Maas-Waalkanaal

Inleiding

Het Maas-Waalkanaal had acht bruggen [w.o. een dubbele spoorbrug bij Neerbosch] waarvan zes voor de Duitsers van belang waren. Dat waren de bruggen bij Neerbosch, Hatert, Malden en Heumen. De relatief grote interesse die de Duitsers voor die bruggen hadden kwam voort uit hun wens om een alternatieve route voor de 9.PD te veroveren, die via een stevige overgang over het Maas-Waalkanaal en Grave of Ravenstein [over de Maas] zou kunnen leiden tot een tweede toegang tot Noord-Brabant.

[4] Aan Nederlandse zijde werd het kanaal verdedigd door eenheden van twee bataljons, 11GB en I-26.RI. Zij hadden bijna 80 kazematten ter beschikking waarin de lichte en zware mitrailleurs konden worden geplaatst. Deze stonden naast elkaar over de volle lengte van het kanaal. De defensie aan het kanaal en tussen kanaal en grens stond onder bevel van de luitenant-kolonel G. Land, tevens C-26.RI. Het geheel viel onder het integraal commando van de commandant van de hoofdverdediging, C-Brigade B [kolonel J.C.C.I. Nijland].

Tegen het niet verdedigde Nijmegen zouden de Duitsers een compagnie infanterie (4./MG.Btl.9) per rijnaak aanvoeren. Die rijnaak diende voor het aanvalsuur door de douane geklaard te zijn en vervolgens kort na de grens de compagnie infanterie aan boord te nemen. Nadien zou in driekwartier naar Nijmegen worden gevaren en onder de verkeersbrug (over de Waal) worden aangelegd. Op het invasietijdstip diende de infanterie uit de aak te voorschijn te komen en de brugbewaking te verrassen. Over land zou zo spoedig mogelijk I./484 volgen. Dit bataljon en de compagnie 'te water' werden aangeduid als de Gruppe Nimwegen.

[4, 30, 506] Tegenover het Maas-Waalkanaal werd aan Duitse zijde een aantal taakgerichte eenheden ingezet, die voornamelijk waren samengesteld uit de snelle eenheden van de SS-Aufklärungsabteilung, een onderdeel van de SS Verfügungsdivision, dat tijdelijk ter beschikking was gesteld om de bruggen over het Maas-Waalkanaal bij verrassing te nemen. Zij waren daartoe met hun 25 lichte en zware pantserwagens alsmede twee compagnieën gemotoriseerde infanteristen ingedeeld. Daarnaast waren een aantal zbV 800 overval commando’s ingedeeld die enkele bruggen middels verraderlijk optreden moesten nemen. Het 15e zware mitrailleur bataljon [MG Btl 15] was eveneens ingedeeld om de eenheden van meer vuurkracht te voorzien, net als enkele kleinere eenheden waaronder pioniers, voor meer taakgerichte functies. Tenslotte waren drie batterijen lFH18 [10,5 cm] van II./AR.677 als versterking toegevoegd. Het geheel werd samengevat als de taakgerichte eenheid Gruppe Grave [Major Einstmann] en had als opdracht na oversteek van het kanaal direct de brug bij Grave over de Maas in te nemen. Het geheel stond onder operationeel bevel van 254.ID in wiens vak de operaties zouden plaatsvinden.

Sd Kfz 231

De SS-Afklärungsabteilung had ter plaatste de beschikking over lichte en zware pantserwagens, waarvan de laatste met een 20 mm kanon waren uitgerust.  Bovendien had de SS een 4e Kompanie met een gemotoriseerd peloton PAK 36 met 3,7 cm geschut, een gemotoriseerd peloton 8 cm mortieren en twee compagnieën met gemotoriseerde infanterie [motoren met zijspan]. Van dit geheel werd ongeveer de helft in stoottroepen ingezet, georganiseerd in vier verbanden van elk een peloton motorrijders, een PAK, een verbindingswagen en twee zware pantserwagens. Deze groepen zouden de bruggen bij Neerbosch, Hatert, Malden en Heumen aanvallen. Deze stoottroepen zouden (behalve bij Neerbosch) vooraf worden gegaan door commandoverbanden die vanuit de Abwehr beschikbaar waren gesteld. SS.AA zou in tweede fase met het restant naar Neerbosch oprukken, terwijl naar de drie bruggen te Hatert, Malden en Heumert elk een compagnie van MG.15 zou trekken.

Het voornoemde Machinegewehr Batallion 15, dat ook gemotoriseerd was, had drie compagnieën zware mitrailleurs [12 sMG elk] en een ondersteuningscompagnie met 8 cm mortieren en PAK 36 antitank geschut. Daarnaast enkele kleinere ondersteuningseenheden. Deze eenheid zou later in de meidagen nog een rol van betekenis spelen in Brabant en Zeeland.

De strijd aan het kanaal

[4, 30, 82, 506: geheel] De gebeurtenissen aan het Maas-Waalkanaal worden van noord naar zuid beschouwd.

Neerbosch

De twee meest noordelijke voetbruggen – bij Weurt en ten oosten van Neerbosch – werden tijdig door Nederlandse troepen vernield. Deze beide bruggen lijken ook geen doelwit te zijn geweest voor de Duitsers.

De drie zware en belangrijke bruggen in de auto- en spoorweg [van Nijmegen naar het westen] bij Neerbosch waren echter niet onmiddellijk vernield. Aan Nederlandse zijde werden zij verdedigd door circa 80 man van 1-11.GB (met één stuk PAG), met 20 man politietroepen voor vernielingswerkzaamheden. Rivierkazematten waren bij Neerbosch niet geconstrueerd. De kleine compagnie stond onder bevel van de beroepskapitein F.J.A. Boers, een zeer kundige veldofficier, zo zou blijken.(1)

(1) De kapitein Boers in kwestie – overigens geen familie van de kapitein C.F.J. Boers die het bevel voerde over de fortificatiën bij Kornwerderzand – zou met zijn compagnie op 13 mei wederom tegen de Duitsers optreden, en wel door een verrassende charge te plegen tegen de ijle Duitse bezetting aan de oostzijde van het spoor ter hoogte van het station van Rhenen. In 1947 zou Boers – als luitenant-kolonel – omkomen tijdens de Politionele Acties in het toenmalig Nederlands-Indië.

Maas en Waal

De kapitein had instructie gekregen dat de bruggen pas na bevel van hogerhand vernield zouden mogen worden. Kapitein Boers had echter desondanks besloten de bruggen op te blazen toen vanuit de grensposten (van 8.GB en 11.GB) berichten kwamen van de Duitse aanval. Om exact 0417 uur gingen de spoor- en verkeersbrug de lucht in. Enkele minuten later stond reeds een Duitse Sd.Kfz.231 met enkele motorrijders voor het oostelijke bruggenhoofd van de verkeersbrug. De pantserwagen werd door een stuk PAG in brand geschoten.

Spoedig volgde meer Duitse voertuigen en motorrijders [peloton van 3./SS.AA onder SS Untersturmfuhrer Schittenhelm], alsmede een door de Duitsers meegevoerd stuk licht antitank geschut. Vanuit de kleine S- en G-kazematten en met het stuk PAG dat de Nederlandse verdediging had werd op de Duitsers gevuurd. Een (Nederlandse) goederentrein (2) die aan de oostzijde was komen aanrijden werd in brand geschoten. Uiteindelijk werden ruim 60 granaten door de PAG afgeschoten [overigens inclusief enkele granaten die op de burg bij Hatert werden afgevuurd]. Aan de oostzijde trok met uiteindelijk weg. Men had bij deze overgang niets meer te zoeken, daar brugslagmateriaal ontbrak. De SS’ers hadden drie gesneuvelden te betreuren [32]. Aan Nederlandse zijde waren geen slachtoffers [31].

(2) In o.m. 'Opmars naar Rotterdam' [30] wordt gesuggereerd dat een Duitse goederentrein werd uitgeschakeld. Er was geen Duitse treinoperatie bij Neerbosch opgezet. De reden was voor de handliggend. Vanuit Kleve (D.) kon weliswaar naar Nijmegen worden gereden, maar die lijn ging naar Nijmegen station, waar omgerangeerd zou moeten worden om vervolgens de lijn Nijmegen - Den Bosch te kunnen berijden. De trein die te Neerbosch aankwam, kort nadat de SS voorhoede daar was afgewezen, was een reguliere Nederlandse trein vanuit Nijmegen. Hij werd eerst door soldaten met rode vlaggen tot stilstand gemaand en verlaten door het personeel. Later werd de locomotief in brand beschoten door de Nederlandse PAG.

Hatert

De brug bij Hatert, even zuidelijk van de dubbele spoorbrug onder Neerbosch, was door de Duitsers aangewezen als een doelwit dat door heimelijkheid bij verrassing zou moeten worden genomen. Een Abwehr groep [4.Kp/Baulehr BtlzbV 800] van als burgers verkleedde Duitsers moest in alle vroegte de brugwachten verrassen en zodoende de weg vrijmaken voor een klein snel verband van de SS-AA [peloton onder SS Untersturmführer Vogt] dat met enkele pantserwagens zou volgen.

Aan Nederlandse zijde was de (versperde) brug het object dat – samen met de westelijke oever met haar kleine kazematten – door de 2e compagnie van I-26.RI [res. kapitein D.G.J. Deutz] diende te worden verdedigd. Aan weerszijde van de brug waren in de directe omgeving drie kazematten gebouwd, een G-kazemat [37] en twee S-kazematten [35 en 36]. De brug zelf was een brede en lange betonnen brug zonder opbouw. Het gehele terrein inclusief brug was open en vlak.

Aan de oostzijde van de brug stond in de vroege morgen van 10 mei een dubbelpost samen met een luisterwacht. Deze laatste nam voor 0400 uur een groepje opvallend bewegende burgers waar, waarop hij na tevergeefs aanroepen met zijn geweer vuur uitbracht. Spoedig hierna werd het vuur met een machinepistool beantwoord. De Nederlandse wachten trokken daarop terug naar de westoever, waarna de brug door een groep Politietroepen werd opgeblazen.

De detonatie die volgde bleek echter onvoldoende om de brug geheel te vernielen. Het wegdek bleef tussen de landhoofden hangen, en was zodoende voor infanterie nog steeds begaanbaar. De twee secties Nederlandse verdedigers die aan de westzijde van de brug in stelling lagen, kregen het hierna zwaar te verduren, want al spoedig waren twee pantserwagens [Sd Kfz 231 met 20 mm kanon] en een infanterie eenheid gearriveerd. Toen ook een zware mitrailleurgroep verscheen kregen met name de drie kazematten direct naast de brug de volle laag. De verdedigers in de loopgraven werden door Duits vuur, waaronder dat van mortieren, in dekking gedwongen terwijl Duitse infanterie zich langs de betonnen brugleuning gedekt voorwaarts werkte. Hierna werden systematisch de stellingen naar het zuiden en noorden opgerold, inclusief zeven tot acht kazematten [33 t/m 40]. De Nederlandse gevangenen – twee verdedigers waren gewond – werden direct ingeschakeld om de versperringen weg te halen.

Maaslinie en Maas-Waalkanaal

De Nederlandse compagniescommandant ondernam geen enkele tegenactie, maar observeerde slechts in besluitenloosheid van enige afstand. Tegenactie kwam er wel van de kapitein Boers van 11.GB, die de Duitse progressie noordwaarts vanaf zijn positie waarnam. Hij beval een groep militairen onder een SMI om richting Hartert te trekken en de Duitse expansie langs het kanaal ongedaan te maken, terwijl hij zijn compagnie een afgrendeling richting zuiden liet formeren. Ook liet hij zijn stuk PAG op de brug bij Hatert vuren. De uitwerking daarvan was nihil, want gevangen genomen soldaten meldden dat de granaten over de brug heen vlogen. Spoedig was er echter geen houden meer aan. De Duitsers rolden systematisch de kanaalstelling op, en ondanks een korte en beperkte tegenactie van de manschappen van 11.GB, was spoedig tot en met kazemat 46 de hele noordelijk zijde van het kanaal tot vrijwel aan het spoor bij Neerbosch opgerold. Westelijk werd echter op diverse plaatsen door groepjes militairen nog steeds weerstand geboden, waarop geen overtuigende Duitse actie meer tot ontwikkeling kwam. Eén Nederlandse soldaat kwam bij de eerste aanval om, een ander sneuvelde even later langs het kanaal.[31]

De Duitsers bouwden hun bruggenhoofd niet verder uit, en trokken ook niet door naar Grave, wat hun uiteindelijke doel was geweest. Het succes van de min of meer intacte brug was oostwaarts wel gemeld, maar toen nadere berichten uitbleven, zocht een stafofficier van 26.AK in de vroege middag naar de commandant van de Gruppe Grave. Hij vond deze naar zijn zeggen slapend in zijn kwartier bij de brug te Hatert. Deze kwestie wordt in de nabeschouwing nog eens onder de loep genomen.

Later in de middag zouden de Duitsers vanuit Hatert richting Overasselt trekken. Daarbij sneden zij veel Nederlandse militairen af van met name 1-I-26RI die zich terugtrokken, en zodoende gevangen genomen werden.

Malden

De (versperde) betonbrug bij Malden – vrijwel identiek aan die bij Hatert – werd verdedigd door de 1e compagnie van I-26.RI onder de reserve kapitein A.W.J. Peeters. De brug werd aan weerszijde geflankeerd door diverse S-kazematten en een enkele G-kazemat.

In de zeer vroege morgen, nog voor 0400 uur, verschenen enkele in burgerkleding gestoken Duitsers [4.Kp/Baulehr BtlzbV 800] voor de wacht. Deze verzochten doorgang, maar dit werd door de wachtcommandant geweigerd met de mededeling dat bekend was dat tot 0600 uur toegang verboden was. Even later verschenen nog een tiental burgers, die plotseling wapens tevoorschijn haalden en schietend de brug bestormden. De korporaal van de Politietroepen, die belast was met de vernieling van de brug, kon als enige nog tijdig ontsnappen en de kapitein verwittigen.

Kapitein Peeters organiseerde snel tegenmaatregelen. Hij had nauwelijks troepen ter beschikking, omdat alle secties aan het kanaal in stelling lagen. Daarom werd het stafkwartier leeg gemaakt en iedereen in uniform verzameld. Met dit bonte gezelschap [ca. 12 man] werd een brutale actie langs het kanaal ingezet waarbij door woest vuren uit de wapenen een groter verband werd gesimuleerd. Inderdaad raakten de Duitse commando’s onder de indruk, en een aantal hunner gaf zich over, terwijl een drietal volgens berichten sneuvelde. Nadat de Duitsers hierdoor de controle over de brug kwijt waren, werd snel de lont voor de lading aangestoken en ging de brug alsnog de lucht in. Snel handelen door de compagniescommandant en dapper optreden van diens manschappen had geleid tot een belangrijk lokaal succes.

Hierna ontstond een vuurgevecht tussen de partijen over het kanaal. Aan Duitse zijde was inmiddels een SS peloton pantserwagens met enkele SS infanteristen gearriveerd alsmede een afdeling van 15.MG.Btl. De vuuruitwisseling met een deel van deze eenheden zou duren tot het einde van de middag, waarna de Nederlandse verdedigers bevel kregen terug te trekken, hoewel de SS eenheid [Obersturmführer Pötschke] spoedig doorreed naar Heumen.

De Duitsers hadden zeven gesneuvelden; drie overvallers, twee SS’ers [SS Standarte Deutschland] en twee manschappen van 15.MG.Btl [32]. Aan Nederlandse zijde vielen slechts enkele gewonden.

Heumen

De hefbrug bij Heumen was het object waarom langs het Maas-Waalkanaal het zwaarste en langste werd gevochten. Hier was aan Nederlandse zijde de 3e compagnie van I-26.RI gelegen [res. Kapitein J. Postma], dat alle zware wapens van het bataljon ter beschikking had. Een stuk 8-staal [toegevoegde eenheid met een stukssectie], twee mortieren van 8 [van de 26e Cie Mr] alsmede een stuk PAG [toegevoegde stukssectie van 1-11.GB]. Die laatste stond op de nominatie naar 11.GB te worden geretourneerd en de 8-staal was ter vervanging gearriveerd. Van afvoer van de PAG was het kennelijk nog niet gekomen, en zodoende was voor de verdediging van het object een zeer aanzienlijke vuursteun beschikbaar.

Het kanaal bij Heumen had een klein kunstmatig eiland in het hart liggen dat functioneerde in een kleine sluis. De hefbrug verbond het de oostoever met het eiland. Op het eilandje stonden twee koepel kazematten en twee stekelvarkens [9, 10, 11 en 12]. Aan weerszijden van de brug in de omgeving nog negen kazematten [3 t/m 8 zuid, 13 t/m 16 noord van de brug]. Recht achter de brug stond de 8-staal [korporaal vd Bergh], en daar een stukje achter de beide mortieren [onder res. 2e luitenant P.M. Fonkert]. Op het sluiseiland zelf stond het stuk PAG [sergeant Toonen], naast de commandopost van reserve 1e luitenant A.F.W. van Loosbroek van de 3e sectie. Deze sectie was op het sluiseilandje in positie, terwijl de 2e sectie [vaandrig J. Jonker] vlak achter de brug lag. De 1e sectie [reserve 1e luitenant A.C.H. Geutjes] lag in de zuidelijke punt van het vak. De CP van de compagniescommandant was een halve kilometer achter de brug gevestigd aan de hoofdweg.

Uit voorzorg was de hef omhoog gedraaid, terwijl aan de oostzijde een versperring bij de toegang was aangebracht. Toen tegen 0330 uur (3) vier Marechaussees verschenen, die een 30 tal burgers bij zich hadden [een peloton onder Leutnant Witzel van 4.Kp/Baulehr BtlzbV 800], werden zij oost van de brug staande gehouden. De korporaal der Politietroepen – die verantwoordelijk was voor de bruglading – hield de mannen aan. Een Marchaussee legitimeerde het gezelschap als een verzameling opgepikte Duitse deserteurs. De korporaal van de Politietroepen achtte de situatie kennelijk niet verdacht of opvallend, en liet de hef zakken.

(3) E.H. Brongers stelt in zijn ‘Opmars naar Rotterdam’ deel 2 [30: blz 46] dat de overvalploeg al op 9 mei in Nederland was. Dit gegeven is consistent met andere onderzoeken en verklaringen, en lijkt te zijn opgegaan voor alle drie de overvalcommando’s in deze sector. Men mag er echter vanuit gaan dat deze groepen niet voor de avond van 9 mei de grens zijn overgegaan, omdat het absoluut zeker diende te zijn dat de invasie doorgang zou vinden voordat zij buiten contact van hun operationele bevelhebbers zouden geraken. Deze ‘vroege’ Duitse infiltraties geven in elk geval de verklaring voor het feit dat de overvallen langs het Maas-Waalkanaal allen plaatsvonden vóór de feitelijke officiële invasie, die om 0355 uur Nederlandse tijd aan de orde was.

De troep stak de brug over, en verzamelde zich aan de westzijde van de overgang bij kazemat 8. De hef was ondertussen weer opgehaald, en enkele nieuwsgierige militairen kwamen naar de weg toe om deze groep mensen waar te nemen. Kennelijk was hen – in tegenstelling tot de korporaal der Politietroepen – wel duidelijk dat dit een opvallende verschijning was.

Toen de luitenant Van Loosbroek zich gereed maakte om met enkele militairen de groep vermeende Duitse deserteurs naar het westen te brengen, haalde deze groep opeens pistolen en handgranaten te voorschijn, en werd in het rond geschoten. Hoewel de Nederlandse militairen totaal verrast waren door dit gebeuren, kwam al snel een Nederlands tegenvuur los, waardoor de omgeving van de brug opeens een ware schiettent was geworden. Omdat de Duitsers zich heel verstandig pas in de luwte van kazemat 8 hadden ontmaskerd, lagen zij buiten bereik van de automatische wapens.

De Duitsers wisten zich handig te verspreiden en in de luwte van de kazematten blijvende, het sluisterrein vlakbij de brug te veroveren. De sergeant van de Politietroepen [sergeant Jonkers] en een andere korporaal van dat onderdeel – die op het moment van de overval elders waren wegens een bericht van gevangen genomen spionnen – kwamen met de PAG trekker en twee gevangen genomen saboteurs van elders terug, en werden door de Duitsers gevangen genomen. Door al deze elkaar snel opvolgende gebeurtenissen was er in de Nederlandse verdediging inmiddels een gapend gat gevallen, en een halve sectie van de compagnie uitgeschakeld. De Nederlandse gevangenen werden in het brugwachtershuisje gevangen gezet en bewaakt.

Spoedig waren de Nederlanders achter de brug echter in het geweer gekomen en beschoten het sluis- en brugcomplex met hun wapens. Vanaf dat moment zou de strijd in alle hevigheid urenlang blijven woeden.

Onderwijl was de compagniescommandant door het bataljon geïnstrueerd dat de brug moest worden opgeblazen. Hij stuurde een ordonnans naar de brug met die mededeling, maar die was spoedig terug met het bericht dat er geen doorkomen aan was. De kapitein was zich inmiddels van het hevige schieten ook bewust geworden, en besloot direct naar de brug te vertrekken. Hij sprong op de fiets en reed de hoofdweg richting brug op, ondanks de waarschuwing van zijn ordonnans dat de weg onder vuur lag. De onverschrokken kapitein reeds desondanks, door de ordonnans vergezeld, stevig door richting de brug. De Duitsers waren de brug echter al over en hadden met enkele manschappen de oostelijke zijde van het veld ten westen van het kanaal al bezet. Vermoedelijk was het een van de Duitse schutters aldaar die de kapitein op enkele honderden meters van de brug met een welgemikt schot dodelijk trof. De kapitein stierf met de dramatische woorden op zijn lippen ‘maar laat dan toch de brug springen’.

Inmiddels hadden de Duitsers de sluiswachter [de heer Van Haren], die woonde in het sluiswachterhuis op het complex, weten gevangen te nemen. Deze werd verteld dat hij de brug omlaag moest werken. Daartoe werd hij met twee krijgsgevangenen en twee Duitse militairen naar het bedieningshuisje gestuurd dat middels een open stalen trapladder bereikbaar was. De hef werd naar beneden gebracht. Toen de twee Duitsers vervolgens bovenin een lichte mitrailleur installeerden, werd de schutter direct door Nederlands vuur gedood. Hierna werd het groepje Nederlanders weer naar beneden gesommeerd en elders ondergebracht.

In het wachtlokaal waren onderwijl diverse krijgsgevangenen verzameld, en dat zou hen niet al te best bekomen. De intacte brug werd namelijk spoedig doelwit voor de 8-staal en de mortieren. De 8-staal stond in een open opstelling op het veld, en aangezien dit museumstuk geen pantserschild had, betekende dit dat de bediening zich bij ieder schot bloot moest geven. Na enkele schoten – waarvan eentje rechtstreeks tegen de opbouw van de brug [kennelijk dacht men in alle naieviteit de stevige brug met het zwakke geschut te kunnen vernielen] – moest men onder het Duitse vuur het bedienen staken. De mortieren daarentegen stonden beter opgesteld, en zij waren het die het brugcomplex onder een effectief vuur namen. Het betekende voor de Duitsers het einde van de expansie van hun kleine penetratie. Ze moesten zich dekken tegen de detonaties van de 8 cm granaten op en rond de brug. Het betekende echter ook dat enkele Nederlandse krijgsgevangenen gewond raakten door dit vuur. Bovendien raakte het wachtlokaal in brand. Hierop werden de Nederlandse gevangenen naar het gebouwtje van de Politietroepen vervoerd, maar spoedig ontploften hier vlakbij twee mortiergranaten die naast enkele slachtoffers aan Duitse kant, drie Nederlanders troffen. De luitenant van Loosbroek raakte zwaar gewond, net als de vaandrig Jonker, die later aan zijn verwondingen zou overlijden. Soldaat van der Poel was op slag dood.

De Duitse eenheden aan de oostzijde van het kanaal – waarvan de gemotoriseerde eenheden wegens de versperring de brug niet over konden – stonden vermoedelijk in contact met achtergelegen eenheden of staven, want spoedig begon een storend artillerievuur van 10,5 cm geschut op het terrein tussen de brug en Heumen te vallen. Ook namen enkele jachttoestellen de opstellingen van de 8-staal en mortieren onder vuur. In de loop van de morgen bleek voorts dat de Duitsers in staat waren tot kort voor de opstelling der zware wapens te komen. Een hinderlijk mitrailleurvuur had eerst de bediening van de 8-staal al belemmerd, maar kwam even later kort op de opstelling van de beide mortieren te liggen.

De opstelling van de PAG stond in het middelpunt van de strijd. De sergeant Toonen, die dit stuk onder bevel had, was een van de belangstellende militairen geweest die de groep ‘Duitse deserteurs’ op de brug was gaan gadeslaan, maar de sergeant wist in de chaotische momenten die volgden wél te ontsnappen. Hij bereikte zijn stuk en stelde zijn PAG in eerste instantie op met richting brug. Enkele schoten werden afgegeven maar zonder waarneembare uitwerking [vrijwel zeker beschikte men slechts over solide pantsergranaten].

Nadat de Duitsers zich op het eilandje richting noorden hadden gewerkt, kreeg ook de PAG opstelling steeds vaker direct gericht vuur in de opstelling. Na verloop van tijd werd ook vanuit de oostkant van het kanaal met zware mitrailleurs een intensief vuur gelegd op de locatie. De PAG bezetting beperkte zich tot incidenteel antwoord op herkende doelen, maar bij ontstentenis van pantserwagens in het vizier werd munitie gespaard. Spoedig zou echter deze positie nog verder onder druk komen.

Onderwijl was er van diverse kanten actie ondernomen om de bedreigde defensie bij Heumen te hulp te komen. Niet minder dan vier groepen trokken onafhankelijk van elkaar naar de hefbrug toe. De grootste infanterie eenheid kwam van 11.GB dat de luitenant Pieters met een volledige sectie stuurde. Vanuit Malden stuurde men een kleine groep, van circa tien man, onder de reserve 2e luitenant E. Gastman. De eigen compagnie stuurde reserve 1e luitenant J. van der Wal, die langs het kanaal enkele manschappen verzamelde. Vanuit Wijchem werd tenslotte een half eskadron huzaren-wielrijders naar Heumen gestuurd. Bij elkaar was de sterkte van deze eenheden bepaald niet onaanzienlijk. Maar van een georganiseerd operationeel aanvalsplan was absoluut geen sprake. Ieder verband ging zonder enige informatie en ‘op de bonne fooi’ op pad. De groepjes worden stuk voor stuk gevolgd, echter niet voordat aan Duitse zijde de sterkte wordt besproken.

Bijzonder genoeg had men aan Nederlandse zijde de brug bij Heumen samen met de verkeersbrug bij Neerbosch de meest prestigieuze doelwitten geacht voor een Duitse overval. Men dacht dat vooral deze beide objecten operationeel voor de Duitsers van belang waren. Dat was echter niet helemaal het geval. Alle bruggen hadden voor de Duitsers belang, omdat het doel was er tenminste een te veroveren. Dit leidde echter tot versnippering van krachten. Voor de brug bij Heumen was de stoottroep no. 3 voorzien, met een peloton motorrijders en twee zware pantserwagens. Bij alle bruggen werd de aankomst van de pantserwagens prominent vermeld, maar niet bij Heumen. De kans bestaat dat de pantserwagens wegens de aanwezigheid van de PAG op gepast afstand bleven, maar uit het persoonlijke verhaal van de luitenant van de Meer [zie later] kan opgemaakt worden dat die pantserwagens nog helemaal niet waren gearriveerd in die eerste uren. Zeker is in elk geval dat wel spoedig door de Nederlanders zwaar mitrailleurvuur werd ondervonden, wat duidt op de aankomst van een peloton van 1./MGBtl 15. Spoedig daarna liet een eenheid SS infanteristen zich zien.

Die eenheid ontplooide zich onmiddellijk voor een stormaanval op de brug, maar werd daarbij zodanig beschoten, dat die poging snel werd opgegeven. Of daarbij meespeelde dat de pelotonscommandant [Untersturmführer G. Letz] sneuvelde, zal niet bekend worden. In elk geval beperkte de Duitsers zich hierna vooral tot het beschieten van de kazematten. Later op de morgen zou echter alsnog versterking aan Duitse kant verschijnen, maar dat wordt – voor het juiste perspectief – later besproken.

De beide groepen van de luitenants Gastman en van der Wal waren min of meer gelijktijdig aan het kanaal gekomen ter hoogte van het eilandje. Ondertussen was Duits artillerievuur begonnen, dat – vermoedelijk een batterij 10,5 cm sterk – vooral rond het kanaal neerviel. Diverse kazematten werden geraakt. Het bemoeilijkte het Nederlandse optreden aanzienlijk, hoewel het ook de Duitsers belette zich uit hun schuilplaatsen te begeven.

Even oostelijker had zich in de tussentijd een kwestie afgespeeld die enigszins symptomatisch mag worden genoemd als het aankomt op de beoordeling van het ethisch handelen door (Waffen) SS militairen op het slagveld. Zoals bekend had de SS-Afklärungsabteilung de voorname taak als breekijzer te fungeren bij de inname van de bruggen. Deze eenheid werd ingezet om het schokeffect van de heimelijke overvallen maximaal uit te buiten. De SS eenheden slaagde hier in feite nergens in, en toen de brug bij Malden voor hun ogen de lucht in ging, trok het halve peloton pantserwagens zuidelijk naar Heumen. Voordat het daar aankwam was er een Nederlandse luitenant van de grenswacht [reserve 1e luitenant D. van der Meer, van de grenswacht in het vak van I-26.RI] met enkele manschappen op weg van de grens naar het kanaal om zo weer binnen eigen linies te geraken. Deze officier constateerde echter vlakbij de brug gekomen dat hij beschoten werd. Omdat de afstand nog te groot was om waar te nemen dat het Duitse troepen waren die hem beschoten, veronderstelde hij door Nederlandse verdedigers onder vuur te worden genomen. Hij trok een stukje terug en belde in een café [de Heumensche Molen] met de commandopost van de compagnie bij de brug. Die verbinding bleek niet te krijgen waarna hij met een functionaris van de Rijkswaterstaat belde, ook in Heumen. Deze verzocht hij de kapitein van zijn aankomst te verwittigen en hem te verzoeken niet te vuren. Vol goede moed toog de luitenant even later weer met zijn mannen naar het kanaal, maar constateerde tot zijn verbazing dat hem wederom allerlei gloeiend metaal werd nagejaagd.

De luitenant ging opnieuw naar het café, maar aldaar aangekomen arriveerde net twee Duitse pantserwagens. De Nederlanders hadden daartegen niets in te brengen en gaven zich over, en als ‘beloning’ mocht de luitenant van de bevelvoerende SS officier op de voorste Sd Kfz 231 plaatsnemen met een witte doek in de hand. Toen de wagen alsnog werd beschoten door de Nederlanders, weigerde de luitenant verder op het voorpantser te zitten. Hij maakte zijn bezwaren kenbaar waarop de SS Sturmführer hem meldde dat hij dan maar moest aangeven waar de Nederlandse PAG stond. Volgens eigen zeggen zij de luitenant toen ‘overal’. Dat dit antwoord weinig applaus oogstte bij zijn grimmige tegenstander behoeft geen nader betoog. Daarop werd de Nederlander gesommeerd om met een witte vlag en begeleiding door twee Duitsers naar de Nederlandse commandant te gaan en de overgave te eisen. Aldus geschiedde, en bij de brug aangekomen schrok de luitenant van de constatering dat deze reeds in Duits bezit was. Zijn begeleiders waren ondertussen in dekking gegaan omdat het vuur nauwelijks was verminderd. De luitenant sprong heel moedig op een fiets en reed in een noodgang naar Heumen; het was inmiddels al 0700 uur geworden. Daar hoorde hij van het sneuvelen van de compagniescommandant waarop hij doorreed naar de bataljonscommandant, de majoor Weber.

Het was dus pas rond 0630 uur dat de eerste pantserwagens aankwamen bij Heumen, en dat was niet volgens het Duitse draaiboek. Wat er is voorgevallen, en wat de aanleiding was voor het ontbreken van de eerste Duitse stoottroep no. 3 – althans van de daarbij ingedeeld twee pantserwagens – is auteur onbekend. De wagens die luitenant Van der Meer ontmoette waren de twee die vanuit Malden waren doorgereden naar Heumen. Uit de luitenant zijn eerdere belevenissen blijkt echter dat er nog geen pantserwagens waren toen hij de eerste keer aan het kanaal raakte. En dat is congruent met de verklaringen van de verdedigers die stuk voor stuk de aankomst van pantserwagens meldden in een latere fase.

Om 0730 uur werd vriend en vijand verrast door een argeloos oprijdende vrachtwagen. Hierin zaten twee man van staf 11.GB die opdracht hadden (!) de brug op te blazen. Ze waren zich kennelijk niet bewust van de Duitse bezetting, want pas vlak voor de brug stopte de wagen en trachtte de chauffeur te keren. Hierop werd aan Duitse zijde gereageerd en een salvo trof de auto. De chauffeur [korporaal H. van der Vlis [31]] werd op slag gedood. Zijn bijrijder, luitenant der genie Vroom, wist later te ontsnappen en zich te herenigen met zijn eenheid.

Twee Nederlandse officieren hadden even later een ontmoeting bij het kanaal en besloten met enkele manschappen middels een klein bootje het kanaal over te steken naar het eiland. De luitenants Gastman en van der Wal staken met een handvol manschappen, een lichte en een zware mitrailleur het smalle stukje kanaal over, en verschenen in de stelling van het stuk PAG en kazemat 11. Enkele manschappen van de PAG werden samen met het groepje meegestuurd. De twee officieren gingen voorop richting de brugwachterswoning. Met handgranaten en vuur uit de handwapens werden enkele Duitsers aan de noordzijde van het huis weggejaagd. Van schuilplaats tot schuilplaats springend werd zo het Duitse bruggenhoofd verkleind tot slechts een sector zuidelijk van het brugwachtershuis. Ten noorden van het huis werden vier man met de lichte mitrailleur achtergelaten om dekkingsvuur te geven. De luitenants en twee anderen gingen voorwaarts, de zware mitrailleur meesleurend. Deze werd even later opgesteld in een kuil. Echter toen de soldaat in het gezelschap wilde vuren trof hem een kogel in de schouder. Hierop nam luitenant van der Wal het over, maar deze werd direct door een hoofdschot zwaar gewond en stierf even later. Luitenant Gastman zag in dat de positie onhoudbaar was en trok samen met de overgebleven korporaal terug. In de andere positie was de lichte mitrailleurschutter, soldaat H.J. Schapink [3-I-26RI], ook gesneuveld.[31]

Vanuit het westen ondernam een kleine groep militairen ook een offensieve actie tegen de brug. Zij bereikten de directe omgeving van de brug en met enkele welgemikte handgranaten wist de sergeant Gerrits enkele Duitsers tot overgave te dwingen. Andere Duitsers trokken terug, en enkele slachtoffers werden genoteerd. De sergeant zag in dat inname van de toegangsterrein rond de brug met drie manschappen zinloos was en trok terug richting het haventje aan de noordzijde van de brug. De drie gevangenen werden naar elders afgevoerd.

De laatste offensieve actie richting de brug geschiedde onder de 1e luitenant baron J.A.G. de Vos van Steenwijk [C 3-4.RH]. Die verdeelde zijn huzaren wielrijders in drie groepen die ieder via een andere route de brug vanuit het noorden dienden te bereiken. Zij werden echter spoedig verkend en door een combinatie van artillerie-, mortier- en mitrailleurvuur elk afzonderlijk afgewezen. Hetzelfde vuur had inmiddels de mortierschutters aan Nederlandse zijde teruggedrongen. In hun open opstellingen in het veld, slechts licht versterkt met zand, kregen zij teveel ontzag voor het Duitse artillerievuur. Een mortierbezetting keerde echter even later weer terug, en zou het vuren volhouden tot de strijd aan het eind van de middag tot een einde kwam. Met de terugtocht van diverse militairen en het mislukken van de tegenmaatregelen begon de verdedigingskracht langzamerhand te verminderen. Het leidde echter bepaald niet tot die overtuiging aan Duitse zijde.

De Duitsers traden opvallend omzichtig op. Dat was mede ingegeven door de uiterst felle wijze waarop de diverse kazematten – waarvan de wapens het steeds zwaarder te voorduren kregen – zich verweerden. De Duitsers waren onder de indruk van dit verzet en ondernamen zodoende na hun mislukte stormloop geen openlijke offensieve actie meer. Zij beperkten zich tot het intensief beschieten van de schietgaten van de diverse kazematten met mitrailleurs en 3,7 cm granaten. Bij enkele kazematten leidde dit tot wapenuitval en enige gewonden. Nadat een aantal kazematten zodoende tot zwijgen was gebracht werd een aanval gedaan met ondersteuning van een Sd Kfz 231 zware pantserwagen. Ook deze werd echter afgeslagen waarbij de sergeant Rogge in kazemat 11, het laatste bolwerk op het eiland, een hoofdrol speelde.

Hierop volgde een intensieve artilleriebeschieting, die iedere burgeropstal op het eilandje in vuur en vlam zette. Ook de kazemat 11 werd geraakt en de mitrailleur raakte beschadigd. Toch was aan het kanaal gebleken dat de Lewis M.20 mitrailleurs, mits op een vaste affuit, bruikbare wapens waren - als ze maar met zorg werden behandeld. Op één mitrailleur na hadden alle stukken tot het einde toe [indien niet vernietigd door Duits vuur] hun diensten bewezen. Tegen het einde van de middag, tussen 1600 en 1700 uur, ondernam de tegenstander opnieuw een aanval met twee zware pantserwagens. Nu gelukte het hen de brug te bereiken. Bij de kazemat no 11 werden door de SS'ers handgranaten naar binnen gegooid waarbij de sergeant Rogge ernstig gewond raakte. Daar gaven zich toen de laatste Nederlandse verdedigers op het eilandje gewonnen.

De strijd was vrijwel gestreden. Desondanks werden door de SS’ers enkele gevangenen op een pantserwagen gezet of anderszins voor hen uit gedreven om zo de laatste kazematten te doen capituleren. Bij één kazemat leidde dit nog tot het sneuvelen van een Nederlandse soldaat. Daarna was de strijd werkelijk voorbij.

Aan Nederlandse zijde waren bij Heumen 17 militairen gesneuveld, onder wie drie officieren en een vaandrig [31]. Aan Duitse zijde waren de verliezen lichter. Er waren 11 doden, waarvan één officier [van de SS AA]. Een andere SS’er kwam nog om, vijf man van 1./MG Btl 15, twee pioniers en twee man van Btl zbV 800 [32]. Tot deze laatste twee behoorde een Nederlander in Duitse dienst, Lucassen. Twee andere Nederlanders [Schipper en Symons], die tot het commando hadden behoord, werden volgens onderzoek van E.H. Brongers naoorlogs berecht voor hun verraad.

Al met al was de strijd bij Heumen hard geweest met veel slachtoffers aan beide zijden. Inclusief gewonden waren er bij elkaar rond de 100 man door het treffen uitgeschakeld. De Duitsers zouden vanaf Heumen vrij snel richting Overasselt doortrekken. Daar werd tegen de avond een groep samengesteld die richting Grave zou optreden. Voor die vertrok was het echter al donker geworden.

Grave

[4, 5, 30] Het einddoel van de Gruppe Grave was de verkeersbrug bij Grave. Zodoende had men immers een nieuwe route voor 9.PD en andere Duitse eenheden kunnen openen. Men slaagde erin de brug bij Hatert intact te bezetten, maar slechts Grave kon de sleutel tot een succes bieden.

[66] Bij Grave had de verdediging – die zich op de zuidoever [in feite de zuidwestelijke zijde] van de Maas bevond – de beschikking over twee rivierkazematten, beide van het type B met kanon en zware mitrailleur. Beiden waren ook front zuidoost gebouwd, en aan de zuidzijde van de brug vlak aan het stroompje de Raam. De kazemat die aangeduid werd als ‘Kazemat Zuid’ lag in het verlengde van de brug. Deze was drie verdiepingen hoog en had zowel een kanon van 5 als een zware mitrailleur. De noordwestelijk hiervan gelegen ‘Kazemat Noord’ had dezelfde bewapening, maar was slechts twee verdiepingen hoog. Bovendien waren er enkele S- en G-kazematten langs de Maas gebouwd tot aan de oorsprong van de Peel-Raamstelling. Ook deze versterkingen waren vanzelfsprekend front zuidoosten geconstrueerd.

De stellingen werden door manschappen van 11.GB bezet, terwijl de Politietroepen de rivierkazematten bemanden. Zij waren ook verantwoordelijk voor de vernielingshandelingen.

De westelijker gelegen brug bij Ravenstein was al vlak na 0500 uur de lucht in gegaan, maar bij Grave aarzelde de commandant. Hij had het vernielingsbevel niet vertrouwd en zocht verificatie. Op zich kan men daar enig begrip voor opbrengen, daar in de eerste uren al duidelijk was dat verraderlijk optreden alom aan de orde was. Althans, dat dit prominent in de diverse bevelen en berichten als kernzaak naar voren werd gebracht.

Het resulteerde erin dat de Politietroepen geen opdracht tot vernieling kregen. Dat was met de gebeurtenissen aan het Maas-Waalkanaal in het achterhoofd een riskante zaak, hoewel dat bij Grave niet als zodanig voor ogen stond. De verdediging echter – ondersteund door twee rivierkazematten – was volledig op het zuidoosten gericht. Een aanval vanuit het noordoosten zou dus bezwaarlijk goed kunnen worden weerstaan en werd ook niet verwacht. Zodoende had de aarzeling tot vernieling kunnen leiden tot een catastrofe [analoog aan Gennep], maar om 0630 uur kwam de bevestiging van het bevel de brug te doen vernielen en even later lagen er twee bogen in het water van de Maas. Om 0645 uur was het failliet van het stoutmoedige plan van Gruppe Grave finaal.

Het was voor de rest een relatief rustige dag voor de bezetting van deze positie, hoewel men in feite tussen zones in zat waar zwaar werd gevochten: Mill, Mook en Heumen.

In de vroege avond kreeg men echter opeens vuur uit het noorden te verwerken. Dat verbaasde de bezetting vanzelfsprekend [want van de ontwikkelingen langs het Maas-Waalkanaal was men 'traditioneel' niet op de hoogte gebracht], maar het Duitse vuur werd beantwoord, en hield na enige salvo’s ook op. Dat vuur kwam van een SS eenheid die inmiddels op weg was gegaan naar Grave. In een enige maanden later geschreven rapport van (toen) Obersturmbannführer Willy Brandt(4), de commandant van de SS AA, kwam de verklaring voor dit gebeuren. Deze meldde dat een verband van zijn afdeling in de vroege avond richting Grave reed en daar op degelijke weerstand van Nederlanders stuitte. Die zou echter door antitank vuur vanuit de SS eenheid zijn verminderd. De eenheid trok zich terug na te hebben vastgesteld dat de brug slechts licht beschadigd was.

(4) Wilhelm (Willy) Brandt was in mei 1940 SS-Sturmbannführer en commandant van SS-Aufklärungsabteilung van april 1940 tot december 1940, waarna hij binnen de SS Division Deutschland werd overgeplaatst en aangesteld als commandant van SS-Regiment-11. Op 15 juli 1941 stierf hij na op 13 juli zwaar gewond te zijn geraakt bij Görki.

Die laatste conclusie was in strijd met de werkelijkheid. Er lagen twee bogen in de Maas. Bovendien was er van het antitankgeschut aan Duitse zijde weinig gemerkt, en effect op de verdediging had het allerminst gehad. Bijzonder dichtbij de brug zullen de SS'ers dus niet zijn geraakt.

Nabeschouwing

De Nederlandse verdediging van het Maas-Waalkanaal mag men gerust een moedige en doortastende noemen, met uitzondering van het lokale optreden bij Hatert. In het bijzonder het gevecht bij Heumen toonde een kern van moedige militairen, die zich taai en hardnekkig verdedigden. Anderzijds past daarbij de kritiek op het Duitse optreden. Het heeft er alle schijn van dat juist de Duitse actie bij Heumen niet volgens plan verliep. De SS eenheden lijken ruim te laat te zijn aangekomen en zijn ook daarna weinig doortastend opgetreden. Naast het moedige verzet van een selecte groep verdedigers, mag echter de Duitse aarzeling toch als hoofdreden gelden voor de duur en intensiteit van het gevecht bij Heumen en het mislukken van het plan Grave.

De strijd om het Maas-Waalkanaal kent voorts een merkwaardige paradox. De opvallende passiviteit van de Gruppe Grave onder Major Einstmann [q.q. Kdr 15.MG.Btl] bij Hatert.

De auteur E.H. Brongers stelt in zijn werk ‘Opmars naar Rotterdam’ (deel 2) [30] vast wat de oorzaak voor de merkwaardige aarzeling van Major Einstmann zou zijn geweest. Brongers stelt het volgende. De commandant van Gruppe Grave achtte de weerstand hardnekkig en liet zijn troepen die weerstand eerst methodisch oprollen. De majoor zelf had het oor erbij neergelegd en werd aan het begin van de middag door een officier van de staf van 26.AK slapend aangetroffen. Deze passiviteit zou hem door zijn superieuren zeer kwalijk zijn genomen. In die beschouwing wordt Brongers gesteund door H.W. van den Doel, die analoog aan Brongers concludeert in ‘Mei 1940 – de strijd op Nederlands grondgebied’ [52]. Beiden steunen op een verklaring van 254.ID die stelt dat de weerstand langs de Nederlandse linie onverwacht taai was, en de oorzaak voor gebrek aan voortgang louter moet worden gezocht bij aarzelend optreden door de commandant Gruppe Grave.

Die conclusies mogen dan synchroon lopen met die Duitse bron die de gang van zaken als zodanig verklaart, maar het komt auteur dezes als iets te kort door de bocht over. De Gruppe Grave werd zoals vermeld geleid door de Major Einstmann. Toen deze de brug bij Hatert in handen had gekregen en de versperring had opgeruimd voor de brug, lag in feite niets hem in de weg om westwaarts door te stoten. Hij had daartoe voldoende troepen en tenminste een verband met pantserwagens en motorhuzaren ter beschikking. Het is bovendien vrijwel zeker dat de majoor in rechtstreekse verbinding stond met 254.ID of anders wel 26.AK. Zijn missie was, analoog aan de missie bij Gennep, van grote importantie voor de gehele logistieke planning van 26.AK. Het is in alle redelijkheid ondenkbaar dat de majoor hier lichtvaardig over dacht, althans zo lichtvaardig als de beschouwingen van diverse auteurs willen doen geloven.

Wat zou de majoor dan bewogen hebben om rustig een hazenslaapje te gaan plegen, indachtig zijn zo voorname missie?

Daarvoor zijn enkele hypotheses te geven. Vooreerst kan men eraan denken dat de half vernielde brug bij Hatert [de ondersteunende onderbogen waren zwaar beschadigd door de detonatie – het dek zelf leek onbeschadigd] door de Duitsers niet vertrouwd werd om er pantserwagens overheen te laten rijden. De aanwezige zware pantserwagens wogen ruim 6 ton. Dat is een gewicht wat een gammele brug zou kunnen doen doorzakken. Het kan een overweging zijn geweest dat de majoor zijn eenheid niet zonder pantserwagens wilde laten doorstoten in vijandelijk gebied.

Aangezien het eigenlijk voor zo'n voorname operatie niet denkbaar is dat de commandant Gruppe Grave niet (planmatig) in verbinding stond met 254.ID of 26.AK, zal hem mogelijk ook spoedig duidelijk zijn geworden dat de brug bij Ravenstein was opgeblazen. Dat gold om 0500 uur nog niet voor de brug bij Grave, en rond die tijd was men wel erin geslaagd de Nederlandse tegenstand bij de brug te Hatert op te ruimen. Toen restte slechts het opruimen van de versperring voor de brug. Dat zal enige tijd hebben geduurd. Hierna begon men de Nederlandse weerstand aan weerszijde van de brug op te rollen, wat beslist aanzienlijke tijd gekost heeft (en gezien de missie als overbodige actie kan worden beschouwd). Tegen deze hypothese spreekt echter dat a) de Duitse verbindingen - zo blijkt uit vele verslagen elders - constant haperden en er dus mogelijk geen werkende verbinding was en b) in de middag een verbindingsofficier van 26.AK naar de majoor werd gestuurd. Hoewel dat niet automatisch betekent dat de verbindingen niet werkten, heeft het er wel wel de schijn van dat er of geen rechtstreekse verbinding was of dat deze niet werkte.

Kortbare tijd werd dus (inderdaad) verspild. Die tijd was cruciaal geweest om de brug bij Grave te bereiken, die uiteindelijk rond 0645 de lucht inging. Als de hypothese van de verdachte (draag)kracht van de brug bij Hatert niet opgaat, zou het omzichtig handelen bij Hatert inderdaad Major Einstmann verwijtbaar kunnen worden gesteld, hoewel de vraag overeind blijft of hij de vernieling van de brug bij Grave toen nog had kunnen voorkomen.

Hoewel de Duitse evaluatie vooral de Gruppe Grave aanpakt omwille van haar weinig doortastende optreden, lijkt een kritische beschouwing van de (ontbrekende) effectiviteit van de Duitse (lucht)verkenning echter minstens zo op zijn plaats. De afstand tussen Heumen en Grave was slechts acht kilometer. Vanuit de lucht, zeker op die heldere ochtend van 10 mei, een afstand van niets. De gehele ochtend en middag was er een intensieve Luftwaffe activiteit in de sector. Die was niet alleen in de omgeving van Heumen aan de orde, maar ook enkele kilometers zuidelijker bij Mook en Mill. Daarbij werden nadrukkelijk luchtverkenners ingezet van de Heer, alsmede talloze aanvalsvliegtuigen. Het is vrijwel ondenkbaar dat geen van deze eenheden ook maar enig beeld heeft gekregen van de status van de brug bij Grave, hoewel men zich kan afvragen hoe bewust de vliegers zich van deze belangrijke informatie waren. Toch geeft de SS actie richting Grave in de avond van 10 mei het beeld dat aan Duitse zijde men inderdaad niets wist van de vernielde brug – of – zoals regelmatig geconstateerd bij andere theaters – dat men onderling [buiten de eigen eenheid om] verzamelde informatie ronduit slecht met nevenonderdelen uitwisselde. In elk geval lijkt het een veilige conclusie dat de staf van 254.ID en/of 26.AK tot de avond van 10 mei ongewis was over de status van de brug bij Grave.

Zijdelings zij opgemerkt dat die overweldigende aanwezigheid van de Luftwaffe in het gebied ook geen garantie gaf dat de massale verplaatsing van het gros van het III.LK en Lichte Divisie werd opgemerkt. Dat bleek namelijk ook al nadrukkelijk niet het geval.

Als men nu terugkeert naar Major Einstmann en weet dat de man in de vroege middag slapend op zijn provisorische kwartier werd aangetroffen, dan kan men toch weinig anders denken dan dat deze officier om een of andere reden al overtuigd was geraakt van het falen van het plan om de bruggen bij Ravenstein of Grave intact in handen te krijgen? Als immers de missie van een taakgerichte eenheid is om een zeker doel elders te bereiken, en men is de eerste hindernis voorbij, dan is er toch geen enkele logische verklaring te bedenken waarom de commandant van die eenheid rustig een slaapje gaat doen? Daarvoor moet haast wel een goede of althans beter verklaarbare reden zijn dan louter lankmoedigheid.

Als er aan Duitse zijde geen sprake was van het kennis dragen van de vernielde brug bij Grave, en men inderdaad – zoals het SS rapport van Obersturmbannführer Willy Brandt stelde – in de vroege avond een actie richting Grave op touw zette, dan mag men de blaam van de mislukte doorstoot beslist niet alleen bij de weinig doortastende Major Einstmann neerleggen, maar zou men ook de kritiek moeten richten op de dan buitengewoon slechte ‘battlefield awareness’ van 254.ID en/of 26.AK. En die grief is niet uniek. Tijdens de beschouwing van de strijd in Noord-Brabant en aan het zuidfront zal veel vaker blijken dat de zo vaak als alwetende en almachtige geportretteerde Duitse tegenstander helemaal niet zo effectief en professioneel optrad als menige beschouwing elders de lezer wil doen geloven. In elk geval zal blijken dat de Duitse 'cross-unit intelligence exchange' bij XXVI.AK buitengewoon zwak was. Dat zal lang niet alleen aan het competitieve element van de 'Auftragstaktik' hebben gelegen, maar eveneens aan een nog 'aufwachsende' commandostructuur.

Epiloog: Oorlogsmisdaden

Een ander aspect van de strijd aan het Maas-Waalkanaal verdient eveneens een korte nabeschouwing. De genoteerde oorlogsmisdaden.

Uiteraard waren de Duitse commando acties langs het Maas-Waalkanaal een grove en opzettelijke overtreding van het geldende LOR [Landoorlogsrecht]. Bovendien was men ook nog ruimschoots vóór het aanvalstijdstip - die casus belli gemakshalve als 'oorlogsverklaring' beschouwende - op Nederlands grondgebied doorgedrongen met enkele commandogroepen. Deze zaken zijn echter bekende en erkende overtredingen van het oorlogsrecht. Nadere bespreking dient dan ook geen doel.

Langs het Maas-Waalkanaal werd een aanzienlijk deel van de SS-AA ingezet. Opvallend is dat de aanwezigheid van SS-troepen direct weer aanleiding blijkt te zijn voor het grof overtreden van het oorlogsrecht. Het betrof daarbij niet een enkelvoudig geval, maar er zijn minstens drie gevallen van misbruik van gevangenen genoteerd. Het betrof het gebruik van krijgsgevangenen [zelfs tweemaal een officier] als levende dekking, een techniek die ook bij de Grebbeberg door de Waffen SS massaal zou worden gebruikt.

Historicus en auteur Herman Amersfoort komt in zijn tendentieus geschreven werkstuk over de toepassing van het oorlogsrecht tijdens de meidagen [82] soms tot heel curieuze conclusies. Eén ervan was dat de Waffen SS zich, buiten de slag om de Grebbeberg, in feite nergens opvallend heeft schuldig gemaakt aan schending van het oorlogsrecht. Ten aanzien van het Maas-Waalkanaal kwam Amersfoort tot welgeteld één melding, de minst ernstige, van de luitenant Geutjes die (nadat de wapens ter plaatse al gestrekt waren) op een pantserwagen was gezet. Het veel heftiger geval van de luitenant Vd Meer discrimineerde Amersfoort. Gezien het feit dat dit geval algemene bekendheid geniet, moet sprake zijn geweest van bewuste selectie door Amersfoort. Objectiviteit zou aanleiding moeten hebben gegeven tot benoeming van alle drie de voorvallen, op een zeer beperkt stukje front door wederom louter de Waffen SS begaan.

Hoewel men met de informatie voorhanden niet kan stellen dat er sprake was van massale overtreding van het oorlogsrecht door dit specifieke onderdeel van het Duitse leger - en er ook geen aanleiding is deze gebeurtenissen groter te maken dan ze waren - doet de repetitieve aard van dit soort overtredingen door specifiek de Waffen SS echter wel denken aan een zekere vorm van methodische toepassing.

[De bronnen vindt u hier]