Hoek van Holland

Inleiding

Positie Hoek van Holland was een maritiem verdedigingspunt, waarbij dan ook een marine positiecommandant de honneurs had. Het landfront was in de vroege ochtend van 10 mei bescheiden van opzet geweest. Hoofdmoot was de verdediging van het zeefront. Daarbij waren vier kustbatterijen en enkele lichte batterijen langs de waterweg betrokken. Het oude fort Maasmond assisteerde bij de verdediging van de Waterweg mond. Voorts was er een aanzienlijk contingent marinetroepen en mariniers aanwezig. Het zwakke landmachtbataljon II-39.RI was ingedeeld voor de landverdediging, hoewel voorname contingenten van het bataljon tesamen met het eveneens ingedeelde 15.Res GC bij de infanteristische kustverdediging dienden te assisteren. Ten noorden van de stelling was een bataljon Jagers [II-RJ] gelegerd.

stafkaart Hoek van Holland

Hoek van Holland was op 10 mei 1940 opgeschrikt door een (door de Duitsers) ongeplande kleine luchtlanding ten oosten van de Positie. Ten noorden van de waterweg had men in de vroegste uren van de invasie te maken gekregen met een peloton parachutisten van ca. 40 man, die de hele Positie in rep en roer had gebracht. Men verwachtte dat de Duitsers de Positie als doel hadden. In de loop van de ochtend waren de parachutisten richting noorden verdwenen – overigens onopgemerkt voor de verdedigers die hen nog steeds meenden te bestrijden – maar aanvullend waren ruim een honderdtal luchtlandingstroepen van de tweede luchtlandinggolf (bedoeld voor Ypenburg en Ockenburg) in de omgeving geland. Zij nestelden zich in en ten oosten van het Staalduinse Bos. Tegen hen werd in de middag een zwak opgezet offensiefje geopend, dat volkomen mislukte. Aan het eind van de dag liet men zich met de relatief forse legermacht rond de kustplaats volkomen gijzelen door een bijzonder zwakke Duitse representatie ten oosten van de stellingen, die geen enkele werkelijke ambitie richting Positie leek te tonen.

Ten zuiden van de Waterweg was men voortvarender te werk gegaan. Er waren in totaal drie vliegtuigladingen in de sector Rozenburg geland. Die werden alle drie door de vrij kleine Nederlandse formatie ten zuiden van de waterweg uitgeschakeld. Daarbij werd steun ondervonden van de Landstorm te Rozenburg, die een dozijn Duitsers wisten te isoleren zodat zij later door de reguliere infanterie konden worden ingerekend.

Nota bene: Er zijn door de vele onderdelen betrokken bij de Positie Hoek van Holland veel verslagen geschreven. Overigens ziet het gros op slechts enkele 'hoogtepunten'. De verslagen van de diverse bevelhebbers beschrijven meer. De kwaliteit van die verslagen, en het onderzoek van de Marinestaf, is buitengewoon matig. Verslagen zitten vol feitelijke fouten en anachronismen. Dat maakt reconstructie van de gebeurtenissen in sommige gevallen een hekele zaak. Voorbehouden worden dan ook hier en daar in de tekst opgenomen.  

De status van de Duitse formatie

Zoals gezegd waren al in de ochtend van 10 mei de parachutisten onder Oberleutnant Arnold von Roon doorgestoten naar het noorden. Zij slaagden er wonderwel in om ongeschonden, tussen de troepen van de 1e Divisie door, aansluiting te vinden met de hoofdmacht onder Generalleutnant Hans Graf von Sponeck bij Ockenburg. Een huzarenstukje dat door gebrek aan Nederlands militair gogme mogelijk was gemaakt. In de loop van de ochtend en middag kwamen er nog circa 130-140 Duitse luchtlandingsmilitairen in de omgeving van het Staalduinse Bos neer.

De cijfers van de in de avond van 10 mei te Hoek van Holland verblijvende Duitse militairen zijn niet betrouwbaar, zoals bij de bespreking van de gebeurtenissen op 10 mei al gesteld. Eén bron noemt 175 man [91]. De beide officiële bronnen [13, 223] noemen geen getallen. Vermoedelijk ontbrak het de landmacht en marine onderzoekers aan gegevens. Duidelijk is inmiddels dat tenminste één Duits toestel manschappen van 7./IR.65 aan boord had. Zij werden direct in de ochtend gevangen genomen en waren dus uitgeschakeld. Drie toestellen met manschappen van 2./IR.65 kwamen op Rozenburg (e.o.) neer en werden ook in de loop van de eerste oorlogsdag gevangen genomen. Ook zij deden op 11 mei dus niet meer mee. Vervolgens kwamen vier toestellen met mannen van 2./IR.65 en één met militairen van 3./IR.65 aan de grond ten oosten van het Staalduinse Bos. Kort erna nog twee toestellen met vermoedelijk manschappen van 3./IR.65. Bovendien waren er enige manschappen van de verbindingsafdeling van 22.ID aan de grond gekomen [91]. In totaal bleven er zo’n 125 man Duitse troepen uit handen van de Nederlanders en verschanst in de omgeving. Zij waren dus van de verbindingsafdeling van 22.ID, 2./IR.65 en 3./IR.65. Hun gelegenheidscommandant was Oberleutnant Martin, de compagniescommandant van de 3e Kompanie van IR.65.

Nadat de Duitsers zonder al te veel problemen en slechts een handvol slachtoffers een Nederlands offensief tegen hun posities in en rond het Bos hadden afgeslagen, hergroepeerde men zich en versterkte de posities in het Bos. Enkele Nederlandse krijgsgevangenen, allen Jagers, werden in het Staalduinse Bos gevangen gehouden. Men trachtte telkens verbinding te krijgen met andere onderdelen. Vermoedelijk was men in bezit van enkele veldradio's. Deze hadden echter een zeer kort bereik.

De status van de Nederlandse troepen

Van degelijke en georganiseerde bevelvoering was aan Nederlandse zijde absoluut geen sprake. De op papier zo praktische lijkende organisatie van een marinecommandant met marinestaf waarin een landmacht stafofficier [kapitein Kronig] bleek geen garantie voor goed beleid. In tegendeel. De PC en zijn staf functioneerden ronduit bedroevend. Zij gaven in wezen nauwelijks leiding aan de landverdediging en vonden geen modus om de panische stemming bij het landmachtcontingent onder controle te brengen. Zwaar overtrokken tegenmaatregelen waren het gevolg. Vrijwel alle troepen veranderden van positie en werden in een landfront rondom Hoek van Holland in stelling gebracht. De ca. 800 man sterke [gevechtstroepen] verdedigingsformatie ten noorden van de Waterweg [marinetroepen, mariniers en manschappen van 15 ResGC en 39.RI] achtte men zelfs te weinig om de Positie effectief te kunnen verdedigen tegen de gelande Duitsers. Men vroeg, nee men smeekte om versterking!

De Nederlandse perceptie bij de gelande sterkte was dan ook zwaar overdreven en gebaseerd op pure suggestie. Want naast de landingen ten oosten van de Positie had men ook allerhande paniekberichten ontvangen – en graag geloofd – over diverse Duitse verbanden die ten noorden van de Positie waren geland. Men achtte zich niet alleen omsingeld, maar zelfs doelwit. Hoe sterk men dit voelde blijkt wel uit het onderzoek van de Marinestaf [223, pg.17], waarin men uit het verslag van de Positiestaf concludeerde dat een gevangen genomen Hauptmann papieren bij zich zou hebben gehad die duiden op het feit dat een grote luchtlandingsoperatie Hoek van Holland tot doelwit had. Een regelrecht verzinsel van de rapporterende marineofficieren. 

De paniek die de PC en zijn staf naar buiten etaleerden bleef niet zonder gevolgen, want volkomen onnodig werd vlak voor middernacht II-RJ ter beschikking van de Positie gesteld. Dat terwijl dit bataljon veel werkzamer zou zijn geweest als het naar Rotterdam was aangetrokken, zoals oorspronkelijk de bedoeling was geweest. Nog kwalijker was dat de PC en zijn staf hun weinig bedaarde houding ook afstraalden op de troepencommandanten in de Positie zelf. Het had tot gevolg dat de gehele Positie gedurende de oorlogsdagen een vat vol panische en hysterische militairen zou blijven, die regelmatig overspannen op iedere impuls zouden reageren. Het verslag van bataljonscommandant reserve majoor G. Witkamp - die zich overigens volgens vele verslagen capabel en moedig toonde - is wat dat betreft overtuigend [102b, verslag 15 dec ‘49]. De paniek bleef niet beperkt tot de verrassing van de eerste uren. Het zou blijven en zelfs toenemen gedurende de strijd …

De nacht van 10 op 11 mei

Kort voor het middernachtelijk uur werd een overleg gehouden tussen de bataljonscommandant en zijn vier CC’n, mogelijk ook met vertegenwoordiging van 15.ResGC. Overste Snoeck – C-39.RI – was ook van de partij. Hotel Amerika diende als commandopost. Majoor Witkamp gaf aan dat hij een gordel om de positie wenste te vormen, zodat de verdediging voor de werkelijke Positie plaats zou vinden. Daarbij zou het zwaartepunt weliswaar op het landfront worden gelegd, maar het zeefront (dat noordwaarts bij strandpaal 117 eindigde voor de Positie) mocht niet veronachtzaamd worden [102b].

De eerste oorlogsnacht was, zoals op veel locaties in Nederland, een panische beleving voor veel militairen en burgers in de Hoek. De geheel nieuwe ervaringen, die het fenomeen oorlog met zich meebracht, waren voor de oude reservisten in de Positie een buitengewoon spanningsvolle affaire. De Duitsers vuurden met enige regelmaat lichtkogels af, vrijwel zeker vooral om eventuele Nederlandse acties vroegtijdig te ontdekken. Mogelijk ook om hun positie aan andere Duitse verbanden te doen opmerken. Maar deze simpele voorzorgsmaatregelen hadden aan Nederlandse zijde allerhande panische neveneffecten tot gevolg. Effecten die de Duitsers in hun stoutste dromen niet voorzagen. De Nederlanders dachten dat de Duitsers met verraders communiceerden, dat geheime lichtsignalen werden gegeven aan subversieve elementen. Het leidde tot een overspannenheid, die zijn weerga niet kende.

Eén van de directe gevolgen was dat om 2300 uur – we schrijven dan nog 10 mei – de Hilwoning door de Nederlanders [o.l.v. sergeant cap. J. de Vries, 4-1-II-39.RI] verlaten werd omdat ‘de situatie wegens sterke oprukkende vijand niet langer houdbaar was’ [102b]. Van een aanvallende vijand was echter in het geheel geen sprake. Toch meldde men [res. 1e luitenant H.M.E.P. Maertens, C.1-2-II-39.RI] vervolgens rond middernacht dat de Hilwoning inmiddels door de Duitsers bezet was [102b].

In feite was de sergeant capitulant de Vries - die de Hilwoning bezet hield - behoorlijk in de war geraakt in het donker. Toen een groepje Nederlandse militairen verscheen verloor hij de controle. Hij zag de Nederlanders aan voor Duitsers, zette een Nederlander zelfs het pistool op de borst en beweerde in zijn verslag dat het Nederlanders waren geweest die in Duitsland werkten [102b]. Tegenover zijn compagniescommandant, reserve kapitein W. Kok, beweerde de rond middernacht in het dorp teruggekeerde sergeant ‘toestemming’ te hebben gekregen de Hilwoning te ontruimen. Van wie, dat meldde de sergeant niet. Maar reserve 1e luitenant Dubbeld had wel een verklaring. Die was even voordien met een deel der troepen die aan de ‘aanval’ op het Staalduinse Bos had deelgenomen op de Hilwoning teruggetrokken om daar telefonisch contact met de BC te zoeken. Dat kreeg hij. Na eerst een opdracht om oostwaarts contact te zoeken met de Jagers [een onverklaarbare instructie!] te hebben ontvangen, waartegen de luitenant volkomen begrijpelijk ernstige bezwaren maakte, kreeg hij opdracht naar de Positie terug te gaan. Sergeant de Vries achtte die opdracht ook op hem van toepassing, zo meldde luitenant Dubbeld in zijn verslag. Kennelijk had de luitenant zelf die indruk ook gekregen. Merkwaardig is dat deze de sergeant niet instrueerde om verificatie van die aanname per telefoon met de BC te regelen. De in de Hilwoning aanwezige telefoonverbinding werkte immers uitstekend [102b, verslag 1e lt M. Dubbeld].

Het bericht dat de Hilwoning door Duitsers kort na het vertrek van luitenant Dubbeld en sergeant de Vries werd bezet is vermoedelijk ook verklaarbaar. Delen van 2-II-39.RI waren ten oosten van de Hilwoning gebleven na de mislukte actie aldaar in de middag van 10 mei. Luitenant Dubbeld had daarvan slechts een fractie bij zich gehad. Tegen middernacht besloten de nog aan de westzijde van het Bos gebleven manschappen – na tevergeefs per ordonnans contact te hebben gezocht met de BC – om naar het dorp terug te trekken [102b]. Zij werden vrijwel zeker door de luitenant Maertens waargenomen en in het donker voor Duitsers aangezien. Daarop meldde de luitenant kort na middernacht telefonisch aan de BC dat de Hilwoning door de Duitsers bezet werd [102b]. Gelukkig waren de mannen van 2-II-39.RI echter niet in de Hilwoning gebleven maar doorgetrokken naar het dorp. Want als reactie op de vermeende Duitse bezetting van de woning, werd later die nacht met 6-veld en mortieren het vuur geopend op de Hilwoning [102b]. Volgens het rapport van C.II-39.RI ‘ontruimden de Duitsers de Hilwoning als gevolg van de beschieting’.

Het zal de boer zijn geweest die een veilig heenkomen zocht, want Duitsers zaten er niet; Nederlanders ook niet meer. Nadien kreeg sergeant de Vries van zijn CC [namens de BC] de opdracht de Hilwoning opnieuw te bezetten en werd luitenant Maertens belast met het bevel [102b]. Men trof echter slechts dood vee en de boer in de beschadigde boerderij aan en nam deze direct onderhanden. Hij zou met de Duitsers heulen en moest onder bedreiging van wapenen de Duitse schuilplaats aanwijzen. Nadat het gehele complex was doorzocht bleek er uiteraard geen spoor van Duitsers te vinden te zijn [91]. De rust keerde toen weer even terug. Saillant detail was dat de boer eind van de middag telefonisch de fortartillerie ging leiden bij beschieting van het Staalduinse Bos; de hiervoor aangewezen soldaat was namelijk volkomen door het lint gegaan …[102b]  

Veel meer paniek zou die tweede oorlogsdag nog volgen. Een onderdeel dat daarbij een hoofdrol zou vertolken was het rond het middernachtelijk uur beschikbaar gestelde bataljon Jagers uit Naaldwijk. Die eenheid, waarvan men (naar Nederlandse maatstaven) kwaliteit mocht verwachten, werd in zekere zin de ongewild mobiele reserve aan het zuidwestelijke front. Op de eerste oorlogsdag was het al van ’s Gravenzande richting Rotterdam gecommandeerd en ontving het pas onderweg tegenorders. Men moest naar Naaldwijk. Om 2300 uur in de avond (10 mei) werd de eenheid aan de Positie Hoek van Holland toegewezen. Later tijdens de strijd zou het wederom naar Rotterdam worden gedirigeerd en er toen ook daadwerkelijk aankomen. Maar dan wordt al ver op de zaken vooruit gelopen.

Het was tegen middernacht dat de C-1.LK opdracht gaf aan de C.II-RJ dat zijn bataljon ter beschikking van de PC Hoek van Holland werd gesteld [222]. Om 0300 uur was men gereed de marsbevelen te distribueren. Drie uur later – na een verorberd maal – marcheerde men vanuit Naaldwijk af in de volgorde: 3-II, 2-II, 1-II, trein; MC verdeeld over de compagnieën en een sectie 1-II als sluitpost [222]. De 3e sie MC was op instructie van C-1.Div op 10 mei in Terheyden aangetrokken en niet teruggekeerd. De trein was incompleet omdat – zoals bekend – een deel doorgedraafd was richting Delft en aldaar zou blijven.

De CC [res kapitein I. Barends, 3-II-RJ] van de kopgroep formeerde een verkenningsgroep bestaande uit twaalf wielrijders, terwijl daarachter een sectie op 400 meter afstand van de rest van de compagnie vooruit ging [222]. Onderweg werden (vermeend) vijandelijke posten waargenomen, waarop de CC de formatie deed verbreden, zodoende dat de mars door de polders [Ouwedijk en ’t Oude Land; beide tussen Naaldwijk en ‘s Gravenzande] werd voortgezet. Nadat contacten met de vermeend vijandelijke posten waren opgelost, trad de compagnie weer in colonneformatie terug en vervolgde haar weg zuidwaarts richting Hoek van Holland. Kort na 0900 uur arriveerde men in de Positie [222]. BC majoor Van Wijk meldde zich daarop bij de C-II-39.RI, die hem doorverwees naar de staf PC.

[222] Op de CP van de Positiecommandant kreeg majoor W. van Wijk om 1245 uur opdracht zijn bataljon te verdelen over de Positie. De Jagers werden over de landfronten van de Positie verdeeld. 3-II-RJ aangevuld met de 2e sectie MC werd in de middag naar Rozenburg overgezet. 1-II-RJ plus 1e sie MC werd aan C.II-39.RI beschikbaar gesteld en rondom de CP van II-39.RI aan de Zekkenweg geposteerd. 2-II-RJ werd als tactische reserve in het RVS kamp gelegerd en de 4e sectie MC naar de Hilwoning gestuurd.

Al vanaf het licht worden werden bouwwerkzaamheden aan de nieuwe stellingen en versperringen in gang gezet, waarbij ook burgers werden ingezet. Dat druiste tegen de regelen van het oorlogsrecht in, maar dat besefte de lokale legerleiding kennelijk niet. Die twijfelde niet om burgers in te zetten, hoewel men toch na aankomst van het bataljon Jagers over een slordige 2,000 man militairen in en om de Positie (ten noorden van de Waterweg) beschikte. Het ging zelfs zover dat in de middag door burgers en militairen gezamenlijk prikkeldraad versperringen rond de Hilwoning werden aangelegd. Zo kort op de vijand burgers inzetten, zou toch bij de lokale legerleiding een zekere mate van welbewuste overtreding van het landoorlogsrecht kunnen impliceren. Of dacht men - met de Staat van Beleg volledig van kracht - werkelijk burgers te mogen inzetten voor oorlogstaken?

De staat van de verdediging kort na het middaguur

Met de herverdeling van het bataljon Jagers was in feite de nieuwe landfrontverdediging van het bruggenhoofd afgerond. Daarbij waren de uitgangspunten, die tijdens het krijgsoverleg in het laatste uur van de 10e mei waren besproken, toegepast. Dat gaf een op papier indrukwekkend geheel weer, zeker als men overwegen zou dat zich slechts een honderdtal Duitsers in de nabijheid ophield. Maar dat laatste was natuurlijk geen wetenschap van de Nederlanders en bovendien was men ervan overtuigd dat de Hoek een prominent Duits doelwit was. Hieronder volgt de troepenopstelling, zoals deze uit de verslagen van Jagers en infanterie kan worden opgemaakt [102b, 222].

De artillerie manschappen wisselden uiteraard niet van positie. Die worden dan ook buiten beschouwing gelaten.

Op Rozenburg was de oorspronkelijke bezetting van 3-II-39.RI, versterkt met een 60 man mariniers en Forttroepen aangevuld met de compagnie Jagers en een sectie MC. Daarmee kwam de infanteristische sterkte in deze geïsoleerde sector op circa 350 man te liggen. De kleine 50 man Forttroepen keerden naar het Fort terug.

De sector van strandpaal 117 tot aan de Pannenbuurt werd in hoofdzaak door 1-II-39.RI onder commando van kapitein Kok bezet. Dat was de noordwestelijke sector tussen de kust en de westkop van de Nieuwlandsedijk. Daarbij werd een sectie Jagers, vrijwel zeker van 1-II-RJ, ingedeeld terwijl een andere sectie van die compagnie een steunpunt aan de kust bezette bij strandpaal 116. Luitenant C. Deijs [2-II-39.RI] nam de centraal noordelijke sector tussen Pannenbuurt en de Roomskatholieke Kerk (t.h.v. het station) voor zijn rekening. De sector Hilwoning bleef onder de luitenant Maertens, die een sectie mitrailleurs van de MC-II-RJ had gekregen als versterking. En luitenant Dubbeld [1-II-39.RI] voerde het bevel van de Hilwoning tot aan de Zekkenweg, ofwel het oostfront, waarbij dus steun van 1-II-RJ plus een sectie MC ter beschikking kwam. Achter diezelfde Zekkenweg, ten noordoosten van het station, had majoor Witkamp zijn CP ingericht.

Deze opstelling betekende dat kapitein Kok zijn compagnie [twee eigen secties van 1-II-39.RI, een sectie Jagers en een sectie Jagers MC] en de positie rond de Hilwoning [één sectie 1-II-39.RI plus een sectie MC-II-RJ] – beiden langs of ter hoogte van de Nieuwlandsedijk – ten noorden lagen van de binnenverdediging. Die binnenverdediging, bestaande uit de sectoren van de luitenants Deijl en Dubbeld, liep aan de westzijde langs het tramspoor en boog dan oostwaarts langs de noordgrens van de bebouwde kom door het duingebied, en boog zuidwaarts langs de onderhelft van de Zekkenweg. In die sector lagen drie secties 15.ResGC, geheel 2-II-39.RI, twee secties Jagers, vier secties zware mitrailleurs [2 sie MC-II-39.RI, 2 sie MC-II-RJ], twee stukken 6-veld en vier mortieren. Ten oosten van die Zekkenweg lag – als een saillant van de Positie – nog altijd een sectie mariniers bij de Vianda slachterij. Tenslotte bij het Fort en op het RVS kamp een deel van 2-II-RJ alsmede het marinedetachement, met nog enkele tientallen mariniers. 

Aan de kust werden drie steunpunten [S-kazematten] bezet door de laatste sectie van 15 ResGC en waren enkele groepen infanteristen als piketten ingedeeld.

Dit geheel was een sterke landafgrendeling van de Positie. Bij elkaar waren het meer dan 1,000 man die in de verdedigingsgordel lagen. Tegen 1800 uur (1) werden die nog eens versterkt door een kleine tweehonderd man marinetroepen van de Britten, die verdeeld werden over de posities van de kapitein Kok [noordwest], het kamp [centraal], de Hilwoning [noordoost] en de Vianda slachterij. Deze Britse formaties, elk iets minder dan vijftig man sterk, hadden slechts twee lichte mitrailleurs per formatie. Bovendien waren het geen gevechtstroepen.

(1) Auteur dezes maakt een groot voorbehoud bij de indeling van 200 man Britse troepen bij de posities op 11 mei. Dit staat echter in meerdere Nederlandse verslagen vermeld. Suggestie wordt ook geleverd dat het mariniers waren. Er werden op 11 mei in de ochtend inderdaad 200 mariniers - althans ondersteunende manschappen van het Britse Korps Mariniers - naar Hoek van Holland gestuurd. Deze kwamen echter pas op 12 mei aan, volgens de Britse rapporten. Het heeft er dus de schijn van dat de Nederlandse verslagen zich een dag vergist hebben, maar dat is - vooralsnog - niet met zoveel zekerheid vast te stellen dat de Nederlandse verslagen op dit moment genegeerd kunnen worden. In elk geval spreken alle Britse bronnen (Guards en Marines) van de nacht van 11 op 12 mei waarbij de Mariniers voorhoede in Hoek van Holland arriveerde. Dat voorbehoud dient de lezer dus uitdrukkelijk bij het beschrijven van de Britse versterking van 200 man mee te nemen.

Een en ander betekende echter dat in de vroege avond van 10 mei een (relatief) sterke infanteristische verdediging rondom de Positie (ten noorden van de Waterweg) was gevormd door circa 1,250 man. Zij beschikten over twee stukken 6-veld, vier mortieren, vijftien zware infanterie mitrailleurs [zes van MC-II-39.RI en negen van MC-II-RJ] en enige tientallen lichte infanterie mitrailleurs. Ondersteuning van enige kustbatterijen en de fortbatterij kon ook nog worden gegeven.

Paniek in de straten van de Hoek

Het Nederlandse leger anno 1940 communiceerde sterk hiërarchisch. Dat betekende dat vooral verticaal werd gecommuniceerd en op een strikte 'need to know basis'. Horizontaal was de uitwisseling uiterst beperkt. Daarnaast werkte men volgens de procedures van gedicteerde bevelen. Veldcommandanten, zoals compagnies- en sectiecommandanten, werden nauwelijks ingelicht over de algemene toestand. Die wijze van bevelvoeren leefde van hoog tot laag. Zoals de bataljonscommandant weinig informatie deelde met zijn CC’n, zo deelden de CC’n op hun beurt weinig met hun sectiecommandanten. Uiteraard waren er incidenteel kaderoverleggen, zoals ook het geval was in de late avond van 10 mei, toen in Hotel Amerika in het dorp de CC’n door de BC werden geïnformeerd omtrent de stand van zaken en de plannen. Een dergelijk overleg werd echter niet herhaald gedurende de dag. En onderwijl was er toch het e.e.a. veranderd. Zo was er het ‘gedoe’ rondom de Hilwoning, de aankomst van II-RJ en de inschakeling van een kleine 200 Britse marinetroepen. Er waren dus constant verbanden in beweging.

Onderwijl was er geen enkele zekerheid omtrent de tegenstander. De eenheden waren zodoende passief in de verdedigingsgordel rondom het dorp geplaatst, en ‘wisten’ slechts dat zich ten noorden en ten oosten van hen vijand bevond en dat er geruchten leefden dat de vijand ook uit Maassluis zou oprukken alsmede mogelijk de Waterweg zou komen afzakken vanaf Rotterdam. Die laatste twee zaken waren vooral in het geruchtencircuit aan de orde. Maar het betekende dat men de vijand in feite uit alle windstreken kon verwachten. De combinatie van zich telkens in en om de verdediging verplaatsende eenheden en een onduidelijk vijandbeeld, legden de voedzame bodem voor paniek. Want ook het Nederlandse leger was – net als alle toenmalige Europese legers – buitengewoon gevoelig voor achterklap en roddel gecombineerd met de sinds 1936 ontstane mythe van de subversieve Vijfde Colonne (2). De moderne versie van het Trojaanse Paard.

(2) Het begrip ‘Vijfde Colonne’ ontstond tijdens de Spaanse burgeroorlog [1936-1939]. De Europese media maakten toen gewag van een propagandistische toespraak van de Spaanse generaal Mola waarin de clandestien opererende nationalisten in de belegerde stad Madrid door hem als de vijfde colonne waren aangeduid. Zijn doel was vooral paniek veroorzaken en verdedigers binden aan de binnenstad om de orde te handhaven. Pas in 1939 werd Madrid veroverd, met inderdaad vier aanvalsrichtingen als basis voor de finale aanval op de stad. Op ene of andere manier landde de symboliek van de Mola toepraak breed in Europese landen en zou het begrip tijdens met name de eerste twee jaar van de oorlog (1939-1940) tot vele hysterische voorvallen leiden bij alle belligerenten op Europese slagvelden. Nederlandse geschiedenisboeken suggereren vrijwel standaard dat de vijfde colonne hysterie een typisch Nederlands verschijnsel was. Dat is echter feitelijk onjuist. Het Duitse leger leed er zeer sterk onder tijdens de veldtocht in Polen. De angst voor de ‘Heckenschutzen’ was soms buitenproportioneel en was aanleiding tot talloze excessen in Polen. Een kolder overigens waaraan het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog in België ook al had geleden, met soms zeer bloedige gevolgen, wat tevens een bewijs is dat dergelijke hysteries geen fenomeen waren dat pas voor het eerst tijdens WOII tot uiting kwam. Tijdens Fall Gelb zijn ontelbare gevallen van vijfde colonne kolder opgetreden bij alle belligerenten. In het bijzonder – hoe kan het ook anders – in de stedelijke gebieden.

Die paniek brak tegen het einde van de middag uit [102b, 222]. De aanleiding is ongewis, maar lijkt te zijn gekomen van een of twee secties van 15.ResGC in het noordfront [102b; verslagen majoor Witkamp en sergeant Smit]. In de door relatief grote verbanden bezette bewoonde sector oostelijk van het station brak opeens een wilde schietpartij uit tussen Jagers en manschappen van 15.ResGC en 39.RI. Het zwaartepunt van de paniek was in de sector Scheepvaartstraat – Prins Hendrikstraat. Troepen van het noordfront vuurden naar het zuiden, terwijl troepen langs de Waterweg naar het noorden en oosten schoten. Jagers die in de straten ertussen lagen vuurden vanuit huizen en de weg terug. Mariniers en Jagers bij het postkantoor vuurden weer naar het oosten. Het was een kortstondige kakofonie van vurende wapenen zonder dat één der schutters een werkelijk idee had waar hij op schoot.

[102b] Majoor Witkamp bevond zich op het moment dat de paniek uitbrak op straat, dichtbij het epicentrum van de gebeurtenissen. Hij stond net te praten met overste Snoeck toen plotseling een snel aanzwellend wapenrumoer ontstond. Direct voorvoelde de majoor dat er geen sprake kon zijn van een binnengedrongen vijand, maar dat er ergens paniek was ontstaan. Samen met sergeant-toegevoegd Smit besloot hij tot actie. Beide militairen namen een eigen route om de schietende verbanden te bedwingen. [102b] Sergeant Smit kwam bij een driftig vurende zware mitrailleur van de Jagers, die op de weg voor het postkantoor was opgesteld, en vloekte de bediening stijf. Hij nam de patroonband uit, trok het slot uit het wapen en wierp dat in een hoek. De Jagers beweerden op zojuist gelande parachutisten te schieten. Per fiets reed de sergeant vervolgens de Prins Hendrikstraat af richting Zekkenweg en kwam daar bij de CP van luitenant Dubbeld. Die vertelde dat zij vuurden op schutters in de 2e Scheepvaartstraat; waar de sergeant net vandaan kwam! Samen met de BC, die inmiddels ook ter plaatse was geraakt, en de luitenant die een lichte mitrailleur meenam, trokken de kaderleden naar die 2e Scheepvaartstraat. Daar gekomen bleek vuur uit het noordfront op de straat te liggen, als zondanig identificeerbaar aan de inslagen. Wild zwaaiend werden de schutters tot rust gemaand, waarna de majoor met de sergeant naar het noordfront toog en daar twee secties [van 15.ResGC] uit hun stellingen commandeerde, vermanend toesprak en voor exercitie liet aantreden. Enige tijd liet de BC strafexercitie uitvoeren om de rust terug te brengen. De verklaring, die dpl sergeant [P.M.G. Peeters] van de grenstroepen ter plaatse voor het wilde geschiet gaf, was dat men vanuit noordwestelijke richting door een boer beschoten was [102b]. Hoe men dan uiteindelijk erbij kwam om in zuidelijke richting te gaan vuren, zal wel altijd een raadsel blijven.

Majoor Witkamp was ziedend over de panische staat van de troepen en nam contact op met de PC. Hij drong deze op het hart een bevel te doen uitgaan aan alle troepen in de Positie om vuren binnen de positie te verbieden. Dat bevel werd inderdaad enige tijd later als een kantonnementsinstructie uitgevaardigd [102b]. Desondanks had de paniek van die middag een man het leven gekost. Dienstplicht korporaal J. van der Meule [1-II-RJ] was gedood door een schot in het hart [31, 222]. Bovendien leidde de paniek er niet toe dat de afstemming van troepen onderling binnen de Positie verbeterde. Zo bleven de Jagers volkomen ongewis van wat er die middag nu geschied was en wie de Positie was binnengedrongen. Dat men op eigen troepen had gevuurd bleef hen onbekend.

De geruchtenmachine

In het panische nest dat Hoek van Holland al meer dan een dag was, was men extra ontvankelijk voor de waan die middels de in dergelijke omstandigheden immer snel werkende malle molen werd overgebracht op de troepen. Talloze volkomen onware geruchten deden de ronde. Sommige kwamen via officiële kanalen in de Positie, anderen door pure achterklap aan de hand van onverklaarbare gebeurtenissen.

Gedurende de eerste oorlogsnacht waren dat de vele lichtkogels die de lucht alom versierden. ‘Bengaals vuur’, volgens sommige verslagen, waarbij volgens de schrijvers onderlinge signalen tussen subversieve elementen en Duitse troepen werden uitgewisseld. Als men de subversieve elementen wegdacht, dan was er wel enige kern van waarheid in die theorie. De nacht bracht de Duitse verbanden, versnipperd en verstrooid over de gehele zuidwestelijke sector van de Vesting Holland, de kans middels afgesproken lichtkogelsignalen grove positionering uit te wisselen. Want hoewel aan Nederlandse kant grote onzekerheid bestond omtrent doel, sterkte en locatie van de alom gewaande tegenstanders, was aan Duitse kant óók veel onzekerheid waar eigen troepen zaten. Veelal ontbrak het de onplanmatig gelande Duitse verbanden ook aan enig besef hoe de landingen verlopen waren, waar hun dichtstbijzijnde hoofdmacht zich bevond en soms zelfs waar men zelf nu eigenlijk was. Dat laatste aspect – waar men zelf nu eigenlijk was – moest zo spoedig mogelijk worden vastgesteld. Duitse verbanden die verkeerd waren afgezet, waren daarom regelmatig actief in het uitzenden van kleine patrouilles om gegevens te verzamelen. Die patrouilles waren meestal aanleiding om aan Nederlandse kant wederom nieuw gelande verbanden te signaleren, die op de grote berg meldingen terecht kwamen. Zodoende ontstond een beeld van alom aanwezige Duitse concentraties. Dat was op micro niveau in o.m. de Positie Hoek van Holland het geval en op macro niveau de reden waarom men op het AHK in Den Haag dacht te maken te hebben met een Duitse opzet om geheel Vesting-Holland middels parachutisten en luchtlandingstroepen in te nemen. Kortom, de verwarring en chaos die oorlog zo eigen is.

Met die alom gewaande tegenstander ontstond ook de receptieve sfeer in de Positie voor allerhande ongefundeerde verhalen. De Duitsers zouden de Waterweg komen afzakken, een verband van zo’n 1,000 Duitsers zou via Maassluis westwaarts trekken [een gerucht dat door Nederlandse verbanden in Maassluis werd gevoed door hun verzoek tot versterking vanuit de Positie], tussen ’s Gravenzande en Monster zou een sterke Duitse formatie zijn geland en Duitsers zouden zijn geland in boerenkleding en andere verkleedselen [door het AHK en de radio verspreid gerucht].

De sfeer was voldoende om tweemaal op 11 mei binnen de Positie grote paniek te veroorzaken. De eerste paniek, met een grote schietpartij en een dode tot gevolg, werd hiervoor al beschreven. De andere paniek was een alarm op het Fort waarbij de geweerploeg aan de noordzijde in de stelling werd gemaand omdat de vijand zou toeslaan, die in een sterkte van 300 man was geland. Hoewel deze paniek nauwelijks goed te duiden is, zal men mogelijk de verplaatsing van de Jagers hebben waargenomen. Gelukkig kon in het Fort de paniek wel snel worden gesust [91].

Een zwaarwegend goud transport

Als er een kwestie is die wat de meidagen geschiedenis betreft vrij brede bekendheid geniet, is het wel het transport van ‘het’ goud van de Nederlandse bank dat misliep. Uiteraard in die dagen reeds een verhaal dat leidde tot grote geestdrift, omdat kostbare goudstaven op de waterwegbodem terecht kwamen, wat spoedig na de capitulatie bekend werd. Het betrof een transport van goudstaven die van het Rotterdamse filiaal van de Nederlandse Bank afkomstig waren en waarvan het de bedoeling was geweest om met de RN destroyer HMS Black Swan naar Engeland te worden vervoerd.

Die evacuatie van Nederlands goud was één van de schaarse vooroorlogse afspraken tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk geweest. Een korte nadere beschouwing is wellicht gewenst, voordat het goudtransport wordt behandeld.

De Nederlandsche Bank [DNB] had in anticipatie op mogelijke oorlog en daaropvolgende bezetting, evacuatieplannen ontwikkeld voor haar goud. In die tijd hadden nationale banken nog grote hoeveelheden goud in voorraad als zekerheid voor hun banken. Zo ook DNB. DNB onderhield in de eerste maanden van 1940 contacten met de vice-admiraal J.Th. Furstner, chef Marinestaf. Deze heeft (kennelijk) de marine attaché in Londen, de LTZ1 de Booy, vooroorlogs opdracht gegeven de evacuatie van het Nederlandse goud met de Engelsen te regelen. En er waren twee zaken, die de Engelsen buitengewoon bezighielden ten aanzien van de door de Duitsers bedreigde gebieden, en dat waren het gele en het zwarte (olie) goud. Daarin wilde het Verenigd Koninkrijk met iedereen meedenken, zolang de zaken maar uit Duitse handen konden blijven. In tegenstelling tot de verzoeken voor (voorwaardelijke) militaire steun in geval van Duitse agressie, konden verzoeken tot assistentie bij het evacueren van het goud wel op positieve response vanuit Londen rekenen. Zo was de RN ook al op 20 maart 1940 behulpzaam geweest bij de evacuatie van het Noorse goud naar de VS. Zodoende was hierover vooroorlogs al een principe akkoord bereikt tussen de Marinestaf en de RN. Slechts één ander dossier deelde dit (positieve) lot, en dat was de evacuatie van de Koninklijke Familie. Overige zaken bleven onbespreekbaar of werden eenzijdig door de Britse legerleiding beslist (zoals de vernielingstaken door Britse sappeurs). Vóór en na de Duitse inval.

Nederland had op 10 mei 1940 een totaal van 555 ton goud met een toenmalige boekwaarde van fl. 1.115.500.000 – één miljard honderdvijftienmiljoen vijfhonderdduizend gulden – ofwel fl 2.009 per kilogram [1504]. Een formidabel bedrag als men nagaat dat dit bedrag toentertijd circa 20% van het Bruto Binnenlands Product van Nederland [peil 1938; 1939 en 1940 gaven een grote daling] was. Om een begrijpelijke verhouding aan te geven: die goudreserve zou vandaag de dag (in dezelfde verhouding tot het BBP 2008) een bedrag van circa 120 miljard euro vertegenwoordigen! Van die totale Nederlandse voorraad van 555 ton was reeds 363 ton in het buitenland ondergebracht tussen 1936 en 1939 en dus was er 192 ton [boekwaarde 386 miljoen gulden] op Nederlandse bodem overgebleven [1504]. Van die 192 ton lag er 70 ton in Amsterdam en 114 ton in de Bijbank aan de Boompjes te Rotterdam. Met het wegvoeren van die laatste 192 ton wilde men wachten, omdat men de neutraliteitspolitiek hand in hand vond gaan met het aanhouden van een significante voorraad bankgoud [15; dl. 3C, pg. 38/39].  

De in Amsterdam voor transport al gerede 70 ton goudvoorraad werd op 10 mei reeds naar de sluizen te IJmuiden gebracht, waar het aan boord van de twee stoomschepen (KNSM) SS Iris en SS Titus werd gebracht. Beide schepen namen niet alleen de Amsterdamse voorraad mee, maar eveneens aanzienlijke contingenten evacués. Ze arriveerden veilig in Britse havens op de 11e. (3)

(3) Hoe oorlog de ‘opportuniteit’ in mensen losmaakt mag blijken uit het feit dat de KNSM voor het goudvervoer met de SS Iris en SS Titus een bedrag vroeg van een half procent van de vervoerde waarde. De onderdirecteur van de bank (A.M. de Jong) onderhandelde over de prijs. Men kwam tenslotte uit op fl. 500,000 [15; dl. 3C, pg. 39/40]. Een ongekend vermogen in die tijd!

De voorraad in de Bijbank aan de Boompjes – een volkomen veilig geachte locatie aan de vooravond van de Duitse inval – was dus om 0500 uur op 10 mei opeens midden in het epicentrum van de Duitse luchtlanding in het hart van Rotterdam komen te liggen. Het Bijbank gebouw lag constant in de vuurzone en was dus niet geheel te legen. In tegendeel. Met buitengewoon veel pijn en moeite werd een gewicht van 11 ton goud [937 goudstaven van 12,5 kg] door enige mariniers, enkele soldaten van de 4e sectie van 2-DGT [2] alsmede manschappen van 2-IV-10.RI [156], veilig gesteld en buiten schootsveld van de Duitsers met behulp van vier vrachtwagens naar de kade tussen de Lek- en IJsselhaven gereden en op de gemilitariseerde loodsboot BV.19A gebracht [1504]. Het was slechts een fractie van de 114 ton goud in de Bijbank, maar desondanks een moedige operatie.

De BV.19A – een 574 BRT stoomloodsboot onder commando van LTZ2 (SD KMR) IJsbrand Smit – had op de heenreis van Hoek van Holland richting westen een delegatie Britse militairen meegenomen. Dat waren de 39-jarige Commander RN James A.C. Hill – commandant van de vernielingsploeg van 95 man – en twee van diens sappeurofficieren, Captain Tommy Goodwin – commandant van de vernielingsgroep voor de olie-installaties in Pernis – en 2nd Lieutenant Paul Baker [604], pelotonscommandant. Zij hadden een veertigtal manschappen van de vernielingsgroep voor Pernis bij zich. Enkele Britse matrozen voeren ook mee. In Hoek van Holland hadden zij een telegram uit Londen ontvangen dat de goudvoorraad redden voorrang kreeg boven de vernielingen in Pernis [604]. BV.19A legde aan in de IJsselhaven [de Britse verslagen spreken van de naastgelegen Lekhaven], recht tegenover de Waalhaven. Daar gingen de Britse officieren rond 2200 uur [10 mei] aan wal om contact te maken met Nederlandse officieren om het transport verder te begeleiden.

[604] Een en ander liep enigszins anders dan verwacht, althans zo vertelt het verslag van de Britse zijde. Captain Goodwin en Lieutenant Baker werden prompt op vrij ruwe wijze door Nederlandse militairen gevangen genomen. Die Nederlanders, vrijwilligers van de VSLK Lad, dachten met verkleedde Duitsers van doen te hebben. Ze werden vervolgens in een kamer gezet waar na enige tijd een reserve kapitein verscheen. Dat was reserve kapitein M.F. Hoyer, commandant van de VLSK Lad.Afd Rotterdam [255]. Zij moesten – ondanks de aanwezigheid van LTZ2 Smit – de Nederlandse kapitein overtuigen van hun oprechtheid, maar Captain Goodwin – een Zuid-Afrikaan – maakte de fout in Zuidafrikaans (een op Nederlands gelijkende taal) tegen de kapitein te gaan praten om de zaak op te lossen. Hij klonk echter in het gebroken Nederlands, want zo kwam het over, slechts nóg verdachter. Terwijl de Nederlanders toen de beide Britse officieren sommeerden hun wapens af te geven, kwam Commander Hill ook binnen, eveneens onder bewaking. Gezamenlijk lukte het de Britten tenslotte de Nederlanders van hun rechtmatige bedoelingen te overtuigen, wat resulteerde in excuses en een borrel [604]. De Nederlandse verslagen over het gebeuren – kort en bondig – melden niets van verdenking en ondervraging van de Britse bezoekers. Wellicht begrijpelijk, want erg chique was de Nederlandse ontvangst dan ook niet geweest, als de Engelse verslaggever moet worden gevolgd. Anderzijds, Engelandvaarders zouden spoedig op gelijke wijze in het Verenigd Koninkrijk worden ontvangen en ervaren dat achterdocht past bij oorlogsvoering.

De Captain en zijn Lieutenant hielden zich na het oplossen van de identiteitskwestie bezig met de taken die tot de vernieling van de olie-installaties in Pernis moesten leiden en zouden zelfs die nacht met een pont oversteken om de installaties te inspecteren. Kapitein Hoyer vernam van de Britse opdracht tot vernieling van olie-installaties en legde daarom contact met het AHK in Den Haag [255]. Na tussenkomst van enige stafofficieren kreeg hij rechtstreeks contact met de OLZ. Deze stemde toe in een persoonlijk telefoongesprek met Captain Goodwin, maar gaf de kapitein Hoyer mee dat er van vernieling nog geen sprake kon zijn en dat de Engelsen begeleid weer terug naar Hoek van Holland moesten worden gebracht [255]. Captain Goodwin kreeg dit vermoedelijk zelf ook te horen van de generaal [604]. Over land mocht de Britse demo-party wel naar de BPM installatie in Vlaardingen om de aard van die installatie te inspecteren. Daar waren echter geen minerale oliën voorhanden, zodat de installatie niet vernield zou worden [2]. Zij zouden nadien per trein naar Hoek van Holland terugkeren.

Commander Hill en enige Britse marinemensen zagen pas tegen 0300 uur – het was dus intussen 11 mei geworden – de Nederlandse mariniersdelegatie verschijnen met vier vrachtwagens waarop de kisten goud lagen. Na twee uur was het beladen afgerond en werd direct stoom gemaakt richting Hoek van Holland, waar de kapiteins van de twee Britse destroyers reeds vol ongeduld op de loodsboot lagen te wachten.

Aan boord van het schip waren naast commandant LTZ2 Smit en Commander Hill, nog 20 opvarenden, waaronder twee Britse matrozen [Ordinary Seamen Thomas Goshawk en Frank G. Higgs]. Net voorbij de Vondelingenplaat, op het punt waar de Oude Maas in de Nieuwe Maas stroomde, sloeg het onheil toe. Een Duitse magnetische mijn maakte contact met de BV.19A. De mijn detoneerde zodanig krachtig dat de loodsboot uit het water werd opgetild, waarna ze vervolgens in tweeën brak. Van de 22 opvarenden, kwamen er 16 om het leven, waaronder alle drie de Britten (4)

(4) De zestien slachtoffers waren: Mach. D. de Boer, St.1 [VMR] J. van Dok, hlpzlds [VMR] J. Drijver, Mach [VMR] J.J.J. de Glopper, Ldskw.2 [VMR] J. Harinck, hlpzlds C. van der Horst, Ldsbtsch. [VMR] J. Koree, Ldskw.2 K. van der Meer, St.1 [VMR] J.W. Pols, Machdr. [VMR] S.A.F. Rolsma, LTZ2 [KMR] IJ. Smit, St.1 [VMR] P. van der Struis, St.1 [VMR] M. de Voogd, alsmede Commander J.A.C. Hill [RN], ordinary seaman T. Goshawk [RN] en ordinary seaman F.G. Higgs [RN] [31, 604]. Overlevenden waren W. Goos (zwaar gewond), R. Koudenburg (gewond), W. Pottinga (zwaar gewond), B. Spuij, C. Sparling en C. Swart.

De dramatische afloop betekende tevens dat het verkeer op de Waterweg nog meer werd beperkt tot de absolute noodzaak. De gevaren van de door de Duitsers op 10 mei gedrpte magnetische mijnen waren een ieder inmiddels glashelder. Maar het betekende vooral dat er een vermogen aan goud naar de bodem was verdwenen. En dat geheim bleef niet lang bewaard.

In juni 1940 was het de Duitsers inmiddels ter oren gekomen dat er zich een goudschat op de bodem van de Waterweg bevond. Bergers (van de fa W.A. van der Tak, voorloper van het bekende Smit-Tak) en duikers werden ingezet om de schat – voor het Duitse Rijk van grote waarde – naar boven te halen. Van de 937 gezonken staven wisten zij er 816 naar boven te halen, wat goed was voor 9,75 van de 11 ton gezonken goud [1504]. Hoewel men zou denken dat de Duitsers dit goud direct zouden verbeuren als oorlogsbuit, werd het eerst in de oude Bijbank en later in het nieuwe bankkantoor aan de Coolsingel opgeslagen. Pas nadat het in Hamburg ten bate van oorlogsbuit opgerichte Prijshof [opgericht in het kader van naleving van de bedingen van het landoorlogsrecht] in juli 1941 de goudbuit tot legitieme Duitse oorlogsbuit had verklaard, werd deze ook werkelijk verbeurd. In april 1941 was de goudschat echter al naar Duitsland getransporteerd, overigens later gevolgd door de gehele Rotterdamse reserve [1504]. Opmerkelijk genoeg verklaarde men de buit pas een werkelijke ‘prijs’ (met terugwerkende kracht) vanaf 1 maart 1941 [1504]. Dat was niet toevalligerwijs de oprichtingsdatum van het Hof. Die Duitsers en hun formaliteiten …

Wat er verder met de goudstaven gebeurde, die voor de Duitsers vermist bleven, is ook duidelijk [91]. Nog eens 115 staven werden in de jaren 1946 en 1947 geborgen door een baggerzuiger (de Sliedrecht 9). In elk geval twee, mogelijk vier werden er later teruggevonden bij baggeraars, die deze achterover hadden gedrukt. Ze werden gepakt en bestraft. Zes staven werden niet teruggevonden. Mogelijk verdwenen ze doordat al voor de Duitse bergingsacties staven geborgen werden. Amateurduikers hebben in elk geval nooit (bekend) succes gehad. DNB heeft de gehele omgeving van het wrak (en het sleepspoor dat tijdens de berging ontstond) laten onderzoeken. Niets werd meer gevonden. De kans dat de staven echter nog op de bodem liggen is echter klein [91].

Opmerkelijk is dat uit de 'minutes' van een Britse kabinetsvergadering [vergadering no. 119A, het is toeval uiteraard dat dit getal zo verrassend veel op de loodsboot haar registratienummer lijkt], gehouden bij de admiraliteit in Londen op 11 mei om 1230 uur Britse tijd, blijkt dat men op dat tijdstip in Londen reeds volledig (!) op de hoogte was van het lot van loodsboot 19A en zijn kostbare lading. Een citaat van de vergadering over het goud is hieronder ter illustratie weergegeven:

» The First Sea Lord said that two of the three ships sent to Holland to load gold from Amsterdam had sailed and should reach this country that evening. The third ship was now being loaded. The position in regard to the gold at Rotterdam was uncertain. It was feared that a pilot steamer, on which it had been attempted to send gold down the river from Rotterdam to the Black Swan, had been sunk by a magnetic mine.

Attempts were being made by our Naval Attaché to get shipping away from Rotterdam «

Bijzonder is dat in de nacht van 11 op 12 mei een ander schip in hetzelfde mijnenveld op een magnetische mijn stootte (5). Het was het Britse stoomschip SS Roek [1,041 BRT] van de (nog steeds bestaande) General Steam Navigation Company. Het had 20 bemanningsleden en 31 evacuees aan boord, alsmede een bescheiden civiele lading. Het schip had in de Merwedehaven gelegen, en was tijdens het nachtelijk donker de Waterweg afgezakt om vervolgens bij Vlaardingen op een mijncontact te stuiten. Het schip raakte aan de achterzijde beschadigd, waarbij haar schroefas was gebroken en een grote scheur in haar romp was ontstaan. Het schip dreef daarna af richting zuidwesten en kwam bij Rozenburg aan wal waarbij uitgeworpen ankers voorkwamen dat zij verder afdreef. Een motorboot sleept het Britse schip vervolgens naar de Vlaardingse kade, terwijl de passagiers aan Rozenburgse zijde waren afgezet. Zowel bemanning als passagiers kwamen via omwegen in Hoek van Holland terecht, waar zij met HMS Mohawk op 14 mei naar het VK ontkwamen.

(5) Over de exacte datum wordt in de literatuur nogal uiteenlopend gerapporteerd. Bezemer [15] meldde weliswaar dat de SS Roek op 12 mei op een mijn liep maar koppelt dat aan de BV.19A die volgens hem ook pas op de 12e aldaar strandde, hetgeen onjuist is. Bosscher [10] dateert de ondergang van de SS Roek zelfs op de 10e. Bovendien merkt Bosscher op dat het schip SS Rook heette, hetgeen onjuist is. Hij meldt echter de onfortuinlijke stranding van de BV.19A wel accuraat op 11 mei. Hoewel er geen 100% zekerheid is over de exacte datum van het stranden van de SS Roek, is het vrijwel zeker in de zeer vroege ochtend van 12 mei geweest.

Overige gebeurtenissen

Er gebeurde (behalve het reeds beschrevene) op de 11e mei nauwelijks iets in de Hoek dat nadere bespreking vraagt. Naast een kleine heropleving van paniek in de stelling (in het Fort en wederom rond de manschappen van 15ResGC als gevolg van waargenomen parachute bevoorrading in de richting van Delft), die spoedig onder controle werd gebracht, werden er slechts enkele korte beschietingen verricht van vermoede Duitse posities in het Bos en langs de spoorlijn.

Er werden wel talloze patrouilles gelopen, ook in het voorterrein. In het dorp zelf werd de achterdocht zo groot dat zelfs lantaarns aan gebouwen werden verwijderd en meegenomen door de militairen [102b]. Iedere lichtbron werd verdacht als een mogelijke seinlamp. Er mochten geen personen de Positie in gedurende de uren dat de zon onder was.

Over de Britse vernielingsploeg is nog wel e.e.a. te melden. Na vertrek van Commander Hill, was het commando overgegaan op Lieutenant-Commander [gelijk LTZ2] J.W. Whittle (RNVR). Deze bleef achter in Hoek van Holland en coordineerde met de PC de plannen voor vernieling. Hij kreeg alle vrijheid de batterijcommandanten van de kustartillerie uitleg te geven over de juiste vernieling van de stukken in geval van een bevel daartoe. Bovendien mochten de voorbereiding worden getroffen de kade installaties te vernielen en werden te Fort Maasmond voorbereidingen voor vernieling getroffen [223]. Na de vermissing van Commander Hill (zijn dood werd de Britten pas naoorlogs bevestigd), nam Whittle het commando formeel over van de vernielingsgroep.

Rozenburg

Op Rozenburg gebeurde er weinig die dag. Men liep en reed patrouilles langs de Waterweg, de kust en in het achterland. Diverse posten werden middels telefoonlijnen verbonden met elkaar [102b].

Rond 1800 uur ontving kapitein Smeele de versterking van de Jager compagnie 3-II-RJ, onder reserve kapitein Barends] met zijn aangesloten MC sectie. Het geheel kwam onder zijn bevel [102b, 222].

De Jagers werden verdeeld over de gehele verdedigingssector, die inmiddels uitgebreid was tot en met het dorp Rozenburg. Aldaar kwam de meest oostelijke afvaardiging – een sectie infanterie met een stuk Schwarzlose – ook te liggen.

[De bronnen vindt u hier]