Groep Kil

Inleiding

Op de eerste oorlogsdag was Groep Kil geheel onverwacht direct een prominent veldcommando geworden. Vanaf de eerste schoten die in de oorlog tussen Nederland en Duitsland vielen was Groep Kil opeens een operationeel station geworden dat aan alle kanten de vijand om zich heen waarde. In elk geval aan drie zijden van haar territoir. Voor de kleine en onderbemande Groepsstaf, gevestigd in het dorpje Puttershoek, was dat een grote schok.

De Groep Kil was aan het Zuidfront de enige staf in het speelveld die zowel was voorbereid op een actief veldcommando én daarin ook werkelijk prominent moest optreden. Aanleunende veldeenheden, zoals de Groep Merwede en Groep Spui kwamen slechts zijdelings in beeld. De strijd op het Zuidfront speelde zich vrijwel geheel af in en rond de drie zijden van het mandaatgebied van Groep Kil waar zij niet aan Groep Spui was aangeleund. Dat terwijl Groep Kil met vier bataljons infanterie slechts over zeer beperkte infanteristische middelen beschikte. Omdat in de staforganisatie van de Groep slechts één man werkelijk geoutilleerd was om leiding te geven aan de complexe operatie waar de Groep ineens voor stond, was de Groep chef-staf kapitein Calmeijer de man die vrijwel constant prominent in beeld kwam. Werkelijk alle acties van de Groep Kil werden geïnitieerd door deze opvallende officier, die zijn chef, reserve kolonel J.A.G. van Andel, volkomen overvleugelde.

De 10e mei was uiteindelijk catastrofaal verlopen voor Groep Kil. De Groep leed zware verliezen, zowel ten aanzien van troepen en middelen alsmede voorname objecten en terrein binnen haar gezagsgebied. Het verloor ruim een derde van haar sterkte door de Duitse overval en raakte alle posities – inclusief de cruciale Moerdijkbruggen – buiten de Hoekse Waard kwijt aan de vijand. Nadien resteerde een verspreide formatie van twee compagnieën in het zuidoosten van het Eiland van Dordrecht en de eenheden in de Hoekse Waard.

De 11e mei kende twee prominente gebeurtenissen voor Groep Kil. De eerste was het verlies van het aan het Kantonnement Dordrecht ‘uitgeleende’ bataljon onder de majoor Ravelli en het tweede de mislukte acties van 3.GB langs de Oude Maas. Beide zaken zijn reeds elders uitgebreid besproken en belicht en worden in dit hoofdstuk niet herhaald. Hieronder wordt de aandacht gevestigd op het geven van een integraal overzicht en nog onbeschreven gebeurtenissen in de Hoekse Waard, welke vooral zien op de artillerie.

Status na de eerste oorlogsdag

Groep Kil begon de oorlog met een bescheiden strijdmacht, die getalsmatig ongeveer de waarde van een halve divisie had, zij het met verhoudingsgewijs veel artillerie. In de vakken Moerdijk en Wieldrecht lagen naast de Groepscompagnie pioniers [14.C.Pn], twee van de vijf afdelingen artillerie en bijna twee bataljonsequivalenten aan infanterie. In de Hoekse Waard had men naast drie afdelingen artillerie en een zeer bescheiden contingent regimentstroepen (van 28.RI) nog twee bataljons infanterie plus een compagnie en een halve MC. Hoewel het artilleriecontingent sterk was, was het infanteristische deel zwak. In feite een regiment sterkte, met reservetroepen en een dekkingsdetachement ter sterkte van twee compagnieën en anderhalve MC.

Kil front Hoekse Waard 11 mei ochtend

De eerste dag van de strijd was Groep Kil geconfronteerd met ongekende gebeurtenissen. In haar eigen gezagsgebied was zij in de vakken Moerdijk, Wieldrecht-Midden en Wieldrecht-Oost geconfronteerd met een overval uit de lucht, die de troepen in de betreffende vakken niet hadden kunnen pareren, maar die hen bovendien vrijwel volledig uitschakelde. Eenderde deel van de Groepsartillerie was verloren gegaan en circa 40% van de infanterie. De Groepspioniers waren op een sectie na geheel verloren gegaan, en de overblijvende sectie bleef ressorteren onder de Kantonnementscommandant Dordrecht. Dat was nog niet alles. Van de luchtafweer binnen het gezagsgebied [twee batterijen zware LuA, drie pelotons mitrailleurs] was op één batterij na (6. Bt. LuA) alles verloren gegaan. Men was daardoor tegen luchtaanvallen nauwelijks beschermd. Bovendien had de Duitse landing op het Eiland Ysselmonde ertoe geleid dat behalve het zuiden en oosten van de Hoekse Waard, ook het noorden een beveiligingsbezetting diende te krijgen. Het oosten, langs de Kil, had bovendien aanmerkelijk versterkt moeten worden. De eenheden die nog ter beschikking waren moesten daardoor verder worden verspreid. Het betekende dat de toch al zwakke middelen van de Groep – men had in wezen slechts vier bataljons infanterie ter beschikking voor het grote gezagsgebied – operationeel nauwelijks meer van waarde waren. Er resteerden aan het eind van de ochtend van 10 mei slechts tweeënhalf bataljon infanterie!

In de loop van de eerste oorlogsdag was de Groep bovendien geconfronteerd met smeekbeden vanuit Dordrecht om extra troepen. Besloten werd een samengesteld bataljon, bestaande uit een vrij te maken deel van II-28.RI aangevuld met een compagnie uit de Groepsreserve [1-I-34.RI], naar het Kantonnement Dordrecht te sturen. Daarmee ontdeed Groep Kil zich van zijn laatste operationele troepen. De Groep was als gevolg van die handeling binnen 20 uur operationeel doodgebloed. Er resteerde toen nog slechts III-28.RI (min 3-III), een compagnie van II-28.RI, twee zwakke compagnieën van III-34.RI (met bataljonsstaf) en een zwakke compagnie van I-34.RI met anderhalve sectie MC. Die werden ondersteund met een sectie mortieren (vrijwel zonder munitie) en een sectie 6-veld. Dat was al wat infanteristisch voor Groep Kil overbleef nadat het bataljon Ravelli de Hoekse Waard had verlaten in de vroege avond.

Groep Kil kreeg daarvoor tijdelijk 3.GB terug. Dat was een verzwakt bataljon. Het had haar aanzienlijke trein (inclusief motorisatie voor twee van haar compagnieën) vrijwel volledig achtergelaten in Willemstad en bovendien miste ze in totaal ruim een compagniesterkte aan troepen. Het bataljon was formeel gezien slechts ‘in transit’ door het gezagsgebied van Groep Kil, omdat het zich diende te paren aan de Lichte Divisie door over de Oude Maas richting Waalhaven te ageren. Uiteindelijk was de meevaller voor Groep Kil dat die actie van 3.GB – gedurende de nacht en ochtend van 11 mei – niet zou slagen. Zodoende kreeg Groep Kil een bescheiden versterking. Maar het betekende nog slechts dat men – met inachtname van bezetting van de drie te verdedigen zijden van de Hoekse Waard – in de ochtend van 11 mei een sterkte van een zwak bataljon had waar men operationeel iets mee kon aanvangen.

Zodoende had Groep Kil op 11 mei haar meeste tanden verloren. Met haar drie afdelingen artillerie, waarvan II-23.RA en 25.AA op 11 mei slechts een sterkte van twee batterijen hadden (II-23.RA organiek, 25.AA door uitval van stukken), had de Groep nog een middel waarmee men de meeste ‘bite’ kon bieden. Voor het overige was men operationeel in wezen vrij onbelangrijk geworden.

Munitiezorgen Groep Kil

Er waren naast de operationele status rond en in het gezagsgebied, twee hoofdzaken die voor de staf Groep Kil grote kopzorgen boden. Het eerste was het verkrijgen van versterking om de uitgeputte operationele capaciteit weer enigszins te vergroten, het tweede de schrijnende munitieschaarste. Dat laatste wordt alhier als eerste besproken.

Hoe slecht de Vesting Holland logistiek gezien was voorbereid op een beleg, bleek wel uit de munitienood die aan het Zuidfront spoedig voelbaar werd. Er was geen etappenplan dat was gestoeld op de operationele noodzaak voor een leger dat diende te functioneren in een modern conflict, maar een goedkoop militair-logistiek plan dat uitging van grote gecentraliseerde voorraden, een zeer beperkte aantal regionale depots en vooral een grote intensiteit van fysieke overbrenging van middelen tijdens de strijd. Uitganspunt was geweest binnen de Vesting-Holland via een bestaand magazijnenstelsel te bevoorraden, dus zonder tussenstations ['eindstations' genaamd in het etappendienstjargon van toentertijd]. Er was zodoende binnen het gebied van het gehele Zuidfront geen hoofddistributieplaats [c.q. eindstation] noch aanvullingsplaats voor de bevoorrading georganiseerd. Eén van de grootste uitdagingen die door die centralistische logistiek was ontstaan was dat op 10 mei reeds een derde deel van de etappenvoorraad geblokkeerd raakte door de Duitse landingen rond Rotterdam, waarbij de voorraden in Rotterdam zuid direct verloren gingen. Dat gold overigens niet voor de munitie, die in hoofdzaak rond Amsterdam was ondergebracht. In tegenstelling tot eerder ingerichte stellingen, was de munitievoorraad op het Zuidfront niet zodanig dat een langere intensieve strijd kon worden gevoerd. De voorraden waren uiterst beperkt, terwijl met name voor munitie het etappenplan nog überhaupt niet was aangepast aan de herziene defensie. In die etappenplannen zou het Zuidfront immers wel een grotere voorraad op onderdeelsniveau gekregen hebben, maar nog immer geen eigen eindstation. Overigens kan men zich bij dit laatste 'excuus' afvragen hoe men in oorlogstijd eenzelfde logistieke uitdaging wel juist had kunnen plannen, als het Zuidfront uiteindelijk in tweede instantie alsnog in de frontlinie was gekomen. Het antwoord erop is in feite hetzelfde als in de feitelijke situatie op 10 mei: er was niet met voldoende expertise door beslissers naar gekeken (1).

(1) Een tamelijk oppervlakkig artikel over deze materie verscheen in de Militaire Spectator, editie 11-2004, van de hand van kapitein drs. M. van Dijk, "Op voet van oorlog - de landsverdediging van Nederland logistiek ondersteund 1901-1940" [668]. Het artikel gaat slechts op een fractie van de vraagstukken van de oorlogslogistiek (in mei 1940) in en bespreekt in feite geen enkel facet in detail. Het hele aspect van de bevoorrading van het Zuidfront wordt er niet in besproken. Vooral de bevoorrading van het Veldleger werd in enige mate beschouwd.

Een veel duidelijker en relevant artikel vond men in de MS editie van kort na de capitulatie. Luitenant-kolonel P.P.W. van Leeuwen [intendant] ging zeer kort na de meidagen in de MS editie 1940 eerlijk in op de zaak in het oorspronkelijk als mobilisatie ervaring bedoelde - maar door de oorlogsomstandigheden als oorlogservaring geschreven artikel 'Mobilisatie-ervaringen op verplegingsgebied - IV' [671]. Hij gaf in zijn inleiding reeds aan dat de kwestie van de statische Nederlandse bevoorrading ook vooroorlogs al tot discussies leidde. Zo stelde hij o.m. : "Ik moet dan beginnen met, zij het bescheidenlijk, dan toch duidelijk, vast te stellen, dat de feiten schrijver dezes, die niet opgehouden heeft te wijzen op het gevaar van het zich te veel vastleggen op het systeem van verpleging door middel van den etappendienst, in het gelijk hebben gesteld. Dat er zich omstandigheden kunnen voordoen, waarbij deze wijze van verplegen niet kan worden doorgevoerd, is nu nl in de praktijk van den oorlog onomstootelijk komen vast te staan." Typerend in deze was zijn aantekening ten aanzien van het verzorgingsgebied van 1.LK, dat uiteraard evenals het Zuidfront door de luchtlandingen was ontregeld. "Met het gevolg (...) dat de bevelen (...) alleen ruimte lieten voor het soberste Verplegingsbevel: de onderdeelen voorzien zich van het benoodigde door aanschaffing in de streek." Uiteraard ging dat alleen op voor fourage, maar niet voor munitie. Het typeert echter de ondoordachtheid van het logistieke plan, dat vooral weer wegens zuinigheidsoverwegingen uit centralistische bouwstenen bestond.

Het Zuidfront had dus geen enkel logistiek centrum, geen enkel depot, zelfs geen enkel georganiseerde aanvullingsplaats. Er waren geen reservewapens, geen reserve munitievoorraden voor kleinkaliber munitie en al helemaal geen voorraden voor artilleriemunitie. Rotterdam was het logistieke centrum voor de intendance. Daar waren grote voorraden aan niet-krijgsmiddelen. Maar voor munitie was de Stelling van Amsterdam het aangewezen logistieke hart. In diverse forten in de Hollandse Waterlinie en de oude Stelling van Amsterdam waren beperkte voorraden munitie opgeslagen, maar door de grote diversiteit in munitiesoorten en maten, waren slechts weinig munitiesoorten voorhanden buiten de Stelling Amsterdam.

[192, 302] De nood was het grootste voor de luchtafweer in de Waard – die slechts voorzien was van de bescheiden neutraliteitsvoorraad van 150 granaten. [142, 192, 199] Maar de 7-veld munitie was ook rap geslonken gedurende de eerste oorlogsdag, naast het feit dat men grossierde in patronen met normale lading en juist behoefte had aan patronen met verminderde lading. Voor de stukken 15 lang 24 was alle beschikbare munitie reeds verdeeld over de drie met deze stukken uitgeruste afdelingen. Aangezien 25.AA de gehele dag actief was geweest, kreeg zij spoedig ook de bodem van haar voorraad in zicht. Die lag organiek op circa 200 granaten per vuurmond, hoewel het Stafwerk die voor 25.AA - zie daarover hieronder - stelt dat deze op ca. 90 granaten per vuurmond lag. [192] Groep Spui bracht hierin voorlopig uitkomst door 360 brisantgranaten te leveren van 26.AA, dat nog geen schot had gelost. Die levering betekende voor de (op 11 mei) acht nog werkende stukken van 25.AA echter slechts een rantsoen van 45 granaten per vuurmond extra. Voor 25.AA betekende het echter tevens dat men er niet op kon rekenen dat nog een aanzienlijke verrijking van de voorraad aan de orde zou zijn. De herinvoering van de stokoude stalen vuurmonden was pas aan het eind van de winter 1940 geschied en de AI had daarom geen nieuwe munitie (of kardoezen) aangemaakt.

Men stuit bij deze materie op een prachtig voorbeeld van hoe hardnekkig een schrijffout in een oorspronkelijke bron door de krijgshistorici en onderzoekers nadien klakkeloos werd gekopieerd. Calmeijer stelt – in zijn stafwerk [1, Bijlage VIII] en Memoires [70] – dat een voorraad van 3.600 brisantgranaten door 26.AA zou zijn geleverd aan 25.AA. Ook het GrAC verslag [199] spreekt van dit getal, wat vermoedelijk voor Calmeijer als (enige) bron gold. Dat getal leek auteur dezes erg veel, gegeven het feit dat dit overgebrachte volume een viervoud zou zijn van de voorraad die 25.AA (volgens diezelfde Bijlage in het stafwerk) bij aanvang van de vijandelijkheden had liggen, zijnde 1.080 granaten. Bovendien geeft het stafverslag van Groep Kil [192] – eveneens door Calmeijer geschreven – aan dat het niet om 3.600 granaten maar om een tiende deel ging [360 stuks], wat op het oog een veel redelijker getal lijkt. Een goed onderzoeker rechercheert door als men het onwezenlijk grote getal van 3.600 granaten leest. Want men dient dergelijke getallen ‘tot leven te brengen’ om er een voorstelling bij te maken waaruit een eerste toetsing ontstaat. Twee zaken springen de degelijke onderzoeker dan direct in het oog. De eerste is het feit dat 26.AA in een luwe uithoek van het Zuidfront ‘kennelijk’ tenminste viermaal zoveel munitie voorhanden zou hebben gehad dan het in de meest prominente sector van het Zuidfront gelegen 25.AA, wat onlogisch lijkt. Het tweede punt dat direct zou moeten opvallen is het volume van 3.600 granaten van een 15 cm kaliber. Men bedenke dat 3.600 brisantgranaten (31,6 kg per stuk, exclusief drijflading) een massa vertegenwoordigden van maar liefst 3.600 x 32 kg = 115 ton. Daar kwam dan nog enige tonnage bij voor de kruitzakken (drijfladingen). Dat soort tonnages vervoerde men in die dagen niet zomaar even. Dat vervoer moet een waar konvooi hebben gevormd. Het vervoer van een tiende deel, 360 granaten die tezamen 11.5 ton wogen, lijkt veel meer voor de hand liggend.

Helaas bespreekt het bijzonder beperkte verslag van 26.AA het geval in het geheel niet [144], zodat het als ondersteuning waardeloos is. Maar rechercheren op een eenheid die deze enorme voorraad moet hebben vervoerd levert de onderzoeker direct resultaat op. Zo biedt het regimentsverslag van C-34.RI een duidelijke aanwzijing [101]. Op 11 mei staat aldaar vermeld:

» In de nacht van 10 op 11 mei met vrachtauto’s 300 b.s.g. [sic] van de 26e Afd.Art. en 10.000 scherpe no.1 van II-34.RI en 10.000 van I-34.RI naar ’s Gravendeel doen vervoeren ter beschikking van C-Groep Kil.«

Het is dus duidelijk dat er geen 3.600 maar 360 (of 300) brisantgranaten van 26.AA aan 25.AA werden geleverd. Een getal dat tastbaar is en dat veel realistischer lijkt dan de 3.600 die in allerlei verslagen van de GrAC [Kil] en uiteindelijk het stafwerk terecht kwamen.

Anderzijds komt dan een andere kwestie om de hoek kijken. Het stafwerk meldde eveneens dat 25.AA slechts over een basisvoorraad van 1.080 granaten beschikte, zowel brisantgranaten als granaatkartetsen [1: bijlage VIII]. Hoe betrouwbaar dat gegeven is, is niet vast te stellen. Maar het lijkt onbetrouwbaar. Als men nagaat dat er met die basisvoorraad slechts 90 granaten [bg en bgkts] per vuurmond in voorraad zouden zijn geweest, dan is duidelijk dat dit veel meer op een rantsoen [voorraad bij de stukken] dan een  totale voorraad lijkt te duiden. Het is zeer aannemelijk dat 25.AA in feite over een grotere autonome voorraad beschikte, die vermoedelijk in een hoger echelon lag opgeslagen. Het was immers gebruikelijk om slechts rantsoenen in de batterijopstelling te hebben en een aanvullende voorraad op een verder afgelegen locatie. Uit de verslagen van 25.AA [143] blijkt ook dat men op de eerste oorlogsdag reeds munitieaanvulling pleegde, hoewel daaruit niet onomstotelijk vast komt te staan of ook de stuksvoorraad van 90 granaten nog over meer locaties was verdeeld. Hoe het ook zij, met een getal van 1.080 granaten en een aanvulling van (zeg) 360 granaten, kwam men op nog geen 1.500 granaten. Terwijl de Afdeling volgens rapportages van de GrAC [199] tijdens de meidagen circa 2.500 granaten verschoten heeft. Daaruit blijkt dat de getallen die in het stafwerk [1: bijlage VIII] staan alsmede die welke in het GrAC verslag zijn gemeld, niet kunnen kloppen, of althans niet compleet kunnen zijn. Maar geen onderzoeker die dit detail tot op heden interessant lijkt te hebben gevonden, hoewel men toch als eerste tegen de vraag zou moeten zijn aangelopen waarom Groep Kil zo ondermaats zou zijn voorzien van 15 cm munitie tegen een kennelijke overdaad daaraan bij Groep Spui. De na enig onderzoek eenvoudig te vinden ‘klaarheid’ betreffende de werkelijk van Groep Spui naar Kil vervoerde voorraad toont echter eveneens aan hoe eenvoudig onderzoekers naoorlogs getallen klakkeloos in krijgshistorische analyses overnamen. Het heeft er – niet voor het eerst – de schijn van dat men kritiekloos de diverse toonaangevende verslagen kopieerde. En daar zit hem uiteraard ook enigszins de crux van de slager die eigen vlees keurde [Calmeijer].

[142, 192] Voor de 7-veld stukken, waarvan vijf batterijen actief waren bij de Groep Kil in de Hoekse Waard, was een grotere voorraad munitie voorhanden. Voor de vijf batterijen in de Hoekse Waard waren dat 4.960 ladingen [70: blz 306, vtn 63]. Maar het gros van die munitievoorraad was voorzien van een volledige lading [normaallading] en bedoeld om indirect vuur te geven op de geprognosticeerde sector voor de verdediging van het Vak Moerdijk. De voor vuren op kortere en middellange afstand benodigde munitie met verminderde lading [bg vml] was niet in overdaad aanwezig, maar juist buitengewoon noodzakelijk om de vele vuuropdrachten op korte en middellange afstand te kunnen afgeven (2). Aangezien Groep Spui slechts over het oude stalen geschut beschikte, kon zij in dit geval geen uitkomst bieden. De staf Vesting Holland werd om munitie aanvulling gevraagd.  Het antwoord op dat verzoek was buitengewoon curieus.

(2) De 7-veld vuurmond schoot voor alle vuren met uitzondering van de grootste dracht vrijwel alleen maar met eenheidsmunitie, dat wil zeggen patronen. Oorspronkelijk was de vuurmond ingevoerd als een wapen dat louter met gescheiden lading [patroon en drijflading gescheiden geladen] schoot, en waarvan slechts nog enige vuurmonden in gebruik waren in mei 1940 (de zogenaamde stukken OM, niet gemoderniseerde stukken). De brisantgranaten no.1 waren bedoeld voor de korte en middellange dracht. De kortste dracht werd met de granaat met verminderde lading bereikt. Dat was de granaat ‘bg no.1 VL’. Deze was bedoeld voor vuren tot 6,300 meter. De ‘bg no.1 NL’ – patroon met normale lading – was bedoeld voor de drachten tussen 6.000 en 8.500 meter. De ‘bg no.2’ was bedoeld voor de langste dracht en werd nog als gescheiden lading geladen, dus met kruitzakken. Dat werd aangeduid als de zogenaamde ‘lading 3’. De voorraad bij Groep Kil zag nu juist op de ‘no.1 NL’ die in overdaad aanwezig waren, terwijl het gros van de vuuropdrachten binnen de radius van 6.000 meter vielen. Alternatief voor de artillerie was geweest westelijker in de Hoekse Waard stelling te nemen, zodat de afstand tot het doelgebied weer binnen de voorwaarden voor gebruik van de normale lading patronen zou komen.

[192] Er was eveneens om infanteriemunitie gevraagd. Dat was een opvallende zaak, zeker gezien het feit dat de Groep zoveel van zijn sterkte was kwijtgeraakt. Er is auteur dezes onbekend wat de oorspronkelijke munitievoorraad van Groep Kil was voor het uitbreken van de strijd. Uit de feiten lijkt echter te spreken dat die voorraad niet groot kan zijn geweest. Al in ochtend van 11 mei kreeg men vanuit Groep Spui een voorraad van 20,000 patronen, die samen met de 15 cm munitie voor 25.AA werd afgeleverd [101]. Die 20,000 geweerpatronen waren een druppel op een gloeiende plaat. Op de oorspronkelijke sterkte van Groep Kil (ca. 5,250 man) betekende dat vier patronen de man. Groep Spui was dus vermoedelijk ook al niet rijkelijk bedeeld. Ook voor infanteriemunitie en middelen (handgranaten, mortiergranaten, UKG batterijen) was er geen lokale voorraad van de AI aanwezig. Het moest allemaal uit het noorden komen. Opvallend was echter het antwoord vanuit de staf C-VH op de verzoeken van de staf van Groep Kil. Men kon de artilleriemunitie wel aanvoeren, zij het via het water. Voor kleinkaliber munitie vond men dat een te groot risico. Dat kon men niet aanvoeren! Men moest maar wachten op de treinen van de Lichte Divisie, die volgend uit een bevel in de ochtend van 11 mei aan die eenheid, spoedig in de Hoekse Waard zouden aankomen. Opmerkelijker was dat de staf van VH als antwoord aan de staf Groep Kil gaf dat de landaanvoer was afgesneden omdat [192]de eilanden IJsselmonde en Rozenburg in ’s vijands handen waren’. Dat was onjuist, althans, de gehele westzijde van IJsselmonde was nog vijandvrij.

[1, 192] Groep Kil ging niet bij de pakken neerzitten. Kapitein Calmeijer vroeg vrijwilligers om een munitietransport te formeren en de munitie in Halfweg zelf te gaan halen. In de late middag van 10 mei vertrokken twee vrachtwagens, met aan boord vier mannen van de staftroepen van Groep Kil. Het transport stond onder leiding van de dpl sergeant A.A.W. de Graaf met dpl korporaal B.J.M.A. Joncherius, dpl soldaat (motorordonnans) P.J.N. Martens en dpl soldaat (chauffeur) W.N.J.A. van Gasteren. Hun route is exact bekend. Zij reden vanuit Puttershoek over Brielle – Hillegersberg – Bergschenhoek – Bleiswijk – Zoetermeer – Alphen aan den Rijn – Utrecht – Amsterdam naar Halfweg. Een route die hen in eerste fase langs de luchtlandingssector rond Ypenburg leidde, waar men opvallenderwijs geen enkel probleem ondervond en vervolgens via een flinke omweg naar Amsterdam reed. De rechtstreekse route via Leiden wilde men kennelijk vermijden. Het moedige kwartet manschappen zou de volgende dag terugkeren met bijna 200,000 patronen voor geweer en enkele duizenden voor pistool en revolver. Voor de zware mitrailleurs had men niets meegenomen en ook mortiermunitie (bijzonder nijpend wegens de door Duits vuur geëxplodeerde voorraad in de boerderij langs de Kil) en UKG batterijen waren niet meegenomen. Die laatste waren vermoedelijk in Halfweg ook niet op voorraad. Want vlak voor de oorlog zou een herlaadstation worden geopend in Scheveningen, dat gebruikte lege batterijen zou herladen en herdistribueren. Dat station was in mei 1940 nog niet operationeel, had bovendien precies in de zone gelegen waar Duitse parachutisten in de duinen actief waren en bovendien had dit evident voor Groep Kil weinig kunnen betekenen. Feit is dat het leger veel te weinig batterijen voor de moderne UKG had aangeschaft en dat zich dat tijdens de meidagen overal zou wreken.

Opvallend was dat het stoutmoedige viertal militairen erin slaagde ook op de terugweg de als geblokkeerd te boek staande route langs de Nieuwe Maas te nemen, die de vrachtwagens via Schiedam en Maassluis weer in Brielle bracht. Men bewees daarmee de begaanbaarheid van de open route die daar ook op 10 mei reeds had gelegen. En daarbij had men West-IJsselmonde zelfs nog gemeden, wat hen een nog kortere route had geboden. Op 11 mei om 0925 uur was men terug in Puttershoek!

Ten aanzien van de munitie was er nog wel sprake van enig pleisterwerk. In mei 1940 hadden vrijwel alle gemeenten nog een kleine wapenkamer met daarin enkele dozijnen geweren en één of enige munitiekisten met geweerpatronen. Die voorraden waren bedoeld voor de Burgerwacht. Aangezien de Burgerwachtvendels vrijwel nergens in actieve dienst werden geroepen (uitzonderingen waren er beslist), eiste Groep Kil bij diverse gemeenten de munitievoorraad en wapens op. Hoewel dat slechts enige duizenden patronen opleverde (een kist patronen bevatte 1.920 stuks), was dit desondanks een aanvulling. Overigens is de kans groot dat een aanzienlijk deel van die munitie in feite over de datum en dus onbetrouwbaar was.

De munitiekwestie: een beschouwing

Er zijn een aantal zaken die bij de munitiekwestie buitengewoon opvallen en beiden hebben in hoofdzaak te maken met een falend beleid van de commandant Vesting Holland en zijn staf.

De eerste kwestie is de vaststelling dat er geen lokale munitiedepots waren aangelegd voor de diverse sectoren in het buitenfront van de Vesting-Holland. In oorlogstijd is de minst populaire ‘bezigheid’ het rijden van munitie, zeker de detonerende soorten. Immers, een goedgerichte kogel is voldoende om een kettingreactie te veroorzaken en een transport op te blazen. Een degelijk voorbereide oorlogsvoering bevat dus een verstandig munitiedistributieplan. Nederland had ten aanzien van alle wapens een schaarste aan munitie. In feite was het zelfs zo erg dat de weerstand die het land zou kunnen bieden alleen al gebaseerd op de munitievoorraden beperkt zou moeten blijven tot maximaal drie weken. Tijdens die drie weken zou de artilleriemunitie, mortiermunitie en luchtafweermunitie overigens allang zijn verschoten voor de eenentwintigste dag zou zijn aangebroken. Slechts de kleinkaliber munitie zou voor die drie weken ongeveer volstaan. De Artillerie Inrichtingen hadden weliswaar productiecapaciteit, maar die was beperkt tot enkele procenten van de oorlogsconsumptie. Met andere woorden, op drie weken strijd zou de nieuwe aanmaak slechts enkele uren ‘rek’ bieden. Die munitieschaarste leidde er toe dat men met de munitievoorraden prioriteiten moest stellen. Kennelijk heeft men ergens besloten munitie voor het grootste gedeelte opgeslagen te houden binnen de Vesting Amsterdam, waar talloze oude forten tot opslag waren ingericht. Zwaar kaliber munitie lag zelfs vrijwel geheel geconcentreerd in de grote opslag te Halfweg (tussen Haarlem en Amsterdam). Slechts fracties van die voorraad - vooral voorzien voor de kustartillerie - waren opgeslagen in enkele forten ten zuiden van de Rijn. Ook waren er schepen gecharterd waarin munitie was opgeslagen, maar ook die lagen allen ten noorden van de grote rivieren. Wel had men naar verluid [harde bewijzen ontbreken aan auteur dezes] een kleine voorraad munitie in enkele schepen langs de zuidoever van het Hollands Diep afgemeerd, binnen het gebied van het Bruggenhoofd Moerdijk. Deze zijn - als zij daar nog lagen op 10 mei - evident in Duitse handen gevallen.

Een dergelijke grotendeels gecentraliseerde opslag kan men verklaren met de wetenschap van schaarste. Het is echter vanuit operationele eisen onbegrijpelijk dat een centraal opgeslagen munitievoorraad, diep in Vesting Holland, niet was gecombineerd met aanzienlijke lokale munitiedepots bij de diverse grootverbanden langs de buitenverdediging. In de praktijk van mei 1940 was het namelijk zo dat de eenheden langs het Zuidfront een zeer beperkte lokale voorraad hadden. We praten vermoedelijk over een omvang van circa drie dagrantsoenen oorlog. Rantsoenen gebaseerd op Nederlandse schattingen van zo’n dagconsumptie, die uiteraard veel te laag lagen. Tussen het Zuidfront en de Stelling van Amsterdam lag echter geen enkel distributiepunt. Het was dus niet zo dat de voorraden die ten noorden en westen van de hoofdstad lagen naar distributiestations achter de frontsectoren konden worden gebracht en van daaruit doorgedistribueerd. Men had kennelijk overwogen dat dit niet noodzakelijk was. Een overweging die slechts uit naïviteit en gebrek aan inzicht - in concrete zin wellicht uit kostenoverwegingen - zo gemaakt had kunnen worden. Zoals gezegd, munitie wil men in oorlogstijd zo min mogelijk vervoeren. Niets beter dan in een aantal depots in frontsectoren buffervoorraden op te slaan, die zodoende slechts een korte distributielijn kennen richting de aan te vullen frontdelen. In vredestijd gedistribueerde voorraden hoefden dan immers niet meer in oorlogstijd – met alle risico’s van dien – te worden vervoerd.

Een tweede punt van kwalijk karakter was het antwoord dat de Staf Groep Kil kreeg van de staf Vesting Holland – en dat veelzeggend was over de ronduit slechte ‘situational awareness’ van die coördinerende staf in Den Haag. Men meende namelijk op 10 mei dat zowel het Eiland IJsselmonde als het Eiland Rozenburg geheel door de Duitsers bezet was. In beide gevallen was dit onjuist. Het Eiland Rozenburg was zelfs nooit door meer dan een dertigtal Duitsers bezocht. Zeker is dat men daar het grootste deel van het Eiland beheerste en sowieso het westen ervan nooit verloren had. Maar er is wel begrip op te brengen voor het feit dat de paniekerige rapportages uit de Positie Hoek van Holland aanleiding gaven tot een andere perceptie. Beduidend anders was dat voor het Eiland IJsselmonde. Daar was ten westen van Rhoon sprake van een niemandsland. Er zouden pas in de middag van 11 mei Duitse troepen westwaarts trekken om ook dat deel van het Eiland te bezetten. Maar het was zelfs zo sterk dat op 10 mei en de daaropvolgende nacht bij de olie installaties te Pernis een onaangetaste Nederlandse bezetting lag en de brug te Spijkenisse eveneens in Nederlandse handen was, met een (bescheiden) voorpost aan de oostzijde van de Oude Maas. Men beheerste dus de as Pernis-Spijkenisse nog tot diep in de tweede oorlogsdag. Kennelijk besefte men dat in Den Haag helemaal niet, zoals al eerder (elders) geconcludeerd bij de onnodige moeite die 3.GB moest doen om het Eiland IJsselmonde te betreden via Barendrecht en Goidschalxoord, terwijl men gewoon via de in eigen handen zijnde brug te Spijkenisse had kunnen gaan.

Uit de gebeurtenissen blijkt dat de piepkleine stafsectie Zuidfront binnen de staf Vesting Holland, die wegens zodanige wensen van de C-VH sinds april 1940 niet meer lokaal aan het Zuidfront vertoefde maar als zelfstandige sectie in de reguliere staf te Den Haag was opgenomen, op 10 mei totaal geen accuraat beeld van het slagveld had. Groep Spui en de staf VH hadden een werkende verbinding. Kennelijk werd daarvan onvoldoende gebruik gemaakt, want Groep Spui kende de situatie bij Spijkenisse. Maar evenzo lijkt er alle reden aan te nemen dat de beide Groepen [Spui en Kil] elkaar niet goed op de hoogte hielden. Van de Positie Hoek van Holland is bekend dat zij panische meldingen pleegde over een massale overval door Duitse luchtlandingen. Maar zoals reeds bij de bespreking van 3.GB [11 mei] aangegeven, was het vooral opvallend dat Groep Kil kennelijk niet op de hoogte was van de vrije brug te Spijkenisse. Groep Spui was daar beslist wel van op de hoogte, wat uit hun oorlogsdagboek en krijgsverslagen blijkt. Maar op 10 mei om 1255 uur werd desondanks door de C-VH verordonneerd dat 3.GB over de door de Duitsers beheerste Barendrechtse brug naar Waalhaven moest. Dat werd niet gewijzigd toen men bij C-VH om 1430 uur van de Duitse bezetting van Barendrecht vernam. Sterker nog, Groep Spui wist óók van de opdracht aan 3.GB om via Barendrecht de aanval op Waalhaven in te zetten en heeft (kennelijk) geen signaal afgegeven dat in haar gezagsgebied een prachtige brug in eigen handen was om de Oude Maas zonder tegenstand over te steken! In het verlengde van die kwestie ligt ook de informatie omtrent een mogelijk vrije route langs de westzijde van IJsselmonde voor de dringende behoefte aan munitieaanvulling voor het Zuidfront.

De kleinkaliber munitie kon dus niet worden gestuurd door C-VH. Een onvoorstelbare zaak. Een kwestie die typerend was voor de volkomen incompetente staf van de Vesting Holland. Uiteindelijk was het Groep Kil die zelf een konvooi wegstuurde om de noodzakelijke munitie dan maar te gaan halen! Maar dat was de omgekeerde wereld. Het is aan auteur dezes onbekend hoe naoorlogse de analisten tegen deze kwestie aankeken, maar auteur dezes is geneigd het botweg weigeren kleinkaliber munitie aan te voeren door de staf C-VH, een zaak te achten die in de hoogste categorie van verwijtbaar wanbeleid dient te worden gesorteerd. In de gegeven situatie toonde kapitein Calmeijer zich echter een initiatiefrijk chef-staf en bewezen bovendien vier moedige militairen in welke mate een weerbaar leger gewogen risico’s dient te nemen om de continuïteit van de weerstand facilitair te verzekeren.

Deze munitiekwestie was slechts één van de vele opmerkelijke zaken in het (dis)functioneren van de staf van C-VH tijdens de mobilisatie en de oorlogsdagen. Er zijn al andere opvallende zaken besproken en er zullen er nog vele volgen. Duidelijk is echter (wederom) dat de ‘situational awareness’ bij de C-VH en zijn staf ruimschoots onvoldoende was en dit niet zomaar kan worden gesorteerd onder de verrassing van de overval op de Vesting en de daarmee gepaard gaande chaos. Hier was duidelijk sprake van onvoldoende inlichtingen verzamelen door de staf VH zelf. Daarenboven was men beleidsmatig al tekortgeschoten in de voorbereidingen, blijkens de lage munitievoorraad aan het Zuidfront gecombineerd met een centrale munitieopslag in het noorden van de Vesting. Een zaak die nog maar eens onderstreept hoe slecht het Nederlandse leger in mei 1940 militair beleidsmatig was voorbereid op oorlog. En de lezer bedenke - in weerwil van de populaire automatismen op de politiek verwijtbaar te stellen voor het zwakke optreden van het Nederlandse leger in mei 1940 - dat militaire beleidszaken een vrijwel zuiver militaire aangelegenheid waren.

Verzoeken om versterking

Ondanks het feit dat de Groep Kil in de loop van de 10e mei infanteristisch gezien reeds gereduceerd was tot een minimale sterkte van ruim twee bataljons, had de staf bepaald dat het op 10 mei een volledig bataljon (3) ter beschikking moest stellen aan de C-Kant Dordrecht. Groep Spui was op 10 mei reeds om versterking gevraagd, maar dit had slechts het verzwakte 1-I-34.RI [twee secties plus compagniesstaf] opgeleverd en dat was diezelfde middag direct aan het verband Ravelli toegevoegd.

(3) Zowel het verslag van Groep Kil [192] als het Stafwerk [1] – en in hun navolging vele auteurs – melden dat het bataljon Ravelli een versterkt bataljon was. De redenen dit als zodanig vast te leggen ontgaan auteur dezes. Het heeft een onjuist beeld geschapen, dat door andere auteurs onterecht kritiekloos is overgenomen. Het bataljon bestond in werkelijkheid uit twee compagnieën van II-28.RI, de slechts uit twee secties bestaande compagnie 1-I-34.RI en slechts twee secties van de MC-II-28.RI. De tijdelijke aansluiting van een sectie mortieren (alleen bij de aanval op Amstelwijk) kan aanleiding zijn geweest van een versterkt bataljon te spreken, analoog aan Duits gebruik van het begrip ‘versterkt’. In feite was het bataljon waarover Ravelli beschikte echter beduidend onder organieke bataljonssterkte, want tenminste twee secties infanterie en twee secties zware mitrailleurs ontbraken.

Het was in die fase van de strijd een opmerkelijk besluit van C-Gr Kil dat deze maatregel genomen werd, maar getuigde wel van lef en bovendien het inzicht dat Dordrecht als schakel in de Nederlandse verdediging (na het vallen van Moerdijk) van cruciaal strategisch belang kon worden. Het betekende echter tegelijkertijd dat slechts 3-II-28.RI, III-34.RI (min een compagnie), twee secties MC-II-28.RI, een sectie mortieren en een sectie 6-veld beschikbaar zouden blijven in de Hoekse Waard. Daar was in de middag van 10 mei de sectie van 12.MC bijgekomen die met drie stukken Vickers vanuit Roode Vaart (bij Moerdijk) had weten terug te trekken, en naar de Kiloever was gezonden als extra versterking.

Dat was dus een totale sterkte van niet meer dan een bataljon om de circa 24 kilometer lange buitengrens van het Groepsvak [langs de zijden zuid, oost en noord] te kunnen bezetten, inclusief het bezetten van belangrijke posities of uitvoeren van overige taken binnen het Vak. Een operationeel verwaarloosbare strijdmacht. Daarmee nam C-Gr.Kil dus een groot risico. Er werd echter in Puttershoek duidelijk afgewogen dat het behoud van Dordrecht nog belangrijker was dan de eigen defensieve taken en daarmee toonde men zoals gezegd lef en inzicht. Want de besluiten die Groep Kil terzake durfde te nemen, doen sterk denken aan vergelijkende afwegingen die Oberst Bräuer en Generalleutnant Kurt Student namen ten aanzien van de concentraties van hun troepen en middelen. Anderzijds nam men ook een erg groot risico door met slechts een 900 man aan infanteristen een dergelijk groot gebied bezet te houden, in de wetenschap dat nieuwe luchtlandingen ieder moment in eigen sector konden plaatsvinden en de tegenstander zijn ambities tegen de eigen Vaksector niet bekend waren. Dat risico werd ook erkend en daarom was op 10 mei al gesmeekt om versterking. Het enige resultaat was geweest dat kolonel De Brauw vanuit Groep Spui de verzwakte compagnie 1-I-34.RI had toegezonden. Dat was ruimschoots onvoldoende. Op 11 mei mislukte de aanval van 3.GB over de Oude Maas. Het gevolg was dat 3.GB onder auspiciën van Groep Kil mocht blijven in plaats van onder bevel van de Lichte Divisie terecht te komen. Zodoende kreeg de Groep Kil er in feite een onverwachte versterking bij. 3.GB was echter een gemankeerd bataljon. Het had zoals reeds aangegeven de sterkte van maximaal drie compagnieën en had bovendien vrijwel haar gehele trein, inclusief munitiewagens, in Willemstad achtergelaten.

[192] Een nieuw beroep op de C-Gr Spui in de ochtend van 11 mei leverde Groep Kil wederom een zwakke compagnie versterking op. Deze keer was het 3-I-34.RI (min een sectie) dat met ondersteuning van een sectie mortieren van 34.Cie.Mr naar Maasdam werd verstuurd en daar voor het middaguur reeds arriveerde. De sectie mortieren werd direct doorgestuurd naar het zuidoosten van ’s Gravendeel om aldaar Duits mortiervuur – zoals het op 11 mei wordt geadresseerd in Nederlandse verslagen – rond Catharinahoeve te bestrijden. [464, 472] Dat Duitse mortiervuur was overigens vrijwel zeker helemaal geen mortiervuur, maar vuur van de twee berghouwitsers van de Fallschirmjäger Geschutzbatterie, die in de late avond van 10 mei bij Willemsdorp waren aangekomen. [464] Zware mortieren – zoals de 8 cm mortieren in mei 1940 nog werden aangeduid – bezaten de Duitse troepen bij Willemsdorp en Moerdijk helemaal niet, want die waren door II./FJR1 in Duitsland achtergelaten. [464] Toen in de late middag van 11 mei 12./FJR1 – de zware wapens compagnie van III./FJR1 – in Willemsdorp arriveerde, kregen de parachutisten aldaar wel beschikking over mortieren van 8 cm, die met een bereik van circa 2,100 meter zeer hinderlijk voor de Nederlanders waren. [450] Wel beschikten de parachutisten langs de Kil oever al vanaf de ochtend van 10 mei over enkele lichte mortieren van 4,7 cm, maar deze hadden slechts een bereik van maximaal 600 meter en verschoten zeer lichte ladingen. Daarmee konden de Duitsers overigens wel de Nederlandse troepen langs de oostoever van de Kil beschieten, wat ook geschiedde, zoals uit het Duitse bataljonsverslag van I./FJR1 blijkt [450].

Het betekende dat Groep Kil in de avond van 11 mei de beschikking had over ruim twee bataljons infanterie. Dat waren 3-II-28.RI, 3-I-34.RI (min een sectie), III-34.RI (min een compagnie en min een sectie) en 3.GB (sterkte gelijk aan drie compagnieën). Met de secties MC van 12.MC, III-34.RI en II-28.RI tezamen de sterkte van iets meer dan twee bataljons. Zij werden ondersteund door de nog steeds aanwezige sectie 6-veld, de mortieren de aanwezige sectie van 34.C.Mr. en de beide vrijwel munitieloze secties mortieren van 28 Cie Mr.

De troepenmacht van Groep Kil was dus niet meer in staat zelfstandig offensief op te treden, behalve op zeer kleine schaal. Dat was bekend bij C-VH. Deze wedde echter vanaf de ochtend van 11 mei op een ander paard, namelijk de Lichte Divisie. Die had bij Alblasserdam getracht IJsselmonde te bereiken, maar was daarin niet geslaagd. Rond 1000 uur had de C-VH daarom de divisie geïnstrueerde met ongeveer de helft van haar troepen naar het Eiland van Dordrecht over te steken, dat te zuiveren van Duitse troepen en vervolgens de Kil over te gaan en via de Oude Maas alsnog op IJsselmonde te geraken. Dat zou betekenen dat Groep Kil zich op haar territoriale verdediging kon concentreren, want de LD zou de (tegen)offensieve rol in de sector overnemen. Wedden op één paard dus, want hoewel de instructie aan de LD [zie het hoofdstuk over de Alblasserwaard] kort en bondig geformuleerd was, was haar opdracht buitengewoon complex en ambitieus. Want waarom zou deze meest tot de verbeelding sprekende gemotoriseerde eenheid in het Nederlandse leger, die zojuist gefaald had de zwak verdedigde oostzijde van IJsselmonde te bereiken, er wel in slagen om veel sterkere Duitse formaties van het Eiland van Dordrecht te jagen? Groep Spui, die een uithoek van de Nederlandse verdediging van Vesting Holland bezet hield en op geen enkele locatie Duitse troepen tegenover zich had, met uitzondering van (later op de 11e mei) de locatie Spijkenisse, werd in deze fase niet door C-VH geïnstrueerd sterkere formaties af te staan aan de Groep Kil. Dat terwijl Groep Spui nergens en Groep Kil vrijwel ‘overal’ door de tegenstander werd bedreigd. Het door de C-Groep Spui in de loop van de 11e mei herziene verdedigingsplan voor het Groepsvak, waarbij de hoofdmacht van de Groep langs de zuidelijke en westelijke sectoren geconcentreerd bleef, werd zelfs telefonisch door de generaal Van Andel gesanctioneerd [193]. Welbewust werd de strategisch onbelangrijke Groep Spui dus niet geïnstrueerd om troepen te leveren aan Groep Kil. Hoewel de overwegingen van C-VH terzake niet duidelijk zijn, is er aanleiding te veronderstellen dat generaal Van Andel liever niet met allerhande eenheden wenste te manoeuvreren als het inschuiven van de Lichte Divisie de noodzaak tot versterken van Groep Kil onnodig maakte. Dat dit ‘inschuiven’ van de LD echter pas vorm zou krijgen nadat haar wielrijders erin zouden zijn geslaagd én de Duitsers te verslaan in het noorden van het Eiland van Dordrecht én met belangrijke krachten de Kil over te steken, lijkt minder prominent onderdeel te zijn geweest van de overwegingen. Het is anders niet goed te verklaren waarom de op 11 mei buitengewoon kwetsbare en door Duitsers omringde Groep Kil niet werd versterkt vanuit Groep Spui.

De artillerie

Zoals hierboven duidelijk geschetst was Groep Kil na het detacheren van het bataljon onder majoor Ravelli haar meeste ‘tanden’ kwijt. Het enige dat de Groep resteerde in offensieve zin waren haar acht batterijen artillerie. In het midden en noorden van de Waard had men de vijf batterijen 7-veld van 23.RA, in het zuidoosten de drie batterijen van 25.AA. Dat was een op papier vrij krachtige artilleriecomponent van bijna een volledige regimentssterkte. En deze hadden doelen te over. Deze laatste ‘tanden’ van de Groep werden echter flink bedreigd door de munitieschaarste, die eerder werd besproken.

25.AA

In het zuidwesten stonden nog steeds de drie batterijen van de Afdeling vestinggeschut in hun oorspronkelijke opstellingen. De stokoude vuurmonden van 15 cm staal hadden inmiddels last van talloze mankementen. Daardoor waren al vier vuurmonden uitgevallen, waardoor de sterkte van de Afdeling in werkelijkheid nog slechts twee batterijen was. Op 11 mei kreeg de Afdeling nog slechts vuuropdrachten die voor twee batterijen waren bedoeld, waarbij slechts de rechter [1e Batterij] en midden batterij [2e Batterij] waren betrokken. Eventueel beschikbare stukken van de linker batterij [3e Batterij] zouden aansluiten bij een der andere batterijen.

[1, 143] 25.AA was gedurende de nacht actief bij de beschieting van enkele sectoren in het zuidelijke bruggenhoofd bij Moerdijk. Daar werd een aanval van 6.GB voorbereid. Tot na middernacht (10 op 11 mei) werden vuren afgegeven. Om 0925 uur werd nog een herhaald vuur afgegeven, dat een kwartier aanhield. Dat vuur lag rond de dijken van de oorspronkelijke verdediging van het bruggenhoofd Moerdijk [zie voor details het verslag van 6.GB op 11 mei].

[143] Opvallend was dat de Afdeling een kort stormvuur afgaf op basis van het zogenaamde ‘stormteken’, een lichtkogel met zes witte sterren. De verslagen zijn buitengewoon vaag over dit fenomeen en vooral – essentieel voor analyse – over de locatie waar dat stormvuur dan op moet hebben gelegen. Een stormvuur was een afgesproken vuur op een zekere locatie, dat ertoe diende dat een urgent intensief vuur op een bepaalde sector zou worden gelegd. Dergelijke vuren waren in het Nederlandse leger vrijwel altijd defensieve vuren, bedoeld om een aanval van de tegenstander te blokkeren. Aangezien het voor de hand ligt dat stormvuren voor de buitenverdediging van het voormalige Nederlandse Bruggenhoofd Moerdijk lagen, is er reden om aan te nemen dat het kortstondig afgegeven stormvuur dat in de verslagen van 25.AA bij alle batterijen werd vermeld, exact het vuur was dat aan de ontvangende zijde in Nederlandse gelederen viel [zie daarvoor de bespreking van 6.GB op 11 mei]. Het zij nadrukkelijk vermeld dat dit een veronderstelling is, omdat de specifieke gegevens voor dit vuur ontbreken in de verslagen. [123] Stormvuur tekens zijn door de mannen van 6.GB niet afgegeven. Men heeft dus vrijwel zeker op een Duitse lichtkogel gereageerd.

Hoekse Waard

[143] De 1e Batterij had gedurende de eerste oorlogsdag veelvuldig last van storingen aan de stukken en schade aan de rembeddingen, waardoor diverse vuuropdrachten met een incomplete batterij werden uitgevoerd. Eén stuk viel uit tot ver in de tweede oorlogsdag wegens het afbreken van een slagpijpje in het zundgat. Het eerste vuur waar men op de 11e aan deelnam was het reeds de avond ervoor gestarte ondersteuningsvuur voor de nachtelijke aanval van 6.GB, waarna korte tijd later het besproken stormvuur werd afgegeven. In de ochtend werd om 0955 uur opeens krombaanvuur ontvangen, dat betrekkelijk ver over de batterij landde bij een boerderij. Het stafwerk suggereerde [1; blz 163] dat het vermoedelijk om door de Duitsers veroverde stukken 7-veld ging, maar die suggestie snijdt geen hout. Met de stukken 7-veld was geen werkelijk krombaanvuur te geven en bovendien waren de stukken door de Duitsers niet in gebruik genomen, alleen al omdat ze in zwaar betwist terrein stonden. Voornamer is dat in Willemsdorp gedurende de nacht de sectie berghouwitsers van Oberleutnant Bruno Schram waren aangekomen en deze vrijwel zeker verantwoordelijk waren voor de bewuste beschieting [472]. De Duitse granaten deerden niemand, omdat ze nimmer dicht op de batterijopstelling neerkwamen. [1, 142] Na korte tijd beëindigde de Duitsers de beschieting omdat 2-II-23.RA middels waarneming in de toren te Strijen een tegenvuur afgaf op Willemsdorp. Dat zou zij nog tweemaal [om 1135 en 1204 uur] herhalen en telkens met als resultaat dat het Duitse vuur zweeg. Kort na het middaguur werd de batterij opgeschrikt door een Duitse bommenwerper die een aantal bommen naast de batterij wierp. Hoewel er geen schade werd ondervonden, werd het moreel korte tijd geschokt door de zware detonaties.

[143] De 3e Batterij had de meeste mechanische pech met de stukken. Op 10 mei had het nog maar twee stukken over, omdat één stuk al bij de tweede vuuropdracht volkomen uit elkaar klapt (wonder boven wonder zonder slachtoffers te maken) en een ander stuk op de afsluiting (gasdruk) een fatale breuk toonde. Een derde stuk was enige tijd uit de roulatie doordat het een nieuwe draad ingeboord diende te krijgen wegens het feit dat de ontstekers niet meer in het zundgat gedraaid konden worden. Bij een lokale smid kon dat euvel binnen enkele uren worden verholpen. Het betekende dat men 11 mei aanving met twee vuurmonden. Maar spoedig viel één der twee resterende stukken weer uit, doordat de (hydraulische) rem lekte. Daarop verving men die met de rem van één der uitgevallen stukken, zodat weer over twee vuurmonden kon worden beschikt. Het vierde stuk raakte uiteindelijk evenzo in problemen. Daarvan raakte het sluitstuk in het ongerede, maar ook dat euvel kon worden gerepareerd zodat het stuk weer kon invallen. Zo had de 3e Batterij zo nu en dan slechts één vuurmond waarmee de opdrachten konden worden uitgevoerd.

Even na het middaguur werd middels een niet getraceerd contact tussen 6.GB en 25.AA een vuuraanvraag gedaan, waarbij men verzocht de landhoofden van beide bruggen aan de noordzijde van het Hollands Diep langdurig af te sluiten. Daarop werd door de Afdeling een langdurige storingsvuur afgegeven. Uit dat contact ontstond ook de informatie dat een Franse gemechaniseerde eenheid – het GrAC verslag [199] sprak van een Franse pantserdivisie – inmiddels 6.GB ondersteunde. Dat bericht werd vanuit 6.GB [kapitein Mol] rond 1140 uur bevestigd [199]. De storingsvuren werden afgegeven door met onregelmatige intervallen één of meer lagen op de noordelijke landhoofden voor de beide bruggen af te geven. Deze vuurovervallen, die nauwelijks het karakter van storend vuur kenden, werden gedurende de gehele middag en avond afgegeven.

[143] Een mogelijk curieus voorval was een vuur van 23.RA dat tekort zou zijn gevallen. Langs de zuidoostelijke zijde van de Hoekse Waard lag 3-II-28.RI met een sectie Vickers van 12.MC [de sectie welke op 10 mei vanaf de Roode Vaart bij Moerdijk was teruggenomen met drie stukken Vickers] een (tweestuks) sectie van de MC II-28.RI en een stuk 6-veld. Enkele manschappen van 19.Bt.LuA – die de vorige dag nog in Moerdijk hadden gevochten – hadden zich eveneens aangesloten. Volgens waarneming van C-25.AA [143] viel in de ochtend van 11 mei op een zeker moment Nederlands artillerievuur tekort en daardoor bovenop een woonhuis en een stelling van de infanterie. Details werden gegeven over slachtoffers, zijnde twee militairen en drie burgers. Op één oudere burger na zouden alle licht gewond zijn geweest. Opvallend aan dit voorval is dat het nergens ondersteund wordt. De verslagen van de infanterieonderdelen noemen het geval niet, ondanks de vermeende gewonden en een andere kritische aantekening valt te geven ten aanzien van het feit dat de burgers uit de gehele regio op 10 mei gedwongen geëvacueerd waren. Volgens C-25.AA werd met de GrAC gebeld om het vuur te staken wat onmiddellijk zou zijn geschied. Maar de zeer gedetailleerde verslaggeving van de GrAC meldt niets van dit voorval. Ook de in de sector aanwezige infanterie [sie 3-III-34.RI t.o. Catharinahoeve, sie 1-III-28.RI, sie 3-II-28.RI en beide MC secties] melden het voorval in het geheel niet. Wat zal het geval geweest zijn? Vermoedelijk is de oeverbezetting beschoten door de Duitse artillerie bij Willemsdorp of wellicht was het mortiervuur. Er is in de vele voorhanden bronnen rond de locatie in elk geval geen enkel steunbewijs te vinden dat duidt op tekort liggend eigen vuur. Daar komt als argument nog bij dat het vuur van 23.RA volledig waargenomen vuur was en dus geen kaartvuren zoals 25.AA zelf op het zuidelijke bruggenhoofd vooral moest afgeven wegens gebrek aan duidelijke waarneming in die sector. Het verslag van 25.AA kan terzake dus worden beschouwd als hoogstwaarschijnlijk onjuist.

[143, 199] Nadat 25.AA in de loop van de dag de instructie kreeg geen vuur meer uit te brengen op het zuidelijke bruggenhoofd – wegens aanwezigheid van de Fransen en een verwachte tegenaanval op de Duitse posities rond de landhoofden – kreeg de Afdeling enige tijd de gelegenheid allerhande storingen op te lossen, rembeddingen te repareren en de bezetting te rouleren. Dat geschiedde dan ook. Pas in de late middag kreeg men een nieuwe opdracht waarbij de 2e en 3e Batterij de beide noordelijke landhoofden [voorbereide vuren 181 en 182] van de Moerdijkbruggen met storend vuur dienden te beschieten. Deze vuren werden met onregelmatige vuurstoten afgegeven.

[143, 199] In de late avond, om 2215 uur, kreeg de C-25.AA opdracht vanaf 2300 uur tot zonsopkomst storend vuur te blijven leggen op de beide noordelijke landhoofden.

De Afdeling met de zeer gedateerde oude vuurmonden kreeg gedurende de tweede oorlogsdag steeds vaker te maken met kleine en grotere storingen aan de vuurmonden. Bovendien liepen de rembeddingen steeds meer schade op. Dit loodzware stellinggeschut kende een grote actie bij het afvuren, waarbij met name vuren die buiten de hoofdschootsrichting [nul c.q. neutrale richting] vielen, de beddingen bij iedere terugloop verder erodeerden. Menigmaal moesten stukken tijdelijk uitvallen voor reparaties aan de beddingen, of aan de stukken zelf. Het waren met name de sluitstukken en de afsluitringen die problemen gaven, maar ook menig zundgat (4) moest worden onderhouden.

(4) Het zundgat was bij oude voorladers het gat in de kulas (het achterstuk van de vuurmond) waarin de lont of initiële lading werd ingebracht. Bij de achterladers was het zundgat de plaats op het sluitstuk waar een slaghoedje (c.q. slagsas, ontsteking) in werd gedraaid, dat middels een trekker en een aftrekkoord zorgde voor ontbranding van de drijflading, zodat de granaat werd verschoten.

23.RA

[142, 199] De vijf batterijen 7-veld van 23.RA waren verdeeld over I-23.RA [drie batterijen] en II-23.RA [twee batterijen] en werden rechtstreeks aangestuurd door de Gr.AC [overste T. Ziedses des Plantes] die tevens regimentscommandant was. I-23.RA had de 1e en 3e Batterij opgesteld staan bij Mookhoek, ter hoogte van Catharinahoeve op circa twee kilometer afstand van de drie batterijen van 25.AA. De hoofdschootsrichting was richting Dubbeldam. De 2e Batterij [reserve 1e luitenant D.P. Broekman] was opgesteld bij ’s Gravendeel en had als hoofdschootsrichting Wieldrecht / Oudendijk. De Afdeling had tot taak vuursteun te geven in het noordelijke deel van het Eiland van Dordrecht. II-23.RA had de 2e Batterij opgesteld oost van Strijen, ongeveer anderhalve kilometer ten westen van de rechter batterij van 25.AA. Hoofdschootsrichting was Lage Zwaluwe. De 1e Batterij [reserve kapitein R. Bichon van IJsselmonde] had in de ochtend van 11 mei opdracht gekregen zich te verplaatsen richting Goidschalxoord om vandaar vuur uit te brengen op Waalhaven. Uiteindelijk zou dat niet worden uitgevoerd en de batterij bij Blaak worden opgesteld voor ondersteuning van de aanval van 3.GB bij Barendrecht. Daarover wordt bij de bespreking van 3.GB op 11 mei uitgebreid gesproken, wat hier niet zal worden herhaald.

De aard van de opstellingen van 23.RA maakte dat van Afdelingsoptreden niets meer terecht zou komen. Er zou daardoor slechts op batterijniveau worden opgetreden. Bovendien hadden de Afdelingscommandanten nauwelijks taken meer door de versnippering, want I-23.RA had nog slechts twee batterijen die rechtstreeks onder de C-Afd functioneerden en II-23.RA opereerde feitelijk rechtstreeks onder de beide Batterijcommandanten. De GrAC koos ervoor de batterijen zodanig te verplaatsen dat zij tot hun respectievelijke doelgebieden maximaal op middellange afstand stonden. Dat bracht weliswaar mee dat de accuratesse van de vuren daardoor hoog kon blijven, maar evenzo dat de batterijen dus vooral een aanslag zouden plegen op juist de schaarse munitie met verminderde lading. Het zou tot het eind van de dag duren voordat de GrAC, inmiddels gedwongen door het tekort aan verminderde ladingen, batterijen achterwaarts verplaatste om zo de patronen met normale lading te kunnen aanwenden. Het is maar de vraag of de GrAC met deze tactiek verstandig heeft gehandeld en niet eerder had moeten kiezen voor een diepere verplaatsing. Anderzijds waren de opstellingen die gekozen werden voorzien van verbindingen, wat bij een diepere dislocatie tenminste voor enige tijd niet het geval zou zijn geweest.

[143, 199] In feite was het zo dat door de toewijzing van één batterij aan het tactisch bevel van chef-staf Groep Kil, de Gr.AC nog over slechts vier batterijen 7-veld rechtstreekse operationele zeggenschap behield. Daarbij werd de batterij Broekman [2-I-23.RA] in wezen volledig toegewezen voor het front tussen Wieldrecht en Dordrecht. De twee batterijen in het centrum van het front, in Mookhoek, hadden een dynamische taak en de laatste beschikbare batterij bij Strijen was in feite toegewezen voor de sector Willemsdorp – Moerdijk. Goed beschouwd betekende dit dat het gehele artilleriepotentieel verdeeld was in een vergelijkbare sterkte. Drie batterijen 7-veld voor het centrale en noordelijke deel van het Eiland van Dordrecht en een batterij 7-veld en (ruim) twee batterijen 15 lang 24 voor de sector Willemsdorp – Moerdijk. Die verdeling van vuurkracht lijkt logisch en hield bovendien in dat de beide centrale batterijen 7-veld van I-23.RA desbenodigd ook bij Willemsdorp – Moerdijk konden ondersteunen, zij het dat daarvoor een positieverandering noodzakelijk was omdat hun hoofdschootsrichting NO was en vanuit die positie Willemsdorp ZO en Moerdijk ZZO lag.

[143] Het grote voordeel dat 23.RA had met haar vuren die op korte en middellange afstand werden gegeven, is dat alle vuren in de sector tussen Willemsdorp en Dordrecht konden worden waargenomen. Vuren die niet goed lagen konden daarom worden gecorrigeerd. In de watertoren net onder ’s Gravendeel en de toren bij de Wacht (Mookhoek) had men waarnemers geplaatst. Te ’s Gravendeel was men telefonisch verbonden met de GrAC in die plaats. Bij de Wacht stond men in verbinding met de Afdeling I-23.RA die achter hen stond. Ook oost van Strijensas, vlak aan de oevers van het Hollands Diep, was een waarnemer geplaatst voor de vuren van II-23.RA. Zo had het regiment het voordeel dat – mede dankzij het open gebied waarin men opereerde – vrijwel alle vuren goed waarneembaar waren. Bovendien konden de waarnemers een aantal maal gelegenheidsdoelen identificeren die bestrijding met artillerie waard waren.

[143, 199] 2-II-23.RA kreeg twee vuuropdrachten in de vroegste uren van de tweede oorlogsdag. Zij diende voorbereidende vuren af te geven ten bate van de geplande nachtaanval door 6.GB op het zuidelijke bruggenhoofd. Het eerste vuur was gericht op de Streeplandsche weg (de bocht bij Jonkerhoef), de tweede vuurmissie lag op het kruispunt van wegen west van het station Lage Zwaluwe. Beide vuren waren nogal breed, respectievelijk 300 en 200 meter breed, wat zeker voor het tweede vuur weinig effectief leek. Beide vuren werden door 25.AA rond 0930 uur herhaald.

[143, 199] In de vroege ochtend van 11 mei kreeg I-23.RA opdracht een stuk 7-veld vanuit Mookhoek op de Catharinahoeve te laten schieten en dit gebouw – als het even kon – in brand te schieten. Aan Nederlandse zijde had men de indruk dat de Duitse defensie rond de Catharinehoeve was geconcentreerd. Dat was in feite niet zo, hoewel er uiteraard van de dekking die dit gebouw bood wel gebruik werd gemaakt. Het was evenwel zo dat de Duitsers een detachement van aan auteur dezes onbekende sterkte (de Duitse bronnen lijken te duiden op een pelotonssterkte) tegenover het veerpunt vlakbij de hoeve hadden opgesteld. Rond 0500 uur kregen de beide batterijen te Mookhoek opdracht het kruispunt Zeedijk – Schenkeldijk met een drie minuten lange vuurstoot te beschieten als voorbereiding op een aanval van de 1-II-28.RI mannen, die de artillerie moesten hernemen. In feite vond die aanval van de infanterie veel later plaats. Later op de dag, rond het middaguur, werd het vuur herhaald, maar pas nadat een stuk 7-veld verplaatst was zodat het min of meer enfilerend (lengtevuur) op de hoeve en omliggende Duitse opstellingen kon schieten. Het stuk werd kort na het middaguur verplaatst en rond 1700 uur weer in de batterij teruggenomen. De rest van de linker batterij van I-23.RA had ondertussen tussen 1000 en 1100 uur een storend vuur geopend op de oostelijke Kiloever tussen Catharinahoeve en het motorgemaal.

[143, 199] Een tot tweemaal toe herhaald vuur werd voor het eerst in opdracht gegeven aan 2-II-23.RA om 1000 uur. De nevenafdeling 25.AA werd een aantal keer beschoten door Duits krombaangeschut, dat geïdentificeerd werd als opgesteld in het noorden van Willemsdorp. Men was in de veronderstelling dat het om mortieren ging. Het betrof echter de halbbatterie berghouwitsers van Oberleutnant Schram die inderdaad trachtte om de Nederlandse artillerie bij de Schenkeldijk te bestrijden. De batterij van 23.RA gaf tot driemaal toe een tegenvuur van drie minuten per vuurstoot in het hoogste tempo. Dat hield in dat men met een 7-veld batterij 24 granaten per minuut verschoot, wat alleen bij vernietigings- c.q. uitwerkingsvuur of stormvuur werd gedaan. De effecten van alle drie de vuren waren in die zin nihil, dat ondanks de drie intensieve vuurstoten er geen vuurmond en geen man van de Duitse artillerie eenheid werd uitgeschakeld. Overigens gold qua accuratesse voor het Duitse vuur evenzo dat het ver over het doel lag.

[143, 199] Om 1545 werd door de waarnemer in de toren te ’s Gravendeel Duitse infanterie ontdekt onder Amstelwijk die zuidwaarts trok. Daarop werd door een batterij van I-23.RA onmiddellijk gecorrigeerd uitwerkingsvuur gegeven, dat tussen de 300 m en 500 m onder Amstelwijk lag. Hoewel de artilleriewaarneming meldde dat van de oorspronkelijk waargenomen compagniesgrootte slechts een ‘sectiegrootte’ leek door te zijn gekomen, was er in feite geen sprake van dodelijke slachtoffers aan Duitse kant. Het betrof namelijk het waarnemen van een grote groep gevangen Nederlanders van het bataljon Ravelli dat zich door Duitsers begeleid van Dordrecht naar Willemsdorp begaf. Zoals o.m. majoor Ravelli en zijn verbindingsofficier luitenant Zeeman in hun verslagen schreven werden ze bij het transport naar Willemsdorp door eigen artillerie beschoten [100b]. De enige beschieting die onderweg kan hebben plaatsgevonden op die colonne, was het gelegenheidsvuur van 1545 uur door I-23.RA. Er vielen geen slachtoffers bij. Om 1218 uur was al eerder door de batterij een gelegenheidsvuur afgegeven op een autocolonne die een km oost van Tweede Tol leek te zijn verzameld. Dit vuur is niet in Duitse verslagen terug te vinden en dus zijn de effecten daarvan onbekend. Uit de Duitse verliezenlijst blijkt echter geen enkele correlatie te vinden met eventuele slachtoffers als gevolg van Nederlands artillerievuur oost van Tweede Tol [32]. De kans is echter meer dan aanzienlijk dat in feite op Nederlandse troepen [3-I-28.RI] werd geschoten die het kruispunt Schenkeldijk (ca. 1 km oost van Tweede Tol) hernomen hadden.

Daarmee was de koek op voor de 11e mei. Pas de volgende dag zou 23.RA weer vuuropdrachten krijgen. Het munitiegebrek, althans voor de patronen met verminderde lading, werd zodanig voelbaar dat het de vuuropdrachten in aantal en in intensiteit aanzienlijk begon te beïnvloeden.

Analyse van de artillerievuren

De artillerie van de groep Kil was op 11 mei buitengewoon actief, net als op de eerste oorlogsdag. Toch begonnen zich patronen te ontwikkelen die elders in Nederland ten aanzien van Nederlandse artillerietactiek eveneens naar voren kwamen. Het is wellicht aardig daar het een en ander over te zeggen.

De lezer zal zich afvragen waarom er reeds na de tweede oorlogsdag een dergelijke analyse volgt. De reden daarvoor is eenvoudig. De artillerie kreeg op 10 en 11 mei andersoortige opdrachten dan op 12 en 13 mei. Tot en met de ochtend van 12 mei was er sprake van een Duitse enclave – zo men wil corridor – in overig Nederlands beheerst gebied. Vanaf de middag van 12 mei wijzigde dit zich en kreeg de artillerie een veel duidelijker taak in het bestrijden van de aan de poort van Vesting Holland verschijnende grondtroepen. Dat veranderde de artillerietactiek aanzienlijk. Vandaar dat de artillerietactiek tot en met 11 mei reeds op deze plaats wordt geanalyseerd.

Kapitein Calmeijer merkte in zijn Memoires [70] onder meer op – naar aanleiding van zijn opleiding aan de Duitse HKS – dat de samenwerking tussen Duitse infanterie en artillerie zowel in offensieve als defensieve zin niet alleen buitengewoon intensief was – haast reflexmatig was – maar bovendien zeer dynamisch en beduidend meer risicovol dan bij de Nederlanders de gewoonte was. Calmeijer zag dat goed, hoewel de Duitse artillerie tijdens de Westfeldzug in feite een dissonant vormde en geen voldoende zou scoren. Alle hogere veldcommandanten in het Duitse leger zouden stevige kritiek hebben op de artillerie, waarbij men zowel wees op gebrek aan accuratesse als gebrek aan (voldoende) artillerie in de voorste echelons. Dat laatste was onder meer te wijten aan de relatieve schaarste aan gemotoriseerde artillerie in het Duitse leger, de bewerkelijkheid van de artillerie gereedstelling en het niet optimale logistieke plan dat grote eenheden hanteerden, waarbij de artillerie te weinig prioriteit scheen te hebben gekregen. Maar de kritiek zag ook op de accuratesse. Daar hadden Nederlanders nu juist weer weinig over te klagen. De Nederlandse artillerieofficieren waren technisch uitstekend onderlegd en onderwezen. Beroepsofficieren hadden uitmuntende opleidingen gekregen in de wiskundige en natuurkundige aspecten van hun vak. Zelfs de gemiddelde reserveofficier werd (bijna) jaarlijks bijgeschoold in de technische vaardigheden, hoewel de meeste van die bijscholingen in eigen tijd mochten worden gedaan. Aan technische kennis en kunde ontbrak het niet en dat werd ook wel vastgesteld op de Nederlandse slagvelden, waar de artillerie uitstekend in staat bleek haar toegewezen doelen te raken.

Waar het nadrukkelijk wel aan ontbrak was artillerietactiek. Ten eerste bleek heel nadrukkelijk dat Nederlandse artilleriecommandanten [GrAC, DAC, LKAC] zeer uiteenlopend omgingen met de kwestie van munitieschaarste. Dat verschil werd bijvoorbeeld elders in Nederland zeer helder door de vergelijking tussen de DAC’s van de 2e en de 4e Divisie, respectievelijk in het zuidelijke en noordelijke legerkorpsvak [II.LK] aan de Grebbelinie. De DAC 4e Divisie had evident de handen vol aan de slag die drie dagen lang om de Grebbeberg woedde, daar waar de 2e Divisie zich vooral actief wist tijdens het pareren van een aanval van de 227e Infanterie Division rond Scherpenzeel, die op 13 mei plaatsvond. Daar waar de DAC van de 4e Divisie opvallend ‘knijpend’ omging met vuuraanvragen en autorisatie van vuur op gelegenheidsdoelen, daar bleek de DAC van de 2e Divisie juist zeer scheutig in zijn toewijzing van vuuraanvragen uit het veld. Hoewel een vergelijking tussen beide theaters op volledig gelijkwaardige schaal mank zou gaan – omdat bij de Grebbeberg de verbindingen het spoedig begaven en deze bij de 2e Divisie vrijwel allen intact bleven – was het een gegeven dat men bij de 2e Divisie niet bespaarde op artilleriemunitie. De GrAC van de Groep Kil lijkt ook niet al te economisch ingesteld te zijn geweest met de toezegging van vuren en de intensiteit van afgegeven vuren. Ook niet toen al op de eerste oorlogsdag duidelijk was dat de meest noodzakelijke munitie (die met verminderde lading) mogelijk spoedig aangevuld zou moeten worden en die aanvulling wel eens bezwaarlijk zou kunnen zijn. Het is zelfs opvallend hoe bepaalde vuuropdrachten met een intensiteit en duur werden afgegeven, die zich gespannen verhield tot het geïdentificeerde doel en de urgentie van vuursteun. Dat laatste brengt een kwaliteitsbeschouwing als noodzakelijke basis voor een concluderende analyse naar voren.

Het is juist de kwaliteit van de afgegeven vuren – waarbij wordt gedoeld op de verhouding van duur en intensiteit van een vuur in verhouding tot de mate waarin een doel lonend genoeg leek – die aan het zuidfront en elders in het geding kwam tijdens de meidagen. De artillerie was in den lande alom in actie, regelmatig zeer actief [waarbij voor de slag om de Grebbeberg bij uitzondering geldt dat de verhouding tussen de intensiteit van de slag en de activiteit van de Nederlandse artillerie, de activiteit juist als uitzonderlijk laag moet worden beschouwd] en verschoot een flink deel van de voorhanden oorlogsmunitie binnen de vijf dagen die het land in de verdedigingsoorlog actief was (Zeeland gemakshalve gediscrimineerd). Wat opvalt als men de vuren vergelijkt die overal in den lande zijn gegeven, is de buitengewoon laagwaardige dynamiek en de uiterst conservatieve tactiek die de Nederlandse artillerie tentoonspreidde; argumenten die niet geheel los van elkaar gezien kunnen worden.

Wat opvalt aan het zuidfront, maar net zo goed elders, is dat het gros der artillerievuren kortstondige afsluitingsvuren waren of storende vuren die in voorspelbare vuurstoten werden afgegeven. Beide fenomenen worden besproken.

Storingsvuur

Een storingsvuur (of storend vuur) is een vuursoort. De bedoeling ervan is vooral de vijandelijke logistiek te ontregelen en daarnaast een psychologisch effect te sorteren (constante waakzaamheid, akoestische belasting, slaapontregeling, etc.). Storingsvuren worden niet vaak op het eerste echelon van de vijand afgegeven, maar veel meer in de hogere echelons (de diepte van de stelling c.q. van het vijandelijk dispositief). Bovendien is (in theorie) de aard van de vuren laagintensief, over een brede sector verspreid en meestal onregelmatig.

Storende vuren zijn er vooral om de vijandelijke logistiek te ontregelen en een bestreden tegenstander een stuk bewegingsvrijheid te ontnemen. Slachtoffers leveren storende vuren nauwelijks op en dat is ook niet de intentie van zo’n vuur. Bovendien worden storende vuren idealiter over een groot gebied afgegeven, zodat de effecten ervan ook ‘breed’ ervaren worden. Een optimaal  storend vuur is van duurzame aard, kent een grote mate van spreiding, kent een grillig patroon en zelfs een variërend karakter in gebruik van munitiesoorten.

Als men naar de vele storende vuren kijkt die op 10 en vooral 11 mei door de Nederlandse artillerie van Groep Kil werden afgegeven, dan is er in redelijkheid eigenlijk maar één conclusie mogelijk en wel dat de storende vuren – vrijwel allen op de zuidelijke en noordelijke landhoofden – verre van doelmatig waren en de Duitsers daarvan geen of nauwelijks hinder hebben ondervonden. Er ontbrak bovendien de voorwaarde van een belangrijke Duitse logistieke beweging over de bruggen – immers op één compagnie na zaten alle troepen in het zuidelijke bruggenhoofd – en bij een desondanks waargenomen logistieke beweging, dient geen storingsvuur maar een afsluitings- of zelfs vernielingsvuur te worden afgegeven.

Willemsdorp

Voor de laatste twee vuursoorten ontbrak het de Nederlanders overigens aan de voorwaarden om eraan te kunnen voldoen, omdat de verbindingen traag verliepen (vooral veroorzaakt door autorisaties vanuit de bevelsketen) en omdat 25.AA met de oude logge stukken van 15 cm niet zomaar van vuurrichting kon veranderen. Afsluitingsvuren op een beperkt gebied kon 25.AA wel afgeven, vernielingsvuren niet. Men kon met de oude 15 cm vuurmonden ook uitstekend storend vuur afgeven over een brede en/of diepe sector. Door stukkenvuur kon men met de acht tot twaalf beschikbare vuurmonden onregelmatig sterk verstrooid vuur afgeven. De mogelijkheden waren er, maar men gebruikte ze niet. Men gaf – voor zover de bronnen dit laten verifiëren – bij opgedragen storingsvuur vuurstoten met batterijen af volgens een vooraf bepaald vuurstotenschema. Voor de Duitsers aan het ontvangende einde was daardoor al snel duidelijk waar de voorbereide storende vuren lagen – namelijk vrijwel geheel geconcentreerd op de landhoofden en aan de zuidelijke kant op 300-500 m daaronder. In feite was daarmee een ‘nieuwe’ vuursoort ontwikkeld, want de vuren van 25.AA hadden vooral het karakter van afsluitingsvuren met een storend karakter. De storende vuren lagen immers telkens op beperkte perimeters die op de hoofdwegen c.q. landhoofden lagen.

Een bijkomende zaak was bovendien dat het afvuren van de oude vuurmonden te horen was voordat de granaten geland waren. Want de snelheid van het geluid is 331 meter per seconde en de V0 [maximale snelheid waarmee de granaat de vuurmond verlaat] van de oude vuurmonden was 450 meter per seconde voor de langste dracht. Voor de korte en middellange afstand - waar men op opereerde - lag dit beduidend onder de 400 meter per seconde, wat door de vertraging tijdens de vlucht en de licht gekromde baan de relatieve snelheid onder die van de geluidssnelheid deed komen, waardoor de dreun van het afvuren die van de inslag voor was. Als de Duitsers dus op twee of meer kilometer afstand de snel herkenbare vuurmonden hoorden vuren, hoefden ze slechts rond de landhoofden snel de koppen in te trekken. Het verklaart wellicht mede waarom er na 10 mei vermoedelijk geen enkele Duitse gesneuvelde meer was die door artillerievuur omkwam. Nu dient men te bedenken dat vrijwel alle houwitsers een dusdanig lage V0 en kromme granaatbaan kenden dat het geluid van afvuren het doelgebied sneller bereikte dan de detonatie van de afgeleverde granaat. Dat is echter niet bezwaarlijk in een theater waar veel artillerievuur tegelijkertijd valt, waar een afgegeven vuur grillig en onvoorspelbaar is en waar met name op grotere afstand wordt geschoten. Die drie voorwaarden waren echter niet van toepassing aan het zuidfront voor 25.AA, dat de meeste storende vuren afgaf. Want 25.AA schoot meestal als enige afdeling in de directe sector van de Moerdijkbruggen, hanteerde slecht ontworpen vuurpatronen binnen uiterst beperkte sectoren en vuurde van korte afstand.

Als men overweegt dat de kennis werd gedragen dat de stokoude 15 cm vuurmonden zwaar zouden lijden onder inzet, men zich realiseerde dat de munitievoorraad zeer beperkt was voor de 15 lang 24 stukken en men zich de operationele beperkingen van de traag ladende logge vuurmonden indenkt, dan is het niet goed te verklaren – althans de logica lijkt te ontbreken – waarom men koos voor een intensieve maar uiterst rigide inzet binnen zeer beperkte sectoren met min of meer vaste vuurstramienen. Had het niet veel meer in de reden gelegen om het gekende Duitse bruggenhoofd aan de zuidzijde, met name gedurende de nachten, met onregelmatig stuksgewijs afgegeven strooivuur te bestoken? Dat was voor de Duitsers een veel zwaardere psychische belasting geweest, had hen operationeel veel meer parten gespeeld en was bovendien voor de vuurmonden en munitieconsumptie vermoedelijk een veel heilzamere oplossing geweest.

Afsluitingsvuren

Een afsluitingsvuur is een defensief vuur. Het is in de regel een intensief vuur dat op een strategisch voorname sector wordt afgegeven om die sector ontoegankelijk te maken voor de vijand. Meestal worden afsluitingsvuren afgegeven op een weg, een kruising, een dijk of een sector waar een vijandelijke aanval tot ontwikkeling komt. Een afsluitingsvuur dient ervoor een vijand de toegang tot een sector te ontzeggen en hem liefst op zijn schreden te doen laten terugkeren. De aard van het vuur is in de regel zodanig dat een smalle sector met grote dichtheid wordt beschoten met een effectieve duur van het vuur.

Ten aanzien van de door de Nederlanders aan het zuidfront afgegeven afsluitingsvuren geldt vrijwel hetzelfde als voor de storende vuren. Wie de rapporten van de artillerie bestudeert, herkent al snel het patroon van standaard vuurstoten van telkens drie minuten, die slechts heel af en toe van kortere duur waren, en meestal na twee, drie of vier minuten interval met een gelijke vuurstoot werden herhaald. Marginale variaties vindt men slechts in breedte en tempo van de vuren. Vrijwel alle vuren werden door maximaal één batterij afgegeven. Zo bouwde men weer eenvoudig herkenbare patronen in die voor een tegenstander dus snel tot gewenning of zelfs verwachtingspatroon gingen leiden. Typerend is bijvoorbeeld dat uit de Nederlandse artillerierapporten op te maken valt dat de waarnemers constateerden ‘dat de Duitsers alle kanten opstoven als er dekkende vuurstoten werden afgegeven’. Hoe merkwaardig! Maar als er dekkend werd gevuurd [wat betekent dat een afgegeven vuur op of nabij het bedoelde doel ligt] besloot men echter niet om het vuur uit te breiden of bijvoorbeeld te intensiveren tot een uitwerkingsvuur of vernielingsvuur. Slechts één daadwerkelijk afgegeven vuur werd in een herhaling uitgebreid met een opgeschroefd tempo.

De reden voor dergelijke statische, voorspelbare artillerietactieken lag hem voor een deel in de bevelsketen. Slechts bij geautoriseerde gelegenheidsvuren [vuren die op een zich plotseling verschijnend en lonend doel worden gegeven] overwoog een DAC of GrAC om de waarnemers rechtstreeks met de batterijen te verbinden. Voor het overige, ter voorkoming van de zo gevreesde autonomie der batterijcommandanten, bleef de GrAC of DAC ertussen zitten. Soms werd zelfs van waarnemer naar GrAC naar afdeling naar batterij gecommuniceerd. Daarbij moest de batterij zelf dan uiteraard de stukscommandanten nog instrueren. Logisch dat in dergelijke processen dynamiek en dus (tijdige) aanpassing wel moest ontbreken. Diezelfde logge bevelsketen betekende bovendien dat uit het veld of via de waarnemers aangevraagde vuurmissies zo traag doorkwamen dat een gelegenheidsdoel al van de waargenomen locatie was verdwenen voordat een vuur kon worden afgegeven. Toch werd meestal plichtsgetrouw de vuurstoot staccato afgedraaid. Zo zijn er talloze afsluitingsvuren of uitwerkingsvuren afgegeven tussen de bruggen bij Zwijndrecht, Krispijn en Moerdijk, die niet in de buurt van Duitse doelen vielen. Amstelwijk is bijvoorbeeld op 10 en 11 mei zeer vaak getrakteerd op intensieve beschietingen, waarbij honderden granaten werden verschoten. Uit zowel Nederlandse (burger)verslagen als Duitse militaire verslagen blijkt dat die vuren niets anders raakten dan onbezette gebouwen of kruispunten. Er was geen Duitser in de buurt. Dat kon gebeuren ondanks dat de artillerie waarnemingspost op korte afstand van Amstelwijk in de toren was gevestigd. De met name op 10 mei, maar ook nog op de volgende dag, afgegeven vuren door 25.AA op Willemsdorp, waar waarnemers op korte afstand activiteiten waarnamen, lagen macaber genoeg in de praktijk juist vaak op Nederlandse krijgsgevangenen. Het onderscheid tussen Duitse en Nederlandse militairen was op relatief korte waarnemersafstand evident niet te maken. Toch had men zich ook kunnen afvragen waarom militairen zich zo zichtbaar en in lange processies (krijgsgevangenmarsen) ophielden in een gekend, door Nederlandse artillerie beheerst gebied. Anderzijds is dat voor een niet oorlogservaren leger wellicht een te strenge en daardoor onwerkelijke vaststelling, waarmee de conclusie vermoedelijk gerechtvaardigd is dat dit soort ‘eigen vuur’ nu eenmaal tot de praktijk van oorlog mag worden gerekend.

In een theater waarbij op een deel van het zuidelijke bruggenhoofd na, alle vuren waargenomen konden worden, zijn de bovenstaande kanttekeningen opvallend. Het geeft sterk te denken over de artillerietactiek die men toepaste. De vuren lagen vrijwel allen accuraat op het bedoelde doelgebied, maar vielen in het niet wegens ontbrekende doelen.

Operationele ondersteuning

De tweede oorlogsdag was bij uitstek de dag waarop tussen de bruggen bij Zwijndrecht en het bruggenhoofd Moerdijk vrijwel alleen maar vuren werden afgegeven, die geen enkel (verifieerbaar) effect sorteerden op de Duitse operaties. Er werden tussen de 1.500 en 2.000 Nederlandse granaten afgevuurd op die dag en er blijkt geen enkele Duitse dode aan die vuren te koppelen te zijn. Er vielen namelijk op 11 mei 1940 in totaal vijftien Duitse doden in de beschreven sector, waarvan het gros van de zogenaamde Kompanie Moll, die tijdens vuurgevechten met de Nederlandse infanterie omkwamen bij Tongplaat en het ZO van Dordrecht. Er sneuvelden naast de mannen van Moll nog drie Duitsers; bij Dubbeldam, Wieldrecht en Moerdijk. Die bij Dubbeldam is niet naar een oorzaak te herleiden, maar Dubbeldam was op de 11e mei geen artilleriedoel. Die bij Wieldrecht viel tijdens een gevecht tussen restanten van II-28.RI met de 11e Kompanie van FJR1 en de dode van 6./FJR1 viel – volgens een Duitse verslag – door eigen bommen tijdens het bombardement van de Duitsers op en rond Zevenbergschen Hoek. Maar geen enkel Duits krijgsverslag geeft ook maar enigszins de indruk dat de Nederlandse artillerie hen verstoorde in hun operaties of aanleiding gaf tot slachtoffers. Toch werd bijna een derde van alle verschoten artilleriemunitie tijdens de vier dagen strijd (voor de Kil artillerie) op de tweede oorlogsdag verschoten. Het mag de Nederlandse moraal hebben ondersteund, effectief was het dus nauwelijks.

Om die uitgesproken conclusie nog verder te onderbouwen bedenke men dat bij de opmars van het bataljon Ravelli in de ochtend van 11 mei richting verkeersbruggen, de artilleriewaarnemer (met werkende UKG) terug naar Wieldrecht werd gestuurd. Artillerieondersteuning kreeg het bataljon dan ook niet, geen enkele keer. Ondanks de operationele noodzaak haar die steun te kunnen verlenen. Een tactische blunder van Groep Kil, die ook nog eens weloverwogen tot stand was gekomen. Want de afspraken met de artillerie werden gemaakt dat alleen de aanval op (het overigens onbezette) Amstelwijk ondersteund zou worden. Nadien zou de waarnemer teruggaan naar Wieldrecht. Dat geschiedde ook. En toen hij zich daar even na 0500 uur per UKG bij de GrAC meldde met de boodschap over de vuuroverval op het bataljon werd hij niet naar voren gestuurd om alsnog vuursteun te kunnen coördineren – wat volledig in de rede had gelegen – maar diende hij te blijven waar hij was! Kortom, daar waar operationele noodzaak was voor ondersteuning, de artillerie vooraf was betrokken bij de preoperationele afstemming, besloot men om geen vuursteun te geven aan het bataljon Ravelli bij de benadering van Dordrecht, en eveneens om geen waarnemer mee te nemen bij eventuele bestorming van de brug, wat immers in de planning lag. Zou de overweging zijn geweest dat het bataljon nu eenmaal onder het kantonnement zou worden gebracht en de GrAC daar geen zeggenschap had? Het lijkt onlogisch, want op 12 mei zou men de gehele zuidwestzijde van Dordrecht zwaar beschieten.

Een andere opmerkelijke zaak is de bestaande verbinding met 6.GB, waarvan door 6.GB noch 25.AA gebruik werd gemaakt om het bruggenhoofd aldaar te ondersteunen toen de Fransen er eenmaal waren. Het bevel van de GrAC was ‘alle vuren ten zuiden van de Moerdijkbruggen tot nader order staken’ toen het bericht doorkwam dat ‘een Franse pantsertrein (men bedoelde een divisie) was gearriveerd’. Zodoende werd na twee afsluitingsvuren op de beide zuidelijke landhoofden bij de Moerdijkbruggen – die periodiek werden afgegeven en daarmee in wezen helemaal geen afsluitingsvuren waren – geen vuur meer op het zuidelijke bruggenhoofd afgegeven tot de volgende dag. Men koos voor risicoloosheid door alle vuren te staken tot dat men weer een signaal uit het zuiden kreeg dat er artillerievuur gewenst was. Dat bij deze passiviteit evident de rol van de infanterie – die verzuimde om ondersteuning te vragen – mede een rol speelde, zij gezegd.

Een andere operatie – de poging tot herneming van de stukken van III-14.RA op het Eiland van Dordrecht – werd in voorbereiding wel gesteund. Althans, er werd een voorbereidend uitwerkingsvuur gegeven op het kruispunt waar Duitse verdedigers werden verondersteld. Typerend voor de Nederlandse artillerietactiek – of wellicht zuiverder gezegd ‘de artillerie-infanterie samenwerking’ – in mei 1940 was dat het afgegeven voorbereidende vuur in de tijd ver voor de infanterieaanval lag. Van enig doorwerkend effect was dus geen sprake. Na het middaguur gaf I-23.RA wederom een vuur af op die sector, omdat met een colonne had waargenomen. De kans is groot dat men daarbij wederom op eigen troepen vuurde. Duitse colonnes 1 km oost van Tweede Tol waren er niet.

Van het toepassen van barragetechniek was in het geheel geen sprake. Barrages zijn intensieve beschietingen met meerdere artillerieonderdelen waarbij een progressief (verleggend) karakter van het vuur wordt toegepast, zodat een bepaalde sector als het ware ‘geveegd’ wordt. Een artillerietactiek die tijdens WOI in eerste instantie door de Britse artillerie werd toegepast en later door alle belligerenten zou worden overgenomen. Barrages waren ‘dure’ vuren, omdat in korte tijd veel granaten werden afgevuurd. Maar het waren tegelijkertijd effectieve vuren, omdat de dichtheid van dergelijke vuren ontsnappen eraan (of oppervlakkig dekken ertegen) aanmerkelijk minder kansrijk maakte dan bij conservatieve(re) beschietingen. Er werd aan Nederlandse kant opvallend veel aandacht besteed aan de sector rond Catharinahoeve, van waaruit men regelmatig Duits vuur ontving. Die sector werd driemaal op 11 mei met slechts één stuk beschoten. Op 12 mei zou men dat met een batterij nog viermaal herhalen. Men constateerde daar – zo blijkt uit infanterie en artillerierapporten – hardnekkige Duitse weerstand. Op geen enkel moment werd op 11 mei overwogen de beperkte sector die het betrof eens grondig artilleristisch onder handen te nemen. Daarmee had men de enige werkelijk geïdentificeerde Duitse positie die men langs de Kiloever kon vaststellen toch veel effectiever kunnen bestrijden dan de stuksvuren van 11 mei en de kortstondige afsluitingsvuren (!) die men in de nacht van 11 op 12 mei zou geven?

In operationele zin was de artillerie dus ook aan het zuidfront een verwaarloosbaar item aan Nederlandse kant. Dat terwijl bij uitstek aan dit front de Nederlanders een vrijwel monopolie hadden op artillerie, want de Duitsers hadden slechts een handvol uiterst lichte vuurmonden voorhanden met bovendien slechts een zeer beperkte munitievoorraad. Die omissie van een hechte artillerie-infanterie samenwerking aan het zuidfront, was aan een ander prominent front – bij de driedaagse slag om de Grebbeberg – evenzo aan de orde. Ook daar was de artilleriesteun voorspelbaar, statisch en alles behalve een troef in de tactiek van verbonden wapenen.

De enige locatie in mei 1940 waar artillerie en infanterie volgens moderne denkbeelden uitstekend samenwerkten, was bij de gevechten rond Scherpenzeel op 13 mei. Daar waren overigens de omstandigheden ook uiterst gunstig. Vooreerst was er sprake van een zeer slechte Duitse artillerievoorbereiding op hun offensieve bewegingen, waarbij vrijwel alle Duitse vuren te diep waren en de vuren op de voorposten en frontlinie te kortstondig en te weinig intensief. Het gevolg was dat de verbindingen aan Nederlandse zijde vrijwel allen intact bleven. Toen de twee (later drie) Duitse regimenten zich voorwaarts waagden, werden door de infanterie aangevraagde (voorbereide) artillerievuren accuraat afgegeven, hoewel ook aldaar de reactiesnelheid van de artillerie beter had gekund. De trage Duitse ontplooiing bij Scherpenzeel (in tegenstelling tot de snelle offensieve bewegingen van de Waffen SS bij de Grebbeberg) leidde ertoe dat de niet prompt gegeven artillerievuren van de verdediging desondanks dekkend lagen. De rol van de artillerie bij het pareren van de Duitse offensieve beweging bij Scherpenzeel was daarom zeer belangrijk. Het is echter het enige voorbeeld in operationele zin – tijdens de meidagen in Nederland – waarbij artilleriesteun van belangrijke, wellicht doorslaggevende, invloed was op een voorname operatie. Elders beperkte de artilleristische inzet zich tot statische vuren en minimaliseerde men nadrukkelijk alle risico’s.

Hoe terughoudend men was met het nemen van risico’s bij artillerievuur, typeert bijvoorbeeld de artillerie-inzet bij de Grebbeberg. Toen de frontlijn [de voorzijde van de hoofdweerstand] aldaar was gevallen en de Duitsers opdrongen richting de stoplijn [de achterzijde van de hoofdweerstand] weigerde artilleriecommandanten om vuursteun te geven die binnen de hoofdweerstand lag, omdat daar nog Nederlandse formaties geïsoleerd konden zijn achtergebleven. Met andere woorden, men gaf prioriteit aan het sparen van enkele Nederlandse levens boven operationeel, ja zelfs strategisch zwaarwegende aspecten als het behoud van een gehele verdedigingslinie. Dat was een buitengewoon naïeve instelling van de verantwoordelijke artilleriecommandanten, maar verklaarbaar uit het feit dat men nog aan oorlogsomstandigheden moest wennen, bij gebrek aan oorlogservaring. Ook elders zag men terughoudendheid om artillerievuur kort op de optredende infanterie te leggen. Bij de afwegingen speelde steeds een rol grote om veiligheidsmarges in te bouwen. Dergelijke denkbeelden kwamen voort uit de lessen van WOI waarbij verhoudingsgewijs veel slachtoffers op het slagveld waren gevallen door eigen artillerievuur. Nederland hanteerde echter zulke brede veiligheidsmarges dat het de toegepaste artillerietactiek op dat aspect in feite terugbracht tot pre-WOI proporties.

Concluderend

Alles overwegende was de artillerietactiek waar in mei 1940 voor werd gekozen een sterk gedateerde n bovenal tamelijk effectloze tactiek. Als alleen naar het zuidfront wordt gekeken dan ziet men bijvoorbeeld dat uiteindelijk 25.AA een totaal van 2.500 granaten zou afschieten, waarvan het gros op de landhoofden en de autoweg vanuit Willemsdorp, waarbij vaststaat uit Duitse verslagen en de Duitse verliezenlijst dat op 11 mei en later geen enkele Duitser in dat doelgebied sneuvelde door artillerievuur. De handvol Duitsers die namelijk na 10 mei in het betrokken gebied sneuvelden, zijn uit de Duitse verslagen te herleiden als omgekomen door infanterievuur en in één geval door een eigen landmijn veroorzaakt. Voor 10 mei valt geen kwalitatieve vaststelling te maken van het aantal Duitse slachtoffers door vuur op Willemsdorp of het bruggenhoofd Moerdijk, omdat voor die eerste oorlogsdag over onvoldoende specificatie wordt beschikt van de aard der verwondingen en doden onder de Duitsers van II./FJR1, in het bijzonder bij 5./FJR1 en 6./FJR1, die op 10 mei nog belangrijk actief waren ten noorden van de bruggen en daarbij menigmaal onder vuur werden genomen door Nederlandse artillerie. Daarover kan dus niet worden geconcludeerd. Ook moet in deze conclusie (nog) niet worden vooruitgelopen op een beschouwing over alle vier de krijgsdagen, waarbij op 12 en 13 mei de aard van de gevechten en de operationele status van het gevechtstheater belangrijk zou veranderen en waarbij het vooral 23.RA zou zijn dat het gros van de artilleristische activiteiten voor haar rekening zou nemen.

Hoewel vaak wordt aangevoerd dat gebrekkige communicatie debet was aan de armoedige artillerietactiek, gaat die vlieger niet onverminderd op als het zuidfront in beeld komt. Hoewel er met de verbindingen zo nu en dan wat mis ging, batterijen in reserve of nieuwe opstellingen soms tijdelijk buiten verbinding stonden en er een lange bevelsketen bestond, werden evengoed kansen om met goed werkende verbindingen dynamisch ondersteunend op te treden welbewust niet uitgebuit. Het meest spraakmakende voorbeeld daarvan was de verbindingsofficier van 23.RA die met zijn werkende UKG geen toestemming kreeg van de GrAC om met het bataljon Ravelli op te trekken richting Dordrecht en zelfs nadien – nadat was gebleken dat dit bataljon een vuuroverval had ondergaan – niet naar voren werd gestuurd om direct dynamische vuursteun te kunnen begeleiden. Ook de terughoudendheid overtuigend artilleristisch te interveniëren bij vaststelling van vijandelijke concentraties – al dan niet statisch van aard – toont aan dat niet slechts het ontbreken van middelen debet was aan toepassing van uiterst conservatieve (c.q. ouderwetse) artillerietactiek. Er lijken duidelijk argumenten aanwezig dat het ook aan inzichten ontbrak bij de GrAC. Dat gezegd hebbende kan – met de grotendeels bekende resultaten van de Nederlandse artilleristische inzet aan het zuidfront op 10 en 11 mei in de hand – geconcludeerd worden dat de ‘laatste tanden’ van de Groep Kil wellicht een morele ‘bite’ gaven, maar geen effectieve ‘bite’ gaven aan de verdedigers van deze sector van het zuidfront.

[De bronnen vindt u hier]