Peel-Raamstelling - afstemming

Inleiding

De Peel-Raamstelling was op 10 mei rond 1930 uur beslissend door de Duitsers doorbroken bij Mill. Slechts een uur later werden de evacuatie orders gegeven voor het noordelijke en centrale deel van de Peel-Raamstelling door kolonel Schmidt, de Territoriaal Bevelhebber Noord-Brabant [TBB]. Slechts de sector Weert – nog ongeschonden en al achter de Zuid-Willemsvaart gelegen – kon in de stelling blijven. Evacuatietijd zou middernacht worden.

De vroeg in de ochtend van de eerste oorlogsdag al in de linie bij Mill gepenetreerde Duitsers had men de gehele dag kunnen beteugelen, maar de grote Duitse avondaanval, met twee regimenten infanterie van 256.ID, die direct volgde op een zwaar luchtbombardement tussen Mill en Bruggen, was teveel voor de paar bataljons, die de inmiddels zwaar gehavende verdediging langs het defensiekanaal de gehele dag hadden volgehouden.

Peel-Raamstelling noord

Peel-Raamstelling Zuid

 

 

 

 

 

 

 

Kolonel Schmidt had zijn plannen slecht doordacht. Hij wilde achter de Zuid-Willemsvaart, die vanuit het noorden (Den Bosch) diagonaal in zuid-zuidoostelijke richting liep tot aan Weert en daar met een haakse bocht weer in zuidwestelijke richting tot aan het (Belgische) Schelde-Maaskanaal (en middels een verbindingskanaal Briegden-Neerhaven verbonden aan het Albertkanaal in België) doorliep, een nieuwe provisorische stelling betrekken. Dat was vooroorlogs ook al bedacht als alternatieve verdediging, maar enige vorm van voorbereiding was er niet geweest. Ook niet op de staf TBB, zo zal in de hoofdstuk worden betoogd. Dat bleek duidelijk toen de TBB heel onverstandig de bezetting van de Peel-Raamstelling één-op-één projecteerde op een dispositief achter de Zuid-Willemsvaart, zonder dat een veiligheidsbezetting werd geregeld voor de sector die door de troepen uit de Mill regio zou moeten worden bezet. Terwijl een weldenkend staf toch alle reden mocht hebben te overwegen dat die troepen zich  niet los zouden kunnen maken van de tegenstander of dat die tegenstander ‘ongezond’ zou nadringen.

Gedurende de nacht van 10 op 11 mei was er dus een grote exodus gaande van Nederlandse troepen die uit de Peel-Raamstelling ten noorden van Weert richting hun nieuwe provisorische defensie achter de Vaart trokken. Dat gold niet voor de troepen uit de sector Mill en Bruggen. Daar waar troepen zich succesvol konden losmaken van de Duitsers – die niet nadrongen – trokken zij in hoofdzaak terug op Den Bosch. Zoals bij de beschrijving op 10 mei reeds gesteld, hadden de ordonnansen met de terugtochtbevelen hen immers niet bereikt. Ze wisten dus van niets en trokken op de bonne fooi terug.

Franse voorhoedes arriveren

[5, 52] Nadat de ordonnansen in de nog vrij vroege avond de ‘deur’ uit waren richting Peel-Raamstelling, werden de spullen op het stafkwartier van de Peeldivisie alweer gepakt. Het leek wel een reizend circus.

Ondanks het feit dat kolonel L.J. Schmidt (met zijn eveneens ingelichte chef-staf, kapitein der GS B.M.P. van Griethuyzen) zich toch enigszins had kunnen voorbereiden op zijn zware taak, in de wetenschap er gedurende de tweede oorlogsdag [conform vooroorlogs tijdschema] alleen voor te komen staan, bleek niets van enige voorbereiding ten aanzien van verstandig gekozen stafkwartieren. Zijn staf was de gehele eerste oorlogsdag aan het heen en weer reizen tussen nieuwe locaties, zodat van enige leiding aan de strijd geen sprake kon zijn. Ook met enige tijd en toewijding de talloze gebeurtenissen beschouwen en overdenken was daardoor niet aan de orde. Het is zomaar een denkbare aanleiding voor de blunders die werden gemaakt bij het ontwerpen van het herziene verdedigingsplan, dat de Zuid-Willemsvaart als volgende bolwerk kende.

Het stafkwartier van de TBB bewoog zich in de avond richting Tilburg. Zo ook kolonel Schmidt. Deze had echter spoedig contact met de eerste Franse officieren die op Nederlandse bodem verschenen waren.

[601] De Belgische 1e luitenant Hautecler was commandant van een grensdetachement [van het 33e Linieregiment] aan de weg Antwerpen-Breda. In de middag werd de luitenant afgelost om elders als verbindingsofficier op te treden. Toen hij zich aan het begin van de avond – het was 10 mei – richting zijn divisiecommandant begaf, ontmoette hij een Franse verkenningseenheid. Kort erop meldde zich een Franse militaire personenauto met officieren bij hem om hem de weg te vragen. De luitenant ging met de Fransen mee en wees hen de weg. Hierop vroegen de Fransen hem als tolk voor hen op te treden, want men moest zo spoedig mogelijk naar Nederland. Het bleek dat luitenant Hautecler bij Lieutenant-Colonel Lestoquoi in de auto was gesprongen! De Franse overste was de commandant van de samengestelde verkenningseenheid van 2.GRCA [van 1.CA] en 5.GRDI [van 25.DIM]. (1)

(1) GRCA staat voor Groupe de Reconnaissance de Corps d’Armee , CA (m) voor Corps d’Armee (motorisé), GRDI voor Groupe de Reconnaissance de Division d’Infanterie (motorisé) en DIM voor Division d’Infanterie Motorisé.

5.GRDI (m) (Lieutenant-Colonel d’Arodes) was een gemotoriseerde verkenningseenheid met een sterkte van ca 1,000 man. Het had de beschikking over 16 AMD Panhard 178 pantserwagens en 13 Hotchkiss H-35 lichte tanks. Het was een volledig gemotoriseerd onderdeel met vijf eskadrons, bestaande uit een eskadron pantserwagens, twee eskadrons gemotoriseerde infanterie, een eskadron verkenningstanks en een ondersteunend eskadron met antitank geschut en zware mitrailleurs. Het gros van de infanterie was uitgerust met motoren, al dan niet met zijspan. Overigens was 5.GRDI de enige GRDI met (13) Hotchkiss H-35 tanks. 2.GRDI had H-39 tanks en de overige GRDI’s AMR-ZT lichte tanks, slechts met mitrailleur bewapend.

2.GRCA (m) (Lieutenant-Colonel Lestoqoui) was een gemotoriseerde verkenningseenheid met een sterkte van ca. 825 man. Het had geen pantserwagens of tanks, maar bestond uit gemotoriseerde infanterie (drie eskadrons) en een ondersteunend eskadron (antitank geschut en zware mitrailleurs). Het gros van de infanterie was uitgerust met motoren, al dan niet met zijspan.

[601] De Franse voorhoede bereikte met zeer veel problemen tegen middernacht [10 op 11 mei] Breda, na op de talloze obstakels te zijn gestuit die op 10 mei door 6.GB – na specifieke opdracht van de staf 3.LK – waren gesteld. Daar kwam men middels een geacquireerde Nederlandse burgergids eerst bij het kwartier van de KMAR in Breda [Dr. Batenburglaan, zuidzijde Princenhage], waar de kapitein der KMAR F.J.J.F.M. van der Kroon de delegatie ontving. Deze wist echter niet waar hij de Fransen naar kon verwijzen, daar hij geen informatie had over de posities van Nederlandse legeronderdelen, laat staan staven. Informatie omtrent hoe te handelen in geval van contacten met het Franse of Belgische leger had de kapitein ook nooit ontvangen (2). Bovendien sprak hij geen Frans, waardoor luitenant Hautecler telkens moest vertalen. Wel kon de kapitein de bezoekers informatie verschaffen over de door parachutisten ingenomen Moerdijkbruggen en – het onjuiste – verhaal vertellen dat het hulpvliegveld Woensdrecht door drie vliegtuigladingen troepen in bezit was genomen. De informatie ontstemde de Fransen in hoge mate. Te meer daar de Nederlandse kapitein niet bleek te weten – althans volgens de Belgische luitenant – dat de versperringen aan de grens allen gesteld waren. Nadien werd met twee personenauto’s via binnenwegen (en de nodige moeilijkheden met versperringen en wachtposten) het stadhuis in Breda bereikt, waarbij een Nederlandse KMAR als gids fungeerde. Aldaar aangekomen trof men het gemeentebestuur net in vergadering. Zij wisten niets van Nederlandse militairen in Breda, maar namen contact op met Tilburg waar na enig omhaal de staf van de Peeldivisie werd bereikt.

(2) Het stafwerk [5: blz 268] meldt een afwijkende procedure. Het stelt dat de kapitein Van der Kroon instructie had gekregen om als liaison op te treden tussen de Fransen en de kolonel. Die verklaring staat haaks op de ervaringen die de Belgische en Franse officieren hadden, toen zij met kapitein Van der Kroon in aanraking kwamen [601]. Ook de onbekendheid van de overige KMAR leden met zowel versperringen als de locatie van de Nederlandse staven doen vermoeden dat het stafwerk een onbetrouwbare bron (vermoedelijk het persoonlijk verslag van kolonel Schmidt) voor zijn conclusie gebruikte. Zeker is dit echter niet. Opmerkelijk is in elk geval dat de broer van kapitein Van der Kroon, de toenmalige chef-staf van III.LK, majoor A.G.J.F.M. van der Kroon, voor de Enquête Commissie niets van dit alles meldde [7: blz 214-217]. Ook E.H. Brongers verwijst, vermoedelijk analoog aan het stafwerk, naar de instructies die Kroon zou hebben gekregen [30: dl.2, blz. 243].  

Rond 0300 uur verscheen dan eindelijk kolonel Schmidt ten tonele. Vergezeld van – vermoedelijk – 1e luitenant KNIL H.E.C. van Ameyden van Duin. Althans, zijn ‘adjudant’ werd door de Belgische luitenant Hautecler als een getinte man met Aziatische trekken geduid [601].

Twee Frans-Nederlandse ontmoetingen

De kolonel Schmidt is driemaal door de Enquête Commissie gehoord, waarvan tweemaal specifiek over de oorlogsdagen en eenmaal over de strategie aangaande de verdediging van Noord-Brabant. Zijn verslag over de oorlogsdagen is buitengewoon emotioneel en op talloze aspecten onzuiver en onjuist. Zo nu en dan zelfs met enige branie. Het bleek dat de kolonel zelfs acht jaar na de oorlog een slecht beeld had van de gebeurtenissen en deze niet erg zuiver had opgeslagen. Zo gaf de kolonel over de ontmoetingen met Franse officieren gedurende de nacht van 10 op 11 mei het volgende letterlijke verslag [7: vraag 16370]:

» De Franse kapitein die bij mij kwam, deelde mij mede, dat hij behoorde tot een division de couverture. Het was een divisie, die vooruit was gestuurd, omdat een heel Frans leger Brabant zou binnentrekken om de Hollanders te helpen. De kapitein behoorde tot een afdeling lichte pantserwagens en vroeg mij of ik orders voor hem had. Ik zeide: ‘orders genoeg, kom maar hier. Weet u wat? Ga met uw pantserafdeling naar de weg van Dorplein [auteur: gehucht onder Weert waar de Peel-Raamstelling eindigde] naar Eindhoven. Ik zal u een paar officieren meegeven. Stel u daar verdekt op. De moffen, die weten, dat wij geen pantserwagens hebben, rijden door, u valt hen aan, overrompelt hen en vernietigd hen totaal.’ Die kapitein keek mij aan. Hij vond het een prachtig plan, maar zei: ’Dat kan niet’. Ik vroeg waarom niet? Hij antwoordde: ‘wij hebben de opdracht, dat wij niet verder mogen gaan dan de lijn’ – en nu komt iets bijzonders – ‘Tilburg noord-zuid’. Waarom niet? Dat is mij nu nog niet duidelijk. Hoe kwam hij aan die lijn? Ik zei toen tot die kapitein: ‘Dan is er nog een tweede mogelijkheid. Uw divisie kan van uit het zuiden omzwaaien naar het oosten. Uw noordvleugel is volkomen onbeveiligd. Ik kan die niet beveiligen. Beveilig met uw pantserwagenafdelingen de overgangen over het Wilhelminakanaal’ – daarvoor was hij wel te vinden – ‘en stoot door naar Moerdijk en help de lui daar om de moffen die er zitten, eruit te gooien’. Hij verklaarde zich ermee akkoord. Ik veronderstelde dus, dat de Fransen met hun pantserwagens aan het Wilhelminakanaal zaten.

De volgende morgen kwam een Franse kolonel bij mij, die mij mededeelde, dat hij commandant was van een gemengd regiment. Ook hij vroeg om opdrachten. Ik smeekte hem als het ware om door te stoten naar Den Bosch. Op dat ogenblik waren de moffen in Den Bosch. Hij wilde wel even gaan om daar enige lucht te brengen, maar hij zei ook, dat hij moest blijven in de lijn Tilburg-noord-zuid. Ik vroeg hem of hij die lijn al verkend had en wist, hoe hij in die lijn moest komen. Het antwoord luidde ontkennend. « 

Dit verslag is niet erg accuraat. Het is zelfs een beetje gênant hoe Schmidt Franse instructies (die hij vanuit het gesprek met Lestoquoi opmaakte) adopteerde als ware hij de instigator van die plannen. Gênant, omdat de kolonel de Commissie (kennelijk) de indruk probeerde te geven dat hij degene was die de directieven gaf. Het tegendeel was waar. Bovendien bleek na onderzoek [voor de samenstelling van het stafwerk over Noord-Brabant en Noord-Limburg] [5], dat kolonel Schmidt met ‘de kolonel’ verwees naar een ontmoeting met Colonel Dario, die inderdaad naar zijn CP toekwam. Echter vond dat bezoek plaats nadat Schmidt eerst een ontmoeting in Breda had gehad met overste Lestoquoi. Die ontmoeting met Lestoquoi wist kolonel Schmidt echter niet te reproduceren! Hij verklaarde tegenover de defensie onderzoekscommissie die te zijn vergeten [5: blz 269].

[601] De kolonel gaf in werkelijkheid tijdens het gesprek met de Franse overste een beeld van zijn eenheden en de gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden. Hij vond tegenover zich een hoffelijk edoch standvastige Franse overste, die hem duidelijk maakte dat er van vooruitgeschoven Frans handelen geen sprake kon zijn. Het was niet Schmidt die aanwijzingen gaf, maar de Franse overste.   

[601] Luitenant Hautecler gaf in een persoonlijk verslag een vrij duidelijk beeld van de besprekingen die volgden. Zijn verslag werd door de adjudant van overste Lestoquoi [Captaine P. Paillart] ondersteund [hoewel zijn verslag door Lestoquoi is gedicteerd], en daarom lijkt Hautecler zijn weergave op hoofdlijnen betrouwbaar [5]. Daaruit blijkt dat kolonel Schmidt enig Frans sprak en daarom slechts zijdelings bijstand van de Belgische luitenant nodig had. Op een door de Fransen meegebrachte Michelin kaart werd door Schmidt het Nederlandse dispositief geduid, waarbij hij meldde dat men langs de Zuid-Willemsvaart tussen Den Bosch en Weert een nieuwe provisorische weerstand opbouwde. Hij meldde voorts dat er geen artillerie en geen luchtafweer voorhanden was, en dat ook geen reserves ter beschikking waren. Van de 23 bataljons onder zijn bevel had hij er nog zestien waarmee contact bestond, aldus luitenant Hautecler. Die zestien bataljons verwezen naar de vijftien stuks in de Peel-Raamstelling en GBJ dat achter Weert de grens dekte tot aan het vak van 6.GB. Dat een bestaand contact met zestien bataljons [in de vroege ochtend van 11 mei] al een overdreven optimistische voorstelling van zaken was van de kolonel, zij duidelijk. Want met zeker vier bataljons (met uitzondering van II-29.RI), die in het noordelijke deel van de Peel-Raamstelling, was in feite sinds de vroege avond van 10 mei geen contact meer geweest.

De rapportage van de kolonel maakte Lestoquoi niet vrolijk. Buitengewoon storend voor de Nederlanders was dat général Gamelin – de Franse opperbevelhebber – zijn ondergeschikten niet op de hoogte had gesteld van de finesses van de Nederlandse defensie onder Winkelman [1503: blz 164]. Général Giraud wist weliswaar dat Nederland geen omvangrijke legermacht meer achter de Peel-Raamstelling had gehandhaafd, maar hij was er niet van de op de hoogte dat alle reserves uit Noord-Brabant waren vertrokken, dat het leger in die provincie geen enkele artilleristische ondersteuning had en vooral niet dat de verdedigingslinie Tilburg – Turnhout op Nederlands grondgebied in het geheel niet bestond. Gamelin had heel nadrukkelijk aan zijn generaals gemeld dat Nederland die geïmproviseerde linie zou adopteren als een terugval scenario. De gebrekkige informatie die de Franse veldofficieren dus bij zich droegen gecombineerd met de Duitse progressie, maakte dat de mededelingen van kolonel Schmidt de Franse overste behoorlijk rauw op het dak vielen.  

[5, 52, 601] De Franse overste meldde Schmidt op diens vraag of de Fransen kwamen aanvallen of verdedigen, dat verdedigen het devies was. Bovendien vervolgde de Fransman dat zijn troepen een voorverdediging zouden vormen voor de Franse hoofdmacht, waarbij hij zijn regiment over twee sectoren zou verdelen over een denkbeeldige lijn (ten oosten) van Moerdijk tot aan Goirle, waarbij hij het Wilhelminakanaal – tussen Geertruidenberg en Tilburg – als natuurlijke barrière wilde gebruiken. Dat betekende echter dat de Nederlandse verdediging achter het noordelijke deel van de Zuid-Willemsvaart ver voor de Franse defensielijn zou komen te liggen. Want juist op het punt waar Wilhelminakanaal en Zuid-Willemsvaart elkaar naderden – ten oosten van Tilburg – volgde de Zuid-Willemsvaart een vrijwel noordelijke loop tot aan Den Bosch. De driehoek Den Bosch – Geertruidenberg – Tilburg was een aanzienlijk gebied dat dus door Franse troepen niet zou worden bezet. Dat was een geheel ander plan dus dan de Nederlandse kolonel in het hoofd had en … al had doen uitvoeren. Lestoquoi verzocht de kolonel echter zijn formaties te concentreren om het zuidelijke deel – onder Tilburg – met zijn troepen te bezetten. Kolonel Schmidt zou zich daarvoor inspannen, gaf hij aan. Hij gaf ook mee dat hij zijn commandopost in het Tilburgse postkantoor zou inrichten (waar telefoonverbindingen waren). Lestoquoi kon hem nog niet antwoorden met informatie waar hijzelf zijn CP zou inrichten. Zo gingen de heren officieren weer uit elkaar. Vermoedelijk ieder van hen met een bezwaard gemoed omtrent de toestand.

Interessant is te zien dat kolonel Schmidt – volgens zijn verslag op 1 juli 1948 voor de Enquête Commissie gegeven [7: blz 520-522] – voor de ontmoeting met de Franse overste een Franse kapitein op zijn commandopost ontwaarde. Wie is dat geweest?

Dat raadsel laat zich lastig oplossen, te meer daar Schmidt allerlei gebeurtenissen onsamenhangend samenvatte in zijn verslag (zie citaat hierboven). Zo lijkt zijn verslag van de ontmoeting met ‘de kapitein’ juist (inhoudelijk) veel op de ontmoeting met overste Lestoquoi, zoals dit door luitenant Hautecler werd omschreven. Ook zijn persoonlijke verslag van de gebeurtenissen (10-12 mei) laat de ontmoeting met overste Lestoquoi geheel onbesproken. Niet vreemd dus dat het stafwerk [5: blz 269] concludeert dat de kolonel het geheel schijnt te zijn vergeten. Het lijkt echter niet vast te stellen wie de Franse kapitein was die kolonel Schmidt moet hebben ontmoet voordat hij rond 0300 uur (11 mei) een gesprek had met overste Lestoquoi in Breda. Waarschijnlijk is het echter dat het een Franse officier is geweest van 6.RC (Regiment Currassier), onderdeel van 1.DLM, de gemechaniseerde divisie die tussen Turnhout en Tilburg haar doelgebied had en waarvan 6.RC onder colonel Dario (3) de vooruitgeschoven eenheid was. Het kan ook een officier van de staf van 1.DLM zelf zijn geweest. Te meer omdat Schmidt in zijn verslag spreekt van een ‘division de decouvert’. De kapitein was vermoedelijk vooruit gestuurd om de CP van een Nederlandse bevelhebber in Tilburg te localiseren. Auteur E.H. Brongers noemt in zijn verslag van het gebeuren [30: dl. 2, blz 243] de Franse lieutenant (de) Saint-Hubert als de officier in kwestie. Dat is onjuist, want deze luitenant behoorde in elk geval niet tot de kaderlijst van 6.RC of 4.DRP [de beide voorste eenheden van 1.DLM], maar was in feite een Belgische liaisonofficier [619]. Het krijgsverslag van de C-GBJ meldt deze Franse luitenant eveneens als de officier die uiteindelijk contact met kolonel Schmidt maakte [127]. Mogelijk was dat ook de bron die Brongers gebruikte, mogelijk was dat het stafwerk [5: blz 198]. Opvallend is dat echter de verslagen GBJ en het stafwerk (wellicht op basis van deze bron) de lieutenant St. Hubert echter naar Vucht doen laten gaan en niet Tilburg. Het is echter best mogelijk dat de Belg nadien alsnog naar Tilburg toog of dat er gewoon sprake is van twee gebeurtenissen die inmiddels vervlochten zijn geraakt in de annalen (4). Uiteindelijk verscheen in elk geval de Franse colonel zelf rond 0600 uur op de CP van Schmidt in Tilburg.

(3) Onduidelijk is welke rol colonel Dario precies had. Hij lijkt twee commando’s tegelijk c.q. gecombineerd te hebben gevoerd. Hij was sowieso commandant van 6.RC, wat blijkt uit het gevechtsverslag van die eenheid [613], maar was mogelijk ook waarnemend commandant van 2.BLM [Brigade Légere Mechanique, licht gemechaniseerde brigade]. Die werd organiek geleid door colonel de Beauchesne, maar deze was aangesteld om de brigade te leiden die uit drie verkenningsgroepen was samengesteld en elders in Nederland onder de naam Groupe de Beauchesne opereerde. Desalniettemin lijkt het onwerkelijk dat Dario een gecombineerde functie had. Men mag er dus vanuit gaan dat hij slechts 6.RC leidde.

(4) Een Franse luitenant, genaamd Montalembert, bereikte reeds rond 2000 uur de grens bij Tilburg en is vergezeld van een officier van GBJ naar Vught gegaan waar deze een ontmoeting met kolonel Schmidt lijkt te hebben gehad. Deze ontmoeting is mogelijk de ontmoeting dus die kolonel Schmidt zelf als die met een Franse kapitein omschrijft. Mogelijk geeft dit ook een aanwijzing van een verwarring met de Belgische liaison Lieutenant Saint-Hubert, welke dan vermoedelijk ook niet naar Vught is gegaan. Het is voor auteur dezes met alle bronnen voorhanden slechts mogelijk vast te stellen dat de bronnen elkaar tegenspreken. De weergave van Brongers [30, dl.2 blz. 243] is mogelijk dus een onjuiste, kennelijk ook ontstaan vanuit de contradictoire bronnen. Over het verslag van 4.DRP [619] - dat de Belgische luitenant St-Hubert bespreekt - beschikte Brongers mogelijk niet. Het lijkt aannemelijk dat voor de verwarring met name het verslag van GBJ verantwoordelijk is. Dat verslag heeft kennelijk het stafwerk en Brongers misleid.    

Het verslag van Schmidt [7] geeft aan dat de Dario op zijn commandopost instructies kwam vragen. Het zullen inlichtingen zijn geweest waar de Fransman behoefte aan had. Kolonel Schmidt zette opnieuw de situatie uiteen. Dat op de Zuid-Willemsvaart werd teruggetrokken, dat Den Bosch versterking nodig had van gepantserde eenheden, dat het gat onder Weert moest worden bezet en dat parachutisten bij Moerdijk waren geland en de bruggen beheersten. Hoewel Schmidt in eerste instantie had gemeld dat er parachutisten bij de vliegbasis Gilze waren geland in plaats van bij Moerdijk. In die fase was dit laatste bericht voor de Fransen het meest alarmerend. Want ook Dario maakte Schmidt duidelijk dat zijn instructies waren niet met zijn hoofdmacht oostelijk van Tilburg te opereren. Een landing van Duitse parachutisten binnen dat gebied [Gilze ligt vlakbij Tilburg] beantwoorde direct aan de primaire missie van de vooruitgeschoven Franse troepen, welke was de sector west van Tilburg vijandvrij te houden.

Somua S-35

Volgens kolonel Schmidt [7] was de Franse kolonel nogal luchthartig en reageerde die op de Nederlandse waarschuwing dat de Duitsers vlug nabij zouden zijn met een ‘dat zien we dan wel weer’. In feite trok Dario zijn eigen plan. Wel had hij kolonel Schmidt nog meegegeven dat zijn commandant – de divisiecommandant van 1.DLM [général Picard] – bij het Belgische Oostmalle zijn commandopost inrichtte. De generaal was met de voorhoede van zijn divisie – 6.RC en 4.RDP [Regiment Dragons portés, lichte tanks en pantserwagens] – richting noorden vooruit gegaan. De rest van 1.DLM zou later op 11 en 12 mei volgen. De middelzware Somua S-35 tanks waren op de trein gezet in zuid België in de avond van 10 mei en zouden in de ochtend van 11 mei in Noord-België worden gelost.

[5, 7, 52] Uit de ontmoeting met Dario bleek eveneens dat de met overste Lestoquoi afgestemde plannen om de Peeldivisie ten oosten en zuidoosten van Tilburg op te stellen niet strookte met de instructies vanuit 1.DLM. Die zouden zelf de sector bezetten met 6.RC en 4.RDP. Dario liet Schmidt voorlopig maar vasthouden aan zijn bezetting van de Zuid-Willemsvaart.

Naar aanleiding van de bespreking met Schmidt gaf colonel Dario instructies uit aan zijn eenheden. Volgens het gevechtsverslag van 6.RC zagen die er als volgt uit. [613] Er werd als eerste een gevechtseenheid geformeerd om direct naar Gilze te vertrekken om daar de Duitse parachutisten te bestrijden. Nog voordat de gevechtsgroep vertrok, werd bericht van kolonel Schmidt ontvangen dat niet bij Gilze maar bij Moerdijk (400) Duitse parachutisten waren geland. Colonel Dario besloot daarop twee verkenningsgroepen uit te sturen richting oosten. De eerste onder Capitaine Devouges naar Den Bosch. De tweede onder Capitaine Dudognon naar Eindhoven. Een derde groep onder Capitaine Lelievre werd als achterwacht achter de beide uitgezonden eenheden aangestuurd om op basis van hun bevindingen direct handelend een provisorische afgrendeling op wegen richting Tilburg te kunnen uitvoeren. Chef d’escadron [=majoor] Michon kreeg opdracht met zijn eenheid aangevuld met een eskadron van 4.RDP naar Moerdijk te gaan. Volgens het Franse gevechtsverslag [613] kreeg hij daarbij de opdracht: sont envoyés connaître et attaquer les parachutistes de Moerdijk. Il va se heurter une tête de pont de plus de 3 kilomètres de rayon : Roodevaart - Logtenburg-Nord de Zevenbergschenhoek-Lage Zwaluwe. Ofwel, Michon kreeg opdracht een bruggenhoofd te vormen rond het zuidelijk landhoofd én aan te vallen. Bij de bespreking van de gebeurtenissen op 11 mei bij 6.GB is reeds uitgebreid besproken wat daarvan terecht kwam.

Zeker is dat de Franse patrouilles naar Den Bosch en Eindhoven zijn vertrokken. Hun belevenissen onderweg zijn echter onzekerder, maar in menig Nederlands verslag kwamen de Franse pantserwagens wel voor. Daar wordt later op teruggekomen.

[5, 7, 52] Kolonel Schmidt voelde zich inmiddels behoorlijk radeloos. Hij had van lieutenant-colonel Lestoquoi een andere opdracht gekregen dan van colonel Dario. Beiden hadden wel aangegeven dat operaties oostelijk van Tilburg niet aan de orde waren voor de Fransen, op enige verkenningen na. Schmidt had echter behoefte aan zekerheid omtrent de opdracht die voor zijn eigen troepen zou gelden, nu de positionering oost en zuidoost van Tilburg was komen te vervallen. De kolonel besloot daarom naar Oostmalle te gaan, waar generaal Picard zijn commandopost zou hebben. Dat was een afstand van ruim 45 kilometer over de weg, daar Oostmalle een flink stuk ten westen van Turnhout ligt. Maar de handeling van de kolonel was zeer rationeel. Hij diende zo spoedig mogelijk te weten waar hij zijn troepen diende op te stellen, daar instructies overbrengen aan de deboucherende eenheden toch al geen sinecure zou zijn.

Een verhelderend gesprek in Oostmalle

Kolonel Schmidt stelde in zijn antwoorden voor de Enquête Commissie [5, dl 1C, vraag 16371] dat hij van zijn superieuren [de TBB viel vanaf 10 mei rechtstreeks onder het AHK] geen nadere instructies had ontvangen over afstemming met de Fransen. Hij moest c.q. mocht handelen naar eigen goeddunken. Helaas is de (gebrekkige) afstemming met de Fransen door de weinig doortastende Commissie indertijd nauwelijks onderwerp van onderzoek geweest. Kolonel Schmidt had beslist een punt van orde. Hij was slechts geïnstrueerd zich met de Fransen te verhouden en zich naar hun oordelen te schikken. In wezen was het zo dat men in Den Haag de Nederlandse troepen onder de grote rivieren had afgeschreven. Kwalijker was dat men het gehele strategische plaatje in die sector aan de Fransen overliet. Dat ging zelfs zover dat de OLZ en zijn staf Moerdijk op basis van een Franse toezegging virtueel hernomen achtten. Men vertrouwde volledig op de toezegging van Gamelin (telefoongesprek in de ochtend van 10 mei) aan generaal Winkelman dat de Fransen op Moerdijk zouden aanvallen [7]. Den Haag concentreerde zich vanaf dat moment volledig op de zaken boven de grote rivieren. Men veronachtzaamde daarmee niet alleen de openstaande deur naar Vesting Holland (Moerdijk), maar evenzo de essentiële informatie over de toestand die uit de zuidelijke provincies kwam.

Het is een kwestie die generaal Winkelman door velen euvel is geduid en naar mening van auteur dezes terecht. Winkelman zijn verweer – o.a. voor de Commissie [7] – was zwak. Hij kwam in wezen niet verder dan dat het ‘praten achteraf’ was en dat hij nu eenmaal geforceerd was tot het plegen van triage – prioriteitstelling in een noodgeval. Dat mag zo zijn geweest, maar het AHK had wel opvallend verzuimd kolonel Schmidt facilitair te voorzien en hem tenminste basale instructies te geven wat hij kon verwachten. Te meer daar het Winkelman sinds half april - uit gesprekken tussen hem, overste Wilson (chef operatiën landmachtstaf) en attaché Van Voorst Evekink - bekend was dat er zeer vermoedelijk een Frans leger tot aan de Mark zou optrekken. Bovendien acht auteur dezes het een blunder van formaat dat de TBB geen generaalsfunctie was, maar dat een kolonel die zware rol vertolkte. Deze had niet alleen de zorg over een legermacht [23 bataljons] ter grootte van een legerkorps, maar tevens een vooraf bekende liaisonfunctie met de Franse lokale legerleiding. Om die rol voldoende gewicht en gezag te geven, had de functie van TBB idealiter niet gecombineerd moeten worden met een liaisonfunctie. Daarvoor had een aparte opperofficier moeten worden aangewezen met een bescheiden Franssprekende staf. Winkelman en de executeurs van zijn directieven (chef-staf landmachtstaf, chef sectie operatieën, commandant veldleger) hebben in die organisatorische overwegingen opzichtig gefaald. Het heeft er zelfs de schijn van dat men zich deze kwestie niet eens bewust is geweest.

Kolonel Schmidt op zijn beurt was al enige tijd [sinds maart 1940] op de hoogte van de loodzware taak die hij zou krijgen als het 3e Legerkorps uit Noord-Brabant zou verdwijnen. Hij en zijn chef-staf waren in de plannen deelgenoot gemaakt. Gedurende al die tijd heeft Schmidt zich (kennelijk) geen rekenschap gegeven van de uitdagingen die dat meebracht, zoals bijvoorbeeld de vorming van een liaisonstaf. In zijn drie verklaringen voor de Commissie heeft hij op geen enkel moment de suggestie gewekt daartoe verzoeken richting Den Haag te hebben gedaan. Het heeft er aan alle kanten de schijn van dat het liaison-gebeuren in de hoofden van de verantwoordelijke Nederlandse opper- en hoofdofficieren niet of nauwelijks was beschouwd. Nadere aanwijzingen daarvoor werden tijdens de meidagen gevonden, waarin sprake was van zuiver ad hoc beleid. Zo was geen der officieren in Breda en omgeving voorbereid op een ontmoeting met Franse troepen. Op de commandant van 6.GB na, sprak geen hunner behoorlijk Frans. De (volgens het stafwerk) als liaison te Breda aangewezen KMAR kapitein Van der Kroon sprak zelfs geen woord Frans.

Het kon aldus gebeuren dat kolonel Schmidt zich de gehele nacht en ochtend van 11 mei actief moest concentreren op afstemming met de Franse eenheden, die in Noord-Brabant aankwamen. Na zijn minder gelukkige ontmoetingen met de overste Lestoquoi en kolonel Dario, besloot Schmidt dus naar Oostmalle te vertrekken om daar bij de generaal Picard finale afstemming te bereiken over de te volgen strategie, en vooral de rol van de Nederlandse eenheden daarin. Tussen de diverse ontmoetingen door kreeg de kolonel echter wel dramatische berichten binnen op zijn CP in Tilburg [5]. Het bleek dat met name de troepen uit de sector Mill zich helemaal niet in de hun toegewezen sector onder Den Bosch bevonden. Manschappen van III-20.RA en I-3.RI meldden zich zelfs in Tilburg na daarnaar toe te zijn gestuurd door de commandant Vak Schaik [5]. Het was voor kolonel Schmidt een extra motivatie om Franse assistentie te gaan organiseren omdat hij vreesde dat de Duitsers zonder enige weerstand zouden kunnen doorbreken naar Tilburg.

Zodoende vertrok kolonel Schmidt naar Oostmalle – 45 km over de weg – en liet zijn chef-staf kapitein der Generale Staf B.M.P. van Griethuyzen achter om leiding te geven over het bonte verband dat de Peeldivisie inmiddels geworden was [5, 7]. Zestien bataljons in een operationeel wankele situatie onder leiding van een kapitein! Er was echter geen andere mogelijkheid, maar het schetst de absurditeit van de situatie en de onverantwoorde positie waarin het AHK de Nederlandse troepen in Noord-Brabant had gemanoeuvreerd.

[5, 7, 52] In Oostmalle aangekomen trof kolonel Schmidt de Franse général de brigade Francois Picard, de commandant van 1.DLM [Division Légere Mechanique](5). Schmidt trachtte Picard te overtuigen om de Franse troepen verder oostwaarts dan Tilburg te laten optreden, maar de Fransman weigerde dit resoluut. Hij gaf Schmidt dezelfde antwoorden als colonel Dario enkele uren eerder. De instructies van général d’armee Giraud waren dat niet oostelijk van Tilburg zou worden opgetreden met belangrijke eenheden. Het viel kolonel Schmidt ook tijdens dit onderhoud op dat de Fransen kennelijk niet op de hoogte waren van het feit dat de Nederlandse hoofdmacht uit het zuiden was vertrokken. Pas toen dat idee postvatte bij Picard, kreeg hij ook een betere perceptie bij het feit dat de kolonel tegenover hem inderdaad de ‘commandant de toutes les troupes néerlandaises en Brabant[7] was. Voordien had hem een kolonel als hoogste militair over drie divisies wat onwerkelijk geleken. Althans, zo verwoordde kolonel Schmidt het e.e.a. in zijn verslag voor de Commissie [7: 1C, blz 523, vraag 16371] en dat lijkt een aannemelijke voorstelling van zaken. Tenslotte was Picard onthutst te horen dat de Peel-Raamstelling al beslissend was doorbroken door de Duitsers. Hij wekte de indruk dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de Nederlanders snel op de loop gingen. Daarop repliceerde Schmidt dat die stelling niet gebouwd en bezet was geweest om een Duits pantserleger tegen te houden. De kolonel was reeds in de (onjuiste) veronderstelling dat tanks door de Peel-Raamstelling kwamen, terwijl de 9e Panzerdivision in feite nog bezig was de Maas over te steken [7: 1C, blz 523, vraag 16371]. Opvallend in dit geheel was wederom dat de hogere veldcommandant binnen het 7e Leger niet op de hoogte bleken van zowel de Nederlandse strategie als de bedoelingen van Gamelin. Want Gamelin had de generaals Georges en Giraud weliswaar verwittigd dat Nederland geen hardnekkige verdediging in de Peel-Raamstelling zou voeren, maar evenzo dat hij er aan de hand van contacten met de Nederlandse attaché op vertrouwde dat Nederlandse troepen in Noord-Brabant zich westwaarts zouden opstellen in de lijn Tilburg – Turnhout [1503]. Picard (en Dario) bleken beide overwegingen niet te kennen of gaven er geen blijk van die te kennen. 

(5) Kolonel Schmidt duidt in zijn verslag de generaal stelselmatig aan als generaal 'Durand'. De enige Franse generaal Durand [Pierre-Servais], die in Nederland was, was de acterend commandant van de Franse troepen op Walcheren en Zuid-Beveland. De ontmoeting te Oostmalle betrof echter de Franse generaal Picard, zoals in de literatuur alom juist geduid.      

[5, 52] Kolonel Schmidt begreep dat een pleidooi voor Franse assistentie in Oost-Brabant nutteloos zou zijn. Hij gaf daarop aan dat hij zijn troepen terug zou trekken op een lijn Den-Bosch – Tilburg. Picard ging daarmee akkoord met de toevoeging dat ten zuiden van Tilburg de Franse troepen geen Nederlandse tussen of voor zich wilden hebben en dat de Nederlandse troepen die doorgestuurd zouden worden naar het westen geen gebruik zouden maken van de hoofdweg Tilburg – Breda – Roosendaal. Kolonel Schmidt had dit maar te slikken. Volgens het stafwerk [5: blz 272] ondertekende Schmidt de afspraken zelfs voor akkoord. Met name de laatste bepaling van général Picard was in feite een faillissementsuitspraak over de betekenis van de Nederlandse troepen in Noord-Brabant. De Franse eenheden, die de verdediging van de sector serieus namen, zouden prevaleren boven de Nederlandse. De Nederlandse troepen werd het gebruik van hun ‘eigen’ hoofdweg eenvoudig ontzegd. Vanuit Franse operationele optiek overigens volkomen te billijken, maar een saillant teken aan de wand, dat men de Nederlandse troepen in de ochtend van 11 mei als wezenlijke invloed afschreef.

Toen kolonel Schmidt Oostmalle verliet, had hijzelf een zwaar gemoed. Hij besefte terdege dat zijn troepen bereiken, van nieuwe opdrachten voorzien en tijdig in de nieuwe posities krijgen een buitengewoon grote uitdaging zou zijn. Generaal Picard op zijn beurt zal zich beklaagd hebben tegen zijn stafleden omtrent de zwakheid – mogelijk zelfs de lafheid – der Nederlandse strijdkrachten. Hij zal terdege beseft hebben dat het ontwikkelen van zijn divisie en het aangeleunde 25.DIM geen enkele vertraging mocht oplopen wilde men gereed zijn om de Duitsers tijdig op te kunnen vangen. Mogelijk twijfelde Picard zelfs al of Manoeuvre Breda in die fase nog wel haalbaar zou zijn om tot ontwikkeling te brengen. Wie zal het hem euvel duiden als hij werkelijk zo dacht?

Ordre, contrordre, désordre

Het duurde uren voordat kolonel Schmidt weer in Tilburg aankwam. Onderweg werd hij telkens opgehouden door militaire verbanden en de Luftwaffe die inmiddels lucht had gekregen van de aankomst van Franse troepen en de wegen stelselmatig begon te beschieten [5].

[5] Uiteindelijk vlak voor het middaguur terug in Tilburg, constateerde kolonel Schmidt dat de werkelijkheid zijn plannen alweer had achterhaald. Naast het feit dat de stelling achter de Zuid-Willemsvaart niet zou werken wegens ontbrekende troepen uit het Mill vak, waren er berichten ontvangen dat het vak Weert omvat werd. Hoewel die berichten (op dat moment) onjuist waren, was het voor kolonel Schmidt aanleiding om alle troepen (m.u.v. Vak Weert) die nog bereikt konden worden te instrueren achter het Wilhelminakanaal stelling te doen nemen. Dat betekende voor alle troepen langs de Zuid-Willemsvaart onder het Wilhelminakanaal een verplaatsing naar het noordwesten. Het e.e.a. hield in dat daarmee nog steeds min of meer aan het Franse plan werd voldaan, want het Wilhelminakanaal liep van Geertruidenberg voorlangs Tilburg tot het noorden van Eindhoven, waar het in de Zuid-Willemsvaart stroomde. Het betekende echter qua realisatie een veel grotere uitdaging. De Nederlandse eenheden waren immers vrijwel geen van allen telefonisch verbonden met Tilburg. Zodoende moesten de eenheden opnieuw grotendeels per ordonnans worden bereikt. De orders die telefonisch konden worden uitgegeven bereikten de eenheden rond het middaguur, anderen werden pas in de loop van de middag geïnformeerd.

[5] Veel ernstiger was dat de Duitsers inmiddels al over de Zuid-Willemsvaart waren gekomen, vlak onder Den Bosch. Dat gegeven en de nieuwe orders zouden zorgen voor een gigantische chaos onder de Nederlandse troepen in het noordelijke deel. In het zuidelijke deel, bij Weert, zou ook volledige chaos ontstaan. Het is zinvol naar die gebeurtenissen in meer detail te gaan kijken.

Een operationele beschouwing

De Duitse aanvalsopzet was om zo spoedig mogelijk – liefst op meerdere plaatsen – door de Peel-Raamstelling te breken en bij voorkeur via een zo noordelijk mogelijke route snel naar Moerdijk door te stoten. Dat doel was tweeledig ingegeven. Allereerst om zo spoedig mogelijk contact te kunnen maken met de eigen lichte troepen bij Moerdijk, maar daarnaast om Geallieerde troepen te snel af te zijn door de sector Breda-Bergen op Zoom als eerste te bereiken. Die Duitse opzet was geen verrassing. En daarom verbaast het des te meer dat kolonel Schmidt zijn alternatieve verdedigingsplan na een doorbraak van de Peel-Raamstelling zo slecht voorbereid had.

Kolonel Schmidt heeft tijdens zijn eerste verhoor voor de Enquête Commissie [7: 1C, blz 272-275] – dat in zijn geheel over de periode voor de inval ging – zich opgeworpen als een voorstander van de Peel-Raamstelling, zij het dat hij deze liever uitgebouwd had gezien tot een volwaardige stelling en bezet met tenminste twee legerkorpsen, maar liefst met het gros van het veldleger. Anderzijds toonde Schmidt zijn ambivalentie, door te duiden op de grote zwakte – de zuidelijke lacune – en het gegeven dat aansluiting op de Geallieerde defensie beneden de grens noodzakelijk was, maar ontbrak. Generaal Reijnders geloofde niet in een zuidelijke omtrekking van de stelling door Duitse troepen. Althans niet in de eerste fase van de strijd [7: 1C, vraag 144, 148 en 149]. De generaal was vast overtuigd van doelgerichte Duitse aanvallen via de kortste routes en dus frontaal tegen de stelling gericht. Daarbij duidde [o.a.] Reijnders al op het feit dat de positie Mill – een samenkomst van wegen – een aantrekkelijke positie voor een Duitse aanval zou zijn, omdat naast de infrastructurele voordelen het gebied door zijn enigszins glooiende aard geen last had van zompige grond. Elders voor de stelling was er wel zompige grond – vooral in de eigenlijke Peelstreek – en zodoende was het naderingsgebied daar goeddeels ongeschikt voor ontwikkeling van grote troepenformaties. Bovendien achtte Reijnders de kans groot dat de Duitsers nadien een doorbraak bij Mill direct zouden uit willen bouwen door een krachtige stoot door het noorden van de provincie, om daarmee het Nederlandse leger te isoleren dat zuidelijker in Brabant lag en een mogelijk Geallieerd leger de pas af te snijden. Generaal Reijnders had in dat laatste scenario zowel een strategisch gevaar gezien voor het Brabantse leger als een bedreiging voor de Geallieerde plannen. Kolonel Schmidt kende die overwegingen.

Generaal Reijnders zag dit op hoofdlijnen niet onjuist, maar was desondanks kennelijk toch niet van de finesses van de Auftragstaktik op de hoogte. Die voorzag immers in ‘alle middelen, mensen en ruimte aanwenden om het beoogde einddoel binnen de gestelde tijd te bereiken’. Dat betekende dat een frontaal vastgelopen aanval direct aanleiding kon geven tot aftasten van alternatieve mogelijkheden. In dier voege zelfs, dat simultaan aan een frontale aanval al verkenningen werden uitgevoerd om alternatieve aanvalsrichtingen te onderzoeken. Dat was ook wat in de praktijk bij Weert gebeurde, waar voordat de hoofdstelling zelfs al was aangevallen, een verkenningseenheid van 30.ID in de ochtend van 11 mei de ruimte onder Dorplein verkende op Belgische posities onder Weert [558]. Dat is echter een kwestie die later in dit hoofdstuk aan bod komt.

Daarnaast is het een gegeven dat de Duitsers niet alle kaarten op Mill hadden gezet. In feite had men, indachtig de Auftragstaktik, vier sectoren geselecteerd waarin vier individuele divisies ondersteund door een troepentrein actie – analoog aan die bij Mill – de Peel-Raamstelling zouden moeten doorbreken. Van noord naar zuid 254.ID [via land van Maas en Waal], 256.ID [Mill] (beiden 18e Leger) en 56.ID [Meijel] en 30.ID [Weert] (beiden 6e Leger). Doordat alleen de actie bij Gennep / Mill slaagde, leek Reynders profetische woorden te hebben gesproken voor de oorlog. In feite was echter sprake van toeval, want elders mislukten alle commandoacties en daaropvolgende treinpenetraties. Zouden één of meer acties naast die bij Mill wel zijn geslaagd, dan was het operationele beeld in de ochtend van 10 mei aanzienlijk anders geweest. Daarentegen was Mill voor de Duitsers wel het zwaartepunt geweest, ondanks het feit dat er vier identieke acties waren ontwikkeld. Want Mill leverde niet alleen de kortste afstand Duitsland – Peel-Raamstelling op, maar was tevens de hoofdaanvalsas van het XXVI.AK. En dat legerkorps was het sterkste van het 18e Leger en daarom het meest gebaad bij succes. In die zin had Reynders het dus wel bij het juiste eind gehad.

Zelfs als men ‘het gelijk van Reijnders’ relativeert zoals hierboven, dan kan men niet anders dan constateren dan dat wat hij voorspelde vrijwel geheel uitkwam ten aanzien van het vermoedelijke zwaartepunt van de Duitse aanval. Dat was vooreerst de Duitse concentratie bij Mill en vervolgens de daaropvolgende krachtige stoot door de Langstraat richting westen. Zaken die Reijnders niet alleen debiteerde, maar die ook in krijgsspellen tot uiting waren gekomen. Het is auteur dezes onbekend of kolonel Schmidt bij krijgsspellen was betrokken, maar aannemelijk is in elk geval dat hij als voornaam bevelhebber in de sector de resultaten van die simulaties inzichtelijk kreeg. Men mag er vanuit gaan dat beide analytische overwegingen bekend waren bij de verantwoordelijke bevelhebbers in de regio.

Kolonel Schmidt was al onder generaal Reijnders commandant van de (toen nog kleine) Peeldivisie geweest. In eerste instantie was die divisie nog een bescheiden onderdeel geweest met individuele grensdetachementen. In die zin had Schmidt zich vermoedelijk slechts zijdelings met het noorden van de Peel-Raamstelling bezig gehouden. Desalniettemin blijkt uit de beantwoording van vragen voor de Commissie, dat Schmidt zich ook vóór maart 1940 – toen hem zijn nieuwe opdracht werd overhandigd [7: 1C, vraag 16341] – bezig had gehouden met de defensie van de Peel-Raamstelling. In elk geval kreeg Schmidt tussen medio maart 1940 en 9 mei 1940 ruim de tijd zich zijn nieuwe situatie voor ogen te houden. Hij heeft informatie met de staf van III.LK uitgewisseld, zoals blijkt uit de door de kolonel zelf opgetekende contacten tussen hem en generaal-majoor Nijnatten, C-III.LK. In elk geval zal Schmidt zich gerealiseerd hebben dat Mill één van de zwaartepunten van een Duitse aanval zou vormen. Bovendien wist Schmidt dat vanaf de tweede oorlogsdag er geen reserves in zijn rug zouden liggen. Een logische gedachtegang is dan om een scenario voor te bereiden voor een terugtocht, al dan niet onder de omstandigheid van nadringen door de vijand. Dat was voor kolonel Schmidt ook logica, gezien zijn antwoord op een vraag van de commissie [7: 1C, vraag 16369]:

» Vraag: Voorzitter: Op sommige plaatsen is zeer goed standgehouden, maar in het volgende gedeelte van de strijd niet?

Antwoord: Wanneer een stelling wordt opgeheven, wanneer zij ten gevolge van desastreuze handelingen wordt verlaten, dan kunnen de troepen alleen worden opgenomen in een andere stelling, in een stelling, die door andere troepen is bezet. Achter die stelling worden zij dan opnieuw geordend, maar zij hadden geen tweede stelling. Er was niets. «

Schmidt realiseerde zich kennelijk niet dat hij sinds maart 1940 de militaire autoriteit ter plaatse was, die een ‘fix’ (een noodoplossing) moest voorbereiden voor het meer dan denkbare scenario dat de Peel-Raamstelling op enig moment zou worden doorbroken. De kolonel geeft er in zijn verhoren blijk van dat de Zuid-Willemsvaart en het Wilhelminakanaal in een dergelijk geval ‘logische’ nieuwe provisorische defensielijnen waren. Maar over het vooraf door hem en zijn chef-staf uitwerken van alternatieve verdedigingsplannen, spreekt hij niet. Er is geen bron (bij auteur dezes) voorhanden die daarover zich wel uitspreekt. Uiteraard kon hij zijn staf niet opdragen dergelijke plannen te ontwerpen en uit te werken, omdat zij immers in het geheime plan van de evacuatie van het veldleger uit Noord-Brabant niet gekend mochten worden. Maar zijn chef-staf kon wel dergelijke plannen op hoofdlijnen uitwerken en bevelen voor de diverse onderdelen voorbereiden. Bij het toetsen van dergelijke plannen had dan kunnen worden vastgesteld dat onwerkelijke risico’s zouden kleven aan het analoog aan de bestaande verdedigingsvakken vaksgewijs herpositioneren van de troepen achter de Zuid-Willemsvaart of het Wilhelminakanaal, terwijl men vooraf wist dat zo’n hergroepering voor 99% zeker zou worden ingegeven door een dreigende of feitelijke vijandelijke doorbraak en er dus één of meer sectoren zouden zijn met een (intens) contact met de vijand. Men hoeft dan geen Hogere Krijgsvorming te hebben genoten om op de vingers te kunnen natellen dat die troepen wel eens bezwaarlijk zouden kunnen evacueren. Bovendien had men bij een voorverkenning - die een goed tacticus maakt voordat hij verdedigingsplannen ontwerpt - kunnen vaststellen dat de weg van Den Bosch naar Helmond – gelegen op de oostoever van de Vaart – hoger lag dan de westoever. Zodoende zou de vijand zich ongezien tegenover de Vaart kunnen ontplooien en ontbrak een goed schootsveld. Wat was er logischer geweest dan de bruggen over de Vaart reeds in geval van oorlog van een bescheiden veiligheidsbezetting te voorzien? Zeker gezien het feit dat bijvoorbeeld GBJ – dat ook onder C-Peeldivisie viel – al een deel van de bruggen over het Wilhelminakanaal bewaakte [127]. Opmerkelijk was overigens dat de bewaking van de bruggen over het Beatrixkanaal [noord-zuid lopend industrieel kanaal noordwest van Eindhoven] op instructie van kolonel Schmidt front west had gekregen. Dat terwijl een gereedstelling tegenover Duitsland een front oost evident logischer had doen zijn [127]. Was dat in anticipatie op een zuidelijke omtrekking van de Peel-Raamstelling? Een antwoord valt niet te geven met de beperkte voorhanden informatie terzake. Maar opmerkelijker was dat een deel van GBJ werkloos bleef nadat de versperringen aan de Belgisch-Nederlandse grens ook in hun sector gewoon gesteld waren (6). Dat restant van het GBJ had uitstekend gebruikt kunnen worden om reeds in de middag van de 10e mei de paar bruggen over de Zuid-Willemsvaart te bezetten, hoewel dat grensbataljon slechts twee stukken PAG tot haar beschikking had om zich tegen gepantserde Duitse eenheden te weren.

(6) In het geval van de grensversperringen aan de Belgisch-Nederlandse grens in de sector onder Eindhoven - dat door het GBJ werd bewaakt - is het wel begrijpelijk dat deze feitelijk gesteld werden, in tegenstelling tot dergelijke handelingen in de sectoren Breda [6.GB] en Woensdrecht [3.GB]. De omtrekking van de Peel-Raamstelling door Duitse eenheden was immers een wezenlijk risico. In feite hebben enkele verkennende Duitse verbanden er ook werkelijk hinder van ondervonden.

Desalniettemin lijkt er geen sprake te zijn geweest van een vooroorlogs uitwerken van een fall-back scenario. Dat is des te curieuzer omdat kolonel Schmidt zeer laatdunkend over de Peel-Raamstelling sprak, in de hoedanigheid waarin hij deze moest commanderen. Hij noemde het zelfs ‘nog geen voorpostenstelling’ [7: 1C, vraag 16367]. Dan blijft in feite de overweging slechts over dat de kolonel meende ‘a l’improviste’ een tweede verdedigingslinie te kunnen ontwikkelen of dat hij zich heeft verlaten op tijdige Franse steun. Hem was immers verteld dat die waarschijnlijk in zijn rug zou verschijnen, hoewel dat met reserve onder woorden zal zijn gebracht, althans als dit ook in maart 1940 met de kolonel werd gedeeld, wat (auteur dezes) niet geheel duidelijk is. Volgens Schmidt was hem vooroorlogs echter niet verteld dat hij ook de verbinding en afstemming met de Fransen zelf moest regelen. Hij verklaarde in zijn persoonlijke verslag [‘Verslag omtrent de gebeurtenissen van 10 t/m 12 mei 1940’] dat hij pas op 10 mei van overste Wilson (chef operatieën landmachtstaf) telefonisch te horen kreeg dat er geen bestaande afstemming met de Fransen was en Schmidt dit op zich moest nemen en naar eigen goeddunken kon handelen. Het lijkt echter onwerkelijk dat kolonel Schmidt voordien niet wist c.q. kon beredeneren dat hij – als TBB – een coördinerende rol zou moeten spelen met de Franse troepen, die naar Nederland zouden worden gezonden. Hij was zich immers sinds medio maart 1940 bewust van de voornemens van generaal Winkelman – die hem door de generaal zelf in aanwezigheid van de chef landmachtstaf waren medegedeeld – en kreeg medio april de bevestiging dat die voornemens formeel werkelijkheid waren geworden [nadat Winkelman via attaché Van Voorst Evekink in Parijs had vernomen van de Franse plannen slechts tot West-Brabant op te rukken]. Want zelfs indien kolonel Schmidt niet was geïnstrueerd – voor de inval – dat hij met de Fransen zou moeten coördineren, dan vloeide zo’n afstemming immers wel voort uit de operationele eisen die zijn functie van TBB hem stelde. Het had bij onwetendheid omtrent die operationele afstemming met de te verwachten Geallieerden dan immers in de reden gelegen voor hem te onderzoeken met wie hij zich dan wel moest verhouden om tot afstemming te komen. Het heeft er dus meer de schijn van dat de kolonel zich tijdens zijn drie verhoren voor de Enquête Commissie ‘van de domme’ hield, dan dat in deze op 10 mei 1940 voor hem werkelijk een verrassende nevenfunctie ontstond. Een extra aanwijzing voor die overtuiging (van auteur dezes) is wel het feit dat de kolonel al in de ochtend van de 10e mei een liaisonofficier van zijn eigen staf [reserve kapitein M.W. Boässon] naar België stuurde voor afstemming met het Belgische leger ten aanzien van de sector onder Weert alsmede de grenssector tot aan Tilburg [7: 1C, blz 523]. Dat zag hij dan kennelijk wel als zijn taak. En ook al lag de afstemming met de Belgen in het verlengde van de verantwoordelijkheid voor de Peel-Raamstelling meer primair op zijn weg als TBB dan die met nog te verwachten Fransen, de kleine stap naar de te verwachten Franse aansluiting was geen onlogisch vervolg.

De hamvraag die overblijft is de volgende. Hoe kon het bestaan dat in de avond van 10 mei door de staf Peeldivisie een hergroeperingsplan werd ontwikkeld dat niet voorzag dat het in zware strijd verkerende Vak Schaik [waar Mill en Bruggen in lagen] zich waarschijnlijk niet of onvoldoende zou kunnen losmaken van de vijand en daardoor de sector tussen Dinther en Middelrode aan de Zuid-Willemsvaart (met één belangrijke brug daarin) onbezet of in elk geval slecht bezet zou blijven? Die vraag lijkt vooralsnog niet beantwoordbaar. Het betekende wel dat daarmee het bestaan van de gehele (na de slag om de Peel-Raamstelling resterende deel van de) Peeldivisie op het spel werd gezet. Of het ontwikkelde verdedigingsplan achter de Zuid-Willemsvaart nu gepland of ongepland werd uitgegeven richting de bataljons; het was een tactische blunder van formaat dat de bataljons die uit het Vak Schaik richting de Vaart werden gedirigeerd, niet vooraf werden gegaan door een veiligheidsbezetting die bijvoorbeeld uit het deels beschikbare GBJ of een ander verband was georganiseerd. De blunder zou in elk geval grote gevolgen hebben. Hoewel de Enquête Commissie er totaal aan voorbij is gegaan bij haar weinig kritische bevraging van de hoofdrolspeler in het geheel …

Alles bij elkaar was het een weinig verheffende vertoning. Het AHK had zich buitengewoon gedoseerd ingespannen om de TBB te informeren, te instrueren en te faciliteren in de zware taak die kolonel Schmidt zou moeten dragen in geval van oorlog. Daarmee bediende het AHK niet alleen de kolonel buitengewoon ondermaats in de kansen goed te (kunnen) functioneren, maar het AHK diende daarmee ook de Nederlandse zaak in zijn geheel slecht. De kolonel Schmidt heeft door de gebeurtenissen en zijn handelingen bovendien zelf de schijn gewekt geen begaafd tacticus en coördinator te zijn geweest. Die conclusie wordt nog verder onderstreept door de weinig verheffende betogen van de kolonel voor de Enquête Commissie. Die waren goeddeels onsamenhangend, incidenteel kinderlijk rancuneus, op hoofdpunten onzuiver en soms zelfs branievol.

De naoorlogse (onderzoekers)aandacht ging echter ten aanzien van dit theater vooral uit naar de algehele strategie, de opperbevelhebberswisseling en de kwestie Gennep-Mill. De door het AHK treurig slecht voorbereidde Nederlandse afstemming met de Franse troepen in het zuiden alsmede de opvallend falende organisatie ten aanzien van de verregaande verantwoordelijkheden voor de TBB na vertrek van het veldleger uit de provincie, zijn in geen enkel onderzoek ooit van de juiste kritische kanttekeningen voorzien. Onbegrijpelijk, omdat opvallend standvastig en moedig optreden van de Nederlandse eenheden langs de Maas en in het noorden van de Peel-Raamstelling op de eerste oorlogsdag nadien ontaarde in een groot demasqué, dat niet alleen haar oorzaak vond in een opvallend falend vooroorlogs legerbeleid [wat overigens wel ten aanzien van de kwestie Gennep door de Commissie werd vastgesteld!], maar eveneens door een TBB, die middels orders en tegenorders rechtstreeks invloed uitoefende op de nadien ontstane wanorde. Hoe erg die wanorde was en welke effecten die sorteerde, zal op de volgende pagina en in de bespreking van de dagen na de 11e mei duidelijk worden gemaakt.

Kapitein Boässon

Een tragische episode verdient nog uitlichting. Kolonel Schmidt verwees tijdens zijn verhoren (en in zijn persoonlijk verslag) naar de onfortuinlijke dood van één van zijn stafofficieren, die hij richting de Belgen had gestuurd voor afstemming met hen. Dat betrof de reservekapitein Max W. Boässon. Deze Joodse reserve officier was als stafofficier Ontwikkeling en Ontspanning (O & O) toegevoegd aan de staf Peeldivisie. Direct bij het uitbreken van de oorlog werd de kapitein zuidwaarts gestuurd om contact te maken met de dichtstbijzijnde Belgische commandant te Hasselt (B).

Kapitein Boässon kwam even voor 0600 uur (NL tijd) aan bij de Belgische grens en werd na enig oponthoud toegelaten op Belgisch grondgebied. Op zijn auto was een witte vlag aangebracht. Hij kwam echter te Lommel bij een brug die gebarricadeerd was. Hij meldde zich hierna bij een schoolhoofd te Lommel-Kolonie (bij de heer J. Slegers), die hem assisteerde telefonisch contact te leggen met de lokale Belgische bevelhebber. De eerste persoon (luitenant Rmbout, 5e Compagnie, 1e Regiment Karibinier-Wielrijders) bleek met verlof. Een andere (onder)luitenant was eveneens met verlof, en zodoende gelukte het niet met een Belgische bevelhebber te spreken. Daarop kreeg de kapitein van de heer Slegers een fiets aangeboden om zodoende de weg per fiets verder af te leggen.

Met de fiets kwam de kapitein tot halverwege de brug, waar een derde barricade ook met dit vervoermiddel niet te paseren was. Daarop besloot de kapitein over de barricade te klimmen en lopend verder te gaan. Maar het was slechts momenten later dat de brug met een daverende klap in de lucht vloog.

De exacte aanleiding is onbekend. Duidelijk was wel dat er door de majoor Lempereur van het 20e Bataljon Genie - dat over het vernielen van de bruggen ter plaatse ging - inmiddels opdracht was gegeven de bruggen over het Kempens Kanaal te vernielen. Onduidelijk is echter altijd gebleven wie nu werkelijk de betreffende brug vernielde. Of dit nu Wielrijders waren of genisten. Helder is wel dat de lont die gebruikt werd, en dus enige tijd brandde voordat detonatie zou volgen, aangestoken moet zijn geweest toen de Nederlandse kapitein nog niet op de brug was. Van opzet lijkt dus absoluut geen sprake te zijn geweest. Vrijwel zeker waren de 'aanstekers' van de lont ook al snel verdwenen om zelf niet door de vernieling te worden gekwetst. Zodoende was kapitein Boässon vrijwel zeker slachtoffer van een buitengewoon tragische samenloop van omstandigheden.

kapitein Boässon

Het lichaam van de kapitein werd pas op 12 juli 1940 gevonden, toen de Duitsers bij het opruimen van de brug het kanaal watervrij maakten en het lichaam onder de wrakstukken van de brug werd teruggevonden. Het was schijnbaar onaangetast [foto is bij auteur dezes voorhanden] en werd te Bergeyk geidentificeerd. De kapitein werd nadien eerst plaatselijk begraven maar nog tijdens de oorlog overgebracht naar het Ereveld op de Grebbeberg.

Met de dood van de kapitein faalde ook direct de door kolonel Schmidt geambieerde afstemming met de Belgen. Niet dat deze afstemming ook maar enig nut zou hebben gehad, hoewel de informatie omtrent het onbezet blijven van de sector onder Dorplein wellicht nog eens nader bevestigd zou zijn geworden en mogelijk toestemming van de Belgen zou zijn gekomen om Nederlandse verbanden toe te laten in die sector om althans enige beveiliging te kunnen bieden. Aannemelijk is dit laatste overigens niet, zo blijkt uit andere gevallen in die eerste dagen van de strijd.

De gegevens uit bovenstaande reconstructie komen uit het boek 'De brug tot Market-Garden' over de bevrijding van Lommel, Overpelt, Neerpelt en Valkenswaard van de schrijver J. Israël (ter beschikking gesteld door de heer Johan van Doorn).

[De bronnen vindt u hier]