Vak Wieldrecht - 1e fase

Inleiding

In deze sectie worden alle gebeurtenissen op het Eiland van Dordrecht ten zuiden van de stad beschouwd tijdens de tweede oorlogsdag. Dordrecht zelf wordt elders beschouwd.

Op de eerste dag was een voornaam deel der oorspronkelijk op het Eiland gestationeerde eenheden door de parachutisten uitgeschakeld. Een aantal Nederlanders was gedood, maar een veel groter deel was gevangen genomen. De posities bij Willemsdorp, Gravesteijn en Amstelwijk waren volledig in Duitse handen en alle daar vertoevende Nederlandse eenheden waren in Duitse handen gevallen. Nederlandse eenheden zaten nog in het zuidoosten van het Eiland en in het hart. De Zeedijk en de Zuidendijk waren nog goeddeels in Nederlandse handen. Veel meer dan twee compagnieën troepen met lichte ondersteuning door een sectie mortieren en enkele zware mitrailleurs betrof het echter niet.

De Duitsers waren met twee bataljons parachutisten plus een regimentstaf en enkele kleinere regimentseenheden geland tussen Zwijndrecht en Moerdijk. Zij wisten zich meester te maken van de gehele westelijke zijde van het Eiland en zodoende de as Moerdijk – Dordrecht te beheersen. Die gaven de Duitse troepen echter zelf op in de middag en avond van de eerste oorlogsdag, om zich daarna volledig te concentreren op de bruggenhoofden bij Moerdijk en Dordrecht alsmede de regimentscommandopost bij Tweede Tol. In de avond kregen zij uit het noordwesten verdere versterking van luchtlandingstroepen.

De actie van het bataljon Ravelli [II-28.RI], zo dramatisch begonnen op de eerste dag met een ‘verovering’ van Amstelwijk op een fantoom vijand, wordt in deze sectie behandeld. In deze sectie over Wieldrecht echter evenzo aandacht voor de strijd met de ingevlogen Duitse parachutisten reserves in het hart van het Eiland.

De status quo rond 0400 uur

Aan Nederlandse kant was er op het Eiland van Dordrecht in de vroege ochtend van 11 mei een ratjetoe aan eenheden. Er waren de restanten van de beide artillerie eenheden die op de 10e hun stukken waren kwijtgeraakt, maar waarvan de manschappen deels hadden weten te ontkomen. Dat waren dus de restanten van III-14.RA en (enige manschappen van) I-17.RA. Deze formatie bevond zich rond Zuidwijk en maakte nog altijd front zuid, waar het Duitse landingsterrein was.

Van I-28.RI was onder Dubbeldam de 3e Compagnie (min een sectie) aanwezig, geheel onaangetast. De beide secties waren verdeeld over een lijn tussen Kop van 't Land en enkele wachten aan de Nieuwe Merwede. Daarbij was tevens aanwezig een sectie van de MC alsmede een sectie mortieren van het regiment. De 2e Compagnie (plus een sectie van 3-I) van dezelfde eenheid lag samen met een sectie MC rond de Noorderelsdijk en zelfs de Oostdijk, in het uiterste zuiden van het Eiland.

Eiland van Dordt centraal

II-28.RI was vanuit Amstelwijk gedurende de avond en nacht richting Dordrecht gegaan. Deze eenheid zou in aanraking met de Duitsers van III./FJR1 komen, waarover meer als Dordrecht besproken wordt. Voorts was gedurende de nacht III-2.RW met zware mitrailleurs, PAG en mortieren over de Merwede gezet. Dit bataljon wielrijders van de Lichte Divisie zou spoedig met twee compagnieën [1-III en 3-III] ten zuiden van Dordrecht verschijnen in de vroege ochtend van 11 mei.

Aan Duitse kant was er ook een en ander veranderd. Op 10 mei in de vroege ochtend waren op het Eiland geland: de 5e en 6e Kompanie bij Willemsdorp; de 2e en de 4e Kompanie bij Tweede Tol, samen met bataljonsstaf I./FJR1 en de regimentsstaf. Daarnaast een Halbkompanie Sanitäter [geneeskundige troepen], die vooralsnog vrijwel geheel als gewone Jäger dienst deden. Van deze eenheden was de hoofdmacht van de 5e en 6e Kompanie in het zuidwesten van het Eiland gebleven in Willemsdorp. De regimentsstaf met kleine delen (vermoedelijk tweemaal een Gruppe en twee lichte mortieren) van de 5e en 6e Kompanie alsmede een deel van de gelande Sani's verbleef in Tweede Tol, in het voorheen Nederlandse artilleriekamp van 17.RA. Het gros der troepen was gelegerd langs de Kil, een klein deel richting oosten. De Sanitäter kregen deels beveiligingstaken, deels hadden zij taken bij het inrichten van een groot noodhospitaal in de hoeve aan de Zeedijk [hoeve Berkenhof] vlakbij Tweede Tol.

De drie compagnieën van I./FJR1 waren tussen Tweede Tol en Zwijndrecht geland. Daarvan was op een peloton na 3./FJR1 op de eerste oorlogsdag uitgeschakeld. Bovendien hadden de beide andere compagnieën forse verliezen geleden en was een geheel peloton van 4./FJR1 abusievelijk bij Ypenburg geland. De in de avond van 10 mei resterende sterkte van I./FJR1, dat dus in hoofdzaak uit 2./FJR1 en 4./FJR1 (min een Zug) bestond, was geconcentreerd in het bruggenhoofd bij de Dordtse bruggen over de Oude Maas. Zij kregen daar in de ochtend de hoofdmacht van III./FJR1 bij, dat ter beschikking was gesteld van het eigen regiment. [431] Eerder hadden ze al de vier stukken Skoda 7,5 cm berghouwitsers gekregen van Oberleutnant Schram (1) en zijn Fallschirmjäger Artillerie Abteilung 7. Hiervan waren twee stukken naar Willemsdorp gestuurd en twee bleven in het bruggenhoofd bij de Maasbruggen (Zwijndrechtse kant).

(1) Oberleutnant Bruno Schram zelf was in de avond van 10 mei uitgeschakeld. Hij raakte gewond bij een motorongeluk bij Willemsdorp. Zijn motorrijder Feldwebel Kurt Schulze werd daarbij op slag gedood. Ze waren in het donker op een versperring van vrachtwagens gereden, die de Nederlanders voor de inval hadden opgeworpen tegen luchtlandingen. Schram zou tijdens de meidagen niet zelf meer in actie komen [1003; brief van Schram aan wijlen J. vd Vorm].

[411] In de avond van 10 mei was 7./IR.16 naar Dordrecht gestuurd alsmede een deel van 1./Pi22 en ter beschikking van C-I./FJR1 gesteld. 7./IR.16 bleef aan de westzijde van de bruggen. Daarnaast waren een aantal – waarschijnlijk twee pelotons – PAK’s 3,7 cm ontvangen. Van de pioniers en de PAK was een deel naar Tweede Tol doorgestuurd.

De Duitse troepen hadden zich dus geconcentreerd in twee bruggenhoofden – Moerdijk en Dordrecht – met Tweede Tol als regimentshoofdkwartier beveiligd door regimentstroepen, een deel van de bataljonsstaf van I./FJR1, de helft van Sanitätskompanie 7 en ondersteuning vanuit enkele fracties der Jägerkompanies. Daarmee had de omgeving Tweede Tol (inclusief aanwezige Jäger) circa tweehonderdvijftig man bezetting waarmee bovendien de gehele Kil oever daar ten westen van tot aan Willemsdorp door de Duitsers werd bezet. Daarbij hadden de Duitsers het gros van hun zware wapens ingedeeld. Zij vreesden zeer voor een Nederlandse landing op de oostoever.

Het enige deel dat de Duitsers niet bezet hielden aan de westzijde van het Eiland was de sector Gravesteijn – Amstelwijk. Dat hadden zij in de ochtend van 10 mei weer verlaten, na de Nederlanders daar te hebben verslagen. Oberst Bräuer realiseerde zich dat hij met de geringe strijdmacht onder zijn hoede, onmogelijk twee bruggenhoofden, een hoofdkwartier en een gehele corridor goed zou kunnen verdedigen. Daarvoor was de tegenstand rond Dordrecht te groot gebleken. En de Duitsers geloofden in concentratie van eenheden. De sector Gravesteijn - Amstelwijk zouden de parachutisten wel weer veroveren als de tijd daar was, mocht het terug in Nederlandse handen vallen, zo redeneerde Bräuer.

In Dordrecht – zie de bespreking daarover – was dus nog steeds het garnizoen intact. Een aantal manschappen van het oorspronkelijke garnizoen waren uiteraard uitgeschakeld, maar daarnaast waren er de zwaar bewapende torpedisten uit de Biesbosch bijgekomen. De geheel Dordtse sterkte bestond nog steeds uit ca. 1,500 man. Zij waren intussen nader versterkt met een bataljon wielrijders van de Lichte Divisie dat met zware wapens werd ondersteund. Buiten de stad lag een bataljon van II-28.RI onder de majoor Ravelli, twee compagnieën van I-28.RI met enige zware wapens alsmede een verband van enige honderden artilleristen zonder zware wapens. Bij elkaar in die fase van de strijd ongeveer een 3,500 man Nederlandse troepen in Dordrecht en op het Eiland van Dordrecht.  

Aan Duitse zijde waren dat er beduidend minder. 2./FJR1 en 4./FJR1 (min een Zug) bestonden bij elkaar nog uit circa 200 man, plus een 40-45 man bataljonsstaf alsmede een 45 man resterend van 3./FJR1. Daarmee was I./FJR1 nog maar circa 300 man sterk. II/FJR1 had slechts 5./ en 6./FJR1 aan de noordzijde van de Moerdijkbruggen (waarvan 6./FJR1 bovendien gedurende de nacht naar het zuidelijke bruggenhoofd werd overgebracht). Daarmee had II./FJR1 ongeveer een 250 man ten noorden van het Hollands Diep, waarvan echter 6./FJR1 gedurende de nacht naar het zuiden werd verplaatst (waar toen 6./, 7./, 8./ en de bataljonstaf II./FJR1 zaten). De regimentstaf en de halbkompanie Sani’s in Tweede Tol was ongeveer een 150 man sterk bij elkaar. Tenslotte de vier stukken van 'Zirkus Schram', dat uit ongeveer een 40 man bestond. Aan parachutisten hadden de Duitsers dus op het Eiland circa 750 man.

[411] Die parachutisten werden aangevuld met 7./IR16 – bestaande uit twee pelotons plus Kp Trupp en dus in totaal circa 100 man (2)  – en tenminste twee pelotons van 1./Pi.22, zijnde een man of 80. Onbekend is hoeveel stukken PAK er exact in de vroege ochtend van 11 mei reeds op het Eiland van Dordrecht waren. Het is aan te nemen dat met deze eenheden ruim een 200 man luchtlandingstroepen op het Eiland aanwezig waren. [458] Hiervan zou één peloton van 1./Pi22 al kort na middernacht bij Moerdijk de bruggen naar het zuiden overtrekken en in het zuidelijke bruggenhoofd blijven.

(2) Van IR.16 bestonden de luchtlandingcompagnieën 2./, 6./, 7./ en 11./ mogelijk uit slechts twee (grote) pelotons met een compagniesstaf, in plaats van drie pelotons met een staf. Onduidelijk is in het geval van de eerste drie of dit met het oog op de beperkingen van luchtvervoer gebeurde, of dat het gevolg was van onvolledige landing of planmatigheid. Voor de 11e Kompanie is het zeker planmatig het geval geweest, omdat die met slechts twee versterkte pelotons in de omgebouwde watervliegtuigen aankwamen.

De gehele Duitse strijdmacht op het Eiland van Dordrecht was op 11 mei in de vroege ochtend – voor de aankomst van III./FJR1 op het Eiland – dus een fractie minder dan 1,000 man. Zij stonden tegenover bijna een viervoud Nederlanders, te meer daar zij ook aan de westoever van de Kil door infanterie werden bedreigd en beschoten alsmede artillerievuur ondervonden vanuit de Hoekse Waard.

Fallschirmjäger Ergänzungsbatallion

Duitse eenheden hadden een eigen depot eenheid, dat in de vorm van Ersatz- en/of Ergänzung eenheden in de organisatie van een eenheid of Wehrkreis bestond.

Over de samenstelling en sterkte van het Fallschirmjäger Ergänzungsbatallion is de literatuur weinig consistent. Er lijken dan ook betrouwbare bronnen te ontbreken, en dus moet er worden afgeleid van informatie die wel voorhanden is. En dan wordt er gegist. Giswerk kan leiden tot een eigen waarheid, zoals bij sommige publicisten, die van de parachutistenreserve een volledig bataljon maken. Dat bataljon was er niet, bij lange na niet. Hieronder zal worden getracht dat duidelijk te maken.

De parachutisteneenheden die anno september 1939 bestonden, leden zwaar door de aanval op Polen. Niet omdat zij daar zulke zware verliezen leden (die waren namelijk gering), maar omdat door ontbrekende para inzet circa een honderdtal man overplaatsing naar de reguliere landmacht vroeg én kreeg. Zij waren teleurgesteld in de rol die de para’s hadden gekregen en ongeduldig genoeg om direct overplaatsing aan te vragen. Hun posities moesten weer worden gevuld. Hoe leeg de Fallschirmjäger Ersatz raakte, wordt heel duidelijk in een brief die op 11 januari 1940 aan het OkH (Chef Heeresrüstung) werd gestuurd vanuit de Oberbefehlshaber der Luftwaffe. In de brief werd aangegeven dat er een nieuwe opleiding (twee compagnieën sterk) moest worden gestart en dringend behoefte voor 112 instructeurs was. Hoe dringend er behoefte aan instructeurs zou blijven, maakte de antwoordbrief van 22 januari 1940 van het OkH kenbaar:

» Die aussenordentlich ungünstige Ausstattung des Ersatzheeres mit wertvollen Ausbildern hat neuerdings durch Abgaven für umfangreiche Neuaufstellungen einen Grad erreicht, der weitere Verminderungen ausschliesst. Dem Abtrage auf Versetzung von 112 Ausbildern für Fallschirmjäger Ergänzungsbatallion Wittstock kan daher leider nicht entsprochen werden

De twee nieuw op te richten Ersatz Kompanies zouden dus nauwelijks voorzien kunnen worden van instructeurs. Dat daarbij de concurrentie tussen land- en luchtmacht een rol zal hebben gespeeld, is niet relevant voor het gevolg. Dat was dat uit parate eenheden instructeurs werden gehaald.

Dat hervullen (en vervullen) van open posities gold evenzo voor de gevolgen van een volgende 'tegenvaller'. Toen de plannen voor de overval op het westen aanleiding vormden een invasieplan te ontwikkelen, kwam daarbij prominent een commandoraid op het fort Eben Emael in beeld. In tegenstelling tot de aanval die Nederland later zou ondergaan, was de Eben Emael operatie een werkelijk tactische parachutisteninzet, die men met gerust hart een commando actie ‘avant la lettre’ mag noemen. Zeker voor de overval op het fort zelf, met slechts een paar dozijn gespecialiseerde manschappen, ging dit op. De Eben Emael operatie werd opgedragen aan een taakgerichte eenheid (Gruppe Hauptmann Koch), die daarvoor gebruik zou maken van veel parachutisten van het eerste uur (uit het 1e bataljon, 1e regiment Fallschirmjäger). Met name pioniers werden uit de bestaande organisatie gehaald en in de Gruppe Koch geconcentreerd. Logisch, want de inname van vier bruggen en het fort vereiste de prominente aanwezigheid van veel geniekennis en kunde. De formatie van de eenheid rond Hauptmann Koch vroeg veel van de toen bestaande organisatie.

De inzet in Noorwegen, vanaf 9 april 1940, bleek kostbaar. Het 1e bataljon, wederom met de beste eenheden, leed gevoelige verliezen. De 1e Compagnie werd zelfs goeddeels uitgeschakeld bij Dombas en zou daardoor voor de aanvang van de Westfeldzug niet beschikbaar zijn [zie daarvoor de Proloog]. Andere eenheden van I./FJR1 leden ook verliezen, zij het licht. Aanvullingen kwamen reeds in deze fase – voor de inval in Nederland – uit het de voorhanden reserve. Die reserve was in wezen echter de opleidingseenheid.

De ambitie was begin 1939 geweest dat voor een aanval op het westen drie volledige regimenten parachutisten inzetgereed zouden zijn, alsmede een volledig bestand aan divisietroepen. Een voltallige parachutistendivisie met negen bataljons met elk 550-600 man parachutisten en alle benodigde divisietroepen. De praktijk wees uit dat op 9 mei 1940 de helft van die sterkte bestond. Het 1e Regiment was voltallig (zij het dat 1./FJR1 opnieuw moest worden opgebouwd, wat in Oslo gebeurde), van het 2e Regiment bestonden de eerste twee bataljons, maar daarvan was II./FJR2 niet volledig geoefend alsmede nog niet geheel op sterkte. III./FJR2 was nog in oprichting. Bovendien had FJR2 nog geen regimentstroepen en geen regimentsstaf. FJR3 bestond nog slechts op papier, hoewel die laatste eenheid al organisatorisch bestond voor de inval in Polen.

Opvallend in dit licht is dat Oberst i.G. (a.D). H. Langmann III./FJR2 liet landen op 11 mei ten noordwesten van Dordrecht. Citaat uit zijn studie [“Die Lufltlandung des verstärkten IR.16 Südwestlich Rotterdam am 10 Mai 1940 und seine Kämpfe im Raum Rotterdam-Dordrecht bis zum 14. Mai 1940]:

 « Inzwischen ist nordwestlich Dordrecht ein neues Fallschirmjäger Batl III./Fjg R.2 abgesprungen. Es soll zusammen mit den bereits eingesetzten Kräften den Feind vom Ostrand der Brücken bestreiten und die ganze Stadt erobern. »

Langmann – voor sommige auteurs een voorname bron – blijkt in feite een zeer onbetrouwbare bron. Zijn studie vertoont veel onzuivere beweringen. Zijn aantekening dat III./FJR2 geparachuteerd werd noordwestelijk van Dordrecht is onbegrijpelijk. Noordwest van Dordrecht, ofwel boven Zwijndrecht, zou betekenen tussen Rijsoord en Alblasserdam. Daar werden wél voorraden gedropt in de ochtend van 11 mei, maar geen bataljon. Dat bataljon was in die fase een spookeenheid, want ze bestond niet, anders dan op papier. En als het bataljon wel zou zijn ingezet, zoals Langmann beweerde, is het natuurlijk zeer opmerkelijk dat de gevechtsrapporten van IR.16 en van Kurt Student zelf, toch de ‘chef-de-cuisine’ van de parachutisten, het afwerpen van het 3e Bataljon van FJR2 in het geheel niet noemen. Langmann was vermoedelijk in de war met III./FJR1, dat van Waalhaven af naar Dordrecht werd gestuurd met inderdaad de taak de Nederlanders in Dordrecht te bestrijden. Voor de goede orde: III./FJR2 bestond als operationele eenheid op 10 mei 1940 niet.  

Met de drie voorname missies onderhanden – Noorwegen, België en Nederland – was het zeer beperkte potentieel van de Luftwaffe parachutisten volledig opgebruikt. Zelfs zo opgebruikt dat in Noorwegen veel taken naar Gebirgstruppen gingen; taken die in wezen qua specificatie uitgelezen Fallschirmjäger missies waren. De spoeling was echter flinterdun geworden. Met zo’n wissel op de organisatie was het onmogelijk een volledig Ergänzungsbatallion te hebben. Anders gezegd, het zou onwezenlijk geweest zijn als de eenheden, vooral die van FJR2, alle eindjes aan elkaar moesten knopen, het 2e Bataljon van FJR2 nog niet volledig op sterkte was, en er dan wel een volledig Ergänzungs Batallion zou zijn geweest. 

Zoals gezegd is over de sterkte van dat depotbataljon geen bron voorhanden met duidelijke en betrouwbare cijfers, maar omstandig kan worden vastgesteld dat de beschikbare reserve slechts zwak bezet kon zijn. [609] Toen op 14 mei de inzet van parachutisten in Narvik verordonneerd werd, konden de zwaar aangeslagen Duitse eenheden vanuit de Ergänzung slechts 35 man krijgen. Dat was op 14 mei 1940. Voordien waren ook slechts enkele tientallen manschappen ter vervanging van gevallenen via Denemarken naar Noorwegen gegaan. Ze zouden vooral het gedecimeerde 1./FJR.1 aanvullen.

Vanuit WASt [=Deutsche Dienststelle für die Benachrichtung der nächsten Angehörigen von Gefallenen der ehemaligen deutschen Wehrmacht] aanvragen welke auteur dezes heeft verricht op gesneuvelde Ersatz mannen, blijkt dat tot medio maart 1940 drie Kompanies Fallschirm-Jäger-Ergänzung bestonden. De meeste Ersatz mannen die bij Dordrecht vielen, behoorden tot en met maart 1940 tot 3./Fjr.Erg.Btl.1. Nadien werden zij overgezet naar 1./Erg.Btl.1, wat impliceert dat het Ersatz und Ergänzungsbatallion (wederom) voorafgaande aan de inzet (in Noorwegen en Nederland) was leeggeraakt.

Er is alle reden om aan te nemen dat de parate reserve voor de Fallschirmjäger op 10 mei 1940 niet groter was dan ongeveer twee kleine Jägerkompanies. Vermoedelijk werden die twee eerlijk verdeeld over beide fronten. In ieder geval was Kurt Student voor de Nederlandse inval duidelijk dat de parate reserve voor zijn parachutisten uit niet meer bestond dan een kleine compagnie. Volgens zijn memoires [500] had Student de reservecompagnie zelfs eigenhandig samengesteld. Zijn ‘chroniker’ Hermann Götzel schreef het als volgt op:

«Vor Beginn des Unternehmens hatte General Student aus Soldaten des Fallschirmschule eine Fallschirmjägerkompanie besonders zusammenstellen lassen. Sie war als allerletzte Reserve für äußerste Notfälle gedacht und in Deutschland alarmbereit zurückgelassen worden. Am Morgen des 11.Mai wurde diese Kompanie ohne Wissen des Generals Student auf Befehl der Luftflotte 2 eingesetzt. Sie sprang im Nordosten der Insel Dordrecht bei Kop von [sic]’t Land. Dort wurde sie bald ausser Gefecht gesetzt. (…) An anderer Stelle auf günstigeren Absetzplätzen hätte der Einsatz der Kompanie mit Nutzen (…) durchgeführt werden können. Zu diesem Zeitpunkt war jedoch der Einsatz dieser wertvollen Spezialreserve noch nicht erforderlich

Spezialreserve’ – het duidt op een andersoortige eenheid dan de standaard voorhanden Ergänzungskompanie of batallion. Hoewel de memoires van Student niet al te veel nauwkeurigheid mogen worden toegedicht, is deze passage over de betreffende compagnie reservepersoneel erg specifiek. Er wordt geen moment naar Ergänzung of Ersatz verwezen, overigens in geen der authentiek Duitse stukken. Er wordt in officiële stukken slechts verwezen naar de ‘Kompanie (Oberleutnant) Moll’. In officieuze stukken komt ook de naam van Hauptmann Vogel voor, die commandant van de reservekompanie zou zijn, die in dat licht zelfs als 15./FJR1 is aangeduid. Ook aan Duitse kant dus verwarring alom. Uit de slachtofferlijst (en de daaruit door auteur dezes verrichte WASt aanvragen) blijkt echter dat het hier inderdaad Ersatz personeel betrof en de door Student aangehaalde eenheid dus inderdaad uit reguliere Ersatz mannen was samengesteld, waarbij de instructeurs als kader waren ingedeeld. Kaderpersoneel dat uit bronnen naar voren komt als aangesloten bij de Ersatz (en afgesprongen in Nederland) zijn de Oberleutnant Moll, de Leutnants Rottke, (Kurt) Wolf en (Martin) Kühne en de Oberfähnrich Eberlein.

De enige werkelijke indicatie voor de sterkte van deze eenheid, wordt gegeven door de Chronik der IV./KGzbV1 [C. Major Beckmann] [425] die de Kompanie Moll vervoerde. Deze Chronik meldt dat de compagnie met 12 Ju-52 [onder C-16./KGzbV1] werd vervoerd. De oorspronkelijke sterkte zal dus ergens tussen de 120 en 140 man hebben gelegen. Uit indicaties vanuit de WASt procedure lijkt voort te komen dat deze mannen vrijwel allen op 11 mei 1940 tot 1./Erg.Btl.1. behoorden.

Animositeit om een para reserve

Talloze meldingen van Duitse parachutistenlandingen vonden plaats en … die vonden in veel gevallen hun weg richting historische archieven. Het werd eerder gezegd, maar kan in feite niet genoeg herhaald worden: na de landing der Sani’s in de ochtend van 10 mei, vonden er geen nieuwe Duitse parachutistenlandingen plaats tot aan de morgen van 11 mei, toen de allerlaatste paralanding een feit was. Er is geen enkele aanwijzing, laat staan bewijs, uit betrouwbare Duitse bronnen die aanleiding geeft te denken dat er buiten die twee landingsmomenten om [de eerste landingen en die welke rond 1000 uur plaatsvonden] nog parachutisten geland zijn. De derde landing in de vroege ochtend van 10 mei zou de laatste worden (enige reserve wordt opgebouwd, die later duidelijk wordt gemaakt). Indachtig de woorden van Götzel over de Kompanie Moll - "Sie war als allerletzte Reserve für äußerste Notfälle gedacht" - kan men niet anders concluderen dan dat de landing van Oberleutnant Moll en zijn reserve ook logischerwijs een slotserenade op de parachutistenlandingen vormde.  

Die allerlaatste landing was nog een geval apart. Want ze leidde tot animositeit tussen Kurt Student en Kesselring, de chef van Luftflotte 2. Zoals hierboven al gemeld, was Student niet gelukkig met het feit dat zijn kostbare parachutisten zonder zijn toestemming waren ingezet. Student zijn ergernis was te begrijpen. Parachutisten zet men immers in als een tegenstander moet worden verrast of als een zekere locatie voor grondtroepen onbereikbaar is geworden. Zo’n inzet zou de Kompanie Moll echter niet zien.

Generalleutnant Kurt Student was de operationeel opperbevelhebber van de luchtlandingen zolang er nog geen aansluiting met de grondtroepen was gekomen. Het is in die zin erg vreemd dat Kesselring, als commandant van Luftflotte 2, actief in de keten stapte en eigengereid opdracht gaf aan de Kompanie Moll zich te doen verplaatsen naar Nederland. Nog opmerkelijker is dat de compagnie werd afgezet in betwist gebied, in plaats van bijvoorbeeld ingevlogen op het veel veiliger Waalhaven om vervolgens over de grond richting Dordrecht te worden verplaatst. Het geeft te denken over de zorgvuldigheid van afwegingen in Berlijn inzake dit geheel.

Is het mogelijk dat Student zelf om invliegen zou hebben gevraagd? Niets is uitgesloten, maar Student had die nacht zowel 7./IR16 als 1./Pi22 naar het Eiland gestuurd alsmede vrijwel geheel III./FJR1. Dat was al een aanzienlijke versterking. Het zou niet logisch zijn om de laatste reserve compagnie dan te doen afspringen in niet-beheerst gebied – men had immers de landingszones in het hart van het Eiland al in de ochtend van 10 mei al opgegeven. Oberst Bräuer zou wel om assistentie kunnen hebben gevraagd, maar de vraag is dan interessant hoe Bräuer de Luftflotte 2 zou hebben bereikt. Er zijn geen aanwijzingen dat hij een lange golf zender had. En had hij deze gehad, dan was de kans op succesvol contact met Duitsland uiterst gering gezien de technische problemen met de lange golf zenders. Er zijn ook geen aanwijzing dat Bräuer zijn regimentsverbindingsafdeling in klare taal of morse kon communiceren met Luftwaffe vliegtuigen. Sowieso een zaak die in mei en juni 1940 voor de Duitse verbindingsdienst een opgave van jewelst leek (3). Dus zou dan slechts resteren dat er met een postduivenverbinding hulp is gevraagd of – minder voor de hand liggend – met een verbindingsvliegtuig dat geland is bij Tweede Tol in de buurt. Hoewel dit regelmatig gebeurde en de Duitsers dit veel vaker toepasten gedurende de meidagen dan algemeen bekend is geworden, ligt deze optie in casu toch niet erg voor de hand. Op 12 mei bleek namelijk al dat de informatie achterstand in Berlijn zo groot was dat een verbindingsofficier per Fieseler Fl-156 naar Waalhaven werd gestuurd ‘om verhaal te halen’. Men wilde weten hoe de toestand was. Dat alles impliceert slechts dat de verbindingen dermate slecht waren, dat het uitzenden van de Kompanie Moll vrijwel zeker niet op verzoek van de bevelhebbers te velde is verricht. Dat is dus zo goed als zeker – zoals Hermann Götzel stelt – op instigatie van generaal Kesselring gedaan. Een andere aanleiding om dat te denken is dat Student naast zijn zorg voor de rechtstreeks door hem geleide operaties, zijn zorg had over de ontwikkelingen in Noorwegen. Hij kende het lot van 1./FJR1 dat in Dombas geheel was uitgeschakeld en hij besefte dat de strijd in Noorwegen nog zwaar zou worden omdat die veelal met specialistische eenheden diende te worden uitgevochten. De noodzaak enige vorm van reserve te behouden stond Student als opperbevelhebber en pater familias van de Duitse parachutisten dus helder voor de geest. Hij zou die laatste reserves niet lichtzinnig in de strijd hebben geworpen.

(3) Het is bijzonder opmerkelijk dat de Duitse verbindingsdienst zoveel problemen ondervond in de grond-lucht communicatie op zowel korte als (middel)lange afstand. Uit vele Duitse rapporten bleek dat zij er zelden in slaagden om die verbindingen succesvol tot stand te brengen. Zelfs vanuit gespecialiseerde Luftwaffe verbindingsstations. Het feit dat luchtmacht en landmacht slecht verbindingen legden kan men deels nog uit de verzuilde aanpak van voor de oorlog verklaren, maar de parachutisten waren Luftwaffe personeel. Men zou denken dat zij alle tijd en gelegenheid hebben gehad om juist de verbindingen lucht-grond v.v. goed uit te werken en te testen. Te meer daar de Luftwaffe eenheid Gruppe Putzier als de vliegende artillerie voor de parachutisten moest dienen. Hoe bijzonder het was dat de Duitsers de grootste moeite met hun verbindingen hadden mag toch blijken uit het feit dat bijv. de Nederlandse ML in haar verbindingen tussen radiostations en vliegtuigen (die welke met communicatie apparatuur waren uitgerust uiteraard!) in wezen nauwelijks grote problemen ondervond.  

Een kostbare heenvlucht

[425] Even na 0400 uur op 11 mei vertrokken twaalf Ju-52 van IV./KGzbV1 [onder commando van de C.16./KGzbV1] met de Kompanie Moll aan boord richting Eiland van Dordrecht. Spoedig keerden drie toestellen om en vlogen terug naar de basis wegens te dichte bewolking. Drie andere toestellen werden onderweg neergeschoten volgens de Duitse gegevens. Het is interessant deze materie te trachten te bewijzen middels ondersteunende bronnen.

[33] In de ochtend van 11 mei werden bij Den Bosch twee Ju-52 van IV./KGzbV1 neergeschoten volgens de studie van Dr. Weiss [‘in schweres Flakfeuer’]. Weiss gaf echter slechts aan dat zich aan boord de bemanning van de vliegtuigen bevonden en sprak niet over parachutisten. Negen man noemde hij als bezetting, wat veel is als het zuiver Luftwaffe betrof. Ze verloren alle negen het leven volgens Weiss, maar daarvan is in de Duitse gesneuvelden registratie onvoldoende bewijs te vinden. Verder dan twee herleidbare slachtoffers komt men niet.

[14] Inderdaad bleken ten zuidwesten van Zaltbommel en bij Waardenburg twee Ju-52’s van respectievelijk 15./KGzbV1 en 14./KGzbV1 neergeschoten en één van beide rond 0600 uur in de ochtend. Een tijdstio passend bij het vervoersmoment van Moll en zijn manschappen door de lucht. Boeiend in deze context is dat het gesneuveldenregister een verlies meldt van 4./FJR2 bij Zaltbommel op 11 mei door een Ju-52 crash. Het betreft een Jäger [Schneider]. Kans is groot dat de man een Ergänzung parachutist was die bij de Kompanie Moll was ingedeeld wegens aanstaande indeling bij 4./FJR2. Het toont echter eveneens aan dat tenminste één van de twee Ju-52 parachutisten aan boord had. [32] Opvallend is dat Jäger Schneider de enige gesneuvelde is der parachutisten en dat van de Luftwaffe slechts twee man als gesneuveld bij Zaltbommel/Den Bosch staan geregistreerd op 11 mei en Dr. Weiss dus wellicht enige slachtoffers teveel boekte of dat er enige slachtoffers niet staan geregistreerd in de betrouwbare inventaris van E.H. Brongers.

Tongplaat anno nu

[14, 32] Een derde toestel dat sterk in aanmerking zou kunnen komen te behoren bij de transportdienst voor de Kompanie Moll, en dat werd aangeschoten door luchtafweer, is een Ju-52 die in de Biesbosch een noodlanding maakte na luchtafweerbeschieting. Dat toestel lijkt echter van 1./KGzbV1 [14] te zijn geweest, hoewel het niet uitgesloten is dat het ter versterking aan IV./KGzbV1 was toegevoegd. Opvallend is bovendien – het wordt later in deze sectie in meer detail besproken – dat één van de parachutisten die aan boord was, en later bij gevangenneming van de para’s in de Biesbosch sneuvelde, van 3./FJR1 was; althans zo geregistreerd was.

Een lang verhaal over de verliezen die de Kompanie Moll onderweg kreeg. Wat het echter aannemelijk maakt – zeker gegeven de enige twee bekende registraties die verwijzen naar 4./FJR2 en 3./FJR1 van gesneuvelden aan boord – is dat de Kompanie Moll ondanks alles toch gewoon een Ergänzungskompanie was. In een dergelijke compagnie kwamen immers militairen terecht die wegens verlof, verwonding, blessures, ziekte, etc. tijdelijk niet operationeel waren of zij die als enkeling als vervangingsreserve werden ingedeeld. Dat zou de aannemelijkheid dus weer verminderen van de beweringen van Hermann Götzel [500] dat Kurt Student een specifieke reserve compagnie parachutisten zou hebben samengesteld. De kans is dan immers weer gegroeid dat we hier te maken hadden met een – min of meer organiek gebruikelijke – Ergänzung eenheid, zij het bescheiden van grootte. De eenheid was in elk geval zodanig ‘serieus’ van opzet, dat zij de organiek aanwezige dokter bij zich ingedeeld had, zo blijkt uit Nederlandse verslagen [100a].

Er resteerde van 12 vliegtuigen dus exact de helft, in eerste instantie. Als er maximaal genomen circa 120-140 man aan boord hadden gezeten van die 12 Ju-52’s, dan waren er daarvan nog zo’n 60-70 over die in eerste instantie konden landen. Uit waarnemingen en verslagen op de grond blijken uiteenlopende cijfers, dus daaruit kan geen enkele conclusie worden getrokken.

Een prikkelende kwestie is dan wat er met de drie toestellen met circa 30-36 man gebeurde die wegens zwaar wolkendek terugvlogen naar hun basis. Het lijkt niet voor de hand te liggen dat die kort daarop opnieuw gestart zijn, maar dat zij na enige tijd nog een poging zouden hebben gedaan lijkt wel logisch en daar lijkt ook aanwijzing voor. De kroniek van IV./KGzbV1 meldt dit echter niet. Maar het weer op 11 mei 1940 was bepaald niet zodanig dat er sprake kon zijn van – in die zin – duurzame meteorologische belemmeringen. De kans is dus aanzienlijk dat de drie toestellen korte tijd later alsnog vertrokken zijn. Zouden zij het zijn geweest die aanleiding zouden geven voor de melding van een tweede luchtlanding midden op het Eiland van Dordt? Auteur dezes komt later op deze vraag terug. Het is namelijk een boeiende kwestie.

[101a] Het is opvallend hoeveel Nederlandse verslagen de landing van de Kompanie Moll melden tussen 0330 en 0500 uur. Maar die tijden lijken niet goed mogelijk. De eenheid was bij het krieken van de dag – tussen 0415-0430 uur Nederlandse tijd – uit Duitsland vertrokken volgens het verslag van IV./KGzbV1 [425]. Onderweg leed zij verliezen, die bij Zaltbommel en Waardenburg tot noteringen rond 0600 uur aanleiding waren [14]. Die tijden zijn laat edoch redelijk congruent met een vertrek rond 0430 uur. Het afzettijdstip moet naar mening van auteur dezes tussen 0600 en 0630 uur hebben gelegen.

Duitsers bij het ontbijt

[101a] Zeker is dat een deel van de Kompanie Moll landde vlak ten noorden van de uiterst zuidelijke landsector van het Eiland van Dordt aangeduid als de Tongplaat [kaartvierkant 108-418]. Waarschijnlijk was het zelfs vrijwel de gehele resterende sterkte van deze eenheid die daar landde. Dat was op schoot bij 2-I-28.RI, dat in deze sector (nog vrijwel ongeschonden) verkeerde. [140]

Uit diverse rapporten van 2-I-28RI blijkt dat er ook enkele parachutisten ten noorden van de Zeedijk terecht kwamen. Over die laatste dropping – noordelijk van de Zeedijk – is door Nederlandse onderzoekers en auteurs onduidelijkheid gecreëerd. In het volgende hoofdstuk wordt dit besproken.

Terug dus naar de landing bij Tongplaat. De lezer herinnert zich dat 2-I-28.RI in de ochtend en middag van 10 mei ageerde tegen Duitsers die zich aan de oostzijde van het landingsterrein ophielden alsmede – en in hoofdzaak – een groep Duitsers onder Oberleutnant Richter [regimentstaf] bij het kruispunt Schenkeldijk / Zeedijk. Bij de eerste actie van de compagnie was de kapitein de Vries, de compagniescommandant, gewond geraakt door onzinnig roekeloos gedrag. Hij was nadien richting Dordrecht gegaan om zijn verwondingen te laten behandelen en niet teruggekeerd. Er resteerde toen nog één officier in de compagnie, reserve 2e luitenant J. Julius. Het geheel bestond uit vier secties van 2-I-28.RI, een sectie van 3-I-28.RI en een sectie MC-I-28.RI met twee zware mitrailleurs (waarvan er één niet meer in beheer van de sectie was na de gevechten van 10 mei).

Nadat in de middag van 10 mei lange tijd vuurcontact met de Duitsers was onderhouden, men door eigen mortieren beschoten werd en de actie uiteindelijk slechts tot verlies aan levens leidde zonder enige terreinwinst te boeken, was teruggetrokken op de omgeving van de kwartieren aan de Noorderelsweg. Daar hadden de luitenant Julius, de vaandrig Marijs, vaandrig Pool (MC) en enkele onderofficieren krijgsberaad gehouden.

[100a] Vaandrig Marijs hield twee secties onder zich en bezette gedurende de avond en nacht de posities langs de zuidzijde van het Eiland – grotendeels de oorspronkelijke oorlogsopstelling voor de compagnie – tussen Zuidplaatje en Noordplaat. De andere drie secties plus sectie MC onder luitenant Julius verbleven noordoostelijk van vaandrig Marijs aan de Elzingenweg, grotendeels in en om de boerderij ‘In den Peppel’[bij kruising Elzingenweg / Noorderelsweg]. Een sectie van 3-I-28.RI onder de reserve 2e luitenant K. van Nes lag tussen luitenant Julius en Kop van 't Land in.

[100a] Opvallend was dat vaandrig Marijs in de zeer late avond van de 10e mei overste Mussert aan de telefoon had gehad. De kantonnementscommandant trachtte zich een beeld te vormen van de toestand. Hij informeerde Marijs dat de Duitsers Moerdijk vast in handen hadden.

[100a] In de vroege ochtend, rond 0400 uur, was er ook telefonisch contact met kapitein N. Bollé van 3-I-28RI die met zijn eenheid op een paar kilometer afstand van de 2e Compagnie lag. Er werden statussen uitgewisseld wat geen aanleiding was tot bijzondere handelingen. Maar kort daarop werd door de kapitein contact opgenomen met vaandrig Marijs. [100a, 140] De kapitein had intussen contact gehad met de C.III-14.RA, die met het artilleriedetachement ten westen van hem aan de Zuidendijk posities had, en verzoek gekregen te assisteren bij een hernieuwde poging de stukken 12-lang staal van de afdeling terug te veroveren op de Duitsers. Instructie van kapitein Bollé was aan de 2e Compagnie te assisteren. Overleg tussen luitenant Julius en vaandrig Marijs leidde ertoe dat de luitenant vanuit het zuidwesten inderdaad zou assisteren bij deze vrij omvangrijke actie.

Voor het tot die gezamenlijke actie kwam, kwamen echter een aantal Ju-52 vanuit het oosten aanvliegen en lieten hun lading parachutisten los boven de sector rond de Zuiddijk / Tongplaat.

[100a] Terwijl de beide secties van vaandrig Marijs zich langs de Zuiddijk in opmars bevonden richting Oude Veerweg, werden zij opeens volkomen verrast door de parachutisten die boven hen werden afgezet en rondom hen in de velden terecht kwamen. Direct werden de drie voorhanden lichte mitrailleurs opgesteld langs de Zuiddijk en werd een verdediging geconcentreerd rond boerderij ‘de Tongplaat’. Een klein deel der Nederlandse militairen – dat het meest achteraan had gelopen – trok in paniek terug naar het zuidwesten. De meeste manschappen vuurden echter direct op de Duitse parachutisten, die op hun beurt evenzo verrast waren door de landing op een ‘hot LZ’.

[100a] Het vuurgevecht dat volgde was voor de Duitsers in aanvang buitengewoon ongunstig. De kans is erg groot dat een groot deel hunner de wapencontainers nooit bereiken kon, dan wel lange tijd niet in staat was deze te bereiken. Bovendien hadden de Duitsers geen enkel benul van de situatie waarin zij terecht waren gekomen, want ze waren vrijwel zeker verkeerd gedropt, hoewel hun voorgenomen doelgebied aan auteur onbekend is.

[101a] De Duitsers waren grotendeels in een sandwich terecht gekomen, op enkele manschappen na die juist ten noorden van de Zeedijk waren gedropt. In de sector tussen de Zeedijk en de rechterkant van de Noorderelsweg zat luitenant Julius met een 125-130 man inclusief een zware mitrailleur. Zij zorgden ervoor dat de meeste Duitsers ‘s ochtends niet uit de zuidelijke punt van het Eiland konden ontsnappen. Later verplaatste luitenant Julius zijn drie secties naar Kop van ’t Land onder achterlating van vaandrig Pool met zijn zware mitrailleur en ruim een dozijn MC manschappen bij boerderij ‘in den Peppel’.  Na die onbegrijpelijke manoeuvre van luitenant Julius en de daarmee gepaard gaande grote verzwakking van de Nederlandse sterkte ter plaatse, ontstond een patstelling (4)

(4) In een niet bij het NIMH gearchiveerd verslag van luitenant Julius, geeft deze een zeer gekleurd beeld van de gebeurtenissen. Daarin meldde de luitenant de groep van Pool 'vergeten te zijn', maar curieuzer nog, dat zijn terugtrekking richting Kop van 't Land was ingegeven door de strategie een halve cirkel om de Duitse parachutisten te leggen die waren geland, door het kruispunt met de Schenkeldijk te heroveren. Een gecertificeerde leugen van Julius, want het enige wat hij deed was zijn troepen die in een uiterst gunstige positie tegenover de parachutisten lagen, van de vijand los te maken en de benen te nemen, en dus weg te trekken van dat kruispunt. Willens en wetens vaandrig Marijs achterlatende. Ook de 'vergissing' Pool niet te waarschuwen past in die leugen, want Pool bevond zich immers vlakbij Marijs, in de heksenketel rond de Duitse parachutisten. Julius waagde zich simpelweg niet in die hel. Ook nadien liet Julius vaandrig Marijs in de steek. Hij zou later met de 3e Compagnie samen het kruispunt inderdaad hernemen en vervolgens de artilleristen de inname van de opstellingen van III-14.RA faciliteren. Daarna echter trok Julius wederom 'sans scrupules' langs de Zeedijk richting noorden, om vaandrig Marijs achter te laten. Wel meldde de luitenant nog trots dat vaandrig Pool wel blij zou zijn dat bij de actie rond het kruispunt zijn verloren mitrailleur was heroverd. Een weinig verheffend verhaal van deze luitenant.  

De hele dag werd tot bijna aan het donker tussen beide partijen gevochten. Hoewel in sommige publicaties dit gevecht tot een epische proportie wordt opgeblazen, kan een nuchtere lezer niet anders dan concluderen dat een in eerste instantie ongetwijfeld fel ontmoetingsgevecht (in de derde dimensie) zich spoedig omvormde tot een omzichtig schaakspel tussen twee partijen die zuinig met munitie moesten zijn te midden van de dijken en velden in het zuiden van het Eiland. Een chaotisch en eigenlijk ongeleide aaneenschakeling van schermutselingen vond de gehele ochtend en middag plaats tussen de slecht geoefende Duitse parachutisten [met uitzondering van hun kader, in opleiding zijnde para's] en de eveneens slecht geoefende Nederlandse reservisten. Daarbij waren de Duitsers ten opzichte van hun tegenstander belangrijk in het nadeel. Zij kenden de omgeving niet, ontbeerden enige vorm van statuskennis en vermoedelijk ook iedere vorm van communicatie apparatuur en waren vrijwel zeker slechts gedeeltelijk in bezit gekomen van hun wapens. Zij waren (in eerste instantie) door een 175 man vastgezet binnen hun landingszone en hadden een groot gebrek aan kader. Want reeds in de ochtend was de commandant Oberleutnant Moll in gevangenschap geraakt, net als een Leutnant (vermoedelijk Leutnant Rottke), de Oberfähnrich Eberlein en de Unterarzt [=Oberfähnrich] Dr. Nordheim. Nadien beperkten de Duitsers zich vooral tot de verdediging en de Nederlanders zich tot sporadische beschietingen. Het leidde tot vele langdurige schermutselingen die gepaard gingen met nul en generlei progressie.

Aan het einde van de dag waren er twee partijen die ongelukkig waren met de situatie. De Duitsers voelden zich geïsoleerd en gedesoriënteerd en hadden een enorm tekort aan munitie. De Nederlanders waren zich bewust van het isolement van hun tegenstander, maar waren de dag al begonnen met een kleine munitievoorraad. Pogingen nieuwe munitie te verkrijgen waren mislukt, mede dankzij de onbegrijpelijke overwegingen die luitenant Julius had gemaakt. Toen de zon onderging waren de kogels zo goed als op. Vaandrig Marijs was bovendien niet geholpen door andere Nederlandse eenheden om de Duitsers op te rollen. In tegendeel. Zijn plaatsvervangend compagniescommandant luitenant Julius had gemeend er goed aan te doen het gevechtsterrein te verlaten en bij de 3e Compagnie bij Kop van ’t Land aansluiting te zoeken. De luitenant liet daarmee zijn vaandrig in de steek. Tot tweemaal toe. Een kwalijke zaak en bovendien een zaak die ervoor zorgde dat een groot deel van de parachutisten uiteindelijk uitschakeling zou kunnen voorkomen. Toen de avond viel kwam namelijk het bericht bij de vaandrig Marijs dat Oberleutnant Moll met hem wilde onderhandelen. Dat bericht verbaasde de vaandrig, want de Oberleutnant was ’s morgen al licht gewond in Nederlandse handen gevallen. Hij had echter op grond van zijn erewoord vrijlating verkregen, toen hij zijn bewakers op het hart had gedrukt een wapenstilstand te willen coördineren. De vaandrig wond zich op over zoveel naïviteit bij de bewaking (een onderofficier en enkele manschappen bij de boerderij ‘in den Peppel'), maar de Duitse officier hield zijn woord en kwam terug.

[100a] Oberleutnant Moll, een rijzige man vergeleken met de kleine en piepjonge Marijs, stond tegenover de adspirant officier en bood hem aan een wapenstilstand af te sluiten tussen beide partijen. Zo konden zij de gewonden verzorgen en doden begraven. De Oberleutnant zal zich om een of andere reden sterk hebben gewaand (c.q. de Nederlanders zwak hebben geacht) of een blufkaart hebben gespeeld. Vaandrig Marijs kon echter niet anders dan toegeven. Hij had nauwelijks meer geweermunitie. En de Duitser had de halve dag in de keuken kunnen kijken en gezien dat van een Nederlandse overmacht geen sprake was. Er werd met vlaggen gezwaaid en vermoedelijk luid geroepen dat er een wapenstilstand van kracht werd. Partijen verzamelden zich rond de boerderij ‘in den Peppel’, waar rode kruis vlaggen werden neergezet. Marijs had twee secties manschappen om zich heen, een dikke vijftig man. De Duitsers waren volgens tellingen van vaandrig Marijs met slechts 33 man. Onduidelijk is of de vaandrig alle Duitsers in dat getal had meegenomen of slechts de gevechtsgerede. Vijf doden waren er te begraven, vier Duitse en een Nederlandse. Beide partijen betoonden hun eer en respect. Afgesproken was dat in de ochtend van de 12e mei gekeken zou worden welke der partijen contact kon maken met zijn eigen zijde en dat de ‘winnaar’ de andere partij dan in gevangenschap zou mogen afvoeren. Twee partijen hielden gewapend gedurende de avond en nacht de wacht. Een onwerkelijke situatie, uitstekend geschikt voor een boeiend filmscenario.

Vaandrig Marijs

Er is geschreven dat door de Duitsers zeer zware verliezen werden geleden bij de landing en het daaropvolgende gevecht. Dat is een overdreven voorstelling van zaken. De Kompanie Moll had slechts zeven gesneuvelden die met zekerheid aan de eenheid kunnen worden verbonden. Daarvan vielen er zes op 11 mei. Vier hunner vielen bij Tongplaat, één werd er bij Dordrecht gerapporteerd en één bij Tweede Tol. Het is daarnaast een gegeven dat de Kompanie Moll nog vier andere doden op het Eiland had. [483] Opvallend zijn namelijk de vijf doden van 3./FJR1, alle vijf in de laagste rang Jäger en alle vijf op 11 mei gevallen. Vier te Dordrecht en één te Werkendam. Die laatste was de dode die viel – zie de beschrijving van de gebeurtenissen in de Biesbosch op 11 mei – toen de bemanning van een in de Biesbosch neergeschoten Ju-52, die vrijwel zeker tot de Staffel van IV./KGzbV1 behoorde die Moll en zijn mannen invloog, door manschappen van III-13.RI werd gevangen genomen. De andere vier behoorden ook tot de Ersatz. [483]

Het betekent dat de Moll formatie op 11 mei op het Eiland vrijwel zeker een verlies leed van tenminste tien doden. Een gevoelig verlies, ongetwijfeld, maar geen enkele aanleiding de schromelijke overdrijvingen ['zeer zware verliezen'] van bepaalde auteurs te handhaven.

Van de gesneuvelden kunnen de namen worden gegeven. Aan Duitse zijde waren dit [32] Jäger Karl Kenning en Jäger Josef Lieperth alsmede de beide Gefreiten Jacob Helt en Hans Slezak. De vier gesneuvelde Jäger van 3./FJR1 die op 11 mei te Dordrecht staan geregistreerd waren Georg Auer, Walter Stolting, Hans Tepe en Josef Thissen. Gewonden waren aan beide zijden gevallen en aan Nederlandse zijde vermoedelijk één dodelijk gewonde, soldaat Henri van Haaster. Deze soldaat wordt in het register van kolonel de Leeuw en overste Brongers [31] op 10 mei genoteerd, gesneuveld aan de Oude Veerweg. Dat betreft echter mogelijk een onjuistheid. [100a] Vaandrig Marijs meldt in zijn verslag duidelijk dat deze militair in de nacht van 11 op 12 mei werd begraven na te zijn overleden in het noodhospitaal dat dan door de Duitsers en Nederlanders provisorisch was ingericht in hoeve ‘de Tongplaat’. Dat dit overigens niet uitsluit dat de soldaat uiteindelijk overleed aan gevolgen van verwondingen opgelopen op 10 mei, zij gezegd.

Een tweede droppingzone?

Eerder werd al aangegeven dat er een tweede dropping plaatsvond, althans op een tweede landingsplaats parachutisten werden afgezet. Daar wordt hieronder nader op in gegaan.

In diverse publicaties over de meidagen – waaronder het stafwerk Zuidfront [1] – wordt gesteld dat pal onder de Zuidendijk een Duitse landing plaatsvond. Talloze verslagen van Wielrijders en artilleristen maken melding van het landen van parachutisten in de vroege ochtend van 11 mei en het beschieten daarvan. Op basis van die rapporten zijn in de jaren vijftig conclusies getrokken door de onderzoekers die een landing aan de Zuidendijk kennelijk rechtvaardigden. Een onjuiste en onterechte conclusie, zo acht auteur dezes, althans als men op grote landingen duidt (zoals door Brongers genoemde 150 man). Uiteraard wordt de afwijkende mening onderbouwd.

[470] Het is voor de volledigheid belangrijk te duiden op het feit dat stafofficier van het FJR1 Oberleutnant Dietrich Platow [na het gewond raken van Oberleutnant Richter in de middag van 10 mei bij de gevechten rond het kruispunt Schenkeldijk – Zeedijk] in de avond van 10 mei opdracht had gekregen met enige tientallen manschappen een provisorisch verdedigingsscherm te vormen aan de oostzijde van de landingszone. Daartoe werden diverse mitrailleurnesten ingericht en bemand, hier en daar voorzien van een pantserbuks. Naast een onbekend (beperkt) aantal manschappen die Oberleutnant Platow [sneuvelde als Kp Chef van 8./FJR1 op 20 mei 1941 op Kreta] uit Tweede Tol had mee gekregen, behoorde in elk geval een tiental Sanitäter onder bevel van Oberarzt Langemeyer in de nacht en vroeger ochtend [10 op 11 mei] tot het verband Platow. Sanitäter ingezet als gewone Jäger, zoals het gros hunner tijdens de meidagen ingezet zou worden. Zodoende is duidelijk dat de landingszone rondom Rustenburg door de Duitsers verdedigd werd in de ochtend van 11 mei.

[470] Het in veel opzichten zeer gedetailleerde gevechtsverslag van de Halbkompanie Sanitäter 7, de eenheid welke in hoofdzaak bij de Berkenhof lag, maar deels ook in het veld tussen Zuidendijk en Zeedijk, biedt ook vrij duidelijke informatie over de Kompanie Moll. Informatie die bevestigt dat deze Kompanie afsprong in het zuiden en niet, zoals bijvoorbeeld het stafwerk Zuidfront aangeeft, pal oost van Rustenburg. E.H. Brongers gaat in zijn Opmars naar Rotterdam deel 1 [30, blz 201] overigens nog een stap verder. Die laat 150 man (!) van de compagnie Moll pardoes voor de ogen van twee compagnieën Wieldrijders dalen en ze ook nog eens door hen bijkans verslaan. De verslagen van de Wielrijders – het betrof hier manschappen van 1-III-2.RW en 3-III-2.RW die richting Zuidendijk waren gestuurd – zijn echter volkomen helder in het feit dat zij parachutisten zagen dalen op grote afstand en niet vlak voor hun neus. Enige citaten om de perceptie van Brongers te schetsen:

Brongers, Opmars naar Rotterdam 2004, [30] dl.1, blz 210:

« Men had zijn les echter geleerd en zou het nu op een naar onze begrippen grondige wijze gaan aanpakken. Bij het aanbreken van de dag waren twee compagnieën wielrijders te hulp gesneld, juist op het moment dat een nieuwe afdeling van ongeveer 150 parachutisten voor hen in de weilanden daalde. De Duitsers hadden geen ongelukkiger plaats kunnen kiezen en leden dan ook zware verliezen. Maar juist toen men naar voren wilde gaan om het succes uit te buiten, moesten de wielrijders op last van overste Mussert op de Zeehaven aanvallen

Een citaat van Brongers dat met een verdieping in de thans voorhanden bronnen onjuist lijkt. Vergelijkt u als lezer zelf de verklaringen van de hoofdrolspelers hieronder alsmede de werkelijke context van gebeurtenissen als u de beschrijving van Vak Wieldrecht op 11 mei alhier verneemt.

Reserve ritmeester H. Stas, C-3-III-2.RW over de ochtend van 11 mei, verslag 5 juni 1940:

« Te Dordtwijk geen vijand aangetroffen en doorgemarcheerd langs Stevensweg. Aldaar halt gehouden. Nog eenige malen op laagvliegende vliegtuigen geschoten en op grooten afstand dalende parachutisten

Reserve 1e luitenant A.J. Kreuger, plv. CC 1-III-2.RW over 11 mei, verslag 28 mei 1940:

« Bij aanbreken van den dag (4.45) wordt gemarcheerd naar driesprong van kunstwegen ten zuiden van Oudendijk. Parachutisten dalen in de richting van Zuiddijk

Uit bovenstaande citaten is volkomen helder dat beide eenheden de landingen waarnamen in het zuiden van het Eiland van Dordrecht - op grote afstand - en niet vlak voor hun neus pal ten zuiden van de Zuidendijk [de Zuiddijk lag veel verder naar het zuiden dan de Zuidendijk waarlangs de compagnieën zich bewogen], zoals stafwerk Zuidfront en auteur Brongers de lezers willen doen geloven. Men heeft zich kennelijk laten misleiden door de Zuiddijk en daarvoor Zuidendijk gelezen. C-3-III-2.RW vult echter ter voorkoming van dit misverstand nog eens aan dat het een waarneming op grote afstand betrof. [470, 471] Overigens ontstonden er wel vuurcontacten met andere parachutisten, die onderdeel vormden van het verband Platow of van geisoleerde groepen van met name II.Zug van de Sani Kompanie, dat vrijwel geheel was opgesplitst en waarvan er vele op 10 mei en 11 mei gevangen werden genomen door eenheden langs de Zuidendijk (en omgeving).

Brongers liet e.a. echter overgaan in een wél grotendeels authentieke gebeurtenis. Hij laat de Wielrijders, artilleristen en de mannen van luitenant Julius de offensieve actie die later op de 11e mei zou plaatsvinden richting de opstellingen van III-14.RA zomaar combineren met de gevechten tegen de Kompanie Moll. Die ontwikkelingen - zonder Wielrijders overigens - stonden echter los van de landing van de compagnie van Oberleutnant Moll, hoewel ook bij die gebeurtenis de Duitsers geen ‘zware verliezen’ leden, zoals Brongers de stelt. Overigens sprak het normaliter sobere stafwerk terzake ook van 'zware verliezen' [1: blz 53] en is in het citaat uit Student zijn memoires [500] duidelijk op te maken dat men van een uitgeschakelde compagnie Moll sprak in het Duitse kamp. Dat was echter een overdreven voorstelling van zaken: van gevoelige verliezen was echter wel sprake geweest, zoals nog zal worden aangetoond. Hoewel men uiteraard over een subjectieve kwalificatie als 'zware verliezen' uiteenlopend kan denken.

Er wordt thans teruggegrepen op de enige bron die naast die van luitenant Julius en vaandrig Marijs, duidelijk melding maakt van de landing van de Kompanie Moll, en dat is het gedetailleerde verslag van de Sanitäter. Die hadden (al dan niet georganiseerde) voorposten in het veld langs de Zeedijk en uiteraard hun voornaamste zetel in de hoeve Berkenhof. Ze zaten als het ware op de eerste rang om de landing goed te kunnen waarnemen. Hun gevechtsrapport [470] meldt dat de Kompanie Moll ten zuidoosten van hen – vlakbij de kazematstelling aan de waterzijde – werd afgezet met één Gruppe pal oostwaarts noord van de Zeedijk. Het wordt als volgt gemeld:

« Am Morgen des 11.5.40 gegen 8.30 wird die Kompanie Moll südostwärts unserer Stellung auf den feindlichen Bunkerlinien abgesetzt, eine Gruppe ostwärts, nördlich der Strasse

Het is dus wel haast zeker dat tenminste één vliegtuiglading parachutisten ten noorden van de Zeedijk terecht kwam. Dat werd immers ook door de luitenant Julius aangetekend, die in zijn verslag melding maakte van Duitsers die ook rechts van zijn positie geland waren [100a]. Voorts kwam er rond 1600 uur Nederlandse tijd een groep van een Oberjäger met zeven man (en een lichte mitrailleur) van de Kompanie Moll in Tweede Tol aan en meldde zich daar bij de staf van het regiment [450]. Mogelijk was dat het restant van de Gruppe die ten noorden van de Zeedijk geland was. Overigens was die groep onder de betreffende Oberjäger vrijwel zeker het eerste signaal in Tweede Tol dat de Kompanie Moll überhaupt geland was. 

Onduidelijk blijft in dit besproken geheel echter wat er nu in totaal landde van de Kompanie Moll. Zes toestellen van de twaalf bereikten het Eiland van Dordrecht. Hiervan zouden er drie hun manschappen af hebben gezet bij Tongplaat en drie tussen de Zuiddijk en de Zeedijk waarbij er dan kennelijk één noordelijk van de Zeedijk manschappen deed afspringen. Of er nadien nog drie toestellen – de drie die eerder naar de basis waren teruggekeerd – kwamen wordt nergens officieel gemeld. Zoals zal worden betoogd is het echter wel aannemelijk dat ze rond het middaguur alsnog hun para's afgezet hebben. Als men in de Duitse verslagen de Kompanie Moll traceert dan wordt die eenheid niet als groot aangeduid. [450, 470] Sterker nog, de Kompanie wordt op 12 mei aangevuld met een dozijn manschappen van I./FJR1 omdat zij onder sterkte was (geraakt). Dat duidt op een sterkte die toen niet eens meer de omvang van een Zug had. De kleinste eenheid die voor Duitse bevelhebbers als tactische eenheid inzetbaar werd geacht. Veel manschappen waren dus kennelijk niet te Tweede Tol aangekomen.

Is er dan niets te zeggen voor een latere landing van parachutisten ten noorden van de Zeedijk? Zeker wel. Er zijn enkele duidelijke aanwijzingen die duiden op een landing noordelijker op het Eiland, echter beduidend later op de 11e mei en als zodanig niet de in eerdere citaten geduidde landing. De eerste en meest duidelijke aanwijzing komt uit een persoonlijk verslag [471] van Sanitätssoldat Hermann Kurz (die later op de 11e mei gevangen werd genomen door 3-III-14.RA). Hij maakt een terzake buitengewoon interessante aantekening in zijn verslag:

« Der Gefreiter Bastet beschoss dan dieses Haus mit unserem MG besonderes stark. Auf einmal war auf dem Balkon und auf dem Dach nichts mehr zu sehen und dass ganze feindliche Feuer liess nach. Gegen Mittag kamm eine Kette Ju-52. Davon wurde genau über uns eine Gruppe abgesetz, worauf wir natürlich auch wieder schossen. 3 Mann landeten davon ungefähr 200m von uns und die anderen kamen alle ungefähr über die Strasse. Wir versuchten mit den drei Mann Verbindung zu bekommen, es gelang uns aber nicht, denn wir wurden immer wieder beschossen

De positie van Jäger Kurz was vlakbij de Zuidendijk. Er zijn ook in artillerieverslagen [140] aanwijzingen dat zich ten noordwesten van de Zuidendijk - westelijk van de posities van III-14.RA - 'nieuwe' Duitse parachutisten bevonden aan het eind van de dag. Onduidelijk is of men duidt op parachutisten die vanuit het westen waren aangevoerd [van III./FJR1], of dat men wees op parachutisten die geland waren tijdens de door Kurz waargenomen landing. Interessant in dit licht is een melding van kapitein Bollé - gesteund door de artilleriewaarnemers te 's Gravendeel om 1330 uur [146] - die om 1350 uur aan Groep Kil telefonisch melding maakte van een groep van 80 parachutisten die rond 1300 uur geland waren. Het getal van 80 zal overdreven zijn, en de kans dat bevoorrading voor een nieuwe landing werd aangezien is evenzo niet uit te sluiten, want de meldingen over allerhande parachutistenlandingen vormen een consequente stroom aan berichten in het logboek van Groep Kil. Maar de Kette waarnaar Sani Kurz verwijst zou best wel eens de vlucht van drie Ju-52 kunnen zijn geweest, die eerder in de ochtend wegens de bewolking was teruggevlogen naar de basis. De groep eventueel gelandde parachutisten is nadien overigens niet meer te traceren. Duitse verslagen spreken slechts over een Gruppe van Kp Moll in de late middag van 11 mei, die zich meldde en daarnaast slechts passages over de restanten van de Kompanie Moll die de volgende dag werden bevrijd rond de Tongplaat. Van de toch niet onaanzienlijke versterking door een Zug werd niets gemeld. Hoewel dat niets uitsluit natuurlijk. Duidelijk is echter wel dat deze landing zeer laat op de ochtend, dan wel vlak na het middaguur, plaatsvond en in geen enkel verband staat met de landingen die door Stafwerk en Brongers in hun reconstructies werden gemeld. Daar lag immers duidelijk het verband met de ochtendlanding, die zoals uit de reconstructie duidelijk blijkt, zuidelijk van de Zeedijk plaatsvond.

Een nog veel sterkere aanwijzing is de verliesinventaris van de Fallschirmjäger Ersatz [483], waarop vier namen prijken van parachutisten die op 11 mei in Dordrecht omkwamen, alle vier behorende tot de Ersatz. Zij zijn vrijwel zeker gesneuvelden die vielen in de middag van 11 mei toen de pontonniers uit Krispijn de spoorweglinie hadden bezet en in strijd kwamen met enige Duitse elementen in het zuidoosten van de stad. Dit waren vrijwel zeker de circa 36 man die rond het middaguur van 11 mei nabij de Zuidendijk waren afgezet en behoorden tot de Ersatz Kompanie Moll. Deze zaak zal nader worden beschouwd in Dordrecht 2e fase (11 mei).

Er wordt daarom - en al het voorgaande overwegende - door auteur dezes tot de volgende conclusie gekomen inzake de compagnie Moll.

De reservecompagnie parachutisten bestond oorspronkelijk uit circa 120-140 man, vervoerd in 12 vliegtuigen. Van hen kwam in eerste instantie in elk geval de helft aan, daar drie toestellen vroegtijdig terugkeerden naar hun basis en drie toestellen met hun lading parachutisten werden neergeschoten op weg naar het Eiland van Dordrecht. De zes resterende vliegtuigen wierpen op één na hun parachutisten uit ten zuiden van de Zeedijk. Eén toestel wierp de parachutisten duidelijk waarneembaar noord van de Zeedijk uit. In totaal was hun sterkte ongeveer 60 man. Van de Kompanie Moll zijn op het Eiland van Dordrecht op 11 mei vermoedelijk tien man gesneuveld. Daarnaast zullen naar schatting circa twee dozijn hunner gewond zijn geraakt. Daarmee was de gevechtskracht van de eenheid meer dan gehalveerd. Aan Nederlandse kant viel bij rechtstreekse gevechten met de mannen van Oberleutnant Moll vermoedelijk één dode. De kans is erg groot dat rond het middaguur de drie eerder teruggekeerde toestellen alsnog hun lading van ca. 36 parachutisten hebben gedropt in de omgeving van de Zuidendijk. Indien dat het geval is geweest, bestond de Kompanie Moll uit circa 100 man.

Het bataljon Ravelli in de tang

Het elders en hierna beschreven bataljon Ravelli – dat in hoofdzaak uit troepen van II-28.RI aangevuld met 1-I-34.RI bestond (5) – had in de nacht van 10 op 11 mei van C-Gr. Kil opdracht gekregen om zich naar Dordrecht te verplaatsen en aan de zuidgrens van de stad een gereedstellingspositie in te nemen. Hoewel majoor Ravelli zelf liever in Amstelwijk het daglicht had afgewacht, achtte C-Gr.Kil (vrijwel zeker in samenspraak met zijn chef-staf) het veel raadzamer om onder dekking van de nacht reeds de oversteek tussen Amstelwijk en Dordrecht te maken en zodoende niet overdag een verplaatsing te hoeven uitvoeren met alle gevaren van dien. De gevaren van aanschurken tegen een vijandelijk bruggenhoofd, waarvan men de exacte buitengrens niet kende, werden kennelijk minder groot geacht dan de gevaren van verplaatsing bij daglicht over een paar kilometer afstand. Vermoedelijk achtte C-Gr.Kil de beroepsmajoor Ravelli kundig genoeg zijn positie voldoende te beveiligen tijdens de overnachting. Overigens blijkt uit de instructies die de majoor aan zijn ondercommandanten [100b] gaf dat ook gewezen werd op de beveiliging van opmars en uiteindelijke positie.

(5) In de meeste gepubliceerde werken wordt het bataljon Ravelli aangeduid als een eenheid van 1,000 man sterk. J.A. Mol spreekt in zijn publicatie [1500] al accurater van 750 man. Het was echter een nog beduidend zwakker verband.

De aan II-28.RI toegevoegde 1-I-34.RI was een ronduit zwakke eenheid, die autonoom aanzienlijk onder sterkte was en bovendien haar 3e sectie bij Groep Spui had achtergelaten. De compagnie was maximaal 120 man sterk, vermoedelijk echter (zoals meer compagnieën van 34.RI) slechts zo'n 100 man sterk. [192] Van de beide 'eigen' compagnieën was de eerste eveneens onder sterkte. 1-II-28.RI bestond uit 163 man (21 onder de organieke sterkte) terwijl 2-II-28.RI vrijwel op organieke sterkte was met 181 man (3 man onder de sterkte). [192] De MC bestond uit 141 man (9 man onder de sterkte voor een hoog genummerde MC, zijnde 150 man). Van die MC gingen slechts twee secties zonder staf mee, en deze bleven met wapens vermoedelijk achter in Amstelwijk/Wieldrecht. [192] De sectie Mr van 8 (inclusief staf) bestond uit 41 man, waarvan slechts de twee stuksbemanningen en commandant meegingen met het bataljon. De bataljonsstaf bestond uit 91 man, waarvan een onbekend aantal is achtergebleven in de Hoekse Waard. Gemakshalve wordt het geheel echter meegerekend.  

Bij elkaar was de gelegenheidsformatie van Ravelli dus maximaal 91+120+163+181+60 (2 x sie MC) +13 (sie Mr) = 628 man sterk. De sterktegegevens van de eenheden komen voort uit de tellingen van Groep Kil van 25 mei 1940 [192], inclusief (dus niet vooraf afgetrokken) vermisten, gewonden en gesneuvelden. Als men de organieke sterkte zou tellen zou de telling circa 40-50 man hoger uitvallen en dus maximaal 678 man bedragen. Voorts overwege men dat die sterkte na de 'verovering' van Amstelwijk nog eens werd verminderd. Duidelijk is dat in elk geval de in de literatuur gegeven getallen van 750 tot zelfs 1,000 man [52] bij lange na niet werden gehaald.  

De kwalijke kant van C-Gr. Kil zijn instructie is al besproken toen de aanval van het bataljon op Amstelwijk op 10 mei – Groep-Kil-Hoekse Waard – de revue passeerde. Maar mogelijk kwalijker was, dat men in wezen in een vacuüm terecht kwam. Wat was namelijk het geval?

Zeehaven

De C-Gr.Kil had zijn handen van het bataljon Ravelli afgetrokken nadat de eenheid mars maakte richting Krispijn. De BC moest zich te Krispijn een gunstige overnachtingslocatie verschaffen en van daaruit zich middels ordonnansen of werkende telefoonverbinding in contact stellen met overste Mussert of diens aide-de-camp. In de tussentijd was het bataljon dus in feite van niemand. Mussert wist tot de eerste melding rond 0230-0300 uur niets van het bestaan van het bataljon in zijn gezagsgebied en Groep Kil achtte het bataljon overgedragen. Een vacuüm. En hoe tastbaar dat vacuüm was bleek wel toen in de vroege ochtend de adjudant van majoor Ravelli door een buikschot (door een kogel van een Nederlandse korporaal afkomstig) was uitgeschakeld en werd opgevolgd door de reserve 2e luitenant J. Zeeman, die verbindingsofficier van II-28.RI was. Na de bloedige overval op de kopgroep van het bataljon [zie daarvoor later], waarbij de in eerste instantie ontsnapte delen van de voorste bataljonsgroepering zich zuidwaarts terugtrokken, belde luitenant Zeeman bij de Zeehaven via een nog werkende telefoon met de Groep Kil [100b, verslag 2e lt J. Zeeman, 1984]. Daar kreeg de luitenant botweg te horen “Wij hebben niets meer met jullie te maken, jullie vallen nu onder de overste Mussert.” In hoeverre overste Mussert en Groep Kil tussendoor reeds telefonisch contact hebben gehad, waarbij de overste mededeling was gedaan van het in aantocht zijnde bataljon, is niet duidelijk. Wel is zeker dat Mussert pas rond 0200 uur werkelijke gevechtstroepen ter beschikking stonden. Want rond die tijd was III-2.RW aangekomen in Dordrecht [104c].

De reactie van de Groep Kil aan het adres van 2e luitenant Zeeman, hoogstwaarschijnlijk van chef-staf kapitein Calmeijer zelf, wordt opvallend genoeg niet in Calmeijer zijn eigen Memoires [70] genoemd. In tegendeel zelfs, de kapitein stelt daarin [70; blz 297] dat na het uitdrukkelijke bevel aan majoor Ravelli naar Dordrecht op te trekken, er geen enkele contact meer met het bataljon was en pas later – middels berichten van gevluchte elementen van het bataljon bij Wieldrecht – in de loop van de tweede oorlogsdag bange vermoedens bewaarheid werden dat het bataljon een dramatische ochtend had doorgemaakt. Er komt dan onwillekeurig een kritische vraag op. Waarom zou 2e luitenant Zeeman in zijn krijgsverslag liegen over het telefonische contact dat hij vroeg in de ochtend met Groep Kil had? Het lijkt geen doel te dienen erover te liegen.

Ook kapitein Belgraver, de plaatsvervangend bataljonscommandant en C-2-II-28.RI, schrijft in zijn krijgsverslag van 23 mei 1940 [100b]: “Uiteindelijk heb ik in de duisternis de cp [AG: CP luitenant Ruige, 14.C.Pn] in een der huizen oost van den Zuidendijk kunnen bereiken en aldaar o.a. verbinding met Overste Mussert en ook met den Cn.St.-Groep Kil gekregen”. Hij zei dus rond 0300 uur contact te hebben gehad met de Groep Kil.

De kans dat Calmeijer last had van een selectief geheugen, lijkt een veelvoud groter dan dat de beide officieren onwaarheden verkondigen over twee onafhankelijk van elkaar gevoerde telefoongesprekken met de Groep Kil in de periode die Calmeijer aanduidt als ‘contactloos’. Calmeijer zijn Memoires [70] staan overigens vol van voorbeelden van curieuze opvattingen en ervaringen, althans ervaringen die zeer regelmatig op gespannen voet staan met de vermoedelijke werkelijkheid. En waarom zou luitenant Zeeman erover liegen, want daarvan zou sprake zijn als een volmaakte onwaarheid wordt opgenomen in een verslag. Daarvoor lijkt enige denkbare reden te ontbreken. Bovendien, de aard van de reactie vanuit Groep Kil die luitenant Zeeman optekende komt qua toonzetting en bitsheid opvallend dichtbij soortgelijke reacties die bijvoorbeeld de majoor van Hoek [vakcommandant] en de kapitein Mantel [14.C.Pn] ook kregen van kapitein Calmeijer in de ochtend van 10 mei [zie daarvoor Vak Wieldrecht en Dordrecht, 10 mei]. Kapitein Calmeijer had echter in tegenstelling tot luitenant Zeeman wél een goede reden om halve waarheden of onwaarheden in zijn memoires op te nemen. De hele affaire straalde namelijk niet zo gunstig af op de chef-staf Groep Kil, die zijn bataljon willens en wetens in de steek liet onder het mom van ‘u valt nu onder de garnizoenscommandant’. Gelukkig had diezelfde garnizoenscommandant onderwijl een bataljon Wielrijders gekregen, want anders had overste Mussert niet veel kunnen uitrichten ter ondersteuning van Ravelli.

Het wordt nog curieuzer. Luitenant Ruige [sectiecommandant van 14.C.Pn, die met zijn sectie gevangenschap van de compagnie – op 10 mei – ontliep] wordt in deze gevolgd. Hij had in de loop van de eerste oorlogsdag een positie ingenomen langs de Zuidendijk, tussen de school (aan de Adm. De Ruyterweg) en de zuidwestzijde van Dordrecht [191]. Met circa 40 man met karabijnen en één (Duitse) lichte mitrailleur, later nog versterkt door een sectie torpedisten met zware Vickers mitrailleurs onder reserve 1e luitenant Verschoor [150, 191] . Luitenant Ruige kreeg in de vroege avond van 10 mei telefonisch contact vanuit een huis vlakbij de school (dat als CP van de luitenant Ruige dienst deed) met Groep Kil en kreeg te horen dat er Franse pantsertroepen in het zuiden waren aangekomen én dat er versterking van II-28.RI zou komen [191]. Gedurende de nacht werd de voorhoede van II-28.RI opgevangen en maakte luitenant Ruige contact met deze eenheid en meldde hij een werkende verbinding met het kantonnementsbureau te hebben [100b, 191]. Daarop kreeg kapitein Belgraver van majoor Ravelli opdracht contact te maken en instructies te vragen [100b].

Dat enige tijd nadien volgende contact was vrijwel zeker het eerste moment dat overste Mussert van de aanwezigheid van het bataljon Ravelli in zijn gezagsgebied vernam, althans als 2e luitenant Zeeman zijn eerste contact met de overste niet pas nadien was, wat auteur dezes vermoedt. Tijdstip van het gesprek van Belgraver met de overste was rond 0300 uur, vooral gebaseerd op Belgraver zijn eigen verklaring dat het nog volkomen donker was [100b]. Mogelijk dat het zelfs nog iets later was, en meer tussen 0300 en 0345 geduid zou moeten worden.

Kapitein Belgraver meldde de overste Mussert telefonisch dat het bataljon Ravelli in opmars was, zich onder auspiciën van de garnizoenscommandant zou scharen en verzocht om instructies [100b]. Tot zijn niet geringe verbazing kreeg de kapitein te horen dat het bataljon met een compagnie moest aanvallen op … Amstelwijk! Die aanval zou worden ondersteund door een compagnie Wielrijders [100b]. Deze verslaggeving – in dit geval van de kapitein Belgraver – is pikant. Later wordt dit voorval uitputtend besproken.  

Hoe ontwikkelde het bataljon zich intussen? Daarvoor wordt kort teruggegrepen op het tijdstip vlak voorafgaand aan het vertrek uit de omgeving Amstelwijk.

Majoor Ravelli kreeg dus kort voor middernacht te verstaan – per UKG toestel dat luitenant de Wit van 23.RA bij zich had – dat er zonder meer uitvoering moest worden gegeven aan de marsorders om tot aan de stadsgrenzen van Dordrecht op te rukken en zich daar een gunstige uitgangspositie te verwerven voor offensieve actie onder auspiciën van het kantonnement. Nadrukkelijk kreeg de majoor mee dat hij rekening diende te houden met een bescheiden Nederlandse bezetting aan de zuidzijde van de stad [100b]. De luitenant Ruige – die met een sectie genisten en enkele stukgroepen zware mitrailleurs langs de Zuiddijk front zuid lag – werd zelfs door Groep Kil telefonisch geïnformeerd [191]. Daarbij staat overigens niet vast of dat contact op instigatie van Ruige was of juist van Groep Kil. Ook kreeg de majoor de informatie mee dat het Duitse bruggenhoofd qua aard en omvang niet te duiden viel [100b, 192]. In die zin was sprake van de juiste operationele afstemming vanuit de Groep Kil. Het mag ook eens gezegd worden dat men hierbij juist te werk ging. 

[100b] Majoor Ravelli verordonneerde een marsvolgorde aan zijn ondercommandanten waarbij het bataljonsvreemde 1-I-34.RI de kopgroep zou vormen, gevolgd door respectievelijk 1-II-28.RI, Staf II-28.RI, 2-II-28.RI (min één sectie), twee secties van 28 Cie Mr en als achterhoede de laatste sectie van 2-II-28.RI. Aan de beide infanteriecompagnieën was nog steeds een sectie MC-II-28.RI toegevoegd. Alleen de bataljonstrein bleef in Amstelwijk / Wieldrecht achter. Ook de UKG van luitenant de Wit werd – het is weer eens onverklaarbaar – achtergelaten. Rechtstreeks afstemming met de artillerie was daarmee niet langer mogelijk.

Gestaag vorderde de opmars die rond het nachtelijke uur werd ingezet. Opmerkelijk genoeg was de instructie van majoor Ravelli niet geweest om bij het Zeehavencomplex, dat zich qua omgeving en infrastructuur uitgelezen leende voor een efficiënt verdedigbaar nachtelijk kampement, te stoppen [100b]. De kopgroep diende op te trekken tot een positie ter hoogte van een locatie voorbij de Glazenstraat, waar men moest trachten contact te maken met de eigen troepen in de zuidwest hoek van de stad [100b]. Die Glazenstraat was in wezen de westelijke voortzetting van de Zuidendijk voorbij de kruising (in feite loopbrug) met de Mijlweg. Hoewel Ravelli uiteraard de kennis niet had van het feit dat de Duitse voorposten reeds vlakbij die sector lagen, was het wel opmerkelijk dat de majoor een opmarsroute koos die de gehele wijk Krispijn op zijn rechterflank bracht, terwijl hij zijn linkerflank, zeker langs de overkant van de Kil, door Duitsers beheerst wist. Daglicht zou hem onherroepelijk prominent in beeld brengen.

Dat glorende daglicht was aanstaande toen de voorste sectie van 1-I-34.RI (de 1e sectie, de 2e en 4e erachter) de Glazenstraat achter zich liet en een honderd meter verder op de Mijlweg door enkele vanuit het noorden geloste mitrailleur salvo’s in dekking dook [101a]. De kale weg zelf bood nauwelijks enige natuurlijke dekking, maar een ieder drukte zich stevig tegen de grond en het talud van de Rijksstraatweg. Het vuur kwam - zo getuigen verslagen [100b] - in deze eerste fase van een locatie aan de noordnoordoostelijke zijde. Kennelijk de hoge talud van de brugoprit, waar Duitse mitrailleurnesten waren ingegraven. Het talud van de nieuwe weg bood in dit geval nog dekking, want het lag tussen schutters en doelen in. Kapitein van den Bosch, de CC, kroop naar achteren en ontmoette de BC [samen met zijn adjudant, reserve 1e luitenant M. van der Have] vlakbij de vijfsprong van wegen; de kruising van de nieuwe en oude autowegen, de Glazenstraat, de Zuidendijk en de Admiraal de Ruyterweg [100b, 101a].

De positie waarin de kopgroep in dekking lag, was onprettig. Waarom men deze route koos, wordt door Ravelli in een verklaring op 29 januari 1941 – na vragen van onderzoeker luitenant-kolonel der GS J.J.C.P. Wilson – nader geduid [100b]. De oude weg [toenmalige Mijlweg] – zo redeneerde hij – zou waarschijnlijk minder door de Duitsers worden verdedigd dan de nieuwe rijksweg! Hij verwachtte via de oude weg op minder weerstand te stuiten. Die verklaring in januari 1941 staat diametraal op Ravelli’s instructie aan 1-I-34.RI. Die luidde in hoofdzaak 'ruk op tot dat u contact maakt met eigen troepen in het zuiden van Dordrecht’. Daarbij niets van verwachtte tegenstand, want Ravelli was immers nog helemaal niet op zoek naar een confrontatie, juist naar consolidatie! Het lijkt er dus op dat zijn verklaringen eerder wijsheid achteraf weergaven, dan dat het oprechte overwegingen waren geweest tijdens de meidagen. Als ze dat wel waren, mag men toch wel met een gerust hart spreken van controversieel krijgsbeleid door de majoor.

De Mijlweg leidde niet naar de brugoprit, maar richting Dokbrug, in de open omgeving onder de verhoogde verkeersbrug. Dat was de sector Weeskinderendijk / 's Gravendeelse dijk, volledig door de Duitsers beheerst gebied. Voorbij de vijfsprong (6) begon de Mijlweg te zakken (de rijksweg dus te stijgen), waardoor de rechterflank voor de kopgroep weliswaar beschut was (ook een argument dat Ravelli in januari 1941 zijdelings aanvoerde), maar waardoor men enorm kwetsbaar zou zijn voor een tegenstander die het rechter talud van de Rijksstraatweg zou bezetten. Bovendien zou vuur in lengterichting van de Mijlweg dodelijk zijn voor iedere colonne die zich daarop zou bevinden, want de weg was kaarsrecht en vanaf de Glazenstraat tot aan het verkeersplein s'Gravendeelse dijk / Weeskinderendijk te bestrijken door vuurorganen. Waarom majoor Ravelli niet koos voor een parallel optrekken van twee kleine stoottroepverbanden op beide hoofdwegen, is slechts gissen. In deze fase leek het – zoals eerder gezegd – al onverstandig voorbij de Glazenstraat op te trekken. Maar door daarnaast de laagste weg als (enige) opmarsroute te kiezen, nam de BC wel een erg groot risico. Te meer daar geen verkenners vooruit waren gestuurd, althans hiervan op geen enkele wijze melding wordt gemaakt in de diverse verslagen [100b, 101a].

(6) Zuiver gesproken was er geen vijfsprong. De rijksstraatweg liep ongelijkvloers gekruist voorbij. Over de rijksstraatweg lag een hoge loopbrug, waar Mijlweg en Glazenstraat elkaar ter linker (westelijke) zijde en Admiraal de Ruyterweg en Zuidendijk ter (oostelijke) rechterzijde kruisten. Beide kruispunten aan weerszijde van de loopbrug waren enigszins verhoogd ten opzichte van de in het midden, vrijwel rechtdoor en vlak lopende rijksstraatweg. Gemakshalve wordt echter van een vijfsprong gesproken.

Wat volgde was een zo mogelijk nog opmerkelijker kwestie. Majoor Ravelli gaf het bevel aan kapitein van den Bosch om met zijn compagnie op de ingenomen positie - die dus reeds min of meer ontdekt was - te blijven liggen tot de ochtendschemering werkelijk doorbrak. Vervolgens diende de compagnie op te lossen [sic] en in noordelijke richting contact te maken met eigen troepen in de zuidrand van Dordrecht [100b, 101a]. Het voorgaande is vrijwel letterlijk wat de majoor zijn commandant van de kopgroep opdroeg. Een onbegrijpelijke instructie, in meerdere opzichten. Ten eerste lijkt het erop dat de majoor wel een buitengewoon opmerkelijke perceptie had bij wat het zuiden van Dordrecht was. Want gelegen noordelijk van de vijfsprong van wegen, zat zijn kopgroep reeds op dezelfde hoogte als de noordgrens van Krispijn. Het Sportfondsenbad lag slechts zo’n 250 meter noordelijker! Ten tweede had de majoor kennelijk de veronderstelling dat het door de Duitsers beheerste terrein zich nog heel kort op de bruggen bevond, want een instructie om vanuit een positie boven de vijfsprong noordwaarts contact te maken met eigen troepen, zou onherroepelijk leiden tot het kruisen van de oprit van de verkeersbrug. De majoor motiveerde in zijn verslag zijn instructie aan de CC met de argumenten dat bij donker de kans groot zou zijn dat de compagnie door Nederlandse mitrailleurs zou worden beschoten [100b]. In welke mate dat zijn, in de basis onlogische, instructie verklaart daarom maar dwars voor het vijandelijke front langs te trekken, ontgaat auteur dezes geheel. Immers het ene gevaar ontzenuwen door een minstens zo'n groot ander gevaar op te zoeken, getuigt niet van visie of logica.

Wat opvalt is dat de majoor Ravelli in zijn verslag de suggestie wekt niet te hebben kunnen bepalen of de mitrailleursalvo’s die als eerste gehoord waren, en die 1-I-34.RI in dekking dwongen, vijandelijke salvo’s waren [100b]. Nu is het vanzelfsprekend mogelijk dat de majoor een Nederlandse inzet van veroverde Duitse wapens overwoog, maar het geluid van een Duits wapen zou hem in elk geval waakzaam hebben moeten maken. Het geluidsverschil tussen de Nederlandse en de Duitse mitrailleurs was zo navenant, dat zelfs voor een leek vast te stellen viel welk wapen afgevuurd werd. Het staccato mechanische gerammel van de traagschietende Lewis, Schwarzlose of Vickers, versus het beduidend hogere en fellere machinale geratel van de vuurspuwende MG.34 was voor vrijwel iedere militair na introductie van deze strijdgeluiden te onderscheiden. Daarbij stelde de majoor vast [100b] dat het vuur uit noordelijke richting kwam, ofwel de omgeving van de verkeersbrug. Hoe kon majoor Ravelli in hemelsnaam voor zichzelf de vraag niet beantwoorden of dit Nederlands of Duits vuur was, vraagt de achteloze lezer zich af?

Nadat majoor Ravelli aan kapitein van den Bosch van 1-I-34.RI de instructie als eerder beschreven had gegeven, besloot de majoor dat hij zuidwaarts langs de weg afzakkend zijn beide eigen compagnieën van zijn instructie op de hoogte zou gaan stellen [100b]. Kennelijk vond hij het niet meer voor de hand liggend deze instructies per ordonnans of middels zijn adjudant te distribueren en zelf op de vijfsprong te blijven om direct handelend te kunnen optreden als daartoe noodzaak zou ontstaan. In de wetenschap zijn kopgroep even daarvoor niemandsland te hebben ingestuurd, en het feit dat hij zijn plaatsvervanger [kapitein Belgraver] met zijn compagnie als derde eenheid in de colonne had aangewezen, een wederom te bekritiseren besluit. Het ontbrak zo immers geheel aan bataljonsleiding vlakbij de kopgroep.

Nadat de vijfsprong was verlaten, fietsten de majoor en zijn adjudant zuidwaarts richting de volgende eenheid, 1-II-28.RI [100b]. Kapitein Schouten, commandant van deze compagnie, bevond zich aan de kop van zijn eenheid. Maar voordat de BC en zijn adjudant de compagniestaf bereikten, kraakte een geweerschot door het donker. Luitenant van der Have werd in de buik getroffen en zakte naast de BC ineen [100b]. Een zenuwachtige korporaal (7) van de stafgroep van 1-II-28.RI had in het donker de beide officieren niet herkend en overspannen de trekker overgehaald. Kort nadien stierf de luitenant-adjudant aan zijn verwondingen [100b].

(7) De naam van de betreffende korporaal is – met enig voorbehoud – bekend, maar wordt bewust niet genoemd. Het dient naar mening van auteur dezes geen enkel (historisch) doel om een dergelijk tragisch voorval op te hangen aan een naam. Overigens is opvallend dat Nederlandse verslagen - op één na - in het geheel niet vermelden dat het een eigen kogel was die de luitenant doodde. Kennelijk had men geen behoefte een dergelijk negatief geladen feit zorgvuldig te vermelden. Bekend is dat de verslagen van II-28.RI door majoor Ravelli zeer zorgvuldig zijn geredigeerd en in meerdere gevallen aanmerkelijk werden aangepast. De luitenant Zeeman - verbindingsofficier van de majoor - getuigt hiervan in een naoorlogse verklaring aan zijn schoonzoon Hans Mol, de historicus die het geval bestudeerde.   

Na dit ongetwijfeld voor de officieren en betrokkenen shockerende voorval – er waren immers tot dat moment nog nauwelijks slachtoffers gevallen – werd de kapitein Schouten ingelicht over het plan de campagne. Helaas vermeldt majoor Ravelli niets over die instructies in zijn verslag en ontbreekt (wegens later sneuvelen) een verklaring van de kapitein [100b]. Maar de instructie is omstandig wel te duiden, omdat 1-II-28.RI zich nadien ontwikkelde langs de Glazenstraat en de Zuidendijk [100b]. Uit verslagen van andere leden van de compagnie (dan de CC) valt op te maken dat tenminste twee secties zich (links) langs de Glazenstraat ontwikkelden en tenminste één sectie (rechts) langs de Zuidendijk kwam te liggen. Waar de vierde sectie en de twee zware mitrailleurs van de aangesloten MC sectie werden geplaatst [waarvan onzeker is of ze überhaupt zover voorwaarts meekwamen] is niet op te maken uit de verslagen. Men zou zich kunnen voorstellen dat met de beide zware mitrailleurs opstellingen aan weerszijde van de vijfsprong werden ingenomen om op korte afstand kruisvuur in noordelijke richting te kunnen geven, hoewel de werking daarvan wegens de hoge talud van de nieuwe Rijksweg beperkt zou zijn. Met nadruk zij gezegd dat dit een voorstelling van zaken is, die op geen enkele wijze terug te verwijzen is naar gegevens in de krijgsverslagen.

Nadat kapitein Schouten was ingelicht, toog de BC naar de commandant van 2-II-28.RI, de kapitein Belgraver [100b]. De kapitein had reeds zijn compagnie aan de linkerkant van de weg – tussen Bos van Blussé en de Glazenstraat – gedekte opstellingen laten innemen [100b]. Al doende werd door de aan de Zuidendijk vertoevende luitenant Ruige [14.C.Pn] contact gemaakt met de kapitein. De luitenant informeerde de kapitein over wat hij wist van de Duitse posities – o.m. dat er enkele Duitse mitrailleurs rondom de verkeersbrug met vuurfront zuid stonden opgesteld – en gaf bovendien aan dat hij in zijn commandopost [CP] aan de Zuidendijk een werkende telefoonverbinding met het kantonnementsbureau had [100b, 191]. Daarna vertrok luitenant Ruige weer naar de overkant van de straat. Enige tijd nadien kwam de BC aan bij kapitein Belgraver. De laatste werd geïnformeerd omtrent de plannen van de majoor, en instructie gegeven contact op te nemen met de overste Mussert op de CP van luitenant Ruige [100b].

In de terzake meest bekende publicaties en literatuur [1, 30, 52] is bij de bespreking van deze episode van het bataljon Ravelli nooit enige aandacht geschonken aan al deze microtechnische ontwikkelingen. Men hield het op de hoofdlijnen, praatte de oorspronkelijke onderzoeken van de defensie onderzoekscommissie en Stafwerk na en vergat te studeren op de details die deze episode in de juiste verhoudingen hadden kunnen zetten. De literatuur suggereert dat de kopgroep van het bataljon ineens overvallen werd, en daardoor suggereert men met name dat voordien geen sprake was van enige vorm van bezinningsmogelijkheid bij het hoger kader. Als men echter de ontwikkelingen volgt, dan kan men nagaan dat er nog aanzienlijke tijd verliep tussen de eerste losse salvo’s die Duitse mitrailleurs in het pikkedonker afgaven op de Mijlweg en omgeving en de feitelijke rampzalige overval die aanzienlijke tijd later pas volgde.

Recapitulerend. De status quo vlak voor de overval was dus als volgt. Ongeveer honderd tot honderdvijftig meter ten noorden van de vijfsprong lag de kopgroep van 1-I-34.RI in dekking, waarbij het gros der manschappen zich tegen het tweemeter hoge talud van de Rijksweg had aangelegd. Even verderop langs de Glazenstraat lagen (tenminste) twee secties van 1-II-28.RI. De Glazenstraat lag op hetzelfde niveau als de Rijksstraatweg, want de toenmalige Mijlweg liep omlaag, waardoor de licht omhoog lopende Rijksstraatweg zich ten opzichte van de Mijlweg ook op een talud bevond. De secties van 1-II-28.RI zouden dus vanuit hun posities dekkingsvuur moeten kunnen geven in geval van een vijandelijke vuuroverval. Buiten beeld – althans voor de kopgroep – lagen de manschappen van 1-II-28.RI die op de hoek Zuidendijk – Admiraal de Ruyterkade lagen en de secties van 2-II-28.RI, die onder de vijfsprong in het veld lagen, bij de Villa van de familie Koopman en deels in de velden van de kwekerij die tussen het Bos van Blussé en de Glazenstraat lag.

De opponent

Het is dan interessant om te kijken tegen wie 1-I-34.RI optrok.

De zuidelijke perimeter van het Duitse bruggenhoofd rond de bruggen werd bezet door de restanten van 2./FJR1 [451] en het licht versterkte peloton van 3./FJR1 onder Oberfeldwebel Hoffmann [453]. Daarnaast had bataljonscommandant I./FJR1 Hauptmann Erich Walther aan de Weeskinderendijk in bakkerij Jongerius zijn Batallionsgefechtsstand [=CP] ingericht, maar het gros van zijn staf - Unterstab II - bevond zich (tot en met de 12e mei) in Tweede Tol [450]. Op zijn staf had hij slechts enkele manschappen om zich heen. In de School met den Bijbel, gelegen aan de toenmalige Mijlweg, was een hulpverbandplaats ingericht en werden bovendien krijgsgevangenen vastgehouden, met name die van de beide luchtafweerpelotons, die in de ochtend van 10 mei bij de bruggen gevangen waren genomen. De 4e Kompanie had rust gekregen rond het nachtelijk uur [454]. De eenheid had naast ongeveer een twintigtal slachtoffers (doden en gewonden) een gehele Zug minder [Oberleutnant Eckleben was immers met zijn gehele peloton bij Ypenburg geland] [454]. De eenheid had slechts twee mortieren en had bovendien niet alle zware mitrailleurs voorhanden. De beide mortieren [AG: voor één mortier is bewijs, de tweede is speculatief] werden nabij de Weeskinderendijk in de schaduw van het hoge talud opgesteld, terwijl de mitrailleurgroepen rust kregen aan de luwe zijde van de Weeskinderendijk. [454]

CP Hauptmann Walther

De buitengrens van het Duitse bruggenhoofd in de nacht van 10 op 11 mei bevond zich zo’n 100 meter ten zuiden van de opgang van de brugoprit [451]. De 2e Kompanie bestond nog uit ongeveer een 80-90 man, meer niet. Ze hadden aanzienlijke verliezen aan doden en gewonden geleden, een Gruppe die niet was afgesprongen (en pas op 12 mei via Waalhaven zou arriveren) en bovendien tenminste een Gruppe achtergelaten bij Tweede Tol op de eerste oorlogsdag [451]. Het gros van de compagnie had posities ingenomen aan de zuidoost zijde van de brugoprit, waardoor zij richting het door de Nederlanders bezette Sportfondsenbad front innamen. Een kleine vertegenwoordiging van de compagnie had enige voorposten ingenomen langs de zuidelijke perimetergrens. [451]

De formatie die Oberfeldwebel Hoffmann onder bevel had bestond uit zijn eigen peloton, ongeveer nog dertig man sterk, en een tiental manschappen die uit de omsingeling bij de Polder had weten te ontsnappen. Veertig man dus. De delegatie van 3./FJR1 bezette de oprit van de verkeersbrug zelf en had daartoe in het talud enige grotere schuttersputten gegraven, die hen zowel gezichts- als gevechtsdekking boden. Zij zou uiteindelijk aan de Zwijndrechtse zijde van de brug blijven [453].

Weeskinderendijk

In het Duitse verslag van 2./FJR1 komt dan een zeer opmerkelijke passage voor, die op de overval van de Duitse parachutisten op het bataljon Ravelli een 'nieuw' licht schijnt. Dat citaat is zo opmerkelijk dat het hier in zijn geheel wordt gegeven [451]:

» 2.15 Uhr [NL tijd: 00.35] nimmt Lt. Graf von Blücher, der sich mit dem Obergefr. Delfs auf Kontrollgang befindet am Südrand des Sicherungsgürtels einen holländischen Soldaten gefangen, der mit einem Rad die Strasse entlang Richtung Dortrecht [sic] fährt. Vom Kp-Chef wird Lt. Graf von Blücher mit dem Verhör des Gefangenen beauftragt, dass nach einstündiger Vernehmungen ergibt, dass der Gefangene sich auf einer Meldefahrt vom Kp-Chef zum Btl-kdr, den er in Dortrecht [sic] glaubt, befindet. Nach seiner Aussage steht die holländische Kp. als Spitzenkp. vor einem Btl. nach einem Nachtmarsch von ’s Gravendeel nach Übersetzung über den Dortsche [sic] Kil 500 Meter vor der eigenen Sicherungslinie. Nach Meldung beim Kp-Chef wird Lt. Graf von Blücher der verstärkte Ausbau der Sicherung nach Süden befohlen, deren Schwerpunkt an der Strasse liegen soll.

Im Morgengrauen greifen auch die ersten feindlichen Kräfte an und werden mit starken Verlusten zurückgeschlagen. Auf Befehl des Btl-Kdr darf sich die Gefechtstätigkeit der Kp. nur auf die reine Verteidigung beschränken. Ein Gegenangriff wird daher nicht durchgeführt.  «

Vertaling door auteur: “Om 0215 neemt luitenant Graf von Blücher, die samen met de Obergefreiter Delfs een controleslag maakte langs de opstellingen aan de zuidelijke beveiligingsgordel, een Nederlandse soldaat gevangen, die zich te fiets langs de straat richting Dordrecht verplaatste. De compagniescommandant geeft luitenant von Blücher opdracht de gevangene te ondervragen, hetgeen na een uurlang verhoor oplevert dat de gevangene zich met een boodschap van zijn CC voor BC richting Dordrecht – waar hij deze aanwezig achtte – op weg bevond. Volgens zijn zeggen is zijn compagnie de kopgroep van een bataljon, dat zich na een nachtmars van ’s Gravendeel – na te zijn overgezet over de Kil – op slechts 500 meter afstand van onze beveiligingsperimeter. Nadat dit bericht bij de CC is gemeld krijgt luitenant von Blücher opdracht de zuidelijke beveiliging te versterken, waarbij het zwaartepunt zich langs de straatweg dient te bevinden. In de ochtendschemering vallen ook de eerste vijandelijke formaties aan en deze worden met zware verliezen afgewezen. Op bevel van de bataljonscommandant beperkt de compagnie haar acties tot zuiver verdedigende handelingen. Een tegenaanval wordt daardoor niet uitgevoerd. 

Het laatste deel van het citaat – dat, vooruitlopend op de gebeurtenissen die nog beschreven moeten worden, hier vast is gegeven – zal in de analyse van het gevecht nog een rol van betekenis spelen. Voornamer is de melding van de gevangenneming van een ordonnans. Het wegzenden van die ordonnans – die volgens het Duitse verslag tot de kopgroep van het bataljon (en dus 1-I-34.RI) behoorde – is in de Nederlandse verslagen niet terug te vinden. Niet zo heel vreemd, daar de CC tijdens de strijd zou worden gedood en zijn verslag dus ontbreekt. Logisch zou het uitzenden van die ordonnans wel zijn geweest, zelfs verstandig. De lezer herinnert zich het bevel aan de kopgroep dat er contact gezocht moest worden met Nederlandse troepen aan de zuidwest zijde van Dordrecht. Het Duitse verslag meldt heel uitdrukkelijk dat de ordonnans de Nederlandse bataljonscommandant in Dordrecht ‘glaubte’, ofwel ‘vermoedde’. Dat zou prima aansluiten op een hypothese dat de man inderdaad door de CC van 1-I-34.RI was uitgestuurd om snel contact te leggen, voor de kopgroep uit. Er lijkt overigens ook weinig aanleiding het Duitse verslag in deze niet te volgen. Immers, aan een heldhaftige Duitse overval op de kopgroep zou het bovenstaande citaat slechts afbreuk doen door te melden dat een ‘ordinaire verklikker’ de Duitsers wijzer had gemaakt. Men was dus aan Duitse kant gewaarschuwd voor de zaken die gingen komen. 

Weeskinderendijk

Het Duitse citaat toont aan dat de 2e Kompanie zich dus, voordat 1-I-34.RI nabij de Duitse positie is geraakt, al had geherpositioneerd en een zwaartepunt had gevormd langs de (toenmalige) Mijlweg. Ook werd de 4e Kompanie geactiveerd en werden daarvan delen ingeschakeld om het zuidelijke front te versterken [454]. Zodoende was een Duitse sterkte van circa 150-200 man gevormd die de gehele zuidoostelijke zijde van het bruggenhoofd beveiligde, met ondersteuning van lichte en zware mitrailleurs alsmede één of enige mortier(en). Men was klaar voor wat komen zou.

De vuuroverval op 1-I-34.RI

De Duitse verslagen van 2./FJR1, III.Zug 3./FJR1 alsmede 4./FJR1 maken alle drie [451, 453, 454] duidelijk gewag van een Nederlandse offensieve actie die bij het ochtendgloren werd ingezet. Opvallend is dat alle drie de verslagen eenduidig wijzen op a) een Nederlandse aanval en b) ochtendgloren alsmede louter tijdstippen van 0400 uur (omgezet naar NL tijd) en daaromtrent noemen. Nu wordt in Duitse verslagen het begrip “Angriff” [letterlijk: aanval] vaak lichtvaardig gebruikt, maar e.e.a. is wel verklaarbaar in dit geval.

Auteur dezes is er vast van overtuigd dat er om 0230 uur NL tijd – de tijd dus die massaal in verslagen en literatuur aan Nederlandse kant als het overvaltijdstip wordt aangehouden – nog geen sprake was van de vuuroverval op de kopgroep. Die in Nederlandse verslagen vaak genoemde tijd lijkt aanzienlijk te vroeg. Het was toen nog aardedonker – los van de merkwaardig genoeg nog immer brandende straatverlichting – en bovendien zou de chronologie van alle gebeurtenissen nadien behoorlijk in het honderd lopen als inderdaad al ruim voor zonsopkomst [om 0411 uur op 11 mei 1940 [3]] de overval plaatsvond. Men mag er vanuit gaan dat die dodelijke vuuroverval tussen 0330 en 0400 uur plaatsvond, zoals de over het algemeen betrouwbare Duitse verslagen ook melden.

Loopbrug Glazenstraat - Mijlweg - Zuidendijk

Er is nog een sterkere (indirecte) aanwijzing waarom die Duitse tijden waarschijnlijk accurater zijn dan de Nederlandse, en dat is de Duitse perceptie dat zij werden aangevallen. En bij hen is het moment van de aanval hetzelfde moment als bij de Nederlanders het moment van de woeste vuuroverval. De Duitsers hadden met het oog op de ontfutselde informatie alle aanleiding een aanval uit het zuiden te verwachten. Daarop werd evident actief met alle middelen verkend en toen men de kopgroep van 1-I-34.RI in het voorveld langs de Mijlweg ontwaarde – een vanuit Duitse oogpunt in elk geval vooruitgeschoven positie dicht op hun perimeterbeveiliging – kwam men vermoedelijk in de veronderstelling dat de positie door de Nederlandse kopgroep werd beslopen. Alle aanleiding voor de Duitsers om te spreken van een “Angriff”.  Dat daar aan Nederlandse zijde in die fase helemaal geen intentie toe was, maar men slechts contact wilde maken met de eigen troepen die aan de zuidwestelijke stadsrand werden verwacht, doet daar niets aan af. Aan Duitse zijde redeneerde men vanuit eigen perspectief en zag men de Nederlandse aanwezigheid zo kort op de eigen perimeter als een offensieve actie. Het waarnemen van die Nederlanders deed men vrijwel zeker bij het eerste licht van het ochtendgloren. Was voordien nog sprake geweest van waarneming door bijvoorbeeld lichtkogels (er zijn volgens rapporten diverse lichtkogels door de Duitsers afgeschoten), één van de vele brandende straatlampen of opvangen van geluid voor de eigen veiligheidsperimeter, met als gevolg een waarschuwend mitrailleursalvo, toen de werkelijke waarneming bij ontluikend zonlicht met het blote oog ontstond, en men dus doelen identificeerde, openden de Duitsers massaal het vuur. En dat vuur werd gegeven op relatief korte afstand. Want de Duitsers hadden zich zeker tot aan de linkerbasis van de Hugo de Grootstraat posities verschaft. Bovendien hadden zij al sinds de middag van 10 mei mitrailleurnesten aan de basis van de Mijlweg, die zich kaarsrecht naar het zuiden voortzette. Vrijwel zeker hadden zij ook mitrailleur- en geweerschutters die vanaf de brugoprit, de huizen aan de Weeskinderendijk, de Ozon en vermoedelijk de ’s Gravendeelsedijk vuur richting de Mijlweg konden afgeven. Een ideaal uitgangspunt voor de Duitsers, een dramatische voor de Nederlanders die compleet gevangen zaten op de open Mijlweg en geen kant opkonden.

Mijlweg

De gevolgen waren navenant. De voorste (1e) sectie van 1-I-34.RI werd vrijwel geheel gedood of gewond [31, 101a]; negen doden en drie dodelijk verwonde mannen. Sectiecommandant reserve 1e luitenant Salomon Cauveren, tevens plaatsvervangend compagniescommandant, werd dodelijk verwond aan de kop van de Mijlweg [31, 101a]. De CC, die nabij de Glazenstraat lag, werd gewond aan zijn voet [101a]. Hoewel iedere militair langs de weg zich zo klein mogelijk maakte, was er geen dekking mogelijk tegen de dodelijke bundels mitrailleurvuur die zowel enfilerend als uit de flank schuin links voor in de gelederen vielen. De helft van de voorste sectie werd door het vuur gedood, terwijl de stafgroep en de 2e sectie zich tijgerend achter de huizen van de Glazenstraat trachten te bergen [101a].

Het weerzinwekkende noodlot dat de voorste manschappen trof moet een hel zijn geweest, ook voor de overlevenden. De verschrikking van een onverwachte vijandelijke bundel vuur die in de gelederen slaat is al enorm, maar de wetenschap dat er geen dekking mogelijk is, moet hebben gevoeld als een aanstaande executie. Aan Nederlandse kant lijkt er – ook door het langs de Glazenstraat ontplooide 1-II-28.RI – geen enkele rekenschap te zijn gegeven aan vuurdekking, geen enkele alertheid te hebben bestaan onmiddellijk met de voorhanden automatische wapens onderdrukkend vuur te kunnen geven richting noorden [100b]. Er zijn slechts vertwijfelde berichten van lukraak schieten door enkele Nederlanders, maar zoals uit de Duitse verslagen alsmede de lange Duitse slachtofferregisters blijkt, was er geen Duitser die werd gedood [32, 451, 453, 454]. Dat terwijl zowel een klein deel van de 3e als de 4e Kompanie – conform Duits gebruik – direct het offensief zocht en nadrong om van de opperste verwarring aan Nederlandse kant gebruik te maken [453, 454]. Hoewel het verslag van de 4e Kompanie niet helder is in de sterkte waarmee men direct na de vuuroverval nadrong, zal dit vrijwel zeker met een peloton zijn gedaan. Daarnaast werd een Gruppe van 3.Kp voorwaarts gestuurd [453]. Geen van deze formaties leed verliezen in die fase. Een duidelijk teken aan de wand dat van effectieve Nederlandse afweer geen of nauwelijks sprake was. In tegendeel, er was – en hoe begrijpelijk is dat – totale paniek. 

Mijlweg

De twee voorste compagnieën weken terug [100b, 101a]. Waarbij het gros van 1-I-34.RI in wezen kansloos was zich veilig te stellen, want de moordende bundels mitrailleurvuur die het terrein beheersten maakten iedere sprongsgewijze terugtrekkende beweging in feite bij voorbaat tot een vrijwel zekere sprong naar de dood. De achterste sectie – de 4e – wist nog grotendeels de huizen aan de Glazenstraat te bereiken, maar de nadringende Duitsers volgden kort daarop [101a]. Ondersteund door mitrailleurvuur, handgranaten werpend en effectief Gruppe gewijs optredend zuiverden de parachutisten de eerste huizen langs de Glazenstraat en Zuidendijk. Tientallen Nederlanders moesten zich overgeven, anderen raakten gewond of sneuvelden [100b, 101a]. Opnieuw twaalf man sneuvelden of werden dodelijk gewond, allen van 1-I-34.RI [31]. Het was een regelrechte hel voor de manschappen van 1-I-34.RI en 1-II-28.RI, die zich in hoofdzaak vooraan bevonden. Volgens de voornoemde Duitse rapporten maakte men in die fase zo'n 150 gevangenen. Dat getal lijkt aardig accuraat. Vrijwel alle overlevenden van 1-I-34.RI plus de voorste sectie van 1-II-28.RI werden gevangen genomen.

Herstel van het verband

De vuuroverval op de kopgroep van het bataljon ontging in eerste instantie de bataljonsleiding [100b]. Majoor Ravelli bevond zich bij het Bos van Blussé [100b]. Hij kreeg weliswaar de salvo’s in de verte mee, maar kon zich geen beeld vormen bij wat zich daar afspeelde. Kennis van wapengeluiden had hem mogelijk een angstig voorgevoel kunnen geven van de verhoudingen tijdens het gevecht, maar uit niets bleek grote bezorgdheid [100b]. De nog dichterbij zijnde kapitein Belgraver, opvolger BC en commandant van de derde compagnie in de processie [2-II-28.RI], merkte slechts terloops in zijn krijgsverslag op dat de weg ineens onder Duits vuur lag en hij daardoor de weg niet meer kon oversteken. Door iets zuidelijker van de vijfsprong te zakken kon hij het Bos van Blussé bereiken en trof bij het oversteken van de weg terugtrekkende troepen van 1-II-28.RI, die volgens hem vermoedelijk terugtrokken door vuur van … de Wielrijders [100b]. Opnieuw een aanwijzing dat kapitein Belgraver zijn feiten al op 23 mei 1940 – zo kort na de strijd, toen zijn verslag werd geschreven – slecht op een rijtje had. Wielrijders waren nog lang niet in beeld. Maar het typeert de opvallende onwetendheid en het gebrek aan ‘lezen’ van het krijgsrumoer van ook deze officier, die zich op slechts een 500 meter afstand bevond van de hel die de kopgroep doormaakte. Of verwees Belgraver daarmee aan het feit dat hij (toch) van overste Mussert had vernomen dat er Wielrijders bij Krispijn zouden worden ingezet bij het ochtendgloren?

De delen die de kapitein Belgraver van 1-II-28.RI zag terugtrekken lichtten hem kennelijk ook niet in [100b]. Toch waren zij het die de eerste beproeving voor het bataljon konden navertellen, zonder gevangen te zijn genomen. Iets noordelijker was het gros van de achtergebleven sterkte van de compagnie verzameld rond een villa (van de familie Koopman). Deze villa lag aan de Mijlweg, enige honderden meters onder de vijfsprong. Bizar genoeg werd de villa (en de tuin eromheen) een pot stroop waar vele manschappen op afkwamen. Ook een sectie MC alsmede een sectie van 2-II-28.RI kwamen naar de villa toe en doken het struikgewas in [100b]. Ruim een honderd man lagen er toen rond de villa, zonder dat iemand van de officieren in staat was enig verband te krijgen, laat staan enige effectieve afweer te vormen. Na enige tijd wisten de reserve 1e luitenant J.C. Verheijen [C. 2e sectie 1-II-28.RI en plv CC] en reserve 1e luitenant G.C. van der Grijn [sectiecommandant 2-II-28.RI] wel enig verband te brengen in de ordeloze troep en enkele lichte mitrailleurgroepen in stelling te krijgen [100b]. Luitenant Verheijen trachtte vervolgens aan de noordrand van het Bos van Blussé manschappen in een soort van georganiseerde verdediging te formeren, wat hem slechts met de grootste moeite lukte. Toen de Duitsers ook over de Glazenstraat kwamen en daar tientallen Nederlanders gevangen wisten te nemen, week ook de frêle verdediging rond de villa richting Bos van Blussé [100b]. Opnieuw vielen er twee dodelijk slachtoffers. De aftocht van het bataljon Ravelli was daarmee compleet. Gelukkig voor hen waren de parachutisten niet van zins direct na te dringen richting Bos [451], want het had in die fase vrijwel zeker tot opnieuw een massale aftocht geleid.

Majoor Ravelli, die zoals gezegd iets ten noorden van het Zeehavencomplex was ten tijde van de overval, werd zich toch vrij snel bewust van het feit dat er grote paniek was in zijn gelederen, hoewel hij nog gissen moest naar de oorzaak. Hij constateerde veel wild geschiet door zijn manschappen en instrueerde zijn officieren daar onmiddellijk een einde aan te maken [100b]. Maar spoedig nadien werd ook de majoor duidelijk dat de Duitsers zijn kopgroep hadden overvallen en een tegenactie leken in te zetten. Niet alleen bleek dat uit de terugwijkende troepen, maar al snel sloeg ook mitrailleurvuur vanuit noordelijke richting in de bomen aan de noordzijde van het Bos van Blussé [100b]. De Duitsers hadden de Glazenstraat bereikt. Om de zaak nog verder te doen escaleren verschenen enkele Messerschmitt Bf-109’s boven de Nederlandse hoofden [100b]. Die leken spoedig de situatie te creëren waar C-Gr.Kil in de avond van 10 mei zo beducht voor was geweest. Als horzels bleven de Duitse jachttoestellen boven de Nederlandse posities rondcirkelen en vermoedelijk nadat het hen duidelijk was geworden dat ze met Nederlandse manoeuvres onder zich van doen hadden, werden een aantal vinnige uitvallen richting Bos van Blussé en de Zeehaven gedaan. Een factor die menig Nederlandse soldaat tot waanzin dreef, want tegen die vanuit het bos onzichtbare – maar o zo hoorbare – roofdieren uit de lucht was geen kruit (kruid) gewassen!

Onderwijl had majoor Ravelli via zijn verbindingsofficier contact met de kantonnementscommandant en nadat hij [verbindingsofficier luitenant Zeeman]  – vrijwel zeker – verslag had gedaan van de overval op het bataljon, kreeg het bataljon van overste Mussert opdracht om het Zeehavencomplex te bezetten en te zuiveren van Duitse elementen [100b]. Men bedenke daarbij dat wat men tot het complex Zeehaven rekende een groot gebied besloeg. Het was niet slechts de Zeehaven zelf met de noordelijke fabrieks- en handelsgebouwen, maar evenzo het gedeelte oost van de wegen tussen Zeehavenlaan en Kotterstraat. Het betreffende gebied was niet alleen de begrenzing van Dordrecht aan de zuidwestzijde, maar tevens de begrenzing van het gezagsgebied van de kantonnementscommandant van de stad. De lezer onthoudde dit in het licht van de nog volgende uitgebreide analyse van overste Mussert zijn vermeende opdracht aan kapitein Belgraver om Amstelwijk aan te vallen!

Nadat het bevel tot bezetten van het Zeehavengebied was gegeven, werd kapitein Belgraver geïnstrueerd met zijn compagnie – althans wat daarvan resteerde – vast te stellen of er Duitse elementen in het betreffende gebied waren. Die bleken er niet te zijn [100b]. Majoor Ravelli kwam zelf pas nadien binnen het complex, nadat de troepen erin waren geslaagd om een overgang over de brede sloot langs de zuidzijde van het bos te fabriceren. De bataljons CP werd ingericht in een kantoortje rechts naast een grote fabrieksloods, waar de werkende telefoonverbinding met de kantonnementscommandant was [100b]. Opdracht werd gegeven om met de restanten van de eerste en tweede compagnie – 1-I-34.RI was vrijwel geheel gevangen genomen of anderszins uitgeschakeld – een defensie te vormen [100b]. De ongeveer nog twee secties sterke 1-I-28.RI kreeg opdracht de noordzijde van het Zeehavencomplex (links van de weg) te bezetten, terwijl de nog drie secties sterke 2e Compagnie de oostzijde bezette met twee secties en de zuidzijde met één sectie. Een kleine sectie van voornamelijk bataljonsstaftroepen werd aan de rechterzijde van de weg aan het hoofd van het viaduct geplaatst [westelijke kop Zeehavenlaan]. Zo consolideerde Ravelli zijn positie [100b].

Het verslag van majoor Ravelli vermeldt echter niet dat tijdens de vorming van de nieuwe beveiliging rond de Zeehaven opnieuw met overste Mussert contact werd gelegd. Verbindingsofficier Zeeman nam dit wel op in zijn verslag [100b, specifiek het verslag J. Zeeman, 1984]. De Duitse parachutisten bleven volgens de Nederlandse officieren nadringen en legden constant – opnieuw volgens de Nederlandse verslagen – vuur op het bos, waarvan uitlopers ook de gebouwen in het Zeehavencomplex schenen te raken [100b]. Nederlands vuur was ook steeds te horen komende met name uit het boscomplex. Het was aanleiding voor majoor Ravelli – zo schrijft 2e luitenant Zeeman in zijn verslag – om overste Mussert versterking te vragen. Die gevraagde versterking werd toegezegd door de kantonnementscommandant in de vorm van twee compagnieën Wielrijders die via de Zuidendijk zouden assisteren en zodoende in de flank zouden komen van Duitse agressors noord van de Zeehavenlaan en het Bos van Blussé [100b, inclusief verslag J. Zeeman, 1984].

Omdat majoor Ravelli deze opmerkelijke passage niet in zijn krijgsverslag opnam, en het verslag van luitenant Zeeman (kennelijk) nooit gevraagd werd door de onderzoekscommissies van Nierstrasz en van Hilten, ontstond een geheel andere officiële reproductie van deze episode in de strijd rondom Dordrecht in mei 1940 dan indien de feitelijke gebeurtenissen waren gevolgd. Een reproductie die kennelijk door majoor Ravelli en kapitein Belgraver, de meest prominente getuigen, nooit werd weersproken of gecorrigeerd, althans, waarvan geen blijk wordt gegeven in de voorhanden bronnen. Kwalijk, zoals zal blijken uit een uitgebreide analyse van wat waarschijnlijk in werkelijkheid is gebeurd in deze tumultueuze uren van de strijd, en waaruit zal blijken welke rol overste Mussert daarin vermoedelijk werkelijk gespeeld heeft.

Wielrijders in de aanval

Ze kwamen al voorbij, bij de bespreking van de eerder behandelde, vermoedelijk imaginaire, Duitse parachutistenlanding aan de Zuidendijk: de Wielrijders. [104c] Reserve majoor (Jonkheer) W.A. van den Bosch, commandant van III-2.RW, had in de late avond van 10 mei opdracht ontvangen zich met zijn bataljon te doen laten overzetten bij Papendrecht, nadat de overgang via Alblasserdam gebleken was onmogelijk te zijn. In Dordrecht aangekomen zou de BC zich bij de kantonnementscommandant vervoegen voor nadere opdrachten. Het bataljon was gearriveerd met een sectie mortieren en een sectie PAG.

Kort na middernacht meldde de majoor zich bij de staf van het Dordtse garnizoen en kreeg de opdracht het Oranjepark en belendende huizenblokken te zuiveren van vermoedde vijand [104c]. Opnieuw bezwaard het ontbreken van gegevens van het kantonnement een alleszins betrouwbare analyse van het hoe en waarom. Zonder die gegevens kan men slechts enige voorzichtige verwondering uitspreken over deze opdracht. Overste Mussert had immers om gevechtstroepen gesmeekt – letterlijk – om zich offensief tegen de Duitsers te kunnen verzetten, in het bijzonder tegen het Duitse bruggenhoofd langs de rivier. Het is dan niet direct te verklaren waarom het gearriveerde gevechtsbataljon van de Lichte Divisie opdracht kreeg huizen en een park te zuiveren van vijand. Voor een dergelijke opdracht hadden de garnizoenstroepen ook uitstekend gebruikt kunnen worden. Anderzijds was de overste wellicht niet blind voor de verwachtte meerwaarde die gevechtseenheden bij dergelijke infanteristische handelingen zouden kunnen bieden.

Het bataljon kwam spoedig in het Oranjepark aan, waar het zich ontplooide en posities innam. Ook het Park Merwesteijn alsmede enkele aanpalende gebouwen werden bezet. Huizen die werden doorzocht gaven geen Duitser prijs [104c].

Ravelli en Van der Have

[104c] Rond 0400 uur kreeg de BC telefonisch opdracht van C-Kant om met twee compagnieën de artillerie eenheden bij Dordtwijk te versterken, waartoe de BC de 1e [C. Kapitein H. Wijers] en 3e Compagnie [Ritmeester H.S. Stas] aanwees, ondersteund door twee secties van de MC en een sectie mortieren. C-1e Cie was bevelhebber over het geheel. De 2e Compagnie kreeg opdracht om door de beide Depotcompagnieën in Krispijn gemelde Duitse infiltranten in de wijk – hoogstwaarschijnlijk nog enkele kleine groepjes overlevende 3./FJR1 leden – op te ruimen.

[104c] De 2e Compagnie trok vanuit het oosten Krispijn binnen en vond daar geen enkele Duitser. Dat die Duitsers daar door de beide depotcompagnieën waren gemeld, deed niets af aan het feit dat men deze ‘onbegrijpelijke’ opdracht later als een teken van verdacht beleid van overste Mussert zou beschouwen. Dat de opdracht vanuit de optiek van de kantonnementsstaf wezenlijk was omdat de eigen depotcompagnieën melding hadden gemaakt van beschieting door Duitsers, deed kennelijk niet terzake. Men bedenke echter dat de verslagen werden geschreven in een tijd dat overste Mussert niet verdacht werd van verraad, maar dat dit verraad – voor de gewone militair – vaststond. Zoals wel meer hardnekkige onwaarheden of onzuiverheden in die dagen verankerd werden in de geheugens van de (oud) strijders.

De beide andere compagnieën vertrokken over twee zuidelijke routes richting de Zuidendijk. Zoals ook kapitein Wijers in zijn verslag duidelijk meldt, zag men tijdens de opmars parachutisten landen. Hij specificeerde die locatie als volgt [104c]:

» Juist toen de 1e Compagnie tot ontwikkeling zou worden gebracht, daalden weder vele parachutisten in de polder begrensd door de harde wegen vt. 421-107 en kwam er telefonisch bericht ogenblikkelijk af te marcheren naar Zeehaven, niettegenstaande mijn advies dat het absoluut noodzakelijk was te blijven. De twee secties MC heb ik echter opdracht gegeven te blijven «

De kaartvierkant 421-107 wijst op de wegen Zeedijk en Schenkeldijk, waarbij het kruispunt van die beide prominente dijken ruim binnen het vierkant valt. De notering van de kapitein is echter zeer onduidelijk, want zijn aantekening kan op alle polders wijzen die rondom het kruispunt Schenkeldijk / Zeedijk liggen: vier stuks. Een nadere plaatsbepaling is er dus niet uit op te maken. Wel is het opvallend dat de kapitein eigenhandig besluit om zijn enige zware mitrailleurondersteuning achter te laten – in haar geheel – in de kennelijke veronderstelling dat de Duitse parachutisten noordwaarts zullen komen. Enerzijds een staaltje initiatiefrijk handelen dat zelden werd gezien – zeker als het tegen de orders was – maar anderzijds ook te bekritiseren, omdat de kapitein onderwijl de opdracht had gekregen de door de Duitsers (vermeend) bezette c.q. bedreigde Zeehaven te zuiveren. Dat hij daartoe alle zes zijn zware mitrailleurs achterliet in plaats van bijvoorbeeld slechts één sectie, was niet erg verstandig. Maar uiteindelijk zou het wellicht toch een fortuinlijk besluit blijken, gezien de wijze waarop de actie richting Zeehaven gestalte zou krijgen …

Kapitein Wijers reproduceerde zijn verslag aan de hand van memorie, daar ook hij zijn gegevens vernietigde na de capitulatie. Het zal daarom zijn geweest dat hij meende tijdens de landing van de parachutisten nieuwe orders te hebben gekregen. In feite was het enige tijd na de Duitse landing dat hij die orders ontving. Om 0800 uur werden de orders namelijk gegeven en toen stond de Kompanie Moll al aan de grond [104c]. Mogelijk werd echter de latere parachutistenlanding rond het middaguur bedoeld, rond welke tijd de compagnieën westwaarts moesten trekken richting Zeehaven. Het wordt uit het verslag helaas niet duidelijk.  Er werd in elk geval besloten dat de 1e Compagnie via Krispijn zou aanvallen op de Zeehaven terwijl de 3e Compagnie de zuidelijke route via de Rijksweg zou nemen [104c].

Deze zuivering van de Zeehaven sector is een buitengewoon omstreden episode in de strijd aan het zuidfront van de Vesting Holland. In de literatuur wordt deze kwestie als een verwijtbare en irrationele actie bij overste Mussert voor de voeten geworpen en werd zo één der pijlers waarop het stigma ‘verraad’ – of de milde vorm ‘irrationeel beleid’ – jegens de kantonnementscommandant ruste. Uit de navolgende zeer uitgebreide analyse zal blijken dat men daarbij met zevenmijlslaarzen door de materie is gegaan en door buitengewoon veel micro details niet of onvoldoende te bestuderen vrijwel zeker tot een opvallend onzuivere reconstructie van zaken is gekomen. Men heeft daardoor Mussert veel verweten wat hem niet of nauwelijks kon worden aangerekend. Daarom volgt een uitgebreide bespreking van de gebeurtenissen rondom dat bevel tot zuivering van het Zeehavencomplex. Het beruchte bevel dat van overste Mussert is gekomen.

Analyse: Een curieuze reeks van gebeurtenissen …

De bespreking nadert thans een zeer curieuze episode van de strijd in en rond Dordrecht in mei 1940: de ochtend van 11 mei in de zuidwestelijke sector net buiten Dordrecht, waarbij vanuit het kantonnementsbureau opdrachten kwamen die in de literatuur als buitengewoon omstreden zijn geafficheerd. Het betreft een episode die bij de toenmalige (en de latere) beschuldigingen van (vermeend) verraad zijdens kantonnementscommandant overste Mussert, een hoofdrol speelde. Deze episode is in diverse bekende werken over de strijd prominent besproken. Het is een complex geheel aan samenkomende gebeurtenissen en wordt daarom uitgebreid over het voetlicht gebracht.

Citaten

Omdat het zo cruciaal is voor het begrip van de lezer, en de toetsbaarheid van een analyse van de gebeurtenissen, volgen hieronder eerst enige lange maar voor het besprokene relevante citaten uit bekende auteursrechtelijk werken. Met (...) worden kortere of langere niet weergegeven (irrelevante) delen uit de citaten overgeslagen. Het citeren van deze vrije aanzienlijke delen uit de bekende werken scheelt de lezer het openen van de diverse bronnen, als deze al voorhanden zijn.

Citaten uit het stafwerk Zuidfront [1; pg. 50 – 54]:

» (…) Hierbij bleek dat de laatstgenoemde [AG: kapitein Belgraver, C 2-II-28.RI] intussen verbinding had gekregen met de luitenant Ruige van 14.C.Pn, die zich met een sectie pioniers en enige zware mitrailleurs in de noord-westpunt van de wijk Krispijn had verschantst. Deze luitenant had medegedeeld, telefonisch met de Kantonnementscommandant van Dordrecht in verbinding te staan en hard er voorts op gewezen dat ten noorden van het bataljon één of meer Duitse mitrailleurs waren opgesteld. De BC droeg C-2-II-28.RI, kapitein H.H.G. Belgraver, op, telefonisch verbinding op te nemen met de Kantonnementscommandant en begaf zich enige tijd later naar de veelsprong. (…)

Hier bereikte hem [BC] C-2-II-28.RI die inmiddels telefonisch contact had gehad met de Kantonnementscommandant van Dordrecht en namens deze het bevel bracht om met één compagnie een aanval te doen op Amstelwijk, welke aanval zou worden gesteund door een compagnie wielrijders. Daar dit bevel kennelijk van een onjuiste beoordeling van de toestand uitging – Amstelwijk was immers niet door de vijand bezet – deed de BC door de res. 2e luitenant J. Zeeman, die zijn gesneuvelde adjudant had vervangen, nogmaals telefonisch verbinding met de Kantonnementscommandant opnemen en de toestand uiteenzetten. Deze beval toen het complex Zeehaven te zuiveren en te bezetten. (…)

Op 11 mei te omstreeks 1.00 was het bataljon [III-2.RW] overgezet en meldde de BC zich bij de Kantonnementscommandant. Deze droeg hem op het bataljon op te stellen in het Oranjepark en het daaraan grenzende Park Merwestein, gelegen in de oostelijke buitenwijken van Dordrecht; in de omgeving van een in de wijk Krispijn gelegen school moest de BC huizen doen doorzoeken [sic], waaruit de eigen troepen zouden zijn bevuurd. Nadat het bataljon in het Oranjepark met veiligheidsmaatregelen was ondergebracht (…) zond hij zijn 2e Compagnie versterkt met een sectie zw.mitr., onder bevel van res. kapitein A.G. Fortgens, naar de wijk Krispijn. Het onderzoek leverde evenwel geen enkel resultaat op en de compagnie keerde na enige tijd naar het Oranjepark terug. Tijdens de mars naar Krispijn zag de compagnie in het zuiden een honderdtal valschermjagers afspringen. Waarschijnlijk in verband hiermee [sic] gaf de Kantonnementscommandant omstreeks 0400 uur aan C-III-2.RW opdracht het bij Dordtwijk (ten westen van Dubbeldam) aanwezige personeel van III-14.RA te versterken. (…)

Juist wilde kapitein Weijers de 1e Compagnie tot ontwikkeling brengen, aangezien een groot aantal valschermjagers in het voorterrein daalde, toen hij omstreeks 8.30 van de BC, waarmede hij over het rijkstelefoonnet verband had opgenomen, bevel kreeg, met de beide compagnieën een aanval te doen op het complex Zeehaven en dit te nemen. Hoewel de kapitein er op wees, dat het z.i. noodzakelijk was, ter plaatse te blijven, bleef het bevel gehandhaafd. De kapitein liet toen de zware mitrailleurs ter versterking van de artilleristen achter en beval C-3e Compagnie, res. ritmeester H.J. Stas, over Amstelwijk op te rukken en Zeehaven uit het zuiden aan te vallen, terwijl hij met zijn eigen compagnie en de mortiersectie via Krispijn naar Zeehaven marcheerde, teneinde dit complex uit het oosten aan te vallen. (…)

De 3e Compagnie ontmoette bij Amstelwijk een Duitse patrouille, die met achterlating van één gesneuvelde uitweek; zij doorzocht dit buiten dat verlaten werd bevonden, behoudens de hier nog steeds aanwezige hulpverbandplaats. (…) De wielrijders ontwikkelden zich vervolgens tegen de zuidzijde van Zeehaven. Zoals vermeld was dit terreingedeelte bezet door 2-II-28.RI en gelukkig bemerkte men bij dat onderdeel, door eigen troepen te worden aangevallen, zodat door zwaaien met zakdoeken verbinding met de wielrijders kon worden verkregen. De beide compagniescommandanten doorzochten gezamenlijk nogmaals de Zeehaventerreinen, zonder een spoor van vijand aan te treffen, waarna ritmeester Stas zich telefonisch met zijn BC in verbinding stelde en met diens machtiging naar het Oranjepark terugkeerde. Voordat deze compagnie was afgemarcheerd ontving II-28.RI vuur uit oostelijke richting van 1-III-2.RW. De daarbij ingedeelde mortiersectie verschoot dertig projectielen op de loodsen in de noordoosthoek van het terrein, welk gedeelte door 1-II-28.RI was bezet. Na veel roepen en zwaaien, het doen blazen van het Wilhelmus en het uitzenden van een patrouille, slaagde C-II-28.RI, majoor Ravelli, (…) er eindelijk in het vuur te doen staken. (…)

Majoor Ravelli had intussen te 10.00 en 12.00 telefonisch verbinding opgenomen met de Kantonnementscommandant te Dordrecht, deze de toestand bij Zeehaven uiteengezet en de opdracht ontvangen naar het noorden door te dringen en de vijand van de Zwijndrechtse brug te verdrijven.«

Citaten uit “Opmars naar Rotterdam", [30; dl.1, pg. 196], van auteur E.H. Brongers:

» Onze troepen kregen contact met de Nederlandse pioniers die zich in de noordwesthoek van de wijk Krispijn hadden verschanst en via een daar aanwezige telefoon werd de kantonnementscommandant van Dordrecht op de hoogte gesteld.

Omstreeks 02.30 uur, bij het eerste morgenlicht, gebeurde het. [AG: waarna een citaat volgt over de overval op de kopgroep van Ravelli, wat in casu irrelevant is]. (…)

Ondertussen had een kapitein weer telefonisch contact met de overste Mussert gehad. Deze had hem de vreemde opdracht gegeven, zijn bataljonscommandant te zeggen op Amstelwijk aan te vallen; een aanval die door wielrijders zou worden ondersteund. Ravelli was stomverbaasd. Amstelwijk was immers in Nederlandse handen. Hij hield het er maar op dat Mussert de toestand verkeerd beoordeelde en liet hem weer opbellen om de werkelijke situatie nogmaals uiteen te zetten. De Kantonnementscommandant hoorde het aan en gaf vervolgens bevel de omgeving van de Zeehaven te zuiveren en te bezetten. Bij de uitvoering werden geen Duitsers aangetroffen.

Terwijl de uit het noorden opdringende vijand met veel moeite werd tegengehouden, kreeg het gehavende bataljon ook nog vuur uit oostelijke en zuidelijke richting. Het waren de door Mussert gestuurde wielrijders, die hij kennelijk niet meer had kunnen tegenhouden! Verder is het niet duidelijk waarom hij ze op de Zeehaven liet aanvallen; tevoren had hij immers Amstelwijck als doel genoemd

Voor het overige volgt E.H. Brongers terzake het stafwerk vrijwel letterlijk en is nader citeren dus overbodig.

Een citaat uit “Mei 1940 – De strijd op Nederlands grondgebied” 2e druk, [52; blz 345-347, auteur H.W. van den Doel]:

» Inmiddels had de commandant van de Groep Kil, kolonel van Andel, niet stilgezeten. Toen hij in de morgen van de 10e mei de indruk kreeg dat Dordrecht verloren dreigde te gaan, besloot hij het IIe Bataljon van het 28e Regiment Infanterie van majoor D.P. Ravelli bij ’s Gravendeel de Dordtse Kil te laten oversteken, teneinde de stad te ontzetten. Het duurde geruime tijd vóór de troep bijeen was. Pas om zeven uur in de avond konden de ongeveer duizend man [sic] van het versterkte bataljon via de Wieldrechtse veer de Kil oversteken. Hierna liep de opmars voorspoedig. Maar nadat de duisternis was ingevallen, liet Ravelli halt houden [sic], dit tot groot ongenoegen van kolonel Van Andel, die het bevel gaf: “Onverwijld doorstoten!”. Ravelli achtte een opmars in noordoostelijke richting – in de richting van het centrum van Dordrecht – echter niet verstandig en besloot rechtstreeks in de richting van de bruggen over de Oude Maas te trekken. Alles leek goed te gaan totdat om 02.30 uur [sic] de voorste compagnie van twee kanten onder vuur werd genomen. Grote verwarring was het gevolg. “Terug, terug!”, werd er geschreeuwd en velen gingen in het wilde weg schieten. “Met de grootste moeite slaagden de officieren erin het vuren van de eigen troepen te doen bedaren. Herhaalde malen liepen wij ernstig gevaar door eigen manschappen te worden beschoten”, aldus Ravelli later. Eén compagniescommandant, reserve-kapitein W.J.C. van den Bosch, één luitenant en negentien onderofficieren en manschappen sneuvelden. Een aantal soldaten vluchtte terug naar het Wieldrechtse veer en verspreidde in de Groep Kil het bericht dat II-28.RI vernietigd was.

Deze mededeling was wat voorbarig. Ravelli slaagde er namelijk in van zijn bataljon weer min of meer een eenheid te maken. In de ochtend van 11 mei trachtte hij voor de tweede maal de bruggen over de Oude Maas te bereiken. «

In bovenstaand citaat valt op dat zowel de merkwaardige actie van II-28.RI tegen Amstelwijk in de avond van 10 mei alsmede de hele interactie van III-2.RW en II-28.RI totaal onbesproken blijft. Het is in wezen een wel heel bondige samenvatting van een voornaam facet van de strijd. Des te meer omdat het vermoedelijk het grootste enkelvoudige verlies van het Nederlandse leger tijdens de meidagen betrof in zo’n korte tijdspanne.

Een publicatie die wel blijk geeft van degelijke studie naar de episode die het bataljon Ravelli betreft, en die wel op hoofdlijnen accuraat de gebeurtenissen weergeeft, is die uit november 2005 van prof. dr. J.A. Mol. Daarvoor wordt na de analyse vrij uitgebreid ruimte gemaakt.

Bespreking citaten

Het zal de lezer snel helder zijn geweest dat de citaten uit de meest bekende (en meest gelezen) auteursrechtelijke werken die zien op de besproken gebeurtenissen lijdzaam het Stafwerk [1] volgen. Dat gold grotendeels ook voor het standaardwerk van Lou de Jong (deel 3), dat hier niet geciteerd wordt omdat het in feite vrijwel geheel op de stafwerkpublicaties werd gebaseerd. Hoewel moet worden aangetekend dat Lou de Jong - in afwijking op het stafwerk [1] - sterk insteekt op het feit dat Ravelli zich kennelijk volledig op de bruggen concentreerde, wat door de Jong zelf als zodanig is geinterpreteerd. Fout geinterpreteerd, overigens. De geciteerde werken volgen het stafwerk zelfs bijna op de letter. Zelfs het tijdstip van de overval op de kopgroep van II-28.RI, 0230 uur, werd klakkeloos overgenomen. Onverklaarbaar, daar om die tijd nog geen streepje licht de hemel verlichtte en min of meer vaststaat dat de vuuroverval bij ochtendgloren plaatsvond.

Het geval van het tijdstip toont al aan dat van eigen degelijk onderzoek van bronnen en gebeurtenissen door auteurs Brongers en Van den Doel geen sprake is geweest; kennelijk niet noodzakelijk werd gevonden. De lezer herinnert zich wellicht dat zelfs de Duitse overval op Nederland, op 10 mei om 0355 uur, tegen een ochtendschemering (vanuit het oosten) plaatsvond, waarbij het westen nog volkomen donker was. Het was één van de redenen voor de Luftwaffe om vanuit het westen aan te vliegen voor de eerste bombardementen in de kustregio op 10 mei 1940. Het was om 0230 uur nog gewoon donker, want de zonsopkomst was op 11 mei pas om 0411 uur [3]. Voordien gloort de zon reeds, maar die betreffende ochtendschemering is slechts van korte duur omdat de definitie voor zonsopkomst zeer kort op de statistische zonsopkomsttijd ligt. Iets wat voor de zonsondergang niet geldt, zodat de avondschemering (gerekend vanaf het statistische ondergangstijdstip) veel langer duurt dan de ochtendschemering. Maar om 0315 uur was op zijn vroegst enige vorm van naderende zonsopkomst zichtbaar. Een vaststelling die overigens omstandig door de verslagen ook wordt gesteund. Het zijn voorts feiten die meteorologisch-historisch uitstekend door auteurs waren na te zoeken geweest. Overigens spreken de Duitse rapporten – van de bij de overval op 1-I-34.RI betrokken compagnieën 2./FJR1 [451], III.Zug 3./FJR1 [453] en 4./FJR1 [454] – van veel latere tijden: rond 0400-0430. In die gevechtsrapporten wordt gesproken over aanvallen in de ochtendschemering ['Morgengrauen']. De Duitse tijden lijken meer in overeenstemming met de werkelijkheid.   

Wat voorts in de citaten opvalt, is het feit dat het Stafwerk niet verklaart wat er tussen het overvaltijdstip 0230 uur en 0830 uur – wanneer een deel van III-2.RW richting Zeehaven wordt gedirigeerd – qua interacties tussen bevelhebbers plaatsvindt. Men slaat een grote tijdspanne over van maar liefst zes uur. En hoewel de feitelijke tijdspanne vrijwel zeker minder betrof (met aanvalstijdstip van ca. 0330 uur als uitgangspunt van auteur dezes) is dat een lange periode om niet naar verklaringen te zoeken.

Voor het licht werd had kapitein Belgraver het eerste contact met overste Mussert gelegd en – volgens zijn zeggen – de opdracht gekregen op Amstelwijk aan te vallen met één compagnie, met ondersteuning van een compagnie Wielrijders [100b]. Uit Belgraver zijn verslag blijkt die opdracht te zijn gegeven toen het nog donker was en dus vóór de overval op de kopgroep van het bataljon. Belgraver gaat vervolgens op zoek naar zijn BC. Deze vond hij pas ruim nadat de overval op de kopgroep had plaatsgevonden, en dus ruim na zonsopkomst [100b]. De kans is groot dat dit tijdstip geduid kan worden tussen 0430 en 0500 uur. Wellicht zelfs later. Er was toen een aanzienlijke tijd verstreken tussen de vermeende instructie van Mussert om Amstelwijk aan te vallen met ondersteuning van een compagnie Wielrijders en het moment van Belgraver zijn contact met de BC. Maar waarom had Mussert dan onderwijl C-III.2.RW geen instructie gegeven die compagnie Wielrijders op weg te sturen?

De enige bron voor Mussert zijn instructie om Amstelwijk aan te vallen is kapitein Belgraver [100b]. De overste zelf werd vermoord op 14 mei en van zijn bevelen is in de annalen niets terug te vinden. Hij kon dus niet zelf verklaren en van zijn chef-staf is geen verslag over de bureauzaken te vinden in enig archief. Overigens is dat wat wèl van zijn chef-staf is terug te vinden alles behalve verheffend (8). Onderzoek door de defensie onderzoekscommissie tijdens en kort na de oorlog heeft geen helderheid kunnen verschaffen naar de motivatie tot dit vermeende bevel te komen. Zo blijkt ook wel uit het stafwerk [1], dat daarvan het resultaat was. De logica voor het bevel ontbreekt echter geheel, te meer daar Amstelwijk nadrukkelijk buiten het gezagsgebied van de kantonnementscommandant lag. De vragen kunnen in alle redelijkheid worden gesteld: “is het bevel als zodanig überhaupt wel gegeven?” of “Is het bevel door Beldrager onverhoopt verkeerd begrepen?” of  “Hield Mussert het bevel aan totdat de BC zelf de uitvoering ervan kon bevestigen?”

(8) Van chef-staf kapitein G. van der Mark is opvallend weinig terug te vinden in de archieven. Auteur dezes is slechts in bezit van enkele reflecties op prestaties van personeel en een opvallende brief van 18 januari 1990 aan de toenmalige Minister van Defensie [Relus ter Beek], waarin Van der Mark zich opvallend gekwetst uit over 'de nog bestaande beschuldiging' welke hij hoopt met de toegezonden brief - met bondig daarin zijn 'belevenissen' in mei 1940 opgesomd - tot 'intrekking' te kunnen brengen. Daarin meldt Van der Mark onder meer dat de overste Mussert rustig is gaan slapen de eerste oorlogsnacht. Dat bericht staat volkomen haaks op de talloze verslagen van vertegenwoordigers van allerhande onderdelen die hem [Mussert] zeggen te hebben gesproken in de tijdspanne tussen 0100 en 0800 uur. De brief staat voorts vol met naar laster neigende aantijgingen aan het adres van de overste Mussert. Ook zou de overste over de kapitein hebben gezegd dat deze labiel was en slecht functioneerde. Die vaststelling van Van der Mark lijkt terecht, maar hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op dat waaraan Van der Mark het koppelt: het door de overste aan derden mededelen dat Van der Mark onbetrouwbaar (qua loyaliteit) was. De reproductie van gebeurtenissen in de brief is ronduit pover, soms feitelijk aantoonbaar onjuist en onsamenhangend. Uiteraard is de kans groot dat de hoogbejaarde leeftijd van de voormalige kapitein [geb. 1896] ten tijde dat de bewuste brief werd geschreven een (aanzienlijke) rol speelde. Maar opvallend is dat de als luitenant-kolonel gepensioneerde Van der Mark zich sinds 1945 als onbetrouwbaar geafficheerd achtte. Dat terwijl de man in 1945 in actieve dienst was teruggeroepen, bevorderd werd tot majoor (in 1946 tot overste) en in 1959 als luitenant-kolonel der genie met pensioen ging. Hoewel Van der Mark opvallend genoeg als KMA officier in de veertien jaar nadien niet meer werd bevorderd, is het heraanstellen in actieve dienst een teken dat hij volledig gezuiverd was. Dat voelde hij kennelijk niet zo. De brief, die getuigt van grote frustratie, en een grote mate van achterdocht en wantrouwen jegens velen etaleert, moet vermoedelijk worden geinterpreteerd als een product van een oorlogsveteraan die in de nadagen van het leven door de traumatische oorlogsdagen werd achtervolgd. Dat kan Van der Mark vanzelfspreken niet euvel geduid worden. Desalniettemin betekent het dat de man die het dichtste bij overste Mussert stond, en naast hem functioneerde, als getuige helaas minder betrouwbaar en/of bruikbaar is.

Auteur dezes is vrijwel overtuigd van het feit dat het bevel door Belgraver verkeerd is begrepen of verkeerd is gereproduceerd, eventueel uit zijn context is gehaald. Voor die overtuiging is een zeer goede aanleiding te bedenken. Een aanleiding die noodzakelijk is goed te beschrijven om de bewering gestand te kunnen doen dat van misverstanden in de naoorlogse reconstructie sprake was of kan zijn geweest.

Majoor Ravelli heeft, na een eerder contact door zijn commandant verbindingsdienst luitenant Zeeman, mogelijk rond de klok van 0500 uur – wellicht later – voor het eerst persoonlijk telefonisch contact gehad met overste Mussert [100b]. Daarin werd hem, na zijn of luitenant Zeeman’s rapportage van de gebeurtenissen aan de overste, opgedragen het complex Zeehaven veilig te stellen. Ravelli meldt niets over de opdracht Amstelwijk aan te vallen tijdens dat telefoongesprek [100b]. Althans, niet dat die opdracht besproken werd of werd ingetrokken.

De Wielrijders kregen geen enkele opdracht die aan Amstelwijk was gerelateerd [104c]. Maar … 2-III.2.RW kreeg wél om 0400 uur opdracht de wijk Krispijn van vijand te zuiveren! [104c] En laat dat nu de wijk zijn waar Belgraver met zijn compagnie ten westen van lag. Nederlandse militairen hadden het spoor aan de noordzijde afgegrendeld, hadden op de Zuidendijk posities ingenomen en met Belgraver zijn compagnie aan de westzijde van Krispijn, leek de wijk zo goed als ingesloten. Mussert zijn opdracht aan de 2e Compagnie van het Wielrijdersbataljon om vanuit de enige volledige open zijde, de oostelijke, de wijk te zuiveren was dus alles behalve onlogisch. Onlogisch zou het (dus) wel zijn geweest om juist de compagnie van Belgraver aan die westzijde weg te sturen richting Amstelwijk! Het tijdstip van de instructie aan de Wielrijders komt bovendien ook ongeveer overeen, hoewel wellicht laattijdig in verhouding tot het tijdstip van het telefoongesprek met Belgraver [dat echter – zoals eerder gezegd – ook na 0300 uur gevoerd kan zijn]. E.e.a. dient te worden aangevuld met het feit dat het verslag van 2-III-2.RW 0400 uur als ongeveertijd meldt [104c]. Het kan dus iets later maar ook iets eerder zijn geweest.

Maar lijkt de kans niet levensgroot dat kapitein Belgraver in feite verzocht was om Krispijn te zuiveren in plaats van Amstelwijk? Gezien de traceerbaarheid van de bevelen in het logboek van de Wielrijders lijkt het een reële mogelijkheid, zowel wegens de vaststelling van een ontbrekend bevel aan de Wielrijders Amstelwijk aan te vallen als vanwege de vaststelling dat er wel een instructie lag om Krispijn te zuiveren. Tactisch gezien is een gebied zuiveren vanuit één open zijde, dat tegelijkertijd aan de andere drie zijden zo goed als afgegrendeld is, een zeer rationele instructie en het juist (weer) ontbloten van de westzijde door de afgrendelende compagnie daar weg te sturen irrationeel. Opvallend in dit licht is ook het eerder aangehaalde citaat van Belgraver, die de overval op 1-I-34.RI relateert aan eigen vuur door Wielrijders. Welke aanleiding had de kapitein in die fase om Wielrijders in het kapittel te brengen? Of verwarde hij na dato zelf de gebeurtenissen met wat (chronologisch gezien) nog komen moest? Het feit dat majoor Ravelli tijdens zijn eigen eerste gesprek met Mussert de aanval op Amstelwijk geheel niet meer besproken lijkt te hebben, kan niet alleen duiden op het feit dat het niet aan de orde kwam, maar mogelijk ook op het sparen van zijn ‘eigen’ kapitein die een instructie verkeerd had begrepen. Er kan geen zekerheid worden gegeven omtrent deze theorie, maar de theorie vindt wel omstandig steun in het feit dat de Amstelwijk aanval nergens anders wordt besproken én de bevel logboeken van de Wielrijders, waarin slechts een opdracht tot zuivering van Krispijn voor komt. Dat Amstelwijk voorts nadrukkelijk buiten het gezagsgebied van het kantonnement lag komt daar nog bij als argument. Ertegen bestaat overigens het argument dat Mussert in samenspraak met Groep Kil tot het bevel kwam, maar dat lijkt vergezocht, omdat het bataljon hem nu juist door Groep Kil ter beschikking was gesteld. Kortom, er is heel veel aanleiding om aan het bestaan van een Mussert instructie om aan te vallen op Amstelwijk, sterk te twijfelen; er althans prominente vraagtekens bij te zetten.

Nadien volgde wederom een telefoongesprek met overste Mussert, maar dit werd (concreet) alleen door verbindingsofficier Zeeman vastgelegd in zijn verslag uit 1984 [N.B.: het verslag werd grotendeels in juni 1940 aangetekend door de luitenant en in 1984 aan het toenmalig IMG toegestuurd, zo blijkt uit een NIMH bijlage]. De 2e luitenant J. Zeeman zegt:

» Waarschijnlijk na overleg met de majoor werd kapitein Schouten teruggenomen vlak achter het bos, op de Zeehaven hoogte, een op de berm prachtig mikpunt voor vliegtuigen. M.i. niet nodig geweest. Ook de compagnie van kapitein Belgraver verdween, later bleek naar de zuidelijke helft van de Zeehaven om tegen nieuw gelande parachutisten aan de andere zijde ZO te kunnen optreden. De mitrailleurs bleken zoek. Met dit overschot kropen wij in de Zeehavenloodsen. De verbindingsafdeling tussen houtstapels. Vanuit het bos werd door de Duitsers geschoten van boven uit een boom. De parachutisten werden getekend als gekleed te zijn in blauw overall en bewapend met mitrailleur en pistool. Met majoor Ravelli belde ik weer overste Mussert op, die hulp langs de Zuiderdijk [sic] toezegde. «

Dat telefoongesprek vond plaats – zo kan omstandig worden vastgesteld – enige tijd voor 0800 uur. De Wielrijders kregen rond 0800 uur [de rapporten van BC III-2.RW, en de beide compagniescommandant melden tijdstippen tussen 0800 en 0830 uur] opdracht richting Zeehaven op te trekken. Aangezien dit bataljon in rechtstreeks telefonisch contact stond met het kantonnementsbureau, zou het wel bijzonder merkwaardig zijn als tussen de instructie aan majoor Ravelli – waarbij de rol van de versterkingen via de Zuidendijk expliciet werd benoemd door Mussert – en de instructie aan de Wielrijders veel tijd verstreken is. Uitgesloten is het echter niet. 

Deze buitengewoon belangrijke passage in het verslag van de luitenant Zeeman, vindt de lezer nergens terug in de geciteerde beschrijving in het Stafwerk of bij Brongers. Dat is verklaarbaar, want het verslag ontbrak tot medio 1984 in de archieven van het toenmalige IMG [huidige NIMH], hoewel het wel gearchiveerde verslag van de luitenant Van der Grijn uitdrukkelijk meldt dat 'versterking was toegezegd door Mussert' [100b]. Zoals kort hierboven aangestipt is het verslag van Zeeman, dat auteur dezes bezit, gedateerd in 1984. Op een bijlage in het archief bij het verslag wordt gemeld dat het verslag weliswaar in juni 1940 is opgemaakt middels aantekeningen door de luitenant, maar dat de betreffende luitenant – commandant verbindingsdienst van II-28.RI en plaatsvervangend (en dus wegens de dood van de luitenant-adjudant, acterend) adjudant van de BC – niet is verzocht een verslag in te dienen. Alweer een geval dat duidt op weinig doortastende vorsing door de militaire onderzoekers of was de conclusie soms al getrokken? Als men dat verslag immers niet had, waarom heeft men zich dan niet afgevraagd waarom de Wielrijders pas tussen 0800 en 0830 opdracht kregen de Zeehaven te bezetten, terwijl de in majoor Ravelli's zijn verslag opgetekende afstemming met Mussert ontegenzeglijk beduidend vroeger had plaatsgevonden?  Als men methodisch te werk was gegaan – waar de bestudeerde casus nadrukkelijk om vraagt – moet men toch ook de opvallende langdurige tijdsintervallen hebben vastgesteld, die tussen de diverse instructies zaten? Dan moet men toch ook op vragen zijn gestuit rond ontbrekende instructies aan Wielrijders, ontbrekend gezag van de kantonnementscommandant voor de sector Amstelwijk en de merkwaardige onverklaarbaarheid van de manoeuvres rond de Zeehaven sector? Kennelijk toch niet, want men heeft het niet juist gereconstrueerd, zelfs niet eens gesproken van een onzekerheid in de weergave. Althans, er is geen twijfel of kanttekening zichtbaar voor het publieke domein.

Dit alles gezegd hebbende, blijven er twee voorname kwesties over die van belang zijn. De eerste kwestie is Mussert’s zijn vermeende instructie op Amstelwijk aan te vallen met een compagnie, gesteund door een tweede compagnie afkomstig van de Wielrijders. Dat is een onverklaarbare instructie, en dus in eerste instantie terecht door het Stafwerk en Brongers als opvallend geafficheerd. Hoewel het onverklaarbare nooit kan worden uitgesloten als zijnde werkelijk gebeurd, is er ook veel aanleiding om aan het verslag van de kapitein Belgraver te twijfelen. Zoals eerder is gezegd is de enige bron die Mussert met een aanval op Amstelwijk in verband bracht namelijk Belgraver. Want er kwam bij de Wielrijders nooit een order door van die aard. Dat gebeurde wel toen later een versterking voor de zuiveringsactie van het Zeehavencomplex werd verordonneerd door Mussert en het gebeurde eveneens voor de zuivering van Krispijn rond 0400 uur. Bovendien had Mussert dus geen gezag over de sector Amstelwijk en kon daar bezwaarlijk – althans zonder afstemming met gezagsdrager Groep Kil (waarvan dus geen spoor) – een aanval op gelasten. Zou Belgraver Mussert dus niet gewoon verkeerd hebben begrepen? Is de kans niet aanzienlijk, ook qua tijdsaspect, dat Mussert aan Belgraver instructie gaf Krispijn te helpen zuiveren vanuit het zuidwesten in plaats van Amstelwijk? Definitieve antwoorden zullen niet komen, maar er wordt in de literatuur wel erg klakkeloos aangenomen dat de verslaglegging van de kapitein Belgraver accuraat zou zijn. In feite wordt daaraan veel, zo niet alles, wat betreft Amstelwijk opgehangen. Zonder ondersteunend bewijs. Want dat ondersteunend bewijs is voor de hypothese (c.q. antithese) van een aan Belgraver opgedragen zuivering van Krispijn beduidend groter.

De andere kwestie, die de boeken in zou gaan als één van de aanwijzingen dat Mussert ‘verraad’ pleegde (dan wel ‘irrationeel beleid’ etaleerde), was het bevel het Zeehavencomplex te zuiveren en te bezetten. Er wordt gesuggereerd dat dit bevel onwerkelijk was, omdat dit complex toch in Nederlandse handen was. Dat bevel was echter helemaal niet zo merkwaardig als het Stafwerk, en in navolging Brongers, stellen. Ten eerste was het zo dat 2e luitenant Zeeman meldde kort na de overval van de kopgroep in het Zeehavencomplex telefonisch contact te hebben gehad met Mussert. Hij kon slechts opgave van staat en status van het bataljon geven voor zover hij dat kon overzien. Zeeman geeft in zijn verslag [uit 1940, aangevuld in 1984] de volgende impressie [274]:

» Het werd lichter. Vele soldaten waren in paniek gevlucht. De voorste compagnie van 34.RI scheen weggemaaid. Later bleek 22 doden [sic]. Het huis, waar we in waren, werd in brand geschoten. Tenslotte moesten we eruit. Opzij zaten enkele soldaten met starre ogen geheel versuft te kijken. Gek geworden door de vuurdoop? Men trok zich terug. Mijns inziens fout! Soldaten riepen: ‘Help, moeder!’ Eerst terug over een greppel, toen tussen bedden (aspergebedden?) tot aan de bosrand, met het bos in de rug [AG: Bos van Blussé]. Bij het bos was weer een diepe greppel. Een zware mitrailleur werd er overheen getild, even over de weg, die onder vuur lag. Sergeant van Doorn was linksaf verdwenen. Men beweerde een Duitse kapitein met manschappen te hebben gezien. De kogels vlogen door het bos om onze oren. Ik merkte dat er wel honderd kogels misten tegen één raak. Opzij zag ik ineens de majoor confereren met naar ik meen luitenant van der Grijn en kapitein Schouten en kapitein Belgraver. Ik ging het bos wat inspecteren, trof luitenant Crabbendam. Over het bos kwamen vliegtuigen. Dat vond ik griezelig. Tegen uit de lucht schieten voelde ik me weerloos. Ik wilde om versterking vragen en in elk geval zien om verbinding te krijgen. Over de brede sloot aan de achterzijde van het bos in de huisjes, loodsen daarboven bij de Zeehaven was een telefoon. Ik belde de Groep Kil op, die ons had uitgezonden. Antwoord was: “Ik heb niets meer met jullie te maken. Jullie vallen nu onder overste Mussert’. Ik belde overste Mussert op, maar kon niets bespreken, daar de majoor er niet bij was, maar ik had tenminste contact. Terug over de sloot naar het bos, waar ik vast van overtuigd was dat we het zouden houden, als er maar versterking kwam. «

Een bijna filmisch en weinig zakelijk verslag. Maar van een officier die duidelijk het beeld schetst van de wanorde waarin de voorste twee compagnieën waren geraakt en die nadrukkelijk – tot tweemaal toe – spreekt van het kunnen houden van de weerstand als … er maar versterking komt. Duidelijk dat dit zijn eigen beeld was, maar hij was het die tot (minstens) tweemaal toe in de cruciale fase rechtstreeks met overste Mussert confereerde. Hij belde immers vanuit de Zeehaven op het bovenbeschreven moment. Welk beeld moet Mussert hebben gekregen van een verslag van deze luitenant? Een verslag dat niet zo sterk zal hebben afgeweken van wat de luitenant een maand later op papier zette. Althans, er is niet veel aanleiding te denken dat zijn op het oog eerlijke verslag zoveel anders zou zijn dan de werkelijke ervaringen.

Een verslag van luitenant Zeeman dat bij overste Mussert een beeld zal hebben geschapen van een sterke Duitse (counter)offensieve beweging richting Zeehaven, mogelijk zelfs met de suggestie dat men het nog maar moeizaam kon houden of dat de situatie hoogst onzeker was. Daarbij vrijwel zeker de notitie dat de Duitsers al kort op het Bos van Blussé zaten, althans het bos en het Zeehaven complex van korte afstand beschoten. Het was – voor zover traceerbaar – het eerste statusverslag dat overste Mussert kreeg na de overval.

Enige tijd later zou het tweede contact vanuit de bataljonsstaf volgen, waarbij de majoor Ravelli zelf het woord zou doen. Een beroepsofficier, net als Mussert. Er is geen aanleiding te denken dat Mussert in dat gesprek een veel positiever beeld heeft gekregen van de status van de verdediging van het bataljon. Mussert gaf opdracht te consolideren en het Zeehavencomplex en omgeving te zuiveren van vijand en vervolgens sterk te bezetten. Op dat moment was ondersteuning door de Wielrijders nog niet in beeld (hoewel dit wel in bijvoorbeeld het Stafwerk wordt gesuggereerd, vrijwel zeker door het kwalitatief armoedige verslag van majoor Ravelli zelf). De latere instructie aan de Wielrijders te assisteren was – zo blijkt onomwonden uit het verslag van luitenant Zeeman – een rechtstreeks gevolg van een telefonisch contact tussen Ravelli en Mussert dat tussen 0700 en 0800 uur zou hebben plaatsgevonden. Majoor Ravelli schetste toen kennelijk zelf het beeld dat de Duitsers zijn positie bedreigden, waarop Mussert versterking toezegde. Een volkomen rationeel besluit van de overste. Hij wenste kennelijk een sterke afgrendeling van het Duitse bruggenhoofd naar het zuiden te bewerkstelligen, zoals hij dat naar het noorden en oosten al de gehele eerste oorlogsdag had nagestreefd.  

Een aanzienlijke kanttekening kan worden geplaatst bij de summiere informatie die de Wielrijders waarschijnlijk kregen. Of zij door Mussert zelf of zijn chef-staf kapitein vd Mark werden geïnstrueerd, is niet duidelijk. Het bevel logboek van C-III.2RW geeft aan dat er van C-Kant. bevel tot ageren tegen Duitsers rond de Zeehaven werd gegeven. Er wordt gesuggereerd in de Wielrijdersverslagen dat men géén informatie ontving dat het complex nog in Nederlandse handen was, althans dat er een Nederlands bataljon opereerde. De verslagen melden slechts dat men zich van het complex meester moest maken. Dat is een kwalijke zaak, en dat is Mussert of zijn chef-staf verwijtbaar. Maar Mussert schaarde zich – als non-combattant officier – in een lange rij (vaak wel combattant) bevelhebbers, die onzorgvuldig en onvolledige informatie verschaften bij hun bevelsinstructies. Dat is voor het onderhavige geval geen excuus, maar dient wel te worden meegewogen als men overste Mussert in het licht van opvallende incompetentie beoordeelt tegen de maatstaven van het algemeen functioneren van bevelhebbers in de meidagen van 1940.

In de citaten over het gebeuren wordt echter niets gemeld over mogelijk onduidelijke of summiere informatie die overste Mussert van het bataljon Ravelli kreeg. Enerzijds logisch, want de verslagen van hoofdrolspelers kapitein Belgraver en majoor Ravelli geven geen enkele duidelijkheid over wat zij aan de overste gemeld hebben. En ten tijde van de verslaglegging was de wetenschap al algemeen, dat de overste niet meer leefde. Niet dat daarmee perse sprake hoeft te zijn van bewust opgenomen onwaarheden in de verslagen van beide bevelhebbers (9), maar de bevelen van overste Mussert zijn wel lastiger verklaarbaar tegen het licht van een uitgangspunt dat de overste wél over accurate wetenschap over het bataljon Ravelli zou hebben beschikt. Daar komt bij dat majoor Ravelli in zijn eigen verslag over het bevel tot zuivering van het Zeehavencomplex helemaal zijn verwondering niet uitspreekt. Zo irrationeel kwam hem kennelijk dat bevel ten tijde van het schrijven van zijn verslag [29 mei 1940] dus niet over. Kapitein Belgraver verwonderde zich ook niet over het bevel, althans maakt daarvan geen enkele melding, terwijl hij dit wel deed naar aanleiding van het vermeende bevel Amstelwijk te bezetten. Uiteraard was dit laatste bevel – als het zodanig gegeven is – veel opvallender. Maar het lijkt ook niet te brutaal om aan te nemen dat de officieren van II-28.RI helemaal niet zo zeker waren van de verdediging van het bataljon ten tijde van het bevel van Mussert het Zeehavencomplex te zuiveren en stevig te bezetten. Dat blijkt heel nadrukkelijk als Ravelli voor 0800 uur Mussert blijkt te vragen om ondersteuning, die hem prompt werd toegezegd. Althans, als men het verslag van 2e luitenant J. Zeeman volgt, en daar lijkt alle aanleiding voor.

(9) Opmerkelijk is echter wél een passage die in een aanpassing van het officiële verslag van luitenant Van der Grijn door hemzelf werd aangebracht. Die aanpassing is indertijd auteur Hans Mol toegestuurd en onderdeel van diens publicatie [1500]. Daarin stelt Van der Grijn: "In mijn tegenwoordigheid en die van luitenant Hooghiemstra stelde de BC een verklaring op, welke door luitenant Hooghiemstra moest worden ondertekend, waarin deze verklaarde, dat de BC alle veiligheidsmaatregelen bij den bewusten opmarsch naar Dordrecht had genomen. Hoewel met zichtbare tegenzin gaf luitenant Hooghiemstra gehoor aan het bevel de verklaring te tekenen. na het vertrek van luitenant Hooghiemstra was de BC zichtbaar opgelucht en zei letterlijk:'Ja, mijnheer Van der Grijn, je weet nooit, hoe het nog eens nodig is, mijn straatje schoon te wasschen.' Tot op den dag van heden kan ik deze woorden weergeven, daar zij als een litteken bij mij achterbleven." Een onthullende verklaring, maar in welke mate deze officieuze toevoeging mag gelden als accuraat en waarheidsgetrouw is voor auteur dezes niet vast te stellen. Zeker is wel dat het proces van de aan de onderzoekscommissies over te leggen verklaringen van 'minderen' standaard via de bevelhebbers verliep. Die moesten de verklaringen zelfs van authenciteitsverklaringen voorzien. Dat heeft op meer plaatsen geleid tot geredigeerde berichtgeving. Zo constateerde auteur dezes (in navolging van bijvoorbeeld Herman Amersfoort) ook de mogelijkheid dat een dergelijke gang van zaken bij de verslaggeving vanuit het bruggenhoofd Moerdijk aan de orde is geweest. Maar elders zijn ook volop aanwijzingen dat verslagen wellicht veel minder authentiek waren als ze doen schijnen te zijn. In het geval van Ravelli en Bergraver draagt de aantekening van Van der Grijn in elk geval niet bij tot een groter vertrouwen in de volledigheid en volmaakte eerlijkheid van hun verslagen.

Na deze uitvoerige beschouwing van een zeer belangrijk facet van één van de meest dramatische episodes in de strijd aan het Zuidfront, resteert dus slechts de conclusie dat overste Mussert wel heel erg non-scrupuleus en grotendeels onterecht de zwarte piet kreeg toegeschreven in de naoorlogse geschiedenisboekjes voor zijn bevelen rond de Zeehaven kwestie. Er is geen sprake van dat overste Mussert in deze vrij gepleit kan worden van onzorgvuldigheid, met name als het zijn instructies richting Wielrijders betreft. Wel kan Mussert worden vrijgepleit van hem toegeschreven grote irrationaliteit als het de inzet van twee compagnieën Wielrijders richting Zeehaven betreft. Het blijkt een regelrecht gevolg van afstemming tussen majoor Ravelli en de overste te zijn geweest. De zuiveringsbevelen van het Zeehavencomplex komen bovendien evenzo als rationele instructies over, daar het bataljon Ravelli na de overval zich in wezen in de verdediging vond binnen dit complex, en zelf later de noodkreten richting kantonnementsbureau slaakte. Deze noodzakelijke en voorname kanttekeningen bij de beschrijving van de gang van zaken zijn – althans in het publieke domein – nooit geplaatst. De historici, onderzoekers en auteurs hebben tot op heden wel erg gemakkelijk overste Mussert van buitengewoon curieus handelen beticht. Dat geschetste beeld zou met bovenstaande beschouwing in grote mate moeten zijn gecorrigeerd.

Met de uitgebreide analyse van de casus zoals hierboven weergegeven, kan de lezer zelf beoordelen welke kanttekeningen gemaakt kunnen worden bij de beoordeling [c.q. veroordeling] van Mussert als de handelende kantonnementscommandant in de Zeehavenkwestie. De lezer kan de concluderende lijnen van auteur dezes hierboven volgen en daarmee zelf een beeld vormen bij de kwestie. Dat de geijkte beeldvorming rondom Mussert – zijn vermeende dwalingen inzake Zeehaven en Amstelwijk – toe is aan herijking, moge in elk geval wel duidelijk zijn. Zelfs als de lezer de redenatietrant van auteur dezes niet wenst te volgen, is tenminste de noodzaak voor nuance en kanttekeningen aangetoond.

Daarnaast straalt de gehele gang van zaken op majoor Ravelli als bevelhebber buitengewoon ongustig af. Deze bevelhebber, beroepsofficier en lange tijd tot en met de rang van kapitein functionerend met (niet bij) het Korps Mariniers, heeft zich dankzij de zondebokrol van overste Mussert onttrokken aan een tamelijk vernietigend oordeel over zijn functioneren. Zijn opmarsplan naar de zuidgrens van Dordrecht was onverantwoord. Zijn tactisch handelen volkomen onbenullig en zijn handelen als operationeel bataljonscommandant tijdens de cruciale uren typerend slecht. Aan moed en inzet ontbrak het niet bij deze beroepsofficier, zoals wel zal blijken als hij in een tweede opmerkelijke episode als hoofdpersoon fungeren zal. Maar aan gogme en aanleg voor een bevelhebbersfunctie ontbrak het majoor Ravelli aan veel. Overigens kunnen zijn CC'n ook niet worden betrapt op kundig handelen. Bij dit alles speelt beslist de armoedige opleiding van het Nederlandse officierenkorps een hoofdrol. Het kan niet zo zijn dat het volkomen ondermaats voorbereiden van beroeps- en reserveofficieren voor het metier louter afstraalt op de individuen die hun bevelhebbersrol plichtsgetrouw vervulden, maar in hun kundigheid opmerkelijk te kort bleken te komen. Daarin draagt een decennialange verwaarlozing van het leger een grote verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid die vrijwel zonder reserve als grotendeels collectieve last drukt op de toenmalige politiek én burgerij.

Een onderwerpspecifieke publicatie

In de november 2005 uitgave ‘Achtste bulletin van de Tweede Wereldoorlog’ [1500] schreef professor dr. J.A. Mol [universitair docent Middeleeuwse Geschiedenis] een ruim 30 pagina’s tellende [exclusief bijlagen en bronverwijzingen] gedetailleerde verhandeling over de actie van het bataljon van majoor Ravelli [met zo nu en dan een informatieve zijstap welke hieronder niet wordt besproken], onder de titel “De aanval van de groep Ravelli”. De lengte van het artikel maakt het hieronder weergeven van een pakkend citaat niet praktisch. Daarom wordt in eigen bewoordingen van auteurs dezes het artikel van Mol beknopt uiteen gezet.

De aanleiding om het bewust artikel van Mol prominent in deze studie aan te halen is tweeledig. Allereerst omdat de auteur in kwestie vrij uitgebreid onderzoek naar het leerstuk blijkt te hebben gedaan [hoewel met de beperking de belangrijke Duitse verslagen niet te kennen] en ten tweede omdat een overwegend positieve beoordeling van zijn artikel een stuk balans terugbrengt in de door auteur dezes eerder beschouwde publicaties over de kwesties rond het bataljon Ravelli en het vermeend irrationeel handelen door de overste Mussert. Het is namelijk bepaald uitzonderlijk dat in de onderhavige uitgebreide studie naar de gebeurtenissen op het Zuidfront positief naar andere onderzoeken en/of publicaties kan worden verwezen. De gelegenheid wordt daarom direct te baat genomen.

Mol relativeert direct de titel van zijn artikel door te stellen dat er in wezen geen sprake was van een bedoelde aanval, maar slechts een verplaatsing naar de zuidgrens van Dordrecht om daar contact te maken met het garnizoen en met diens commandant voor nadere instructies. Een raak begin, waarbij Mol overigens wel analoog aan het stafwerk meldt dat 0230 uur als vuuroverval tijdstip gold. Belangrijker is dat Mol meldt dat de actie wel vaak beschreven is “maar nooit geproblematiseerd”. Anders gezegd, volgens Mol was de in de literatuur beschreven actie van het bataljon Ravelli, voordat zijn eigen gepubliceerde onderzoek verscheen, nooit op degelijkheid getoetst. En het recht tot die vaststelling te komen, komt Mol in wezen sterker toe dan auteur dezes.

Auteur Mol gaat dieper in op de route die Ravelli volgde naar Dordrecht – wat auteur dezes in veel opzichten een vrij triviale passage acht waarin weinig krijgshistorische waarde zit m.u.v. het slotdeel van de verplaatsing en het feit dat Ravelli afweek van de ontvangen instructies tussen spoor en Krispijn op te trekken – maar bespreekt vooral de misvatting van auteurs als Lou de Jong, Eppo Brongers en Wim van den Doel ( ‘Geen brug te ver’, 1990) die onterecht als uitgangspunt namen dat Ravelli een aanval ontwikkelde. Terecht wijst hij op het feit dat er geen enkele primaire bron voorhanden is die dergelijke conclusies steunt en dat dergelijke conclusies asynchroon zijn aan het stafwerk ‘Zuidfront’. Want zowel het stafwerkdeel terzake als de verslagen van Ravelli en zijn ondercommandanten, duiden op de instructie tot verplaatsing naar het zuiden van Dordrecht om daar aansluiting te vinden bij eigen eenheden en nadere instructies van de garnizoenscommandant te ontvangen. Er was helemaal geen intentie offensief op te treden in die fase. Dan zou ook de gekozen formatie nog kritischer moeten worden beschouwd.

Auteur Mol komt in zijn beschouwing duidelijk in aanvaring met de ambivalente (c.q. arbitraire) rol die Calmeijer in het geheel speelde. Enerzijds als operationeel hoofdverantwoordelijk in de sector van Groep Kil – waartoe het Eiland van Dordrecht exclusief de stad zelf behoorde – en anderzijds als onderzoeker en redigerende autoriteit bij de totstandkoming van het stafwerkdeel Zuidfront, waarbij Calmeijer in feite eigen vlees diende te keuren. Mol herkent daarin de bezwaren en betrapt Calmeijer ook op mogelijke onregelmatigheden naast de (met auteur dezes gedeelde) vaststelling dat Calmeijer aan een vorm van geldingsdrang en wellicht zelfoverschatting leidde.

De actie van Ravelli zelf beschouwt Mol als volgt. Na een lang betoog over de routekeuze van Ravelli – waarin Mol nogal een zaak maakt van de keuze voor de verharde wegen die noordwaarts richting bruggen leidden – komt hij bij de bespreking van de opvallende keuze van majoor Ravelli om langs de Oude Mijlweg noordwaarts te blijven optrekken. De conclusie van Mol dat het opvallend is dat geen patrouille vooruit werd gestuurd om informatie in te winnen is volkomen terecht.

Vervolgens bespreekt Mol – en opnieuw geheel accuraat volgens auteur dezes – dat de eerste schoten die vielen beduidend voor de vuuroverval in de tijd te plaatsen zijn. Daarna wordt de feitelijke vuuroverval besproken, waarbij Mol in koor met veel auteurs aangeeft dat daarbij 21 man omkwamen [quod non].

In feite, maar dat is goed beschouwd een statistisch detail, kwamen er vermoedelijk ‘slechts’ twaalf man om op de Mijlweg en de overige in de kort daarop volgende overval op de Nederlandse posities aan de Glazenstraat. Overigens tonen ook de foto’s van de Mijlweg aan dat daarop slechts negen doden liggen. Volgens de gegevens uit de gesneuveldeninventarisatie van kolonel de Leeuw [31] sneuvelden er inderdaad negen direct en stierven er drie later aan hun verwondingen. Allen van 1-I-34.RI. Nog eens twaalf man van 1-I-34.RI kwamen om of werden dodelijk verwond aan de Glazenstraat tijdens de navolgende overval. Voorts kwamen nog zes man [van 1-II-28.RI, 2-II-28.RI en één van 1-III-2.RW] in de omgeving [Zuidendijk, villa Koopman] om in de fase waarin de Duitsers over de Glazenstraat nadrongen.

Na de bespreking van de overval en de kort daarop volgende gebeurtenissen, komt Mol terecht bij Belgraver en bespreekt diens korte contacten met zowel Mussert en Groep Kil, analoog aan het verslag dat Belgraver hierover vast deed leggen. Ook de bitse toevoeging die luitenant Zeeman kreeg van Groep Kil nam Mol over in zijn beschouwing. Maar Mol is niet dieper ingegaan op de kwestie rond het (vermeende) bevel Amstelwijk te veroveren en heeft zich mogelijk ook niet gerealiseerd dat de feitelijke inschakeling van de Wielrijders vooral op instigatie van Ravelli gebeurde en niet zo zeer wegens ‘inzichten’ van Mussert [zie hierover de analyse van auteur dezes]. Mol verklaart de opdracht tot het bezetten van het Zeehaven complex als verbonden met Mussert zijn perceptie dat de in het zuiden gelande parachutisten mogelijk een bedreiging vanuit het zuiden zouden betekenen [analoog aan het krijgsverslag van luitenant van der Grijn], overigens met een kanttekening dat die overweging niet geheel rationeel zou zijn geweest. De vraag is of die theorie stand kan houden, want als dit zo zou zijn dan is het des te opmerkelijker dat rond 0800 uur de Wielrijders juist uit een gunstige positie tegenover die parachutisten richting Zeehaven werden gedirigeerd. Desalniettemin is in deze Mol zijn theorie ook niet uit te sluiten, want geheel gespeend van logica (in de bestaande chaos van het moment) is de theorie niet. Bezwaarlijk is wel dat alleen luitenant van der Grijn deze kanttekening plaatste in zijn verslag en dat verslag enkele wilde speculaties bevat. Die speculaties werken niet vertrouwenswekkend op de rest van de door Van der Grijn gedebiteerde gegevens.

Uiteraard gaat de beschouwing van Mol verder in de tijd en bespreekt ook de gebeurtenissen van later die ochtend en in de middag van de tweede oorlogsdag. Daarover wordt alhier pas later een beeld gegenereerd, waarbij het artikel van auteur Mol beslist zal terugkomen. Interessanter voor nu is de analyse die Mol in een nabeschouwing zijn lezers voorhield.

Mol's nabeschouwing

In zijn analyse trapt Mol af door de verwijten die Calmeijer terzake richting Ravelli en Mussert uitte als basis te nemen. Hij geeft daarbij aan dat Mussert een chaotisch commando voerde, maar met de kanttekening dat de kantonnementscommandant ook niet was opgeleid en gelouterd als veldcommandant. Mol gaat in zijn korte – één alinea lange – analyse van Mussert – ook richting beschuldigende vinger naar Mussert, door te stellen: “Dat zijn beoordeling van de situatie verre van juist was, bleek in het geval van de groep Ravelli wel toen hij deze samen met twee compagnieën wielrijders naar het zuiden van de Zeehaven dirigeerde.”

Een conclusie die auteur dezes bestrijdt, zoals uit de eerdere analyse duidelijk naar voren komt. De verantwoordelijkheid voor het echec van de ‘groep’ Ravelli ligt wat auteur dezes betreft in hoofdzaak bij majoor Ravelli zelf, subsidiair bij chef-staf Groep Kil Calmeijer [een levensgevaarlijk bevel tot nachtelijke opmars richting vijandelijk bruggenhoofd en nadien alle verantwoordelijkheid afhoudend] en meer subsidiair pas bij Mussert wegens zijn vermoedelijk onvolkomen instructie aan de Wielrijders.

Anderszijds geeft Mol aan dat hij zelf ook Ravelli als hoofdverantwoordelijke aanwijst, met name voor diens kortzichtige marsformatie en progressieve marsorders in een voor de majoor onbekend niemandsland. Daarnaast tikt Mol zoals verwacht eveneens Calmeijer op de vingers. Het door auteur dezes besproken ‘vacuüm’ wordt – in andere bewoordingen – ook door Mol herkend en vooral ook het feit dat Calmeijer zich verschoonde van gezag over Ravelli ondanks het feit dat het verband nog niet overgedragen was aan Mussert. Een rake analyse die ook auteur dezes een aanklacht van formaat acht jegens de zichzelf kundig vrijpleitende Calmeijer. Daarin gaat Mol echter ver in verantwoording verlangen van kapitein Calmeijer, door ook te wijzen op het feit dat Ravelli zonder informatie vanuit Kil op parachutisten kon stuiten ten zuiden van de bruggen. Dat is echter een ‘aantijging’ die auteur dezes onterecht vindt. Het valt namelijk juist te prijzen in Calmeijer zijn informatie aan Ravelli dat deze hem meegaf dat hij de contouren van het vijandelijke bruggenhoofd niet kende en dus met onverhoopte tegenstand moest worden gerekend binnen de stadsgrenzen van Dordrecht. Een waarschuwing die Ravelli vooral vertaalde naar de verwachting dat zij door eigen troepen zouden kunnen worden beschoten, hoewel hij dat – althans in zijn verslag – beperkte tot de Zeehaven regio. Bovendien heeft Ravelli na de eerste schoten op de kopgroep zijn heroverwegingskansen wederom gemist en gemeend dat het Nederlandse troepen waren die hen in de verwarring van het donker voor Duitsers aanzagen. Een bataljonscommandant had ook in die dagen de verantwoordelijkheid primair de eigen veiligheid van het gecommandeerde verband te verzekeren. Het is in die zin de opportune en naïeve bataljonscommandant vooral zelf verwijtbaar om zo lichtvaardig – ja haast indolent – om te gaan met de gevaren van het doorkruisen van niemandsland. Het is daarom naar mening van auteur dezes de primaire taak van een veldcommandant zijn status en veiligheid in een onbekend terrein te toetsen of af te tasten. Maar Ravelli verzuimde dat in iedere vorm: hij koos een marsformatie in plaats van een aanvalsformatie, hij koos ervoor progressief op te trekken en niet behoudend, en hij liet nadrukkelijk na verkennende patrouilles uit te sturen. Kortom, Ravelli faalde in dat opzicht in zijn verantwoordelijkheid als bataljonscommandant. Het is naar mening van auteur dezes (te) vergezocht om die verantwoordelijkheid voor een aanzienlijk deel bij kapitein Calmeijer neer te leggen. 

Auteur Mol eindigt zijn analyse met vast te stellen dat ook hij – uit dezelfde bronnen als auteur dezes – concludeert dat Calmeijer in zijn krijgsverslag [192] en Memoires [70] onwaarheden verkondigt door te stellen dat er met het bataljon van Ravelli geen contact meer was en men dus niet meer vanuit Puttershoek kon bijsturen. Een volkomen terechte vaststelling, die inderdaad haast wel accuraat moet zijn. Tenzij de officieren Zeeman en Belgraver verzinselen hebben gedebiteerd in hun verslagen, maar de kans daarop lijkt niet heel erg groot.

Analyse van artikel Mol

Het artikel van Hans Mol is op hoofdlijnen degelijk en duidelijk qua afleidende conclusies en bronnen. Dat Mol niet dezelfde diepte opzocht bij de analyse als auteur dezes komt mede door het feit dat hem de Duitse verslagen niet voorhanden waren. Die bieden over vier zaken een duidelijk(er) inzicht, namelijk: 1) het werkelijke tijdstip van de vuuroverval, 2) de onderschepping van een Nederlandse ordonnans, 3) de gewijzigde verdediging rond de bruggen nadat de informatie omtrent het bataljon Ravelli is verkregen en 4) het feit dat men niet in grote mate nadrong in eerste instantie. Die informatie misten ook de eerder besproken auteurs en onderzoekers. Mol had wel de beschikking over het verslag van luitenant Zeeman, wat hem een voorsprong gaf op de onderzoekers van eerdere datum en hij woog Calmeijer als bron veel kritischer dan vorige publicisten over het onderwerp. Zijn analyse van de gebeurtenissen is met de bronnen die hij voor handen had kundig en schept daarbij een beeld van de actie van Ravelli dat beduidend scherper wordt gesteld dan de geijkte werken die voordien werden besproken in dit hoofdstuk.

Mol gaat erg diep in op de opmarsroute en beschouwt die nadrukkelijk als onverstandig. Auteur dezes vindt slechts de laatste fase – het voorbij de Glazenstraat optrekken – onverstandig. De eerste fase van de opmars – hoewel slecht beveiligd – acht auteur dezes geen rechtvaardig onderwerp van overdreven (negatieve) kritiek. Als Ravelli de route had gekozen die Calmeijer hem voorstelde - tussen spoorbaan en Krispijn in - was het bataljon er nooit in geslaagd voor ochtendschemering in Krispijn aan te komen. Zelfs de paar honderd meter tussen Wieldrecht en Amstelwijk over door sloten doorsneden landerijen kostte het bataljon eerder al een uur. Slechts het niet uitzenden van verkenners lijkt Ravelli (in relatie tot de logistieke gang van zaken) werkelijk verwijtbaar. Zijn keuze een verharde weg als opmars route te kiezen tot aan de zuidgrens van de stad, lijkt auteur dezes alleszins verdedigbaar. De fase voorbij de ‘natuurlijk’ x-as Zeehaven – Zeehavenlaan, wordt zowel door Mol als auteur dezes echter scherp bekritiseerd.

Ook de reconstructie van de voor dit leerstuk kritische telefoongesprekken – die voor de evaluatie van het handelen door Mussert bijvoorbeeld essentieel zijn – werd in het artikel wel erg dunnetjes beschouwd. Daardoor blijft dan ook een bevredigend gevoel over de belichting van de rol van Mussert enigszins achterwege. Dat komt onder meer omdat het feit dat de BC zelf versterking aanvroeg – in plaats van dat hij het door Mussert opgedrongen kreeg – nauwelijks wordt besproken in Mol’s artikel. En die verklaring, die prominent in het verslag van luitenant Zeeman en zijdeling in het verslag van luitenant Van der Grijn wordt gegeven, is toch een voornaam gegeven in de beoordeling van Mussert zijn handelen. Het aanvallen en bezetten van de Zeehaven wordt immers in de geijkte werken over de kwestie voornamelijk als initiatief van Mussert afgedaan, waarbij de onverklaarbaarheid van die initiatieven Mussert nadrukkelijk als irrationeel handelen voor de voeten werd geworpen. Dat blijkt na grondige analyse geheel anders te liggen en dat komt niet helder uit het artikel van Mol naar voren.

Grosso modo is het artikel van J.A. Mol echter degelijk van opzet en wat dat betreft een witte raaf in de verzameling gepubliceerde artikelen, studies en boeken over de strijd op het zuidfront van Vesting Holland.

[De bronnen vindt u hier]