Keizersveer - Maasfront

Inleiding

De sector Geertruidenberg – Keizersveer – Biesbosch is voor deze studie van belang en wordt als zodanig telkens op hoofdlijnen besproken. Die importantie zal in de loop van de strijddagen duidelijker worden, maar op één punt wordt reeds op 11 mei helder dat deze sector zijdelings in beeld komt bij de bespreking van gebeurtenissen rond het zuidfront.

Kaart Biesbosch

Op de eerste dag was er niet veel te melden geweest. De Duitsers lieten zich – met uitzondering van onvermijdelijke vliegtuigbewegingen – niet zien. Relevante gebeurtenissen waren dat de in de Biesbosch als bewaking en vernielingsploeg aanwezige 3e Compagnie Torpedisten deels naar Dordrecht was gestuurd en daar al op de eerste oorlogsdag bij de strijd betrokken raakte. Voorts de aanwezigheid van twee secties van 3.GB die de elektriciteitscentrale bij Geertruidenberg moesten bewaken. Voor het overige was het afwachten geblazen in deze tussensector.

Commotie om gelande parachutisten

In de vroege ochtend van 11 mei, omstreeks 0800 uur, wordt bekend dat er Duitsers zijn geland in het zuiden van de Biesbosch. Een compagnie van III-13.RI kreeg opdracht op onderzoek uit te gaan [152].

[6, 152] III-13.RI [C. Majoor J.F.A. Crefcoeur] lag op de eerste oorlogsdag in St. Michielsgestel, als onderdeel van de 5e Divisie van III.LK. Het eerste bataljon zal in de Peel-Raamstelling blijven terwijl de rest van het regiment zich naar het noorden begeeft. III-13.RI kwam even na middernacht terecht in vak Sleewijk, waar het een defensieve positie rond Werkendam kreeg toegewezen, met zwaartepunt richting Merwede (tegenover sector Sliedrecht).

[152] Het voor de bespreking relevante deel van III-13.RI was de 3e Compagnie. Deze werd gecommandeerd door de reserve kapitein P. Eygenraam, en had op de 1e sectie na louter cadet-vaandrigs (2e en 3e jaars KMA cadetten) als sectiecommandanten. Sectiecommandanten waren respectievelijk de reserve 1e luitenant Pfauth, en de cadet-vaandrigs van Meegeren, Tack en Haag. 

[6] C-Vak Sleeuwijk [res. overste W.A.C. van Dam] kreeg opdracht om de gehele Biesbosch met patrouilles te doorzoeken. Hij selecteerde voor die opdracht zowel eigen troepen [van II-23.RI] als 3-III-13.RI. Ook werd een sectie met fietsen uitgeruste infanteristen van I-23.RI toegezonden. Een patrouille van 2-24.AA [de Afdeling 15-lang-staal] onder de 1e luitenant J.A. Gildemeyer kreeg opdracht met een motorvletje de Biesbosch af te zoeken naar de parachutisten [148]. Daarnaast werden uit andere onderdelen secties gevormd die diverse delen van de Biesbosch moesten doorzoeken. Ze zijn verder niet relevant voor de bespreking.

[152] Rond 0800 uur in de ochtend kreeg 3-III-13.RI (min de 1e en 4e sectie) opdracht met zijn resterende compagniessterkte (compagniestaf, twee secties) het zuidwesten van de Biesbosch te doorzoeken op gemelde Duitse troepen. CC kapitein Eygenraam beschikte zodoende over een sterkte van circa 80 man. De 2e sectie werd reeds vooruit gestuurd, waarna de CC met de 3e sectie eveneens de zuidwest zijde van de Biesbosch systematisch gaat afzoeken. Het zou een avontuurlijke tocht worden.

[152] De eerste afstand werd afgelegd richting het Fort Steurgat, dat even ten westen van Werkendam lag ter beveiliging van het Steurgat en door enige militairen met een zware mitrailleur reeds bezet was. Een aanvoer van enkele kisten handgranaten werd verdeeld onder de manschappen. Vervolgens ging men langs de Bandijk (parallel aan de Merwede) zuidwestwaarts. Telkens werd een groep op fietsen naar het zuiden gestuurd om de smalle zijpaden en zijwegen af te zoeken naar Duitsers. Ze kwamen telkens zonder enig positief resultaat terug.

[152] Rond 1400 uur meldde de 2e sectie onder vaandrig van Meeteren eindelijk resultaat. Deze was de gehele (huidige) Galeiweg zuidwaarts afgereden (tot aan het Gat van de Noorderklip) met een patrouille en had geconstateerd dat bij de boerderij Willem II Duitsers waren geweest. Hij had ze echter niet fysiek kunnen traceren en had besloten terug te keren om te melden dat een spoor was gevonden.

De toenmalige Biesbosch was veel minder gecultiveerd en ingepolderd dan de huidige. Het werd alom doorkruist door waterpartijen. Bebouwing – op enkele boerderijen na – was er niet en wegen en paden waren schaars. De sector waar de Duitsers waren gesignaleerd, bevond zich in het droge hart van de toenmalige Biesbosch, waar een vorkvormige weg (Galeiweg) was aangelegd. Tegenwoordig ligt de hoeve Willem II op de kruising Galeiweg – Reugweg. Nog steeds vlakbij het water.

[152] Na de rapportage van vaandrig van Meeteren toonde kapitein Eygenraam enige irritatie over het feit dat de vaandrig de Duitsers niet had getraceerd. Maar de vraag is of de kleine sectie het tegenover een vijftiental Duitse parachutisten goed zou hebben gedaan. In elk geval werd een plan uitgewerkt om de vier boerderijen op het centrale eiland [in het oosten de hoeve Willem III, in het zuiden Willem II, het westen (Koningin) Wilhelminahoeve en het noorden Sophia Hoeve] systematisch af te zoeken. Hoewel vaandrig Tack de wijsheid bij de ontwikkeling van een plan van aanpak door de CC in zijn verslag bezingt (en dit – niet alleen in dit geval – op storend liederlijke wijze doet), was van wijsheid in feite weinig sprake. In plaats van het eiland af te sluiten door bij Sophiahoeve een bezetting te plaatsen en aan de oostzijde onder Hoeve Willem III en vervolgens de hoeven af te zoeken, besloot de kapitein met vrijwel zijn gehele verband hoeve voor hoeve te bezoeken.

[152] Met een vrachtwagen werd vaandrig G. Tack met zijn sectie vooruit gereden naar Hoeve Willem II. Enige honderden meters voor de boerderij werd uitgestegen en te voet verder gegaan. De vrachtwagen ging terug om de anderen te halen. De vaandrig trad verstandig op. Hij isoleerde de omgeving van de boerderij door zijn sectie groepsgewijs om het bouwwerk te verdelen, zodat naar drie windrichtingen een afgrendeling werd bereikt. Een vrouwelijke bewoonster meldde echter dat de Duitsers zich voordien westwaarts uit de voeten hadden gemaakt. Een patrouille werd door de vaandrig nog naar de kleine boerderij Malta (vlakbij de huidige Noorderklipweg) gestuurd, maar daar had men geen Duitser gezien.

[152] Met een sterkte van een kleine veertig man [een groep van de 2e sectie was bij de Banddijk achtergebleven, een andere groep – vermoedelijk – ten noorden van de Sophiahoeve] werd vervolgens langs de dijk te voet opgetrokken naar het noordwesten, richting de Hoeve Wilhelmina.

Een confrontatie

[152] In een formatie met drie achter elkaar optrekkende groepen met een onderlinge tussenruimte van circa 30 meter, werd langs de dijk noordwaarts richting de Wilhelminahoeve opgetrokken. Omzichtig, omdat men zich bewust was in het open landschap eenvoudig in een hinderlaag te kunnen lopen. Op korte afstand van de Hoeve verbrak plotseling een mitrailleursalvo de spannende stilte. De Nederlanders duiken allen achter de dijk of in de grient, die westelijk van de dijk tot achter de Hoeve doorloopt [aan het Gat van Lijnoorden].

[152] Kapitein Eygenraam en vaandrig Tack overlegden hoe dit geval aan te pakken. De vaandrig gaf aan via de grienden een omtrekkende beweging met een groep te zullen ondernemen. Dat plan werd goedgekeurd en zodoende sprong de vaandrig energiek over de dijk en nam een sergeant met enige manschappen en een lichte mitrailleur mee. Kruipend richting boerderij werd op een zeker moment duidelijk Duits gepraat gehoord, maar Duitsers nam men niet waar. Nadat via het westen de dijk weer bereikt was en men aan de achterzijde van de boerderij was gekomen, bleek dat er geen Duitser op de Hoeve te vinden was. Inmiddels was ook de hoofdgroep vanuit het zuiden weer bijgesloten en spiedde men het terrein in. Het was de kapitein zelf die een Duitser waarnam, waarop een schot werd gelost.

[152] Behoedzaam gingen de Nederlanders voorwaarts richting noorden, waarbij men ook de velden introk. In het riet aan de linkerzijde en het koolzaad aan de rechterzijde kon overal de tegenstander zitten. Vanuit het westen bleek intussen ook de fietspatrouille van II-23.RI te zijn gearriveerd. Zij hadden de Duitsers in het koolzaadveld zien zitten. Gezamenlijk formeerden de beide verbanden toen een linie om het veld door te kammen. Plotseling werd er gevuurd. Mannen begonnen in het koolzaad te schieten en toen opeens verschenen er gedaantes uit het gewas. Met de handen omhoog rezen een voor een veertien Duitse militairen op. Een gesneuvelde Duitser, met een schot door het hoofd, werd gevonden en een zestiende Duitser lag kreunend met een beenwond op de grond. Nadat uit Duitse verklaringen duidelijk werd dat zij de enige waren – en dit voor de Nederlandse militairen overtuigend genoeg bleek – werd de curieuze oogst van het koolzaadveld opgenomen. Vijftien krijgsgevangenen, één dode Duitser. Naar verluid zou ook nog één der Duitsers zijn verdronken. Dat kan door auteur niet worden bevestigd met bewijs.

[152] De Duitsers bleken in hoofdzaak parachutisten te zijn. Ze hadden in de ochtend van 11 mei met hun vliegtuig een noodlanding gemaakt en zich vervolgens schuil gehouden tot de Nederlanders kwamen opdagen. Die conclusie - dat het om parachutisten ging - kan echter slechts op één bron steunen, en dat is het gesneuveldenregister dat de Duitse dode als Jäger Christan Bösinger van 3./FJR1 aanwijst [32]. Deze werd – conform de Nederlandse verslagen [152] – in Werkendam geregistreerd aan de hand van zijn registratieplaatje. Het is aannemelijk dat de overige militairen dus ook grotendeels parachutisten waren, vergezeld van enige (geindentificeerde) Luftwaffe mannen, die het vliegtuig hadden bestuurd.

De herkomst der gevangenen

Opvallend is dat de betreffende Ju-52 door onderzoeker E.H. Brongers [33], gemeld wordt als zijnde neergestort in de polder ‘de Dood’. De bron daarvoor meldt Brongers als de 24e Afd Luchtdoelartillerie. Die stond echter elders. Vermoedelijk bedoelde Brongers 24.AA. De reserve 1e luitenant Gildemeijer, commandant van 2-24.AA, meldde in zijn persoonlijke verslag [148] dat het Duitse vliegtuig in de Oude Biesbosch leek neer te storten en parachutisten zich losmaakten van het vliegtuig.  De polder ‘de Dood’ grensde noordelijk aan de brede waterpartij [Noorderklip]. Als de Duitsers aan boord waren gebleven - wat voor de Luftwaffe mensen bepaald niet uit te sluiten viel -  dan zou het betekenen dat de Duitsers de Noorderklip hadden moeten zijn overgestoken om in het noordelijke deel van de Biesbosch te komen. Dat lijkt onaannemelijk. Het heeft er dus de schijn van dat zowel de parachutisten als de bemanning zich met de parachutes uit het vliegtuig vrij hebben kunnen maken voordat het neerstortte. Dan is het tevens goed mogelijk dat de Ju-52 in de bewuste polder neerstortte terwijl de bemanning en parachutisten zich aan de noordzijde van de Biesbosch bevonden.

[33] De identiteit van drie Luftwaffe bemanningsleden, die gevangen werden genomen, is bekend. Het waren Unteroffizier T. Kierzybiski, Obergefreiter R. Markert en Flieger M. Karhard. Daarbij lijkt één piloot te ontbreken. Want men was minimaal onderofficier als piloot en de Ju-52 had er twee aan boord. Er lijkt echter slechts één piloot gevangen te zijn genomen. Het is dus mogelijk dat de (tweede) vlieger inderdaad is verdronken, zoals in de literatuur wel wordt gesuggereerd, of dat deze bij de vliegtuigcrash is omgekomen. Het toestel is volgens Duits onderzoeker Dr. H. Weiss de 1Z+K? geweest, van 2./KGzbV1.

[148] In het verslag van luitenant Gildemeijer werd ook beschreven dat de Duitse Ju-52 vanuit het noordoosten kwam aanvliegen kort na het ochtendgloren, en door Nederlandse mitrailleurs werd beschoten, waarop opeens een rookspoor zou zijn ontstaan. Kort daarop zag hij parachutisten uit het toestel springen. Dat er parachutisten aan boord waren wordt nader bevestigd door de registratie van de Jäger Bösinger [3./FJR1] als de gedode Duitser in het koolzaadveld. Vrijwel zeker is er dus sprake van een toestel dat manschappen vervoerde van de Kompanie Moll – zoals reeds werd beschreven bij de bespreking van het Vak Wieldrecht op 11 mei.

Er was één parachutist omgekomen. Aangezien bronnen [148, 152] spreken van de gevangenneming van vijftien man, waaronder een gewonde, de dood van één man en van drie man der gevangenen [33] die de bemanning van de Ju-52 zouden zijn geweest, waren er dus vermoedelijk tenminste dertien parachutisten aan boord. Andere bronnen spreken echter over zeventien man, inclusief dode. Zij gaan echter uit van het verdrinken van die zeventiende man, waarvoor bewijs ontbreekt, maar waarbij wel als ondersteunende aanwijzing naar boven komt dat een tweede piloot lijkt te ontbreken bij de gevangenen.

[152] De gevangenen werden als trofeeën binnengehaald. Een tamelijk onwerkelijk gesol ontstond vervolgens rondom de afvoer van de gevangenen. Hoewel het verband onder de commandant van 3-III-13.RI samen met enige manschappen van II-23.RI de Duitsers werkelijk gevangen had genomen, werden zij spoedig geclaimd door een peloton huzaren van 3-2.RH, onder de kornet F.W.B. baron van Lynden. Die eenheid had meegeholpen met de zoektocht, maar was bij de werkelijke aanhouding van de Duitsers niet betrokken geweest. Uiteindelijk werd door de sectie van vaandrig Tack per vrachtwagen de afvoer geregeld van de Duitse gevangenen. In de avond werden die te Gorinchem overgegeven. Ze zouden tenslotte via grote omwegen in Ymuiden eindigen en behoorden vrijwel zeker in het geheel tot de groep van ‘gelukkigen’ die de oorlog in Canada mochten uitzitten.    

Voor het overige gebeurde er in de sector niets wat voor de bespreking van het zuidfront op de 11e mei werkelijk van belang was.

[De bronnen vindt u hier]