Dordrecht - 1e fase

Hoe de vorige dag was afgesloten

De 10e mei eindigde in en bij Dordrecht in een voor de Nederlanders niet eens zo onbevredigende situatie, hoewel ze zich dat niet of nauwelijks bewust waren. De Duitsers op hun beurt maakten zich veel zorgen, veel meer dan nodig was.

De Duitsers hadden zich moeten aanpassen aan het gegeven dat de ontwikkeling van hun operatie hen weliswaar alle beoogde objecten in handen had gespeeld, maar dat de ontplooiing van de eigen strijdmacht bepaald niet volgens plan verliep. Zo kwam er geen bataljon infanterie van IR.16 vrij om 3./FJR.1 bij de Dordtse brug te ontzetten, zoals de bedoeling was geweest. Bovendien leed de in de Polder gelande hoofdmacht van 3./FJR.1 een volledige nederlaag. Het geïsoleerd gelande 3e peloton van die compagnie redde desondanks de missie, door de vrijwel onverdedigde Oude Maasbruggen snel te veroveren. Het peloton parachutisten bezette die bruggen vervolgens met de na de korte strijd resterende circa 30 man, kort daarop aangevuld met nog 10 man van de compagnie, die uit Krispijn hadden kunnen ontsnappen. Gedurende de gehele ochtend en het eerste deel van de middag vormden die circa 40 man para’s de enige Duitse bezetting van de beide Maasbruggen en landhoofden. Zij wekten op vakkundige wijze bij de Nederlanders de indruk alsof ze met veel meer waren. Dat deden ze onder meer door steeds van positie te wijzigen en actief met hun mitrailleurs te vuren, daardoor zij een veel sterkere Duitse bezetting veinzden. Omdat het garnizoen van Dordrecht – geheel bestaande uit non-combattanten – zich concentreerde op het behoud van de stad, werd geen overtuigende poging gedaan de bruggen te heroveren. De beide zwakke pogingen daartoe – in de ochtend vanaf het Hugo de Grootplein door een halve compagnie pontonniers, in de middag via het spooremplacement door de torpedisten uit de Biesbosch – maakten geen schijn van kans. Het gebrek aan offensief gogme en het ontbreken van een, in elk geval op papier, kansrijk aanvalsplan was daar mede debet aan.

Eiland van Dordt centraal

De commandant van de parachutisten op het Eiland van Dordrecht, Oberst Bräuer, was op een niet goed te duiden tijdstip op de hoogte gebracht van het falen van 3./FJR.1 om vanuit de Polder bij de brug te geraken. Daarop besloot hij vanuit Amstelwijk zijn beide beschikbare compagnieën van I./FJR.1 door te laten stoten naar Dordrecht, om aldaar het bruggenhoofd te zekeren. Bräuer nam daarbij een gewichtig besluit, dat niet gespeend was van een aanzienlijk operationeel risico. Vrijwel al zijn troepen werden verdeeld over de twee uitersten Willemsdorp - Moerdijk en Zwijndrecht - Dordrecht. Slechts een zeer bescheiden aantal manschappen diende de Kiloever te bewaken en hoogstens een paar dozijn combattanten was beschikbaar voor de beveiliging van de landingszone en de regimentscommandopost bij Tweede Tol. Niet voor niets werden zelfs de meeste Sanitäter en overige specialisten gewoon operationeel als Jäger ingezet. Parachutisten waren allen vooreerst combattant, secundair vakspecialist. Als op dat moment de troepen van Groep Kil langs diezelfde Kil zouden hebben aangedrongen, hadden zij Oberst Bräuer niet de ruimte geboden om zijn troepen slechts op de beide uitersten van het regimentsvak te (kunnen) concentreren. Dat Bräuer daartoe wel overging was enerzijds een noodhandeling, anderzijds typerend voor de haast overmoedige durf van deze bevelhebber. Zijn superieur Kurt Student zou in de nacht van 10 op 11 mei vanuit zijn competentie als operationeel opperbevelhebber in feite exact hetzelfde doen en zijn troepen ook op slechts enkele voor hem cruciale posities concentreren. Beide bevelhebbers namen daarmee enorme operationele risico’s. In beide gevallen werd de Duitse durf niet afgestraft, in hoofdzaak wegens Nederlandse passiviteit. Beter gezegd, wegens het ontbreken van het begrip bij de lokale en hogere Nederlandse legerleiding dat deze relatief zwakke en licht uitgeruste luchtlandingstroepen direct met kracht en op concentrische wijze moesten worden aangevallen op hun gehele bruggenhoofd. Als we ons beperken tot het Eiland van Dordrecht op 10 mei, dan werden zowel de kansen gemist om de zwakke Duitse brugbezetting tijdig en krachtdadig aan te pakken, als om vanuit Groep Kil gedurende de middag een krachtige aanval over de Kil te ontwikkelen, zodat belangrijke Duitse troepen in elk geval gebonden zouden worden. Opvallend in die zin is dat het non-combattante kantonnement Dordrecht de Duitsers veel sterker bond en veel meer zorgen baarde dan het combattante brigade verband Groep Kil, dat door de Duitsers vier dagen lang zo goed als genegeerd zou worden; kón worden!  

Toen op 10 mei rond 1500 uur de nog circa 175 beschikbare manschappen van de 2e en 4e Kompanie met een groot deel van de bataljonsstaf van FJR.1 uiteindelijk aansluiting vonden bij het bruggenhoofdje rond de Oude Maasbruggen, was de optie tot kansrijke tegenacties tegen de Duitse brugbezetting verkeken. Tegelijkertijd was er echter een vacuüm getrokken tussen Tweede Tol en Dordrecht, veroorzaakt door diezelfde Duitse concentratiemanoeuvre. Dat vacuüm bood toen de kans om de Duitsers langs de Kil effectief te kunnen aanvallen en de verbindingen tussen de beide Duitse bruggenhoofden en hun centraal gelegen regimentscommandopost te verbreken. De Nederlanders ontging dat, want er was geen sprake van enige vorm van professioneel veldinlichtingenwerk en dus bleef men in de valse veronderstelling dat wat men had zien landen in de ochtend van 10 mei zich nauwelijks had verroerd na de inname van Tweede Tol en Amstelwijk. Zo kon het gebeuren dat niet alleen slechts een zwak en passief afweerfront langs de Kil werd gebouwd door Groep Kil, maar dat ook buitengewoon veel tijd verloren ging om een heuse tegenaanval op (het reeds lange tijd door de Duitsers ontruimde) Amstelwijk te ontwerpen, waarbij bovendien bijzonder veel officieren van de toch al kleine staf van de Groep actief betrokken werden. Kapitein Calmeijer – de grote animator van deze overtrokken handelingen – gaf in zijn memoires geheel onbescheiden en op bijna orgastische wijze kond van dit gebeuren, dat hij het kennelijk een hoogstandje van eigen hand achtte. Het ontging hem (en anderen) kennelijk, zelfs naoorlogs, dat hij juist centraal had gestaan in het faciliteren door de Groep Kil van een Duitse consolidatie der bruggenhoofden op het Eiland van Dordrecht, terwijl de kapitein Calmeijer zich overmatig inspande met het ontwerpen van een aanvalsplan op een inmiddels allang door de tegenstander verlaten sector. Dat burgers allang melding hadden gemaakt van het feit dat de Duitsers naar het noorden waren opgerukt, werd door Nederlandse officieren arrogant weggewuifd. Wat wisten burgers van militaire zaken? Troepen bij ’s Gravendeel en een voorpost bij de kade te Wieldrecht kregen zelfs geen opdracht middels patrouilletochten of infiltraties inlichtingen te verzamelen. Zodoende werd de gehele middag van 10 mei door Groep Kil niets ondernomen tegenover de Kil. Tussen het einde van de ochtend en 1900 uur in de avond was de Groep bezig één enkel bataljon in positie te brengen bij Wieldrecht en een aanvalsplan te ontwerpen als ware men in opmars tegen een goed voorbereide vesting. Het aanvalsplan stond qua tijdsinvestering in geen enkele verhouding tot het gebrek aan aandacht voor operationele hoofdzaken zoals de noodzaak voor snelheid en het verkrijgen van een accuraat vijandbeeld. Het leverde dan ook geen enkele aanleiding voor Bräuer op om wegens Nederlands handelen zijn beide concentraties op de uitersten van zijn corridor (weer) te deconcentreren omwille van gevaar elders. Groep Kil faalde opzichtig om de pas gelande en zich nog consoliderende vijand ook maar de geringste hoofdpijn te bezorgen. Zelfs de beide in het oosten van het Eiland nog operationeel beschikbare compagnieën van I-28.RI werd rust gegund, na de tumultueuze ochtend. Kapitein Calmeijer was in de veel te passieve houding van Groep Kil een opvallende hoofdrolspeler geweest, want hij had zich met zijn zo recente Duitse stafopleiding (voor divisie stafofficier) aan de HKS in Berlijn, veel beter in de Duitse kwetsbaarheid moeten kunnen inleven. Hij had de Duitse voorliefde voor concentraties (en daaraan verbonden risico's van zwaktes elders) moeten kennen en zich moeten realiseren dat dit hem kansen zou bieden, zeker als hij snel zou handelen. Hij liet dat heel nadrukkelijk na.

Ten aanzien van tegenoffensief handelen beperkten de Nederlanders zich op 10 mei in de sector tot de stad Dordrecht zelf. De naoorlogs veel verguisde overste Jo Mussert was de enige die met zijn garnizoen – waaronder geen combattanten en geen generale stafofficieren – de gehele dag agressief tegen de invallers opereerde. Naast het feit dat Mussert – ongeoefend als hij was om leiding te geven aan een operationeel gevechtsonderdeel – klassieke fouten maakte door zijn eenheden veel te veel te versnipperen en te grote aantallen manschappen aanwende voor feitelijk onbelangrijke beveiligings- en zuiveringstaken, liet hij wel degelijk herkenbare ambities zien om zo spoedig mogelijk (counter) offensief te opereren. Hij was de enige bevelhebber aan het gehele Zuidfront – onder de Merwede – die zo uitdrukkelijk de ambities toonde zijn gezagsgebied fel te verdedigen en bovendien datgene wat verloren was gegaan te heroveren. Zijn soms emotionele of pathetische telefonische smeekbeden bij de Groep Kil, Groep Merwede en de staf Vesting Holland om meer troepen, wapens en munitie mogen dan vooral de boeken hebben gehaald als gedragingen van een labiele bevelhebber, maar de handelingen van zijn garnizoen waren op die 10e mei de enige geweest waar hoop uit te putten viel. De stad werd in de loop van de eerste oorlogsdag weer goeddeels in eigen handen gebracht, het Duitse bruggenhoofd min of meer afgegrendeld en met de hem in de middag van 10 mei beloofde troepen van Groep Kil [het bataljon Ravelli] en de Lichte Divisie [bataljon wielrijders], zou de overste het Duitse bruggenhoofd gaan aanpakken. In alle opzichten deed hij daarmee op hoofdlijnen wat het Nederlandse veldvoorschrift voor officieren hem instrueerde: pareren, isoleren, reageren. Of dat zijn opzet was, wordt niet bewezen in de bewaarde verslagen en rapporten. Het is wel een gegeven dat zijn bevelen, of die van zijn depotstaf, de lijn verraadden van een min of meer ordentelijke operatie. Opvallend is dat daarover alle beschouwende bronnen zwijgen. Men spande zich vooral in de overste Mussert te ridiculiseren.

Hoe de ambitie van het garnizoenscommando uitpakte op de 11e mei, wordt in dit hoofdstuk en in het hoofdstuk over Vak Wieldrecht, dat de gebeurtenissen rond het bataljon Ravelli uitgebreid beschouwt, besproken. Beide sectoren lopen door elkaar heen. Er is daarom voor gekozen de gebeurtenissen rond het bataljon Ravelli onder Vak Wieldrecht te bespreken en alle overige gebeurtenissen in de garnizoensstad Dordrecht in het onderhavige hoofdstuk.

Om de zaken duidelijk te houden wordt eerst hieronder een duidelijke status van de belligerenten in en bij Dordrecht gegeven. Dat lijkt overdaad, maar de zaken zijn zo complex, dat overdaad in dit geval niet schaadt. Vervolgens wordt gekeken naar de ontwikkelingen van de stadsdefensie in het zuiden (onder de spoorlijn) en daarna de (bescheidener) ontwikkelingen in de binnenstad en het noordwesten.

Status Duitsers in de late avond van 10 mei

In de avond van de eerste oorlogsdag was de stad enigszins tot rust gekomen. Gedurende de nacht bleef dat zo. Kennelijk had niemand op het kantonnementsbureau zich gerealiseerd dat de Duitsers veel profijt konden hebben van de stadsverlichting, want die bleef gewoon branden. Een welkome aanvulling voor de gespannen verdedigers van de bruggen over de Oude Maas.

De rust werd enigszins gevonden doordat de Duitsers rond de Polder – op een enkeling na – waren uitgeschakeld. Ze waren gevangen genomen, de overige waren gedood of – het betrof een tiental – in de ochtend van 10 mei alsnog bij de bruggen terecht gekomen. De rest van 3./FJR.1 in de Polder en Krispijn bestond niet meer. Dat betekende dat de enige Duitse concentratie van omvang zich rond de Oude Maasbruggen bevond. Daar waren de beschikbare eenheden van I./FJR.1, met aan Zwijndrechtse zijde assistentie van delen van 7./IR.16 (die ten noorden van de bruggen de westoever van de Oude Maas tot boven Zwijndrecht bewaakten) en twee berghouwitsers van het Zirkus Schram, aangevuld met een handvol pioniers van 1./Pi.22 en mogelijk één of enkele stukken PAK.

Het is wellicht goed de zaken nog eens kort te recapituleren. De eenheden van I./FJR.1 vertegenwoordigden in feite minder dan twee compagnieën. Van 3./FJR.1 bestond nog een pelotonssterkte. Dat was het 3e Peloton dat in de ochtend van 10 mei in Zwijndrecht was afgesprongen. Het had één dode en enige gewonden gekend, maar dat werd door tien man van de hoofdmacht van de compagnie – die de brug wisten te bereiken – gecompenseerd. Van 2./FJR.1 was vermoedelijk ongeveer een half peloton achtergebleven in Tweede Tol, was een groep van 12 man van het 1e Peloton terug naar Duitsland gevlogen (die in de avond van 11 mei via Waalhaven alsnog zouden aansluiten) en was zeker een halve pelotonssterkte verliezen geleden op de eerste oorlogsdag. De 4e Kompanie deed het nog slechter. Ze had niet alleen flinke verliezen geleden, die meer dan een halve pelotonssterkte bedroegen, maar het miste bovendien een geheel peloton [Zug Eckleben] dat abusievelijk bij Delft was geland. Zoals bekend was voorts de gehele 1e Kompanie niet in Nederland ingezet.

Kortom, de totale sterkte bij de Oude Maasbruggen van 2./FJR.1 bedroeg slechts twee pelotons, die van 3./FJR.1 nog één peloton en de sterkte van 4./FJR.1 slechts anderhalf peloton. Daar kwamen dan nog twee Kompanietruppen en de Batallionsstab van I./FJR.1 bij. Vier en half peloton [ca. 160 man] aangevuld met twee Kompaniestabstruppen [ca. 20 man] en een deel van de bataljonsstaf [ca. 30-40 man]. Een geheel van rond de 200-220 man. Die werden verdeeld over een front aan de westzijde langs de Oude Maas en aan het landhoofd, de bruggen zelf en vooral rondom de Dordtse zijde, met hoofdmacht rond de Weeskinderendijk waar ook de CP van de bataljonscommandant Hauptmann Erich Walther zat. Aan ondersteuning werd in de avond van 10 mei een groot peloton pioniers ontvangen, die echter in hoofdzaak doortrokken naar Moerdijk gedurende de late avond. Vermoedelijk bleef slechts een Gruppe [ca. 15 man] achter. Twee stukken van de parachutisten artilleriebatterij kwamen in Zwijndrecht aan en bleven daar. De sterkte van 7./IR.16, dat ook in de avond van 10 mei beschikbaar kwam in Zwijndrecht, is niet duidelijk. Wel is het duidelijk dat de compagnie niet bij de bruggen werd ingezet, maar de westoever bezette tussen het veerpunt Zwijndrecht en de driesprong van rivieren tussen Dordrecht – Papendrecht en Zwijndrecht, waar de Oude Maas, Merwede en Noord samenvloeien. Tot zeker op 11 mei in de ochtend breidde 7./IR.16 zijn posities nog niet tot aan Sofia Polder – het eiland in de Noord – uit. Vermoed wordt – bewijzen ontbreken vooralsnog – dat er ook enige stukken PAK waren aangevoerd in de avond van 10 mei. Een voorname aanwijzing daarvoor vormt een vaststelling in de rapporten van II./FJR.1, die stellen in de nacht van 10 op 11 mei uit het noorden ‘enige’ stukken PAK te hebben ontvangen, die samen met pioniers arriveerden. Aannemelijk is dat dit konvooi ook de twee stukken berghouwitsers bevatte, waar Oberleutnant Schram mee arriveerde in Willemsdorp gedurende de nacht. Daarbij raakte hij overigens zwaar gewond door een ongeval met zijn motor, waarbij zijn chauffeur bovenop een oude Nederlandse versperring reed. Zijn meerijdende ordonnans Feldwebel Schulze liet daarbij het leven.

Daarmee was de koek voor de Duitsers op. Dat bruggenhoofd voelde zich dus akelig kwetsbaar, mede gezien het feit dat men veel dreiging uit Dordrecht voelde. Generalleutnant Student deelde die zorg en zond geheel III./FJR.1 gedurende de nacht naar Dordrecht. Het kwam gedurende de ochtenduren aan, zoals is omschreven bij de bespreking van de lotgevallen van het bataljon Ravelli [Vak Wieldrecht].

Zo was het gekomen dat de situatie rond middernacht (10 op 11 mei) zo geweest was dat een 200 man parachutisten het bruggenhoofd Dordrecht verdedigden, geassisteerd door een vermoedelijk 120-tal luchtlandingstroepen ten noorden van hen aan Zwijndrechtse zijde.

Langs de Zuidendijk (verlengde Reeweg) lagen tenslotte nog enige kleine geïsoleerde groepjes parachutisten. Dit waren grotendeels Sanitäter, die in de ochtend van 10 mei rond 1000 uur waren afgezet en grotendeels te noordelijk waren neergekomen. Naar schatting een 30-tal hunner bevond zich nog langs de Zuidendijk. Zij vormden geen groot gevaar voor Dordrecht, hoogstens voor de logistiek rond het zuiden van de stad.

Nederlandse status in de late avond van 10 mei

Binnen Dordrecht waren vlak voor de kalender 11 mei aangaf nog vrijwel alle eenheden aanwezig die er de 10e mei waren overvallen door de oorlog. De vier depotcompagnieën, hoewel hier en daar enigszins uitgedund door verliezen, het grote peloton spoorwegtroepen en de kleinere facilitaire eenheden. Tegenover het verlies van bijna drie pelotons pioniers van 14.C.Pn en zo’n 150 man van de depottroepen, die in hoofdzaak door de Duitsers gedurende de eerste oorlogsdag krijgsgevangen waren genomen, stond de aankomst van een 80-tal torpedisten uit de Biesbosch, die met ongeveer een tiental zware mitrailleurs naar Dordrecht waren gekomen. Zodoende was de sterkte van het garnizoen op circa 1,400 man gebleven.

Daar waren wel enige versterkingen bij gekomen die tegen de zuidelijke stadsrand aanlagen. Langs de Zuidendijk en te Dordwijk lag een groot deel van een artillerieafdeling [III-14.RA, zonder stukken; ca. 200 man] en een kleine compagnie infanterie [3-I-28.RI, min een sectie], versterkt met een sectie MC en een sectie mortieren. Deze troepen werden door overste Mussert in de loop van de middag geïnstrueerd de zuidzijde van de stad af te schermen, nadat zulks door de Groep Kil was ondersteund.

Bijzonder nuttig was de aanvoer van III-2.RW gedurende de nacht. Het bataljon, dat de Lichte Divisie in de late avond van 10 mei naar Dordrecht had moeten sturen, werd met zware mitrailleurs, PAG en mortieren overgezet bij Papendrecht en kwam al kort na middernacht beschikbaar voor de garnizoenscommandant. De eenheden zouden al in de vroege ochtend door overste Mussert worden ingezet. De 1e en 3e Compagnie moesten de zuidelijk afgrendeling van de stad vervolmaken en de andere twee compagnieën enkele wijken zuiveren waar Duitse infiltranten waren gemeld.

De verdeling van de eigen garnizoenstroepen was boven de spoorlijn een stuk meer georganiseerd dan eronder. Onder het spoor was het commando – door de C-1.DCP [reserve kapitein Siegmund] – ronduit zwak geweest en was er nauwelijks sprake van gestructureerde handelingen. Dat was niet veranderd toen de kapitein Crok – C-2.DCP – de leiding einde van de middag van kapitein Siegmund had overgenomen. Veel geïsoleerde groepen pontonniers waren verdeeld over het zuidelijke deel van de stad. Aan de westzijde was een peloton pioniers van 14.C.Pn [luitenant Ruige] – versterkt met ongeveer een sectie pontonniers van 1.DCP onder de res. 1e luitenant Van der Molen – geïnstrueerd aan de linkerpunt van de Zuidendijk een afgrendeling te organiseren, waar ze in de middag enige tientallen torpedisten [Biesbosch detachement] met een drietal zware mitrailleurs als steun kreeg. In het Sportfondsenbad was majoor Den Boer – de onverhoopt te Dordrecht verkerende reserveofficier belast met industriële controle – in de loop van de 10e mei aangekomen en had aldaar een bont gezelschap depottroepen onder zich genomen. Het Sportfondsenbad werd echter in de vroege avond ontruimd, nadat het een aantal keer door zware projectielen, vermoedelijk van de lichte berghouwitsers in Zwijndrecht, was geraakt (1). Langs de Patersweg waren enkele groepen pontonniers van 2.DCP gepositioneerd onder bevel van enige onderofficieren, terwijl de vaandrig Blaar van 2.DCP met een groep de kruising Patersweg – Krispijnseweg bezet hield. De beide depotcompagnieën in Krispijn hadden echter aanzienlijke contingenten troepen nog gewoon in en vlakbij de kazerne gehouden, uit angst voor Duitse infiltranten. Dat bleef gedurende de nacht ook zo en zij meldden zelfs paniekerig aan het kantonnementsbureau constant beschoten te worden. Aanleiding om een zuiveringsactie door een compagnie wielrijders in de ochtend van 11 mei in de wijk uit te laten voeren. Een groot deel van de op 10 mei bij de zuiveringen van Krispijn betrokken rekruten was in talloze kleinere of grotere verbanden ‘gewoon’ in het veld gebleven. Ze hadden panden bezet langs de Krispijnse weg en bij de Polder, of posities elders in de wijk ingenomen ‘die hen goeddunkte’. Van enig integraal krijgsbeleid vanuit hun compagnieën was geen enkele sprake. De beide kapiteins (CC'n) gaven geen enkele leiding. Er ging hoegenaamd niets van hen uit.

(1) Opvallend is dat het stafwerk [1: blz 45] hierover meldt dat het Sportfondsenbad op bevel van overste Mussert werd ontruimd. Er is geen enkele bron welke die voorstelling van zaken ondersteunt. Betrokken onderofficieren stellen dat zij het Bad ontruimden nadat het met zware wapens werd beschoten in de avond, waartegen zij niets konden ondernemen en waarop autonoom werd beslist, toen het donker werd, op de school aan de Bosboom Toussaint terug te trekken. Die gegevens steken schril af bij de bewering dat overste Mussert instructie tot terugtrekken had gegeven. Anderzijds was er wel een werkende telefoonverbinding met het kantonnementsbureau. Het is mogelijk dat de andere militairen in het Bad ontgaan is dat een instructie tot terugtrekken werd ontvangen. Aannemelijk lijkt dit echter niet, omdat zulks dan vrijwel zeker met hen gedeeld zou zijn.

De spoorwegtroepen waren rond het station gebleven en hadden zich daar aangesloten bij torpedisten van 4.DCT onder de luitenant Smith. De torpedisten van 4.DCT hadden in hoofdzaak de noordoostelijke stadsdelen en strategische gebouwen in het centrum bezet. Het noordwesten van de stad werd door 3.DCP bezet, waarbij langs de gehele Oude Maasoever en de fabriekscomplexen langs het spoor een geïmproviseerde afgrendeling van het Duitse bruggenhoofd was georganiseerd. Omdat er legio andere taken moesten worden uitgevoerd, zoals bewaking van specifieke objecten, het bouwen van barricades, het bewaken van krijgsgevangenen en de overige hand- en spandiensten, was er geen sprake van dat in het noorden van de stad enige omvang aan operationeel beschikbare troepen kon worden vrijgehouden, te meer daar een aanzienlijk deel van 3.DCP uit rekruten bestond die slechts enkele dagen onder de krijgstucht waren en dus volmaakt ongeschikt om een offensieve actie te verrichten. Zodoende waren de beschikbare 1,400 man weinig doelmatig over de stad verdeeld, waarbij met name grote delen van de troepen ten zuiden van het spoor gewoon in en om de kazerne zaten. In feite waren het vooral de groepen die vanaf het eerste uur autonoom actief waren geworden, die dat nog steeds waren toen de 11e mei aanbrak. Het ontbrak vermoedelijk op het kantonnementsbureau aan enig werkelijk overzicht, zeker voor wat betreft wat er ten zuiden van het spoor gebeurde. Het was dan ook een uitkomst dat én een bataljon wielrijders arriveerde én een bataljon vanuit de Groep Kil zou komen voor offensieve inzet tegen de bruggen. 

Zo werd er op het kantonnementsbureau in de nacht van 10 op 11 mei glorend licht aan de horizon gezien. De non-combattanten hadden de schade weten te beperken, die vervolgens door twee infanteriebataljons kon worden hersteld. Dat het stafwerk [1] schamper opmerkt dat in het kantonnement weliswaar fel verweer was gegeven, maar het krijgsbeleid ronduit zwak was, is een onzuivere voorstelling van zaken. Het oordeel kwam voort uit de vooringenomenheid van de auteur van het stafwerkdeel Zuidfront – voormalig kapitein Calmeijer – die in het bewuste stafwerk vrijwel iedereen de maat nam, behalve zijn eigen Groep. Dat overste Mussert overigens beslist steken liet vallen zij gezegd. Ondanks het feit dat gegevens rond het kantonnementsbureau ontbreken (in de officiële archieven) kan worden geconcludeerd dat Mussert onvoldoende eenheid bracht in zijn gelegenheidsstaf, autoritair en solistisch optrad en wel erg afstandelijk leek te staan van het krijgsbeleid in het zuiden van de stad. Anderzijds was de overste de gehele dag actief om zijn positie omhoog in de bevelsketen te versterken. Hij belde stad en land af om versterking. En met veel succes.

Toen het bataljon Ravelli [ca. 500 man] vanuit Amstelwijk richting Dordrecht kwam aangemarcheerd terwijl de wielrijders zich te Dordrecht gereed maakten voor hun eerste opdrachten, was de situatie zodanig dat ongeveer 200 Duitsers in het bruggenhoofd bij de Oude Maasbruggen te Dordrecht zo’n 2.600 Nederlandse militairen tegenover zich hadden. Het zou nog tot circa 1000 uur duren voordat die 200 Duitsers door zo’n 450 parachutisten van III./FJR.1 zouden worden versterkt. Vanaf dat moment werd het 650 Duitsers tegenover een viervoud aan Nederlanders.

De gebeurtenissen ten zuiden van het spoor in de ochtend

[170b] De kapitein Crok – commandant van de 2e Depot Compagnie Pontonniers en tevens opvolger depotcommandant – was in de late middag van 10 mei teruggekeerd naar zijn eigen compagnie in Krispijn. Hij nam daarbij direct het bevel over, over het zuidelijke stadsdeel dat tot dat moment door de reserve kapitein Siegmund was gevoerd.

[170b] In de avond van 10 mei had de kapitein Crok nog enige voorposten uitgezonden naar de zuidgrens van de stad. Meer ondernam hij niet. De bezetting van het zuidoosten en zuiden van de stad achtte hij voldoende om vijandelijke infiltraties te weerstaan, maar voor een aanval te zwak. Hij had daarom reeds het idee ontwikkeld om in geval van een Duitse aanval in zijn sector alle troepen terug te nemen op de sector oost van de Krispijnse weg en geheel noord van de Markettenweg. Of hij dat plan met de overste Mussert had gedeeld, is hoogst twijfelachtig. Het stond in elk geval haaks op de handelingen die de overste diezelfde nacht tot uitvoering zou laten komen, die juist tot doel hadden de gehele stad – zuidgrens Zuidendijk (stad) – af te grendelen tegen Duitse agressie.

[170a, 170b] Gedurende de nacht bleef het geheel rustig. Rond het ochtendgloren – kapitein Crok zijn verslag spreekt van circa 0400 uur – brak echter het vuurgevecht weer in alle hevigheid los. Daarbij kreeg ook het schoolgebouw [Bosboom Toussaintstraat] van de 1e Compagnie, waar de kapitein Siegmund vertoefde, vuur te verwerken. Later werd ook beschieting van de school aan de Jacob Marisstraat gemeld, door de kapitein Crok. Het zal in die fase zijn gegaan om handelingen in de loop van de ochtend, waarbij de parachutisten uit hun bruggenhoofd bij de Oude Maasbruggen braken om het bataljon Ravelli na te jagen en het zuidwesten van Dordrecht onder controle te brengen via de Zuidendijk.

virtueel dispositief Dordrecht 11 mei 0700 uur

[170a] Bij de 2e Compagnie, die enige posten langs de Zuidendijk had, werd het in de loop van de ochtend van 11 mei ook onrustig. Zij kregen eerst te maken met de landing van Duitse parachutisten op grotere afstand en vervolgens het langstrekken van de wielrijders richting Zeehaven. Ondertussen was aan de westkant van de stad de dramatische ontwikkeling aan de gang rond het bataljon van majoor Ravelli. Zoals bij het Vak Wieldrecht beschreven, werd dit bataljon in de vroege ochtend teruggeslagen naar de omgeving van de Zeehaven. Daarvan waren ook enige formaties van ‘het kantonnement’ getuige, en wel de sectie pioniers van de luitenant Ruige en de torpedisten van het Biesbosch detachement, alsmede (inmiddels) twee groepen pontonniers onder de luitenant Van der Molen en de sergeant Dankaert [107b].

[104c] III-2.RW was gedurende de nacht in Dordrecht gearriveerd. Kort na middernacht meldde de reserve majoor (jonkheer) W.A. van den Bosch zich bij overste Mussert. Het bataljon diende zich bij het Oranjepark [ten noordoosten van het station] van een legeringslocatie te voorzien. Opdracht werd ontvangen om met één compagnie de kazerne van de 1e Depotcompagnie Pontonniers te ontzetten, vanwaar bericht was ontvangen dat men ‘door Duitsers belaagd werd’ [wat in feite onwaar was]. 2-III-2.RW werd aangewezen die taak te verrichten.

[104c] Om 0400 uur kreeg C-III-2.RW van de overste Mussert opdracht om met twee compagnieën de zuidzijde van de stad te beveiligen en aansluiting te maken met de restanten van III-14.RA rond Dordwijk. De 1e en 3e Compagnie kregen die opdracht ter uitvoering. Deze beide compagnieën kregen vervolgens rond 0830 uur opdracht op de Zeehaven aan te vallen, daarbij optrekkend via de Zuidendijk (verlengde Reeweg). De bespreking van die gebeurtenis is uitgebreid geschied onder Vak Wieldrecht, wegens de samenhang met de gebeurtenissen rond het bataljon Ravelli. Later die dag werden twee secties van 2-III-2.RW alsnog als versterking aan III-14.RA toegezonden.

[104c] De mysterieuze opdracht – en de afloop ervan – van de sectie zware mitrailleurs van III-2.RW, die onder bevel van de vaandrig Blok zo onfortuinlijk bij het Sportfondsenbad in Duits vuur reed, is al besproken bij het Vak Wieldrecht.

[104c] Het is zinvol nog kort in te gaan op de opdracht aan de kapitein Fortgens en zijn 2-III-2.RW om de sector rond de Openbare Lagere School aan de Bosboom Toussaintstraat te bespreken. Toen de compagnie rond 0600 uur de wijk begon te doorkammen, kwam het zonder enig probleem bij de school uit. Het vond geen Duitsers en toen nog slechts enige tientallen eigen militairen in de school zelf. Van een ‘bedreigde’ school was geen sprake. Inderdaad was de door de AOOI Koster geleide ‘verdediging’ van de school in de nacht opgeheven. De tamelijk panische berichten die kapitein Crok namens kapitein Siegmund laat op de vorige avond had doorgegeven, had hij niet teruggenomen, zodat het kantonnementsbureau in de veronderstelling was gebleven dat de school bedreigd werd. De wielrijders konden dus weer op hun schreden terugkeren.

In de loop van de ochtend werd duidelijk dat er zich ten westen en zuidwesten van Krispijn het een en ander afspeelde. De enige getuigen die daar werkelijk iets van meekregen waren de pioniers, pontonniers en torpedisten onder de luitenants Ruige, vd Molen en Verschoor, die langs de Zuidendijk aan de westzijde van de wijk zaten. [191] Twee zware mitrailleurs waren langs de Zuidendijk opgesteld [front zuidwest], een derde langs de Frans Labretlaan [front noordwest]. De circa 100 man waren aan beide wegen opgesteld, deels aan de weg, deels in panden. In de ochtend van 11 mei ontving men van kapitein Siegmund de instructie dat op bevel van kapitein Crok de beide depotcompagnieën later op de dag zouden worden teruggenomen op de Krispijnseweg. Dat gegeven was duidelijk in strijd met een eerdere instructie tegen iedere prijs stand te houden, zoals overste Mussert al zijn bevelhebbers meegaf.

[191] Toen de luitenant Ruige een colonne militairen vanaf de brug richting zuiden zag trekken – dit was de colonne van enkele vrachtauto’s met daarop Nederlandse gevangenen en erachter nog andere marcherende krijgsgevangenen, heimelijk begeleid door een Duitse compagnie parachutisten – besloot hij samen met de luitenant Verschoor en de luitenant Van der Molen om terug te trekken naar de school aan de Bosboom Toussaintstraat. Heel lichtvaardig merkte de luitenant Ruige op in zijn verslag dat de zware mitrailleurs onbruikbaar werden gemaakt (hoewel er al één in het ongerede geraakt was). Er is eigenlijk maar één verklaring mogelijk voor het feit dat men die mitrailleurs onklaar maakte en niet gewoon mee terugnam. Men was in een staat van paniek. Een andere logische verklaring is niet denkbaar. Waarom dit het geval was, bij een groep die op 10 mei zich – voor wat betreft de kern van 40 pioniers – nog kranig had geweerd rond de Krispijnseweg, is niet na te gaan, omdat het verslag van de luitenant Ruige er niets over meldt. Een verslag van de 1e luitenant Van der Molen (over het geval) ontbreekt. Het verslag van de 1e luitenant Verschoor [150] meldde dat de officieren – nadat enkele geweerschutters aan de Frans Labretlaan zijde waren teruggetrokken op de CP – in de veronderstelling waren dat er gevaar voor omsingeling dreigde. Daarvan was in realiteit geen sprake, maar het is wel enigszins voor te stellen dat die vrees bestond. Men miste vanuit de positie aan de kop van de Zuidendijk het overzicht en de Duitsers zaten inmiddels vlakbij. Andere verslagen meldden over het vertrek van de betreffende groep Nederlanders niets. Het is echter vrijwel zeker zo dat hun vertrek spoorslags plaatsvond. De meest vooruitgeschoven posities van de groep Ruige lagen vlakbij het kruispunt met de Glazenstraat, waarlangs de colonne krijgsgevangenen vergezeld van parachutisten (vermoedelijk 9./FJR.1, volgens het verslag van Oberleutnant Schmücker [481]) richting Zeehaven trok. Eerder die morgen waren al Duitsers aan het andere einde van de Glazenstraat in gevecht geraakt met de voorhoede van het bataljon Ravelli. Nadien bleef er vuurcontact bestaan met bezetting van huizen aan de Glazenstraat [191]. Het verslag van III.Zug 3./FJR.1 geeft de aanleiding daarvoor weer. Het peloton had zich na de vlucht van de voorhoede van het bataljon Ravelli meester gemaakt van de zuidzijde van de Glazenstraat [453]. De parachutisten kwamen vermoedelijk ook langs de oostzijde van de rijksweg opzetten, waarop de geweerposten aan de noordzijde van de panden langs de Zuidendijk terug naar achteren kwamen. Nadat wederom Duitse troepen zich lieten zien en een vuurgevecht ontstond [ook volgens het Duitse verslag [481] en de ooggetuige krijgsgevangene luitenant Jonker [1003]] waarbij diverse Duitse para’s en Nederlandse krijgsgevangen gewond raakten, drongen de parachutisten op richting het kruispunt Glazenstraat – Zuidendijk. Dit zal vrijwel zeker het moment zijn geweest dat de luitenants Ruige en Verschoor hals over kop besloten naar het oosten te vertrekken. Uit het verslag van de luitenant Ruige blijkt duidelijk dat de colonne werd waargenomen en het onderscheid tussen Nederlandse krijgsgevangenen en de Duitsers naast hen gemaakt werd. Aangezien de groep Ruige de enige was die vlakbij het kruispunt Glazenstraat – Zuidendijk zat, zij de colonne waarnamen en vervolgens gemeld wordt dat men zich bij de school van 1.DCP meldde, is het zeer verleidelijk te concluderen dat men in feite voor de oprukkende parachutisten op de loop is gegaan en dat daarom de zware mitrailleurs werden achtergelaten in plaats van meegenomen. Een andere verklaring lijkt er niet te geven.

Zodoende was de gehele westzijde van Krispijn van kantonnementstroepen ontbloot geraakt. [104c] Onderwijl was echter een compagnie van de Wielrijders onderaan de Patersweg geraakt, vlak voor de kruising met de Zeehavenlaan. Daar sloot de tweede Wielrijders compagnie die naar de Zeehaven was gestuurd zich kort nadien ook bij aan. Toen zich vervolgens de onverkwikkelijke zaak voordat van de Duitse valstrik bij het Zeehaven viaduct, waarbij zowel de commandant van het voorste Wielrijderscompagnie [kapitein H. Wijers] als even later de gehele kopgroep van het bataljon Ravelli gevangen werden genomen door de Duitsers, vertrokken de Wielrijders spoorslags naar de binnenstad. Daarmee werd ook het zuidenwesten van Krispijn – en dus van Dordrecht – van verdedigers ontbloot. Slechts enkele posten langs de Patersweg – behorende tot de 2e Depot Compagnie Pontonniers – waren toen nog langs het zuidwesten van de stad te vinden. Deze twee dozijn mannen konden echter niets verrichten, zouden de Duitsers doordrukken.

Zo was – grotendeels in de vortex van het debacle met het bataljon Ravelli – de verdediging van Krispijn volledig ineengestort. Dat wat er aan kantonnementstroepen aan de westrand van Krispijn had gelegen was op lichtvaardige gronden teruggetrokken en vond bij de bevelhebber over het zuidelijke deel van de stad – de kapitein Crok – eerder een bevestiging voor die handeling dan een bezwaar. Dat zou zich spoedig nog sterker manifesteren.

De gebeurtenissen ten zuiden van het spoor in de middag       

[170a] De kapitein Crok meende al in de vroege ochtend (net als de dag ervoor) dat de depottroepen zich beter als voorverdediging zuid van de spoorbaan konden inrichten in de sector oost van de Krispijnseweg en noord van de Markettenweg. Hij vond echter de majoor Den Boer op zijn pad, die daartoe nog geen enkele noodzaak zag, daar de Duitsers niet aandrongen. Toen de Duitsers echter actiever werden, vooral als gevolg van de aankomst van III./FJR.1 en de actie tegen het bataljon Ravelli en de groep Ruige zich vervolgens terugmeldde met de mededeling dat de Duitsers aandrongen, besloot de kapitein Crok om Krispijn met spoed te ontruimen en gaf daartoe bevel.

[170a, 170b] Na afstemming met de kapitein Siegmund van 2.DCP, ontruimden de beide depotcompagnieën haastig hun respectievelijke legeringslocaties en trokken zij richting het park Weizicht. Aldaar zou een verdediging worden geconstrueerd tegen het spoor aanhangende. Vanuit die positie zou men de toegangswegen tot de stad kunnen controleren, zo dacht de kapitein Crok. Dat onderwijl op die wijze de weg rond de stad [via de Zuidendijk – Patersweg – Nieuwe Weg] wagenwijd open werd gezet – en zodoende de Duitsers een open corridor via Dubbeldam werd geboden – bedacht men zich kennelijk niet. Eveneens was het kennelijk onbekend dat er bij Dordwijk nog eigen artilleristen, infanteristen en enige wielrijders waren, die door het ontruimen van Krispijn verraderlijk in hun rug zouden kunnen worden getroffen.

Jacob Marisstraat

Daar waar er in de nacht van 10 op 11 mei nog samenhang viel te ontwaren in de defensieve opvatting binnen het kantonnement (uiteengezet in de bespreking over Vak Wieldrecht), was die er rond het middaguur van 11 mei beslist niet meer. In hoeverre overste Mussert en zijn staf op de hoogte waren van de handelingen van de kapitein Crok, is niet na te gaan. De verslagen melden er niets over.

De kans dat het kantonnementsbureau wist van het plan van kapitein Crok zou redelijkerwijs toch wel aanzienlijk moeten worden geacht. Crok had een werkende telefoonverbinding met het bureau. Het is echter de vraag in welke mate de kapitein een redelijke voorstelling van zaken bood aangaande de krijgskansen. Zowel hij als zijn collega kapitein Siegmund toonden zich weinig ‘shock bestendig’ en sterk geneigd aan ieder gerucht waarde te hechten. Zoals kapitein Crok zelf heel helder in zijn verslag [170a] schrijft, was zijn alternatieve verdedigingsplan al uitgedokterd op de 10e, in de avond. Toen het uiteindelijk ervan kwam het uit te voeren, ging ook bij de beide depotcompagnieën de paniekknop om. Vrijwel alle munitie – daags ervoor met zoveel moeite in de scholen gekregen – en uitrusting werd achtergelaten. Een plan dat de avond ervoor was ‘uitgewerkt’ had men kennelijk toen het bijna een etmaal later werd uitgevoerd nog niet fractioneel voorbereid. Er was nog geen stuk uitrusting of kist munitie overgebracht naar park Weizicht.

Bosboom Toussaintstraat

Bij de uitvoering van de verplaatsing ging nog meer fout. De beide kapiteins gingen voorop en leidden zo een pluriforme formatie van pontonniers, pioniers en de sectie torpedisten onder de luitenant Verschoor. Deze laatste raakten om onverklaarbare reden geheel het verband kwijt. De beide kapiteins waren ineens verdwenen bij het Bos van de Roo, iets dat de achterop komende torpedisten ontging [150]. Dat gold evenzo voor de pioniers onder de luitenant Ruige [191] alsmede enige pontonniers onder de luitenant Van der Molen. Deze formaties kwamen in de binnenstad terecht. De torpedisten zouden zich rond de Vriesebrug weer verzamelen. Luitenant Ruige en zijn mannen kwamen bij het Raadshuis terecht en zouden uiteindelijk op het Spui posities innemen [191]. Maar ook was een deel van de pontonniers naar de binnenstad door gemarcheerd. Zo was de reserve 1e luitenant P.A. van der Molen met enige manschappen [1.DCP] – die eerder al als versterking bij de Zuidendijk hadden gelegen – eveneens bij de Vriesebrug terecht gekomen [150, 170a]. Wederom was een ‘eenvoudige’ verplaatsing op het simpelste element – het doelgebied weten en de eenheid bewaren – misgegaan. In dit geval lag het niet aan de beide kapiteins, althans niet voor wat betreft het element ‘doelgebied weten’. Alle officieren kenden dit, want het was hen vooraf verteld. Hoe het mogelijk was dat drie secties bij daglicht gewoon de spoorwegovergang (Dubbeldam) namen en vervolgens links de stad in bogen terwijl men het station daarbij niet gemist kon hebben, is een volslagen raadsel. Nadat de luitenants Verschoor en Van der Molen eindelijk hadden ontdekt dat ze verkeerd zaten, besloten ze terug te keren naar het station. Dat gold niet voor de luitenant Ruige, die op het Spui bleef met zijn sectie [191]. Op het station aangekomen werd geen contact gezocht met één van beide compagniescommandanten, maar werd aldaar afgestemd met reserve 1e luitenant (der infanterie) H.F. Smith [4-DPT], die daar de bezetting leidde, om met de torpedisten en de pontonniers onder luitenant Van der Molen het kruispunt Spuiweg / Singel te barricaderen en te bezetten [150]. Dat was ver achter het spoor, dicht tegen de werkelijke binnenstad aan. De beide kapiteins in Weizicht wisten daar niets van, en zouden pas de volgende dag deze troepen aldaar aantreffen [107a]. Zo was een (relatief) eenvoudige verplaatsing in goeddeels door eigen troepen beheerst gebied ook al weer slecht uitgevoerd, met als gevolg dat een honderdtal manschappen voor het nieuwe 'spoorfront' verloren gingen.  

Het nieuwe front zuid van de spoordijk

[170a, 170b] De vorming van het nieuwe front langs het spoor had dus nog heel wat voeten in aarde, ondanks dat de Duitsers nog helemaal niet aandrongen. Na aankomt rond 1600, moesten de troepen in de nieuwe posities worden gebracht en een samenwerking tussen spoorwegtroepen, torpedisten en pontonniers worden opgezet. Kapitein Crok hield het commando, nam de spoorwegtroepen onder zich, en nam de commandopost in gebruik in het park aan de Krispijnseweg, die voorheen door de reserve 1e luitenant Leyten van de spoorwegtroepen was gebruikt [170a, 178]. In de avond moest alweer een alternatief worden gezocht wegens toenemend Duits vuur langs de spoordijk, komend vanuit het westen. Er werd voor gekozen de werkende telefoonverbinding vanuit het gebouw het veld in te verlengen en zo ten oosten van het gebouwtje gedekt te blijven [170a].

Schets nieuw spoorfront op 11 mei

Een goed en compleet overzicht van de indeling van eenheden ontbreekt in de verslagen. De reserve majoor W. den Boer – die functioneel ondergeschikt bleef aan de kapitein Crok – had gedurende de nacht al een positie ingenomen met een kleine sectie pontonniers aan de westzijde van Weizicht, tevens in enige panden nabij het spoor ten westen van de Krispijnseweg. Daar zaten ook reeds sinds de late avond van 10 mei de sectie torpedisten (met drie zware mitrailleurs) onder de reserve 2e luitenant C.P. Beernink [3e Cie Torp], die op de 10e mei zo manmoedig een aanval op de spoorbrug hadden trachten te ontwikkelen via het emplacement [178]. Deze hadden op instigatie van de majoor de mitrailleurs aan de westzijde van het park Weizicht opgesteld en een geweergroep in een pand op de hoek van de Hugo de Grootlaan geplaatst. In zijn zeer gedetailleerde verslag beklaagde de luitenant Beernink zich over de houding van de kapitein Crok, onder wie hij op 11 mei in de middag werd gesteld. Omdat de luitenant van het curieuze gedrag van de kapitein een typerend beeld schetst van deze lokale bevelhebber, wordt hieronder een aanzienlijk stuk geciteerd uit zijn persoonlijke krijgsverslag [178: verslag dd. 19 juni 1940]:

»  Op eigen initiatief heb ik de stellingen gekozen en ingericht, daarbij rekening houdende met een mogelijken rugaanval. In den loop van den dag bereikten mij verschillende malen van den kapitein Crok berichten, als zou de vijand ons in den rug willen aanvallen. Telkenmale bleek dit gerucht ten eenenmale onjuist te zijn (…).

De berichtgeving was zeer slecht. Hierbij kwam nog het feit, dat de kapitein Crok weigerde, mij berichten door te geven, welk feit ik na de terugkeer bij mijn compagnie terstond aan mijn compagniescommandant heb gemeld. Dit geschiedde naar aanleiding van het zenden om meer munitie, daar ik vermoedde spoedig meer nodig te hebben. De kapitein Crok verbood mij, deze munitie uit de school aan de Betje Wolffstraat – door mijn [sic] troepen ontruimd – te doen ophalen. Toen ik hem er opmerkzaam op maakte, dat de buurt rond deze school vrij was van Duitschers – kort tevoren, en nádat de school ontruimd was, had ik er persoonlijk gepatrouilleerd – voerde hij aan, dat de Krispijnwijk gebombardeerd zou worden door vijandelijke vliegtuigen. Dit argument was voor mij geenszins steekhoudend. Er was mij immers veel meer aan gelegen, de beschikking te hebben over voldoende munitie, dan dat ik mij liet weerhouden deze te halen op grond van een te verwachten bombardement. Daar het mij voorts hoogst onwaarschijnlijk voorkwam, dat de kapitein Crok op zoo nauwkeurige wijze van de plannen van den vijand op de hoogte zou zijn, verzocht ik hem, mij, als commandant der aanwezige Torpedisten, en als feitelijke bezetter van het landhuis, dergelijk voor mij toch zeer belangrijke berichten te willen doorgeven en mij tevens de bron daarvan op te geven. Ik bood aan deze desnoods persoonlijk te komen halen. Hierop deelde hij mij mede niet van zins te zijn aan alle 375 man, die in Weizicht lagen, berichten door te geven. Op eigen gezag heb ik hierop een sergeant met enkele manschappen de munitie laten halen. De gezagsverhouding was aldus verre van aangenaam.

Tot mijn spijt moet ik rapporteren dat de kapitein Crok zich hoogst nerveus gedroeg, hetgeen o.m. tot uiting kwam, toen een matroos zich, zeer vermoeid, bij hem kwam melden. De matroos bleek in het bezit te zijn van een plattegrond van de stad en had op alle wegen, welke naar de spoorbrug [sic] leidden, de vijandelijke en onze posities verkend. Deze gegevens waren uiteraard van groot belang, doch de kapitein Crok gaf de matroos, die zijn gegevens met levensgevaar had verzameld, op driftigen toon te kennen, dat hij ‘op moest donderen, daar hij voor dergelijke flauwe kul geen tijd had.’

In de loop van dezen dag bood ik den kapitein Crok vele malen aan, met mijn Torpedisten, versterkt door zijn Pontonniers, een aanval te doen op de spoorbrug, daar ik kans zag, deze door een georganiseerde aanval in bezit te nemen. Het voorterrein was veilig en ik jad, in de gunstige omstandigheden verkeerende, Dordtenaar te zijn, en dus ter plaatse uitstekend bekend te zijn, een aanvalsplan opgezet, dat naar mijn mening grote kans van slagen bood. Door de grote sterkte kon namelijk van vijf zijden tegelijk worden opgerukt. Tot driemaal toe weigerde de kapitein Crok, en deelde mede, hiervoor op orders te moeten wachten. De vierde en laatste maal stuurde hij zijn Pontonniers (150 man) het achter ons liggende boschje [AG: Bos van de Roo] in, onder mededeeling, dat de Duitschers op komst waren. Mijn aanvalsplan was hierdoor onmogelijk, doch Duitschers waren er niet in het boschje en zijn er tijdens onze bezetting in Wiezicht ook niet geweest. «

Een zeer uitgesproken citaat, dat door een officier werd gedebiteerd, die op 10 mei zich buitengewoon had onderscheiden [en daarvoor een Bronzen Leeuw kreeg toegekend] en van zijn daad nuchter, zonder overdrijving kond had gedaan in hetzelfde verslag. Bovendien strookt zijn typering van het optreden en de houding van de kapitein Crok met minder specifieke edoch gelijkgestemde typeringen door anderen, die van deze officier geen hoge pet op hadden (2). Het weinig mededeelzame en barse gedrag dat de kapitein Crok volgens de luitenant Beernink tentoonspreidde tijdens de 24 uur dat beide officieren met elkaar te maken hadden, wordt vaker opgetekend bij Nederlandse bevelvoerders in mei 1940. De kinnesinne tussen beroeps- en reservekader alsmede de toentertijd algemene opvoeding van beroepsofficieren in ‘verhevenheid’ zal hierbij beslist een rol hebben gespeeld. Dat deze afstandelijke omgang buitengewoon kwalijk was voor de operationele waarde van eenheden behoeft vermoedelijk geen nader betoog. In elk geval geeft het verslag van de luitenant Beernink een duidelijk beeld van de weinig beleidvolle gevechtsleiding die door de kapitein Crok werd gegeven.

(2) Onder meer de reserve majoor Den Boer [107] omschreef de kapitein Crok als angstig en initiatiefloos, wars van durf. De majoor wilde op 11 mei Krispijn niet ontruimen en bovendien juist offensief tegen de Duitsers optreden. De functioneel boven hem gestelde kapitein Crok wuifde dit weg en bleef eenduidig op ontruiming aansturen. Toen de berichten van de groep Ruige kwamen zag de kapitein direct aanleiding zijn plannen uit te voeren en spoorslags de beide compagnieën pontonniers naar de Weizicht sector te verplaatsen en daarmee Krispijn te ontruimen. Ook het stafwerk concludeert – mogelijks slechts op basis van de verslagen van de majoor Den Boer en de luitenant Beernink overigens – dat de kapitein Crok vooral ‘het oog gericht hield op een terugtocht naar de binnenstad’ [1: blz. 46].

[107a, 107b] Een sectie sterkte onder de reserve 1e luitenant J. van der Houwen werd door de kapitein Siegmund doorgestuurd naar de overweg in de Dubbeldamsche weg. De luitenant moest het stuk tussen die overweg en die oostelijk daarvan (de Kromme Dijk) – grof gezeg de Transvaalstraat – voor verdediging inrichten. [107a] Een sectie pontonniers onder de AOOI Koster was al eerder (door majoor Den Boer) naar dezelfde sector gestuurd, maar verplaatste zich na aankomst van de luitenant naar de omgeving Reeweg-Oost, bij de kruising met de Ceramstraat (bij het Gemeentelijk Ziekenhuis). Kort nadien verplaatste de AOOI zich naar een locatie bij de Algemene Begraafplaats. Bedoeling was na zuivering van het gebied van aldaar gemelde Duitsers het Land van Valk te bezetten (stadswijk). Onduidelijk is of die handeling door de AOOI Koster op eigen initiatief werd ontplooid of dat dit op instructie van de kapitein Siegmund of majoor Den Boer geschiedde.

Andere pontonniers werden ingezet bij en op het spooremplacement, terwijl het station door de spoorwegtroepen [178] en een sectie torpedisten van 4.DPT onder de luitenant Smith bezet bleef [107d]. De overige pontonniers vonden posities tussen de Markettenweg en de spoordijk [170a, 170b].

In welke mate deze door de kapitein Crok geïnitieerde verdediging vooraf, tijdens (vorming) of na afronding, werd kortgesloten met het kantonnementsbureau, wordt uit de bronnen niet duidelijk. Het lijkt haast uitgesloten [zie de beschouwing hierna] dat het vooraf was afgestemd met het kantonnement. Men mag echter aannemen dat het in elk geval tijdens of na afronding van de nieuwe ontplooiing met de kantonnementsstaf werd gedeeld. Er was niet alleen sprake van een werkende telefoonverbinding tussen de kapitein Crok en het stafbureau, maar tevens relatief eenvoudig fysiek verbinding met de binnenstad mogelijk. Men mag er dus wel vanuit gaan dat met deze afgrendeling langs de spoordijk op het kantonnementsbureau duidelijk was dat de wijk Krispijn gedurende de middag van 11 mei niet langer door eigen troepen beheerst gebied was.

Posities ten zuiden van de stad

Voor het juiste overzicht is het van belang kort naar de posities van III-14.RA, 3-I-28.RI en de wielrijders te kijken die zich volgens verwachting van Mussert rond Dordwijk en de Zuidendijk (verlengde Reeweg) bevonden. Een en ander is al bij Vak Wieldrecht besproken, maar voor het juiste perspectief hieronder beknopt herhaald.

Als men de stafkaart bekijkt dan ziet men de afstandverhoudingen goed in beeld. De formaties die ten zuiden van de stad waren gelegen in de ochtend van 11 mei, waren de restanten van III-14.RA [ca. 200 man], de compagnie 3-I-28.RI van reserve kapitein Bollé (min een sectie, inclusief een sectie zware mitrailleurs en een sectie mortieren) en de twee compagnieën Wielrijders van III-2.RW, die rond 0900 uur geheel in positie waren. Deze eenheden lagen in de omgeving van de Oudendijk, Dordwijk met verbinding tot aan Kop van ’t Land, en bovendien met een ijle verdedigingslinie langs de oostelijke helft van de Zuidendijk (verlengde Reeweg).

In die bezetting kwam verandering doordat Mussert de Wielrijders opdracht had gegeven om naar de Zeehaven op te trekken, waarna zij geheel uit de sector verdwenen. Na de debacle rond het bataljon Ravelli zouden de wielrijders weer naar het Oranjepark terugtrekken en dus niet terugkeren naar de omgeving Dordwijk – Oudendijk.

In de middag van 11 mei trok een deel van III-14.RA samen met 3-I-28.RI en een sectie van 2-I-28.RI [onder luitenant Julius] naar het zuiden en zou succesvol de batterijposities van III-14.RA heroveren. De ijle bezetting van de Zuidendijk bleef goeddeels intact, waarbij de mortieren en de sectie zware mitrailleurs van 3-I-28.RI waren ingedeeld. Zuiveringen van het terrein rondom de Zuidendijk leverde zeven krijgsgevangen parachutisten op, allen Sanitäter, die daar reeds sinds 1000 uur op 10 mei hadden verscholen gezeten. Voornamer is dat gedurende een groot deel van de middag en begin van de avond de omgeving tussen Zuidendijk en Buitendijk goeddeels ontruimd was door de artilleristen. [140] Achterblijvers ervoeren echter vuur van – volgens hun eigen zeggen (3) – nieuw gelande parachutisten nabij ’t Visschertje (punt nabij de spoorlijn Dordrecht-Gorinchem, NO van het dorp Dubbeldam). 

(3) Echt specifiek omtrent de locatie is slechts het verslag van wachtmeester-capitulant J.J. van Brakel van III-14.RA. [140]. Deze zegt hierover letterlijk: “Nadat we de Duitschers gevangen hadden genomen zijn we teruggegaan naar den Zuidendijk en daarna verder tot den Buitenwijk [sic: bedoeld werd de Buitendijk]. Hier begonnen we opnieuw op parachutisten, welke achter dezen dijk lagen en inmiddels opnieuw aangevoerd werden, te vuren.”

Duidelijk blijkt dus dat de rond het middaguur gelande parachutisten ook door de artilleristen werden opgemerkt en zelfs enig vuurcontact werd onderhouden. Onduidelijk is (opnieuw) of deze contacten louter ontstonden met parachutisten die – o.m. door de Duitse Sani’s – rond het middaguur waren afgezet of dat er toch nog meer parachutisten aansluiting hadden gevonden in de omgeving van de oostelijke spoorlijn. Dit vraagstuk lijkt vooralsnog niet werkelijk op te lossen, zoals later zal worden besproken.

De artilleristen en de infanterie zouden in de vroege avond opdracht van Groep Kil krijgen om het herbezette terrein van de batterijen van III-14.RA te laten voor wat het was [men was er door artillerie en mortiervuur al van weg getrokken] en ter ondersteuning van de aankomst van de Lichte Divisie een nieuwe defensieve linie te vormen achter de spoorlijn Dordrecht – Gorinchem tussen Dubbeldam en de spoorbrug over het Wantij.

Hoewel tussendoor nog een tweetal secties wielrijders van 2-III-2.RW naar het zuiden was gestuurd, was de bezetting van de sector Dordwijk – Dubbeldam gedurende de gehele middag minimaal geweest. De Duitse parachutisten hadden zich dan ook vermoedelijk niet erg bedreigd gevoeld vanuit die hoek. [104c] Desondanks kwamen de beide secties van 2-III-2.RW - onder de 1e luitenant Ras - kort na het middaguur (zij waren rond 1200 uur naar Dordwijk gestuurd op bevel van overste Mussert) in contact met de landende parachutisten. Drie parachutisten werden gevangen genomen. Er werd tevens gerapporteerd dat er enige waren verwond of gedood. Nadien trokken de secties weer noordwaarts en verkenden diverse posities in zuidoost op Duitse aanwezigheid. Zonder resultaat.

Gevechten in Zuidoost

Als gevolg van de ontruiming van Krispijn en het oprollen van het bataljon Ravelli, lag de zuidelijke omgang rond de stad vanuit het westen grotendeels open voor de Duitsers. Het duurde niet lang voordat dit bij de Duitsers duidelijk werd.

[107a] AOOI Koster had zich – na zijn opmerkelijk energieke inzet op de eerste oorlogsdag – gedurende de late avond van 10 mei en het begin van de nacht bekommerd om de verdediging van de school aan de Bosboom Toussaint. Nadat de adjudant samen met de twee compagnieën naar de nieuwe defensie rond het spoor was verhuisd, kwam hij zoals beschreven bij het Gemeente Ziekenhuis terecht. Aldaar was enig vuurcontact met Duitsers die zich in de wijk Land van Valk (wijk rond de Kromme dijk ten oosten van de vork in het spoor) ophielden. Nadat burgers aan de adjudant melding maakten van Duitsers die zich bij de Algemene Begraafplaats ophielden, besloot de adjudant – vermoedelijk op eigen initiatief – met een deel van zijn sectie daartegen op te treden. Via de spoorwegovergang in de Kromme Dijk, west langs het spoortalud, vervolgens de Dubbeldamse weg en de Alexanderstraat bereikte de adjudant de Algemene Begraafplaats. Daar werd vervolgens tevergeefs naar Duitsers gezocht, waarna men in de winkelhaak in de Achterweg (weg richting Dordwijk) bij de Israelische Begraafplaats een positie innam. Van daaruit beheerste de groep zowel de Nieuwe Weg als de Achterweg. Spoedig betaalde zich die strategische positie uit. Een auto met vijf Duitsers kwam vanaf de Nieuwe Weg de Achterweg opgedraaid richting Dordrecht. De adjudant en zijn mannen namen de auto op korte afstand onder vuur, waarbij de chauffeur werd gedood en de auto over de kop sloeg en in de sloot naast de weg rolde. De vier andere Duitsers werden gevangen genomen. Volgens de adjudant waren ze volkomen overstuur. De gesneuvelde parachutist kreeg een veldgraf, zoals te zien is op een foto van de uitgeschakelde auto. De naam van de gesneuvelde parachutist is vooralsnog niet te herleiden.

Achterweg

Ook andere pontonniers hadden gevechtsaanraking met parachutisten in de sector. Die aanrakingen werden o.a. gemeld op de Krispijnseweg [door SMI Pasma, 170]. SMI Pasma beschoot vanaf de omgeving van het spoor een groep parachutisten die hij in de buurt van de kruising met de Patersweg ontwaarde. Uit de aanraking die adjudant Koster had met een auto met parachutisten lijkt e.e.a. toch te duiden op tenminste enige aanvoer vanuit het westen. Duidelijk is – ook uit de beknopte omschrijving van de posities van Nederlandse verbanden ten zuidoosten van Dordrecht – dat er door het ontruimen van Krispijn een gapend gat in de verdediging van het zuiden van de stad was ontstaan.

[170a, 170b] De Duitsers bleven ook vuurcontact onderhouden met de troepen in Weizicht. Die contacten namen zelfs toe. De vuurgevechten, over langere afstand, langs het zuidelijke deel van het spoor tussen de Duitsers in en rond het bruggenhoofd en de Nederlandse posities in de huizen aan de oostzijde van de Hugo de Grootlaan en park Weizicht bleven de gehele middag en ook in de avond doorgaan.

[100a, 140] In de avond trokken de artilleristen van III-14.RA en de infanteristen van 3-I-28.RI vanuit de omgeving Zuidendijk- Kop van ’t Land ook terug op Dordrecht. Zij hadden daartoe bevel gekregen van Groep Kil. Zij namen stelling achter de spoorlijn Dordrecht – Gorinchem. Opvallend genoeg kwamen zij bij de terugtrekking vanaf de Zuidendijk en omgeving naar Dordrecht niet in aanraking met Duitse parachutisten. Die hadden zich kennelijk geconcentreerd in de wijk Land van Valk en mogelijk de omgeving Reeweg-Oost.

Een opvallende zaak is dat er bij de diverse gevechten in zuidoost op 11 mei geen enkele dode viel aan Nederlandse kant. Aan Duitse kant zijn vier doden – allen Ersatz mannen [Ersatz Kompanie: Jäger Auer, Jäger Stolting, Jäger Tepe en Jäger Thisen] – en mogelijk nog een vijfde, geadministreerd onder 2./Ers.Kp [Jäger Merten]. (4)

(4) Deze vijf gesneuvelden zijn alle vijf middels een WASt procedure geverifieerd als Ersatz parachutisten. Ook op de gesneuvelden inventaris van de FJR Ersatz [483] worden zijn genoemd, met sneuvellocatie Dordrecht.

Welke Duitsers opereerden er in Zuidoost?

Dan is er de bijzonder uitdagende kwestie van vaststellen welke Duitsers de pontonniers tegenover zich troffen. Een goed onderbouwd antwoord geven op dat vraagstuk verlangt een uitgebreide uiteenzetting.

In de Dordtse wijk Land van Valk waren in de late middag grotere groepen Duitsers terecht gekomen die tussen de nieuw gevormde spoorlinie en de Nederlanders bij Dordwijk en de Zuidendijk (verlengde Reeweg) in naar het zuidoosten van de stad waren gemanoeuvreerd. Het betrof hier mogelijk enige parachutisten van III./FJR.1, maar het is aannemelijker dat het hier drie vliegtuigladingen para's betrof die vrijwel zeker toebehoorden aan de Kompanie Moll en kort voor het middaguur van de 11e mei boven de Zuidendijk werden gedropt [zie hiervoor de argumentatie en beschrijving onder Vak Wieldrecht en een korte recapitulatie hieronder]. Deze Duitsers zochten en vonden mogelijkheden het spoortalud van de spoorlijn Dordrecht – Gorinchem over te steken, zodat zij ook in de sector van het Sportpark en de ziekenhuizen terecht kwamen. Hun sterkte moet beperkt zijn geweest. Dat wordt geconcludeerd uit de volgende beredenering.

Op 11 mei waren na de hereniging van I./FJR.1 en III./FJR.1 bij de Oude Maas, de beide compagnieën van I./FJR.1 (plus restant 3./FJR.1) in het bruggenhoofd gebleven. [451, 454] Dat blijkt duidelijk uit hun krijgsverslagen. [462] De 11e Kompanie was na de opening van de corridor naar het zuiden in het begin van de middag ingezet om de verbinding tussen I./FJR.1 en de regimentscommandopost te Tweede Tol te herstellen (mogelijk met ondersteuning van 10./FJR.1), [464] terwijl 12./FJR.1 daarachter naar Willemsdorp doortrok, mogelijk daarbij ook de krijgsgevangenen van het bataljon Ravelli meevoerende. Die compagnieën kwamen onderweg bij Wieldrecht nog in aanraking met de restanten van het bataljon Ravelli. 11./FJR.1 leed daarbij een verlies [32, 462]. De adjudant van C-III./FJR.1 – Oberleutnant Schmücker – geeft een indicatie in zijn verslag [481], waarin hij 9./FJR.1 als enige compagnie in de sector Dordrecht achterliet. Een nog duidelijker indicatie staat in het gevechtsrapport van I./FJR.1 [450], dat echter dagen door elkaar haalt. Het spreekt (abusievelijk) over 12 mei, maar beschrijft gebeurtenissen die op 11 mei plaatsvonden (wat consistent wordt doorgezet, door ook de aanval op 12 mei door de Gruppe de Boer abusievelijk op 13 mei te beschrijven). Het verslag zegt het volgende:

» Am 12.5 [sic] vormittags erschien der Divisions-Kdr. im Btl-Gefechtsstand und gab mir mündlich Befehl, mit den zur Verfügung stehenden Kräften die Stadt Dordrecht von Osten her anzugreifen und die Stadt zu nehmen. Vom Rgt. wurde befohlen, dass zusätzlich die 9. und 10.Kp unter Führung von Oblt. Gessner und Oblt. Trebes Verwendung finden sollte. Die sofort eingeleiten Erkundungen und Nachforschungen ergaben, das Dordrecht stark besetzt und zur Verteidigung hergerichtet war. Stabsarzt Dr. Werner, der einige Verwundetentransports dorthin durchgeführt hatte, konnte besonders wichtige und zutreffende Angaben machen. «

De beschrijving die wordt gegeven betreft niet een beschrijving van de daadwerkelijke inzet van troepen op 11 mei, maar verwijst slechts naar verkenningen en planvorming. Daarbij wordt overigens niet uitgesloten dat enige ‘Spähtruppen’ van groepsgrootte werden uitgezonden, wat een goed Duitse gebruik was. Het rapport meldt verder dat de uitwerking van het plan III./FJR.1 vervolgens weer deed afvallen omdat een speciaal gevormde formatie de actie zou uitvoeren. Dat werd de Gruppe de Boer (op 12 mei). Desondanks spreekt ook uit het bovenstaande citaat dat er wel degelijk verkenningen werden uitgevoerd. Omdat vermoedelijk alleen 9./FJR.1 op 11 mei vrij was voor inzet, is de kans aanwezig dat het parachutisten van die eenheid waren die op 11 mei in het zuidoostelijke stadsdeel in aanraking kwamen met de Nederlandse troepen.

Er is echter ook aanleiding juist weer te twijfelen aan de inzet van 9./FJR.1. Er zijn aanwijzingen in de rapporten van de beide compagnieën van I./FJR.1 dat zij beschikbaar bleven voor Hauptmann Walther, C-I./FJR.1. En die uitleg kan ook worden gegeven aan de beschrijving die Oberleutnant Schmücker gaf, toen hij aantekende [481] dat III./FJR.1 ‘ohne 9.KP’ in de middag van 11 mei doortrok naar Tweede Tol. Van 11.Kp en 12.Kp is daarvoor ondersteunend bewijs, voor 10.Kp is dat er niet. Dat zou betekenen dat er van I./FJR.1 en III./FJR.1 geen troepen in het zuidoosten van Dordrecht zouden zijn geweest op 11 mei, of hoogstens enkele kleine verkenningsgroepen. Slachtoffers in die sector had III./FJR.1 ook niet [32]. Het is echter wel aannemelijk dat 9./FJR.1 – mogelijk 10./FJR.1 (waarover opvallend weinig is geschreven in Duitse bronnen) – langs de Patersweg zijn opgetrokken de uitschakeling van de Groep Ravelli. [170b] Niet alleen zijn er uit rapporten van pontonniers berichten naar voren gekomen dat de school aan de Jacob Marisstraat vlak voor de evacuatie ervan werd beschoten vanuit het zuiden, maar tevens wijzen verslagen van II-28.RI [100b] erop dat na het wegvoeren van de krijgsgevangenen terug over het viaduct, Hauptmann Schulz met ‘een compagnie’ oostwaarts trok over ‘het eerste kruispunt’. Dat ‘eerste kruispunt’ was de kruising Zuidendijk – Zeehavenlaan – Patersweg. [170] SMA Pasma bevestigde in zijn verslag ongeveer een tiental parachutisten op de hoek Patersweg – Krispijnseweg te hebben beschoten in de middag van 11 mei. Na de beschieting zouden die zijn verdwenen. Uit Duitse bronnen [zie boven] is omstandig op te maken dat de oostwaartse beweging van de compagnieën van Schulz inderdaad niet lijkt te zijn doorgezet. 

Voor het dan onstaande dilemma dat er in de middag van 11 mei toch aanzienlijk hoeveelheden parachutisten werden ontwaard in het zuidoosten van de stad is vermoedelijk wel een passend antwoord te geven. Zoals uit rapporten van Nederlandse militairen van 2-III-2.RW [104c], III-14.RA [140] en kapitein Bollé van 3-I-28.RI [100a] blijkt – maar vooral uit een verslag van een verscholen Sanitäter [471]Soldat Hermann Kurz van Sani.Kp.7 – sprongen er rond het middaguur drie vliegtuigladingen parachutisten af in de buurt van de Zuidendijk (verlengde Reeweg). De Sanität-soldat Kurz beschrijft het als volgt:

» Gegen Mittag kamm eine Kette Ju 52. Davon wurde genau über uns eine Gruppe abgesetzt, worauf wir natürlich auch wieder schossen (5). 3 Mann landeten davon ungefähr 200 m von uns und die anderen kamen alle ungefähr über die Strasse. Wir versuchten, mit den drei Mann Verbindung zu bekommen, es gelang uns aber nicht, denn wir wurden immer wieder beschossen. «

(5)Worauf wir natürlich auch wieder schossen” dient uiteraard te worden vertaald als “Waarop wij het vuur ook weer (op de tegenstander) openden” en niet als indicatie dat men op eigen vliegtuigen schoot. 

Gefreiter Bastet [471] van dezelfde Sani eenheid bevestigt de gedropte versterking rond het middaguur van de 11e mei en ook hij omschreef een locatie die op de omgeving Zuidendijk wijst. Vermoedelijk lag de groep Duitsers zelfs onder Dubbelsteijn. De groep Duitse Sani’s werd in de late middag gevangen genomen door enige onderofficieren van III-14.RA [140]. Dat gold niet voor de afgesprongen versterking. Deze bestond vermoedelijk uit een kleine 40-tal mannen, vermoedelijk van de Ersatz Kompanie van Oberleutnant Moll, en is vrijwel zeker de eenheid geweest die ageerde tegen de pontonniers die in het zuidoosten van de stad posities hadden ingenomen. Op een of andere manier zijn deze parachutisten precies terecht gekomen tussen de Nederlandse posities, hoewel de twee secties wielrijders van 2-III-2.RW tenminste een deel van hen kort na de landing bestreden [104c]. Dat het mannen van de Kompanie Moll betrof lijkt ondersteuning te krijgen vanuit de slachtofferlijst der Duitsers [32]. Vier man van 3./FJR.1 – allen Jäger – kwamen om in Dordrecht op 11 mei. Zoals al bij het hoofdstuk Vak Wieldrecht betoogd, betroffen het vrijwel zeker reeds aan 3./FJR.1 toebedeelde Ersatz mannen. Ook is bij de bespreking van Vak Wieldrecht onderbouwd dat er vermoedelijk niet meer dan de drie gerapporteerde vliegtuigladingen werden gedropt. Er waren er immers twaalf uit Duitsland vertrokken, waarvan er drie werden neergeschoten (waarvan één in de Biesbosch) en zes rond de Tongplaat en Zeedijk werden afgezet. Het is echter wel goed mogelijk dat de drie vliegtuigladingen – vermoedelijk tussen de 36 en 42 man – contact maakten met enige andere geïsoleerde parachutisten, mogelijk zelfs nog enige overlevenden van 3./FJR.1 die gevangenneming door de pontonniers op 10 mei hadden kunnen voorkomen. Bovendien, zo blijkt ook wel uit het verslag van I./FJR.1 en het geval met de auto met parachutisten bij de Achterweg, werden er verkenningen door I./FJR.1 uitgevoerd richting het zuidoosten van de stad. Wellicht dat daardoor nog enige versterking van de circa 40 man parachutisten ontstond. Anderzijds geven de Nederlandse verslagen van de wielrijders, pontonniers, later ook de artilleristen van III-14.RA, geen blijk van grote aantallen Duitsers. Dat sluit niets uit. Het is met de beperkt voorhanden bronnen, en de vaak ronduit povere Nederlandse krijgsverslagen, onvoldoende zekerheid te geven om te stellen dat een ‘derde’ Duitse luchtlanding geheel is uit te sluiten. De melding van kapitein Bollé aan Groep Kil [100a, 192] dat rond 1300 uur ’80 parachutisten’ ten westen van hem afsprongen en de melding rond 1320 uur van de in Dordrecht verkerende wielrijder luitenant Ras [104c, 192] van '60 gelande parachutisten', lijkt te duiden op de landing van dezelfde groep als de beide Duitse Sani’s gemeld hadden. Het aantal van ‘80’ lijkt echter weer sterk overdreven, hoewel het natuurlijk zonder hard bewijs niet kan worden uitgesloten.

Al met al lijkt het dus aannemelijk dat de gevechten op 11 mei in het zuidoosten van Dordrecht gevoerd werden met op 11 mei rond het middaguur nieuw afgesprongen parachutisten. Zij zijn echter beslist niet de parachutisten die Nierstrasz [1] en Brongers [30] in de vroege ochtend aan de Zuidendijk lieten afspringen ten tijde van de aanwezigheid aldaar van de twee compagnieën wielrijders. Zoals uit de Duitse verslagen, en enkele Nederlandse verslagen, blijkt, betrof het hier een landing rond of kort na het middaguur. In elk geval lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de nieuw gevormde spoorlijnlinie te maken had met Ersatz parachutisten en niet of nauwelijks met parachutisten van de Duitse hoofdmacht.           

De evacuatie van Krispijn beschouwd

In de vroege middag van 11 mei was dus door kapitein Crok besloten om de wijk Krispijn te evacueren, in anticipatie op spoedig Duits opdringen vanuit het noordwesten, westen en zuidwesten. Volgens een verslag van de majoor Den Boer en vooral volgens het verslag van de kapitein Crok zelf, was al op 10 mei de overtuiging bij de laatste ontstaan dat uiteindelijk op Weizicht zou moeten worden teruggetrokken. De kapitein Crok zei daarover letterlijk in zijn verslag van oktober 1940:

» Bij mijn onderhoud met de C-1e Depotcomp. [AG: einde middag 10 mei] had ik gehoord, dat een Comp. Pioniers aan den Z.dijk zich direct had overgegeven, met uitzondering van één sectie onder een Luit., die ik aldaar aantrof. Verder wisten we, dat de nieuwe verkeersbrug over de Oude Maas reeds in het eerste uur was bezet geworden. Onze rechterflank was dus onbeschermd en had ik toen reeds het idee, later wanneer het noodig mocht worden met mijn manschappen terug te trekken op den boschrand ten O. van den tunnel, in aansluiting met de troepen welke de stad verdedigden achter den spoordijk.«

De vorming van het ‘plan’ om terug te trekken op de spoorlijn – waar de kapitein tamelijk ‘fier’ op leek te zijn, gezien de wijze waarop hij het schijnbaar met enige trots in zijn verslag presenteerde – was dus al geboren voordat dit vanuit het kantonnementscommando kon zijn gevoed. Op 10 mei was de overste Mussert nog vast van plan de gehele stad hardnekkig te verdedigen. Hij was volop bezig troepen van buitenaf te organiseren en kreeg die ook toegezegd van zijn directe superieur Commandant Vesting Holland (een bataljon Wielrijders) en de aanleunende Groep Kil (het bataljon Ravelli). Overste Mussert had dus niets op met zo’n terugtrekkende beweging als zijn plaatsvervanger kapitein Crok op vrijdag al bedacht had. In tegendeel. Toen de kapitein Crok gedurende de late avond en vroege ochtend van 10 en 11 mei telefonisch melding maakte van het beleg dat de scholen in Krispijn vermeend trof – hetgeen in werkelijkheid helemaal niet aan de orde was – werd door de overste Mussert een compagnie van III-2.RW verordonneerd zuiverend in Krispijn op te treden. De overste had toen nog het ferme plan Krispijn sterk te verdedigen en met de vrije troepen die hij vanuit de Groep Kil had gekregen, tegen het Duitse bruggenhoofd te zullen optreden. Ook zijn opdrachten aan de overige Wielrijders – om het zuidfront van de stad bij Dordwijk te versterken – paste in die strategie van afgrendeling van het kantonnement. Kapitein Crok zijn planvorming op de 10e mei kwam dus vrijwel zeker vanuit eigen initiatief, mogelijk omwille van zijn bewustzijn dat hij als ‘bevelhebber in zuid’ toch iets van een alternatief plan moest hebben.

In de loop van de middag van 11 mei kan er een kentering zijn gekomen in de overtuiging van overste Mussert dat zijn plan zou kunnen slagen. Opnieuw past een nadrukkelijk voorbehoud, wegens ontbrekende gegevens over de gebeurtenissen op het kantonnementsbureau. De contacten die de overste (en zijn staf) echter gedurende de ochtend en vroege middag hadden gehad met wielrijders, majoor Ravelli en met de beide scholen in Krispijn, zullen aanleiding hebben gegeven tot een weinig rooskleurige beeldvorming. De overste wist van de eerste terugslag van het bataljon Ravelli. Hij had contact met zowel diens verbindingsofficier luitenant Zeeman als de majoor Ravelli zelf, toen deze teruggeslagen in de Zeehaven tot (minstens) tweemaal toe met de overste belde(n). De overste wist ook dat er uiteindelijk door de twee door hem toegezonden compagnieën wielrijders contact met Ravelli was gemaakt. Het noodlot dat de officieren van het bataljon Ravelli vervolgens trof bij het viaduct over de rijksweg (bij de Zeehaven) zal niet zo snel bij de overste Mussert op het bureau hebben gelegen. Wel werd kort nadien duidelijk dat de beide compagnieën wielrijders teruggetrokken waren naar het Oranjepark, en vermoedelijk werd het de kantonnementsstaf spoedig genoeg duidelijk dat er ongunstige ontwikkelingen waren te melden over de locatie Zeehaven. Voordien al zal aan Mussert en zijn staf zijn gemeld dat de groep Ruige (cum suis) was teruggetrokken onder Duitse druk. Zoals bekend trokken die al van de Zuidendijk terug naar de school aan de Bosboom Toussaintstraat toen de krijgsgevangenen colonne nog voor de kruising met de Glazenstraat was. Als de terugkomst van de luitenant Ruige – die zijn terugtocht motiveerde als gedwongen – aan de Achterhakkers werd gerapporteerd, wat gezien de werkende telefoonverbinding vermoedelijk is geschied, dan was er in de loop van de middag op het kantonnementsbureau geen aanleiding (meer) voor positieve gedachten over de ontwikkeling van een effectieve afgrendeling van de stad – in tegendeel.

Is het in die context denkbaar dat de kapitein Crok zich vanuit zijn bureau in de Jacob Marisstraat (school 2.DCP) in verbinding stelde met de Achterhakkers en, alles overwegende, zijn alternatieve verdedigingsplan voorlegde, om een fiat voor uitvoering vroeg – en dit kreeg?

Het lijkt op het eerste gezicht een denkbaar scenario. Te meer daar het (zuiver rationeel gezien) niet voor de hand ligt dat de kapitein Crok, met een werkende telefoonverbinding met de depotstaf, geheel autonoom een zulk – voor de verdediging van de stad – zwaarwegend besluit zou hebben genomen en doorgevoerd. Er spreekt echter ook veel tegen de denkbaarheid van dat scenario.

Ten eerste is het een gegeven dat overste Mussert tijdens de strijd om 'zijn' stad in feite op geen enkel moment toestemming of instructie heeft gegeven om, op welke positie dan ook, terug te trekken. Het tegendeel is eerder waar. In talloze verslagen van militairen die interacties met hem hadden gedurende de strijddagen, wordt juist vermeld dat de overste, naar mening van menig auteur ‘tegen beter weten in’, opriep vol te houden en niet te wijken. Zelfs in de avond van de 13e mei, toen duidelijk was dat Dordrecht blijven verdedigen geen zin meer had, zou de overste in eerste instantie halsstarrig weigeren te wijken. Hij leek een merkwaardig soort klassieke vastberadenheid over zich te hebben, zoals de Amerikanen dat als ‘the Alamo’ moraal zouden bestempelen. Tactisch terugtrekken of herpositioneren leek in de portfolio van overste Mussert niet voor te komen, gebaseerd althans op de vele verslagen die melding maken van zijn – overigens dus vaak ook omstreden – vasthoudendheid. Desondanks zou het zo zijn – het voorgaande overwegende – dat als Mussert wel de kapitein Crok sanctioneerde om Krispijn te ontruimen, dit een uitzonderlijk gegeven op zou leveren. Dat is overigens geen reden het uit te sluiten als mogelijkheid; wel om het als weinig plausibel te afficheren.

Een tweede punt is dat de kans niet groot is dat overste Mussert ten tijde van zo’n eventueel telefoongesprek met Crok, al geweten kan hebben van het (nood)lot dat het bataljon Ravelli trof. De kapitein Crok wist het vrijwel zeker ook nog niet voordat hij met zijn gevolg vertrok uit Krispijn. De chronologie van gebeurtenissen is niet volkomen duidelijk, waardoor niet is vast te stellen hoe laat precies de kopgroep van officieren van het bataljon Ravelli werd overvallen door Hauptmann Schulz en zijn parachutisten, maar wel duidelijk is dat kapitein Crok zijn laatste zetje om te vertrekken, werd veroorzaakt door het inslaan van granaten bij zijn school alsmede direct geweervuur dat rond het gebouw viel. Dat duidt op het moment van de doorstoot van de parachutisten langs de Zuidendijk kort na de gevangenneming van de kopgroep van Ravelli. Volgens diverse bronnen werd rond 1500 uur – op stel en sprong – de school aan de Jacob Marisstraat verlaten. De gevangenneming van majoor Ravelli vond vermoedelijk slechts zeer kort voordien plaats. Uit verslagen van de wielrijders lijkt een vrij consistent beeld te ontstaan van een tijdsbepaling tussen 1430 en 1500 uur waarbinnen de onverkwikkelijke gebeurtenissen bij het Zeehaven viaduct plaatsvonden. Aangezien kapitein Crok in zijn verslag dat gegeven – die gevangenneming van de kopgroep van Ravelli – niet gebruikt, is de kans verwaarloosbaar dat hij er zelf vanaf wist toen hij zijn besluit nam. De kans dat overste Mussert er dus al vanaf wist – en daarmee vast had kunnen stellen dat de verdediging van Krispijn eventueel hopeloos zou zijn geworden – lijkt daarom verwaarloosbaar. Te meer daar in een dergelijk geval dit vermoedelijk tussen de kapitein Crok en overste Mussert (of diens acterend chef-staf) zou zijn gewisseld. Daarvan blijkt niets. Het is dus zo goed als uit te sluiten dat de teloorgang van het bataljon Ravelli als argument gold, waarmee de kans haast uitgesloten is dat Mussert toestemming zou hebben verleend voor ontruiming van Krispijn. Het is immers gezien de ontwikkelingen in de ochtend rond de Zeehaven nauwelijks denkbaar dat Mussert erop vertrouwde dat de manschappen van II-28.RI de verdediging van Krispijn zouden overnemen.

Een derde punt is dat er een logische defensieve aanpassing ontbreekt in de bevelen vanuit het kantonnementsbureau in navolging op een bericht van kapitein Crok dat hij Krispijn ontruimde voor de spoordijkstelling. Door de ontruiming van Krispijn immers, kwam de zuidwestelijke route onderlangs de stad via de Zuidendijk – Patersweg vrij. Met name de vork Oude Dijk – Nieuwe Weg onder de stad zou de tegenstander alle kans bieden het zuiden en zuidoosten zonder al te veel problemen te benaderen. Te meer daar de bezetting bij Dordwijk daar nog ten oosten van lag. Er was door de ontruiming van Krispijn en het wegvallen van de bezetting van de Zuidendijk (west) en Patersweg een gat gevallen in de gordel rond de stad. Mussert, die zo duidelijk gestreefd had naar een gesloten verdediging rond de stad, zou daar niet blind voor zijn geweest. Het betekende namelijk dat met name het oosten van de stad gevaarlijk open zou liggen. En juist daar ontbrak het aan een geactiveerde sterke verdediging. Er lagen daar enige torpedisten verbanden, maar vooral als wachtposten. De kapitein Zwennes van 4.DPT kreeg geen aanvullende opdracht. In tegendeel, toen hij in de nacht van 11 op 12 mei de torpedisten van het detachement Huissen (onder de 2e luitenant Lucassen) als versterking ontving, werden deze als aflossing van wachtdiensten aangewend, niet als versterking. De bijna drie compagnieën wielrijders in het Oranjepark kregen ook geen nieuwe opdracht van het kantonnement. Zij mochten volstaan met patrouillegangen in de wijk en langs het spoor. Kortom, er werd geen enkel initiatief ontplooid om het oosten van de stad versneld in een betere staat van verdediging te brengen. Als men echter kijkt naar de fanatieke wijze waarop op de eerste oorlogsdag en in de ochtend van 11 mei door Mussert was gestuurd in de vorming van de stadsdefensie, dan is de passiviteit in de aanpassing daarvan in de late middag en avond van 11 mei zeer opvallend. Was deze passiviteit een indicatie dat er in feite nog helemaal geen bekendheid was met het feit dat Krispijn was ontruimd?

Het is onwaarschijnlijk dat overste Mussert niet ergens gedurende de latere middag geïnformeerd werd dat Krispijn was ontruimd. Groep Kil leek er ook van op de hoogte, te meer daar deze [192] rond 1540 uur contact kreeg met luitenant Ruige die bevestigde met pontonniers samen naar de omgeving van het station te zijn teruggedrongen (en zich nabij de positie Spui/Singel te bevinden). Onderwijl was Groep Kil gedurende de vroege middag op de hoogte gekomen van het bevel aan de LD om gedurende de nacht van 11 op 12 mei naar Dordrecht over te steken. Mede daardoor kreeg het zich onder druk wanende III-14.RA met de restanten van I-28.RI opdracht zich ten noorden van de spoorlijn ter verdediging in te richten om zodoende een beveiliging voor de LD te verzorgen. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat deze informatie aan het kantonnementsbureau zou zijn onthouden of niet anderszins daar (ook) was ontvangen. Uit de bevelen die bij kantonnementstroepen (inclusief III-2.RW) bekend werden in de middag en avond van 11 mei, valt niet op te maken dat overste Mussert nieuw beleid maakte in die periode. Daar wordt in een slotbeschouwing over de tweede oorlogsdag in Dordrecht beslist op teruggekomen.

Hoe het ook zij, de wijk Krispijn werd halverwege de middag van 11 mei op (naar omstandigheden) lichtvaardige gronden ontruimd door de garnizoenseenheden. De buitenposten waren al rond 1400 uur verlaten en met vermoedelijke uitzondering van een één of twee groepsposten van 2.DCP langs de Patersweg, vertrokken de beide depotcompagnieën richting Weizicht. Daarmee werd de deur naar het zuiden van Dordrecht wagenwijd open gezet. De Duitsers konden redelijk ongezien en ongehinderd vanaf de Rijksweg, via de Krabbeweg bij Zuidhaven geraken en daar de Oude (Dubbeldamsche) Dijk richting Krispijnseweg of de Nieuwe Weg richting de Algemene Begraafplaats en de Dubbeldamsche weg nemen. Via de Kromme dijk zouden ze eenvoudig in oost terecht kunnen komen. In feite zou exact dit scenario zich op 12 mei af gaan spelen. Het was echter de Duitse verkenners al op 11 mei duidelijk dat deze route open lag – althans min of meer open. AOOI Koster had vermoedelijk een stokje gestoken voor de afronding van een eenvoudige verkenning door vijf Duitsers die met de auto de route waarschijnlijk verkend hadden (of verbinding met derden wilden leggen) en op de Achterweg bij de spoorwegovergang door de adjudant werden uitgeschakeld. Desondanks zouden Duitse parachutisten in de late middag zich in de omgeving Nieuw Weg – Achterweg – Dubbeldamse weg geleidelijk aan posities verwerven.    

Tenslotte dan nog een laatste opmerkelijke vaststelling. Opvallend is dat de eenheden die op 10 mei goed waren geweest voor de enige aansprekende successen aan het gehele Zuidfront, in de ochtend van 11 mei zo lichtvaardig door de knieën gingen. Er moet worden gezegd dat de prestaties van de ochtend van 10 mei vooral door een aantal individuele kaderleden en minderen tot wasdom waren gekomen – en bovendien de rol van de spoorwegtroepen er relatief groot bij was geweest, om de tactische zwakheid van de C-3./FJR.1 nog niet eens als voornaam ingrediënt te noemen – maar het bleek dat op 11 mei toen de compagnieën weer in handen van hun commandanten waren, de algemene malaise van armoedig krijgsbeleid toesloeg. De handelingen van de groep Ruige en vervolgens de beide compagnieën in Krispijn in de ochtend en vroege middag van 11 mei waren bepaald niet overtuigend te noemen. Zonder sterke druk van de tegenstander - er viel bij de depoteenheden geen enkel dodelijk slachtoffer (!) - ontruimde men zodoende een strategisch zeer belangrijk deel van de stad, waarmee men de Duitsers alle vrijheid van logistiek handelen gaf, omdat alle belangrijke wegen voor de parachutisten ontsloten werden. Het zou achteraf een beslissende kanteling in de slag rond Dordrecht blijken te zijn geweest.

[De bronnen vindt u hier]