Wilhelminakanaal - Weert

Inleiding

In het hoofdstuk over de doorbraak van de defensie langs de Zuid-Willemsvaart werd specifiek gekeken naar de gebeurtenissen in de voormalige Vakken Schaijk en Erp, waarvan de eenheden de nieuwe defensie achter de Zuid-Willemsvaart ten noorden van het Wilhelminakanaal vorm gaven. De troepen van de Vakken Bakel, Asten en Weert vormden de verdediging van de Zuid-Willemsvaart onder het Wilhelminakanaal, met uitzondering van III-27.RI (Vak Bakel) dat de laatste hoeksteen ten noorden van voornoemd kanaal vormde. III-27.RI wordt echter voor een beter overzicht betrokken bij de bespreking van de drie Vakken die het zuidelijke deel van de defensie voor hun rekening namen.

De keuze voor de scheiding van beide ‘theaters’ werd niet alleen ingegeven wegens praktische overweging inzake de lengte van de bespreking der gebeurtenissen. Het Wilhelminakanaal vormde namelijk de scheiding tussen de operaties van het 18e en 6e Leger. Vlak onder het kanaal begon het operatiegebied van de 56e Infanteriedivision, behorende het 9e Armeekorps, het meest rechtse legerkorps van het Duitse 6e Leger.

Hieronder volgt een bespreking van de verdediging op 11 mei tussen het Wilhelminakanaal en de grens bij Dorplein. De evacuatie van de Vakken naar de Zuid-Willemsvaart was eerder al besproken in ‘Peel-Raamstelling – ontruiming’. De gebeurtenissen worden van noord naar zuid behandeld. Aangetekend zij dat de meeste besprekingen toegespitst zijn op de hoofdpunten en niet de incidenten en details bevatten die de lezer elders op de website wel tegenkomt. Er is voor de meeste gebeurtenissen onder het Wilhelminakanaal geen aanleiding om op hoog detailniveau de zaken weer te geven.

Een wijziging van strategie

Het is van belang om – wellicht ten overvloede – kort te beschouwen welke invloed de staf Peeldivisie specifiek in het hieronder te bespreken theater uitoefende tijdens de tweede oorlogsdag. Dat is zinvol omdat in tegenstelling tot het theater ten noorden van het Wilhelminakanaal, die invloed ten zuiden van het kanaal beduidend sterker was.

[5, 245] Toen kolonel Schmidt na veel oponthoud rond het middaguur van 11 mei uit Oostmalle (B.) terugkeerde in Tilburg op zijn stafkwartier, werd hij direct overstelpt met de laatste berichten. Daarbij waren twee thema’s vooral van belang. Het eerste wees op het aandringen van de Duitsers in de sector direct onder Den Bosch, het tweede was alarmerender, want het wees op een Duitse omtrekking van de verdediging ten zuiden van Weert (Dorplein). Dat laatste punt overigens, was niet alleen eerder in de ochtend – voor het vertrek naar Oostmalle – al aan de orde geweest, maar vooral ook een gebeurtenis welke de kolonel Schmidt zelf al bij voorbaat als groot risico van de stelling had gezien. Het vormde, zo bleek uit zijn naoorlogse verslaglegging althans, een argument dat hij als kritiek op de verdediging van de Peel-Raamstelling al vooroorlogs had gehad. De verleiding bleek voor de kolonel daarom groter om de geruchten omtrent zuidelijke omvatting van de Peel-Raamstelling (welke in werkelijkheid toen nog niet aan de orde waarde, c.q. voor zover ze aan de orde waren onmogelijk bekend konden zijn) snel te geloven.

[5, 245] In feite was echter de terugtocht vanuit het Vak Weert ook anderszins al aan de orde. De bespreking met de generaal Picard [C. 1.DLM] in Oostmalle had immers geleid tot een gezamenlijk besluit dat de Nederlandse troepen de imaginaire Oranjestelling [lijn Tilburg - Den Bosch] zouden gaan innemen en de Fransen de verdediging ten zuiden van Tilburg voor hun rekening zouden nemen. Omdat kolonel Schmidt het met de inmiddels verkregen informatie omtrent opdringende Duitse verbanden onverstandig achtte de troepen in Vak Weert vanuit hun positie ineens naar het noordoosten van Tilburg te laten trekken, koos hij voor een terugtocht in twee fasen. De eerste fase zou de troepen van de (voormalige) Vakken Bakel, Asten en Weert ten noorden van het Wilhelminakanaal brengen. Nadat ze daar in de organisatie zouden zijn terecht gekomen zou de volgende fase een verplaatsing in de lijn Tilburg – (sector) Oirschot betekenen, waar zou worden aangesloten op de Vakken Erp en Schaijk die tussen Oirschot en Den Bosch de Oranjestelling zouden vervolmaken. Deze verplaatsing was niet alleen een remedie tegen de kennelijk zuidelijk om de Peel-Raamstelling heen manoeuvrerende Duitsers, maar tevens volledig congruent met de afspraken die enige uren voordien in Oostmalle gemaakt waren, waarbij de Franse generaal bovendien had verboden dat Nederlandse troepen naar Tilburg zouden terugtrekken onder het Wilhelminakanaal. Er was dus na de ontvangst van de op zich verontrustende berichten uit Weert geen aanleiding voor paniek in Tilburg. Het enige grote manco in dit plan was het (kennelijke) misverstand tussen kolonel Schmidt en generaal Picard omtrent het zenden van geheel 6.RC naar Den Bosch. Om een of andere reden had kolonel Schmidt die impressie meegenomen uit Oostmalle, terwijl aan Franse kant, in elk geval uit de bevelen en verslagen, niets daarvan bleek. De Franse bronnen meldden slechts het doen van verkenningen ten oosten van de imaginaire Oranjestelling. Desondanks werd de perceptie van de kolonel Schmidt aan de commandanten van de Vakken Schaijk en Erp overgebracht. Ze waren, zo is al gebleken, aanleiding voor de verwachting dat spoedig na het middaguur een Frans gemotoriseerd regiment de noordelijke verdediging te hulp zou komen. Het bevel tot gefaseerde terugtocht voor de drie zuidelijke Vakken werd voor 1300 uur gegeven. Bij de bespreking van de respectievelijke gebeurtenissen in die vakken zal duidelijk worden hoe laat die instructies werden ontvangen en hoe ze tot uitwerking kwamen.

Deze bevelen, die ook aan de andere Vakcommandanten werden verstuurd (maar niet aankwamen), werden tijdens de uitvoering gewijzigd. Vanaf 1400 uur druppelden geruchten, later berichten die betrouwbaarder leken, binnen dat de Zuid-Willemsvaart defensie onder Den Bosch beslissend was doorbroken door de Duitsers. De Vakcommandanten werden toen echter geen van allen meer telefonisch bereikt. Dat gegeven was voor de commandant van Vak Schaijk opmerkelijk, want deze was nog tot laat in de avond van 11 mei op zijn CP te Vught. De commandant van Vak Erp was hem echter omstreeks 1300 uur al gesmeerd op het eerste gerucht van doorgebroken Duitsers. De andere commandanten bevonden zich midden in hun verplaatsingen en waren daarom niet telefonisch bereikbaar. Het gevolg was dat een nieuw gegeven bevel aan alle Vakcommandanten om onverwijld – en dus niet gefaseerd – de Oranjestelling te bezetten, bij geen der ondercommandanten meer aan kwam.

Met deze achtergrond kennis wordt hieronder naar de ontwikkelingen in de drie zuidelijke Vakken gekeken.

Vak Bakel [27.RI]

[235] Vak Bakel was het meest homogeen samengestelde Vak van de gehele Peel-Raamstelling. Het werd namelijk door geheel 27.RI gevormd, waardoor het authentieke regimentverband in stand was gebleven. Reserve luitenant-kolonel F.N.F. van der Schrieck was de RC en tevens Vakcommandant. Helaas kreeg het regiment in de geïmproviseerde defensie achter de Zuid-Willemsvaart de opdracht zich op te splitsen. Omdat het meest zuidelijke bataljonsvak ten noorden van het Wilhelminakanaal nog diende te worden bezet, werd het linkerbataljon (III-27.RI) van Vak Bakel aangewezen zich ten noorden van het kanaal te posteren. Het middelste (II-27.RI) en rechterbataljon (I-27.RI) kwamen onder het kanaal te liggen. Opvallend genoeg koos de RC ervoor om zijn CP boven het kanaal, nabij Lieshout, in te richten. De RC had naast zijn eigen regiment nog de beschikking over een vrijwel intact I-41.RI en 3-III-26.RI. Deze troepen hadden ook in de plaats van III-27.RI boven het Wilhelminakanaal kunnen worden geplaatst, eventueel met enige zware wapens ondersteuning van 27.RI als versterking, zodat zodoende een integraal regiment tussen de kanalen (Wilhelminakanaal en Eindhovensch kanaal) had kunnen worden gehandhaafd. De RC plaatste echter de grote reserve I-41.RI bij Stiphout. Op die wijze kon het vrij snel worden aangetrokken ter ondersteuning van het uitdagende vak tegenover de stad Helmond, zo meende hij. Dat dit bataljon uitstekend met III-27.RI van positie had kunnen ruilen, zij gezegd.

Zuid-Willemsvaart defensie 11 mei

Daar waar het Wilhelminakanaal aan Nederlandse kant een obstructie was die de verdediging achter de Zuid-Willemsvaart splitste, bood zij voor de Duitsers ten oosten van de Vaart evident geen enkele obstructie, daar het kanaal vanuit het westen uitmondde in de Zuid-Willemsvaart. Men dient daarbij te bedenken dat de hedendaagse geografie rond dit kruispunt van waterwegen sterk afwijkt. De ten noordoosten van Aarle-Rixtel toen gelegen samenkomst van Wilhelminakanaal en Zuid-Willemsvaart was toentertijd wat men in wegenterminologie een T-splitsing zou noemen. De huidige breed gekanaliseerde waterloop, die het Wilhelminakanaal tegenwoordig bij de oorspronkelijke T-splitsing verlengt en oost van Helmond om de stad loopt en ten zuiden ervan weer samenvloeit met de Zuid-Willemsvaart, is een naoorlogse creatie. De Bakelsche Aa werd daarvoor sterk verbreed, maar dit was in mei 1940 nog een oorspronkelijk smal beekje en voor de Duitsers geen hindernis van betekenis.

[236c] III-27.RI (met achter haar 3-III-26.RI als reserve) lag in het linker vak binnen het regimentsvak van 27.RI dat ten noorden en ten zuiden van het Wilhelminakanaal langs de Zuid-Willemsvaart was geposteerd. III-27.RI sloot aan op de positie van I-13.RI en kende twee kleine overgangen (één brug bij Beek, één bij Donk) over de Vaart in haar sector. De regimentscommandant had achter het bataljon bij Lieshout zijn CP ingericht. In de loop van de ochtend kwam een genieluitenant melden dat te Gemert zijn detachement [detachement Frets] was overvallen door gemotoriseerde Duitse troepen [AA.256]. Kort na het middaguur ontving de C-III-27.RI het bericht op de CP van de regimentscommandant luitenant-kolonel Van der Schrieck dat de verdediging ten zuiden van het Wilhelminakanaal naar de noordzijde zou verplaatsen. C-Peeldivisie had namelijk intussen – na berichten te hebben gekregen dat de Duitsers bij Weert door de linie waren – het bevel gegeven de verdediging achter (c.q. noord van) het Wilhelminakanaal en west van de Zuid-Willemsvaart in te richten. Kort nadat de BC teruggekeerd was naar zijn eigen CP kwam echter een ordonnans na, die het bevel droeg onmiddellijk met III-27.RI op Sint Oedenrode terug te trekken. De staf van de RC werd ondertussen ook reeds daarheen verplaatst. Na de betrouwbaarheid van de ordonnans te hebben geverifieerd werd daadwerkelijk bevel gegeven aan de troepen zich van de kanaalstelling los te maken. Onder dekking van een scherm door 6-veld en PAG dienden de compagnieën zich terug te trekken. Onderwijl had men aan de Vaart reeds intensief vuurcontact met Duitse troepen, zodat dit geen eenvoudige manoeuvre werd en de Duitsers bovendien direct de terugtocht zouden herkennen wegens de verflauwende en uiteindelijk beëindigde beschieting. Rond Sint Oedenrode ontstond door de terugtocht een enorme congestie van Nederlandse militairen. Aangezien meer dan vier bataljons, later nog delen van een vijfde [II-27.RI], via dit kruispunt van wegen terugtrokken, was het spoedig een grote chaos. Dat was niet alleen voor de organisatie funest, maar gezien de constante dreiging van de Luftwaffe ook nog eens levensgevaarlijk. Desalniettemin kreeg III-27.RI zelf geen vuur- of zichtcontact met Duitse troepen in haar rug gedurende de terugtocht naar Sint Oedenrode. De terugtocht verliep redelijk georganiseerd, zij het dat het bataljon, mede dankzij de continue agressief opererende Luftwaffe, geleidelijk aan steeds meer van haar verband verloor. Een aanzienlijk deel ervan zou desondanks uiteindelijk in West-Brabant en op Walcheren terecht komen. Van een georganiseerd verband was toen allang geen sprake meer.

[236c] Een beperkte uitstap naar 12 mei is hier relevent. Een achtergebleven fragment van het bataljon, dat 's nachts in een aantal boerderijen [o.m. de 'Hoeve van Acht'] aan de Sloef te Sint Oedenrode besloot te overnachten, werd in de ochtend door Duitse troepen overvallen. Het betrof mogelijk een Duits verband van IR.456, waarvan een luitenant van de staf van 1./IR.456 omkwam in Sint Oedenrode op 12 mei [Leutnant Manfred Bauer]. Er werd ruim een uur gevochten tussen een sterke Duitse eenheid en de ca. 100 Nederlanders, die hun zware mitrailleurs tijdens de evacuatie uit de stelling achter de Zuid-Willemsvaart hadden achtergelaten. Aan Nederlandse kant sneuvelden zes soldaten: A. Doolaard [MC-II-27.RI], C. van 't Hof [1-II-27.RI], C.P.P. Schoone [1-III-27.RI], J. Mourik [MC-III.27.RI], J. Schrijnemaekers [1-III-27.RI] en W. Dijkhuizen [1-III-27.RI]. Dijkhuizen was als enige van de zes nog in leven, zij het gewond, en overleed op 15 juni 1940 in een ziekenhuis in Duitsland alsnog, vermoedelijk aan complicaties. De vijf bij het gevecht direct gesneuvelden mochten niet door de militairen zelf worden begraven. Dit gebeurde later. Drie man kregen veldgraven in een boomgaard aan de Sloef in St Oedenrode.

[236b] II-27.RI had een vak ingenomen tussen het Wilhelminakanaal en sluis no.7, net ten noordwesten van Helmond. Het bataljon had het geluk precies naast de vakgrens van het 6e en 18e Leger van de Duitsers te worden geposteerd. Bovendien lag in het vak geen doorgaande weg. Vijand kreeg men niet in beeld en om 1400 uur kreeg de BC opdracht het bataljon te verplaatsen naar de noordzijde van het Wilhelminakanaal, omdat de nieuwe instructies van de C-Peeldivisie waren doorgekomen voor de gefaseerde terugtocht op de Oranjestelling. De terugtocht richting het noorden leek eenvoudig te verlopen, totdat midden tijdens de verplaatsing pioniers besloten de bruggen over het Wilhelminakanaal bij Lieshout en tussen Beek en Aarle ontijdig op te blazen. Het gerucht van naderende vijand had de zenuwachtige detachementen tot deze hoogst ongelukkige handelingen verleid. Het betekende dat halverwege de verplaatsing II-27.RI ineens met het ene been op de noord- en met het andere been op de zuidoever stond. Het zorgde niet alleen voor grote woede bij de BC, maar zorgde ook voor de desintegratie van het bataljon. De nog vrijwel geheel op de zuidoever verkerende onderdelen wisten nog slechts voor een gedeelte (deel staf, 3-II en ½ MC-II) de noordoever te bereiken, maar het grootste deel van het bataljon trok zelfstandig naar Tilburg onderlangs het Wilhelminakanaal. Precies het effect dat de Fransen hadden willen voorkomen, omdat daarmee de Nederlanders dwars door de posities van 1.DLM heen zouden trekken, met alle verwarring van dien. Een andere ernstige bijkomstigheid van het ontijdig vernielen van de bruggen was dat de zware wapens van II-27.RI – zes stukken 6-veld van het KRA en twee stukken PAG – die nog niet over het kanaal waren gegaan niet meer konden worden overgezet. Althans, zo meende men. Het werd kennelijk ook onvoldoende zinvol geacht die zware wapens dan maar via een westelijke route mee te voeren, want ze werden alle acht in het kanaal geworpen! De wel boven het Wilhelminakanaal terecht gekomen onderdelen van II-27.RI kwamen in de terugtocht terecht van het Vak Erp. Het behoeft nauwelijks nader betoog dat de eenheid daarmee volkomen desintegreerde. Het zou volledig worden verspreid en als georganiseerd gevechtseenheid ophouden te bestaan in de avond van 11 mei.

[236a] I-27.RI had de rechterflank van de nieuwe opstelling aan de Zuid-Willemsvaart ingenomen tussen Helmond en de beide oevers van het Eindhovensche kanaal, dat vlak onder sluis no.8 vanuit het westen in de Zuid-Willemsvaart stroomde. Ook dit bataljon had de onwerkelijke taak haar compagnieën te moeten verdelen over twee oevers van een kanaal, want haar rechtercompagnie [2-I] lag ten zuiden van het Eindhovensche kanaal. Toen omstreeks 1400 uur dan ook de BC zijn bevelen ontving voor de verplaatsing naar de noordzijde van het Wilhelminakanaal, duurde het tot 1530 uur voordat de rechtercompagnie dit nieuws vernam. De 1e Compagnie, gelegen in het westelijke deel van Helmond, kreeg het bevel in het geheel niet, omdat de ordonnansen de CC niet konden lokaliseren. Het feit dat deze compagnie inmiddels in vuurgevecht met de in Helmond gearriveerde Duitse voorhoedes was geraakt zal daarbij een rol hebben gespeeld. Pas rond 1530 uur bemerkte de CC van 1-I dat er iets gaande was omdat de nevencompagnie vertrok. Onderwijl was bericht gekomen van de burgemeester van Helmond dat de stad door de eerste Duitse troepen [AA.25 van 56.ID] inmiddels gevorderd was, wat gezien de uitgebroken gevechten geen verrassing was. Kort nadien viel echter de telefooncentrale uit, vermoedelijk door Duits toedoen.

[562] Het op 10 mei aan 56.ID toegewezen verkenningsverband AA.25 – waaraan bovendien Radfahrschwadron 156 [2./AA.156] was toegevoegd – werd op 11 mei op de uiterste rechtervleugel van deze 2e Welle divisie ingezet. De afdeling zelf bestond uit bereden en met fietsen uitgeruste infanterie (twee compagnieën), een zware compagnie met drie lichte pantserwagens en gemotoriseerde PAK en IG pelotons alsmede een gemotoriseerde staf met verbindingspeloton. De sterkte van de eenheid (incl. versterking) was dus gelijk aan die van een bataljon. Op 11 mei werd om 0720 uur het bevel van de divisie gegeven dat AA.25 zich via Deurne naar Helmond zou begeven en daar eventueel ondervonden Nederlandse weerstand opruimen. Rond 1100 uur passeerde de voorhoede van AA.25 het Kanaal van Deurne (1), waarna zonder problemen Deurne zelf werd bereikt. Als eerste wist Radf.Schw.156 rond 1400 uur Helmond te bereiken. Aldaar meldde het zwakke tegenstand. Rond 1600 uur werd over de Zuid-Willemsvaart een groep voorverkenners overgezet die richting Mierlo verkende, nadat om 1545 uur het bevel tot diepere verkenning was ontvangen. Rond 1700 uur kreeg de AA.25 het bevel met kracht door te verkennen tot de lijn Eindhoven – Valkenswaard.

(1) Aangetekend wordt daarbij dat de Duitsers trachtten door zwemmend het kanaal over te steken te bezien of ze de door de Nederlanders gesaboteerde bruggen konden herstellen. Daarbij verdronk de Leutnant Hans-Georg von Both van AA.25.

[5] In het Stafwerk wordt een kanttekening gemaakt bij een aantekening uit het verslag van I-27.RI, waarin was gemeld dat Duitsers onder dreiging van burgers een brug trachtten over te steken in Helmond. Op blz. 318 in het Stafwerk [5] stelt het middels een voetnoot dat dit 'één der vele opwindende geruchten was'. Niets was minder waar! [562] In het verslag van 2./AA.156, dat met Leutnant Büchwald aan de spits Helmond als eerste binnentrok, staat zelfs expliciet vermeld dat men de burgemeester, commissaris van politie en 40 burgers gijzelde omdat er door burgers op de Duitsers zou zijn geschoten. Via een tolk werd duidelijk gemaakt aan de burgemeester dat de gijzelaars zouden worden geëxecuteerd als er nog één schot viel. In dat licht is het alleszins aannemelijk dat de panische Duitsers, die kennelijk met tegenstand van Nederlandse militairen geen enkele rekening hielden, burgers als schild of verzekering gebruikten bij het oversteken van een brug in de weg Deurne - Helmond. Dat de schoten - en de drie Duitse doden - in feite door militairen van 1-I-27.RI werden veroorzaakt, was de Duitsers ontgaan. Pas achteraf zal het zo zijn geconcludeerd. Op het moment zelve leidde het tot de telefonische oproep aan de C 1-I-27.RI van de burgemeester om toch vooral de wapens te strekken. Daarop werd niet ingegaan: men moest toch terug.

[32, 236a] De gevechten die door met name 1-I-27.RI vanaf de linkeroever werden geleverd met de voorste Duitse verkenners die Helmond doorkruisten, gingen zonder Nederlandse verliezen gepaard. Aan Duitse zijde sneuvelden - zoals gezegd - drie man. Dat waren de Gefreiter Walter Zaiser en Unteroffizier Hermann Holl van AA.25 en de Gefreiter Wilhelm Patorra van 2./AA.156.

[236a] De reserve majoor Buijtelaar [C-I-27.RI] had opdracht gegeven aan al zijn compagnieën om te Nuenen te verzamelen. Van daaruit wenste hij georganiseerd richting noorden ter vertrekken. Een zinnige overweging, maar met als bijkomend gevolg, dat ook dit bataljon dankzij de ontijdige vernieling van de bruggen over het Wilhelminakanaal de weg geblokkeerd wist. Daarbij was 1-I-27.RI, dat tegenover Helmond lag, sterk vertraagd in haar terugtocht omdat de CC niet gevonden werd om de terugtocht instructie tijdig te ontvangen. De BC intervenieerde nadien met zijn eigen oorspronkelijk verstandige instructies. Op basis van geruchten nam hij allerlei wilde maatregelen, waarbij hij zijn beleid nadrukkelijk liet varen. Hij reageerde op een gerucht van Duitse overschrijding van de Zuid-Willemsvaart bij Helmond, maar belangrijker nog, hij ging zelf op verkenning richting Son om te zien of het gerucht klopte dat de brug aldaar was opgeblazen. Tegelijkertijd verzuimde hij instructies in Nuenen achter te laten voor zijn ondercommandanten. Hij dacht e.e.a. vervolgens te remediëren door de CC’n op te dragen zelfstandig naar Tilburg te verplaatsen. Uiteindelijk wist het bataljon via Eindhoven gefragmenteerd Tilburg te bereiken (zuid van het kanaal) en nadien naar Breda door te trekken. Het bataljon, waarvan de compagnieën zelfstandig bleven terugtrekken, desintegreerde volkomen tijdens die verplaatsingen.

[5, 235] I-41.RI, dat vrijwel geheel intact op 10 mei was teruggenomen van de Maas (o.m. door verstandig vroegtijdig handelen door de C-Vak Bakel), was opgesteld nabij Stiphout. Het had als primaire taak een eventuele terugtocht onder nadringen van de Duitsers te kunnen beveiligen achter het vak Helmond. Het bataljon was geïnstrueerd om bij de verplaatsing naar het noorden van het Wilhelminakanaal wederom als reserve achter Sint Oedenrode te worden opgesteld. Nadat het de RC bekend was geworden dat de bruggen over het kanaal waren opgeblazen, werd een bericht gestuurd aan I-41.RI om bij Son en Breugel over het kanaal naar het noorden te trekken. Dat bericht, hoewel door de RC [235] als aangekomen beschouwd, werd in feite niet ontvangen. De BC stuurde zijn compagnieën individueel naar de diverse bruggen in de nabijheid. Daarbij werden de eerder genoemde bruggen allen vernield aangetroffen, die bij Son en Breugel opgeblazen terwijl de BC deze zelf juist naderde. Na deze bewuste verspreiding van de eenheden, ontstond een chaotische terugtocht door de individuele compagnieën westwaarts. Enkele verbanden wisten nog via kleine bruggetjes meer westelijk ten noorden van het kanaal te komen. Zij kwamen in sommige gevallen midden tussen de Duitse voorhoedes van 9.PD [Gruppe Bentele] terecht, die inmiddels (avond van 11 mei en later) plaatsen als Best en Oirschot bereikt hadden. Het betekende voor de meeste van deze mannen dat zij in de sector Best – Oirschot in Duitse handen vielen. Nederlandse slachtoffers vielen daar overigens niet bij. Het is wellicht ten overvloede om te stellen dat het bataljon als gevechtseenheid ophield te bestaan.

[235] De C-Vak Bakel overste Van der Schrieck had zijn BC’n de opdracht gegeven om over Sint Oedenrode terug te trekken. Daarmee gaf hij weliswaar gevolg aan de instructie dat de eenheden zo snel mogelijk boven het Wilhelminakanaal moesten geraken, maar voor het overige was het een onwaarschijnlijk ondoordacht bevel. Een blik op de stafkaart had de overste reeds moeten overtuigen dat Sint Oedenrode al een brandpunt was dat door vier bataljons boven het kanaal tot terugtrekkingroute zou moeten gelden (wegens gebrek aan alternatieve wegen), en dat dus het toevoegen van nog drie bataljons [I- en II-27.RI alsmede I-41.RI] onverstandig zou zijn. Onwillekeurig het gegeven dat de RC het bevel gaf voordat er sprake was van een terugtocht door de vier bataljons ten noorden van het kanaal, had hij desalniettemin niet ingezien dat zijn eigen drie bataljons via de smalle overgangen bij Lieshout naar het noorden brengen een zeer ongewenste concentratie van mensen en middelen in een uiterst beperkt gebied zou hebben opgeleverd. Immers, de drie bataljons konden zich, eenmaal de noordzijde bereikt hebbende, nauwelijks in de breedte ontplooien. Het bevel was dan ook ondoordacht en vrijwel zeker alleen maar tot stand gekomen om de voordien al weinig verstandige keuze de CP van de RC noord van het kanaal in te richten te compenseren door het regiment weer te herenigen met haar commandant. Het was een typerend voorbeeld van het uiterst beperkte operationele en tactische vernuft bij toenmalige Nederlandse hoofdofficieren. Anderzijds was er wel daadkracht bij de overste Van der Schrieck. Door zijn enerzijds onverstandige keuze zich van de hoofdmacht van zijn eenheid te laten scheiden door in Lieshout zijn CP in te richten, was hij anderzijds tijdens de terugtocht van de Willemsvaartdefensie in staat om het tactisch bevel in Sint Oedenrode over te nemen toen aldaar bleek dat, wegens het ontijdig vertrek van de angstige C-Vak Erp, een gevaarlijk chaos dreigde. Doortastend werd door de RC opgetreden, waarbij hij een veiligheidsscherm regelde voor de terugtocht en zorgde voor adequate bewaking van cruciale punten.

Het detachement 5.KRA (welke bij III-27.RI was aangetrokken en dus noord van het Wilhelminakanaal lag), met vijf overgebleven stukken 6-veld en een aangesloten sectie PAG, bereikte zonder kleerscheuren Tilburg. Nadien zou echter door onduidelijke bevelen en voortdurende Duitse luchtaanvallen de batterij geheel uiteen raken.

Resumerend kan gesteld worden dat de evacuatie instructie funest was voor 27.RI en I-41.RI. Het feit dat de RC zo onverstandig was geweest zijn CP gescheiden van drie van zijn vier bataljons in te richten ten noorden van het Wilhelminakanaal leidde indirect tot de volledige desintegratie van de troepen onder C-Vak Bakel. Een zaak die de RC echter niet voor de voeten kon worden geworpen was de vroegtijdige, panisch aandoende, vernieling van de bruggen over het Wilhelminakanaal ten noorden van Eindhoven. En dat voorval tekende de wel het vonnis voor de desintegratie van 27.RI.

De bruggen over het Wilhelminakanaal

Het Wilhelminakanaal, fractioneel breder dan de Zuid-Willemsvaart, kende vrij veel grotere overgangen. In de sector onder Lieshout alleen al drie [Lieshout-Nuenen, Lieshout-Aarle en Aarle-Donk], de sluis bij Heikant meegerekend, vier. Enkele kilometers westwaarts was er nog een grotere (en een kleinere) overgang bij Son en Breugel en vervolgens nog verder naar het westen de spoor- en verkeersbruggen onder Best. Nog verder richting Tilburg waren er de bruggen bij Oirschot, een kleine bij Haghorst en één onder Moergestel.

Al deze bruggen stonden genoemd in vernielingsplannen die vooroorlogs op bevel van C-III.LK waren opgesteld. De gedachte was daarbij evident dat uiteindelijk een Duitse legermacht om de open zuidelijke extreem van de Peel-Raamstelling zou kunnen trekken en het Veldleger zich ten noorden van het Wilhelminakanaal kon terugtrekken.

[249] Verantwoordelijk voor vernielingen in de sector was o.m. het Peel geniedetachement van de kapitein J.J. de Wolf. Deze eenheid had alle vernielingen in de Vakken van Bakel, Asten en Weert tot zijn verantwoordelijkheid. Het detachement was te Lieshout gelegen, toen de terugtocht op de Zuid-Willemsvaart was volbracht. De kapitein zelf was na het organiseren van de vernielingen als gevolg van de terugtocht op de Zuid-Willemsvaart in de ochtend van 11 mei naar Tilburg getogen om aldaar op het stafkwartier van de Peeldivisie nieuwe instructies te ontvangen, daar door de aanpassing van de strategie zijn taken niet langer meer volgens de draaiboeken konden verlopen. Aldaar was de kapitein getuige van de uitgifte van de nieuwe instructie om de rechtervleugel van de verdediging boven het Wilhelminakanaal te brengen. Daarop toog de kapitein weer oostwaarts om de leiding van zijn detachement weer op zich te nemen. Hij strandde echter onderweg en kwam uiteindelijk niet verder dan Best. Aldaar was de (verkeers)brug nog niet vernield en werd bovendien de overste G.E.A. Themann [C-Vak Asten] aangetroffen, die de troepen persoonlijk stond te regelen. Met de vernielingen oostelijk van Best had de kapitein geen directe bemoeienis gehad. Het is echter zeer goed mogelijk, gezien de legering te Lieshout wellicht zelfs wel aannemelijk, dat zijn detachement de bruggen onder Lieshout vernielde – vroegtijdig vernielde.

[246] 16.C.Pn had eveneens een grote rol in de vernielingen in Noord-Brabant. De compagnie had meegewerkt aan het vernielingsplan voor de sector Weert-Tilburg, nog onder auspiciën van de C-III.LK. De verslaglegging van dit onderdeel is uiterst summier, zodat niet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat detachementen van deze compagnie de vernielingen van de bruggen over het Wilhelminakanaal ten noorden van Eindhoven voor hun rekening namen. De vernielingen van bruggen over het Eindhovensche kanaal, die overigens niet vroegtijdig waren verricht, werd door een detachement van 15.C.Pn verricht [5].

Buitengewoon spijtig is dat het aan bronnen ontbreekt die duidelijk maken welk onderdeel de vroegtijdige vernieling van de bruggen over het Wilhelminakanaal voor zijn rekening nam. Deze buitengewoon kwalijke handelingen zorgden er immers voor dat drie tot dat moment zo goed als onaangetaste bataljons infanterie volkomen gedesintegreerd raakten.

De vernieling van de bruggen west van het Eindhovensche kanaal werd door de Fransen in de loop van de 11e mei in handen genomen. In die zin, dat de vernielingsploegen duidelijk werd gemaakt dat pas op Frans bevel tot vernieling mocht worden overgegaan. Die Franse ambitie werd overigens niet ingegeven door empathie met terugtrekkende Nederlandse verbanden. De enige aanleiding was dat de uitgezonden DD’s van 6.RC richting Eindhoven en Den Bosch eerst veilig terug moesten zijn voordat tot vernieling mocht worden over gegaan. Dat de Fransen, ook elders, bevreesd waren voor vroegtijdige Nederlandse vernielingen is hen wel eens euvel geduid in onze geschiedenisboeken en krijgshistorische artikelen. Dat de Fransen echter het grootste gelijk van de wereld hadden met hun interventies werd alom aangetoond door de panisch aandoende vroegtijdige vernielingen in het oosten en midden van Noord-Brabant.

Vak Asten

[5, 234] Het vak Asten bestond in de Zuid-Willemvaart defensie slechts uit II- [rechtervak] en III-30.RI [linkervak], waarbij kleine restanten van 29.GB en mortieren alsmede enig licht geschut nog als ondersteuning dienden. Het geheel kreeg posities tussen sluis no. 9 [Stipdonk] in het noorden tot een positie ten zuiden van sluis no. 13 enkele kilometers boven Nederweert. Vakcommandant was C-30.RI, de luitenant-kolonel G.E.A. Themann (2), die zijn commandopost bij Heeze, ruim achter zijn vak, maar op het enige kruispunt van doorgaande wegen in zijn sector, inrichtte. Vanuit de CP was een werkende telefonische verbinding met de staf Peeldivisie in Tilburg, maar geen telefoonverbinding met de beide bataljons. Daarvoor ontbraken de verbindingsmiddelen en bestaande verbindingen met de sectoren waar de BC’n hun PC’s hadden ingericht. De bruggen over de Zuid-Willemsvaart in het Vak waren allen gecombineerd met de sluizen (vijf stuks) en werden door politietroepen (detachement Peeldivisie) opgeblazen met uitzondering van een voetbrug bij sluis 11. De bataljonstreinen waren op bevel van de RC ver achterwaarts opgesteld, op de weg naar Geldrop. Ook deze sector van de Zuid-Willemsvaart kende de hoge oostelijke dijk, die de aanvallers naderings- en dekkingskansen bood.

(2) Overste Themann, beroepsofficier en formeel waarnemend commandant Peeldivisie nadat kolonel Schmidt vermist was geraakt op 12 mei 1940, overleed kort na de oorlog. Vóór zijn overlijden was van de overste geen uitgebreide verslaglegging ontvangen door de defensie onderzoekscommissies (hoewel de overste zelf wel zijn BC’n daarom had verzocht), zodat van zijn eigen wederwaardigheden en overwegingen tijdens de strijd (waarbij met name zijn gedragingen in Zeeland, later tijdens de strijd, in het oog sprongen) slechts weinig bekend is geworden. Zijn adjudant q.q. chef-staf reserve kapitein N.Kriens is daarom voor de verslaglegging van het commando over Vak Asten de meest voorname bron.

[233c] Reserve majoor A. de Kloet [C-III-30.RI], die zijn CP te Lierop had ingericht, kreeg geen contact meer met zijn RC nadat in de ochtend een triviaal bericht was ontvangen dat er voldoende kuch moest worden gebakken voor de troepen, omdat vermoedelijk later wederom een grote verplaatsing nodig zou kunnen zijn. Gestuurde ordonnansen met vragen om instructies en meldingen keerden geen van allen terug. Dat effect werd erg bezwaarlijk toen de 2e Compagnie – in de uiterste linkse vaksector tegen I-27.RI aanleunend – even na 1600 uur de ‘buren’ zag vertrekken en deze op vragen hadden geantwoord dat de Duitsers reeds in Helmond waren. De CP van de RC was echter inmiddels al niet meer in Heeze, zodat het niet verwonderde dat ordonnansen hem niet konden vinden. [5, 234] De RC had reeds tweemaal zijn commandopost laten verplaatsen, nadat hem berichten ter oren waren gekomen van oprukkende Duitsers bij Sommeren (brug over sluis 11, uiterste linkerkant vak II-30.RI). Onderwijl raakte de rechterzijde van III-30.RI in contact met Duitse voorhoedes die bij de sluis no.11 waren gearriveerd. Later in de middag, rond 1600 uur, kwamen zij ook tegenover sluis no. 10 waarover een (vernielde) brug liep in de weg Lierop – Asten. Ondertussen was er voor de BC een precaire situatie aan het ontstaan. Hij kreeg bericht dat op zijn linkervleugel I-27.RI terugtrok. Een verificatie van Duitse progressie bevestigde dat er reeds Duitsers in, het vlak naast het bataljonsvak gelegen, Mierlo waren gezien op fietsen. Dat klopte, want AA.25 had reeds rond 1600 uur een groep verkenners richting die plaats gestuurd [562]. Op de rechtervleugel waren de Duitsers in Someren gesignaleerd. Daar nam het krijgsrumoer tegen de avond sterk af, wat een veeg teken was. Van de RC was geen enkel bericht meer ontvangen. Daarop werd in de vroege avond autonoom besloten het bataljon terug te nemen richting Geldrop. Het bataljon zou tijdens die terugtocht geheel in fracties uiteen vallen. Aanzienlijke delen werden gevangen genomen, anderen wisten eigen troepen nog te bereiken, sommige in burgerkleding gestoken te ontsnappen.

Vak Weert 11 mei

[562] De Duitsers – in casu die van I./IR.192 [56.ID] – waren rond 0830 uur in opmars gegaan over Meijel richting de sector van 30.RI. Daarbij werden nog drie man van 2./IR.192 gedood nabij de Peel-Raamstelling positie bij Meijel door een landmijn. Nadat men constateerde dat de verdediging was verdwenen uit de stellingen, en General Geyer [Kdr IX.AK] samen met de Kommandeur van IR.192 [Oberst Wolff] beiden zelf kort na de voorhoedes in Meijel verschenen, werden zonder verdere omhaal voorhoedes vooruit geworpen om het dagdoel – Valkenswaard – tijdig te kunnen bereiken middels een kundige voorverkenning van de te volgen route. Een groepje van vier Duitsers (3) van 2./IR.192 slaagde erin om met een in Asten gevorderde personenauto de nog niet opgeblazen voetbrug over sluis no. 11 bij Someren te benaderen en deze op kort afstand met vuur uit de meegenomen mitrailleur te versperren. Zodanig, dat de Nederlanders de brug niet meer konden benaderen (4). Het huis waarin de Duitse mitrailleur enige tijd een positie vond, werd door PAG aan Nederlandse zijde doorboord, maar de vier Duitsers verplaatsten zich gewoon en zetten het vuren door. Zij hielden dit vol tot om ongeveer 1200 uur de eerste delen van hun bataljon – waarbij ook Oberst Wolff was aangesloten – konden aansluiten. Overigens niet nadat ze eerst hun eigen voorhoede onder vuur hadden genomen, welk misverstand spoedig kon worden opgelost. De Duitsers hadden zich onderweg massaal voorzien van motorvoertuigen, paarden met wagens en fietsen, waarbij niet alleen achtergelaten Nederlandse uitrusting en materieel waren gebruikt, maar ook in dorpjes en stadjes als Meijel en Asten gretig van burgers was gevorderd. De Duitse voorhoede kreeg uiteindelijk aansluiting met de 1e, 2e en de 5e (Radfahr) Kompanie. Deze eenheden verbreedden zich met name naar de noordzijde van sluis no.11.

(3) Dit waren Oberleutnant Matthes – adjudant van de bataljonscommandant I./IR.192 [Hauptmann Kiesling], Leutnant Wunderlich en twee mitrailleurschutters, de Gefreiten Trinks en Nixdorf, zo blijkt uit het verslag van Oberleutnant Matthes zelf over deze gebeurtenis.

(4) Het voor Duitse begrippen slordige en soms opvallend aangezette verslag van de strijd [van I./IR.192, BA/MA dossier RH 37/2799] doet stellen dat de brug onvernield was. Dat was onjuist. De grote brug was wel degelijk vernield. Het verslag van Oberleutnant Matthes – eveneens een BA/MA document – is accurater. Het geeft aan dat de grote brug was vernield maar een voetgangersbrug over de sluis zelf nog intact was. Over de brug over de vlak voor (c.q. oost van) de Zuid-Willemsvaart stromende Aa werd niets gezegd. Aangenomen mag worden dat die intact was gebleven, maar zeker is dat niet.

[233b, 233c, 562] Rond 1330 uur – nadat de Duitse compagnieën zich ontplooiden tegenover de sluis - nam het gevecht in alle hevigheid toe. Daarbij dient overigens te worden aangetekend dat de Nederlanders lange tijd over meer zwaardere ondersteuningswapens (6 mortieren, 2 stukken PAG, 2 stukken 6-veld) beschikten dan de aanvallers en ook numeriek niet inferieur waren, daar bijna drie compagnieën in het betreffende vak vuur konden uitbrengen terwijl de Duitsers zich niet eenvoudig in het terrein ten zuiden van de sluis konden ontplooien. [233b] 1-II-30.RI, direct ondersteund door twee secties mortieren, twee stukken PAG en de 2e Sectie van MC-II (met nog een tweede sectie nabij), bezette het vak aan weerszijde van de brug over de sluis no. 11 (in de weg Asten – Someren – Heeze). De C-II-30.RI [reserve majoor A.B. van Oeveren] was opvallend genoeg niet met zijn commandopost bij deze enige belangrijke weg in zijn vak gepositioneerd, maar koos ervoor zuidelijker bij de onbetekenende weg over sluis 12, in het gehucht ‘Het Eind’ [Someren-Eind], zijn commandopost in te richten. Overwegend dat er geen enkele telefonische verbinding mogelijk was wegens ontbrekende middelen, was dit een onbegrijpelijke beslissing. Omstreeks 0900 uur in de ochtend kwam de overste Themann nog op inspectie, maar kennelijk vond ook hij de vestiging van de CP zo ver van het logistieke zwaartepunt in het bataljonsvak geen zaak die correctie behoefde. Het zou zijn uitwerking niet missen, want de BC, kennelijk ook slechthorend, ontging de intensieve strijd bij Someren volledig tot laat in de middag berichten ervan hem bereikten. Binnen de afstand van 4 km dat de beide locaties van elkaar af lagen had het felle gevecht toch haast onmogelijk aan de oren van de BC kunnen ontsnappen zou men zeggen ...

[233b] Het gevecht bij Someren was intussen een bikkelhard vuurduel geworden, waarbij beide kanten zeer intensief mitrailleurs inzetten. De Nederlanders konden bovendien vier mortieren van II-30.RI en twee van III-30.RI inzetten, alsmede twee stukken PAG die parallel aan de weg naar Someren stonden, en daarnaast de inzet van twee stukken 6-veld vanuit het vak van III-30.RI aanwenden. Op enkele aan de westoever afgemeerde schepen werden lichte mitrailleurs gepositioneerd en in de Meelfabriek was een sectie zware mitrailleurs opgesteld. De gehele omgeving van de brug werd beheerst door de automatische wapens en mortieren van beide zijden, zodat lange tijd geen der partijen zich ook maar fractioneel bloot kon geven. Uiteindelijk werd het tactisch vernuft van de Duitsers uitgebuit, waardoor statische Nederlandse vuurpunten werden onderdrukt, een mitrailleuropstelling vlakbij de brug vakkundig met een lichte mortier met een voltreffer werd uitgeschakeld en zodoende een Duitse stoottroep tot dicht aan de voetbrug naderen kon. De Duitsers slaagden er rond 1430 uur in om over de Vaart te komen en de lokale verdediging te doen wijken. Snel werden grote verbanden naar de westzijde van de Zuid-Willemsvaart gebracht, die het bruggenhoofd binnen de Nederlandse verdediging vergrootten en huizen zuiverden. Aan Duitse kant werd het als volgt omschreven door de eerder genoemde Oberleutnant Matthes [562]:

» …Unser Opel-Pkw, ein herrlicher braunlackierter Wagen, wurde mit 2 MG-Schützen, den Gefr. Trinks und Nixdorf, 2.Kp mit MG und 1.000 Schuss und Leutnant Wunderlich mit Masch.-Pistole und 1 Gewehr besetzt. Ich setzte mich ans Steuer und von den besten Wünschen des Rgts-Kdrs begleitet, brausten wir den Westausgang Asten zu. Die noch in Ort befindlichen holl. Soldaten waren bei unserer Schieserei unserer Meinung nach ganz bereit geflohen, doch schon aus den letzten Häusern Astens pfiffen noch ein paar Schüsse hinter uns her, als man uns in der Limousine im Vorbeifahren erkannt hatte. Dies allein war schon bedenklich, konnte uns aber nicht von unserem erhaltenen Auftrag abbringen. Nun hatten wir die letzten Häuser hinter uns, einige Zivilpersonen hatten verwundert zum Fenster herausgeschaut, und etwa 2 km vor uns sahen wir schon die Bäume und Häuser am Kanalrand. Erwa 100 mtr vor der Brückenstelle stieg die Strasse etwas an und wir wollten dort erst einmal halten, um gedeckt weiter heranzugehen. (...) .  Die beiden Gefr. nehmen sofort das MG und einen Mun.-Kasten aus dem Wagen, ich sehe drüben links von der eingestürzten Brücke eine zweite schmale Brücke, an der sich mehrere Holländer zu schaffen machen. Ein paar Schüsse aus der Pistole lassen diese Kerle fliehen, einer muss sich schleppen, doch im gleicher Augenblick prasselt das MG- und Gewehrfeuer von allen Seiten auf uns und unseren Pkw. Die ersten Schüsse verfehlten ihr Ziel und wir konnten schnell hinter eine Böschung am letzten Haus hart an der Brückenstelle springen. Unser schöner Opel war im Nu vollkommen durchlöchert. Nachfolgende Kameraden haben später festgestellt, dass kaum ein Teil noch brauchbar gewesen sei. Inzwischen hatte der Holländer den wir drüben - 20 mtr von uns auf der anderen Kanalseite entlang einer Strasse bezw. Häuserreihe - auf etwa 70-80 Mann schätzen, mehrere Grw. und Pak auf unser Haus angesetzt. Ununterbrochen ballerten die Spreng- und Panzergranaten in die untersten Hausecken. Sobald wir hochkamen aus der Deckung uns selbst das Feuer aufnahmen, denn das mussten wir, um den Holländer nicht mehr an die unversehrte Brücke herankommen zu lassen, nahm er uns mit zahlreichen MG gleich auf einmal unter Feuer.

(...) Der Wille, die Zerstörung der Brücke zu verhindern, war für unser Handeln entscheidend. Während Lt. Wunderlicht mit einem Gefr. an der Böschung beim Haus liegen blieb und beide aus einigermassen gedeckter Stellung alles unter Feuer nahmen - abwechselnd mit Gewehr, Pistole oder Masch-Pistole - was sich auf dem andere Ufer zeigte, und dadurch auch eine stärkere Besatzung vortäuschte, kroch ich mit dem andere MG-Schützen mit MG an der Böschung weiter nach links, bis wir an einer Stelle waren, wo wir glaubten gutes Schussfeld flankierend auf die Brückenstelle zu haben. Doch als wir auf den Böschungrand dat MG in Stellung bringen wollten, pfiffen uns die Kugeln von noch weiter links drüben und von rechts um die Ohren; immerhin konnten wir dadurch die ungefähre Lage des MG-Nester drüben feststellen. (...) Endlich, nach insgesamt zwei einhalb Stunden, hörten wir von hinten plötzlich wieder MG-Feuer. Und tatsächlich, an der Kanalrand gepresst sahen wir doch beim Umsehen, dass die eigenen Leute nach 300 mtr entfernt in Stellung gegangen sind und auf uns schiessen. Wir danken unserem Herrgott, als nach mehrmaligen Schwenken mit weissen Tüchern die dusseligen MG Schützen dahinten merkten, dass wir doch Deutsche und nicht Holländer waren. Sie hatten unes eben alle schon für erledigt gehalten. Nun ging alles sehr schön schnell. Die Komp. kamen während wir Drei alles verschossen, was wir noch hatten, gedeckt und ungesehen bis an die Böschung. Der Oberst selbst bei den vordersten Teilen, staunte und freute sich riesig, als er uns noch sah und war gleich Feuer und Flamme für den Sturm über die Brücke. Während wir uns noch schnell durch ein Hintertür von der Böschung aus in ein Haus am Kanalrand Eingang verschafften und drüben die feindlichen Stellungen greifbar nage 20 mtr vor uns liegen sahen, nahm ein leichter Granatwerfer des Fw. Strobel eind MG hart an der Brückestelle zum Ziel und erzielte beim 2. Schuss einen Volltreffer. Der Regiments-Kommandeur; dies sehen, wie die eine holl. HMG-Bedienung flieht, und zum Sturm und 'drauf und dran' rufen, war eins. Wir, einige Offz. und Fws. des Btls, greifen uns die nächstliegende Männer der 1. und 2. Komp. und, während der Holländer noch verzweifelt schiesst, stürmen mit 'Barbarischem' Gebrüull über die Brücke. Da erst merken wir, wie stark die Besatzung drüben ist. Jedes Haus müssen wir einzeln nehmen, Unmassen von Gefangener werden zusammengetrieben, Kraftfahrzeuge, Pak, Granatwerfer - kurz alles, was uns die letzten 3 Stunden so zu schaffen gemacht hatte - wurde unsere Beute. 2 Tote und 5 Verwundete hatte das Btl. bei diesem Angriff gegen einen zähen Gegner. Durch einen Vorstoss mit 2 holl. Militär Kraftwagen mit aufgesetzten MG durch Sommern hindurch, was 2-3000 Einwoner gross etwa 2 km am Kanal entfernt lag, gelang es uns noch, auch den letzten Mann dieses holl. Bataillons zu nehmen. «

[562] Doorstotende Duitsers kwamen in Someren in straatgevechten met Nederlandse militairen terecht, maar lieten deze vooral links liggen. Het dorp werd spoedig door de Duitse voorhoede doorkruist. Dat bericht kwam bij de BC terecht, die daarop onmiddellijk de 2e Sectie van 2-II en de 1e Sectie van 3-III (welke in het vak van II-30.RI lag) samen met drie stukken van de MC deed optrommelen. Geleid door de reserve 1e luitenant W. L. Aerdenhout van 3-III kreeg men om ca. 1600 uur opdracht onverwijld een tegenstoot uit te voeren tegen de bij Someren doorgedrongen vijand. In eerste instantie vorderde de formatie goed, waarna deze volledig vastliep in Duitse vuur. Opnieuw volgde een hevig vuurgevecht, waarbij tientallen Nederlanders gewond raakten, sneuvelden of gevangen genomen werden. Een vrachtwagen met een mitrailleur van MC-III-30.RI werd nog als ordonnans naar Someren en Heeze gestuurd (in een poging de RC te bereiken), maar uitgeschakeld (waarbij de mitrailleurschutter sneuvelde). Tegen het donker worden kwam iets meer dan een dozijn manschappen van de formatie Aerdenhout terug naar Someren-Eind; de rest was verloren gegaan of was naar elders gevlucht. Van de ca 80 man die erop uit waren getrokken was dus slechts een kwart teruggekeerd. Het gevecht in de middag en avond, dat zich deels in open veld en in de randen van Someren afspeelde, leverde het grootste enkelvoudige verlies aan Nederlandse kant op bij de strijd aan de Zuid-Willemsvaart. Twaalf militairen sneuvelden nabij de sluis, vijf in Someren zelf. Aan Duitse zijde sneuvelden slechts drie militairen (5).

(5) [31] De Nederlandse gesneuvelden waren van MC-II-30.RI: soldaten A.N. van Dongen [MC-III, gesneuveld in Someren], A. den Hartog, W.F. van Benthem; dpl korporaal J.A. van Vugt en sergeant M.P. Bruijnooge; van de tirailleurcompagnieën van II-30.RI de soldaten C. de Haas (3-II), C.A. Struijs (3-II), P.C. van den Brandt (3-II), A. Buurma (1-II), A.F. Damen (1-II), J.P. Vermetten (1-II); dpl korporaal G. Veldhoen (2-II) en sergeant P.H.F. Damshuiser (1-II); van de staf 30 RI de soldaat ordonnans J.A. den Teuling noordwest van Someren (Beuvenlaan), terwijl hij op een Duits vliegtuig schoot. Van III-41.RI sneuvelden twee militairen in Someren, de soldaten A. van de Akker (1-III) en A. van Meeteren (3-III) en van MC-III-26.RI de soldaat H. van den Weerden. Alle drie kwamen zij om bij een gevecht in de Vaarselstraat (westelijke uitvalsweg van Someren), dat plaatsvond nabij het pand met nummer 99. Zij waren met klein verband van troepen uit de Maaslinie bij III-30.RI aangesloten. Van Meeteren weigerde zich over te geven, werd neergeslagen en vervolgens het hoofd ingeslagen. Van de Akker probeerde uit gevangenschap, na hetzelfde gevecht in de Vaarselstraat, te vluchten, maar werd prompt neergeschoten.

[32, 562] Aan Duitse zijde sneuvelde in Someren de soldaat Seldo Kraft (veldgraf in de Vaarselstraat te Someren). Bij Heeze kwam laat in de avond nog de Unteroffizier Karl-Heinz Richter om het leven (5./IR.192) tijdens de verkenning van die compagnie richting Valkenswaard. Twee Duitse doden (plus vijf gewonden) worden in het zeer gedetailleerde verhaal van Oberleutnant Matthes genoemd bij de aanval over de sluis. Er is echter slechts één Duitser geregistreerd, terwijl de twee die Matthes noemt niet in de Duitse verlieslijst zijn te isoleren. Ze zullen ongetwijfeld wel zijn gevallen.

[233b] Tegen de avond was de operationel winst voor de Duitsers al verzegeld. De tegenstoot vanuit het zuiden tegen de Duitse infiltratie was moedig, maar kansloos. Zoals de Duitse doctrine een penetratie van een verdediging vaak direct feilloos wist uit te buiten, stootten dezelfde formaties die de brugdefensie hadden doen wijken, direct door naar Someren, waar ze al schietend en vurend, in en op ter plaatse veroverde auto’s zittende, doorreden tot de westelijke uitvalsweg van het dorp. Achterop komende infanteristen zuiverden vervolgens het dorp en namen vele manschappen van II-30.RI gevangen. De Nederlandse tegenstoot volgde pas toen de Duitsers al beslissend waren doorgebroken. Dat wist de BC niet, want die had op grote afstand gezeten pas kunnen reageren met zijn tegenstoot toen hem het mondeling gebrachte bericht bereikte dat de doorbraak bij de sluis al een feit was. De majoor besloot na het vernemen van de mislukte tegenstoot het gehele vak vrij te maken voor een grote tegenstoot met de resterende twee compagnieën en sectie MC. De tegenstoot zou rond 2030 uur moeten plaatsvinden. Nadat de formaties op weg waren gegaan werden ze echter door een ordonnans teruggeroepen. De majoor was inmiddels overtuigd geraakt dat het zinvoller was de restanten van zijn gehavende bataljon terug te nemen en de bestaande linie te herstellen. Hij zou vervolgens trachten nieuwe orders te krijgen. Onderwijl drongen de Duitsers echter bij sluis 12 op, waardoor hele secties op eigen initiatief terugtrokken. Bij die sluis werd toen ook een in hevigheid toenemend vuurgevecht met de Duitsers geleverd. Bij deze gevechten bij donker werd het kwaliteitsverschil tussen de Duitse en Nederlandse militairen nog sterker vergroot, zodat het gevecht voor de verbanden naast de sluis (3-II en deel 3-III) aanleiding was om de verdediging op te geven en ongeorganiseerd terug te trekken. Grotendeels deed men dit echter niet op eigen troepen, maar ongestructureerd richting westen. Onderwijl sanctioneerde de BC deze terugtrekkende handelingen door de algehele terugtocht te bevelen voor 0100 uur (12 mei). Het gros van de overgebleven verbanden wachtte echter niet en ging op eigen gelegenheid. Met zijn staf en enige aangesloten manschappen trok de majoor Van Oeveren vervolgens met grote stiltediscipline terug richting Sterksel. Door een gescheiden van die groep terugtrekkend verband werd in de ochtend omstreeks 0930 uur gevechtscontact gemaakt met een kleine groep Duitsers in een bocht bij de Vlaamscheweg [noordwest van Sterksel]. Daarbij sneuvelden twee man van 3-III-30.RI, zijnde de dienstplichtig sergeant F.A. Broos en soldaat A.N. Kanters [31, 233b]. Vrijwel alle terugtrekkende verbanden werden uiteindelijk door de Duitsers gevangen genomen of moesten zich overgeven na van de uiteindelijke capitulatie notie te hebben genomen. Nodeloos te stellen dat II-30.RI ophield te bestaan na de gevechten aan de Zuid-Willemsvaart.

II-30.RI had zich bijzonder goed geweerd bij de Duitse aanval op de sluis, maar had een doortastende opponent getroffen. Het rond de sluis (no. 11) zeer intensieve gevecht alsmede het relatief zware verlies van 17 Nederlandse doden bij Someren had de opmars van IR.192 een halve dag vertraagd. Dat was de operationele winst geweest. Desondanks was het opvallend hoe relatief eenvoudig en verliesarm de niet van zware wapens voorziene Duitsers alsnog de Vaart overkwamen, terwijl de Nederlanders ter plaatse rijkelijk waren voorzien van ondersteuningswapens (die bovendien – vooral de zes mortieren – voor het gevechtsterrein uitstekend geschikt waren) en in het vak niet numeriek inferieur waren. Opnieuw was hierbij opvallend dat twee bataljonscommandanten ver van het gevecht verwijderd zaten en bleven en zodoende van een integrale tactische leiding geen sprake was. Eén van de exponenten van het gebrek aan tactische gevechtsleiding ter plaatse was het gegeven dat in tegenstelling tot de aanvaller, de verdediger zich volkomen statisch bleef gedragen in het gevecht. Er werden geen troepen verplaatst om diepte en opvang te creëren in de oostgrens van Someren en de ondersteunende wapens werden ook niet verplaatst. Zoals uit de Duitse beschrijvingen van het gevecht heel nadrukkelijk blijkt, was dat voor hen de sleutel tot succes. Zij konden niet alleen heel doelgericht Nederlandse vuurpunten uitschakelen of onderdrukken, maar tevens inschatten waar de dode hoeken hen kansen boden. Het was dus wederom niet zo zeer de moed van individuele militairen of de bewapening die de doorslag gaf, maar het tactisch dynamisch handelen van de aanvaller versus de statische lineaire en dus voorspelbare verdediging. Aangetekend dient echter te worden dat de beide bataljonscommandanten dan wel tactisch gezien onverstandig opereerden, maar dat zij desalniettemin uiterst plichtsgetrouw en vasthoudend optraden. Ze kozen niet lichtvaardig voor de terugtocht, maar deden hun uiterste best zo lang mogelijk aan hun opdracht tot standhouden te voldoen, ondanks het feit dat (net als elders) de RC al vroeg tijdens de strijd onvindbaar was. De houding van de beide BC'n zal mede aanleiding zijn geweest voor het feit dat de troepen onder hun bevel zich eveneens niet snel lieten verdrijven, hoewel enkele incidenten wel waren voorgekomen. Opvallend is in deze het contrast met de eenheden boven het Wilhelminakanaal. Op basis van dezelfde impulsen (vijand in flank en rug, tastbaar agressief in front; ontbreken van integrale leiding) waren die wel teruggetrokken in een relatief vroeg stadium van de strijd.

[234] Overste Themann was zoals al aangegeven in de middag tweemaal verhuisd met zijn commandopost. Zoals gewoonte bleek bij de Nederlandse regimentscommandanten [q.q. Vakcommandanten] was men tijdens de meidagen vooral bezig met lijfsbehoud. Curieus genoeg achtte men de eigen staf kwetsbaar voor gevangenneming, terwijl door die gedachtebasis de meeste staven juist - wegens de constante verplaatsingen - in het geheel niet functioneerden. De staf Peeldivisie gaf terzake natuurlijk ook al niet het goede voorbeeld. Overste Themann had vanuit Tilburg het bevel ontvangen dat zijn bataljons naar de noordzijde van het Wilhelminakanaal moesten verplaatsen [sector Best - Oirschot], maar had geen telefoonverbinding met zijn BC'n om dat bericht over te brengen. Wel bracht de RC het bericht over aan de C-Peeldivisie dat er gevechtscontact bij Someren was ontstaan. Een bericht dat in de overwegingen van kolonel Schmidt om de strategie wederom aan te passen (e.g. direct op de zgn. Oranjestelling terug te trekken in plaats van gefaseerd) mee werd gewogen. De RC gaf daarop instructies uit aan zijn beide BC'n die hen per ordonnans hadden moeten bereiken. Beide BC'n ontvingen echter niets, omdat ze vrijwel zeker recht in de armen van de Duitsers gereden zijn. Onderwijl besloot de RC zelf naar het Wilhelminakanaal te gaan om bij Best de oversteek van zijn troepen eigenhandig te kunnen regelen én de vernieling van bruggen aldaar in eigen beheer te nemen. Nabij Best, waar de overste inderdaad het verkeer bij de brug persoonlijk stond te regelen, ontving hij mondeling het bericht dat inmiddels direct op Tilburg moest worden verplaatst door zijn bataljons. Nadat hij in de avond flarden van zijn eigen bataljons ontmoette bij de brug, raakte de RC overtuigd van het gegeven dat zijn troepen waren afgesneden van deze terugtochtroute, te meer daar berichten van doorbrekende Duitse pantserwagens steeds sterker werden. Daarop liet hij de brug opblazen, wat voor troepen van 27.RI en I-41.RI uiteindelijk ook funest werd.  Uiteindelijk kwam de overste via Tilburg in Rijen terecht. Dat hij op dat moment, 12 mei in de ochtend, feitelijk acterend commandant Peeldivisie was geworden (wegens de gevangenneming van kolonel Schmidt nabij Loon op Zand rond 0400 uur) wist de overste uiteraard niet ...

[562] I./IR.192, tegenstander van II- en III-30.RI, had zich intussen doorgeslagen naar het zuidwesten. De Duitse voorhoede bereikte voor middernacht Valkenswaard, waar men zuidwaarts afboog richting België en bij Bergeijk de nacht doorbracht. AA.25, dat de rechtervleugel van de divisie bleef vormen, was tot aan Winterle geraakt en zou via de Kempen richting België afbuigen op de 12e. De divisie beoordeelde de strijd tussen Maaslinie en de Belgische grens als uiterst licht en ervoer vooral de vele opgeblazen bruggen en versperringen als de grootste uitdaging. Een conclusie die onvoldoende recht deed aan de weerstand die men bij Someren had ondervonden, maar in haar algemeenheid – zeker overwegende dat de Duitsers zich op een felle strijd in de Peel-Raamstelling hadden voorbereid – zeer begrijpelijk was.

Vak Weert

Omdat de bespreking van de gebeurtenissen in Vak Weert zich voor een goed overzicht het beste in twee delen laat weergeven, wordt het eerste deel onder ‘prelude’ weergegeven en het tweede deel onder ‘eindspel’.

'Prelude'

De troepen in Vak Weert – I-30.RI, II-41.RI en 4.GB – hadden het in vergelijking tot de overige eenheden in de Peel-Raamstelling in die zin eenvoudiger gehad, dat zij in de vertrouwde (en voorbereide) opstellingen konden blijven zitten gedurende de eerste oorlogsnacht. Omdat de Peel-Raamstelling in het Vak Weert reeds achter de Zuid-Willemsvaart gepositioneerd was, en deze hoofdverdediging niet door de Duitsers was aangetast op 10 mei, was er geen noodzaak gevoeld om het Vak te verplaatsen. Aan de andere kant had de C-Peeldivisie wel de grote angst dat de stelling ten zuiden zou worden omvat, omdat de korte afstand tussen Dorplein [thans Budel-Dorplein] en het Schelde-Maaskanaal [NB: ook Maas-Scheldekanaal, Kempische kanaal en Kanaal Bocholt-Herentals genoemd] door de Belgen niet was aangesloten op de Nederlandse verdediging. De nog grotere afstand [30 km] tot aan het Belgische Beringen, waar het kanaal van Antwerpen naar Maastricht [Albertkanaal] liep waarachter de eerste Belgische verdediging van betekenis liep, was een nog grotere zorg. Kolonel Schmidt was daarom overtuigd dat de Duitsers spoedig om de zuidelijke extremiteit van de Peel-Raamstelling heen zouden zwenken. Er zal worden aangetoond dat de kolonel in die vrees door feiten zou worden bevestigd. Desondanks werd Vak Weert in positie gelaten en bovendien niet verwittigd dat de rest van de Peeldivisie gedurende de nacht aan haar linkervleugel achter de Zuid-Willemsvaart zou aansluiten. Dat leidde ertoe dat er een gevaarlijke leemte in de lineaire verdediging ontstond boven Nederweert, waar I-30.RI niet volledig aansloot op II-30.RI van Vak Asten. De bijna 3 km brede sector tussen sluis no. 13 en sluis no. 14 bleef daardoor onbezet (de sluizen zelf vielen binnen de bezetting van II-30.RI respectievelijk I-30.RI). Die leemte had voordien door de voorverdediging achter de Noordervaart niet bestaan. Deze laatste positie werd echter in de nacht van 10 op 11 mei verlaten. De bruggen over de sluizen waren opgeblazen.

Vak Weert 11 mei

[5, 230] Luitenant-kolonel Casper van der Woude was de commandant van Vak Weert en had zijn commandopost ingericht aan de weg Weert – Maarheeze [thans een facet van de A2 tussen Weert en Eindhoven] in het bos, zo halverwege beide plaatsen, toentertijd bekend als 'de Hutten' of 'Maarheezer Hutten'. Deze beroepsofficier was in tegenstelling tot de overige Vakcommandanten geen regimentscommandant van één der onderdelen in de Peeldivisie geweest. De overste beschikte op 11 mei nog over vrijwel onaangetaste troepen in de hoofdstelling, zijnde van noord naar zuid I-30.RI [tussen sluis no. 14 en Nederweert], 4.GB [tussen Nederweert en sluis no. 16] en II-41.RI [tussen sluis no. 16 en de inundatie bij Dorplein]. Achter 4.GB stond I-20.RA met drie batterijen 8-staal. Een sectie van 16.C.Pn en een 55 man sterk detachement Politietroepen [o.a. de bediening voor 5 kanonnen van 5 in de rivierkazematten] waren voorts ter ondersteuning beschikbaar. Aan zwaardere wapens was in de hoofdstelling het volgende voor handen: I-30.RI had (buiten de kazematten) ondersteuning van twee stukken PAG. 4.GB had een zware wapens compagnie (i.p.v. een MC) met naast twee secties zware mitrailleurs, vier stukken PAG en vier 2 cm geweren tegen pantser [gtp] alsmede twee mortieren van 41 Cie Mr. II-41.RI beschikte over de overige vier mortieren van 41 Cie Mr. en vier stukken 6-veld van 41 Bt. 6-veld. Aangetekend zij dat vrijwel alle eenheden matig bezet waren. De meeste compagnieën van de drie bataljons waren rond de 150 man sterk. Bovendien had 3-4.GB slechts 7 (i.p.v. 12) lichte mitrailleurs en had 3-I-30.RI op 10 mei circa anderhalve sectie verliezen aan manschappen en bewapening geleden door gevechten langs de Noordervaart. Een groot voordeel boven de rest van de Zuid-Willemsvaart defensie was dat men voorbereide stellingen bezet hield en daarbij tussen sluis no. 13 en de noordgrens van de inundatie langs de Vaart 45 kazematten [kazematten no. 9 tot en met 43 alsmede no. 48 en 49; 7 Peeldivisie kazematten; rivierkazematten I t/m V] langs de Zuid-Willemsvaart voor wapenopstellingen kon gebruiken. Tien kazematten in de sector Weert waren van afwijkende types [zogenaamde ‘Peeldivisie’ eigenbouw kazematten], waarvan drie in achterliggende positie. Kazematten waren regelmatig uiterst ingenieus gecamoufleerd als civiele objecten, zoals loodsen, schuren, ventkiosken en zelfs woonhuizen (5). Tankversperringen waren aangebracht nabij sluizen en op doorgaande wegen en de stad Weert was van diverse provisorische versperringen voorzien. De meeste van deze waren onverdedigd en daarmee van zeer betrekkelijk nut. Groot nadeel voor de defensie in het centrale deel van het Vak was dat de stad Weert in hoofdzaak op de oostoever van de Zuid-Willemsvaart lag, waardoor de defensie een aldaar verschijnende vijand – die van de bebouwing gebruik kon maken – niet eenvoudig zou kunnen waarnemen en/of bestrijden. Evident had het voorts tot nadeel dat een hardnekkige defensie ter plaatse tot grote vernielingen in de stad aanleiding kon geven. De stad was daarom grotendeels op 10 mei conform bestaand plan geëvacueerd. De meeste evacués waren in het gebied Budel – Someren – Maarheeze ondergebracht. Dat ze daarmee uiteindelijk het krijgsgebeuren niet werkelijk ontliepen, werd al duidelijk in de bespreking van Vak Asten op 11 mei.

(5) Dat als civiel object camoufleren had overigens weer als (onverdacht) nadeel, dat Duitse militairen – toch al snel in de verleiding de gedachte te omarmen dat men door franc tireurs werd aangegrepen – het idee konden krijgen door burgers te worden beschoten.

De voorverdediging was opgegeven op 10 mei, zodat het kanaal van Nederweert naar Wessem en de Noordervaart niet (langer) verdedigd werden. Het specifiek voor de verdediging van het kruispunt van waterwegen aangelegde defensie eiland bij Nederweert [samenkomst van de kanalen Noordervaart, kanaal van Nederweert naar Wessem en Zuid-Willemsvaart] – waar op 10 mei reeds een kort gevechtscontact met Duitse troepen was geweest – was wel bezet. Het eilandje was met vier rivierkazematten versterkt, waar 1-I-30.RI samen met Politietroepen de bezetting van leverde. Net ten noorden van dit eiland was de vijfde rivierkazemat gepositioneerd naast de brug over de Zuid-Willemsvaart bij Nederweert (6).

(6) Op het toenmalige eilandje waren de rivierkazematten II, III en V (type A) en IV (type B) gepositioneerd in een ruitvorm, zodat in een straal van circa 270 graden (van noord rechtsom naar west) vuur kon worden afgegeven. De positionering was II [noordwest], IV [noordoost] V [zuidoost] en III [zuidwest].

[66] Het type A was een kazemat met één verdieping waarin kanon (kanon van 5 no.2) en zware mitrailleur (Schwarzlose M.08) gelijkvloers stonden opgesteld. Het type B had (minimaal) twee verdiepingen waarbij de verhoogde uitvoering werd aangewend om over een bepaald obstakel (zoals een dijk) heen te kunnen vuren. De rivierkazemat I, bij de brug te Nederweert, was van het type C. Dat was een kazemat waarbij naast het standaard kanon en zware mitrailleur nog meer bewapening was opgesteld. In dit geval een extra mitrailleur.

[233a] I-30.RI had op 10 mei met haar versterkte 3e Compagnie een voorverdediging gevormd nabij de Noordervaart, waarvan zij in de avond bevolen werd terug te trekken, welke terugtocht pas in de vroege uren van 11 mei was voltooid. Reeds op 10 mei vond het bataljon eenheden van 30.ID tegenover zich, terwijl ook uitlopers van voorverkenners van 56.ID langs de Noordervaart actief waren geweest. [558] Gedurende de nacht van 10 op 11 mei ontwikkelde 30.ID zich echter met haar hoofdmacht tegenover het gehele Vak Weert. Een Vorausabteiling, gevormd uit het aangetrokken AA.1 (7) ondersteund door 2./AA.30 (één Radfahr Kompanie), 9./IR.46 (Abteilung Oberleutnant Borgmann) (8), rest III./IR.46, een Pionierafdeling en Pz.Jgr.Abtl.30, diende bij Mildert het kanaal van Nederweert naar Wessem te overschrijden. De voorste delen van AA.1 waren reeds om 0700 uur het kanaal met drijfzakken overgestoken. Ze zou na een succesvolle oversteek van de Vorausabteilung worden gevolgd door IR.6, dat zich tot die tijd concentreerde rond Roggel – Heythuyzen (met II./AR.30 en 1./Pi.30 als ondersteuning). IR.46 (min III./), met II./AR.67 als ondersteuning, kwam in de sector Baexem – Kelpen tot ontplooiing. Te Heythuyzen werden ook de staven, inclusief het artilleriecommando met Schwere Artillerie Abteilung 445 gepositioneerd. IR.26 was in reserve en zou na de Maas te zijn overgestoken bij Neer in afwachting van nieuwe bevelen hergroeperen. I./ en III./AR.30 stonden samen met I./AR.66 nog ten oosten van de Maas. Doel voor 30.ID was de Peel-Raamstelling bij Weert te doorbreken en nadien richting het Belgische Lommel en Balen door te stoten. Onder Baexem zou 19.ID [van XI.AK] op de linkerflank van 30.ID tussen Neeritter en Stramproy de Belgische grens overtrekken om richting Bree en Peer in België door te stoten.

(7) De Aufklärungsabteilung 1 [AA.1] behoorde tot de Heerestruppen (aangewezen voor ondersteuning van IX.AK), maar werd op 10 mei in de ochtend al aan 30.ID toegewezen. Het was een bijzonder sterk verkenningsverband – gelijk aan die van de grote tankdivisies – dat qua gevechtseenheden volgens de april 1940 KSTN de beschikking had over zo’n 50 pantserwagens, waarvan 20 met een 2 cm kanon waren uitgerust, verdeeld over twee pantserwageneskadrons, een eskadron motorrijders (met 9 lichte en 2 zware mitrailleurs alsmede 3 lichte mortieren) en een ondersteuningseskadron met 3 stukken PAK, 2 stukken IG van 7,5 cm en een lichte mitrailleur.

[611] Deze grote verkenningseenheden hadden over het algemeen de beschikking over zo’n 16-20 Sd.Kfz. 221 (4-wiel lichte paw, MG), 8 Sd.Kfz. 222 (4-wiel lichte paw, 2 cm kanon plus MG), 4-8 Sd.Kfz. 223 (6- of 8-wiel zware paw, MG plus Funk), 12 Sd.Kfz. 231/232 (6 of 8-wiel zware paw, 2 cm kanon plus MG / Funk) en 2-3 Sd.Kfz.263 (6- of 8-wiel zware paw, MG plus Funk).

(8) Deze Vorausabteilung onder Oberleutnant Borgmann [Kdr 9./IR.46] was oorspronkelijk in feite slechts de van fietsen voorziene 9./IR.46 samen met AA.30, dat uit slechts één Schwadron bestond, voorzien van enige versterking in de vorm van pioniers, verbindingen en enig geschut [558: ‘Bildung der Vorausabteilung – Oblt Borgmann, 6 mai 1940’]. Doordat de meeste Duitse verkenningsafdelingen in het voorjaar van 1940 in een grote reorganisatie betrokken waren en alom eskadrons c.q. compagnieën hadden moeten afgeven (o.a. voor de vorming van eskadrons voor 1.KD), waren zelfs van 1.Welle divisies de meeste verkenningsafdelingen gereduceerd tot slechts één compagnie of eskadron. Daardoor hadden regimenten geen enkele aanspraak meer op de divisie AA’s. De meeste regimenten vormden vervolgens in hun bataljons met fietsen uitgeruste verkenningsafdelingen, in veel gevallen uit de 5e soms kennelijk ook de 9e Kompanie. Deze afdelingen kregen alom in de tactiek van de meeste regimentscommandanten de verkenningstaken toebedeeld. Bij 30.ID was men op 9 mei nog ongewis dat de zeer sterke AA.1 zou worden toegewezen, zoals wel blijkt uit het Divisions-Befehl van 9 mei 1940 [558: BA/MA RH26-30-8], waarin AA.1 nog onder het Generalkommando AK staat als autonome eenheid. Zou dit niet zo zijn geweest dan was de Vorausabteilung Borgmann vermoedelijk niet gevormd. Overigens wordt deze afdeling in ‘Opmars naar Rotterdam’ niet juist beschreven [30: dl.2, blz. 234-235]. Het betreffende boek spreekt niet alleen onterecht van een Oberstleutnant [overste – in plaats van Oberleutnant voor 1e luitenant], maar tevens van Bergmann in plaats van Borgmann.

[558] Om 0800 uur was de situatie al weer zodanig gewijzigd dat een verkennersformatie van AA.1 en Abteilung Borgmann ten zuiden van het kanaal van Nederweert naar Wessem gereed was voor verdere verkenning en de rest van III./IR.46 eveneens aan de overzijde was geraakt. Voorts was intussen IR.26 over de Maas gezet. De verkenners van de Vorausabteilung meldden reeds om 0830 uur dat Weert onverdedigd was. AA.1 bleef nabij het kanaal liggen (vermoedelijk omdat haar pantserwagens niet overgezet konden worden). Abteilung Borgmann was reeds om die tijd bij Altweerterheide (onder Weert) aangekomen en verkende door naar de Zuid-Willemsvaart - waar vuur hen tegemoet sloeg - en vervolgens richting Lozen in België. Als gevolg van de meldingen aan de divisie werd om 0900 uur bevolen aan III./IR.46 (min 9./) om met verkenners te verifiëren dat Weert inderdaad door de Nederlanders onverdedigd was. Kort nadien kreeg IR.6 opdracht hetzelfde te doen bij Nederweert [peloton van 9./IR.6 met één PAK werd daartoe ingezet]. Al om 1020 uur volgde bericht van Kdr III./IR.46 dat Weert inderdaad onverdedigd was, maar de kanaalstelling sterk bezet was. Tezelfdertijd kwam van het ten zuidenwesten van 30.ID opererende 19.ID het bericht binnen dat de gevechtscommandopost van de divisie reeds te Molenbeersel (België) was ingericht en de voorhoedes aan het Schelde-Maaskanaal geen enkele tegenstand ondervonden hadden. De divisie voorhoede was reeds onderweg richting Peer en Hechtel. Om 1200 uur was een 8-tons noodbrug bij Mildert over het kanaal gereed gekomen door toedoen van Pi.Btl.30. Deze werd direct door een batterij van II./AR.67 benut en kon ook de zware pantserwagens van AA.1 eindelijk aan de overzijde brengen. Om 1245 uur kwam een radiobericht binnen van de Gruppe Borgmann dat de brug over de Zuid-Willemsvaart bij de sluis te Lozen (B.) intact en onverdedigd was en ter beveiliging werd overschreden. Daarmee was men achter (west van) de Zuid-Willemsvaart geraakt. Het verband bleef daar ter beveiliging liggen terwijl AA.1 met spoed werd aangetrokken om de doorbraak uit te buiten. In haar kielzog zou – dat was het plan – eerst de tweede Vorausabteilung met III./IR.46, daarna IR.6, en vervolgens de rest van IR.46 worden verplaatst richting die sector. Na oversteken bij Lozen zou richting Hamont (B., onder Budel) worden opgetrokken. De tweede Vorausabteilung was rond 1300 uur reeds op Belgisch grondgebied geraakt. Intussen werd rond 1400 uur door de divisiecommandant Generalleutnant Kurt von Briessen – die zich constant bij de voorste troepen bevond – telefonisch overleg met zijn gevechtsstaf gevoerd over de te volgen strategie. Daarbij werd besloten geen frontale hoofdstoot uit te voeren richting Weert, maar om de hoofdmacht langs het Schelde-Maaskanaal te geleiden richting westen en met de AA.1 (inclusief de aangesloten Gruppe Borgmann) over Hamont achterom naar Weert te ageren. Om 1500 uur meldde de voorhoede van AA.1 Hamont onverdedigd. Om 1530 uur werden de eerste infanteristen van Gruppe Borgmann per fiets naar Dorplein gestuurd. Het repareren c.q. slaan van (nood)bruggen moest ervoor zorgen dat de hoofdmacht van AA.1 later zou kunnen volgen.

Aan Nederlandse kant was men opvallend genoeg voor een belangrijk deel accuraat op de hoogte van de Duitse bewegingen. Om dat te kunnen verklaren moet naar de handelingen van C-II-41.RI [reserve majoor F. Pot] worden gekeken. [231] De C-II-41.RI had de grootste verdedigende uitdaging van het Vak Weert, omdat hij met zijn bataljon op de zwevende rechtervleugel van de Peel-Raamstelling verkeerde. Er was weliswaar een uitgebreide inundatie gezet rondom Dorplein, maar de kazematten om die inundatie op de kwetsbare locaties te verdedigen waren niet gereed. Daarom waren enige s.p.o.’s geconstrueerd op de zuidelijke vleugel, maar was een acces bij een toegangsweg tot een zinkfabriek geheel onverdedigd. De achterzijde van de inundatie – met name de weg Hamont – Budel – was op aanwijzing van de C-Peeldivisie in het geheel niet beveiligd (9). De C-II-41.RI had echter wel de beschikking gekregen over enkele postduiven. Deze waren verdeeld over vier posities, welke door drie man bezet waren: aan de grens met België bij Stramproy, bij de weg langs de westzijde van de Zuid-Willemsvaart (grenskantoor Kempenweg), bij de grenspost op het station te Groot-Schoot (thans Budel-Schoot) en op de grens nabij het Belgische Hamont. Bovendien was onder de leiding van de sergeant capitulant Daamen een wielrijderpatrouille in Dorplein gelegerd, welke doorlopend patrouilles moest fietsen langs de grens. Alle compagnieën hadden voorts de taak gekregen op enige honderden meters voor de Zuid-Willemsvaart luisterposten te plaatsen.

(9) Het is vaker onder de aandacht gebracht in de bespreking van de gebeurtenissen in Noord-Brabant: hoe curieus het was dat de kolonel Schmidt in zijn naoorlogse verklaringen, zowel op papier als voor de PEC, bijzonder veel kritiek uitte op zijn superieuren en hun strategische aanwijzingen en besluiten, daarbij de wijsheid predikend die vermeende fouten der superieuren zelf niet te hebben gemaakt. In de praktijk bleek juist hijzelf op veel hoofdpunten onbegrijpelijk te hebben gehandeld - althans in het licht van zijn wijsheid achteraf. Zo hamert de C-Peeldivisie in zijn getuigenissen op de kwetsbaarheid van het zuidelijke uiteinde van de Peel-Raamstelling. Tijdens de meidagen bleek hij ook uiterst gevoelig voor de geringste signalen van Duitse omvatting van dat punt bij Dorplein. Tegelijkertijd had hij geen goedkeuring gegeven om de verdediging van Vak Weert te verlengen op de zuidelijke vleugel tot bijvoorbeeld de weg tussen Hamont en Budel. Dat was een handeling die diametraal op de door kolonel Schmidt (naoorlogs) gepredikte wijsheid stond. Ook zijn - nog te bespreken - gegeven toestemming het Vak pas in de avond te evacueren stond haaks op zijn naoorlogs gepredikte opvattingen.

[231] De C-II-41.RI was op lovenswaardige wijze de gehele eerste oorlogsdag betrokken bij pogingen veldinlichtingen te verzamelen. Een eigenschap die slechts weinig Nederlandse officieren anno 1940 bezaten, want het gros spande zich nauwelijks in de noodzakelijke ‘battlefield intelligence’ te verzamelen. De majoor Pot stuurde echter de beide reserve 1e luitenants C. J. Dragt [staf II-41.RI] en J. v.d. Van der Matten [C. 41e Bt 6-veld] op pad om in België contact te leggen met de lokale legerleiding. Beide officieren kregen echter geen toestemming van de achterdochtige Belgen om de grens over te steken. Hun inlichtingen waren dan ook summier; slechts dat er een sterk vermoeden was van slechts zwakke Belgische grenstroepen in de sector. Onderwijl had de majoor, inmiddels bevestigd in het algemeen vermoeden dat er in elk geval geen sterke Belgische troepen onder hem lagen, een beveiligingsplan ontworpen voor zijn rechtervleugel. Een hem vagelijk toegezegd Frans bataljon – door de majoor overigens direct middels aanwijzing van een eigen liaison voorbereid – zou dan op basis van zijn vuurplan direct in stelling kunnen komen. Zijn aandacht werd voorts vereist voor de chaotisch verlopende evacuatie van burgers uit Weert, die in lange stromen dwars door de stelling kwamen, grotendeels onbewust van de stremmingen aldaar. In plaats van in Budel – waar volgens het plan 3.000 bewoners van Weert heen zouden moeten verplaatsen – kwamen vele in het hospitium te Dorplein terecht. Gedurende de avond en nacht bleef het rustig en meldden de vele telefoon- en postduivenposten zich zonder bijzonderheden. Omstreeks 0800 uur werd vanuit de post nabij echter Stramproy gemeld dat vijandelijke pantserwagens richting België passeerden. [563] Het KTB van 19.ID bevestigt dat haar voorhoede, bestaande uit de versterkte 5./IR.74, reeds ruim voor die tijd door Stramproy trok, spoedig gevolgd door AA.19 (zonder bereden eskadron, inclusief een peloton met drie pantserwagens) en delen van de Pz.Jg.Abtl.19.

[231] Op de melding vanuit Stramproy besloot de BC om de reserve 2e luitenant L.P. van Reyen van zijn staf – eerder als liaison officier aangewezen voor het beloofde Franse bataljon en dus kennelijk Franssprekend – naar Hamont te sturen om aldaar inlichtingen te verkrijgen omtrent de Duitse progressie onder het bataljonsvak. Rond 0900 uur bevond de luitenant zich reeds te Hamont en kreeg daar informatie dat de Duitsers reeds te Lozen waren gesignaleerd. [558, 563] Dit waren in elk geval niet de Duitsers van 30.ID, die pas veel later daar zouden arriveren, maar vermoedelijk wel verkenners van 19.ID. Daarvan was al een formatie om 0630 uur in het iets meer ten zuidoosten gelegen Lechten (tegenover Bocholt) gearriveerd, waar de brug wel was opgeblazen. [231] De luitenant Van Reyen constateerde tevens dat de bruggen over het Maas-Scheldekanaal nabij Hamont waren vernield zodat hij de berichtgeving niet zelf kon verifiëren. Rond 1100 uur was de luitenant terug om zijn bevindingen te melden. Ze werden als ernstig genoeg ervaren om (via de C-Vak) richting Peeldivisie te worden doorgegeven. [5, 230] Bij zijn melding verzocht C-Vak om versterking voor zijn hangende rechtervleugel, maar kreeg te horen dat die versterking niet gegeven kon worden. Daarop besloot de overste Van der Woude om 3-I-30.RI (een vrijwel gehalveerde formatie van ongeveer 75 man, dat C-I-30.RI na het terugtrekken uit de voorverdediging als tactische reserve aanhield) naar de uiterste rechtervleugel over te brengen, wat in de loop van de middag zijn beslag kreeg. Tegelijkertijd werden ongeveer twee secties geformeerd uit 2-II-41.RI en 4.GB om de commandopost van de overste te beveiligen. Deze secties werden dus onttrokken uit de frontlinie om een ver in het achterland geplaatste CP te beveiligen (10). Het netto resultaat van deze handeling was dus een verzwakking van de frontlijn ten bate van de beveiliging van de commandopost van de overste! Nog kwalijker was dat al om 1400 uur ook I-20.RA reeds naar de CP van C-Vak werd aangetrokken voor extra beveiliging [echter, zogenaamd in het kader van de voorgenomen terugtocht]. De afdeling kon daarom geen vuursteun meer geven aan de frontlijn, die nog lang nadien bezet moest blijven. Het was al met al geen verheffende vertoning.

(10) Een zoveelste bewijs dat regimentscommandanten q.q. vakcommandanten vooral erg betrokken waren bij hun persoonlijke veiligheid. In een situatie waarin het gemis aan troepen ernstig gevoeld wordt, waarbij men nota bene een open flank met slechts een halve compagnie beveiligen kan, een sterkte van (meer dan) een halve compagnie onttrekken aan diezelfde ijl bezette frontlijn ten bate van beveiliging van een ver afgelegen CP, is een brevet van onvermogen aan het adres van desbetreffende bevelhebber. Men bedenke daarbij dat een dergelijke regimentsstaf al tenminste een sterkte van zo’n 35 of meer manschappen heeft ter nabij beveiliging en dat overige staftroepen rondom bij een onverhoopt noodzakelijke verdediging ook uitstekend kunnen worden ingezet.

[5, 230] Toen in de middag – rond 1230 uur – bij C-Vak Weert de instructie werd ontvangen dat het Vak Weert zich diende te verplaatsen naar de sector noord van het Wilhelminakanaal (tussen Oirschot en Tilburg), had men kunnen verwachten dat C-Vak – indachtig de kennis omtrent de bestaande dreiging te worden omtrokken door de Duitsers – deze instructie zou hebben omarmd. Er werd echter enige tijd later door hem telefonisch het bezwaar ingebracht dat een verplaatsing overdag wegens de prominente Duitse aanwezigheid in de lucht als uiterst hachelijk werd ervaren. Bij de totstandkoming van die overweging speelde de C-II-41.RI een grote rol. Deze maakte sterk bezwaar tegen een directe terugtocht, onder het mom dat de vijand wellicht reeds in de rug zat en bij daglicht geholpen door de Luftwaffe dan eenvoudig het bataljon kon uitschakelen. Deze merkwaardige voorstelling van zaken werd gevolgd door de overste Van der Woude. In plaats van tegen te werpen dat een vijand in de rug zo spoedig mogelijk zou moeten worden ontlopen, daar deze zich immers snel kon versterken en wellicht de gehele regimentssterkte zou kunnen afsnijden, kon de overste zich kennelijk vinden in het voorstel van de terugtocht onder dekking van het duister. De C-Peeldivisie gaf vervolgens even lichtvaardig – wetende dat op de zuidvleugel een Duitse penetratie was bevestigd – aan de overste Van der Woude toestemming de duisternis af te wachten. Een onvoorstelbare keten van besluiten, die zich voor wat betreft de ‘angsten’ van kolonel Schmidt voor de risico’s van zuidelijke omvatting van ‘zijn’ stelling omgekeerd evenredig verhield met zijn besluiten [zie voetnoot 9]. De kolonel had nooit mogen aanvaarden dat de kostbare troepen bij Weert pas gedurende de nacht zouden kunnen terugtrekken. Te meer niet daar gedurende de dag er nog geen sprake was van belangrijk gevechtscontact met Duitsers in front van de eigenlijke linie, wat dus juist een uitgelezen kans bood met stille trom te evacueren. Er werd echter toch voor gekozen om tot de duisternis te wachten en dat besluit zou rampzalig uitpakken.

[5, 230] Nadat rond 1300 uur het besluit was gesanctioneerd dat na het vallen van de duisternis zou worden geëvacueerd uit de stelling, werden de BC’n met instructies daartoe bediend. De bedoeling was dat de daarover geinformeerde CC’n deze instructies voor zich zouden houden en hun instructies in stilte zouden uitwerken. De geruchten onder manschappen werden echter door 'lekkende' CC'n sterk dat een evacuatie op til was, wat het moreel niet verhoogde. Spoedig zouden de gebeurtenissen voor de stelling echter andere prioriteitstelling verlangen.

[232] Bij 4.GB [C. majoor P.G.A. Fortanier], dat de westzijde van Weert verdedigde, was in de ochtend reeds enige voeling met de Duitsers ontstaan. Zoals eerder besproken waren inderdaad enige Duitse verkenners naar de stad gestuurd, later (ca. 1000 uur) nogmaals teruggekeerd ter verificatie van eerdere bevindingen. 4.GB, dat uit drie compagnieën infanterie (waarvan 3-4.GB met slechts zeven lichte mitrailleurs was uitgerust) en een halve MC bestond, had een frontbreedte van maar liefst 4 km te verdedigen. Ze was van links naar rechts ontwikkeld vanaf de weerszijden van de stad Weert, met 1-4.GB links en 3-4.GB rechts. De ontbrekende 4e Compagnie van 4.GB was vooroorlogs gedetacheerd om grensdetachementen in de Maasregio te vormen, en slechts fracties ervan keerden terug. Vier stukken PAG en vier gtp waren de enige eigen ondersteuning, aangevuld met een sectie mortieren van 41 Cie Mr. Achter haar stond de Afdeling I-20.RA [C. reserve kapitein van Wessem] met twaalf stukken 8 lang staal. Deze stokoude 8-staal vuurmonden, stalen infanteriegeschut uit de voorgaande eeuw dat nog werkte met gescheiden lading, hadden slechts een effectief bereik van ongeveer 4.000 m. De drie batterijen waren Vak breed opgesteld recht tegenover hun beoogde doelen. Wegens de vlakke baan waarmee het schoot kon het geschut door de bebouwing in feite nauwelijks andere doelen beschieten dan die waartegenover ze was opgesteld. Bovendien was het bereik onvoldoende om bijvoorbeeld de strategische wegenknooppunten bij het gehucht Kelpen (8,5 km) en west van Leveroy (9 km), of de kanaalovergang bij Mildert (7,5 km) te beschieten. Het bereik was in feite juist voldoende om de directe naderingszone van Weert zelf te kunnen beschieten, maar daarmee hield het op.

[232] In de ochtend werden door burgers Duitsers gemeld in het oosten van de stad. Verificatie van die berichten – o.a. door een patrouille met de BC zelf daarbij als commandant optredende – leidde niet tot positieve eigen vaststelling, maar uit Duitse bronnen is reeds aangetoond dat inderdaad enkele patrouilles de stad bereikten in de ochtend van 11 mei. Slechts één Nederlandse patrouille had een kort contact met enige Duitse motorrijders. Onderwijl kwamen er meldingen van burgers dat er grote colonnes Duitse pantserwagens in zuidwestelijke richting voor Weert langs kruisten. Dat betrof de verplaatsing van AA.1 richting Mildert, want dat was de enige Duitse formatie met vele tientallen pantserwagens in haar gelederen. Ook waren er geruchten van een grote massa Duitse pantserwagens die ten zuiden van Weert op de Zuid-Willemsvaart aanvielen. Daarvan klopte niet veel, hoewel een Duitse verkenningseenheid inderdaad even aan de verdediging aldaar ‘snuffelde’. Op andere geruchten werd gereageerd door de C-4.GB door bij I-20.RA ondersteuning aan te vragen. Een aantal gebouwen in de stad en Nederweert moest eraan geloven, maar Duitsers werden er niet mee uitgeschakeld. I-20.RA verschoot bijna 360 granaten op vier verschillende doelen, alle vuren aangevraagd zonder dat door één militair een Duitser ter plaatse van de doelen was waargenomen. [230, 232] Om 1300 uur werd de BC door de C-Vak ingelicht dat een nader bevel zou volgen tot evacuatie, waarbij achter het Wilhelminakanaal zou worden teruggetrokken om ten westen van Oirschot een nieuwe opstelling in te nemen. Eerste fase in die evacuatie zou zijn dat onder achterlating van een klein beveiligend scherm 4.GB en II-41.RI zich op de CP van C-Vak zouden terugtrekken. Vanaf die locatie zou in gezamenlijkheid en onder directe leiding van de overste Van der Woude via Maarheeze en Heeze naar Eindhoven – Oirschot worden gemarcheerd. I-30.RI zou zich bij Heeze aansluiten.

[233a] I-30.RI [C. reserve majoor C.L.M. Ingen-Housz] bezette het meest linker bataljonsvak in Vak Weert. Zoals eerder besproken was het bataljon enigszins gehavend door de gevechten op 10 mei langs de Noordervaart, in de voorverdediging. Ongeveer de helft van de 3e Compagnie was daarbij verloren gegaan eveneens drie zware mitrailleurs van de MC. Gedurende de nacht was het restant van circa 75 man teruggekeerde in de hoofdstelling en als reserve aangewezen. De 1e Compagnie zorgde voor de bediening van de zware mitrailleurs in de vier kazematten op het eilandje bij de viersprong van waterwegen nabij Nederweert. Aldaar had men in de middag van 10 mei voeling met de vijand gekregen, waarbij een kort vuurduel met een pantserwagen tot de vermeende vernieling van de laatste had geleid.

I-30.RI kreeg op 11 mei als eerste wezenlijke gevechtscontact enig artillerievuur te verwerken dat op het kazematteneilandje lag. [558] Het is uit de voorhanden Duitse bronnen niet op te maken welke afdeling dat vuur afgaf, of liever gezegd, afgegeven kan hebben. Op dat moment was slechts II./AR.30 beschikbaar voor de Duitsers en het gevechtsrapport van die eenheid [558: RH41-10-35] meldt niets over inzet. Het was op dat moment echter wel toegewezen aan IR.6, dat tegenover Nederweert haar afwachtingsgebied had. Anderzijds was het IR.6 ontzegd om behalve lichte verkenning enige andere handeling te ontwikkelen tegenover Nederweert [558: aantekening KTB 1a, 1230 Uhr]. De overige tot de artilleriecommandant 30.ID behorende eenheden [I. en III./AR.30, I./AR.66 en II./AR.67] waren het in elk geval niet, want die eenheden waren alle in opmars. Het is echter in het geheel niet uit te sluiten dat het Nederlandse I-20.RA voor de beschieting aansprakelijk was en in feite dus eigen troepen beschoot. De Afdeling gaf namelijk diverse gelegenheidsvuren af op ongeïdentificeerde doelen. Aangezien ze door haar aankomst vlak voor de meidagen met de stelling nagenoeg onbekend was, zeker het deel buiten het vak van 4.GB, is de mogelijkheid beslist niet uit te sluiten dat het om eigen vuur ging. De andere aannemelijke mogelijkheid is dat het vuur betrof van enkele stukken infanteriegeschut of mortieren van Duitse verkenners. Dat ligt echter niet werkelijk in de reden, omdat Duitse verkenners een dergelijke taak niet op zich zouden nemen en een vuurverkenning gewoonlijk op korte afstand werd verricht om de tegenstander vuur te ontlokken, wat een artilleriebeschieting evident niet bereikt. Het is dus een raadsel welke eenheid, zelfs welke zijde, vuur legde op het kazematteneiland.

[233a] C-I-30.RI kreeg circa 1400 uur bericht van een aanstaande terugtocht. Dat bericht kwam niet geheel als verrassing. Voordien waren de BC berichten ter oren gekomen van een Duitse aanval bij Someren en van Duitse troepenverplaatsingen onder Weert langs in België. Wel hadden gezochte contacten met de linker buurman [II-30.RI] uitgewezen dat deze nog steeds in positie was. De BC werd geïnformeerd dat de terugtocht onder dekking van de duisternis zou geschieden. Hoewel de C-Vak aangaf dat hij tevens had aangegeven dat C-I-30.RI als algemene leidraad had meegekregen dat deze via Sterksel – Heeze aansluiting zou vinden bij de rest van het Vakregiment, geeft de majoor Ingen-Housz in zijn verslagen daarvan geen bevestiging weer. In elk geval werd door de BC een instructie uitgegeven aan zijn twee resterende compagnieën (immers – 3-I was naar de rechtervleugel van het Vak verplaatst) voor een verplaatsing, welke overigens zonder instructie van geheimhouding door de CC’n met de manschappen werd gedeeld.

Beschouwing 'Prelude'

Tot zover de omschrijving van de gebeurtenissen tot diep in de middag van 11 mei in Vak Weert. Daarbij zijn niet alle schermutselingen met kleine Duitse verkenningsverbanden beschreven. Wel is er gezocht naar een overzichtelijke weergave van de grote Duitse verplaatsingen richting België.

Het mag duidelijk zijn dat 30.ID de Nederlandse verdediging bij Weert wegens de gevonden lacune onder de Belgisch-Nederlandse grens niet langer frontaal zou aanvallen, maar haar zou omvatten met een klein nevenverband, terwijl de hoofdmacht zich langs de grens westwaarts zou ontwikkelen. Deze gebeurtenissen stonden vrijwel haaks op de verwachtingen die generaal I.H. Reynders vooroorlogs had gehad. Om dit nader te illustreren een citaat uit de enige biografie over deze markante generaal genaamd ‘Generaal Reynders – een miskend bevelhebber 1939-1940’ van de bekende auteur Eppo H. Brongers [Aspekt, 2007: blz. 80-81]:

» … Toch wilde Reynders deze door het terrein vrij sterke stelling [AG: Peel-Raamstelling] handhaven. Hij was een van de weinigen die het Duitse optreden voortdurend bestudeerde en als geen ander kende. Dat optreden werd gekenmerkt door verrassende, snelle doorbraken met een plaatselijke overmacht om daarna snel door te stoten. Daarbij bekommerde men zich weinig om hun tegenstander ter weerszijde van het doorbraakpunt. Dat werd aan later volgende troepen overgelaten. Deze Blitzkriegtactiek [sic] had doorgaans een grote morele uitwerking op niet aangevallen delen van een stelling. Men voelde zich daar in de rug bedreigd en probeerde dan via een snelle terugtocht aan omsingeling te ontkomen. Maar Reynders achtte het niet waarschijnlijk dat de tegenstander een tijdrovende manoeuvre in de rug van de linie zou uitvoeren met een Franse bedreiging uit het westen. Dat zou geheel in strijd zijn met de beschreven Duitse tactiek. Bovendien kon hij dit tegengaan door de Lichte Divisie in de strijd te werpen, dat bij de grens achter het zuidelijk deel van de Peel-Raamstelling was gelegerd. (…) Nee, de generaal verwachtte een Duitse doorbraakpoging in het noordelijk deel van de stelling, bij Mill. (…) Op 10 mei 1940 zou weer blijken hoe juist de generaal het Duitse optreden had beoordeeld. «

Het weergegeven citaat is tamelijk tendentieus geschreven en op kernpunten onjuist. Het is zelfs grotendeels in strijd met de werkelijke gang van zaken, die de bewuste auteur bovendien kende, gegeven onder meer zijn (eerdere) werk ‘Opmars naar Rotterdam’. Reynders bleek juist helemaal niet zo goed op de hoogte van de Duitse operationele doctrine. In het bovenstaande citaat wordt opzichtig het begrip ‘Blitzkriegtactiek’ misbruikt. Het daarvoor beschrevene refereert echter naar het in 1918 door de Duitsers voor het eerst in de moderne oorlog beproefde ‘Stosstrupp Prinzip’ [ook wel ‘Hutier Prinzip / Taktik’ genoemd] dat een nadere tactische uitwerking was van het reeds veel langer bestaande ‘Infiltrationsprinzip’. Een tactisch kader dat met name door de Britse pseudostrateeg Lidell-Hart kort na WOI werd gekaapt om vermeend door hem ontwikkelde dieptepenetraties voor Britse eenheden tot een tactisch werkbaar geheel uit te werken en dat als zijn ideeën te publiceren in zijn columns. Het Duitse principe ging er vanuit de geneugten van de reeds ontwikkelde ‘Autragstaktik’ (de autonomie van een bevelhebber om binnen zijn mogelijkheden een tactisch doel te bereiken) te verenigen met die van de ‘Infiltrationstaktik’ (het lokaal diep in vijandelijk gebied penetreren en daar de logistiek en bevelvoering ontregelen) en die van concentraties van sterke taakgerichte eenheden (Sturmbataillonen) voor het uitbuiten van de gevonden kansen. Daarbij was de ‘Operative Eigenständigkeit’ zeer belangrijk om zwakke plekken in de vijandelijke linie te vinden – daardoor juist de sterk verdedigde posities te omzeilen – en vervolgens met snel ter plaatse gebrachte concentraties (Sturmbataillonen) bij verrassing door te stoten tot diep in vijandelijk gebied. Deze toen nog zuiver tactische doctrine was in feite een voorloper van wat men anno 1940 als Blitzkrieg strategie is gaan bestempelen toen het met grootverbanden in een strategisch kader werd toegepast.

Het is juist markant dat Reynders die Duitse tactiek van de stoottroepen – een principe waar tijdens WOI onder meer de toenmalig Leutnant Erwin Rommel zich mee onderscheidde – juist erg slecht had onderkend. Het voorwerk van die stoottroepentactiek was namelijk om eerst met kleine verkenningsgroepen af te tasten waar de zwakheden in de vijandelijke linie zich bevonden - een zaak waar ook toen reeds internationaal gekende publicerende strategen als Fuller en Liddell-Hart veel aandacht aan schonken. Juist op die zwakke positie zou snel een troepenconcentratie worden georganiseerd om vervolgens middels een diepe geconcentreerde penetratie tot in het derde echelon van de tegenstander de logistiek en bevelvoering te ontregelen. Met een excuus voor Reynders om geen omvatting van de Peel-Raamstelling te verwachten in de eerste fase van de strijd had dit dus niets te maken – in tegendeel zelfs. Reynders interpreteerde de Duitse operationele doctrine op dat punt juist opmerkelijk verkeerd. Toen Generalleutnant Kurt von Briessen vroeg in de middag van 11 mei van zijn chef-staf vernam dat onder Weert een lacune in de defensie was gevonden, werd direct een frontale aanval op Weert afgeblazen en de stelling omtrokken en slechts met een fractie noordwaarts bijgestuurd om de stelling bij Weert alsnog op te rollen. Slechts wat dit laatste aspect betreft, het slechts marginaal zijdeling verbreden of omvatten, had Reynders gelijk. In hoofdzaak zat de generaal er echter flink naast, want de Duitsers zochten niet perse de kortste weg, maar de meest efficiënte. De Duitsers zochten in vrijwel alle gevallen naar een eenvoudige oplossing in plaats van domweg de kortste route te nemen, zoals Reynders beweerde. Juist hun dynamiek in de voorste gelederen met daaraan direct gekoppeld het vermogen om operationele opvolging te geven was hun differentiërende instrument in de tactische omgeving in mei en juni 1940. Reynders had daarvan geen kaas gegeten. Dat was hem overigens beslist niet euvel te duiden, maar het werd hem wel onterecht als kwaliteit door Brongers toegeschreven.

Typerend is voorts dat Brongers beweert dat Reynders ook ten aanzien van de gehele Duitse strategie (in hun offensieve plan tegenover de Peel-Raamstelling) gelijk had gekregen. Een onbegrijpelijke conclusie. Een conclusie ook die tegenstrijdig is. Reynders was namelijk enerzijds overtuigd van de autonomie van Duitse grootverbanden en anderzijds zou hij de Duitse focus op Mill hebben onderkend. Die twee argumenten ontmoeten elkaar in een paradox, het is immers het één of het ander. Het is of concentratie van alles op één punt en dus beperkte autonomie (zoals Reynders volgens Brongers verwachtte) of deconcentratie en dus grote autonomie (zoals de werkelijkheid was). Het Duitse aanvalsplan spreekt voor zich. De Peel-Raamstelling had op drie posities (vier, als men de treinoperatie in de sector van 254.ID meerekent) in gelijksoortige operaties met diepe penetraties door treinbataljons moeten worden verrast. In het noorden bij Mill, in het centrum bij Helmond en in het zuiden bij Weert. Deze acties hadden moeten leiden tot drie gelijksoortige penetraties achter de stelling met de spoedige aansluiting van traditioneel oprukkende divisies. Als dat plan niet was verijdeld door tijdige vernielingen aan Nederlandse zijde, was Mill niet het (enige) doorbraak- en concentratiepunt geweest, maar had de Peel-Raam defensie drie vergelijkbare penetraties moeten toestaan over de gehele lengte van de stelling. Reynders' uitgangspunt was echter dat de Duitsers zich planmatig grotendeels op Mill zouden concentreren. Dat was planmatig echter niet aan de orde geweest. Dat was slechts de feitelijke gang van zaken om de doodeenvoudige reden dat bij Gennep en Mill [254.ID] offensieve successen waren geboekt welke op de assen Venlo-Helmond [56.ID] en Roermond-Weert [30.ID] niet waren behaald. Kortom, de fraai gefabriceerde typering van de miskende bevelhebber gaat ook op dit markante punt mank.

Het was in de middag van 11 mei 1940 dus al zo ver dat de Duitsers een wig in hun offensieve formatie toestonden om maximale progressie te (kunnen) boeken. Ten noorden van de wig werd 56.ID naast XXVI.AK vooruit gemaand, terwijl onder de wig 30.ID, met links naast haar 19.ID, zich ook met hun respectievelijke hoofdmachten westwaarts bleven ontplooien. De wig zelf, het Vak Weert, werd (terecht) als een marginale geïsoleerde dreiging in de flanken gezien en zou gedurende de volgende fase van de operatie wel worden opgelost door de flanken van 30.ID en 56.ID. In het hieronder volgende ‘eindspel’ zal duidelijk worden welk lot de troepen van Vak Weert wachtte.

‘Eindspel’

Het curieuze besluit van de overste Van der Woude – in samenspraak met de C-II-41.RI en C-Peeldivisie – om de Peel-Raamstelling bij Weert pas in de avond van de tweede oorlogsdag te evacueren was vroeg in de middag genomen, maar leek enkele uren later al een besluit te zijn geweest waarop moest worden bijgestuurd.

[230] Het was kort nadat de C-Peeldivisie was ingelicht dat het Vak Weert pas in de avond zou terugvloeien op de lijn Oirschot – Tilburg, dat de berichten binnen kwamen op de staf van overste Van der Woude die aanleiding hadden moeten vormen voor een gewijzigd plan. De vanuit Hamont en Budel komende berichten dat al Duitse infanterie op de fiets waren gesignaleerd, was aanleiding om naast de reeds aangetrokken infanteriesecties ook I-20.RA al naar de ‘Hutten’ te commanderen. Meer maatregelen ten aanzien van de defensie volgden echter niet.

[231] C-II-41.RI kreeg als eerste de berichten binnen over aanzienlijke Duitse verbanden ten zuidwesten van zijn bataljon. Zijn patrouilles informeerden hem eerst van de aankomst van de fietspatrouilles van de Duitse te Hamont, later van de veel bedreigender boodschap dat in het Belgische stadje enige tientallen pantserwagens met motorrijders waren gezien. Een en ander werd zeer tastbaar toen de Duitsers erin slaagden met een vrij sterke patrouille Dorplein te bereiken. Dat was circa 1600 uur. [558] De Duitse patrouille was vrijwel zeker één van de twee compagnieën van de Gruppe Borgmann, die volgens het Duitse KTB circa 1630 uur Hamont verlieten om Dorplein te verkennen. In Dorplein vonden de Duitsers niets waarna ze via Groot-Schoot langs de spoorlijn trokken. Daarbij lijkt het Duitse KTB aan te geven dat die actie slechts door het kleine Schwadron 2./AA.30 werd uitgevoerd, terwijl de Gruppe Borgmann zelf nabij Budel en Dorplein bleef beveiligen. Het vuurgevecht dat de Duitsers nadien langs de spoorlijn uitlokten, was vrijwel zeker slechts bedoeld de Nederlandse stelling en vuurpunten te verkennen. Men zal er aan Duitse niet van onder de indruk zijn geraakt. Zonder enig probleem was de patrouille over de grens geraakt, had men de achterzijde van de Peel-Raamstelling kunnen naderen en zonder op grote Nederlandse formaties te stuiten die zich verweerden ging men voort. De Duitsers zullen met verwondering hebben geconstateerd hoe Nederlandse militairen massaal op de loop gingen of zich lichtvaardig overgaven.

[231] Aan Nederlandse kant veroorzaakte de activiteit van de eerste Duitse patrouilles reeds een grote verschuiving bij II-41.RI. De op de zuidvleugel gelegen 1e Compagnie (die onder de spoorlijn lag) kwam al direct terug – bang als het was afgesneden te raken – en was om 1700 uur tot aan de spoorlijn teruggetrokken, waar een vuurgevecht met de Duitsers de compagnie splitste. Twee secties gingen door richting de CP van C-II-41.RI, de andere twee [o.l.v. de reserve 1e luitenant S.A.H. Thijs] splitsten zich noordwestwaarts af en zouden vanaf dat moment het verband met het bataljon niet meer terugkrijgen. 2-II-41.RI, dat precies aan weerszijde van de spoorlijn lag, werd eveneens betrokken bij het vuurgevecht, waarbij de CP van de compagniescommandant rechtstreeks onder vuur kwam te liggen. Omdat de gehele stelling was gebouwd op een verweer richting zuidoosten, en de vijand nu uit het westen kwam, was men niet in staat om met de compagnie voldoende weerstand op te bouwen. Bovendien werd de CC reserve kapitein F.C.M. Houben, die zijn CP precies aan de spoorlijn had, samen met zijn staf en nabij gelegen manschappen door de Duitsers gevangen genomen. Als een mes door de boter ging de Duitse rijwielformatie. Zonder enig probleem rolde het twee Nederlandse compagnieën op, nam enige tientallen manschappen gevangen en maakte van de zuidvleugel van de Peel-Raamstelling een karikatuur. Het was nog niet voorbij. Nadat de Zuid-Willemsvaart door de Duitsers bijna was bereikt, kwamen ze in de rug van de Nederlandse bezetting van 3-II-41.RI achter sluis no. 16., nabij het (inmiddels niet meer bestaande) kruispunt van spoorwegen en de spoorbrug over de Zuid-Willemsvaart (tussen de Ringselvensteeg en Havenweg). Deze Duitse actie, waarbij de aanvaller zich mogelijk achter de spoorwegvork splitste zodat zij in de gehele rug van de 3e Compagnie kon komen, rolde de gehele compagnie op. Een deel werd gevangen genomen, de rest versnipperd in vele fracties. De CC zelf zou met zijn staf en een halve sectie op eigen gelegenheid op 12 mei Eindhoven bereiken. Twee reserve vaandrigs (H. Fontijne en W.M.W. Hasenbos) zouden met hun secties door het land in noordwestelijke richting trekkende bij Leende gevangen worden genomen. Vervolgens – alsof het nog niet genoeg was – werd de C.41 Cie Mr ook nog eens door de Duitsers overvallen terwijl hij zijn commandopost aan het opbreken was. Vier mortieren met munitie keurig opgeladen, werden door de Duitsers te pakken gekregen. De BC, waarvan geen enkele leiding uitging tijdens het gevecht, besloot zich rond 1830 uur over te geven. Daarmee was II-41.RI opgehouden te bestaan. Curieus genoeg was het juist C-II-41.RI geweest die C-Vak had overtuigd niet terug te trekken bij daglicht. Nu was datzelfde bataljon in een uur tijd opgerold door een compagnie fietsers!

[231] Het was een volkomen fiasco geworden. Een vermoedelijk niet sterkere tegenstander dan circa 80-120 man op de fiets, die zich bovendien langs een spoorbaan moest voortbewegen, slaagden erin om een klein Nederlands bataljon ondersteund met vier mortieren en vier stukken 6-veld, op te rollen. De Duitsers hadden geen zware wapens terwijl de Nederlanders die wel hadden, maar niet inzetten. In een uur tijd werd het gehele bataljon uiteengeslagen. Bizar genoeg – en wellicht mag dat een hardnekkige verwijzing worden genoemd naar het complete gebrek aan overtuigingskracht aan Nederlandse zijde – vielen er nul gesneuvelden en slechts enkele gewonden. Geen enkele Nederlander kwam om het leven. Overigens is ook geen Duitser te noteren. AA.1 noch III./IR.46 hebben geregistreerde verliezen geleden in deze sector. Het gevecht als zodanig wordt zelfs in het Duitse KTB niet eens aangetekend, anders dan met de zinsnede dat de lichte weerstand die men ondervond snel week.

[232] Het centraal gelegen 4.GB had in eerste instantie nauwelijks door wat er allemaal gaande was op haar rechterflank. De BC was zich wel bewust van enige mogelijke dreiging in de rug, en had daartoe ook twee stukken PAG en enige groepen infanterie alsmede vier zware mitrailleurs aan de CP van C-Vak geleverd. Omdat het bataljon door de Duitsers toch niet frontaal werd aangevallen, maakte deze nadrukkelijke verzwakking voor de feitelijke situatie bij het bataljon niet veel verschil. In de vroege avond kwam er het bericht bij de BC dat zich tussen zijn CP en die van C-Vak Duitse pantserwagens bevonden. Dat was (in feite) niet zo, maar  wel was de Nederlandse positie bij de ‘Maarheezer Hutten’ inmiddels vanuit Maarheeze door sterke Duitse formaties van AA.1 aangevallen. Dat was echter aan de noordwestzijde van de CP van overste Van der Woude en dus niet tussen diens CP en die van C-4.GB, die aan dezelfde autoweg Weert – Eindhoven zat. Omdat de C-4.GB zich toch bedreigd achtte, schoof hij meer op richting zijn frontlijn, en raakte daar op de hoogte van de Duitse penetratie onder zijn vak, doordat hij manschappen van 2-II-41.RI sprak. Toen dat nieuws de majoor Fortanier duidelijk werd, besloot hij onverwijld zijn bataljon te verzamelen op een school nabij de rijksweg. Spoedig bleek dat de 1e en 2e Compagnie elk op een sectie na compleet waren, maar van de 3e Compagnie – nabij de spoorweg en het aangrenzende vak met 4.GB gelegen – was slechts een sectie met de compagniestaf bij de school aangekomen. De rest van de compagnie had zelfstandig een zuidwestelijke vluchtroute gekozen. De ondersteunende eenheden bij 4.GB waren grotendeels al naar achteren verplaatst. Al vroeg in de middag waren treinen en munitievoorraden naar de ‘Hutten’ over gebracht en een deel van de zwaardere wapens was ook al aangetrokken. Zodoende kon 4.GB ongeveer met tweederde van haar sterkte langs de autoweg naar Eindhoven verplaatsen naar de CP van de C-Vak. Een stuk PAG en gtp-groep beveiligde de achterzijde van de colonne. Na het vallen van de duisternis kwam het bataljon aan. Het kwam in een lokaal inferno terecht.

[233a] I-30.RI zou een beetje het kind van de rekening worden. Het bataljon, dat zonder 3-I-30.RI opereerde omdat dit naar de uiterst rechtervleugel van Vak Weert was overgebracht, kreeg in de vroege avond van een officier van de Vakstaf te horen dat de eerder aangekondigde terugtocht west van Oirschot voor I-30.RI was uitgesteld en het voorlopig nog even in stelling moest blijven om na een vervolgbevel noordwestwaarts terug te trekken. C-Vak meldde dat daarbij aan de BC (reserve majoor Ingen-Housz) was meegegeven dat dit over Sterksel en Heeze zou moeten geschieden en men bij Heeze aan zou sluiten op de rest van de colonne, maar de BC had daaraan geen enkele herinnering. Het is echter wel aannemelijk dat C-Vak dit aan de BC gemeld heeft, omdat het een vrij wezenlijk element in zijn evacuatieplan vormde. Hoewel dit uit bronnen niet meer is op te maken, lijkt het erop dat de C-Vak een geschreven instructie per ordonnans naar C-I-30.RI heeft doen overbrengen, wat mislukt was. Beide CP’s kregen in elk geval geen contact meer met elkaar. Er werd door C-I-30.RI ook niet geconcludeerd dat hij gedurende de late avond en nacht maar zelfstandig op de terugtocht moest gaan. Zijn nevenverband op de rechterflank was al sinds de vroege avond weg en links van hem zat nog slechts de CP van C-II-30.RI met circa een compagnie troepen. Bovendien, het felle krijgsrumoer op de linkerflank en in de rug zouden aanwijzingen kunnen zijn geweest dat een toegezonden bericht de BC niet bereikt had. Ook wist de BC, gegeven zijn eigen verslag, dat bij Someren de vijand door de stelling was. Met de kennis en wetenschap van de staat van de verdediging ter plaatse en rondom alsmede dat er een terugtocht verlangd werd, was het typisch dat deze daarmee wachtte en de nacht doorbracht in zijn vertrouwde opstelling. De majoor vormde tijdens de nacht een egelstelling ter beveiliging van zijn positie. De volgende morgen (12 mei) achtte de majoor een terugtocht hopeloos en gaf zich in het begin van de middag over aan de Duitsers. Het tot het bataljon behorende 3-I-30.RI had zich ’s middags al overgegeven aan de Duitsers, toen ze tijdens de ontplooiing van haar twee resterende secties nabij Budel zich zonder enige strijd overgaf toen het zich omsingeld achtte. De Politietroepen [C. AOOI der Politietroepen J.A. Muller (11)] en sectie zoeklichten (opgesteld tussen brug en kazematten eiland) - in het vak van I-30.RI gelegen - werden beide rond de CP C-I-30.RI aangetrokken en zorgden voor nabij beveiliging. De vijf rivierkazematten waren afgesloten en de mitrailleurs vernield, in anticipatie op de terugtocht.

(11) AOOI Muller (1890-1945) zou na de capitulatie tot de civiele Marechaussee toetreden en bij de politiereorganisatie in 1943 worden aangesteld als onderluitenant der Staatspoliitie. Deze Staatspolitie functioneerde onder auspiciën van de Duitsers, maar Muller zou van die rol gebruik maken door zich nuttig voor illegaal werk in te zetten en allerhande hand- en spandiensten te verrichten en onderduikers tijdelijk verblijf te verlenen. Door verraad liep hij kort voor de Duitse nederlaag tegen de lamp en werd als represaillemaatregel op 31 maart 1945 geëxecuteerd.

Resumerend was het volgende aan de orde. Door het besluit van C-Vak de gehele dag in stelling te blijven en tot de duisternis te wachten met de evacuatie van de eenheden, werd de Duitsers alle kans geboden de regimentsterkte Nederlanders via het zuiden en noorden af te snijden. Reeds lichte vuurverkenningen via Budel leidden tot de lichtvaardige capitulatie van vrijwel geheel II-41.RI en 3-I-30.RI. Daarbij veel geen enkele gesneuvelde. Vervolgens was ook de rechtervleugel van het naastgelegen 4.GB aangetast, maar wisten de beide eerste compagnieën zich tijdig op de CP van de Vakcommandant terug te trekken. I-30.RI moest om onverklaarbare reden in haar Vak blijven tot nader order. Die nadere order kwam nooit waardoor het gehele bataljon de volgende dag gevangen werd genomen. Van de ondersteuning ging I-20.RA niet verloren omdat het reeds vroeg in de middag door de C-Vak was aangetrokken voor bescherming van de CP. Datzelfde gold voor drie stukken PAG van 4.GB. Alle overige ondersteuningswapens gingen verloren. Vroeg in de avond van 11 mei waren rond de commandopost van de C-Vak nabij het spoor dus naast de staftroepen en alle bataljonstreinen en munitietreinen, een Afdeling 8-staal, twee compagnieën van 4.GB, nog een compagnie aan restanten van II-41.RI alsmede voordien reeds aangetrokken secties. Ongeveer 500 man troepen, voorzien van drie stukken PAG en twaalf stukken 8-staal. Geluk bij een ongeluk was het nu dat de C-Vak I-20.RA eerder had aangetrokken dan zijn bataljons. Het was daardoor in staat geweest met stukken én munitie terug te trekken.

[5, 230] Rond 1730 uur was er een militaire veearts die vanuit Maarheeze naar de C-Vak belde met de boodschap dat er veel Duitsers in het dorp Budel waren. Vervolgens belde de burgemeester van Maarheeze iets later en meldde dat er pantserwagens in zijn gemeente waren aangekomen, wat de C-Vak uiteraard als indicatie van Duitse pantserwagens zag. De overste koos ervoor zijn eigen kapitein adjudant en commandant verbindingsafdeling ter verificatie op verkenning te sturen. Beide heren officieren zouden niet meer terugkeren, want ze werden door de Duitser afgesneden van de terugtocht. Althans, zo beschreef de kapitein-adjudant het zelf. Ondertussen was echter een batterij 8-staal samen met de beide stukken PAG van 4.GB naar de omgeving rond de overweg gestuurd om richting westen front te maken.

[558] Onderwijl waren de Duitsers erin geslaagd bij Hamont een overgang over het Schelde-Maaskanaal te maken, zodat de zware eenheden van AA.1 het kanaal oversteken konden. Na 1800 uur verschenen zodoende lichte en zware Duitse pantserwagens in Budel en spoedig nadien in Maarheeze. Tenminste één eskadron pantserwagens werd vanuit Maarheeze zuidwaarts gestuurd om eventueel resterende Nederlandse verdedigers aan de Zuid-Willemsvaart in de rug te treffen. [230, 232] Rondom de CP van de overste Van der Woude was al de gehele middag aan een rondom beveiliging gewerkt. Toen de berichten werden ontvangen rondom Duitse pantserwagens die in Budel en omgeving vertoeven zouden, was ook de PAG en 8-staal bij de verdediging betrokken. De Nederlanders waren zodoende gereed om de Duitse pantserwagens op te vangen. De sectie PAG van 4.GB werd gecommandeerd door vaandrig D. van der Kroef. Deze had twee stukken nabij de overweg geplaatst, het derde stond verder achterwaarts. Het vierde was niet meegekomen uit de oorspronkelijke opstelling in Weert. Het linker stuk [C. dpl sergeant Visser] stond circa 300 m noord van de spoorovergang en gericht op de Nieuwedijk (Budel). Het rechterstuk [C. dpl sergeant J. van de Wijngaard] stond ongeveer 200 m noord van de overgang, rechts van de weg, eveneens gericht op de Nieuwedijk. Toen enige pantserwagens niet vanuit het westen maar via de hoofdweg vanuit het noordwesten naderden, werden de stukken omgegooid en gericht. Het vuur mocht de bediening pas openen als de nationaliteit van de wagens kon worden vastgesteld, waarvan men nog korte tijd vermoedde dat ze wellicht Frans konden zijn. Op een afstand van circa 400 m werd echter opeens door de voorste pantserwagen het vuur geopend op het linker stuk, wat voor de rechter PAG het signaal was te reageren. Kort na de vuuropening begon ook een sectie van de 1e Batterij van I-20.RA een storend vuur te leggen in de richting van de Duitsers. Binnen korte tijd waren de beide voorste Duitse pantserwagens door de PAG geïmmobiliseerd, werd nog een derde geraakt, waarna de achterop komende Duitse wagens zich terugtrokken. Alle Duitse bemanningsleden van de getroffen wagens waren met de overige wagens teruggenomen. Het was een kort gevecht. Om verdere Duitse acties met pantserwagens te kunnen pareren werden aanvullende maatregelen genomen. Ten oosten van de autoweg werd de 2e Batterij van I-20.RA opgesteld. Vervolgens werd het bos aan de westzijde van de weg en spoor door de artilleristen in brand gestoken. Die roekeloze actie, die niet alleen de Nederlandse positie verlichtte, maar tevens hoogstens een kortstondig defensief effect kon hebben, leidde tot verlies van een groot perceel bos, diverse opstallen en boerderijen en zette ook een grote munitieopslag voor het Vak Weert in vuur en vlam, zodat in de donkere avond opeens door een enorm geknetter van munitie de schijn van een overval door infanterie werd gewekt.

Sd Kfz 231

Opvallend was dat bij de confrontatie tussen de drie pantserwagens en de Nederlandse PAG stukken (opnieuw) geen enkele dode viel, althans niet volgens formele sneuvelregisters. De drie uitgeschakelde pantserwagens worden door zoveel bronnen bevestigd, als vernield en uitgebrand langs de weg van Weert naar Eindhoven staand, dat dit gegeven wel als vaststaand mag worden aanvaard. Het voorval wordt echter noch in de KTB van 30.ID gemeld, noch in de verliezenlijst van AA.1. Ook de Duitse gesneuveldenregistratie meldt geen enkele gesneuvelde in de omgeving Budel – Weert. Wel bestaat er een bekende foto van een langs de rijksweg Weert-Eindhoven aangeschoten Duitse SdKfz.231.

Onderwijl was AA.1 weliswaar teruggetrokken, maar niet verdwenen. De eenheid had intussen een nieuwe gevechtscommandopost in Hamont ingericht en als dagdoel opgekregen de verkenning te verbreden naar Schaft, op de straatweg richting Valkenswaard en Eindhoven. Een locatie waar de linker flank van 56.ID in de avond van 11 mei ook heen draaide met haar IR.192 [562]. Om 2100 uur was de Gruppe Borgmann die onder commando van AA.1 opereerde, in het zuidenwesten van Weert binnengedrongen samen met 2./AA.30. Men had daar 100 gevangenen gemaakt, tegen een kleine 600 door AA.1 in de sector Budel – Maarheeze [558]. Met de bezetting door AA.25 en IR.192 (beide van 56.ID) van de regio Eindhoven – Heeze – Valkenswaard (met zelfs uitlopers tot in Schaft en Achelsche Kluis), en het vanuit het zuiden daarop aansluiten door AA.1 vanuit Budel, Maarheeze en Weert, was een omvatting van het Vak Weert een gegeven. Daarmee waren de Nederlandse posities van I-30.RI en de restanten van Vak Weert bij ‘de Hutten’ immers afgesneden van eigen troepen. Het enige dat sommige individuele groepjes nog zou redden van gevangenneming waren de uitgestrekte bossen die hier en daar ontsnapping boden. De grote Duitse progressie in deze sector, zowel onder als boven de Belgische grens, maakte die ontsnapping van Nederlandse militairen echter totaal onbelangrijk. Ze hadden qua gevechtswaarde opgehouden te bestaan. Het is dan ook zinloos om hun wederwaardigheden verder te volgen, want het waren slechts nog fracties die tijdig eigen linies zouden bereiken, en daar waar ze daarin slaagden, waren ze te laat om ook maar enige inbreng te hebben. De overste Van der Woude werd op 12 mei door enkele verkenners van 56.ID [AA.25] verrast in Leende en zou op dat moment met vrijwel alle resterende troepen [ca. 250 man volgens de Duitse bron 562] in gevangenschap geraken.

Beschouwing ‘eindspel’

Het Vak Weert was gevallen zonder op enige aansprekende wijze weerstand te bieden, en die uiterst zwakke weerstand die hier en daar was geboden, had bovendien nergens wezenlijks toe bijgedragen. De kolonel Schmidt – Commandant Peeldivisie – had de overste Van der Woude in de middag van 11 mei moeten bevelen onmiddellijk zijn formaties te verzamelen en zich naar Oirschot te begeven, in plaats van enig gewicht mee te geven aan de bezwaren van de overste om niet overdag te verplaatsen, welke argumenten werkelijk kant noch wal raakten. Deze bezwaren tegen een verplaatsing overdag, voortgekomen uit de pijp van de C-II-41.RI met zijn bataljon opgesteld tussen Dorplein en Weert, waren geweest dat de vijand superieur in de lucht was, reeds op de rechterflank was verschenen en reeds frontaal aandrong. De laatste twee argumenten waren onjuist. Ze waren nog niet of nauwelijks aan de orde. In de gehele sector Weert is voorts geen bom van de Luftwaffe gevallen op 11 mei, slechts enkele keer een ‘strafende’ jager op troepen of objecten neer gedoken. Vergeleken met het westen van het land of de sector Tilburg – Breda was het zeer stil in de lucht.

Kolonel Schmidt moet zich ergens gerealiseerd hebben dat de overste Van der Woude hem in feite met een smoes het bos in stuurde. De weerstand van de kolonel, die toen al zo’n 36 uur continue aan de slag was om zijn troepen te coördineren, zal intussen aanzienlijk verlaagd zijn geweest. Bovendien was hij wellicht op dat moment ook wel zover om zich te realiseren dat zijn Peeldivisie hopeloos verloren was omdat de eerste geruchten van doorbraken onder Den Bosch al doordruppelden. Desondanks is het onbegrijpelijk dat de kolonel Schmidt overste Van der Woude, ook een beroepsmilitair, niet bijstuurde en hem zonder omhaal bevel gaf om naar hetzij Tilburg hetzij Oirschot te vertrekken. Dat was een grote afstand en de kolonel had zich uitstekend kunnen realiseren dat die ’s nachts niet kon worden afgelegd, nog los van het feit dat de Duitse progressie dan wel eens zou groot zou kunnen zijn geweest dat de bataljons rond Weert allen geheel verloren zouden gaan. Door de evacuatie uit te stellen was het vonnis voor Vak Weert getekend. In en voor zover kolonel Schmidt daarmee rekening hield is onduidelijk. Als hij dat deed, had hij de overste beter kunnen opdragen een egelopstelling te vormen rond de kruispunten Leende en Heeze, dan te trachten alsnog naar het Wilhelminakanaal te komen.

De weerstand die Vak Weert bood was ronduit bedroevend. Het is vooral ongelofelijk wat er op de zuidvleugel gebeurde, waar een compleet bataljon (II-41.RI met de helft van 3-I-30.RI en twee secties 41 Cie Mr.) zich zonder enig dodelijk slachtoffer in een uur tijd door enkele tientallen Duitse infanteristen (zonder zware wapens) liet verrassen en uitschakelen. Aan Nederlandse en Duitse kant viel geen enkele dode, hoewel nog wel een Nederlander op 12 mei omkwam bij Budel tijdens een poging te ontsnappen uit de bossen. Het kan niet anders of II-41.RI heeft er massaal de brui aan gegeven. Daar waar de BC op 10 en 11 mei nog positief opviel in zijn verzamelen van ‘battlefield intelligence’, daar faalde hij hopeloos in anticiperen op een vijand die ontegenzeglijk niet van voren maar van achteren kwam. Dat daarbij ruim 600 man Nederlandse militairen onder zijn commando zich zo eenvoudig door een paar dozijn Duitsers lieten gevangen nemen of uiteenjagen was toch op zijn minst opmerkelijk te noemen. Andere kwalificaties zijn ook denkbaar …

Het feitelijke eindspel zag op de troepen ter waarde van drie regimenten die onder het Wilhelminakanaal door slechts enkele Duitse verkenningseenheden volkomen werden ontmaskerd. Van 27.RI en I-41.RI wisten zich nog enige aanzienlijke verbanden te redden, die vervolgens overigens volkomen desintegreerden onderweg. Van 30.RI bleef niet veel over, en wat overbleef had geen enkele gevechtswaarde meer. Van de laatste twee bataljons 4.GB en II-41.RI ging vrijwel iedere militair voor 12 mei in krijgsgevangenschap over. Troepen ter waarde van bijna drie regimenten hadden zich door niet meer dan vier Duitse verkenningsverbanden en een half bataljon laten wegjagen uit hun stellingen. In het noorden was het zo dat 27.RI (met I-41.RI) door een bevel van bovenaf het front ruimde. Het was AA.25 met 2./AA.156 [56.ID] dat hen snel najoeg. In het midden bij II- en III-30.RI was de zwaarste tegenstand voor de Nederlanders gekomen. Een sterkte van zo’n twee tot drie Duitse compagnieën van I./IR.192 [56.ID] wist na een felle strijd het pleit bij Someren te beslissen. Daarmee werden wel twee Nederlandse bataljons zo goed als uitgeschakeld en verloor de aanvaller zelf slechts drie man. In Weert was de winst nog veel eenvoudiger voor 30.ID. De vooruitgeschoven AA.1 met daarbij 2./AA.30 en 9./IR.46 – bij elkaar nog minder dan een bataljon aan infanterie – zou erin slagen om drie bataljons Nederlanders uit te schakelen zonder één man te verliezen en bij minimale inzet van haar pantserwagens. De omvatting van de stelling bij Weert, vroegtijdig gesignaleerd door de Nederlanders, werd  beantwoord met het sturen van welgeteld 75 man vanuit Nederweert naar Dorplein. Geen militair, mortier of kanon werd overigens nog verplaatst; geen artillerie ingezet. Zonder één man te verliezen werden vervolgens in twee, drie uur tijd de Nederlandse troepen bij Weert ter waarde van een regiment, opgerold of omsingeld. De Duitsers en Nederlanders hadden op 11 mei in een wijde omtrek van Weert geen enkele gesneuvelde.

In het Vak Bakel [27.RI] was men dus nog terugbevolen, en werd men vooral slachtoffer van zenuwachtige sappeurs die bruggen veel te vroegtijdig opbliezen. In het Vak Asten [30.RI] had men zich tenminste nog stevig proberen te verweren toen een Duits bataljon bij Someren aanviel. In het Vak Weert was de weerstand symbolisch geweest; meer niet. Al met al was de verdediging door de Peeldivisie onder het Wilhelminakanaal op één groot fiasco uitgelopen. En hoewel diverse krijgshistorische beschouwingen menen dat de bevelswijziging in de latere middag van 11 mei de grote chaos in de Peeldivisie bracht, weerspreken de feiten dat. Voor alle troepen onder het Wilhelminakanaal maakte dat tweede bevel op 11 mei [zijnde direct richting Tilburg gaan in plaats van via het Wilhelminakanaal] niets uit. Ook als ze niet was gekomen, was de afloop identiek geweest.

Wat de strijd op 10 en 11 mei in Noord-Brabant bewees, was dat de Nederlandse soldaat in zijn voorbereide stelling, onder een goede lokale bevelhebber tot uitstekende weerstand in staat was. Dat bewees de strijd bij Mill. Als aan de Nederlandse militair anno mei 1940 echter enige vorm van dynamische oorlogsvoering werd opgedragen of dat de situatie dit van hem verlangde, faalde hij. Zelfs als met overmacht van mensen en middelen – echt geen unicum in mei 1940 ondanks dat dit vaak wordt gesuggereerd – een verplaatsing nodig was en een nieuwe opstelling ‘bedacht’ moest worden tegen een naderende vijand, waarbij niet zoals in vredestijd een paar officieren van hoog pluimage op hun paarden ter inspectie meeliepen om de opstelling en wapenpunten ‘te corrigeren’, dan bleek dat in veel te veel gevallen de Nederlandse militair niet thuis kon geven. Dat had weinig tot niets met bewapening te maken, maar alles met opleiding en oefening, (on)kunde van het kader, en vooral ook het ontbreken van de oorlogsmoraal. Zo kon het zijn dat de gehele Nederlandse verdediging onder het Wilhelminakanaal – bestaande uit zo’n 7.000 militairen – door enkele honderden Duitsers met welgeteld het verlies van een (letterlijk) handvol manschappen werd verpletterd op 11 mei 1940.

Eindconclusie Zuid-Willemsvaart defensie

Op 11 mei 1940 gedurende de late middag en avond, hield de Peeldivisie, als militair grootverband, op te bestaan. Wat op 10 mei als een gedrochtelijk militaire 'eenheid' van drieëntwintig bataljons was ontstaan door de effectuering van de strategie Winkelman, was ruim 24 uur later geen schim meer van zijn oorsprong. Alle bataljons onder het Wilhelminakanaal in Maaslinie en Peel-Raamstelling, waren met uitzondering van het GBJ uitgeschakeld. De troepen boven het Wilhelminakanaal kenden nog enige structuur en/of bestaansrecht. II-29.RI zou goeddeels via Keizersveer weten te ontsnappen, III-14.RI bleef geisoleerd achter en zou op 12 mei desintegreren, de beide bataljons I-3 en I-6.RI waren op 10 mei al bij Mill grotendeels verloren gegaan en de drie bataljons II-2.RI, II-17.RI en I-13.RI van Groep Erp zouden qua verbanden zwaar leiden onder de terugtocht naar Tilburg en Gilze-Rijen. De drie artillerie Afdelingen van 20.RA gingen verloren. I-20.RA door omsingeling nabij Leende, II-20.RA omdat men ondoordacht zonder munitie accessoires uit de Peel-Raamstelling evacueerde en III-20.RA omdat ze geen tractie voor haar stukken had zodat ze die vernageld moest achterlaten. Ook andere ondersteunende wapens gingen verloren. Slechts 5.KRA zou zo goed als ongeschonden Tilburg bereiken maar onderweg naar Breda zware verliezen leiden.

Er was – kort en goed gezegd – in feite van de Peeldivisie op 11 mei in de avond niets meer over waarmee enige vorm van georganiseerde verdediging kon worden verricht. Een paar uur later was zelfs geen divisiecommandant en gevechtsstraf beschikbaar omdat ze eenvoudigweg gezamenlijk (!) in de armen van de vijand reden bij Loon op Zand. De commandant van de Peeldivisie, die zich samen met zijn gevechtsstaf in één colonne verplaatste. Een faux-pas, maar wellicht typerend voor het lot van de Peeldivisie. Toen op 11 mei de Peeldivisie ophield te bestaan, en de Fransen zoals eerder is betoogd welbewust hun verdediging van de sector Tilburg – Geertruidenberg ophieven door de Groupe Lestoquoi ineens in tweede lijn achter 6.RC en 4.RDP onder Breda te brengen, ontbrak nog slechts het bordje ‘welkom’ aan de weg naar Moerdijk voor de toesnellende Duitse voorhoedes.

[De bronnen vindt u hier]