharde weg naar Sint Michielsgestel. De gehele trein met een deel der staftroepen en artsen ontbrak. Deze was abusievelijk via Den Bosch en Vught naar Tilburg doorgezonden.

[242] Opvallend, en het aantekenen waard, was nog één voorval. Het betreft een curieus voorval rond de bataljonscommandant, de reserve majoor E.G. Döbken, tijdens de verplaatsing. De majoor zou zich op 12 mei onderscheiden in de strijd, maar viel op 11 mei minder positief bij zijn directe minderen op door een omstreden besluit tijdens de verplaatsing. Hij besloot tijdens de mars naar Den Dungen zijn luitenant-adjudant met een deel van de staf vooruit te sturen naar de brug bij Den Dungen om vervolgens, onder protest van de beide kapiteins bij hem, rustig met zijn officieren een kop koffie te gaan drinken. De majoor repliceerde – op kritiek van o.m. de reserve kapitein G. Wissels (C. 3-III) dat koffiedrinken in de gegeven situatie onwijs was – dat dit juist het ‘elan’ bij de mannen zou terugbrengen; het straalde immers uit dat er geen zorg behoefde te zijn. Het curieuze besluit van de BC leidde ertoe dat de majoor en zijn meest prominente officieren pas een uur na de laatste verbanden bij de brug kwamen. Hoewel door zijn latere kordate handelen wel mag worden geconcludeerd dat de majoor bij deze curieuze handeling vermoedelijk inderdaad een serene rust wilde uitstralen op zijn bataljon – waarvan evident slechts een fractie deze handeling waarnam – kwam het bij zijn stafofficieren en CC’n als een onwezenlijke handeling over. De majoor Döbken zou op 12 mei aantonen buitengewoon moedig en doortastend te zijn onder vuur, waarmee de gedachte kan worden weggenomen dat deze officier zijn plicht lichtvaardig op zich nam. Wel kan men vaststellen dat ook de (oud) beroepsofficier Döbken, zoals zo velen, de oorlog nog in een 19e eeuws perspectief beleefde.

I-6.RI

Het vak naast III-14.RI, van 250 m west van de (toenmalige) sluis no.2 en de Milrooijse brug tot de sector Houterd, had door I-6.RI ingenomen moeten worden. Dat zou niet gebeuren, omdat het bataljon in de Peel-Raamstelling ten dele buiten gevecht werd gesteld, maar bovendien grotendeels niets van een terugtocht vernam. Dit zorgde ervoor dat slechts ongeveer een derde van de sterkte nog binnen eigen gelederen terug zou kunnen keren.

[5, 121] De aan I-6.RI toegezonden ordonnans bereikte de BC [majoor A.J.M. Allard] nooit. Vermoedelijk was hij een der ordonnansen die bij het station Zeeland tegen de staf van III-20.RA aanliep en niet verder is gegaan. C-I-6.RI – volop in gevecht met de inmiddels doorgebroken Duitsers bij Mill – bleef ongewis van de terugtocht. Door de BC naar Vak Schaijk gezonden ordonnansen keerden niet terug, wat de BC in het ongewisse liet over de stand van zaken.

[121] De gehele nacht en ochtend werd doorgevochten tegen de Duitsers van de 256e ID, die de flanken aan weerszijde van de penetratie bij Mill grotendeels ongemoeid lieten, en westwaarts een stuk oprukten [zie beschrijving van 10 mei]. Het was duidelijk dat de linie aan weerszijde was doorbroken. Rond 09.00 uur in de ochtend besloot de BC met zijn staf vanuit de CP in de Peel-Raamstelling op Den Bosch terug te trekken, nadat het verband met de meeste van zijn onderdelen verloren was gegaan en alle contacten met hogere echelons onvruchtbaar bleven. In Heesch trof de majoor Allard kort na het middaguur een verband onder de kapitein Van Exel aan en deelde daarbij enige van zijn stafofficieren in. Deze formatie, een samenstelling van troepen van 2-I en 3-I alsmede enige MC en 6-veld manschappen, had zich gedurende de ochtend door het terrein manoeuvrerend kunnen onttrekken aan gevangenneming. De kapitein Van Exel was pas vier dagen bij de compagnie en werd actief geassisteerd door de reserve 1e luitenant Broersma (van 3-I). Deze had nabij het pionierspark in het gehucht Zeeland nog telefonisch contact verkregen met de kapitein De Wolf (commandant pioniersverband Peeldivisie), die hem mededeelde dat vele plaatsen al door de Duitsers waren bezet. De missie voor I-6.RI kende de genie kapitein mogelijk niet, waardoor het verband Van Exel niet naar de Zuid-Willemsvaart kon worden gedirigeerd. Daarom toog men naar Heesch, waar dus de BC onverhoopt contact maakte met het verband.

Duitse noodbrug

[121] De majoor Allard gaf de kapitein Van Exel opdracht naar Den Bosch te gaan. Zelf toog de BC naar Vught, mogelijk in de veronderstelling aldaar het hoofdkwartier van de Peeldivisie aan te treffen. Van nadringende Duitsers had men geen last. Onderwijl waren echter voor 10.00 uur te Den Bosch alle overgangen naar de overzijde van de Zuid-Willemsvaart opgeblazen. Zodoende belande het verband Van Exel (2-I-6.RI) – dat pas tegen de avond in de stad aankwam – aan de ‘verkeerde’ kant van de Zuid-Willemsvaart. Zij bleven zodoende aan de noordoostzijde zitten en namen rust in het Rooms-Katholiek Sint Joseph weeshuis [op de hoek van het Muntelbolwerk en Graafseweg]. Dit (inmiddels gesloopte) in 1925 uitgebouwde weeshuis – voorheen St Joseph gesticht – lag toentertijd direct naast de laatste brug over de Aa in wat men toen als de oostgrens van Den Bosch zou bestempelen. De weg die over de brug voerde (thans nog steeds de Graafseweg), kwam rechtstreeks vanuit Heesch, door Hintam (Graafse baan) en voerde recht de stad in. Omdat men de inmiddels vernielde brug niet over kon, nam het verband Van Exel dus rust in het grote complex van het Sint Joseph huis.

[5, 121] Van de resterende delen van het bataljon kwam een groot deel van de 3e Compagnie [ca. 120 man] per bus en vrachtwagen al vroeger in de nacht in Den Bosch aan en zou bij de verdediging van het uiterste noordelijke vak worden ingedeeld, later naar Tilburg worden doorgestuurd. Andere delen van het bataljon kwamen in flarden in allerlei uithoeken van Noord-Brabant terecht, voor zover zij niet gevangen waren genomen door de Duitsers of anderszins uitgeschakeld. Geen der militairen bereikte de aangewezen sector aan de Zuid-Willemsvaart, ook niet die welke van 3-I-6.RI Den Bosch waren binnen gekomen en die in de noordelijke sector werden aangehouden als versterking. De gehele sector rechts van III-14.RI bleef zodoende leeg, inclusief de daarin gelegen zo belangrijke brug bij Heeswijk die via de Heeswijkse dijk naar Schijndel voerde.

[241] De reden dat deze militairen niet door de C-Vak Schaijk alsnog naar de Milrooijse brug werden gestuurd heeft de overste na de strijd in zijn verslag aan de Generale Staf verklaard als zijn inschatting van de instructies van C-Peeldivisie, dat Den Bosch het zwaartepunt van de defensie diende te vormen. Dat er onvolkomenheden in de linie onder Den Bosch waren nam hij op de koop toe. Over zijn handelwijze kon de Generale Staf naoorlogs weinig complimenteus oordelen.

I-3.RI

Het vak tussen I-6.RI en de linkerflank van Vak Erp was voorzien voor I-3.RI. In dat vak lag de brug tussen Heeswijk en Schijndel en de oostelijk daarvan gelegen (toenmalige) sluis no.3. Het bataljon werd echter vrijwel geheel uitgeschakeld bij Mill en kon dus geen invulling aan de bevolen verplaatsing naar het Heeswijkse vak geven.

[5, 120] Majoor Netze verloor om 2030 uur ieder contact met de C-Vak Schaijk. Een aan hem toegezonden ordonnans werd vermoedelijk te Zeeland opgevangen, zodat C-I-3.RI nooit van de instructies voor de terugtocht werd verwittigd. In geval van zijn bataljon maakte dit ook niet zo heel veel uit. I-3.RI was in de loop van de avond geheel uiteengeslagen, waarbij het Duitse luchtbombardement de eerste aanleiding was, maar de daarop volgende Duitse penetratie van de Peel-Raamstelling dwars door de sector van het bataljon de belangrijkste oorzaak.

Het betekende dat van I-3.RI, dat ook de zwaarste verliezen leed van de bij de slag om Mill betrokken Nederlandse eenheden, de verbanden totaal uiteen werden geslagen. Al kort na het bombardement waren er kleine groepjes die onder druk van Duits vuur terugtrokken. Kort nadien trokken er manschappen mee met het terugtrekkende III-20.RA. Het waren die elementen van I-3.RI die ook nog in staat zouden zijn Den Bosch te bereiken. Er werden kleinere groepen ontwaard onder de later terugtrekkende verbanden van de overige bataljons, maar er waren naast de ca. 50 slachtoffers aan doden en gewonden, aanzienlijke delen ingesloten bij Mill of gevangenen genomen. De stafgroep met majoor Netze was ter plaatse gebleven, indachtig het laatst bekende bevel om stand te houden. De officieren en enige minderen werden in de ochtend van 11 mei gevangen genomen, terwijl zij terug trachten te trekken naar het westen, nadat de BC had ontdekt dat zijn bataljon volledig was geweken.

Als eenheid had I-3.RI opgehouden te bestaan na de slag bij Mill en de daaropvolgende terugtocht. Nodeloos te zeggen dat van het bataljon geen man achter de Zuid-Willemsvaart verscheen in het aangewezen vak. Zoals eerder opgemerkt was het uiterst curieus dat alsnog enige tientallen manschappen van het bataljon in Den Bosch terecht kwamen kort voor of na het ochtendgloren, net als van I-6.RI, maar dat deze niet gereorganiseerd alsnog naar de brug bij Heeswijk werden gestuurd. Het had rationeel beschouwd logisch geleken om van de ca. 250 man die van beide bataljons tijdig in Den Bosch terugkeerden, twee kleine compagnieën te vormen die dan tenminste de beide bruggen in hun respectievelijke Zuid-Willemsvaartvakken zouden kunnen verdedigen. Zoals hiervoor bij I-6.RI al gezegd overwoog C-Vak Schaijk anders.

Het gevolg van deze gebeurtenissen was dus dat de in het bataljonsvak liggende brug bij Heeswijk en sluis no.3 niet verdedigd werd en de brug bovendien niet vernield werd.

Resumé Vak Schaijk

Het is duidelijk dat de verdediging van de Zuid-Willemsvaart in het meest noordelijke vak alleen in de noordelijke helft tot stand kwam en dat de gehele zuidelijke helft van het vak leeg bleef. Het falen van het beleid van Peeldivisie en Vakcommandant werd niet door ingrijpen van anderen gecompenseerd wat pijnlijk duidelijk werd door het geheel onbezet en bovendien onvernield blijven van de brug bij Heeswijk.

Voorts liet de C-Vak Schaijk het gehele gebied ten noorden van Den Bosch tot aan de Maas geheel onbezet. Weliswaar was de betreffende sector onaantrekkelijk voor een snel manoeuvrerende tegenstander, wegens de brede waterpartijen ten noordwesten van Den Bosch, maar een met pontonmateriaal uitgeruste Duitse eenheid had daar zonder enige hinder van Nederlandse militairen kunnen bouwen aan een pontonbrug en zodoende achter de Brabantse defensie kunnen komen.

Vak Erp – evacuatie en opstelling

[5, 237] De commandant van Vak Erp – luitenant-kolonel E. Snoek [adjudant q.q. chef-staf reserve kapitein J.J. van Hoogstraten] – kreeg tijdig het bevel tot de terugtocht. In zijn Vak was sprake van voorbereide vernielingen ten westen van de Peel-Raamstelling en van twee daartoe aanwezige secties pioniers van 5.C.Pn onder de reserve 2e luitenant Drenth en (commandant) reserve 1e luitenant T. de Ruig [128]. De tweede sectie daarvan had taken in het vernielen van objecten in het voormalige vak van de 5e Divisie, welke taak het op 8 mei (van de C-III.LK) had gekregen. Daarnaast was een deel van het voormalige (maar nog bestaande) Peeldetachement genie, onder de reserve kapitein C. Frets, in het Vak actief. Twee huzaren eenheden [3-2.RH te Boxmeer en 6-2.RH te Oploo] hadden beschermende taken voor de vernielingsploegen en zouden nadien worden teruggenomen boven de Maas. Het eveneens aanwezige 5-2.RH had deels ook taken in het terrein voor de Maas, waarvan het ten oosten van de Maas verkerende deel niet zou terugkeren.

[5, 237] Het Vak had in de Peel-Raamstelling tijdens de eerste oorlogsdag versterking gekregen van vrijwel geheel 4-2.GB, een tweetal secties van 4-17.GB en een paar dozijn man van de staf van 15.GB alsmede van 3-15.GB, welke onderdelen zich uit de Maaslinie in eigen gelederen hadden teruggemeld. Allen werden doorgestuurd naar C-2.RHM nabij Mill. Zij waren echter zo sterk verlaat dat zij als veiligheidsbezetting (in een opnamestelling) voor diens achterland tussen Uden en Veghel werden ingezet. Nadat 2.RHM in de avond van 10 mei op bevel terugtrok, kregen zij instructie terug te keren onder commando van C-Vak Erp. Nadat deze omstreeks 2100 uur het evacuatiebevel had ontvangen werden de Maaslinie verbanden naar het nieuwe vak aan de Zuid-Willemsvaart gestuurd. 4-2.GB kreeg opdracht de kunstweg Sint Oedenrode –Veghel [thans A.50] ter hoogte van de weg naar Eerde [thans N622] aan weerszijde te bezetten. De andere kleine verbanden – waartoe inmiddels ook een groot deel van 1-15.GB behoorde – werden als voorposten verdeeld over de brug en sluizen in het gehele bataljonsvak langs de Vaart in afwachting van de hoofdmacht. De commandant van 4-17.GB trok met zijn detachement echter zelfstandig verder naar Tilburg en onttrok zich zodoende zich aan zijn bevelen. Het initiatief om deze beveiliging te ontwikkelen voordat de hoofdmacht arriveerde, was echter zeer te prijzen. Te meer daar het elders zo node gemist werd.

De nieuw in te nemen opstelling van het Vak Erp was II-2.RI links (aanleunende tegen I-3.RI van Vak Schaijk), II-17.RI midden en I-13.RI rechts (aanleunende bij Keldonk tegen III-27.RI van Vak Bakel te Beek en Donk). II-20.RA diende zich met stukken (12 x 8-staal) ten westen van de Zuid-Willemsvaart te begeven en een geschikte opstelling te kiezen. De sector kende een (reeds vernielde) spoorbrug, twee bruggen (ten noordwesten van Veghel en Keldonk) en twee sluizen (no.4 en no.5). Bij sluis 4 was eveneens een kleine brug over het bewegingswerk aanwezig.

II-2.RI

[5, 240] II-2.RI [C. reserve majoor J.F.L. de Bruijn] was op 10 mei zijdelings betrokken bij de strijd rond Mill, omdat het tegen het vak aanleunde dat aldaar werd aangevallen. Met name het meest links gelegen 3-II-2.RI en de sectie 6-veld van de reserve 2e luitenant D.G. Montagne kreeg met enige Duitse patrouilles te maken, maar kwam niet in een langdurig gevechtscontact en leed geen verliezen. De sectie 6-veld zou overigens wel actief worden betrokken bij beschietingen van de beide Duitse treinen. Daar bleef het echter bij.

Toen het bevel werd ontvangen de positie te evacueren, moest het bataljon veel munitie voor de infanteriewapens achterlaten. Het uit de voorste stellingen meenemen van die grote voorraad was ondoenlijk, zo achtte men. Gedurende de nacht en vroege ochtend werd zonder grote uitdaging het nieuwe bataljonsvak bereikt. Daarbij werd van links (rechts van sluis no.3 tussen Heeswijk en Veghel) naar rechts (tot noordwest van rijksweg Veghel-St Oedenrode) 3-II, 1-II en 2-II opgesteld.

In het vak van 2-II-2.RI lag de (toenmalige) vernielde spoorbrug noordwest van Veghel. In de rug van het bataljon bleef 1-15.GB op de weg Schijndel – Sint Oedenrode in reserve.

II-17.RI

[5, 239] II-17.RI [C. reserve kapitein G.J. Klompers] was met zijn bataljon (en een batterij 6-veld) niet bij de strijd in de Peel-Raamstelling betrokken geraakt. Het evacuatiebevel werd opgevolgd, waarbij aanzienlijke voorraden munitie en zes (niet mee te nemen) affuiten van de zware mitrailleurs werden achtergelaten. Ook één van de vier stukken 6-veld werd niet meegenomen.

[239] Rond 06.00 uur in de ochtend van 11 mei was men in het vak aan de Zuid-Willemsvaart aangekomen. De toenmalige sluis no.4 met (vernielde) brug zuidwest van Veghel (straatweg Veghel - St Oedenrode) viel binnen het vak. Het bataljon werd opgesteld met 1-II links (bij de sluis), 2-II in het midden en 3-II op rechts bij Zijtaart. De MC werd verdeeld over het vak. De 6-veld batterij bij de weg richting Veghel opgesteld.

[239] De verkeersbruggen over de Zuid-Willemsvaart en de Aa te Veghel werden in de loop van de morgen opgeblazen, nadat alle hoofdmachten achter het kanaal waren gekomen. Rond die tijd kreeg de BC ook bericht van het nevenbataljon II-2.RI dat die links niet aangeleund waren, wat direct aan de C-Vak werd gemeld.

I-13.RI

[5, 238] Het derde bataljon van Vak Erp was I-13.RI [C. reserve majoor J.J.G. Staal], ondersteund door de 13e Batterij 6-veld. Het kreeg om 23.00 uur (!) pas de instructie dat het een uur later diende te verplaatsen naar de Zuid-Willemsvaart en daar de meeste rechtse positie zou innemen tussen Keldonk en Boerdonk, waarin sluis no. 5. De sector kende geen grote overgangen, maar wel twee lichte ophaalbruggen, bedoeld voor lokaal verkeer. De eerste lag west van Keldonk (ook wel de Erpse brug genoemd), de ander voerde over de schutsluis no.5 op de rechterflank, tussen Keldonk en Boerdonk. Bij de beide ophaalbruggen werd een sectie 6-veld opgesteld en een halve sectie MC toegevoegd.

Het bataljon had slechts een korte afstand af te leggen en kwam zonder al te veel problemen reeds rond 04.00 uur in haar nieuwe opstelling aan, waar zij om en nabij 07.00 uur volledig was ontplooid. De batterij 6-veld, die als laatste rond 06.00 uur over de bruggen werd gevoerd, was het laatste onderdeel dat in stelling kwam. Nadien werden beide bruggen vernield. Schuttersputten werden aangelegd en onderwijl ook de schutsluis onklaar gemaakt. Het gehele bataljon was intact in stelling gekomen. Groot nadeel ter plaatse was de lage naderingszone aan de vijandelijke zijde, waardoor vanaf de verdedigde zijde vrijwel geen zicht op dit naderingsgebied bestond.

II-20.RA

[247] Het in het vak van I-13.RI opgestelde II-20.RA [12 stukken 8-staal; C. reserve kapitein D.J. Galle] werd geïnstrueerd om met de vuurmonden en munitie te verplaatsen achter het nieuwe Vak en ter plaatse een juiste stelling in te nemen om het Vak ondersteuning te kunnen geven. Voor de Afdeling kwam het evacuatiebevel om 2100 uur, maar dat was kort dag omdat uiteraard het verplaatsen van alle vuurmonden, munitie en verbindingsmiddelen tijdrovend zou zijn. De AC kreeg echter de instructie dat deze al voor 0100 uur over het achter hem liggende Noorderkanaal diende te zijn, omdat men daar de vernielingen reeds wilde stellen. Het gevolg was dat de stukken reeds kort na 2300 uur bespannen gereed stonden, maar de munitietrein leeg stond opgesteld. Men had geen tijd meer die te beladen wilde men het kanaal over zijn voor 0100 uur. Toen de AC dat laatste constateerde maakte hij de commandant van de munitietrein (een aspirant-officier) duidelijk dat het zinloos zou zijn zonder munitie te vertrekken en liet de Afdeling zonder trein vast vertrekken. Eén stuk werd defect achtergelaten, de rest vertrok westwaarts. De munitietrein, bestaande uit zes vrachtwagens, was teruggestuurd om alsnog de munitie te laden.

De commandant van de munitietrein bleek echter niet bestand tegen de druk van de wetenschap dat voor hem geen militair van Nederlandse zijde meer post hield, en verwachtte ieder moment de Duitsers te zien. Zodoende werden haastige enige kisten munitie in een wagen geschoven en het leeuwendeel achtergelaten. Uiteindelijk vertrok de munitietrein met slechts 104 patronen, enkele kisten met kruitzakken maar vergat men de slag- en afvuurpijpjes te laden. Daarmee was de munitie waardeloos en de Afdeling volkomen tandeloos geworden. Helaas vond men dit pas uit toen het al veel te laat was.

[5, 237, 247] De Afdeling kwam nog tijdig over de brug bij het Noorderkanaal, maar bij Gemert werd door een officier (van een grenseenheid) de informatie geleverd dat de Afdeling nog slechts via Beek en Donk over de Zuid-Willemsvaart kon komen. Vervolgens moest men nog verder omrijden wegens te mulle zandwegen, die met de mager bespannen stukken niet te overschrijden bleken. Toen de Afdeling inmiddels zwaar vertraagd in het nieuwe Vak aankwam, meldde de Afdelingscommandant zich bij de Vakcommandant, ondertussen zich bewust geworden van het barre nieuws dat de Afdeling weerloos was geworden door de panische haast bij het munitietransport. In eerste instantie werd de AC te kennen gegeven dat hij zich ondanks de munitieproblematiek diende op te stellen langs de weg waarlangs ook 1-15.GB was gelegen. Dat beviel de C-1-15.GB [reserve kapitein E.P.C. Wolfs] niet, waarop de AC zich eigenhandig naar Best – ruim zes kilometer achter zijn opgegeven positie – begaf. Aldaar meldde hij zich telefonisch bij de C-Vak, die de AC op diens mededeling in Best te zijn geëindigd, furieus sommeerde zich onmiddellijk op zijn CP te melden. Aldaar aangekomen werd de klucht ook de C-Vak duidelijk. De AC kon zijn superieur overtuigen van het feit dat zonder munitie zijn afdeling weerloos was en er zich in de nabijheid geen depot met aanvulling bevond. Daarop mocht de AC zich in Tilburg gaan melden bij de C-20.RA (die bij de staf Peeldivisie was aangesloten) om de zaak op te lossen of nadere bevelen te ontvangen, terwijl de Afdeling in Best onder de plaatsvervangend Afdelingscommandant achterbleef. Het gevolg was echter dat een nuttige afdeling 8-staal door uiterst zwak beleid nutteloos was geworden.

Resumé Vak Erp

Het niet tot nauwelijks door strijd op de eerste oorlogsdag aangetaste Vak Erp verplaatste zich relatief probleemloos naar het nieuwe regimentsvak achter de Zuid-Willemsvaart. Het enige dilemma wat ook hier speelde was het achterlaten van grote hoeveelheden munitie, enige affuiten (wegens inbouw van de zware mitrailleurs in de kazematten) en natuurlijk de 'klucht' bij II-20.RA. Desondanks was er sprake van een ordentelijke verplaatsing, een vroegtijdige aankomst in de nieuwe opstelling en werden de noodzakelijke vernielingsmaatregelen in het tussengebied en ten aanzien van de overgangen over de Zuid-Willemsvaart tijdig uitgevoerd.

Vak Bakel – evacuatie en opstelling

[5, 235] Het Vak Bakel bestond uit geheel 27.RI en werd dan ook door de eigen regimentscommandant aangevoerd, reserve luitenant-kolonel F.N.F. van der Schrieck [adjudant q.q. chef-staf reserve kapitein J.C. Versluijs]. Het regiment had als ondersteuning haar eigen compagnie mortieren, haar 27 Batterij 6-veld [4 stukken], een batterij 6-veld van het KRA [zes stukken 6-veld op rubberbanden met motortractie], de afdeling PAG met zes stukken en zes 2 cm geweren tegen pantser [GTP]. Voorts had het Peeldetachement genie van de kapitein J.J. de Wolf vernielingstaken in het oorspronkelijke Vak.

De C-Vak Bakel had op 10 mei de strijd aan de Maas, mede dankzij lang werkende telefoonlijnen, kundig geleid. Hij had na beslissende doorbraken aldaar er voor zorg gedragen dat belangrijke elementen van zijn Maasbezetting konden terugkeren in eigen gelederen, zodat het eveneens goed geleide I-41.RI [reserve majoor W.E.H. Janssen] grotendeels achter de Peel-Raamstelling kon komen. Tevens had dit bataljon ervoor gezorgd dat 1-15.GB van het nevenvak heelhuids terug kon keren binnen Vak Erp. Even illustratief voor een juiste bevelvoering was dat de C-Vak Bakel zijn bataljonscommandanten op zijn CP uitnodigde om het in de avond ontvangen evacuatiebevel met hen door te nemen en duidelijke instructies door te spreken. Daarbij werd aan alle BC’n gemeld dat zij één compagnie als scherm dienden achter te laten om zodoende de veilige aftocht te garanderen. I-41.RI zou ten oosten van Helmond posities innemen om eventueel nadringen van de tegenstander te stuiten. Het veiligheidsscherm zou om 0400 uur mogen loslaten en z.s.m. met gevorderde motorvoertuigen op de Zuid-Willemsvaart terugtrekken.

Vak Weert 11 mei

Het nieuwe vak aan de Zuid-Willemsvaart was ongunstig voor het regiment. Het werd aan de linker zijde doorsneden door het westwaarts lopende Wilhelminakanaal dat bij Broekkant in de Zuid-Willemsvaart uitmondde en op de rechter flank door het westwaarts lopende Eindhovensch kanaal eveneens uitmondende in de Vaart. Het betekende voor het meest linkse bataljon dat dit zich aan de noordzijde van het kanaal zou moeten opstellen en de andere twee (plus I-41.RI) aan de zuidzijde, waarbij het meest rechtse bataljon op haar beurt door het Eindhovensch kanaal werd gesplitst. Bovendien lag er een uitdaging in de bebouwing van een groot deel van het vak. De beide dorpjes Beek en Donk lagen nabij de Vaart en dat leverde niet alleen schootsveld belemmeringen, maar tevens risico voor de bevolking op bij een werkelijke strijd.

Het regimentsvak liep van een positie circa 500m ten noorden van Donk tot Stiphout onder het Wilhelminakanaal. De CP van de regimentscommandant kwam in Lieshout. Op links werd III-27.RI gepositioneerd met sluis no.6 (inclusief overgang), een pontveer en een brug in haar bataljonsvak. Het werd ondersteund door diverse stukken 6-veld en PAG (twee bij elke overgang en het veerpunt) en twee secties mortieren. Onder het Wilhelminakanaal lag II-27.RI met één overgang en sluis no. 7 in haar vak, dat werd gesteund door vier stukken 6-veld en PAG en een sectie mortieren. I-41.RI lag als reserve achter het vak. Het meest rechtse bataljonsvak, tegenover Helmond, was voor I-27.RI. Het had zeven stukken 6-veld en PAG als ondersteuning waarvan het gros in het vak van 1-I dat tegenover Helmond lag, waar twee wegen en een spoorbaan de Vaart kruisten. Daarbij werd 2-I onder het Eindhovensch kanaal geplaatst.

Van de bataljons is te melden dat III-27.RI enige zware mitrailleurs achterliet in de kazematten, II-27.RI liet drie zware mitrailleurs en alle vier haar GTP’n achter en I-27.RI nam alle zware wapens mee. Voor alle drie gold dat in grote mate munitie werd achtergelaten. Alle geschut werd echter wel meegenomen.

Omdat over de bataljons, anders dan enige trivialiteiten, niets naders te melden is, wordt de beschouwing hierbij gelaten.

Vak Asten – evacuatie en opstelling

[5, 234] De commandant van 30.RI, de luitenant-kolonel G.E.A. Theman [adjudant q.q. chef-staf reserve kapitein N. Kriens], commandeerde twee van zijn drie bataljons in de Peel-Raamstelling. I-30.RI behoorde namelijk tot het aanleunende Vak Weert. Zijn beide bataljons werden op het evacuatiebevel slechts enkele kilometers achterwaarts geplaatst zodat zij tussen het Eindhovensch kanaal (bij Someren) en sluis no.13 in de Zuid-Willemsvaart de verbinding vormden tussen de nieuwe verdediging achter de Vaart en de reeds bestaande in Vak Weert. Naast zijn twee bataljons had de C-Vak nog de beschikking over zijn eigen compagnie PAG, 30 Batterij 6-veld, een tweede batterij 6-veld [KRA, vijf gemotoriseerde en met rubberbanden uitgevoerd stukken] en zijn compagnie mortieren. Daarnaast een groep met vier GTP’n. Restanten van 2.GB en III-41.RI, beide in de Maasverdediging actief geweest, kwamen in de loop van de middag terug in de hoofdstelling en werden achterwaarts doorgestuurd als reserves. Bij de evacuatie gingen twee stukken 6-veld en een PAG verloren omdat deze in een voorverdediging oost van het Noordervaart kanaal hadden gestaan en wegens opgeblazen bruggen niet konden worden teruggetrokken. Een derde 6-veld was aldaar tijdens gevechtsaanraking vernietigd. Een ander stuk 6-veld en een tweede PAG waren eveneens achtergelaten toen zij als schermbeveiliging werden verlaten. Voorts had men bij eerdere gevechten op 10 mei in de voorverdediging een groot deel van 3-II-30.RI verloren ten oosten van het kanaal.

De beide bataljons met ondersteuning werden gedurende de nacht teruggenomen onder achterlating van een beveiligend scherm. In het Vak lag de tegenstander tegen de weerstand aan, waardoor een sectie mortieren, een sectie MC en de compagnie PAG (min een stuk) als schermbeveiliging achterbleven. De mortieren bleven verontrustend vuur afgeven op een bosperceel waar Duitse verkenners waren waargenomen. Het scherm werd rond 0400 uur teruggenomen, waarbij het eerder genoemde stuk 6-veld in de hoofdweerstand achterbleef net als een stuk PAG. De rest van de wapens kwam tijdig binnen de nieuwe opstelling.

De opstelling achter de Zuid-Willemsvaart kende vier sluizen (no. 10, 11, 12 en 13) met kleine bruggen. Die overgangen werden alle door genisten opgeblazen zonder de sluiswerken aan te tasten. III-30.RI nam positie in het linkervak tussen sluis no. 10 en Someren, terwijl II-30.RI tussen Someren en sluis no. 13 een opstelling kreeg. Voor zover mogelijk zocht men hoge punten om de automatische wapens op te stellen in verband met de hoge oostelijke dijk.

Ook voor dit vak geldt dat over de bataljons, anders dan enige trivialiteiten, niets naders te melden is.

Resumé van Zuid-Willemsvaart staat van verdediging

De nieuwe provisorische verdediging van de Peeldivisie bevond zich dus in de ochtend van 11 mei volledig geconcentreerd achter de Zuid-Willemsvaart, van Den Bosch tot aan Weert. In die gehele stelling lagen 14 intacte bataljons, plus bij elkaar nog circa twee bataljons aan restanten van andere (gedecimeerde) onderdelen. Voor de goede orde wordt het geheel nog eens opgesomd:

Vanaf Den Bosch naar Weert: II-29.RI (Schaijk), III-14.RI (Schaijk) - vervolgens twee lege bataljonsvakken en dan - II-2.RI (Erp), II-17.RI (Erp), I-13.RI (Erp), III-27.RI (Bakel), II-27.RI (Bakel), I-27.RI (Bakel), I-41.RI (reserve Bakel) III-30.RI (Asten), II-30.RI (Asten), I-30.RI (Weert), 4.GB en II-41.RI (Weert). Voorts nog fracties met een gezamenlijke sterkte van ongeveer een compagnie van I-3.RI (Schaijk), I-6.RI (Schaijk), 2.GB (Asten), 17.GB (Weert) en III-26.RI (Bakel) alsmede (vrijwel) geheel 3-GBJ (Schaijk), 1-15.GB (Erp) en 4-17.GB (Weert: trok echter in de ochtend van 11 mei zonder bevel terug op Tilburg).

Militaire kaart Den Bosch en omstreken

Naast deze sterkte van maar liefst 14 georganiseerde en min of meer op organieke sterkte verkerende bataljons (m.u.v. de munitievoorraden, die meestal niet meer dan anderhalf tot twee rantsoenen sterk waren na de evacuatie) en twee bataljons sterkte aan restanten van gedecimeerde bataljons, waren er uiteraard nog de manschappen van II-20.RA en III-20.RA alsmede geheel intact I-20.RA in Vak Weert. De ondersteuning van de Peeldivisie was op enige detachementen pioniers na vrijwel geheel naar de omgeving Tilburg vertrokken, net als enige treinonderdelen van lagere eenheden.

Zodoende werd een lineair front met een aaneengesloten lengte (van Den Bosch tot aan de grens onder Weert) van 65 kilometer bezet door een troepensterkte van zo’n 12.000 man. Dat betekende een evenredige bezetting van twee man per tien meter, slechts een vijfde van de Veldleger standaard voor een lineaire verdediging, die uitging van tien man per tien meter. Ter vergelijking dient te worden meegegeven dat de best bezette Franse verdedigingslinie in Nederland op 11 mei, die bij Tilburg, op een lengte van 32 km circa 7.500 man bezetting had (deel Groupe Lestoquoi, vrijwel geheel 6.RC en deel 4.RDP), wat neerkwam op bijna een gelijke evenredigheid van iets meer dan twee man per tien meter. Bovendien was de Franse bezetting tussen Tilburg en Geertruidenberg nog beduidend ijler. Daar lagen slechts zo’n 1.500 man op 18 km, wat minder dan één man per tien meter betekende. Als men bedenkt dat het gros van die sterkte ook nog eens in de diepte lag, dan is duidelijk hoe slecht die sector verdedigd was.

Naast de ijle bezetting van de Zuid-Willemsvaart verdediging was er echter een tweetal grotere bezwaren. Het eerste was het reeds vaak besproken geval van het gat tussen Middelrode en Heeswijk. Het tweede, nauwelijks besproken in de literatuur, was het gat tussen Den Bosch en de Maas. Weliswaar was die sector voor een aanvallend leger niet primair interessant als opmarsgebied wegens de noordwestelijk van de stad liggende brede waterpartijen, maar daarachter was ook geen verdediging geplaatst. Een met pontonbruggen uitgeruste aanvaller had daar in de luwte een oversteek kunnen voorbereiden zonder enige uitdaging door Nederlandse militairen. Dat deze ‘optie’ voor de Duitsers niet zo snel in beeld zou komen omdat besloten werd onder Den Bosch door te stoten en de stad zelfs terzijde te laten liggen, doet niet veel af aan het gegeven dat geen enkele inspanning werd gepleegd om dat 3 km brede gat zelfs maar met enige fracties te beveiligen. C-Vak Schaijk had zodoende zijn defensie totaal niet op orde, want zijn beide vleugels had hij onbezet gelaten.

De sterkte van (zeg) 16 bataljons was niet veel om een duurzame verdediging te voeren op het 65 km brede front. Reserves, anders dan enkele kleine fracties, ontbraken met uitzondering van Vak Bakel dat vrijwel geheel I-41.RI in reserve kon houden. Operationele strategische reserves ontbraken al helemaal. Er was geen enkele eenheid in het derde echelon die een mogelijke vijandelijk doorbraak zou kunnen pareren of afgrendelen. Zelfs een bezetting van cruciale kruispunten achter de Zuid-Willemsvaartdefensie ontbrak op veel plaatsen. De stelling had daarom nauwelijks enige kracht of waarde vanuit haar bezetting, met uitzondering van het natuurlijk sterker uitgebouwde Vak Weert dat in de oorspronkelijke Peel-Raam hoofdweerstand lag. Bij deze numerieke bezwaren kwamen de afwezigheid van voldoende munitie, de inmiddels volledige afwezigheid van artillerie (ten noorden van Weert), de al voordien afwezige luchtafweer en natuurlijk de bijzonder nadelige situatie dat over vrijwel het gehele front een parallelle weg langs de Vaart liep met een hogere oostelijke dijk waar de verdediging op de linker oever tegenaan keek en een vijand haast ongezien achter kon naderen. Bij dat laatste aspect werd het gemis aan voldoende krombaanwapens en artillerie natuurlijk extra versterkt.

Eendachtig de uitroep van de C-Peeldivisie na de oorlog tijdens zijn verhoren voor de PEC, had het dus alleszins in de reden gelegen om met de 14 tot 16 bataljons in diepte opgestelde egelstellingen te vormen op verkeersknooppunten in plaats van de lang opgerekte Zuid-Willemsvaart defensie. Daartoe had de C-Peeldivisie echter niet besloten. De werkelijkheid zou spoedig aantonen hoe desastreus de gekozen strategie zou uitpakken.

Vak Schaijk – een falende vakcommandant

Zoals blijkt uit de verplaatsing van de vier bataljons van Vak Schaijk naar het vak Den Bosch – Heeswijk achter de Zuid-Willemsvaart, bleven de rechter twee bataljonsvakken leeg. Dat was niet alleen een opvallende zaak, maar zou ook van invloed zijn op met name het tempo van het welslagen van de Duitse manoeuvre richting Moerdijk. Het ontstaan van dit gat in de provisorische verdediging werd eerder al besproken vanuit een context van het hoogste lokale bevel, dat van de commandant Peeldivisie en zijn chef-staf. Het is echter net zo goed relevant om op tactisch niveau te kijken naar de vakcommandant, die terzake verantwoordelijk was.

[5, 241] De carrièreofficier luitenant-kolonel J. (Jakob) Detmar was de commandant van het betreffende vak. Hij had al weinig overtuigend opgetreden bij de verdediging van het Vak Schaijk in de Peel-Raamstelling, maar zou dat zwakke optreden geen beter vervolg geven. In tegendeel. Daar waar de commandanten van de zuidelijke Vakken Erp en Bakel zich welbewust bleken van de noodzaak tot spoedige ontplooiing van hun troepen in de hen toegewezen sectoren en met name daar waar de Duitsers de Vaart eenvoudig konden oversteken, daar faalde de commandant van Vak Schaijk opnieuw hopeloos in zijn tactische uitvoering van de hem opgedragen taak. In zijn eerste naoorlogse verslag aan de onderzoekscommissie van de Generale Staf – door de GS onderzoekers zelf intern in de kantlijn aangetekend met ‘dit is toch geen gevechtsverslag’ – gaf de overste Detmar te lezen dat hij de niet-bezette delen niet zo belangrijk vond ‘aangezien de C-Peeldivisie den nadruk legde op ’s-Bosch [sic], zijn later aangekomen kleine afdeelingen van 3 en 6.RI (samengevoegd) tot een compagnie en toegevoegd aan het vak ’s-Bosch.’ Van die nadruk van de C-Peeldivisie – kennelijk dan in persoonlijk contact met de C-Vak Schaijk gewisseld – is  niets terug te vinden in diens verslaglegging of het door overste Detmar geciteerde bevel aan hem, maar ze valt natuurlijk niet geheel uit te sluiten. Het komt, gezien de duidelijke plannen bij de C-Peeldivisie voor een aaneengesloten verdediging van Den Bosch tot aan Weert, ook ongeloofwaardig over dat juist bij het lastig door de tegenstander in te nemen Den Bosch een nadruk door kolonel Schmidt zou zijn verlangd. Desondanks zou zelfs een dergelijke nadruk van de kolonel Schmidt op de verdediging van Den Bosch geen impliciete aanwijzing zijn dat de kolonel het onbezet laten van de gehele rechterflank zou hebben gebillijkt ten faveure van de defensieve nadruk op de grote stad zelf. Bovendien had het ook de overste Detmar toch als onverantwoord moeten voor komen dat zijn gehele rechtervleugel ontbrak en zijn verdediging bij Den Bosch en zijn CP bij Vught eenvoudig omtrokken kon worden de niet verdedigde sector, die de tegenstander immers niet alleen onder Den Bosch (c.q. achter de defensie) zou brengen, maar tevens zijn CP in Vught direct zou bedreigen. Het hinderde de overste echter niet om in zijn gevechtsbericht van 19 mei 1940 te beweren dat hij op 11 mei een controlerit maakte langs de ‘aangewezen opstellingen aan de Zuid-Willemsvaart zomede door het voorgelegen terrein’. Aanvangstijd was 08.00 uur, eindtijd 09.00 uur. Welke route de overste aflegde vanuit zijn CP te Vught is onbekend, maar binnen een uur kon hij deze handelingen nooit verricht hebben. De toentertijd aanwezige infrastructuur kon hem vanaf Vught rechts van de Dommel onderlangs Den Bosch hebben gevoerd, zodat hij slechts het bezette deel van de nieuwe stelling kon hebben geïnspecteerd aan de stadse zijde. Het voorterrein daarvan kon hij ook nog net hebben bezocht, vlak voordat de bruggen bij Den Bosch werden opgeblazen door 15.C.Pn [2e sectie onder de reserve 1e luitenant Van der Meer], maar de rechterzijde kan de overste nooit in datzelfde uur hebben geïnspecteerd, of, als hij het rechter deel inspecteerde dan nooit het noordelijke deel. Ronduit onbegrijpelijk is het dat de overste in zijn verslag meldt zich welbewust te zijn van het niet in hun vak komen van I-3 en I-6, dit doorgegeven te hebben aan de C-Peeldivisie, maar op geen enkele wijze remediërend te hebben gehandeld. Hij had bijvoorbeeld (de voordien de rond 07.30 uur op zijn CP verschijnende) luitenant Van der Meer van 15.C.Pn alsnog direct aan het werk kunnen zetten aldaar. Hij had ook de honderden mannen van verbindingsafdelingen, trossen en treinen die naar Tilburg werden doorgestuurd in de lege vakken kunnen dirigeren of de ca. 200 man sterke verbanden van I-3 en I-6, die in de ochtend alsnog als fragmenten in zijn positie arriveerden, kunnen inzetten. Maar niets daarvan. Er volgde geen enkele maatregel voor de flank, zelfs geen informatie aan zijn ondercommandanten, zoals de C-III-14.RI, die dus van een ontblote flank ongewis bleef. Het gevolg zou zijn dat de Duitsers van de Gruppe Lüttwitz in de middag van 11 mei een stel weliswaar vernielde, maar onverdedigde bruggen aantrof, die zij ongehinderd konden gaan inrichten voor provisorische overgang. Overigens - of dit werkelijk operationeel gevolgen heeft gehad, of de Duitsers er voordelen bij hadden - is sterk de vraag. De oversteek bij Heeswijk werd pas rond 17.00 uur gemaakt. Toen was de defensie elders langs de Zuid-Willemsvaart dus al geëvacueerd. Het lijkt daarom aannemelijk dat indien de vakken wèl bezet waren geweest, ze met de rest van de verdediging tussen 14.00 en 16.00 zouden zijn geëvacueerd. Het zou de Duitsers die bij Heeswijk aankwamen dus weinig hebben gedeerd, hoogstens een korte vertraging hebben opgeleverd. Die conclusie lijkt gerechtvaardigd en verzacht de gevolgen van het uitermate zwakke krijgsbeleid ter plaatse. Er kan dus worden geconstateerd dat de brug bij Heeswijk in veel militaire verslagen overdreven is uitgelicht. De brug was - in weerwil van populair geloof - wel degelijk vernield en de Duitse oversteek ter plaatse was uren later dan die bij Keldonk even zuidelijker, waar de werkelijke doorbraak van de linie plaatsvond. Beide zaken zijn in boeken over de strijd niet of nauwelijks over het voetlicht gebracht of zelfs ronduit verkeerd weergegeven.

Voorts is opvallend dat de defensie van Den Bosch in eerste instantie niet verder reikte dan de meest oostelijke stadzijde. Het verlengde van de (aldaar gekanaliseerde) Aa alsmede de noordgrens was geheel onbezet. De prominente brug in de Graafseweg – althans de zuidoever aan de stadzijde – was geheel onbezet gebleven. In zijn eigen ‘decharge’ [brieven tussen juni 1940 en januari 1951] schreef kolonel Schmidt in het geheel niets over zijn exacte bevelen aan de vakcommandanten. Het is ook niet erg aannemelijk dat de kolonel de C-Vak Schaijk opdracht heeft gegeven in de loop van de morgen de verdediging te verbreden naar de brug over de Dieze, doch dit werd laat op de morgen wel gedaan. Het had echter voordien al in de reden gelegen. Daarmee werd een zwak afweerfront door Den Bosch heen gelegd. Ten noordwesten van de stad werd echter geen enkel verband in stelling gebracht achter het kanaal dat de waterwegen van Den Bosch met de Maas verbond, zelfs geen veiligheidsposten. De C-Vak Schaijk leidde dus een defensie tussen de Maas en Heeswijk waarvan slechts het centrale deel bezet was. En hij was daarvoor strategisch verantwoordelijk omdat de C-Peeldivisie de ontplooiing van eenheden in de nieuwe defensie aan de Vakcommandanten overliet.

De conclusie dient te zijn dat de C-Vak Schaijk onvoldoende kwaliteiten bezat om zijn werk op adequate wijze te verrichten, waardoor de defensie tussen Maas en Heeswijk nergens op leek. Niet naar de tamelijk conservatieve maatstaven van het Nederlandse leger en al helemaal niet naar wat de 'moderne strijd' van een veldcommandant zou verlangen. In zijn verdediging dient echter wel te worden aangevoerd dat hij voor een adequate verdediging van dit met afstand grootste vak binnen de zogenaamde Zuid-Willemsvaart linie ook ruimschoots onvoldoende troepen ter beschikking had. Zelfs als beide vermiste bataljons zouden zijn komen opdagen. Het door Staf Peeldivisie ontworpen herconcentratieplan voor het Vak Schaijk was even zo een ongelukkig product geweest. Men had verzuimd om zich te realiseren dat juist de doorbraak in dit Vak van de Peel-Raamstelling de reden was voor de verplaatsing van de divisie naar de nieuwe opstelling, waardoor gevechtsgebonden troepen weleens bezwaarlijk tot succesvolle terugtrekking zouden kunnen overgaan. Als de Staf Peeldivisie zijn werk juist had gedaan, had het met name in de vakken van de beide Mill bataljons reeds een veiligheidsbezetting opgesteld. Daartoe waren enige grenscompagnieën beschikbaar geweest. Men verzuimde dit niet alleen te doen, maar men verzuimde óók om - naar goed Nederlands gebruik - de ondercommandant nog eens te instrueren met dit evidente risico rekening te houden. Als men de zaken naast elkaar ligt dan ziet men hier operationeel stafbeleid opzichtig falen, wat voor een deel op de basale kwaliteit van de betreffende stafofficieren en bevelhebbers is terug te voeren, maar evengoed op de zwakke stafopleiding en -vorming van Nederlandse officieren, beroeps én reserve officieren. In dit geval echter ging het om een keten van louter beroepsofficieren, zijnde de C-Peeldivisie, zijn chef-staf (GS officier) en de C-Vak Schaijk. Dat zij zulke grove fouten maakten, die ook werkelijk contemporain in de overwegingen moeten zijn voorgekomen, kan men vermoedelijk het beste als ontnuchterend beoordelen.

Thans zal worden gekeken naar de gevechten die plaatsvonden langs de Zuid-Willemvaart.

Gevechten tussen Den Dungen en Veghel-Keldonk

De Zuid-Willemsvaart liep vanuit het hart van Den Bosch zuidoostwaarts weg, om vervolgens als eerste de plaatsen Den Dungen, Middelrode en Heeswijk te passeren. Recapitulerend werd dit tracé van links naar rechts bezet door II-29.RI (met ondersteuning van enige losse verbanden) en III-14.RI, waarnaast de bij elkaar ruim 5 km brede vakken van I-6.RI en I-3.RI leeg bleven. De brug bij Middelrode over de sluis was een secundaire verbinding. De brug bij Heeswijk - ook wel Schijndels brug genoemd - leidde de weg van Heeswijk naar Schijndel over de Vaart. Deze weg was voor de Duitsers aantrekkelijk als opmarsroute. Hij leidde richting Sint Michielsgestel (NW), Boxtel (WZW) en Sint Oedenrode (Z), tevens naar Vught (W). OP enige afstand rechts van de onverdedigde sector bij Heeswijk lag het vak van de voormalige bezetting van Vak Erp in de Peel-Raamstelling, met van links naar rechts II-2.RI, II-17.RI en I-13.RI. Bij Veghel lag de scheiding tussen het operatiegebied van 254.ID (ten noorden) en 256.ID (ten zuiden van die lijn).

[557] Kort terug naar de Peel-Raamstelling. In de late avond van 10 mei stond de verkenningsafdeling AA.254 in het meest rechtervak van 254.ID ten westen van Beers met als opdracht om bij het kerkdorp Escharen (op dezelfde hoogte als Cuijk) in de vroege ochtend over het riviertje Raam een schijnaanval te doen langs beide zijden van het plaatsje. Links naast haar IR.474 en daar weer links naast IR.454 dat tegen de noordgrens van Mill aanleunde. Na een zware, grotendeels slecht gerichte, artilleriebarrage op de kazematten langs het defensiekanaal en het riviertje Raam, gingen de eenheden rond 04.30 uur voorwaarts. De achtergebleven Nederlandse verdedigers, een voornaam deel ongewis van het feit dat de stelling geëvacueerd was, gaven hier en daar nog zodanig partij dat met name in het vak van IR.474 de aanval vrijwel direct stokte en nieuwe artillerieondersteuning werd aangevraagd. IR.454 daarentegen kwam in haar vak eenvoudig over het kanaaltje en constateerde dat de stelling grotendeels was verlaten, waarop snel eenheden werden overgezet. Het 2e bataljon van IR.454 ondervond echter zware hinder van het eigen artillerievuur dat ter ondersteuning van IR.474 op de kanaaldefensie werd afgegeven en verloor erdoor zelfs een pelotonscommandant van 8./IR.454, Leutnant Stach, die gewond raakte door scherven. Vijf man van het bataljon werden nog gedood tijdens de gevechten met de laatste bezetters en door mijndetonaties in de Nederlandse mijnenvelden. Drie  man van het 1e bataljon kwamen eveneens om. Enkele tientallen raakten gewond, deels door eigen artillerievuur. Het voorste bataljon [II./IR.454] was al rond 07.00 uur in staat zich te verplaatsen naar het dorp Zeeland, waar het constateren kon dat eenheden van 256.ID de straten reeds vulden. Het leidde tot groot congestie op de wegen en dus oponthoud.

[557] De marswegen van AA.254, dat dus op de uiterst noordelijke vleugel opereerde, blijven enigszins ondoorgrondelijk. Helaas ontbreken gegevens in de bewaarde KTB’s en overige Duitse bronnen en vindt men geen duiding omtrent de gebeurtenissen rond deze eenheid op 11 mei. De weg van deze eenheid naar de Zuid-Willemsvaart is dan ook slechts door hypothese te reconstrueren. Het uitgangspunt van de AA.254 was de opstelling op de meest rechterflank van de divisie, waar het zou optreden tegen de Nederlandse defensie achter het smalle riviertje de Raam. Het Defensiekanaal kwam bij het buurtschap de Gagel samen met de Raam, zodat de AA.254 een iets bredere waterweg had over te steken dan de beide IR’s op haar linkerflank. Mogelijk daarom was achter haar een brugcolonne paraat om een brug te kunnen slaan, wat voor de IR’s niet aan de orde was, mogelijk  was een kleine brug niet vernield, wat de zaken zou kunnen hebben verlicht. Daarnaast was de sector Escharen – Grave door zo goed als alle Nederlandse verdedigers geëvacueerd. De vraag is nu hoe AA.254 – dat mogelijk tijdelijk versterkt was met enige pantserwagens (1) – aan de overzijde is gekomen. De meest voor de hand liggende optie is dat ten noordwesten van Escharen in de toen bestaande weg Cuijk – Grave [thans Beerschemaasweg] een noodbrug werd gelegd over de Raam – of – dat de daar gelegen brug niet was vernield. De weg sloot aan de westzijde aan op de hoofdweg pal zuidwaarts richting Zeeland alsmede de weg die via Grave richting Heesch en uiteindelijk Den Bosch leidde. Die weg kon via Heesch over Uden en Veghel worden vervolgd. Het kan met de nodige reserve worden aanvaard dat AA.254 via een (nood)brug noordwest van Escharen over de Raam kwam en zich via de route Heesch – Uden – Veghel naar de Zuid-Willemsvaart begaf. Met het volgen van die route zou het ook de opstopping van Duitse troepen op de weg Zeeland – Uden hebben omzeild. Dat vermijden van de congestie van de trechter west van Mill moet wel aan de orde zijn geweest, daar een deel van AA.254 al relatief vroeg in de ochtend nabij Heeswijk zou zijn verschenen. Het was naar verluidt rond 09.30 uur dat de eerste Duitsers langs de Zuid-Willemsvaart werden ontwaard. Rond 11.00 uur zijn de meldingen in Nederlandse verslagen in diverse bataljonsvakken zo talrijk dat moet worden geconcludeerd dat tussen 09.30-11.00 uur een Duitse voorhoede de Vaart werkelijk had bereikt. Rond die tijd zou dan ook moeten zijn vastgesteld dat de bruggen bij Middelrode en bij Heeswijk niet (of onvoldoende) door de Nederlanders werden verdedigd. ER blijkt uit Duitse handelingen echter niets van deze vaststelling - althans op dat vroege tijdstip.

(1) [1255] De KSTN [Kriegsgliederung 254.ID van 14 Mai 1940, uit rapport kwartiermeester 39.AK] geeft weer dat de AA.254 bestond uit een staf met gemotoriseerd verbindingspeloton, twee compagnieën verkenners (op fiets, elk met 2 zware en 9 lichte mitrailleurs), een gemotoriseerd peloton antitank geschut met drie stukken PAK 36 en een lichte mitrailleur en een gemotoriseerd peloton met twee 7.5 cm infanterievuurmonden IG. Pantserwagens staan niet ingetekend. Op zich is het echter heel goed mogelijk dat enkele pantserwagens door SS.AA zouden zijn gedetacheerd.

[242] In de middag van 11 mei werd door enkele burgers aan de commandopost van reserve 1e luitenant L.C.A. van Kuijk [C 2-III-14.RI] het bericht gemeld dat er bij Heeswijk zwaardere Duitse troepen over het kanaal waren gekomen. Hoewel dat bericht werd gedaan onder vermelding dat het om een door de Duitsers geslagen noodbrug ging, was de impact ervan niet minder. Er ontstond begrijpelijkerwijs grote onrust bij het bataljon. De vijand kon vanaf dat moment immers uit alle windstreken komen, terwijl het bataljon slechts noordoostwaarts ter verdediging was ingericht. [554] Het betreffende bericht zal vermoedelijk in verband hebben gestaan met de aankomst van de spits van de Gruppe Lüttwitz, waarvan een spits Trupp al kort na het middaguur te Heeswijk arriveerden. Eind van de middag zou de inmiddels gearriveerde Gruppe Lüttwitz provisorisch een overgang bij Heeswijk mogelijk maken en met zijn zwaarste middelen de Vaart richting Schijndel oversteken. Toen de hoofdmacht van de spitsafdeling van de Gruppe Apell enige tijd nadien arriveerde, versterkten zij de Heeswijkse brug provisorisch. De pioniers van 254.Pi.Btl zouden bij de sluis no. 2 tegenover Middelrode een noodbrug maken die uiteindelijk op 12 mei 16 tons vermogen had. De verkenners van de 9e PD zouden in de avond van 11 mei doorverkennen richting Den Bosch - hetgeen een kort gevecht opleverde - en uiteindelijk over Vught en Helvoirt westwaarts doorstoten. Achter hen zou AA.254 bij Heeswijk over de Zuid-Willemsvaart komen en, zich veilig wanend, kamp maken bij Woud en Den Dungen. Op dat aspect en het op 12 mei nog volgende gevecht bij Den Dungen wordt in een apart hoofdstuk op 12 mei uitgebreid teruggekomen. Het wordt hier gelaten voor wat het is.

[237] De vernielingen van de bruggen over de Zuid-Willemsvaart in de sector van het (voormalige) Vak Erp werden door de genie onder de 2e luitenant Drenth en SMI Voets [beide 5.C.Pn] verricht. Alle bruggen over de Vaart in het Vak werden tijdig en redelijk grondig vernield. Onmogelijk – en bovendien verboden – was het om de sluizen te vernielen, zodat weliswaar de lichte bruggen over deze waterwerken werden vernield, maar de gesloten deuren nog een (uitdagende) oversteekmogelijkheid boden. De commandopost van de Vakcommandant overste Snoek werd ingericht nabij Sint Oedenrode. Toen rond 14.00 uur geruchten de C-Vak Erp bereikten dat de Duitsers over de Vaart waren gekomen, onder meer met pantserwagens, verliet de overste hals over kop zijn CP. Geen der BC’n werd hiervan verwittigd. De Vak CP verdween naar Best, zonder dat de overste behoorlijke maatregelen nam om zijn bataljons nieuwe instructies achter te laten. Kapitein J.J. van Hoogstraten - kapitein-adjudant - bleef achter om de troepen verder bij een aftocht te coördineren.

[132] Ter ingeleide van de overige gebeurtenissen in het Vak Erp aan de Zuid-Willemsvaart vooraf een ander uiterst curieus gebeuren. 4-2.GB was tijdens de eerste oorlogsdag onder commando gesteld van Commandant Vak Erp. De eenheid was afkomstig uit de Maaslinie [Vak Asten], maar na een succesvolle terugtocht binnen eigen linies (samen met een eveneens teruggetrokken sectie van 4-17.GB) toegevoegd aan Vak Erp. In Erp gearriveerd kreeg de CC opdracht zich bij C.2-RHM te melden om die bij zijn aanval op de Duitse posities bij Mill te assisteren. Door veel gedraal – de CC reserve kapitein H.C.J. Verstappen trad ronduit slap op – was de compagnie pas in de avond van 10 mei richting Mill getrokken. Onderweg werd het door ordonnansen echter teruggestuurd met de mededeling dat 2.RHM al op de terugweg was naar het westen om over de Maas te worden teruggenomen. 4-2.GB moest zich te Veghel verzamelen. Onderweg daarheen werd de compagnie echter door het terugtrekkende 2.RHM geïnstrueerd haar terugtocht te beveiligen door enkele strategische punten te bezetten en zich vanaf 2330 uur west van de brug (over de Zuid-Willemsvaart) te Veghel op te stellen. Kort na middernacht kwam de compagnie inderdaad ter plaatse aan. Geheel zelfstandig besloot de kapitein – onder het mom dat het te gevaarlijk was met de geconcentreerde compagnie pal west van de brug te blijven liggen – door te trekken tot Sint Oedenrode. De steeds volgende sectie 4-17.GB volgde deze daad, zodat de als veiligheidsbezetting bedoelde grenstroepen zich verder westelijk van de Zuid-Willemsvaart deden verplaatsen. Vervolgens besloot de CC dat het nog niet genoeg was en zette de terugtocht – opnieuw geheel zelfstandig besloten – voort tot aan Best! Toen de kapitein daar ‘geen levend wezen kon bespeuren’ reed hij vervolgens door naar Oirschot. Uiteindelijk wist de kapitein Verstappen daar eindelijk [ca. 06.00 uur] contact te maken met de overste Snoek [C-Vak Erp]. [132, 237] Deze was witheet dat de kapitein zijn onderdelen zo ver westelijk [NB: de afstand brug bij Veghel – Oirschot was bijna 20 km] had teruggetrokken en sommeerde de eigengereide CC onverwijld terug te keren richting Sint Oedenrode. Niet gehinderd door enig verantwoordingsgevoel ging de kapitein Verstappen eerst ontbijten met zijn staf, tijdens welke gebeurtenis twee Franse pantserwagens voorbij kwamen [het detachement van de Franse eerste luitenant Schérer van 6.RC op weg naar Vught]. Uiteindelijk vertrok de compagnie om 08.30 uur richting Sint Oedenrode, waar ze omstreeks 11.00 uur arriveerde. [132] Aldaar ontving de CC volgens zijn eigen verklaring opdracht een opvangstelling achter de hoofdverdediging te vormen nabij Koevering (NO en NW van Sint Oedenrode). [237] C-Vak Erp stelt echter dat hij opdracht gaf met een sectie van 4-2.GB de open linker flank naast 3-II-2.RI in te nemen (Vak Heeswijk). Beide verklaringen zijn tegenstrijdig, want de CC 4-2.GB geeft duidelijk aan dat alle vier zijn secties langs de hoofdwegen van Sint Oedenrode werden opgesteld en geeft niet in het minste blijk van een instructie dat een sectie naar de weg Schijndel-Dinter moest worden gestuurd. Er gebeurde dien aangaande dus geheel niets. Onduidelijk is welke van de bronnen hier ‘de waarheid’ spreekt (2). Uiteindelijk zouden de beide secties op de linkerzijde van Sint Oedenrode samen met de 4e Sectie met de terugtocht van het Vak (circa 16.00 uur) verdwijnen en de rechtersectie, met daarbij de CC, langs de Veghelse weg blijven liggen tot ruim na de terugtocht achter de Dommel, omdat men niet geïnformeerd was. Die sectie (de 3e) kwamen pas rond 18.30 uur over de Dommel. Duitsers had men al die tijd overigens niet gezien.

(2) Een verklaring voor de tegenspraak kán zijn dat de 4e sectie van 4-2.GB onder de reserve vaandrig Bourdon in de middag opdracht van de overste Snoek had gekregen de brug over de Dommel (!) in de Veghelse weg bezet te houden. Dat is de enige opdracht aan 4-2.GB die enige gelijkenis vertoont met de aantekening van overste Snoek dat hij een sectie van dit onderdeel een expliciete opdracht gaf een zeker strategisch punt te bezetten. Het is echter een suggestie die desondanks niet heel waarschijnlijk lijkt.

[133] Naast 4-2.GB en 4-17.GB was ook nog 1-15.GB – uit het eigen Vak Erp – beschikbaar gebleven. Het kreeg tijdens de verplaatsing van het Vak Erp naar de Zuid-Willemsvaart opdracht als eerste een veiligheidsbezetting achter het kanaal te vormen. Dat voerde de compagnie uit, waarbij haar enige stuk PAG en haar vier secties over de sector werden verspreid. Nadat de bataljons geleidelijk aan de nieuwe stelling binnenkwamen, werd de compagnie in reserve teruggenomen. Ze verspreidde zich langs de weg Veghel – St Oedenrode en de weg Schijndel – St. Oedenrode. De PAG werd langs de weg naar Veghel opgesteld. Ook deze compagnie kreeg geen nadere bevelen van de C-Vak en werd ten dele vergeten bij de terugtocht. Ongeveer de helft van haar sterkte trok samen met de laatste sectie van 4-2.GB terug rond 1800 uur. Haar secties hadden geen Duitser gezien alvorens ze terugtrokken rond 16.00 uur.

[240] In de late ochtend van 11 mei was er reeds bij C-II-2.RI van burgers bericht binnengekomen dat er Duitsers over de Zuid-Willemsvaart waren gekomen. Hij zond daarvan per ordonnans bericht aan de overste Snoek, commandant van het voormalige Vak Erp, die (toen nog) te Koevering CP hield, maar daar geen werkende telefoonverbindingen had. Rond het middaguur raakte zijn 3e Compagnie, het meest linkse in zijn bataljonsvak, slaags met de Duitsers die op de oostelijke dijk voor de compagnie verschenen waren. Enige tijd nadien werd voor het hele vak vuurcontact met de Duitsers gemaakt, waarbij in eerste instantie slechts wielrijders en Kradschützen werden gezien, kort nadien eveneens lichte pantserwagens en uiteindelijk - het was toen al laat in de middag - tanks en gemechaniseerd geschut. [561] Die laatste Duitsers waren afkomstig van de Vorausabteilung van Gruppe Sponeck. Deze waren rond 14.00 uur via Erp, voordien reeds via Gemert, met de eerste eenheden doorgedrongen tot aan de Zuid-Willemsvaart. Als eerste zal men te maken hebben gekregen met de voorste delen van het versterkte 5./IR.481 (met fietsen uitgeruste compagnie), dat nog voor het middaguur de Zuid-Willemsvaart bereikt had. Nadat de Vorausabteilung van Gruppe Sponeck de sector had bereikt en de Aa was overgestoken werd de aanval op de Nederlandse verdediging serieus. Daarbij werd uiteindelijk ook artillerie ingezet door de Duitsers. [552, 554, 561] De afdeling van de Gruppe Sponeck had naast drie Bisons (gemechaniseerd 15 cm infanteriegeschut) de gemotoriseerde batterij 4./AR.102 [vier stukken 10,5 cm le.FH.18] in haar gelederen. Waar deze batterij zich opstelde is onduidelijk, maar ze zou in de sector tussen 2-II-2.RI en II-17.RI de Duitse agressie tegen de defensie achter de Vaart ondersteunen. Het vuur van deze batterij viel in eerste instantie te kort, zelfs op de rechteroever van de Vaart. Dat leidde in Nederlandse gelederen korte tijd tot de gedachte dat het Frans artillerievuur was, omdat Franse versterking was beloofd. Nadat het vuur echter spoedig nadien gecorrigeerd was, viel het kort achter het kanaal om vervolgens in diepte te verspringen. Dit Duitse strooivuur duurde volgens vele verslagen langere tijd, mogelijk wel een half uur. Onderwijl werd door jachtvliegtuigen gemitrailleerd. [240] Het leidde ertoe dat in het vak van 2-II-2.RI (het meest rechtervak van het bataljon, aan weerszijde van het spoor tegenover Veghel) vele verdedigers weken, maar toen was er al urenlang intensief gevechtscontact met de Duitsers geweest. Onderwijl had men te maken met geruchten omtrent op de linkerflank en in de rug opererende Duitsers, maar men kreeg daarmee geen gevechtscontact. Wel raakte het bataljon snel door de munitievoorraad heen, met name bij de beide compagnieën (2e en 3e Cie) op de flanken. Nadat rond 15.00 uur was geconstateerd dat de Vakcommandant zijn CP (zonder bericht) was verdwenen en de munitie opraakte, werd om 16.15 uur het terugtochtbevel gegeven. Het gehele bataljon diende via de weg St-Oedenrode – Oirschot naar Tilburg terug te trekken. Uiteindelijk zou in St-Oedenrode de BC nadere bevelen krijgen, waar later op terug wordt gekomen.

[239] C-II-17.RI [res. kapitein G.J. Klompers] verdedigde met zijn bataljon het vak Veghel - Zijtaart. Het bataljon had een batterij 6-veld ter beschikking en had in de ochtend 1-15.GB al de beoogde stelling aangetroffen, dat nog over een werkend stuk PAG beschikte. [133] Opvallend genoeg besloot de BC om 1-15.GB mèt PAG in reserve te nemen, in plaats van dit zo waardevolle moderne stuk pantserafweer aan het kanaal in te zetten. Beslissingen waarvan men zich vertwijfeld afvraagt welke overwegingen zich van een BC meester gemaakt moeten hebben dat besloten werd om een modern pantserbrekend wapen juist in de achterste lijn op te stellen. Hoe het ook zij, 1-15.GB werd met zijn PAG ten noorden van St Oedenrode aan rechter- en linkerzijde van de weg opgesteld. Het kon daar hoogstens een reserverol innemen.

[239] De BC meldde rond 11.00 uur de eerste vuurgevechten met Duitse troepen oost van de Zuid-Willemsvaart. De overzijde bood een schaars zichtveld, zodat de tegenstander ongemerkt tot zeer dichtbij kon naderen. Hoogteverschil en begroeiing speelden daarbij de hoofdrol. Op een zeker moment kwam hier een Duitse luchtverkenner boven de sector aan, hetgeen congruent is met Duitse luchtverkenningsrapporten in het archief van 26.AK [1256]. Die rapporten vermelden dat de Zuid-Willemsvaart verdedigd werd en dat slechts vier tot vijf bruggen over het kanaal vernield waren. Dat was niet accuraat, want in weerwil van sommige oudere boeken over de defensie die onvernielde bruggen melden, waren alle overgangen tussen Den Bosch en deze sector vernield. En ook verder naar het zuiden was dit het geval. De kleine ophaalbruggen werden echter vaak alleen losgemaakt van hun hangstangen (die aan het brugdek zijn verbonden) waarna het brugdek werd vernield. Vanuit de lucht zal dit een beeld van beperkte vernieling of zelfs schijnbaar onvernielde bruggen hebben geboden.

[239] In het bijzonder de 1e Compagnie [C. res. kapitein S. Klapwijk], dat aan weerszijde van de verkeersweg Veghel - St Oedenrode lag, raakte in felle strijd met Duitse afdelingen aan de overzijde van het kanaal. In de sector van deze (linker) compagnie lag de brug die de weg vanuit Veghel richting St-Oedenrode leidde. Daar kreeg men rond 11.30 uur het eerste gevechtscontact met de Duitsers. [550] Vermoedelijk betrof dat alleen nog een voorhoede van de versterkte 5./IR.481 (Vorausabteiling van IR.481, inclusief enige pantserwagens en pioniers), die aldaar de Aa al bereikt had. Veghel lag op de vakgrens van beide divisies, maar behoorde de 256e Divisie toe. In eerste instantie was het duidelijk dat slechts enkele verkenners aan het kanaal lagen, maar geleidelijk aan nam het vuurduel in hevigheid toe. [550] Men mag er vanuit gaan dat intussen het hele met fietsen uitgeruste 5./IR.481 zal zijn gearriveerd. In de vroege middag kwamen ook al de eerste troepen van de 9e Panzer Division aan uit Erp. Versterke verkenningsverbanden (AA Bentele), een setje Bison gemechaniseerde houwitsers alsmede een eerste tank peloton. Kort nadien kwam ook I./SR.11 (Schützen Regiment 9.PD) aan. De route Uden - Veghel was de hoofdroute voor zowel 256.ID als 9.PD geworden.

[239] De gevechten werden begrijpelijkerwijs steeds intensiever en tegen 15.00 uur begon ook nog artillerievuur in het vak te vallen [van Bison 15 cm houwitsers van sIG Kp 701], ondersteund door mitraillerende vliegtuigen. Bovendien wisten enige Duitse infanteristen over de deuren van de sluis (no.4) de overzijde te bereiken en zo de verdediging nabij de sluis te verdrijven. Moedige mitrailleurbezettingen van de MC-II-17.RI wisten de overgestoken Duitsers nog enige tijd te onderdrukken, maar de terugtocht van de 1e Compagnie was reeds in volle gang. Spoedig volgde ook de 2e Compagnie, terwijl de 3e Compagnie als laatste terugtrok. Het gros van het bataljon was omstreeks 1700 uur nabij St-Oedenrode.

[561] Een Duits krijgsverslag van I.SR.11 geeft duidelijkheid:

15.30 Uhr [NL tijd 13.50]. In Erp ist die Brücke gesprengt. Sie wird in kürzester Zeit durch Pi-Zug des Btls. Befehlsmassig hergerichtet (…). Zum Süd-Wilhelm-Kanal vorgeschickte Kradschützenspähtrupps stellen starke Feindbesetzung fest. Die Brücke ist gesprengt.

16.30 Uhr [NL tijd 14.50]. Durch einen Pz.Zug/Pz.Rgt.33, Pz.Späh-wagen, s.IG.Kp.701 und Kradschützen wird der Gegner an der Brücke niedergehalten und unter diesem Feuerschutz wird um 17.00 Uhr [NL tijd 15.20] durch den Pi-Zug des Btls die verst. 2.Kp auf Schlauchbooten über den Kanal übergesetzt. Kurz darauf werden auch Einheiten des A.9, Abt. Bentele übergesetzt. (…)

Nach kurzem Gefecht der Feind züruck. Es wurden erbeutet: 2 Pak, 1 s. MG, 4 le MG, 60 Gewehre. Gefangene: 5 Offz., 10 Uffz. und 81 Mann sämtliche Holländer. Die Kanalbrücke wird durch die inzwischen vorgezogene 2./Pi.86 wiederhergestellt. Eisenträger und Bohlenbelag lagen in geeigneter Anzahl neben der Brückenstelle ...

[239] Bij de opgeblazen verkeersbrug over de Vaart bij Veghel - deze lag een fractie naar het noordwesten vergelijken met de huidige weg over de Vaart - was in de middag geduelleerd met enige Duitse pantserwagens (of tanks) in de straten van Veghel, die door de sectie 6-veld tegenover de brug beschoten konden worden. Zij werden geraakt, doch leken niet uitgeschakeld te zijn. Vermoedelijk waren de granaten van de 6-veld onvoldoende krachtig om door de pantsers te breken.

[239] De Nederlanders werden op zeker moment door het Duitse vuur op vrijwel iedere positie zwaar onderdrukt. Overal waar Nederlands vuur vandaan kwam werd geconcentreerd vuur gelegd. De eerste slachtoffers vielen, waaronder een dodelijk gewonde militair (sld. P.A.A. Vogelsangs) van het aanleunende 2-II-2.RI, die vlak naast 1-II-17.RI lagen. Ook een korporaal nabij de brug werd door zijn hoofd geschoten en sneuvelde direct (dpl korp. J. Doornhein). Anderen raakten gewond. Deze eerste slachtoffers maakten op de nog niet eerder vuurgedoopte troepen diepe indruk. De verdedigers, die veelal achter kale dijken gelegen hun wapens moesten richten door zich bloot te geven, drukten zich in dekking. Toen ook nog eens Duits artillerievuur begon te vallen, begonnen vele knieën te knikken. Er werd hier en daar van de kanaalzijde naar achteren geweken, hoewel de meeste gewoon bleven zitten. Sommige troepjes langs het kanaal verder van de brug af maakten benen en gingen op eigen gelegenheid via de bossen aan de Koevering richting St Oedenrode. Ook daar bleven echter de meeste gewoon ter plaatse, maar munitiegebrek en Duits vuur belette al gauw een zinvolle verdediging.

Opvallend is een verslag van de kapitein Zouteriks, C.3-II-17.RI, de compagnie in het rechtervak bij Zijtaart. Deze meldde in zijn verslag dat om circa 13.00 uur pantserwagens, voorzien van geel-oranje lappen, in het vak zelf verschenen en wel ten zuiden van zijn positie. De kapitein meldde het als volgt:

» Om circa 13.30 uur kwam een ordonnans zeggen dat een Fransche vechtwagen de commando-post gepasseerd was in de richting 1e Cie. Mooi, nu zouden de tegenstanders een spelletje gaan beleven. Maar wat is dat? Het lijkt wel alsof er links van ons een beslissende slag geleverd wordt en ook mijn menschen blijken het zwaarder te verduren te krijgen. Het schieten wordt nu zeer heftig. (…) En dan plotseling het bericht: “De vijand is zuid van ons over het kanaal. Toestand onhoudbaar”. (…) Mijn bataljonscommandant staat daar in gezelschap van majoor Staal. “Het was geen Fransche vechtwagen straks. Het was een Duitsche met oranje schild. De 1e Cie is in de rug aangevallen. «

Dit verslag zat vol onzuiverheid. Van ‘vechtwagens’ was geen sprake. Dit Nederlandse begrip voor ‘tanks’ was echter wellicht een foutieve aanduiding voor pantserwagen, want daar ging het om. Het was echter aperte onzin dat er Duitse pantserwagens rond 13.00 uur in de rug van de 1e Compagnie waren verschenen. Die ‘rug’ was op dat moment bestaande uit de kunstweg Veghel – Sint Oedenrode en de weg langs het kanaal tussen Schijndel en de voornoemde kunstweg, die vlak achter de brug op de kunstweg uitkwam. Langs geen dezer wegen was een Duitse pantserwagen gekomen, rond dat tijdstip. Zou dat wél het geval zijn geweest, dan was de CP van de Vakcommandant gepasseerd, maar bovendien (liggende aan weerszijde van de weg Schijndel – St Oedenrode) vrijwel geheel 1-15.GB. [133] C.1-15.GB, dat een stuk PAG bezitte, vermeldt hierover geheel niets. Onderwijl werd bij de zogenaamd in de rug aangevallen 1e Compagnie gewoon doorgevochten en was in het geheel geen sprake van een aanval in de rug. Er is sprake van het onjuist reproduceren van de informatie. Het verschijnen van Duitse pantserwagens binnen de verdediging was pas aan de orde in de latere middag toen de Duitsers bij Keldonk over de Vaart waren en via Zijtaart opdrongen. Het verslag van de kapitein Zouteriks is dan ook een weinig zorgvuldig geschreven stuk, dat samengesteld werd op basis van suggestie en inschatting, niet op basis van feiten. Zijn bataljonscommandant, die een feitelijk zwak verslag schreef, nam de onjuistheden klakkeloos over van zijn compagniescommandant en produceerde daarom ook een qua tijdstippen en chronologie onbetrouwbaar verslag. Het was vermoedelijk aanleiding tot de wilde speculaties over Duitsers die al vroegtijdig in de rug van de Zuid-Willemsvaart verdediging opereerden. Met uitzondering van Duitse infanterie, die inderdaad hier en daar in kleine groepjes tijdens het eerste deel van de middag al over de Vaart kwam, was er geen sprake van dat Duitse pantserwagens in de Vakken Schaijk of Erp al vroeg in de middag in de rug van de defensie verschenen. Omstandig kan men die conclusie al trekken uit het simpele gegeven dat men niet alleen de verdediging op veel locaties tot na 16.00 uur volhield, maar bovendien nadien vrijwel ongeschonden kon evacueren tot west van de Dommel.

Wat was er nu wèl gebeurd? Wat er te Keldonk was geschied wordt hierna besproken, want dat was het nevenvak van I-13.RI. Daar had men de Duitsers maar korte tijd kunnen afhouden en weinig weerstand geboden. De Duitsers troffen daar een vernielde brug aan, die zij echter met behulp van een in de Zuid-Willemsvaart liggende boot provisorisch wisten te herstellen. Een brugdek was even snel geïmproviseerd en zodoende konden motorrijders, infanterie en enige pantserwagens over de Zuid-Willemsvaart komen. Deze werden ingezet om de kanaalbeveiliging noordwaarts op te rollen.

[239] Opeens troffen de mannen van de 1e Compagnie, die langs de dijk in schuttersputten en andere opstellingen de vijand alleen voor zich - aan de overzijde van het kanaal - waanden pantserwagens met infanterie in hun flank en rug. Menigeen had gehoord van het gerucht dat Franse troepen in aantocht waren, zodat de okergele doeken op de pantserwagens in eerste instantie de indruk wekten van Franse hulp. Toch was menigeen voorzichtig en keek vertwijfeld om. Spoedig bleek de waarheid wrang. De wagens waren Duits en schoten op alles en iedereen die hen bedreigend overkwam. Overmoedig sprong de oudste sectiecommandant van 1-II-17.RI, reserve 1e luitenant A.J.C. van Beers, pardoes de weg op, richtte zijn pistool op de kijkspleet van de voorste pantserwagen en begon daarop te vuren. Zijn roekeloze handeling werd direct door Duits vuur gesmoord met als gevolg dat de luitenant dood langs de weg lag voor het front van zijn Sectie. Onderwijl reden de Duitsers door richting brug, terwijl achterop komende infanterie vanuit het zuidoosten naderde. De Duitse pantserwagens beschoten ondertussen iedereen die zich nog verzette. Vele manschappen langs de dijk werden gevangen genomen, anderen verborgen zich of vluchtten weg. De Duitsers trokken zich met gevangenen weer terug en hergroepeerden zich.

[239] Voor de overige mannen van II-17.RI gold dat het tezamen met de rest van het Vak terugtrok in de loop van de middag. De BC van het naastgelegen I-13.RI, de majoor Staal, verordonneerde de terugtocht en bepaalde dat een compagnie van II-17.RI ter dekking zou worden achtergelaten. Het zichzelf met fietsen uitgerust hebbende 3-II-17.RI (van reserve kapitein Zouteriks) werd tot beveiliging van de terugtocht aangewezen en diende bij de noordelijke uitvalsweg van St Oedenrode opstelling te kiezen. Eén zowaar meegevoerd stuk 6-veld was als reserve bij hen opgesteld. Het zou zich om 17.00 uur mogen terugtrekken. 1-15.GB, dat in de bossen aan weerszijde van de weg tussen St. Oedenrode en Veghel nog netjes stond opgesteld, werd niet geïnformeerd en zou later met de achterwacht samen terugtrekken. Vanaf St. Oedenrode werd rond 16.00 uur door de hoofdmacht van II-17.RI teruggetrokken, waarbij de route over de toenmalige hoofdweg (thans Eerschotse straat en Borchmolendijk) de belangrijkste was. De brug over de Dommel was voor vernieling voorbereid en werd achter de hoofdmacht opgeblazen, veel schade aan nabije bebouwing veroorzakende. Enige genisten brachten een houten noodbrug voor de achterwacht aan. De verdediging aan de Zijtaartse zijde liet, nadat de laatste mannen waren teruggetrokken, een desolaat beeld zien. Uitrustingstukken, helmen, wapens en munitie lag alom. Veel zware wapens waren in de Vaart geworpen. In St Oedenrode trof men nog een aanzienlijke levering munitie aan, bedoeld voor de defensie aan de Vaart. Het werd niet meegenomen, maar vernietigd. 'Terugtocht' was daarmee een onjuist begrip geworden. Het had meer weg van een vlucht, zonder dat de werkelijke intentie van nadere weerstand elders nog bestond. Terwijl er in deze sector geen nadringende tegenstander was. Met het achterlaten van vrijwel alle wapens en munitievoorraden hield het 2e Bataljon van 17.RI min of meer op te bestaan als gevechtseenheid.

[31] Tegenover Veghel waren acht Hollandse militairen gesneuveld. Naast de al genoemde drie waren dat nog de dpl sergeant G.A. Trines (II-2.RI), noordwest van Veghel langs de dijk door Duits vuur dodelijk gewond geraakt, alsmede van 1-II-17.RI de dpl sergeant J.Th. van der Linden en de soldaten W.P. Prinsen, W.C. Blankers en H.J.N. van Oosterhout. De soldaat W.J. Liebregts werd onderscheiden met het Bronzen Kruis voor zijn daden van uitstekende moed bij het gevecht rond de Veghelse brug. Er waren een paar dozijn gewonden, de meeste werden in Duitse veldhospitalen of door Duits personeel behandeld. De gevangenen werden via Erp afgevoerd en zouden uiteindelijk over Uden, centraal verzamelpunt, naar Duitsland worden vervoerd, van waar ze half juni 1940 zouden terugkeren.

De slachtoffers aan Duitse kant zijn niet nauwkeurig bekend qua exacte positiebepaling, maar wel in aantal per eenheid. Er zijn in de directe sector van Veghel/Keldonk slechts drie Duitse gesneuvelden geregistreerd op 11 mei 1940. Twee van het 9e Aufklärungs Regiment en één van AA.256. Van één der cavaleristen is bekend dat deze bij Boerdonk als commandant van een pantservoertuig door het hoofd werd geschoten bij een patrouille richting de Vaart. De andere twee zijn qua locatie niet exact bekend, maar van hen lijkt de man van AA.256 bij Donk te zijn gesneuveld. Dat betekent dat aan Duitse kant qua dodelijke slachtoffers hoogstens één dode bij Veghel viel, tijdens de aanval op de brugsector. Het aantal gewonden is niet bekend. Overigens maakt dit lage slachtoffergetal geen ongeloofwaardige indruk. Het grote bezwaar voor de verdediging was het slechte schootsveld richting Veghel en het feit dat achter de dijken en de aanzienlijke bebossing (in die dagen) voor de Duitsers veel dekking was en de Nederlanders niet over krombaangeschut of mortieren beschikten om dit effectief te beschieten. Dat er fanatiek werd gevuurd zegt weinig over accuratesse. In de meeste gevallen vuurde men in het wilde weg.

Brug over Aa te Erp

Brug over Aa te Erp

 

 

 

 

 

 

 

 

[238] I-13.RI lag in het meest rechtse bataljonsvak, noordwest van (Beek en) Donk. Twee kleine ophaalbruggen in het lokale landbouwweggetje bij Keldonk en enige honderden meters zuidelijker bij de sluis no.5 in hun sector waren opgeblazen nadat ze in hun stelling waren gekomen en de overgangsplaatsen werden met de stukken 6-veld bezet. Bij de sluis was het belangrijk dat de 6-veld verhoogd werden geplaatst anders was er geen schootsveld. Vijf schepen en een kleine sleepboot ("Greta"), die nabij de sluis lagen afgemeerd, werden zwaarder gezekerd. De stelling werd bezet (van links naar rechts) door 2-I, 3-I, 1-I en de MC secties over hen verdeeld. Op deze locatie was, net als bij de vorige, de oostzijde van het kanaal zo hoog dat de nadering van de Duitsers niet kon worden gezien noch met vuur gedekt kon worden. Bovendien was er weinig dekkingsmogelijkheid aan de Hollandse zijde. Er was plaatselijk weinig begroeiing en de dijken boven als enige een dekking tegen direct vuur. De sector was voor de Duitsers bereikbaar via Erp. Dezelfde eenheden die bij Veghel het kanaal bedreigden zouden ook troepen leveren voor de sector bij Keldonk. Vanuit Erp leidde de straatweg naar Gemert via een halfverharde weg (thans de Keldonkseweg) naar Keldonk en door naar de Zuid-Willemsvaart. De aldaar bij Keldonk gelegen ophaalbrug werd als de Erpsche (ophaal)brug aangeduid, niet te verwarren met de grote brug over de Aa in Erp zelf.

Tegen het middaguur uur kreeg men tegenover Keldonk een Duitse pantserwagen of tank in zicht die van links (richting Veghel) aan de oostkant van de Vaart kwam. Hoewel volgens eigen rapporten geraakt, wist de pantserwagen (of tank) weg te komen en verdween weer naar het noordwesten. Een andere pantserwagen (of tank) was eveneens verschenen en na te zijn beschoten ook weer verdwenen. Men kwam in contact met de voorhoede van de Gruppe Sponeck, die na een kort oponthoud in Erp voor de gesprongen brug over de Aa, naar de Zuid-Willemsvaart hadden doorgezet. De gesprongen brug te Erp werd snel provisorisch met hout gevuld, zodat deze weer voor voertuigen overschrijdbaar was. Tanks bleken ook de ondiepe Aa te kunnen doorwaden.

Brug over Aa te Erp

Brug over de Aa te Erp

 

 

 

 

 

 

 

 

[238] Kort nadat de beide gepantserde voertuigen uit het schootsveld waren verdwenen, het was kort na het middaguur, werd infanterievuur van de Duitse zijde afgegeven om Nederlands vuur te onderdrukken. Net zoals elders lokte Nederlands vuur telkens geconcentreerd Duits onderdrukkingsvuur uit. Terwijl een licht Duits verkenningsvliegtuig ook over deze sector vloog, viel kort nadien Duits artillerievuur bij de Erpsche brug. Verslagen zijn niet consistent omtrent het tijdstip, maar rond 13.00 uur lijkt accuraat. Of het ook hier om 15 cm vuur van Bisons ging of 10,5 cm vuur van de bij de Vorausabteilung Bentele ingedeelde batterij 4./AR.102 is niet bekend, maar t.a.v. het nabij gelegen Veghel is uit een Duits verslag duidelijk dat het om sIG.Kp.701 ging dat ondersteuning gaf met zijn Bisons. Het is aannemelijk - edoch niet zeker - dat het bij de Erpsche brug om dezelfde eenheid ging. Of de luchtverkenner voor de artillerie verkende is niet zeker, maar lijkt gezien de duurzame manoeuvres boven deze sector wel aannemelijk. Het is vermoedelijk om een Hs-126 van 4.(H.)/21 gegaan. Uit alles blijkt  dat de Duitse acties in de sector Veghel - Erp - Keldonk vanuit een groter verband, goed gecoördineerd, geleid en ondersteund plaatsvonden. Hier toonde de Duitsers bij uitstek hun tactische en operationele superioriteit tegenover een zwak opgeleid en even zwak aangevoerd militieleger als het Hollandse.

[238] Het artillerievuur lag in eerste instantie ruimschoots te kort, maar werd met correcties uiteindelijk op de stelling achter de dijk en langs de wegen en dijken gelegd. Bij dit vuur kreeg de sectie 6-veld tegenover Keldonk een dusdanige nabijtreffer dat het één van beide stukken uitschakelde. De hele sectie ging nadien op de loop. Een mitrailleurnest werd eveneens uitgeschakeld, maar was al verlaten, zodat het geen doden opleverde. De zware detonaties maakten indruk op de militairen. De verdedigingsector ten weerszijde van de brug werd door de beschieting nagenoeg verlaten, terwijl intensieve beschieting nog niet eens aan de orde was. Voor vele was dit echter de vuurdoop, zodat deze beschieting een ware beproeving was. Nadat rond 13.30 uur eerst de middelste (3e) Compagnie week, en vervolgens de 2e Compagnie op rechts daardoor wegens angst in de rug te worden aangevallen ook vertrok, werd ook door de 1e Compagnie op Sint Oedenrode teruggetrokken. Er ging weinig uit van de gevechtsleiding der officieren, zodat ook na de eerste paniek geen herstel mogelijk bleek. De Duitsers die bij de Keldonkse brug opereerden hadden dit snel genoeg door en hadden voor 14.00 uur de Erpsche en de sluis brug in handen.

Duitsers waren rond 13.45 uur met rubberboten over de Vaart gezet vlakbij de sluis. Het was infanterie samen met pioniers van Pi.Btl.86. Deze laatste zagen direct in de sleepboot Greta een kans om eenvoudig een snelle zware pontonbrug te maken door deze in de opening van de opgeblazen Erpsche ophaalbrug te varen, te verankeren en daar een provisorisch brugdek overheen te leggen. Dit was een operatie die volgens Duitse bronnen slechts een half uur duurde. Hoewel dit lastig te bevatten lijkt, is het vermoedelijk tamelijk accuraat. Want al rond 15.00 uur reden enkele pantserwagens en motorrijders over de provisorische overgang, spoedig gevolgd door meer infanterie. Zij waren het die vervolgens naar het noordwesten draaiden en richting Veghel reden om daar de 1e Compagnie van II-17.RI in de rug aan te vallen met als resultaat dat de weerstand tegenover Veghel werd gebroken. Onderwijl was aan Duitse zijde getracht om ook het aanwezige tankpeloton over de brug bij Keldonk te rijden, maar dat was bij de vooropgaande Pz.III Befehlswagen direct verkeerd gegaan. Deze bleek te zwaar voor de 'Greta', die direct zonk en het gebruik van de brug voorkwam. Een tegenslag voor de Duitsers, maar om 17.30 uur hadden zij ook een noodbrug bij Veghel geslagen, welke ook veel beter ontsloot. Alle eenheden zouden nadien via Veghel rijden, later ook via Donk. Op deze locatie zou de Vorausabteilung worden gevolgd door de hoofdmacht van Gruppe Sponeck, dat deel van de 9e Panzer Division dat via Tilburg naar het westen zou trekken om vervolgens de sector Breda stevig in handen te nemen.

[238, 239] De terugtocht van I-13.RI werd aanvaard, grotendeels over St Oedenrode, waar de BC, de majoor Staal, de leiding over de gehele terugtocht, inclusief II-17.RI, nam. Zoals hierboven al aangegeven werd bepaald dat 3-II-17.RI als scherm achtergelaten zou worden om de terugtocht van II-17.RI en I-13.RI te dekken. Het gros van de vaktroepen was om 16.00 uur over de brug over de Dommel, die nadien door de genie werd opgeblazen. Een houten plankier werd een stukje van de brug vandaan over het smalle riviertje gelegd om de achterhoede nadien te kunnen laten oversteken. Het grote geluk voor deze troepen was dat de Duitsers bij Keldonk de noodbrug snel stuk reden waardoor ze onvoldoende troepen voor een achtervolging konden overzetten. Omdat ook bij Veghel nog geen noodbrug lag tot in de vroege avond ontliepen de beide bataljons een snelle gevangenneming, uiteraard op de ca. 100 man na die van met name II-17.RI gevangen waren genomen door de via Keldonk overgekomen verkenningsgroep.

[237] De verdediging door Vak Erp van de sector Dinter – Keldonk achter de Zuid-Willemsvaart werd sterk bemoeilijkt door ontbrekend beleid vanuit de staf van het Vak Erp. De overste Snoek meldde in zijn rapport tot tweemaal toe de Staf Peeldivisie te hebben verwittigd van ontbrekende aanleunende onderdelen op zijn linkerflank, maar verzuimde met de voorhanden onderdelen 1-15.GB en 4-2.GB een adequate tegenmaatregel te nemen op zijn linkerflank. Op geruchten van doorgebroken tegenstanders verzuimde de overste Snoek bovendien te verifiëren of hier werkelijk sprake van was. Hij liet zijn staf hals over kop vluchten richting Best, zichzelf daarbij begevende, en liet slechts zijn kapitein-adjudant achter om de hem de terugtocht der bataljons verder te coördineren. Zijn bataljonscommandanten werden geen van allen verwittigd. Om ongeveer 14.30 uur verliet de overste Sint Oedenrode, om 18.00 uur waren nog steeds achtergebleven Nederlandse soldaten in staat die omgeving moeiteloos te verlaten. Geen Duitser die zich te Sint Oedenrode bevond. Dat zou kort nadien overigens veranderen. De brug bij Veghel was rond die tijd klaargekomen en spoedig zouden daarover de eerste Duitsers der verkenners en hoofdmacht richting St. Oedenrode trekken.

Zuid-Willemsvaart Veghel

In enkele bekende boeken of publicaties omtrent de strijd in deze contreien wordt nadrukkelijk gesuggereerd dat AA.254 reeds rond 09.30 uur de Zuid-Willemsvaart passeerde en de verdediging ter plaatse diep penetreerde. Het is zeker dat die theorie helemaal niet juist is en een vrucht is van aannames vanuit wankele krijgsverslagen en vooral ook het klakkeloos overnemen daarvan door (latere) auteurs. AA.254 heeft mogelijk wel een bescheiden verkenning over de Vaart uitgevoerd, maar dat was diep in de middag van de 11e en is zeker niet met aanzienlijke sterkte aan de westzijde van de Zuid-Willemsvaart gekomen gedurende daglicht, laat staan dat ze de confrontatie zocht. De vele wilde verhalen rond Duitse penetraties lijken na grondige analyse vermoedelijk in de sector Den Bosch allen te duiden op dezelfde penetratie van Duitsers, die pas gedurende de late middag aan de orde was toen de voorhoede van de Gruppe Apell – in de vorm van de versterkte AA Lüttwitz – de brug bij Heeswijk bereikte, provisorisch repareerde en overstak. Geruchten als zouden Duitse pantserwagens – in sommige verslagen zelfs tanks – al vroeg in de middag in de rug van de verdediging zijn verschenen, zijn onjuist. Men bedenke daarbij dat indien dit wèl het geval was geweest, het onverklaarbaar zou zijn waarom geen enkel Nederlands onderdeel bij St Michielsgestel of Schijndel door hen werd opgerold.

In het Vak Erp eenzelfde logica. De door de verslagleggers van II-17.RI gemelde Duitse pantserwagens waren er niet op de gemelde tijdstippen (13.00 uur). Men kopieerde mekaars onzuiverheden klakkeloos, meestal op reproductie na de oorspronkelijke verslagen (op bevel van de Generale Staf) te hebben vernietigd. Niet om 13.00 uur maar rond 15.00 uur verschenen Duitse pantserwagens aan de Doornhoek, komende van Keldonk. Dat de Hollandse verslagen qua tijdstip niet kloppen en de Duitse doorbraak te vroeg noteren, wordt ook in Duitse verslagen bevestigd. Daarnaast spreekt het uit de aard der gebeurtenissen. De pantserwagens waren uitsluitend kortstondig over Zijtaart naar het noordwesten gereden en kort nadien, met medeneming van gevangenen, weer terug. Ze waren niet kort onder St Oedenrode geweest. Alle wegen leidende naar Sint Oedenrode – het centrale punt in het Vak – waren immers bezet. Noch 4-2.GB. noch 1-15.GB, noch de compagnieën van II-2.RI (op de linkerkant van het front), die deze wegen of de directe omgeving bezet hielden, meldden pantserwagens in hun rug of op hun flanken. Deze eenheden wisten bovendien allen in de late middag terug te trekken.

De Duitsers kwamen in de Vakken Schaijk en Erp op drie locaties over de Zuid-Willemsvaart bij daglicht. Dat was bij Heeswijk, bij Veghel en bij Keldonk. Alleen de laatste leverde enige Duitse pantserwagens aan de Hollandse zijde op, die nog tijdens de verdediging korte tijd achter de kanaaldefensie optraden. Bij Heeswijk of elders was dit niet aan de orde. Wel wisten om meerdere locaties infanteristen en pioniers al aan de overzijde te komen, maar die deden niet meer dan de overgangen zekeren. Rond 18.00 uur waren bij Veghel en Heeswijk twee overgangen voor 8-tons, later zwaardere voertuigen, beschikbaar. Dit betekende dat de verkenners voorwaarts konden, wat ook gebeurde. Ook AA.254 kwam toen over de Vaart, later op de avond, en zou zich vlak onder Den Dungen ten ruste leggen. Op de 12e zou blijken dat ze letterlijk naast de 'vijand' hadden liggen snurken.

Na behandeling van de Duitse progressie zal in een slotverhandeling op deze kwestie worden teruggekomen.

Recapitulerend overzicht van de Duitse progressie

Het is mogelijk, maar bepaald niet zeker, dat AA.254 als eerste Duitse eenheid aan de Zuid-Willemsvaart verscheen. Het is echter naar de mening van auteur dezes waarschijnlijker dat AA.254 pas in de middag in de sectir verscheen en in feite de voorhoede van 256.ID en de Vorausabteilungen van 9.PD als eerste aan het kanaal verschenen, reeds in de ochtend van 11 mei.

De oplettende lezer ziet in de alinea hiervoor geen bronvermelding en ontwaart telkens de ingebouwde voorbehouden. Een en ander wordt later nader verklaard.

[552, 554] De Vorausabteilung van de Gruppe Apell van de 9e Panzerdivision werd in hoofdzaak gevormd door de AA Lüttwitz, in eerste instantie uitsluitend versterkt met een peloton van 3./Pz.Pi.86. De afdeling onder Major Lüttwitz bestond uit geheel 3./AA.9 samen met delen van 4./AA.9 (2 stukken IG van 7,5 cm, 2 mortieren van 8 cm, een PAK) en een deel van 5./AA.9 (4 pantserwagens). Om 08.30 uur had Major Lüttwitz contact met de Kommandeur van 254.ID te Beers (oost van Peel-Raamstelling). Inlichtingen rond de status van de Peelstelling kreeg de Major echter niet, waarop hij zelf verkenners uitstuurde. West van Gassel ontdekte men een kleine brug, kennelijk dezelfde, welke in de ochtend AA.254 naar de westzijde van de Raam zal hebben gebracht. Van daaruit werd een spitsgroepering van (vermoedelijk) enkele pantserwagens, een peloton motorrijders en enkele stukken gemotoriseerd PAK geschut vooruit gestuurd. Het was toen 10.45 uur. Eén van de verkenningsgroepen meldde vervolgens dat de brug over de Zuid-Willemsvaart bij Heeswijk niet vernield was. Aldaar werd direct agressief opgetreden en werd onder dekking van de pantserwagens een groep infanteristen naar de overzijde overgebracht. Dat is vrijwel zeker met rubberboten gebeurd. De ondertussen arriverende hoofdmacht van de verkenningsafdeling bouwde een steviger bruggenhoofd, terwijl het peloton van Pz.Pi.86 het opgeblazen brugdek herstelde. Het verslag van de AA Lüttwitz beschrijft dit gebeuren als volgt [554]:

» Aufklärung ergibt Brücke Heeswijk – Hebebrücke (sehr schlecht zerstört). Feind wird auf gegenüber liegende Ufer erkannt. Spitzentruppe baut mit 2 Gruppen Feuerschutz auf und setzt ebenfalls unter dem Feuerschutz der Panzerspähwagen mit einer Gruppe über. Gegner weicht auf Grund der immer neu eintreffende Teile der Abteilung rasch zurück. Brückenkopf wird durch Vorhutzug (Pak, IG) verstärkt aufgebaut. Pi.Zug beginnt mit der sofortigen Wiederherstellung der Brücke (Schlepper als Brückenauflage). 18.30 Uhr ist Masse der Abteilung an der Brücke. Fehlen der Trosse zwingt zum Auftanken aus kleinen Ziviltankstellen. 20.00 Uhr Überschreiten der Brücke kurz darauf Feindberührung in Schijndel. Spitzenspähtrupp stößt auf sichernde Radfahrer. Spähtrupp macht Feuerüberfall, Holländer ergeben sich, teils ziehen sie sich zurück. Nachkommender Kradschützenzug säubert die Ortschaft. Gefangene: 1 Kornett, 15 mann. «

De lezer bedenke dat het citaat Duitse tijden bevat, welke dus in Nederlandse tijd 1 uur en 40 minuten vroeger liggen. Uit het verslag wordt opvallend duidelijk dat van AA.254 geen spoor te vinden is. Niet in de vorm van aanwezigheid ter plaatse, niet in de vorm van gevechtsondersteuning bij de oversteek of in de vorm van beveiliging van de betreffende brug. Op die kwestie – een opmerkelijke zaak – wordt nog teruggekomen.

[550] Het met fietsen uitgeruste 5./IR.481 – versterkt met een gemotoriseerd peloton PAK, een peloton pantserwagens (of lichte tanks), een pioniersverband, een pionierseenheid met 12 rubber boten en een verbindingstroep – werd in de ochtend van 10 mei vanuit 256.ID voorwaarts gestuurd. Omdat de AA.256 autonoom van de divisie opereerde, werd de versterkte 5./IR.481 als provisorische ‘Vorausabteilung’ voor de hoofdmacht ingezet. Het bereikte Uden rond 11.00 uur volgens het KTB. Kort nadien werd Veghel bereikt, waar men rond 13.00 uur met enige moeite over de gesprongen brug over de ondiepe en smalle Aa kwam. Vanuit Veghel ging de eenheid voorwaarts naar de Zuid-Willemsvaart. Andere eenheden kwamen daar ook samen. Daar stuitte men op de verdediging van II-17.RI. In de avond zou als eerste deel van de divisiehoofdmacht IR.481 in de sector arriveren.

[561] Rond 13.00 uur kwamen de voorste delen van de Vorausabteilung Gruppe Sponeck van de 9e Panzerdivision vanuit Uden en Volkel (Boekel) in Erp aan. De afdeling bestond in hoofdzaak uit de versterkte AA Bentele van AA.9. Daar vond men de brug over de Aa in de ondiepe beek gezakt na door de Nederlanders te zijn opgeblazen. Volgens het Duitse verslag (van het aangesloten I./SR.11) werd de brug snel weer voor transport geschikt gemaakt doordat men van een plaatselijke houtzagerij hout verzamelde en in het gat van het neerwaarts gezakte brugdek plaatsten. Foto’s bewijzen deze handelingen, echter niet de herkomst van het hout. Foto’s bewijzen eveneens dat de lichte tanks van 9.PD, behoudens die piepkleine Pz.I (waarvan er één vastliep in het water), gewoon door de ondiepe beek konden waden en zo de overkant bereiken konden. Het is echter vrijwel zeker dat een ander deel van deze spits van Gruppe Sponeck de route Volkel – Boekel – Gemert had genomen. Zij waren er verantwoordelijk voor dat rond 12.00 uur tanks in Gemert werden gezien.

De Nederlandse rapporten van II-17.RI maken er melding van dat reeds om 11.00 uur contact met Duitse pantserwagens werd verkregen tegenover de brug bij Veghel. Dit moeten dan de pantserwagens (of lichte tanks) van de versterkte 5./IR.481 zijn geweest. Dat wordt extra aannemelijk door vermeldingen in sommige Nederlandse verslagen [239, 240] dat door deze wagens geen kanonvuur maar mitrailleurvuur werd afgegeven. Het waren dus hoogstwaarschijnlijk inderdaad slechts lichte pantserwagens die in eerste instantie aan de Zuid-Willemsvaart verschenen.

[550] AA.256 werd tussen 07.00 en circa 12.00 uur sterk vertraagd door het gevecht in Gemert met enige Nederlandse pioniers. Opvallend genoeg lijkt de Duitse afdeling zich door dit gevecht met de slechts met lichte handvuurwapens uitgeruste pioniers volledig te hebben laten binden. In het ten westen van Gemert gelegen verdedigingsvak van III-27.RI vertoonde zich in de ochtend namelijk geen Duitsers. Pas na het middaguur, omstreeks 13.00-13.30 uur, werd vuurcontact gemaakt met Duitse pantserwagens in dat vak bij Donk. Bij het zuidelijker II-27.RI was toen nog geen contact ontstaan maar bij I-13.RI al om 11.00 uur, echter met vijand komende vanuit Veghel. AA.256 werd gehinderd door de opgeblazen brug bij Erp over de Aa, zodat zij niet via een omweg alsnog bij de Zuid-Willemsvaart kon komen. Dat het vijf uur duurde het detachement pioniers in en rond het kasteel van Gemert op te rollen, mag men een klein wonder noemen. Het is echter vermoedelijk eerlijker te stellen dat de AA.256 aantoonde (nog) niet over de vechtersmentaliteit te beschikken, die menig Duits verband in de annalen wel wordt toegedicht. Anderzijds geeft het aan dat de Nederlandse genisten kennelijk een overweldigende indruk op de Duitse afdeling moeten hebben gemaakt, wat hen siert.

Samenvattend is het volgende beeld ontstaan. Het is zeer waarschijnlijk dat de Vorausabteilungen van de Gruppen Apell en Sponeck - beide van 9.PD - de gevechten om de defensie aan de Zuid-Willemsvaart hebben gedragen en beslist. Ze zijn daarbij door in elk geval de infanterie van 256.ID ondersteund, maar de aanwezigheid van AA.254 bij deze gevechten, die door oudere historische geschriften nog wel eens wordt beweerd, lijkt onwaarschijnlijk. Beide Duitse formaties dwongen een eigen overgang af, de noordelijke spitsformatie (Lüttwitz) bij Heeswijk, de zuidelijke formatie (Bentele) bij Keldonk en Veghel. Hoewel bij Keldonk al vroeg een overgang werd afgedwongen, ging deze door eigen overschatting weer verloren waarna te Heeswijk en Veghel ongeveer gelijktijdig rond het avonduur een stevige noodovergang gereed kwam. De Gruppe Lüttwitz ging nadien voortvarender voorwaarts en was vroeg in de avond al in Schijndel te vinden.

De vaak gemelde 'fatale doorbraak' bij Heeswijk is een goed bewaarde mythe. Dat de brug aldaar niet vernield zou zijn evenzo. De Duitse doorbraak kwam nergens voor 18.00 uur duurzaam tot stand en nadien over de volle linie, zodat van een plaatselijke of een beslissende doorbraak niet gesproken kan worden. Dergelijke klassieke beweringen zijn achterhaald, blijken onjuist en behoren dus te worden gecorrigeerd.

Een analyse van de Duitse penetratie

Wat opvalt als men de verslagen van de vier bataljons tussen Den Dungen en Lieshout (Wilhelminakanaal) aandachtig bestudeert, is dat men uiteindelijk de vijand overal ontwaarde, maar dat hij in werkelijkheid op veel minder locaties actief was. Talloze meldingen van ‘vijand’ in de rug en flanken zijn eenvoudig terug te voeren op bewegingen van eigen troepen op de flanken of in de rug of - en dat is vaak geconstateerd - onzuivere weergave van tijd en chronologie. Een hardnekkig fenomeen in de Nederlandse krijgsverslagen.

De chaos van oorlog, de onoverzichtelijkheid en de onbekendheid met het terrein vormden ongetwijfeld argumenten voor deze wanorde, maar ze was ook inherent aan de ronduit slechte oefening van de Nederlandse troepen en het vrijwel ontbreken van een beleidstructuur, waardoor actueel nieuws nauwelijks bij de troepen aankwam. De eenheden waren niet op de hoogte van de strategie, hadden weinig of geen kennis van de defensie achter de Zuid-Willemsvaart en werden tijdens de gevechten niet geleid. Men was slechts geïnformeerd, in de loop van de ochtend, dat een Frans regiment met pantserwagens tot assistentie zou worden gestuurd en begin van de middag zou arriveren. Een leugen van omvang, die door hogere staven vaker werd gelanceerd, maar vaak een tegengestelde uitwerking (dan bedoeld) op het moraal had. Op laag tactisch niveau gingen echter vooral de door burgers afgegeven berichten als een lopend vuurtje door de rijen. Het waren vooral de meldingen van vermeende Duitse penetraties die indruk maakten op de verdedigers, en begrijpelijk. Mede daardoor waren ook in deze sector weer meerdere verbanden erg snel verleid tot het lichtvaardig vuren op waargenomen formaties, die men niet kon plaatsen, zodat menigmaal op eigen troepen werd geschoten terwijl men de vijand ondertussen (valselijk) voor en achter de stelling meldde. Het overkwam bijvoorbeeld de grenstroepen van 1-15.GB en 4-2.GB dat ze door eigen vuur werden verrast. Overigens zonder ernstige gevolgen voor lijf en leden.

Met uitzondering van het meest rechter bataljon III-27.RI, dat geen vuurcontact met Duitsers kreeg, ervoer men de (veronderstelde) Duitse aanwezigheid in de rug als prominent, maar was het vele onduidelijk waar deze vandaan kwam. Dat psychologische effect werd nog sterk vergroot door het feit dat er geen sprake was van een eenhoofdig bevel aan Nederlandse zijde. Geen bevelhebber, die zich buigen kon over een totaal tactisch plaatje en zodoende de bataljons juist kon informeren, alsmede adequate tegenmaatregelen kon nemen. Er waren drie Vakcommandanten met troepen tussen het Wilhelminakanaal en Den Bosch, maar het was vooral de Vakcommandant van het voormalige Vak Erp die met zijn gehele regimentssterkte in de sector lag ontplooid en aan wie het in de (logische) lijn der verwachtingen had gelegen het beleid in handen te nemen. De overste Snoek was echter op het eerste gerucht over vermeend doorgedrongen Duitsers achter de Vaart hals over kop naar Best gevlucht met zijn staf. Nadien was er geen leiding meer over de defensie aan de Zuid-Willemsvaart. Het was na het vertrek van overste Snoek en zijn staf aan het begin van de middag ieder bataljon voor zich geworden.

Toen C-Peeldivisie kolonel Schmidt rond het middaguur terug was gekeerd bij zijn staf, na zijn bezoek aan Oostmalle, werd hij bijgepraat over de ontwikkelingen, voor zover die bij de staf Peeldivisie bekend waren. Voordien was reeds een verkeerd begrepen afstemming met de kolonel Dario aanleiding geweest te melden aan de troepen bij Den Bosch dat een Frans regiment naar de stad was gestuurd als ondersteuning. Dat in feite slechts verkennende verbanden van dat regiment naar de sector Den Bosch – Eindhoven werden gestuurd ontging de staf Peeldivisie, omdat de kolonel ze zelf verkeerd informeerde. Toen kolonel Schmidt echter van zijn staf hoorde dat de Duitsers massaal aandrongen tussen Den Bosch en Veghel alsmede bij Weert, zette dat de hele boel weer op zijn kant. Dat zal in het volgende hoofdstuk duidelijk worden. De wilde verhalen rond Duitse penetraties onder Den Bosch hadden de Peeldivisie nog niet bereikt, maar dat geschiedde kort nadien wel. Omdat ook de Duitse doorbraak bij Weert inmiddels was gemeld, werd de defensiestrategie wederom gewijzigd. De Oranjestelling – een geheel imaginaire verdediging tussen Den Bosch en Tilburg – werd het nieuw beoogde defensief voor de Peeldivisie. De troepen zouden zich onder druk van een op- en nadringende tegenstander wederom massaal moeten verplaatsen.

Van deze nieuwe defensieplannen zouden de instructies de troepen die aan de Zuid-Willemsvaart (boven het Wilhelminakanaal) lagen nooit bereiken. Rond 16.00 uur - hier en daar (zoals bij Veghel) al eerder - werd aldaar autonoom de terugtocht aanvaard, waarbij het algemeen devies was om zo gauw mogelijk westwaarts te gaan en aldaar ad hoc weer enig verband terug te brengen. Dat er in feite nog helemaal geen aanleiding voor die terugtocht was – dat ze slechts werd ingegeven door gebrek aan integrale leiding ter plaatse – is nauwelijks in krijgshistorische beschouwingen over de strijd aan de Zuid-Willemsvaart geduid. Algemeen wordt daarin immers verwezen naar de vroege Duitse penetratie bij Heeswijk. Maar in feite was daarvan helemaal geen sprake en als daarvan al sprake zou zijn geweest, was er nog alle kans geweest om de penetratie bij Heeswijk in het front te sluiten, af te grendelen. Ook elders waren de Duitsers er hoogstens in geslaagd om met enige infanteristen over de Vaart te geraken. Overgangspunten voor zwaarder materieel zouden pas vanaf 17.30 uur beschikbaar komen.

Het ontbreken van een plaatselijk eenhoofdige tactische bevelhebber, en een daarbij behorende manoeuvre eenheid om als tactische brandweer op te treden, zorgde ervoor dat er na de vermeende Duitse penetratie nog slechts chaos heerste. Dat gold vooral voor het frontdeel tussen II-2.RI en 27.RI. Daarentegen raakte het noordelijk gelegen III-14.RI niet in paniek, kreeg overigens ook geen terugtrekkingsbevel, zoals zal worden gezien als het gevecht bij Den Dungen op 12 mei wordt beschreven. In plaats van maatregelen te nemen tot afgrendeling bij Heeswijk, of zelfs het bezetten van het open vak aldaar, werd ook ten zuiden van die brug besloten om terug te trekken. De drie vakcommandanten in de sector Den Bosch – Lieshout hielden geen onderling contact en konden zo niet horizontaal hun tactiek afstemmen. Zoals de ‘cross-unit communication’ in het Nederlandse leger al non-existent was – er werden bijvoorbeeld geen liaison officieren uitgewisseld tussen staven van aanleunende eenheden – zo was er in de betreffende sector niet eens sprake van de meest rudimentaire pogingen tot afstemming. Dat had natuurlijk voor het grootste deel te maken met de bijzonder matige opleiding van de Nederlandse hoofdofficieren en de ontbrekende tactische en strategische voorbereiding aan de vooravond van de oorlog op het Brabant scenario van de OLZ, maar evenzo met de procedure dat men via de staf van de Peeldivisie was gewend te worden aangestuurd. Het gevolg van deze starre procedures, en de ronduit indolente wijze van improviseren door de lokale vakcommandanten, was dat de Zuid-Willemsvaart verdediging niet alleen vroegtijdig viel, maar tevens dat nadien geen enkel beleid meer mogelijk was, omdat de troepen volkomen desintegreerden. De hamvraag die dan opkomt is "welk nut had een terugtocht als men nadien geen opvangstelling of alternatieve weerstand meer heeft? Was het dan niet logischer een terugtrekkend gevecht of egelstelling te vormen, bijvoorbeeld rond St Michielsgestel, Boxtel en St Oedenrode?"

Terugtocht

Tussen 15.00 en 16.00 uur aanvaarden de diverse verbanden de terugtocht. Bij Sint Oedenrode werd nog enige ad hoc afstemming gezocht tussen de (delen van) vier bataljons, die over die plaats terugtrokken naar het westen. Er werd besloten rond Sint Oedenrode een zwak scherm door 3-II-17.RI achter te laten ter beveiliging van de terugtocht en om de bruggen west van de plaats (over de Dommel) om 18.00 uur op te blazen (elders gebeurde dit overigens niet). In het veld werd een vlonder over de Dommel gelegd om de beveiliging later een terugtocht mogelijkheid te bieden. Het beste bewijs dat van een Duitse penetratie (van enige omvang) op dat moment in het geheel geen sprake was, was dat de troepen van 3-II-2.RI op de uiterste linkervleugel (direct rechts van de Heeswijkse brug) tot en met die van III-27.RI in de winkelhaak Zuid-Willemsvaart / Wilhelminakanaal zich zonder kleerscheuren konden terugtrekken. Geen enkel gevecht met nadringende Duitsers was er aan de orde. Zodoende slaagden de bataljons erin om westwaarts te trekken zonder verlies van meer dan de kleine delen van de achtergebleven beveiligingsverbanden en enkele fracties die onverhoopt het terugtochtbevel niet gekregen hadden. Dat men onderweg desondanks grote moeilijkheden ondervond van de Duitsers, werd slechts veroorzaakt door de hyperactieve Luftwaffe. Deze was vanaf de middag van 11 mei prominent in de lucht en bombardeerde en mitrailleerde - ook na het vallen van de avond - alles en iedereen die men waarnam op de wegen richting Tilburg. Het leidde ertoe dat veel trossen en overig materieel onderweg alsnog vernield (of gewoonweg onvernield) achtergelaten werden. Het zorgde ook voor nog meer desintegratie van de eenheden. Rond 18.00 uur was de gehele defensie tussen Heeswijk en Lieshout (Wilhelminakanaal) verdwenen. Alleen III-14.RI, niet ingelicht over de terugtocht, lag toen nog plichtsgetrouw in haar sector ten noorden van Heeswijk achter de Zuid-Willemsvaart.

De terugtocht was bedoeld om rond Tilburg, eventueel rond Breda, tot herconcentratie van de (restanten van) de Peeldivisie te leiden. Dat was een droombeeld op de staf van C-Peeldivisie, maar had met realisme niets te maken. Het gros der troepen had de meeste of zelfs alle zware middelen en munitie achtergelaten. In de Peel-Raamstelling werd al een schat aan materiaal en munitie gedumpt of niet meegenomen, bij de Zuid-Willemsvaart evacuatie wierpen complete eenheden hun wapens in het kanaal of aan de kant van de weg. De Duitse luchtaanvallen nadien deden de rest. Officieren vonden het verstandig apart van hun troepen met auto's vervoerd te worden en zodoende was enige leiding uit verbanden verdwenen. Slechts een enkel verband bleef bestaan, vrijwel altijd door uitstekende leiding van een (onder)officier die wèl bij zijn eenheid bleef. Van een zodanig ongeregelde eenheid als de Peeldivisie twee terugtochten binnen 48 uur verlangen was waanzin. Kolonel Schmidt, die het verstond na de meidagen zich te beklagen over alles en iedereen, maar nergens eens kritisch naar zijn eigen warrige en tamelijk kansloze handelen te kijken, meldde doodleuk dat het verstandiger was geweest als de OLZ voor egelstellingen zou hebben gekozen toen hij voor een evacuatie van de hoofdmacht van het Veldleger koos in april 1940. Dat mag zo zijn, maar toen kolonel Schmidt het alleen voor het zeggen had en die egelstellingen op 11 mei de enige zinvolle opdracht aan de restanten van de Peeldivisie zouden zijn geweest, verordonneerde hij een totale terugtocht, zonder een opvangstelling te organiseren. Een instructie die volledig van enige realiteitszin was gespeend. Analoog aan dit beleid reed de staf van de Peeldivisie heen en weer tussen Tilburg en Breda, om als geheel in de ochtend van 12 mei slachtoffer te worden van eigen zwakke beleid door de voorhoede van de Gruppe Lüttwitz bij Loon op Zand zo in de armen te rijden. Als Schmidt voor egelstellingen had gekozen als tijdelijke weerstanden tussen de Zuid-Willemsvaart en Tilburg, dan was hijzelf met zijn gevechtsstaf niet een paar uur later pardoes in Duitse handen gevallen. Boontje kwam om zijn loontje, maar een relatief grote gevechtseenheid van 25 bataljons infanterie had in de avond van 11 mei in feite opgehouden te bestaan. Vanaf 12 mei 1940 deed het Nederlandse leger in Noord-Brabant niet meer op enige georganiseerde wijze mee. Het was een Franse zaak geworden ...

Een Frans-Duitse confrontatie en zijn aanloop

[242, 242A, 554] Nadat de 9.PD eenheid Gruppe Lüttwitz rond 18.00 uur met belangrijke krachten over de brug bij Heeswijk geraakte kwam het nabij Schijndel in aanraking met een Nederlands verband onder een kornet. Dat was een verkenningsgroep van C-III-14.RI, die op geruchten van een Duitse oversteek op verkenning was gestuurd. De kornet en enkele minderen, ook 'zwervende' militairen in de omgeving, werden gevangen genomen.

Onderwijl was dus de gehele sector onder Heeswijk door de Nederlanders al ontruimd. [242] III-14.RI was echter plichtsgetrouw in haar sector aan weerszijde van de opgeblazen brug ten noorden van Den Dungen blijven liggen. Nadat het in de middag berichten over Duitse penetraties kreeg, was de BC – de geheractiveerde voormalig KNIL officier majoor Döbken – niet zoals de bataljons onder Heeswijk teruggetrokken, maar vormde hij een beveiliging in de rug van zijn defensie achter de Vaart. Hij was vastbesloten zijn taak – vasthoudend verzet bieden – te volbrengen. Daar waar de majoor in de nacht van 10 op 11 mei zich opvallend (curieus) had gedragen door tijdens de verplaatsing naar de Zuid-Willemsvaart tegen advies van zijn stafofficieren in koffie te gaan drinken (om ‘elan’ richting troepen te tonen …), zou hij het vertrouwen later op de 11e en 12e mei terugwinnen. Hij gaf strak en duidelijk leiding aan zijn bataljon en toonde zich actief. Toen in de middag burgerberichten werden ontvangen dat de Duitsers met zwaar materieel de brug bij Heeswijk over zouden steken, werd niet teruggetrokken, maar werd de rechterflank extra beveiligd en de weg naar Sint Michielsgestel in de rug van het bataljon bezet. De voornoemde patrouille was uitgestuurd om inlichtingen te verkrijgen in St. Michielsgestel, Schijndel en bij Heeswijk. Begin van de avond was er korte tijd enige beroering omdat een deel van de troepen [2e Compagnie] door toedoen van een panische luitenant terugtrok, maar dit werd direct ondervangen door de C 3-III, waarop de terugtrekkende verbanden weer in hun posities werden teruggebracht. Gedurende de late avond nam men vanuit Den Dungen en omgeving veel lichtsignalen waar en kreeg men ook de indruk dat ten zuidwesten van hen gevochten werd. Het leidde tot onrust onder de manschappen, maar ieder bleef in zijn positie door de uitstekende leiding van de BC en de kapitein Wissels (C. 3-III). Hoe het dit bataljon 's nachts en de volgende ochtend nog zou vergaan wordt op 12 mei behandeld.

Onderwijl was onder de positie van het bataljon een werkelijke Duitse penetratie aan de orde. Zoals reeds besproken was in de middag de Gruppe Lüttwitz bij Heeswijk aangekomen. Nadat zij het kanaal overgestoken was, trok zij direct zuidwestwaarts verder en bekommerden zich niet om de noordelijk van de Heeswijkse brug gelegen sector. Voelende verbanden kwamen in aanraking met verdedigers bij Den Bosch (noordwaarts) en achterblijvers van de reeds verdwenen hoofdmacht van Vak Erp (zuidwaarts). Interessant is het de Duitse verslaglegging [Aufklärungsregiment 9, Gruppe Lüttwitz] te volgen, omdat zij in de late avond een confrontatie met Franse pantserwagens tot stand brachten. Voor een eenvoudige referentie wordt opnieuw het laatste deel van het eerder geciteerde onderdeel van het verslag weergegeven. [554]:

» 20.00 Uhr Überschreiten der Brücke [AG: Heeswijk] kurz darauf Feindberührung in Schijndel. Spitzenspähtrupp stößt auf sichernde Radfahrer. Spähtrupp macht Feuerüberfall, Holländer ergeben sich, teils ziehen sie sich zurück. Nachkommender Kradschützenzug säubert die Ortschaft. Gefangene: 1 Kornett, 15 mann.

21.30 Uhr bis 22.00 Uhr: Panzerspähtrupp trifft wieder auf feindliche Radfahrer. Feuerüberfall und Vorstoß. Gegner wird gefangen, Rest flieht. 11 Gefangene.

22.10 Uhr: Spitzenspähtrupp erkennt in Walde südlich St. Michielsgestel französischen Panzer-Spähwagen. Vorhutzug sitzt ab, entwickelt beiderseits der Strasse überschlagendes Durchkämmen mit gegenseitiger Feuerunterstützung, der Waldstücke bis Esch.

22.30-23.00 Uhr: Zur Seitensicherung abgedrehter Spähtrupp trifft in Dämmerung auf anscheinend vorderste Sicherung von ’s Hertogenbosch. Gegner schießt mit panzerbrechende Waffen und mehreren MGs. Nachfolgender Kradschützenzug sichert im günstigen Gelände zwischen ’s Hertogenbosch und Halder, beiderseits der Strasse mit MG und K-Rollen und ermöglicht dem Panzerspähtrupp nach Ausfall eines Wagens (2 Verwundete) das Zurückgehen hinter diese Linie. Der Gegner macht nach diesem Feuergefecht keinen Versuch mehr in die Flanke der Abteilung gewaltsam aufzuklären. «

Het Duitse verslag spreekt van enige onbelangrijke confrontaties met kleine Nederlandse verbanden, van een confrontatie met een Franse pantserwagen en van een kort gevechtscontact met de Nederlandse verdediging (3-I-6.RI) aan de zuidzijde van Den Bosch. Het zijn de Nederlandse en Franse geschiedschrijvers die van deze schermutselingen onduidelijke en inaccurate reproducties maakten. De meest interessante kwestie is die van de confrontatie met de Fransen. Deze zal hieronder nader worden behandeld.

[613] Het Franse verkenningsdetachement van de capitaine Devouges [6.RC] was op 11 mei om 07.00 uur vanuit Goirle richting Den Bosch vertrokken na bevel daartoe te hebben ontvangen van colonel Dario. Doel voor de Fransen was om zich op de hoogte te stellen van de verdediging rond Den Bosch. Het Franse idee om tussen Den Bosch en (het kanaal van) Turnhout een doorlopende defensie te bouwen, met de Nederlanders boven het Wilhelminakanaal in de voorste lijn, werd kennelijk getoetst op haalbaarheid. Een andere verklaring voor de Franse interesse om verkenners helemaal naar Den Bosch te sturen valt (in dat stadium) anders wellicht te verklaren uit het feit dat kolonel Schmidt over de status van het front uiterst onzeker bleek en de Fransen dus slechts met voorbehoud kon informeren. Het detachement was vermoedelijk bestaande uit tenminste twee pelotons, waarvan in elk geval het peloton van sous-lieutenant Scherer contact maakte met Nederlandse troepen bij Vught, later bij Den Bosch.

[241] Omstreeks 10.00 uur kwam een Frans verband aan in Vught. Uit beschrijvingen uit Nederlandse bronnen lijkt het waarschijnlijk dat dit verband slechts bestond uit een klein peloton onder de sous-lieutenant Scherer met twee Panhard pantserwagens en enkele motorrijders met mitrailleurs. [243] De Franse luitenant meldde zich zonder zijn peloton kort nadien op de CP van de reserve majoor Versteegh, commandant van II-29.RI. Zijn commandopost was gevestigd op de oude stadswallen van Den Bosch aan de zuidwestkant van de stad. De Franse luitenant verzocht om inlichtingen omtrent de Duitse posities, maar die waren niet bekend omdat geen gevechtscontact of verkenningsresultaat inlichtingen had geboden, waarop de Fransman weer naar Vught terugging. In de loop van de middag kwam de sous-lieutenant Scherer terug op de CP, deze keer met zijn peloton. Hij bleef enige uren nabij de CP om eventueel als bescherming daarvan te kunnen fungeren. [243] Toen evenwel tegen de avond van de halve compagnie 3-I-6.RI – welke in de namiddag aan de weg Den Bosch – Sint Michielsgestel was gepositioneerd om de stad uit het zuiden te beveiligen – bericht kwam dat men Duitse pantserwagens uit de richting Sint Michielsgestel had beschoten, werd de Fransman verzocht een verkenning die kant op uit te voeren. Zijn antwoord is niet duidelijk, maar hij ging terug naar Vught, mogelijk om toestemming te vragen aan een superieur voor de actie, en zou pas ruim nadien een verkenning uitvoeren. [241] C-Vak Schaijk herinnert zich de kwestie enigszins afwijkend van C-II-29.RI. Overste Detmar stelt dat de Fransman door hemzelf opdracht werd verleend vanuit Vught richting Sint Michielsgestel te verkennen en via Den Dungen terug te rijden naar Den Bosch.

[613] Het verslag van het Franse 6.RC zelf geeft bondig weer hoe het verder moet zijn gegaan na het bevel tot verkenning. Het eerste deel komt grotendeels overeen met de Nederlandse verslagen en vervolgt dan met een rapportage wat nadien gebeurde. Er wordt gesteld dat het peloton Scherer vanuit Vught over twee bruggen reed en vervolgens bij Halder in een Duitse hinderlaag viel. De voorste Panhard werd beschoten door een zware Duitse pantserwagen (2 cm kanon), maar de granaten ketsten af op het pantser waarna de Panhard de Duitse pantserwagen wist uit te schakelen. De maréchal-des-logis De Vissec zou daarvoor verantwoordelijk zijn geweest met zijn Panhard. Twee mitrailleurnesten werden door de Fransen tot zwijgen gebracht. Daarna trokken de Fransen terug naar Vught. Vervolgens kwam men weer op de weg naar Tilburg, maar bleek de brug in de weg (AG: de locatie werd niet gemeld: vermoedelijk bij Best) te zijn vernield, hoewel enkele motorrijders te voet de matig vernielde brug konden oversteken. De rest moest vervolgens op zoek naar een andere brug. Deze werd uiteindelijk gevonden, waarna de sous-lieutenant met zijn pantserwagens zich op 12 mei rond het middaguur bij Tilburg weer aan kon sluiten bij zijn regiment.

[614] De Franse kroniekschrijver Lerecouvreux had zijn eigen versie, hoewel grotendeels vergelijkbaar, met meer detail. Deze stelde dat de sous-lieutenant Scherer eerst opdracht had gekregen ten noorden van de Aa (ten noorden van Den Bosch) en ten oosten van de Zuid-Willemsvaart te gaan verkennen en dat hij daarop tot Berlicum geraakte zonder op Duitsers te stuiten. Nadien zou hij zijn teruggekeerd en de opdracht tot verkennen naar Sint Michielsgestel hebben uitgevoerd. Tot in de kleinste details beschrijft Lerecouvreux vervolgens de ‘besluiping’ van het gehucht Halder, dat inmiddels door het pikkedonker (het was 2200 uur Nederlandse tijd volgens Lerecouvreux) nauwelijks te zien was. De luitenant was van zins om de pantserwagens vooruit te sturen en de rest van de manschappen te voet te laten volgen, maar opeens reed de voorste Panhard snel vooruit waarop de rest wel moest volgen. Net voor de brug (bij Halder) over de Dommel (sic: het betrof de Esschestroom) werd de voorste wagen opeens door enkele granaten van een zware Duitse pantserwagen getroffen, maar deze ketsten af. Waarop met drie schoten van de 2,5 cm vuurmond van de Panhard de Duitse wagen tot zwijgen werd gebracht, en direct erna twee Duitse mitrailleurs evenzo. De vernielde Duitse wagen blokkeerde echter de brug over de Dommel (sic) die de weg richting Sint Michielsgestel voerde. Granaten van de Franse pantserwagens bleken echter enkele burgers te hebben verwond en een kind te hebben gedood. Korte tijd bleef de Franse patrouille ter plekke en ontving van enkele bewoners eten en drinken, waarna de Fransen weer westwaarts togen. Vervolgens kwam men via Vught naar Den Bosch, maar zag onderweg niet alleen vluchtende Nederlandse militairen, maar vond II-29.RI ook niet meer op zijn plaats. Daarop keerde men terug langs de weg naar Tilburg, waarbij echter een versperde brug [AG: wederom geen plaatsduiding, maar vermoedelijk bij Best] leidde tot een ongeval. De pantserwagen van de sergeant De Vissec verongelukte tegen de versperring samen met twee motoren. Nadat de boel was opgeruimd, reed het restant door naar de brug bij Tilburg over het Wilhelminakanaal, maar die bleek reeds opgeblazen te zijn. Daarop werd tot de volgende morgen gezocht naar een andere overgang, die uiteindelijk werd gevonden. Tot zover de versie Lerecouvreux.

De onderzoekers van de GS stelden in hun onderzoeksaantekeningen en het stafwerk [5] zo hun vraagtekens bij de versie van Lerecouvreux, met name ten aanzien van de twee aspecten van de Franse verkenning boven de Aa (tot Berlicum) en het gegeven dat Scherer na de gevechtsactie bij ‘Halder’ nog terug was gegaan naar Den Bosch om daar te constateren dat II-29.RI was verdwenen. In beide gevallen wordt door auteur dezes deze twijfel gedeeld met de onderzoekers van de GS. De eerste kwestie lijkt zelfs volkomen uitgesloten. De bruggen over de Aa waren volgens Nederlandse verslagen vernield voor 10.00 uur. Het oversteken van de Aa zou voor de pantserwagens dus niet mogelijk zijn geweest. Ook de tweede kwestie lijkt onlogisch, want II-29.RI vertrok pas uit haar posities op 12 mei rond 06.00 uur. Het stafwerk gaat voorts uit van het gevecht van de Fransen met de Duitsers bij de Halderse brug, analoog aan Lerecouvreux [5: blz.300]. Het Duitse verslag spreekt echter van ‘het zuidwesten van Sint Michielsgestel’. Dat zal een onjuiste indicatie zijn geweest. Navraag in de regio leert dat er inderdaad bij Halder een gevecht is geweest en niet bij Sint Michielsgestel. De Halderse brug, in 1940 ongeveer 100 m zuidelijker dan de tegenwoordige brug in de Haldersebaan, was vrijwel zeker de locatie waar de uit Vught komende Fransen met de Duitse verkenningsgroep in aanraking kwamen. Navraag leert dat er overigens niet – zoals de Fransen stellen – een kind edoch een seniore Halderse burger om het leven kwam bij de beschieting. De 69-jarige heer P. Schelle liet het leven door een verdwaalde (Franse) kogel [1512].

[30; dl2, pg 251] E.H. Brongers suggereert in zijn Opmars naar Rotterdam over de versie van Lerecouvreux dat de verkenning van de Fransen boven de Aa tot Berlicum in het vervolg van de verkenning op Sint Michielsgestel zou zijn geschied. Hij concludeert terecht dat een verkenning rechts van de Aa een valse voorstelling van zaken was van de Franse auteur. Brongers geeft daarbij echter vooreerst zelf een onjuiste weergave van Lerecouvreux woorden, want die suggereert deze gang van zaken helemaal niet. De Fransman stelt immers dat de DD in de middag het verzoek kreeg om ten noorden en oosten van de Aa te verkennen. Dat stond geheel los van de verkenning in de latere avond naar Sint Michielsgestel. Deze onjuiste weergave van Brongers doet overigens niets af aan hetgeen hiervoor is gezegd over de ongeloofwaardigheid van die Franse verkenning boven de Aa. Over het gevecht tussen de Franse en Duitse pantserwagens meldt Brongers op die plaats in zijn boek in het geheel niets overigens. Wel geeft Brongers – zoals gebruikelijk zonder al te veel details – aan dat de Duitsers met gepantserde eenheden de Zuid-Willemsvaart overstaken. Een juiste vaststelling, die echter in voorname secundaire bronnen [bron 5, blz.283; bron 56, blz.231] opgehangen wordt aan AA.254. Er is vastgesteld dat daarvan geen sprake kan zijn; althans, dat die beweringen met geen enkele Duitse bron te ondersteunen zijn. Alle meldingen van pantserwagens betroffen vrijwel zeker louter die welke door Aufklärungsregiment 9, Gruppe Lüttwitz, werden ingezet.

AA.254, waarvan alle berichtgeving ontbreekt in het Duitse archief [BA/MA] en waarvan slechts zijdelings uit summiere gegevens van 254.ID en 26.AK gegevens zijn te isoleren, lijkt mede dankzij Nederlandse geschiedschrijvers te zijn verworden tot een spookeenheid die in de ochtend van 11 mei ergens ten westen van de Zuid-Willemsvaart rondwaarde. Er wordt weliswaar in Nederlandse literatuur gesteld dat deze eenheid bij Heeswijk al vroeg de brug overstak en door verkende naar Sint Michielsgestel, Den Bosch en Vught, maar ieder bewijs daarvan ontbreekt. Bovendien zijn die beweringen erg onlogisch en worden ze na uitgebreide afwegingen tegen voorhanden bronnen in het geheel niet ondersteund. Veel opvallender is dan nog dat de Gruppe Lüttwitz de brug bij Heeswijk totaal onbezet door Duitse troepen aantrof rond 16.00 uur Nederlandse tijd. Geen woord over eigen troepen, in tegendeel, slechts over ongeregelde Nederlandse troepen nabij. In de annalen van de Meierij van Den Bosch – zoals dit gebied bekend staat – wordt nergens enige verwijzing aangetroffen naar Duitse troepen die al in de ochtend of middag van 11 mei te Sint Michielsgestel verschenen. AA.254 lijkt van de aardbodem verdwenen te zijn. Is zij met de reeds gearriveerde delen in het gebied tussen Schijndel en Sint Michielsgestel gebleven tot dat er aansluiting van 9.PD kwam?

Er is heel veel aanleiding te denken dat AA.254 zich helemaal niet ten noorden van Schijndel roerde voordat de Aufkl.Rgt.9 zich op 11 mei rond 16.00 uur meldde bij de Heeswijkse brug en deze enige uren later overstak. Het vermoeden bestaat dat de eenheid in het betreffende gebied niet eens aanwezig was tot in de avond van 11 mei. De bewegingen die waargenomen zijn rond Schijndel en Sint Michielsgestel alsmede onder Den Bosch op 11 mei in de avond blijken van Aufkl.Rgt.9 te zijn geweest. AA.254 kwam pas in de late avond van 11 mei naar het noorden (gehucht Woud) en zou daar aan nachtkamp opslaan. De spits van de Gruppe Lüttwitz van Aufkl.Rgt.9 was toen inmiddels doorgetrokken naar Helvoirt waar het op de kruising van de doorgaande weg naar Tilburg met de weg Vlijmen – Oosterwijk beveiligde voor de aankomst van de rest van de Gruppe Lüttwitz. Dat was om 23.30 uur al aan de orde. Men zou kort nadien [ca. 02.00 uur] richting Loon op Zand doortrekken en spoedig daarna kolonel Schmidt en zijn gevechtsstaf ter plaatse gevangen nemen. Maar dan wordt al naar 12 mei vooruit gekeken.

Terugkijkende naar de gebeurtenissen in de driehoek Den Bosch – Vught – Schijndel op 11 mei, lijkt het veilig om te concluderen dat niet AA.254 de eenheid was die van de provisorisch herstelde brug bij Heeswijk profiteerde en uiteindelijk gevechtscontacten met Nederlandse en Franse troepen maakte, maar de Gruppe Lüttwitz van Aufkl.Rgt.9. Pas later arriveerde AA.254 en nam de posities van Aufkl.Rgt.9 over gedurende de nacht van 11 op 12 mei. Waar AA.254 werkelijk was gedurende de dag en welke handelingen zij verrichte is uit Duitse bronnen niet te isoleren. Het is echter uiterst onwaarschijnlijk dat deze verkenningsafdeling met haar hoofdmacht – waarvan de kern overigens slechts bestond uit infanteristen met fietsen en enige lichte ondersteuning – al voor de avond van 11 mei over de brug bij Heeswijk was gekomen. Het is anders onverklaarbaar waarom zij niet in strijd kwam met Nederlandse troepen bij Schijndel (II-2.RI) of tenminste de cruciale bruikbare brug over Heeswijk beveiligde tot de aankomst van aansluitende verbanden.

Nadat de Gruppe Lüttwitz rond 18.00-18.30 uur de brug bij Heeswijk overstak, werden kennelijk enige verkennende verbanden uitgestuurd richting west, zuid en noord. Een goed Duits gebruik om zowel de te volgen hoofdroute alsmede de flanken te verkennen op mogelijke dreiging. Op alle drie de routes werd kort gevechtscontact gemaakt, waarbij naar de flanken met passieve verdedigingsmiddelen (K-rollen (3) en mitrailleuropstellingen) een beveiliging werd ingericht en in de hoofdrichting (Boxtel) uiteindelijk werd doorgestoten.

(3) K-rollen en S-rollen waren passieve verdedigingsmiddelen tegen (rups)voertuigen en infanteristen. De S-rollen – Stacheldraht Rollen – waren gewone prikkeldraad rollen (ook wel bekend als concertina in het Nederlandse leger) geschikt voor een versperrende breedte van 7 a 8 meter per rol. De K-rollen – Kontaktdraht Rollen – bestonden uit glad staaldraad bedoeld om over een weg te leggen en na overschrijding door met name rupsvoertuigen tussen de rupsband en loopwielen te geraken en zo het voertuig te immobiliseren. Ze werden ook voor wielvoertuigversperring gebruikt, maar waren daarvoor minder geschikt, hoewel hetzelfde effect kon worden bereikt als de draad onverhoopt om een wiel verstrikt raakte. Het Nederlandse leger beschikte ook over beide eenvoudige verweermiddelen.

Resumerend daarom het volgende. De voorste elementen van Gruppe Lüttwitz verkenden aan het begin van de avond onder meer richting Den Bosch en werden daar inderdaad gemeld met als gevolg de uitzending van de Franse formatie van sous-lieutenant Scherer. De Franse verkenners maakten rond 20.30 uur bij Halder kort gevechtscontact met een Duits verband dat op de flank als voorverkenners was uitgestuurd door de Gruppe Lüttwitz. Daarbij raakten twee Duitsers gewond door de uitschakeling van een Sd.Kfz.231 pantserwagen. Een Nederlandse burger kwam ook om het leven. De Fransen leden geen personeelsverliezen, maar trokken terug, verloren daarbij materieel een pantserwagen en enige motoren. De Gruppe Lüttwitz liet op haar flanken enige veiligheidsposten achter en stootte onderwijl met haar voorverkenners over Boxtel noordwestwaarts door richting Helvoirt, waar nog voor middernacht de kruising van wegen werd bezet. De terugtochtweg tussen Den Bosch en Tilburg was daarmee voor de Nederlanders tijdelijk afgesloten, hoewel de Duitsers kort na middernacht via binnenwegen door zouden trekken naar Loon op Zand zonder dat achterop komende troepen al aansluiting hadden gevonden bij Helvoirt. Met de diepe Duitse penetratie was – naar de toenmalige maatstaven van het veldleger – ook de inmiddels aan Nederlandse kant verordonneerde defensie van de Oranjestelling tussen Den Bosch en Tilburg ineens gefailleerd, voor zover de desintegratie van de Nederlandse bataljons voordien de effectuering van die defensie al niet hadden voorkomen.

Gevechtsaanraking bij Den Bosch

Als laatste gebeurtenis in deze frontsector [Den Bosch – Wilhelminakanaal] wordt thans gekeken naar een opmerkelijke gebeurtenis in Den Bosch. Daar was de gehele tweede oorlogsdag geen sprake van gevechtsaanraking geweest tot dat in de vroege avond onder Den Bosch contact was gemaakt met een kleine Duitse verkenningsgroep op de weg tussen Sint-Michielsgestel en de stad. Die schermutseling, al kort beschreven in het Duitse verslag hierboven, wordt verder niet uitgelicht. Een confrontatie ten noorden van de (gekanaliseerde) Aa echter wel.

[121] Het verband onder de reserve kapitein C.D.M. van Exel – in hoofdzaak bestaande uit delen van 2-I-6.RI en met tenminste vier officieren en twee vaandrigs – was in de vroege avond van 11 mei te Den Bosch, aan de verkeerde kant van de Aa, aangekomen en kon de opgeblazen bruggen niet meer passeren. In plaats van een oversteekmogelijkheid te zoeken, besloot de kapitein zijn mannen te laten rusten in het St Joseph huis. Het St. Joseph complex was echter in gebruik als ziekenverblijf, waar circa 250 patiënten werden behandeld. De ongeveer 120 militairen werden verspreid over het complex met enige posten ter beveiliging.

[121] Rond 2200 uur ontstond ineens vuurcontact met enige motorrijders die de Graafsche weg afkwamen. Ramen van het complex aan de Graafseweg zijde versplinterden. [529] Otto Weidinger gaf in zijn ‘Division Das Reich’ een bloemlezing over de confrontatie bij Den Bosch. De met (tenminste) een peloton van de SS.AA, een IG batterij en een PAK peloton versterkte 15./SS Deutschland (4) was op de uiterst rechterflank van de SS-V divisie – die in de avond de sector ten westen van de Peel-Raamstelling bereikt had met haar voorhoedes – actief. De eenheid was via Heesch de Graafsche weg afgereden en kwam dus vanuit het noorden de stad binnen volgens dezelfde route die kort ervoor door het verband onder Van Exel was afgelegd. Volgens Weidinger ontstond reeds gevechtscontact om 18.30 uur Nederlandse tijd, maar dat is onjuist. Het gevecht kwam pas tot stand rond 22.00 uur en zou nog uren voortduren. Ook stelde Weidinger dat de Nederlanders de (vernielde) brug met zware wapens hadden bezet, waarvan niets klopte. De Nederlandse zijde bezat slechts mitrailleurs als zwaarste wapens en beschikte daarnaast nog over handgranaten.

(4) De SS gevechtseenheden, normaliter ook in mei 1940 in de literatuur al als Waffen SS aangeduid, kenden een afwijkende organisatie van het reguliere leger. In het reguliere leger bestond normaliter geen 15e Kompanie in de infanterieregimenten. Bij de SS regimenten in mei 1940 was de 15e Kompanie echter een Kradschützenkompanie [motorrijdercompagnie], uitgerust met 9 lichte en 2 zware mitrailleurs alsmede organiek drie lichte mortieren. Deze eenheden waren in mei 1940 bovendien vaak van een peloton moderne pantserwagens voorzien. Ze dienden als verkennings- en stoottroepverband voor de regimenten, terwijl de SS AA als integraal opererend verkenningsverband gold voor de divisie als geheel.

[121] Het gevechtscontact met de Duitsers verliep in eerste instantie in een gevecht dat circa een uur duurde. Nadat de Duitsers de Nederlandse bezetting van het complex hadden ontdekt openden zij het vuur. Nadat deze eerste Duitse overval was afgewezen, trad een gevechtspauze in. Ondertussen werden patiënten in allerijl ondergebracht in een kelder. Kort na middernacht zette de SS formatie een nieuwe aanval in, waarbij ondanks hevig vuur van Nederlandse zijde de Duitsers sterk opdrongen en bovendien een gedeelte van het complex in brand raakte, vermoedelijk door naar binnen gegooide handgranaten. Dit gevecht, waarbij de Nederlanders zich moedig weerden en de Duitsers onverschrokken optraden, duurde tot circa 02.00 uur waarna de brand in het klooster alsmede de snel slinkende munitievoorraad de kapitein Van Exel dwong zich over te geven met zijn manschappen. Aan Nederlandse kant waren drie militairen gesneuveld; aan Duitse zijde twee, mogelijk vier man (5).

(5) Aan Nederlandse zijde sneuvelden (of raakten dodelijk gewond) de soldaten K.W. van Broekhoven (MC-I-6.RI), B.A. Verkooijen (2-I-6.RI) en W.H. Janssen (3-II-26.RI). Aan Duitse zijde sneuvelde volgens Otto Weidinger [529] de commandant van 15./SS Deu, Hauptsturmführer Otto Fischer, en een niet met naam bekende militair, mogelijk SS Mann Josef Hebein. Beide Duitsers worden echter door E.H. Brongers [32] in verband gebracht met een gevechtsaanraking bij Heesch, waarbij ze zouden zijn gesneuveld. Ze zouden bij Gemert, waar de SS eenheid naartoe werd gedirigeerd, een veldgraf krijgen.

Slechts een deel van de Nederlanders werd gevangen genomen. Een sterkte van circa 40 man bleef in het complex achter, omdat zij veronderstelden dat de Duitsers wellicht de verdedigers naar het leven zouden staan. Vermoedelijk wegens de ontvangst van een tegenbevel kamden de Duitsers het complex niet uit en vertrokken zij na korte tijd weer noordwaarts. Wat was het geval? [529] Het SS regiment Deutschland was onderweg door een verbindingsofficier van 26.AK opgedragen zuidwaarts af te draaien en via Uden en Gemert richting Zuid-Willemsvaart te marcheren en vervolgens over Sint Oedenrode naar Oirschot door te stoten. De Vorausabteilung werd daarvan pas verwittigd na het gevecht met de Nederlanders en verdween zodoende weer uit de stad. [121] Het betekende voor de 40 man die achtergebleven waren, wegens de angst voor executie na overgave, dat zij zich later weer bij II-29.RI konden aansluiten en gevangenschap ontliepen.

Slotwoord

In dit hoofdstuk is tot dusverre alleen maar gekeken naar het noordelijke deel van de Zuid-Willemsvaart defensie. Daarbij is duidelijk geworden dat de zes bataljons (alsmede enige losse verbanden) die tussen het Wilhelminakanaal en het westen van Den Bosch de verdediging voerden, deze defensie al in de middag van 11 mei opgaven in de sector tussen Heeswijk en het Wilhelminakanaal bij Donk. De vier bataljons ten zuiden van de brug bij Heeswijk trokken zich – op hoofdlijnen net zo compleet als ze waren aangekomen – terug richting westen nadat in de middag van 11 mei geruchten rond een Duitse penetratie ten noorden en zuiden van het ‘vak’ Heeswijk – Lieshout alsmede enige Duitse artillerieconcentraties tot deze handeling aanleiding gaven. De vele geruchten en het zwakke beleid die aanleiding gaven voor deze vroegtijdige opgave van de geïmproviseerde defensie boven het Wilhelminakanaal zijn uitgebreid besproken, net als de povere beschrijving van de gebeurtenissen in geijkte geschiedkundige werken over deze episode.

Ten noorden van Heeswijk, waar III-14.RI onder Den Bosch en II-29.RI in Den Bosch (ondersteund door circa twee compagnieën overige troepen) de verdediging niet opgaven, kwam men niet tot gevechtsaanraking tot aan de avond. Een zwakke Duitse verkenning ten zuiden van Den Bosch en het gevecht nabij Vught gedurende de avond en nacht, vormden geen aanleiding voor de BC’n om de eenheden terug te trekken. Van de handelingen onder de sector Heeswijk was men niet op de hoogte. Zo kon het bestaan dat de twee bataljons gedurende de nacht van 11 op 12 mei gewoon in hun posities bleven, terwijl de tegenstander onder hen zich met steeds sterker worden formaties al ten zuiden en spoedig ook ten zuidwesten van Den Bosch bevond.

Ondertussen was er onder het Wilhelminakanaal ook van alles gebeurd. De aldaar ontplooide defensie, die aansloot op het nog bezette oorspronkelijke Vak Weert in de Peel-Raamstelling, kreeg te maken met nog een stellingswijziging en bovenal met een zeer gevaarlijke Duitse doorbraak. Dat wordt in het volgende hoofdstuk besproken.

[De bronnen vindt u hier]