Groep Spui

Inleiding

Op 10 mei was Groep Spui voor wat betreft feitelijke actie nauwelijks in beeld geweest. De enige werkelijke actie was er aan de noordoostzijde van haar gezagsgebied, waar rond de bocht in de Oude Maas – de sector Spijkenisse – enige beroering met vijandelijke patrouilles was geweest. Voor het overige was er vooral sprake geweest van panische berichten over vermeend verraad, gelande parachutisten en saboteurs. Het had een aanzienlijk deel van de troepen én de Groepstaf danig beziggehouden.

Daarnaast had de Groepstaf te maken gekregen met handelingen van logistieke aard, zoals de verplaatsing van 3.GB door het binnen haar gezagsgebied vallende vestingstadje Willemstad, dat als voorverdediging gold voor de sector Numansdorp. Bovendien had de Groep Spui het voor de oorlog aan haar toegewezen 3.GB moeten afstaan aan Groep Kil. Voor de ronduit zwakke Groep Spui – dat aan manoeuvre eenheden in feite slechts een sterkte gelijk aan één infanterieregiment (en aan semi-statische eenheden drie artillerieonderdelen met oud geschut - geheel geconcentreerd rond Numansdorp - en een helemaal statische kustbatterij ter beschikking had) een aderlating van omvang.

Anderzijds had de Groep slechts vijand aan haar noordoostelijke sectorgrens en was deze vijand bovendien (nog) niet agressief. Dat de Groepsstaf de vijand aan alle kanten ontwaarde, kwam door de panische berichten die uit alle hoeken van de Groepsector kwamen. In het noordwesten kreeg men te maken met berichten dat de bij de Positie Hoek van Holland en Rozenburg gelande Duitsers agressief tegen de sector Brielle zouden kunnen gaan optreden. Bij Numansdorp hoorde men geruchten over gelande parachutisten bij Ooltgensplaat en Willemstad, welke er evident niet waren geland. In het vak Hellevoetsluis had men gehoord dat er in het achterland parachutisten waren geland, en ook die waren geen werkelijkheid. Zo had men de hele dag voldoende actie omhanden, terwijl de Groep in feite in de luwte van de Duitse luchtlandingsoperatie lag en in een sector waar de Duitsers bovendien geen enkele ambitie hadden in die fase van de strijd.

Troepenlevering

[1, 101] In de vroege ochtend van 11 mei [ca. 0400 uur] was de 3e sectie van de enige compagnie mortieren van Groep Spui – 34e Cie.Mr – aan de Groepsreserve van Groep Kil te Maasdam afgegeven. [1, 101a] Later op de ochtend [0800 uur] werd op klemmend verzoek van C-Groep Kil ook 3-I-34.RI [C. reserve kapitein J. van der Valk] – dat één van haar vier secties moest achterlaten – naar Maasdam gestuurd. Het vertrok met de sectie mortieren en meldde zich daar rond 1100 uur bij de overste Stroink, commandant van de infanterie van Groep Kil [q.q. C-28.RI].

Naast troepenlevering werd er nog munitie geleverd vanuit Groep Spui aan Groep Kil. Dat gebeurde voor wat betreft de aangevraagde 6,65 mm munitie [20.000 patronen, ofwel tien kisten] tegelijkertijd met de aanvoer van de hiervoor besproken troepen. De artilleriemunitie die van 26.AA naar 25.AA werd overgebracht is niet traceerbaar v.w.b. de eenheid die het vervoerde. De vrachtwagens werden gedurende de nacht ingeschakeld en brachten de munitie naar Groep Kil toe. Zie voor een uitgebreide beschrijving van dit voorval de bespreking van Groep Kil – Hoekse Waard op 11 mei.

Spijkenisse

[1, 102a] Op 10 mei waren in totaal vier secties infanterie, van even zoveel verschillende compagnieën, naar Spijkenisse gestuurd om – onder leiding van de reserve kapitein O. Verdoorn [C-39.Res.G.C] – een verdediging bij de brug over de Oude Maas te vormen na meldingen van gelande parachutisten in de omgeving van Rhoon. In eerste instantie werd de 1e sectie van 1-II-34.RI versterkt met twee zware mitrailleurs van 11.MC o.l.v. de reserve 1e luitenant Bolderheij naar Spijkenisse gestuurd. Toen deze middels een patrouille aan IJsselmondse zijde in aanraking met Duitse patrouilles kwam en daar rapport van maakte in Oud-Beijerland, werd de kapitein Verdoorn met een sectie infanterie eveneens naar Spijkenisse gestuurd. [102a, 193] Daarnaast gaf de C-Gr Spui opdracht aan het Vak Hellevoetsluis nog twee secties infanterie beschikbaar te stellen (sectie van 2-I-39.RI en 2e sectie van 3-I-39.RI) welke kort na de kapitein Verdoorn op pad werden gestuurd. Zo kreeg Spijkenisse ineens een compagniessterkte aan Nederlandse troepen, waar het voordien van Nederlandse militaire bezetting (op een zoeklichtgroep net buiten de stad na) gespeend was geweest. In de middag van 10 mei, toen de Duitsers in Hoogvliet (de oostelijke zijde van de Spijkenisser brug) niet verschenen waren, werden de sectie van 2-I-39.RI en van kapitein Verdoorn met zijn sectie (van 39.Res.G.C.) weer westwaarts gestuurd om aldaar een beveiliging tegenover de Positie Hoek van Holland te vormen [1, 102a]. De twee andere secties bleven achter, onder commando van de luitenant Bolderheij en ondersteund door de beide Vickers mitrailleurs van 11.MC.

[101b] De luitenant Bolderheij had gedurende de nacht zijn voorposten aan de Hoogvlietse zijde teruggetrokken, zodat alleen aan de westzijde van de brug Nederlandse bezetting bleef. [101b] Eén mitrailleurgroep (C. dpl sergeant Colet) werd ten zuiden van Spijkenisse bij de Allemanshaven gepositioneerd. De rest van de sterkte bleef aan weerszijde van de brug opgesteld. Op 11 mei was er geen gevechtscontact met Duitse troepen.

De vorming van een noordfront

[1] Als gevolg van telkens binnenkomende rapporten van waargenomen Duitsers ten noorden van de Oude Maas – mede naar aanleiding van de actie van 3.GB te Goidschalxoord in de vroege ochtend van 11 mei – werd een betere bezetting van de noordelijke Groepssector ontworpen. Een en ander leidde tot de navolgend besproken verplaatsingen.

[1, 193] Rond 0800 uur kreeg de staf Gr Spui berichten van burgers (!) dat er Duitse troepen over de Oude Maas kwamen en richting Oud-Beijerland oprukten. Dat bericht werd door de C-Gr.Spui direct voor waar aangenomen. Die bewuste burgers moeten in feite de over de Oude Maas bij Goidschalxoord terugtrekkende Nederlanders van 3.GB hebben waargenomen, want geen Duitser stak de Maas over. Het bij Oud-Beijerland gelegen 1-III-34.RI [Groepsreserve] kreeg opdracht tussen Heinenoord en Berenplaat [een schiereiland ten noordwesten van het Spui, verbonden met het eiland Putten, waarop Spijkenisse onder andere ligt] een noordelijke afgrendeling te verzorgen.

Noordelijk front Groep Spui 11 mei

[193] Nadat gebleken was dat men met troepen van 3.GB van doen had – en dus niet met Duitsers – hervond men de rust. Alsnog werd echter in de namiddag besloten dat de prominente Duitse aanwezigheid ten noorden van de Oude Maas tot een noordelijke afgrendeling van het rivierfront moest leiden, aanleunende tegen 3.GB dat zulks voor Gr. Kil verzorgde. Commandant over dat geheel – dat als het Detachement Oud-Beijerland [formeel als deel van het Vak Numansdorp] werd aangemerkt – werd (c.q. bleef) de reserve kapitein L.P.F.A.M. Lohbeck, commandant 1-III-34.RI. Bovendien werd deze laatste in de avond kantonnementscommandant van Oud-Beijerland, omdat Gr-C kolonel de Brauw toestemming kreeg van C-VH om zijn stafkwartier van Oud-Beijerland te verplaatsen naar Numansdorp.

[193] De gehele Groepsreserve alsmede de (voormalige) beveiliging van het stafkwartier in Oud-Beijerland werd in de avond van 11 mei aan de kapitein Lohbeck beschikbaar gesteld. Naast de drie secties van zijn eigen compagnie (die door de reserve 1e luitenant P.J. Naafs werd overgenomen) – en waarvan de vierde sectie onder de luitenant Van Urk bij de Barendrechtse brug lag – bestond zijn ‘kantonnementssterkte’ uit een sectie (twee zware mitrailleurs) van MC-II-34.RI, een mortier van 34.Cie.Mr., een stuk 6-veld van de 34e Afd. 6-veld en twee secties van 13.C.Pn. Dat werd voorts aangevuld met een geformeerd verband van circa 60 man van 4.Bt.LuA, dat zoals bekend op 10 mei vanaf Smitshoek [IJsselmonde] via de brug bij Barendrecht naar Oud-Beijerland was doorgetrokken en tevens de beschikking had gehouden over een Vickers M.18 mitrailleur. Deze mitrailleur behoorde - samen met de bediening (soldaten Geertsema en Dijkema) - tot het Vrijwillige Landstormkorps Vaartuigendienst [Haringvliet-West] en had op de eerste dag te Oud-Beyerland gestaan nabij de HBS [173]. Tenslotte was er nog een militair noodhospitaal in Oud-Beijerland, dat mogelijk zelfs als ziekenverblijf voor het zuidfront was voorbereid. De nadere ‘bemensing’ [door de 5e Depotcompagnie Geneeskundige Troepen] van dat noodhospitaal (en andere mogelijk voorbereide militaire noodhospitalen - zie het slothoofdstuk) had vanuit Utrecht moeten arriveren, maar werd [zoals besproken] in Rotterdam op het Maasstation – waar men op de stoomtram naar Oud-Beijerland moest overstappen – een vervolg van de tocht naar Oud-Beijerland ontzegd [277]. Aan het noordelijk front werd voorts een sectie van 2-II-34.RI toegevoegd dat (al) bij Goidschalxoord lag.

[173] De motorboot 'Atlantico' van het VLSK VED Haringvliet-West, lag in de haven te Oud-Beyerland en was in de middag van 10 mei van haar enige bewapening (mitrailleur Vickers M.18) ontdaan. De mitrailleur was in Oud-Beyerland op een landpositie geplaatst en - zoals hierboven vermeld - in de avond van 11 mei naar Goidschalxoord verplaatst. De motorboot was ter beschikking van de Staf Groep Spui en toen deze laatste verplaatst werd naar Numansdorp, kreeg de vrijwilliger korporaal Quelhorst, die het bootje bestuurde, de opdracht het om te varen naar de tramhaven te Numansdorp. Het omvaren geschiedde tijdens de nacht van 11 op 12 mei en zou probleemloos verlopen.

[1, 193] Het noordelijke front werd in de avond gevormd door het plaatsen van de drie secties van 1-III-34.RI op respectievelijk de Berenplaat (met één stuk van de sectie MC-II-34.RI), een sectie links van het veerpunt te Goidschalxoord en de derde sectie op het kruispunt van wegen daaronder. Rechts daarvan lag de sectie van 2-II-34.RI bij het veerhaventje van Goidschalxoord, ondersteund door het stuk 6-veld, de beschikbare mortier en de tweede zware mitrailleur van de sectie van de MC-II-34.RI. Tenslotte werd op de uiterste rechterflank het verband ter sterkte van bijna twee secties van 4.Bt.LuA met haar eigen zware mitrailleur geplaatst, dat de Maasoever bij Heinenoord verdedigde. De beide secties van 13.C.Pn werden in Oud-Beijerland zelf aangehouden. 

[1, 101b] Een sectie van 1-II-34.RI [C. reserve 2e luitenant J.W. Kloot] met twee stukken Vickers van 11.MC werd in de namiddag aan de westzijde van het Spui gepositioneerd ter beveiliging van het veerpunt tussen Hekelingen en Nieuw-Beijerland. Met de bezetting van de Allemanshaven en de oever van de Oude Maas te Spijkenisse – beide door het verband van luitenant Bolderheij – was de gehele Oude Maas oever aan zuidzijde tussen Puttershoek (Gr.Kil) en Spijkenisse (Gr.Spui) bezet.

Tegenover het noordfront werd door de Duitsers geen enkele offensieve actie ondernomen. Zij hadden slechts bij Goidschalxoord een permanent piket achtergelaten na de verrassing in de ochtend van 11 mei, en werkten voorts met mobiele patrouilles langs de Oude Maas tot aan Hoogvliet. Van een bezetting van Hoogvliet – gesuggereerd door o.m. het stafwerk [1] – was vrijwel zeker nog geen sprake. Pas in de late avond (of nacht van 11 op 12 mei) leek het Duitse 1./IR.72 in die sector te zijn aangekomen.

Het westelijke front

Op het westelijke front – gevormd door het Vak Rockanje [Eiland Voorne] en het Vak Hellevoetsluis [Eiland Putten] – veranderde er op 11 mei niets; althans er vonden geen troepenverschuivingen in en naar het westelijke front plaats; wel binnen het Vak zelf.

[1, 193] Op 10 mei was er binnen het westelijke front met secties geschoven van en naar Spijkenisse en richting Brielsche Maas. Die verschuivingen waren allen binnen de sectoren Rockanje en Hellevoetsluis geweest. Op 11 mei vond zo nog enige verplaatsing plaats langs de Brielsche Maas en richting Spijkenisse en Hekelingen.

Westelijk front Groep Spui 10 mei

[1,193] De feitelijke toestand op het eind van de tweede oorlogsdag was dat 1-II-34.RI, 2-I-39.RI, 3-I-39.RI 39.Res.G.C, de halve MC-I-39.RI en 11.MC (min een sectie) in de (sub)vakken Rockanje en Hellevoetsluis lagen, vrijwel geheel langs het Haringvliet en de kust, met voorts vier secties verdeeld over de locaties Brielle, Spijkenisse en Hekelingen. Een sterkte van een fractie meer dan een infanteriebataljon voor de eilanden Voorne en Putten alsmede Goerree Overflakkee, waar slechts één sectie infanterie [van 39.Res.G.C.] was gestationeerd bij Ouddorp, dat middels fietspatrouilles het (relatief) grote eiland moest beveiligen. Het contingent Politietroepen op Ooltgensplaat [Goerree Overflakkee] – waar op het Fortcomplex een interneringskamp was ingericht voor politieke geïnterneerden [zie eerdere bespreking bij Willemstad 10 mei] – was niet onder bevel bij de Gr.Spui, hoewel het daarbij wel in verzorging was. Zware wapens waren in de beide (sub)vakken niet aanwezig, met uitzondering van de twee batterijen kustgeschut [IX.Bt.RKA, X.Bt.RKA] bij Hellevoetsluis en Rockanje. 

De herschikking op het zuidelijke front

[1, 193] Het zuidelijke front van de Groep Spui – waar tegenover geen enkele vijand was te vinden – was beduidend zwaarder bezet dan het noordelijke front. Het was in twee vakken (sectoren) verdeeld. Het eerste was het bruggenhoofd Willemstad, dat als voorverdediging gold. Daarvan was de bezetting op 11 mei ongewijzigd gebleven, waarbij zelfs enige manschappen van de staf- en verzorgingseenheden van 3.GB aansluiting vonden nadat zij niet waren overgezet op de vorige dag. Het oorspronkelijke Vak Numansdorp werd op 11 mei verdeeld in een rechterdeel [Detachement Zuid-Beijerland] en een linkerdeel [Detachement Numansdorp]. De Vakcommandant Numansdorp, de plaatsvervangend commandant van 34.RI reserve majoor H.G.A. Götz (de oorspronkelijke C-34.RI reserve overste D. van der Zee was wegens reuma ziek), werd geïnstrueerd de ingerichte vakcommandopost te Alexanderhoeve (enige schuilplaats kazematten bij Klaaswaal) te evacueren en naar het gemeentehuis te Numansdorp te verplaatsen. C-Gr.Spui zou in de avond besluiten zijn stafkwartier eveneens over te brengen naar die locatie, waarmee C-Vak Numansdorp zijn functie in feite verloor. 

[1, 193] Het Det. Zuid-Beijerland [C. reserve majoor H.A. Soetens, q.q. C-II-34.RI] had op 11 mei een bezetting van de staf van II-34.RI, één tirailleurscompagnie [3-II-34.RI], drie secties van de MC-II-34.RI, een sectie 6-veld, één mortier en twee secties van 13.C.Pn. Deze eenheden lagen op de pioniers na allen aan de oorspronkelijke verdediging langs het Haringvliet [het zogenaamde Vuile Gat], waarbij één sectie infanterie aan de zuidoost zijde op het eiland Tiengemeten (in het Haringvliet) lag. 2-II-34.RI (min de 1e sectie, die bij Goidschalxoord lag), dat oorspronkelijk ook in het vak van Det. Zuid-Beijerland lag, was naar de linkervleugel gehaald en zodoende in het vak van het Det. Numansdorp ingedeeld. Daarmee kreeg dit vak een reserve om haar niet langer aangeleunde linkerflank des benodigd te kunnen verdedigen nadat deze geheel was ontbloot van troepen (door de Gr. Kil). Tussen Buitensluis en Strijensas was de Hollands Diep oever namelijk geheel ontruimd. 

Zuidelijke front Groep Spui 11 mei

[1, 193] Het vak van het Det. Numansdorp [C. majoor P.H. Oudt, q.q. C-I-34.RI] was het zwaarst bezet door C-Gr. Spui, ondanks het feit dat het vak ook al een voorverdediging had in de vorm van Willemstad. In het vak lag een klein bataljon [bataljonsstaf I-34.RI, één sectie van 1-I-34.RI, 2-I-34.RI, 2-II-34.RI (min één sectie) alsmede MC-I-34.RI], ondersteund door een sectie zware mitrailleurs van 11.MC een sectie mortieren en een stuk 6-veld. Daarnaast lagen de drie afdelingen artillerie in (c.q. tegen) het vak en was er uiteraard nog de batterij kustgeschut. 3-I-34.RI was – op een sectie na – in Westmaas als onderdeel van de nieuw opgebouwde reserve van Gr. Kil.

In het oorspronkelijke Vak Numansdorp – voor de goede orde, dit was de sector die strekte vanaf het Spui tot en met Numansdorp, zonder het bruggenhoofd Willemstad – lag een gezamenlijke troepensterkte gelijk aan ongeveer anderhalf bataljon met enige ondersteuning van zwaardere infanteriewapens, drie afdelingen oud geschut en een batterij kustartillerie. Daarnaast waren er nog de detachementen Zinkschepenversperring en Vaartuigendienst Haringvliet-Oost. Die detachementen kregen tot taak de beide havens van Numansdorp te beveiligen en patrouilles gereed te houden om op te treden tegen eventueel rondom Numansdorp gelande parachutisten.

Het krijgsbeleid C-Gr Spui op 11 mei beschouwd

Uit bovenstaande bespreking van de dislocatie van troepen in het gezagsgebied van C-Gr.Spui blijkt dat het zuidelijke front van Gr.Spui relatief zwaar bezet was, ondanks het gegeven dat de grootste dreiging uit het noorden kwam. Reserves in het hart van de Groepssector had men in het geheel niet. De troepen waren verdeeld over het noordelijke front, het zuidelijke front en het westelijke front. Dat er door C.Gr.Spui niet werd gekozen om tenminste één compagnie in bijvoorbeeld het vrij centraal gelegen Nieuw Beijerland als Groepsreserve te houden, leek zeer onverstandig. Door de keuzes van de reserve kolonel De Brauw deed het onwaarschijnlijke feit zich voor dat het dispositief vrijwel geheel was geconcentreerd op onbedreigde flanken van de Groepssector, terwijl de als enige wel bedreigde noordelijke flank [Van de Brielsche Maas tot aan Heinenoord] slechts bezet was door troepen ter sterkte van minder dan twee compagnieën, verdeeld over een 15 km lang front. Deze troepen hadden nog geen sectie in reserve, met uitzondering van twee secties pioniers, die echter bedoeld waren de Spui oever te verdedigen voor het geval de Duitsers onverhoopt bij Spijkenisse over de brug zouden komen.

Wat daarnaast bijzonder opvalt aan het dispositief van Groep Spui op 11 mei is de onwerkelijke versnippering van eenheden. Compagnieën en bataljons waren uit elkaar getrokken, secties werden verdeeld over meerdere vakken, soms zelfs verdeeld over de noord- en zuidzijde van het gezagsgebied. Er was geen enkele aandacht voor homogeniteit van eenheden. Het leek een lappen deken geworden, doordat men telkens ad hoc met de vlaggetjes was gaan schuiven. Dat was op 10 en 11 mei in extreme mate aan de orde. Diverse secties waren constant op verplaatsing binnen het gezagsgebied en werden dan hier dan daar ingezet. Van enig consistent beleid was geen sprake, wat evident de lokale bevelvoering in geen enkel opzicht verlichte.

Een andere opvallende kwestie is de verplaatsing van het stafkwartier van het volledig daartoe voorbereide Groepshoofdkwartier in Oud-Beijerland – dat tot 12 april als stafkwartier Zuidfront dienst had gedaan – naar Numansdorp, waar ook het kwartier van de regimentscommandant van 34.RI (die overigens tijdens de meidagen wegens reuma niet in functie was) als C-Vak Numansdorp heen was gedirigeerd. Het stafkwartier te Oud-Beijerland was de eerste twee dagen rechtstreeks met de C-VH verbonden, omdat het telefoonnet – ondanks dat dit over het door de Duitsers bezette IJsselmonde en via Rotterdam-Zuid naar het noorden geleid werd – gewoon intact was gebleven. In Numansdorp ontbrak die rechtstreekse verbinding. Kolonel de Brauw en zijn staf achtten Oud-Beijerland in de avond van 11 mei echter zodanig bedreigd, dat zij het stafkwartier liever verplaatsten. In plaats van de gedachte te huldigen dat het stafkwartier in het noorden kon blijven, omdat in geval van een calamiteit de regimentsstaf in het zuiden [Numansdorp] dan als plaatsvervangend Groepscommando zou kunnen dienen, werden de beide kwartieren gedurende de nacht van 11 op 12 mei samengevoegd bij Numansdorp. Kolonel de Brauw voelde zich persoonlijk bedreigd door een nabije vijand, stelde zichzelf en zijn staf ‘veilig’ in Numansdorp, maar handelde operationeel juist tegengesteld door het noordfront niet noemenswaardig te versterken en geen enkele reserve nabij het noordfront te vormen! Zou hij hebben overwogen zijn grootste troepenconcentratie liever bij hem te houden in het Vak Numansdorp? Men zou geneigd zijn die ontdeugende gedachte te ontwikkelen!

Was dat besluit tot verplaatsing van het stafkwartier de kolonel de Brauw als enige euvel te duiden? Als verantwoordelijk bevelhebber over de Groep Spui uiteraard wel. Het is echter opvallend hoe in de kwestie van verplaatsing van zijn stafkwartier de kolonel zonder enig probleem ondersteuning vond bij zijn directe superieur, de commandant Vesting Holland, luitenant-generaal Van Andel. Deze had op 11 mei (rond 2230 uur) rechtstreeks telefonisch contact met de kolonel en sanctioneerde de door de laatste voorgestelde verplaatsing van het stafkwartier, zonder dat er enige aanwijzing is te herleiden uit de bronnen die een bezwaar of voorbehoud vanuit de staf VH aannemelijk doet lijken. Dit contact leverde echter kennelijk tegelijkertijd niet de strategisch zo belangrijke informatie op dat de brug bij Spijkenisse nog steeds beheerst werd en er dus nog steeds een rechtstreekse verbinding tussen Spijkenisse – Hoogvliet en de BPM installaties bij Pernis was. Die route was in Den Haag onbekend, en zo kon het gebeuren dat de verzoeken tot munitietransporten voor de artillerie van Groep Kil onnodig werden afgewezen en later – toen toch tot transporten was besloten – deze transporten via ingewikkelde maritieme omwegen werden geleid. Men vraagt zich dan in goede moede af welke informatie de C-Gr.Spui en C-VH wél hebben gewisseld in hun telefoongesprek (met uitzondering van een bevel tot verplaatsing van de artillerie, dat later wordt behandeld)?

Het gewoonlijk mild oordelende stafwerk, is tamelijk uitgesproken als het de beoordeling van het krijgsbeleid van C-Gr.Spui op 11 mei beschouwt [1]. Het zegt terzake het volgende:

» Uit het voorenstaande blijkt dat het gros van de beschikbare infanterie met het front naar het zuiden bleef staan, hoewel daar geen gevaar dreigde. Het had aanbeveling verdiend, troepen vrij te maken als reserve, teneinde deze aan de Oude Maas te kunnen inzetten, dan wel ter beschikking van Groep Kil te kunnen stellen. Het zeefront bleef, behalve de uitzending van sectiën naar Spijkenisse en Brielle e.o., ongewijzigd. «

De toevoeging van de auteur van het stafwerkdeel Zuidfront, de voormalige kapitein Calmeijer, dat eventueel troepen aan Groep Kil beschikbaar hadden kunnen worden gesteld is vanuit zijn functie als toenmalig chef-staf van Groep Kil begrijpelijk. Erg redelijk is die conclusie echter niet te noemen. Groep Spui beschikte voor het relatief grote gezagsgebied over een strijdmacht van nauwelijks een regiment. Zou het ergens worden aangevallen, dan zou het aan Groep Kil nader afgestane troepen spoedig node hebben gemist. Voor het overige onderschrijft auteur dezes de conclusie van Calmeijer volkomen, zoals wel blijkt uit de beschouwing voorafgaande aan het citaat. 

De artillerie

[1] De beschouwing van het krijgsbeleid van de reserve kolonel De Brauw hierboven gelezen hebbende, volgt thans wellicht een verrassende nabrander. Tijdens het bewuste telefoongesprek tussen kolonel De Brauw en generaal Van Andel, werd weliswaar de verplaatsing van het stafkwartier naar Numansdorp door de generaal toegestaan, maar gaf hij daarentegen opdracht twee afdelingen artillerie vanuit het Vak Numansdorp te verplaatsen naar de omgeving van Oud-Beijerland en een derde te activeren en eveneens noordwaarts te verplaatsen.

[1, 149] Het met twaalf stukken 12 lang staal uitgeruste I-14.RA [C. reserve kapitein D.N. de Breukelaar] werd naar een locatie tussen Klaaswaal en Oud-Beijerland (aan de Stougiesdijk) gedirigeerd, opstelling met hoofdrichting noord (Oude Maas – veerpunt Goidschalxoord) waarbij echter de rechterbatterij de noordelijke brugoprit van de Barendrechtse brug als hoofdrichting kreeg. [1, 149] Het eveneens met de oude 12,5 cm vuurmonden uitgeruste II-14.RA [C. reserve kapitein H.J. Itz] werd tussen Oud-Beijerland en Nieuw-Beijerland een nieuwe stelling gewezen, waar het met schootsrichting noord werd opgesteld, zodat het eventueel vuur langs de bocht in de Oude Maas en op de oostelijke brugoprit bij Hoogvliet kon afgeven. Deze verplaatsingen van I en II-14.RA zouden pas op 12 mei hun beslag krijgen.

[1] Bovendien werden de twaalf reservestukken 15 lang staal van 26.AA (die bij een boerderij bij Middelsluis stonden) geactiveerd. Ze dienden verplaatst te worden naar een locatie bij Westmaas met hoofdrichting de noordzijde van de Barendrechtse brug. Deze reserveafdeling stukken 15.L.24 (niet te verwarren met de reeds actieve afdeling 26.AA) was ook voorzien van een extra bezetting, waarvan het kader geheel bestond uit vaandrigs, zowel batterijcommandanten als batterijofficieren. Onbekend is wie als Afdelingscommandant optrad. Een verslag van deze schaduwafdeling, die geen officiële notering als bijvoorbeeld II-26.RA had, is helaas niet aanwezig. Hoe de stukken verplaatst werden is eveneens onbekend, maar het lijkt aannemelijk dat daarvoor spannen paarden werden ingeschakeld (8-10 paarden per vuurmond waren noodzakelijk) want tractie ontbrak geheel op het Zuidfront. Bekend is wel [1] dat er voor de rembeddingen 18 vrachtwagens werden gehuurd (!). Het wordt auteur dezes wel vergeven om terzake enigszins op de feiten vooruit te lopen door te melden dat de Afdeling er niet in zou slagen nog voor de avond van 13 mei in de nieuwe opstelling gereed te komen. Nadien zou door de verschuiving van de frontlijn (Groep Kil trok zich in de late avond van 13 mei westwaarts terug) de nadere gereedstelling worden afgelast. 

Wat vooral opvalt aan deze grote artillerieverplaatsing is dat daar waar de C-VH kennelijk geen aanleiding zag om C-Gr.Spui het vrij eenzijdig (zuidwaarts) concentreren van zijn infanteristisch sterkte te ontraden, ook geen aanleiding zag de verplaatsing van de Gr.AC en het stafkwartier vanuit Oud-Beijerland naar Numansdorp te ontraden, maar tegelijkertijd wél de instructie gaf de artillerie te concentreren in het noorden. Hoewel deze laatste instructie nu juist bijzonder logisch leek in het licht van de ontwikkelingen, was het tegelijkertijd nauwelijks verklaarbaar waarom kennelijk aan een infanteristische versterking in het noorden door de C-VH (of C-Gr.Spui) geen waarde werd gehecht. Nog opvallender is het dat met de verplaatsing van drie afdelingen artillerie, de bijzonder bescheiden infanteristische bezetting van het noordelijke front des te meer onverantwoord leek. Het was immers voor de vijf secties infanterie tussen Oud-Beijerland en Heinenoord ondoenlijk om zowel de Oude Maas te verdedigen als de artillerie opstellingen van enige infanteristische bescherming te voorzien. Met in het achterhoofd de grote angst voor parachutisten, is het daarom des te onbegrijpelijker dat kolonel de Brauw zijn concentratieplannen niet herzag, toen hij op 11 mei om 2230 uur de instructie tot de verplaatsing van de drie afdelingen artillerie kreeg.  

De noodhospitalen in de Hoekse Waard

Vanwege het gegeven dat de Groep Spui en Kil een grote stad – met daarin grote(re) ziekenhuizen – in hun gezagsgebieden binnen de Hoekse Waard ontbeerden, was reeds tijdens de voormobilisatie een initiatief ontplooid om in de Hoekse Waard de vestiging van noodhospitalen voor te bereiden voor de burgerij. In gebieden met grote steden was deze uitdaging niet aan de orde, omdat daar de private en publieke ziekenhuizen, verpleeghuizen en overige (para)medische instellingen instructies kregen in geval van oorlog capaciteit beschikbaar te hebben.

Het dossier terzake is voor wat betreft de Hoekse Waard (bij auteur dezes) vooralsnog incompleet. De aanwijzingen zijn echter sterk dat de eerste initiatieven tot de inventarisatie van uitbreiding van verpleegplaatsen (ziekenhuisbedden) al in het voorjaar van 1939 plaatsvonden. Van welke bestuurlijke autoriteit e.e.a. uitging, is vooralsnog niet bekend.

In juni 1939 werd de gemeente Numansdorp reeds verzocht door het hoofd luchtbescherming om extra bedden, verpleegruimte en operatiecapaciteit gereed te maken voor het geval de oorlog zou uitbreken. Van twee andere gemeente zijn vergelijkbare briefwisselingen voorhanden, maar beduidend later in de tijd. Oud-Beijerland – de grootste plaats in de Hoekse Waard met 6.350 inwoners – lijkt pas in november 1939 over de kwestie te zijn aangesproken. In een brief van 27 november 1939 beantwoordt de lokale arts dokter P.A. Kroesen een kennelijk verzoek van B&W om na te gaan welke ziekeninrichting in de gemeente kan worden gebruikt voor noodverpleging in geval van oorlog. Heel specifiek geeft de arts aan dat het om een ziekeninrichting voor burgers gaat. In februari 1940 wordt de gemeente Mijnsheerenland pas actief met dezelfde doelstelling. Een brief van de eigenaar van het landhuis ’t Hof van Moerkerken uit maart 1940 maakt duidelijk dat hij was benaderd zijn landhuis beschikbaar te stellen als nood ziekenverblijf voor burgers. Hij wees overigens het verzoek van de burgemeester af, omdat het landgoed sinds april 1939 als opvang voor legale Joodse vluchtelingen in gebruik was. 

Uit een brief van de gemeente Oud-Beijerland van 1 april 1940 blijkt dat op 28 maart 1940 een bijeenkomst van alle gemeentebesturen is geweest met als onderwerp luchtbescherming en de inrichting van noodhospitalen in de Waard. Kennelijk kreeg de grootste gemeente in de Hoekse Waard – Oud-Beijerland – daarbij een coördinerende taak, want in de brief wordt vastgesteld dat de benodigde sommen (berekend per inwoner) door de gemeente worden gestort en het verzoek wordt gedaan aan de overige gemeenten om voor de 30,500 inwoners van de Waard buiten Oud-Beijerland 15 cent per inwoner terug te storten ter voldoening. Uit een brief van 28 mei 1940 – naar aanleiding van een luchtbescherming bijeenkomst van alle burgemeesters – lijkt te spreken dat er uiteindelijk vier noodhospitalen zijn ingericht. Er wordt gesproken van inrichtingen te Strijen, Oud-Beijerland, Numansdorp en Mijnsheerenland. De locaties van die inrichtingen zijn bij auteur dezes inmiddels deels bekend. In Oud-Beijerland was het gebouw van het Groene Kruis [Oost Voorstraat no. 120] aangewezen en in Numansdorp het Diaconiehuis [Torenstraat]. Voor de andere twee is er nog geen betrouwbare bron gevonden.

Een andere kwestie zijn de militaire noodhospitalen. Die werden gescheiden van de burgerhospitalen ingericht. Waarom dat was, is onduidelijk. Het leek niet erg efficiënt. Voor de naleving van het oorlogsrecht was de scheiding ook niet noodzakelijk, omdat de in behandeling zijnde gewonde militair humanitair gezien gelijk was aan een gewonde burger. In de reguliere hospitalen lagen (tijdens de strijd) ook de gewone burgerpatiënten die in behandeling waren in hetzelfde gebouw als de militaire patiënten, hoewel de behandel- en verplegingsruimten wel gescheiden waren. Anderzijds is het wel voor te stellen dat men de zaken wilde scheiden. Uiteindelijk zou men tijdens de oorlogsdagen niet al te rigide omgaan met die scheiding en een zwaar gewonde naar de dichtstbijzijnde medische inrichting sturen voor stabilisatie of chirurgische ingreep, zo blijkt uit (de praktijk beschreven in) diverse militaire verslagen.

Die militaire noodhospitalen lijken veel minder duidelijk in de streekarchieven te zijn verankerd. Er is zelfs tot dusver in lokale archieven nog nauwelijks iets over gevonden. Als er geen zekerheid bestond dat er aanzienlijke voorbereidingen waren getroffen voor militaire (nood)hospitalen aan het zuidfront (Hoekse Waard), dan zou men als onderzoeker vermoedelijk afhaken wegens gebrek aan aanwijzigen. Er zijn echter een aantal aanwijzingen die onmiskenbaar de sterke indruk wekken van een voorbereide grote gewondenbehandelingscapaciteit in de Hoekse Waard. De belangrijkste aanwijzing terzake is de (hierboven al eerder kort aangestipte) opdracht die op 7 mei 1940 werd gegeven aan de commandant van de 5e Depotcompagnie Geneeskundige Troepen, de reserve kapitein C.L. Wieringa [277]. De betreffende compagnie was samengesteld uit 4e en 5e jaar studenten geneeskunde, die in opleiding waren voor reserve Officier van Gezondheid [OvG]. De compagnie bestond uit exact 100 man, te weten 97 korporaals aspirant OvG en drie soldaten aspirant OvG. Op 7 mei 1940 kreeg de kapitein opdracht verplaatsing van de compagnie naar Oud-Beijerland voor te bereiden en zich bij de HBS te Oud-Beijerland [Rijks Hoogere Burgerschool te H.B.S. laan 10] te melden op de (nog vast te stellen) vertrekdatum. Uiteindelijk vertrok men – nog niet gereed – op 10 mei alsnog naar Oud-Beijerland, maar kwam in Rotterdam aangekomen evident de Nieuwe Maas niet over.

Een compagnie van 100 aspirant-artsen naar Oud-Beijerland sturen impliceert een grote ziekenverpleging en behandeling, die niet onvoorbereid kon zijn. Het was tegelijkertijd zo dat de beide Groepen Kil en Spui geen geneeskundige eenheden of veldnoodhospitalen ter beschikking hadden. De reguliere onderdeelartsen en hospikken waren wel aanwezig. Die waren echter slechts bedoeld voor eerstelijns medische ondersteuning en niet voor chirurgische handelingen (met uitzondering van noodhandelingen) en verpleging. Daarvoor moeten militaire noodhospitaalinrichtingen gereed zijn geweest, of althans in enige mate zijn voorbereid.

Het is de grote vraag wat er waar was voorbereid en/of gepland. Het vermoeden is groot – maar vooralsnog evengoed onbevestigd – dat het oude marinehospitaal in Hellevoetsluis gewonden zou behandelen. Voor het overige is van militaire noodhospitalen geen spoor te vinden in de archieven – tot dusverre, met uitzondering van de inrichting bij de 1e Openbare Lagere School [toenmalige Schoolstraat no. 17 - tegenwoordige Karel Doormanstraat] in Oud-Beijerland voor gewondenverzorging. Bij de school in Oud-Beijerland werd(en) mogelijk een (of twee) barak(ken) bijgebouwd voor gewondenverzorging. Dit lijkt te blijken uit Duitse en gemeentelijke stukken uit januari 1941. Op indicatie van de lokaal goed bekende drs. J.P. Bijl - eveneens onderzoeker naar de gebeurtenissen in de Hoekse Waard tijdens WOII - wordt aangenomen dat er twee barakken werden gebouwd in de tuin tussen de Openbare Lage School en De Bijl School. Thans loopt nog een onderzoek naar meer gegevens. Als dat nadere informatie oplevert, wordt dit hoofdstuk met de bevindingen uitgebreid.

[De bronnen vindt u hier]