IJsselmonde

Inleiding

Op 10 mei – de invasiedag – was IJsselmonde het centrum van de Duitse luchtlandingsoperatie op het zuidfront van Vesting Holland geworden. Waalhaven vormde daarin de navel met voor de Duitsers de daaraan verbonden navelstreng met Duitsland én met de te versterken en te bevoorraden troepen die op het zuidfront werden ingezet. Door de Duitse successen van de eerste dag werden de gelande troepen verspreid over de randen van de Duitse corridor. Het zuiden van de Maasstad, in het noordoosten langs de Noord, in het zuiden langs de Oude Maas met als zwaartepunt Barendrecht en naar het oosten bij het bruggenhoofd Zwijndrecht – Dordrecht. In het hart van die Duitse enclave bleef Waalhaven het kloppende hart, maar nam het aantal spraakmakende gebeurtenissen sterk af.

In tegenstelling tot de bespreking van de gebeurtenissen op 10 mei op IJsselmonde, valt er op de tweede oorlogsdag aanzienlijk minder te belichten. Daarom wordt de gelegenheid te baat genomen een uitgebreid exposé te geven over de gelande troepenmacht op 10, 11 en 12 mei op Waalhaven en in de nabije omgeving. Er wordt bewust voor gekozen dat in één hoofdstuk samen te vatten en dit niet over de drie strijddagen te verspreiden. Zodoende ontstaat een beter overzicht.

Het is van belang te melden dat bij de onderstaande bespreking van de gebeurtenissen en de reconstructie van de luchtlandingsdetails op het eiland IJsselmonde een nadrukkelijk voorbehoud moet worden gemaakt bij twee onderwerpen. Het eerste betreft het westen van het eiland. Daarover is – ook in Duitse bronnen – bijzonder weinig vastgelegd. Daar komt bij dat de ingezette onderdelen van de Duitse strijdmacht in die sector juist van de eenheid waren, waarvan de documentatie in het BA/MA [Bundesarchiv – Militärarchiv] bijzonder weinig ontsluit. De gevechtsverslagen en KTB verslagen van 46.ID – en het daartoe behorende en tot de strategische reserve van het Fliegerkorps behorende IR.72 – zijn summier en incompleet in hun bespreking van de gebeurtenissen. Slechts voor de inzet in Dordrecht, als onderdeel van de zogenaamde Gruppe de Boer, is een uitgebreid bataljonsverslag teruggevonden. Dat geldt niet voor de in het westen van IJsselmonde ingezette 1./IR.72 en het in Rotterdam actieve 6./IR.72. Het is vooralsnog niet anders. Omdat echter de hiaten niet door andere bronnen worden aangevuld, blijft er veel ‘te raden’ over. Het tweede onderwerp, wat met min of meer gelijksoortige manco’s te maken heeft, is wat er nu precies op Waalhaven plaatsvond tijdens de tweede oorlogsdag. In het bijzonder de landingen van eenheden, uitrusting en voorraden is bijzonder slecht gedocumenteerd. Dat geldt evenzo voor dergelijke handelingen, die buiten het vliegveld plaatsvonden. Want doordat het vliegveld tijdens de eerste 24 uur van de operatie zo zwaar door vliegtuigen en artillerie was aangepakt, zochten de Duitsers naar alternatieven. Zo werd al vanaf de tweede oorlogsdag bijvoorbeeld op de rijksweg Rotterdam – Zwijndrecht geland. Van de details is echter niets terug te vinden. Een en ander betekent dat vooralsnog moet worden volstaan met een zeer incompleet plaatje. De onderstaande beschrijving is daarom incompleet en hetgeen wat wel vermeld is, is regelmatig gebaseerd op beperkt voorhanden zijnde bronnen of zelfs een deductie daarvan. Er zal daarom vaak een voorbehoud worden gemaakt bij beschrijving van de gebeurtenissen.

Omdat IJsselmonde een soort scharnierpunt vormde in de Duitse operatie en omgeven was door Nederlandse posities, worden veel zaken al elders besproken. De strijd om de verkeersbrug te Alblasserdam, de gevechten om de Oude Maas tussen Barendrecht en Goidschalxoord zijn daarom slechts zijdelings besproken alhier. Ze behoren meer bij de bespreking van Groep Kil – Hoekse Waard respectievelijk de Alblasserwaard. Daarom beperkt de bespreking van IJsselmonde zich voor 11 mei grotendeels tot Waalhaven, de logistiek van de Duitsers en de schermutselingen bij Spijkenisse – Hoogvliet. 

Waalhaven en de Duitse logistiek

[8] De Nederlandse luchtmacht, die op 10 mei 1940 nog zo opvallend actief optrad tegen het door de Duitsers veroverde vliegveld Waalhaven, was op de tweede oorlogsdag een opvallende afwezige. Om onopgehelderde reden kreeg de StratVA [uitgerust met de Fokker C-X lichte bommenwerpers, verkenners] op de tweede oorlogsdag geen enkele opdracht. De BomVA was reeds tot twee Fokker T-V toestellen gereduceerd en concentreerde zich op de Maasbruggen in het hart van Rotterdam. Begrijpelijk was dat voor een simpele vrije jachtopdracht boven het door de Luftwaffe beheerste Rotterdamse luchtruim geen opdracht werd gegeven. De aanzienlijk geslonken jagervloot – een eufemisme op zich – werd begrijpelijk spaarzaam ingezet.

De RAF had gedurende de nacht met uitlopers naar de eerste uren van 11 mei het vliegveld Waalhaven wel flink aangepakt. De Wellington middelzware bommenwerpers [in dat specifieke era door de Britten stelselmatig als ‘zware’ bommenwerper aangeduid] hadden veel schade aangericht aan het vliegterrein. Zo veel, dat aan generaal Kurt Student in de vroege ochtend van 11 mei werd gemeld dat het vliegveld zo goed als onbruikbaar was geworden [411, 500]. Generaal Student – die inmiddels in Rijsoord vertoefde nadat zijn commandopost gedurende de nacht van de school in Rotterdam naar het dorp Rijsoord was overgebracht – kwam in de vroege ochtend naar het vliegveld toe om de situatie persoonlijk te aanschouwen. Hij constateerde dat er nog landingen en starts mogelijk waren, maar dat dit inderdaad zorgvuldig begeleid moest worden en dat er slechts één toestel tegelijk kon landen of starten. De regimentscommandant van IR.16 kreeg opdracht om de rijksweg Rotterdam – Dordrecht geschikt te maken voor landingen [411]. Om circa 0500 uur gaf de C-IR.16 [Oberst Kreysing] op zijn beurt opdracht om krijgsgevangenen in te schakelen om de nog bestaande Nederlandse versperringen, vooral bestaande uit geparkeerde voertuigen, van de weg te verwijderen [411]. Zo geschiedde.

Daarmee was voor 11 mei de koek op. Vliegtuigen zouden die dag Waalhaven met rust laten. De RAF had andere prioriteiten, zoals de strategische bruggen rond Maastricht, Eben Emael en Visé. De Nederlandse luchtmacht had de slagkracht niet meer – althans wende die niet aan – om Waalhaven te bombarderen. Deze tweede oorlogsdag kreeg Waalhaven ‘slechts’ lange afstand artillerievuur van I-10.RA te verwerken. Daarop wordt in een aparte bespreking teruggekomen.

Bij Alblasserdam werd – zoals bij de beschrijving aldaar reeds besproken – door de Nederlandse bevelhebbers en de patrouilles die op de IJsselmondse zijde van de Noord waren geraakt gemeld dat er Duitse parachutisten werden afgeworpen ten oosten en zuidoosten van Oostdam. Dat men in feite bevoorrading waarnam bevestigen de Duitse rapporten. Een Staffel Ju-52 dropte kort na het middaguur munitie voor de zware wapens [411]. Omdat de ‘Behalter’ inmiddels reeds op waren, werd daarbij gebruik gemaakt van zogenaamde bevoorradingsbommen. Dat waren ronde cilindercontainers, die er als bommen uit zagen. Zij waren echter ongeschikt voor het droppen van zware middelen, en zo bleek ook spoedig. Een voornaam deel der afgeworpen munitiecontainers kwam vrijwel ongeremd aan de grond en maakte de munitie onbruikbaar. Mede hierdoor ontstond aan Duitse kant een groot tekort aan munitie voor de PAK (pantserbrisantgranaten), mortieren (8,1 cm) en de houwitsers (7,5 cm), aldus het regimentsrapport van IR.16 [411].

Daarbij valt één zaak op en dat is het vermeende tekort van PAK munitie. De PAK's werden ingevlogen met een munitie aanhanger die 150 brisantgranaten en 150 pantserbrisantgranaten bevatte. Het is haast niet voor te stellen dat de eenheden hierop al een tekort hadden, daar deze PAK's buiten het Rotterdamse theater op 11 mei nog niet of nauwelijks waren ingezet. Men ging er kennelijk vanuit dat de minimum rantsoenen bij de diverse eenheden gehandhaafd moesten blijven. Van herdistributie tussen eenheden is geen enkel gegeven bekend. Voor de mortier- en houwitsermunitie is het echter wel te begrijpen dat er ernstige tekorten ontstonden (welke overigens niet meer zouden worden opgeheven, zij het dat aanvoer niet volledig stagneerde). Deze uit de aard der zaak veel zwaardere munitie was slechts zeer beperkt ingevlogen met de troepen en de zwaardere wapens waren dan ook zeer afhankelijk van bevoorrading. Daarbij is bekend dat de batterij houwitsers [batterijrantsoen was slechts 420 granaten] die op 10 en 11 mei als enige voor IR.16 voorhanden was [4./AR.22] op 11 mei intensief schoot op de oostoever van de Noord. Voor wat betreft mortierinzet is slechts bekend dat 12./IR.16 op de eerste oorlogsdag actief de operatie ondersteunde. Zij vuurde diverse keren op de noordoever van de Nieuwe Maas en ondersteunden eveneens een aanval van 10./IR.16 op het Afrikaanderplein in de middag van de 10e mei [410]. In de sector van FJR.1 waren slechts (maximaal) vier mortieren voorhanden, want II./FJR.1 was zonder mortieren afgesprongen. De inzet van de mortieren op het Eiland van Dordrecht lijkt minimaal te zijn geweest op de eerste oorlogsdag. Of dit te wijten was aan een gebrek aan munitie is onbekend.

Tenslotte wordt door Nederlandse verslagen van de Wielrijders veel mortiervuur gemeld bij Alblasserdam. De vraag is echter zeer sterk of dit wel accuraat was. Het regimentsverslag meldt slechts de inzet van 5./, 6./ en 7./IR.16 langs de sector Oude Maas - Noord - Lek [411]. Het organiek over mortieren beschikkende 8./IR.16 wordt niet gemeld, terwijl het verslag de acties aan de Noord toch vrij uitgebreid bespreekt [411]. Daarnaast was er wel een batterij houwitsers voorhanden en die lijkt de partij te zijn geweest welke de oostoever vooral beschoot. Dat dit aan Nederlandse zijde als mortiervuur werd uitgelegd zegt weinig. Er is bekend dat houwitservuur, zoals op de watertoren en (zuidelijke) kerktoren in Alblasserdam, door de Nederlanders merkwaardig genoeg ook al als mortiervuur werd uitgelegd. Merkwaardig genoeg, want de inslagen maakten toch helder dat het om een vlakkere baan ging dan die van mortieren gewoon is. Anderzijds is het goed mogelijk dat de Duitsers 8./IR.16 over de compagnieën hadden verdeeld. Zo is bekend dat in elk geval een deel van 8./IR.16 bij Barendrecht lag, vermoedelijk een sMG Halbzug Het is bijzonder opvallend dat de compagnie echter in het geheel niet wordt genoemd in de verslagen van IR.16 en nergens is ingetekend op één van de vele Lagekarten, die het IR.16 dossier in het BA/MA prijsgeeft. Zo goed als zeker is – o.m. uit verslagen van het regiment [411] en vanuit de studie van Oberst Langmann (1) [420] – dat 8./IR.16 in elk geval niet in de eerste fase (ochtend 10 mei) van de operatie geland is. Anderzijds meldt Langmann [420] aan het eind van de 10e mei II./IR.16 compleet bij Hordijk (met 7./IR.16 in Zwijndrecht en een peloton van 6./IR.16 aan de Noord). Eén en ander is bijzonder onduidelijk dus. Te meer daar Langmann en het regimentsverslag in feite zo goed als dezelfde bron vormen. Tegenover die onduidelijkheid in expliciete zin staat echter dat in impliciete zin duidelijk is dat van IR.16 vrijwel het gehele Fliegende Staffel werkelijk aan de grond kwam [400-404], zijn 61 officieren en 1.934 minderen. Dat laat in feite geen ruimte over de suggestie te verdedigen dat 8./IR.16 niet (min of meer geheel) landde. Daar komt echter dan nóg wel een interessant argument bij. In de Stellenbezatzung [400-404] wordt slechts 12./IR.16 als een zware compagnie [e.g. sMG en GrWf] binnen het regiment gemeld en worden de beide andere zware compagnieën [4./IR.16 en 8./IR.16] slechts als MG-Kompanie gemeld. Er bestaat dus ook nog de mogelijkheid dat 4./ en 8./ helemaal geen mortieren bij zich hadden, zoals dit bijvoorbeeld ten aanzien van 8./FJR.1 specifiek in het bataljonsverslag [464] bevestigd werd. De vrijheid die lagere commandanten in het Duitse leger genoten om dergelijke beslissingen autonoom te nemen maakt het er qua analyse niet eenvoudiger op, zeker niet bij het ontbreken van ondersteunende bronnen.

Heinz Langmann

(1) Heinz Langmann was in mei 1940 Hauptmann i.G. (in Generalstab) en Quartiermeister op de Abt. 1b van de 22e Infanteriedivision. Langmann behaalde later tijdens de oorlog de rang van Oberst [chef-staf 4e Armee, tot en met april 1945]. In 1955 schreef hij een studie over de inzet van IR.16 bij Rotterdam [420]. Daaruit blijkt dat het gros van zijn informatie was geput uit het regimentsverslag [411]. Onvermijdelijk staan er ook enige opzichtige fouten in de studie, waarvan de ergste is dat Langmann op 11 mei beweert dat het (organiek niet bestaande) III./FJR.2 ten westen van Dordrecht landde. Hij was kennelijk in de war met het naar Dordrecht gestuurde III./FJR.1. Een fout die door Langmann met enig onderzoek eenvoudig te voorkomen was geweest, want III./FJR.2 bestond nog slechts op papier tot na de zomer van 1940. Desondanks heeft Langmann enige aanvullingen, die soms verhelderend lijken.

Onduidelijk is in hoeverre er intensief op het vliegveld Waalhaven werd gewerkt aan reparatie van het vliegveld. Foto’s die kort na de strijd zijn genomen, tonen in elk geval aan dat er geen massale reparatie van het veld plaatsgevonden kan hebben. Het is echter wel zeer aannemelijk dat er bepaalde landingsstrips werden gecreëerd, waarbinnen wel reparaties plaatsvonden. Het is uit diverse verslagen en rapporten wel op te maken dat enige vorm van arbeid aan het veld plaatsvond.

Aangevoerde troepen op 11 en 12 mei

Er kwamen op 11 en 12 mei nog meer troepen aan op Waalhaven, ondanks de deplorabele staat van het landingsterrein. Bij de onderstaande bespreking past een voorbehoud. Het staat boven twijfel verheven dat de voorhanden bronnen onvolledig zijn en bovendien niet altijd juiste gegevens melden. Desondanks wordt getracht een zo betrouwbaar mogelijk overzicht te geven. Voor een goed overzicht wordt eerst een recapitulatie gegeven van wat er op 10 mei aan de grond kwam.

Gelande troepen op 10 mei - recapitulatie

Op 10 mei 1940 was zo goed als geheel IR.16 aan de grond gekomen. In de eerste golf was III./IR.16 aangekomen, waarbij alleen 10./IR.16 pas rond het middaguur nakwam en 11./IR.16 evident met de He-59’s op de Nieuwe Maas was geland. Van dit bataljon wordt bevestigd dat het geheel landde en tot inzet kwam [410, 411]. Het daarop volgende bataljon dat aan de grond diende te komen was I./IR.16. Daarvan liep de planning volledig in het honderd. Uiteindelijk zou het op 10 mei geheel landen, met uitzondering van drie toestellen die een peloton van 3./IR.16 vervoerden en ten noorden van Rotterdam terecht kwamen [411, 420]. De rest van 3./IR.16 kwam pas rond 2100 uur op Waalhaven aan [411]. Mogelijk dat één of twee andere toestellen ook elders neerkwamen. Dat wordt niet duidelijk uit de bronnen, die m.u.v. 3./IR.16 compleetheid suggereren. Anderzijds is opvallend dat de cijfermatige opsomming in het KTB 1a van 22.ID [400: IIa opsomming, toegevoegd aan Ia Anlagen:’Beim Einsatz ‘Holland’ fochten im Kampfbereich der Flieger-Division 7’] aangeeft dat er in het geheel geen IR.16 manschappen in het gebied van 22.ID aan de grond kwamen, terwijl men wél de van IR.47 en IR.65 aan het zuidfront gelande mannen vermeldde. Na de eerste landing van delen van I./IR.16 [de eerste zes toestellen], kwamen delen van II./IR.16 aan de grond [411, 420]. Dit waren 6./IR.16 en 7./IR.16, die na de landing vrijwel onmiddellijk tot inzet kwam bij Smitshoek [411, 420]. Later op de dag zou in elk geval 5./IR.16 landen [411] en vermoedelijk ook (zie eerder bespreking) 8./IR.16.

Intussen landde rond 1000 uur de regimentsstaf van IR.16 [420]. Nadat de troepen eerst verzameld en georganiseerd werden buiten het vliegveld – waarbij zoals gezegd 6./ en 7./IR.16 al tot inzet werden gebracht – werd in de middag met de gelande troepen verzameld bij Hordijk, alwaar C-IR.16 zijn CP inrichtte. Om 1500 uur was deze nieuwe standplaats ingenomen [420]. Vanuit Hordijk werden twee pelotons van 6./IR.16 direct doorgestuurd. Eén naar Ridderkerk en één naar Barendrecht [411]. Het is mogelijk dat de laatste al eerder was opgedragen naar Barendrecht te gaan. 7./IR.16 werd later die dag doorgestuurd naar Zwijndrecht, ondersteund door een peloton van 1./Pi.22 [411].

Volgens de KTB Abt 1a Anlagen [400] landden er van IR.16 in totaal 61 officieren en 1.934 minderen. Dat is inclusief de 13e en 14e Kompanie, waarvan onduidelijk is in welke mate van compleetheid zij precies geland zijn. Langmann gaf in zijn studie [420] aan dat de drie gevechtsbataljons zo goed als compleet geland waren, inclusief bataljonsstaven en regimentsstaf, maar gaf evenzo aan [420: ‘Mit dem Eintreffen der nächsten Teile des Regiments bis zum 11.5 früh kann gerechnet werden‘] dat men nog niet volledig compleet was. Zoals eerder gezegd is daarbij onduidelijk of de eerdere landing van II./IR.16 inclusief 8./IR.16 was. Bovendien wordt de landing van 13./IR.16 en 14./IR.16 niet op 10 mei genoemd.  Bovendien wordt op 12 mei (pas) aangetekend dat twee pelotons van 13./IR.16 in de ochtend op Waalhaven geland waren [411]. Desondanks is zeker dat op 10 mei al 7,5 cm Infanteriegeschutz en PAK van 14./IR.16 geland is. De (Fliegende Staffel) sterkte van beide eenheden was 4 stukken IG 7,5 cm en 9 stukken PAK. Omdat op 10 mei tenminste een stuk IG in Rotterdam werd gemeld [410; alsmede enige NL verslagen], wordt daaruit afgeleid dat in elk geval één IG op Waalhaven landde op de 10e mei. Dat stelt de onderzoeker voor vraagtekens, want infanteriegeschut was geen onderdeel van 7.FD en bovendien kwam volgens de bronnen geen infanteriegeschut van IR.47 of IR.65 in Waalhaven aan op de eerste dag [411]. Bovendien wordt uitdrukkelijk gemeld dat van 13./IR.16 pas op 12 mei twee pelotons aankwamen, wat organiek de gehele sterkte was [411]. Het betekent dat of 13./IR.16 in weerwil van de bronnen [434, 436] uit drie in plaats van twee pelotons bestond, of dat er een stuk vooruit gestuurd was met de eerste landingsgolf, zoals met een stuk PAK van de Fallschirmjäger ook was geschied. Een andere mogelijkheid is dat er toch van 13./IR.47 of 13./IR.65 (tenminste) een stuk aan de grond is gekomen op de eerste oorlogsdag, maar dit het dagboek van het regiment IR.16 niet haalde. Onduidelijkheid dus. Dat is in enige mate anders voor de PAK. Het is zeker dat een deel, mogelijk zelfs het geheel, van 14./IR.16 op Waalhaven (e.o.) aankwam, en bovendien in het gevechtsrapport van IR.16 [411] bevestigt dat tenminste zes stukken PAK [=2/3e deel] van 14./IR.47 op 12 mei met vliegtuigen van KGrzbV.9 [473] op het zuidfront aankwamen. Ook bevestigt het inzetverslag van KGrzbV.9 [437] dat ‘acht Verladeeinheiten der 14./IR.65, etwa 70 Mann mit 4 Geschütze ohne Pferde’ afgezet werden op Waalhaven in de middag [1700 uur] van 10 mei. Deze vier stukken PAK worden echter niet in inzetberichten van IR.16 genoemd. Het is dus – zonder bevestiging in de bronnen van de aankomst van 14./IR.16 op 10 mei – niet aan te geven waar de stukken PAK die op 10 mei voor IR.16 voorhanden waren, toe behoorden. Alleen de zeven stukken die door de Fallschirmjäger PVK werden ingezet zijn te alloceren, zoals elders is vastgesteld [t.w. twee stukken in Rotterdam, vier stukken bij Rijsoord, één stuk vernietigd]. Gezien het feit dat Langmann nadrukkelijk in zijn studie opnam dat er nog resterende delen van het regiment te verwachten waren op 11 mei, kan worden aangenomen dat dit vooral zag op de 13e en 14e Kompanie, mogelijk ook – wegens ontbrekende bevestiging van hun aankomst – van de 8e Kompanie.

Ju-52 van 5./KGzbV.1 boven Waalhaven

Wat er overigens op 10 mei aankwam is ook ten dele in de bronnen geduid. Zo is het zeker dat een deel van 4./IR.65 en 7./IR.65 op Waalhaven landde, rond het middaguur. Het geheel was bestemd voor het Haagse theater, maar vond daar de vliegvelden versperd. Tenminste één toestel, dat een groep van de 7e Kompanie vervoerde, kwam eind van de ochtend bij Hoek van Holland neer. Onbekend is hoeveel man van 4./IR.65 en 7./IR.65 op Waalhaven aankwam, maar de bronnen suggereren een aanzienlijk deel [411, 420]. Voor 4./IR.65 wordt bij een bespreking over de aanvalsplannen op 14 mei aangegeven dat er vijf zware mitrailleurs voorhanden waren, wat duidt op een Zug [van vier wapens] plus een Truppe die tenminste aanwezig waren [411].

Ook van de voor IR.16 bedoelde Sanitätskompanie – 2./Sani.22 zou op het zuidfront moeten landen – kwam maar een klein deel aan. Mogelijk onder hen ook een paar man van 3.(mot)/Sani.22. Volgens de eerder genoemde opsomming in het KTB Abt. 1a [400] waren het echter slechts 40 man waaronder maar één arts die werkelijk aan de grond kwamen. Dat was minder dan een derde van het geplande deel. Ook landde in de avond van 10 mei 4./AR.22 met vier houwitsers. Tijdens de operatie zou nog een artillerie onderdeel [5./AR.22, deel 6./AR.22] landden, maar dat was pas op 12 mei. De pioniers die voor het zuidfront waren bedoeld landden grotendeels inderdaad op de eerste oorlogsdag. Gepland was dat 1./Pi.22 (min een peloton) en 2./Pi.22 op het zuidfront zouden landen. 2./Pi.22 leed een verlies doordat twee groepen in het Delftse theater terechtkwamen (en uitgeschakeld werden) en 1./Pi.22 verloor een groep inclusief pelotonscommandant [Oberleutnant Otto] bij een crash van een onderweg bij Zaltbommel neergeschoten Ju-52 [33, 411]. De overige delen kwamen aan, zijnde 283 officieren en minderen [400]. Tenslotte landden rond het middaguur zes stukken 2 cm van het Fliegerabwehr Batallion 22 met 1 officier en 52 minderen [420]. Een Gruppe was bij Ypenburg afgezet [2 officieren, 10 manschappen].

Het resumé voor de eerste oorlogsdag leverde dus op dat grosso modo geheel IR.16 met circa 2,000 man was geland en versterkt werd met een onbekend aantal manschappen van IR.65 [4./ en 7./ alsmede een Zug van 14./IR.65], 4./AR.22, 1./Pi.22 (min een Zug, min een Gruppe), 2./Pi.22 (min twee Gruppen), een Zug van 2./Sani.22 en een FlaMG Kompanie (min een Gruppe) van Fla-Btl.22. Onzekerheid bestaat er over de compleetheid van de gelande delen van 8./IR.16, 13./IR.16 en 14./IR.16. Dit geheel – inclusief staven – vertegenwoordigde circa 2.500-2.600 man. 

Naast deze verbanden van de luchtlandingstroepen, was er een onbekende sterkte geland van II./FJR.2. Dat bataljon, dat haar ‘Sprungfähig’ deel – zijnde 6./FJR.2 – aan de operatie te Valkenburg had ‘uitgeleend’, kwam incompleet aan de grond. Alle bronnen zwijgen echter over de samenstelling en een gevechtsverslag van het bataljon ontbreekt vooralsnog. Er wordt in de verslagen van IR.16 en anderen [411, 420, 500] slechts gesproken over ‘Teile des II./FJR.2’. De historicus E.H. Brongers gaat er op basis van die uitspraak vanuit dat men wegens ontbreken van 6./FJR.2 van ‘Teile’ sprak en overigens volledig (d.w.z. met drie compagnieën en een bataljonsstaf) geland is, maar dat is vermoedelijk niet juist. Althans, dat zou in strijd zijn met Duits gebruik. Als slechts 6./ zou hebben ontbroken en de overige drie compagnieën zouden compleet zijn geweest dan had men dat vrijwel zeker als ‘II./FJR.2 (ohne 6./)’ genoteerd. Men sprak echter nadrukkelijk van ‘Teile’. Een andere – wellicht nog sterkere – aanwijzing dat slechts een zeer beperkt deel van het bataljon geland is, is de beperkte inzet ervan en het gegeven dat het kennelijk onvoldoende werd geacht Barendrecht – waar het als eerste terecht kwam – zelfstandig te verdedigen, zodat I./IR.16 (en een peloton van 6./IR.16) aan het Oude Maasfront tussen Barendrecht en Goidschalxoord werd toegevoegd. In latere fase werden de ‘Teile’ van II./FJR.2 toegevoegd aan het scherm rond Dordrecht ter ondersteuning van de Gruppe de Boer. Het kreeg daarbij slechts een compagniesvak toegewezen, tussen de eenheden van FJR.1 en de linkerflank van de Gruppe de Boer in. De eenheid kreeg geen enkele gevechtstaak. Dat impliceert reeds – gegeven de schaarste aan troepen die Student parten speelde – dat er vrijwel zeker geen sprake was van een verband met een aanzienlijke grote (e.g. drie compagnieën parachutisten) en dus een autonome operatiekracht, maar dat het inderdaad om delen ging. Duitse bronnen die spreken van ‘delen’ duiden vrijwel altijd op een ruim onder organieke sterkte verkerende eenheid en niet op slechts de afwezigheid van een operationeel reeds voorziene verzwakking, wat 6./FJR.2 was. Alle reden om aan te nemen dat II./FJR.2 slechts in een sterkte van maximaal anderhalf tot twee compagnieën (of zelfs minder) aanwezig was.

Gelande troepen op 11 en 12 mei
  
Hieronder een bespreking van de troepen die op 11 en 12 mei aankwamen. Hoewel daarmee een dag vooruit wordt gelopen, is het voor het totale overzicht het eenvoudigste om de bespreking van de landingen van onderdelen op de drie eerste gevechtsdagen op deze ene plaats uitputtend te bespreken. Daarom wordt zowel 11 als 12 mei hieronder belicht.

[411, 420, 500] Bevestigde landingen van de onderdelen van 22.ID op de 11e mei zijn er nauwelijks. Het is uit het rapport van IR.16 [411] op te maken dat op de derde oorlogsdag de eerder genoemde delen [twee pelotons met elk drie PAK] van 14./IR.47 arriveerden. Het derde peloton van 14./IR.47 – dat uiteindelijk volgens hetzelfde verslag van IR.16 op 14 mei ook aangeland moest zijn – is niet te traceren qua aankomstdatum. Voorts is zeker dat de artilleriestaf van 22.ID – aangevoerd door Oberstleutnant de Boer – en de staf van II./AR.22 wel voor een aanzienlijk deel op Waalhaven aankwam op de 11e mei [411, 420, 473, 500].  Langmann stelt evenzo dat er nog een deel van 7./IR.65 op 11 mei aankwam, maar dat lijkt ongeloofwaardig. Die waren op 10 mei 1940 al vertrokken en kwamen op diezelfde dag verspreid [Hoek van Holland, Waalhaven, mogelijk elders] aan en werden in het gevechtsverslag van IR.16 [411] ook al op 10 mei genoemd.

Het inzetverslag van KGzbV.9 [473] bevestigt dat zij met 12, later met nog eens 24 toestellen, naar Waalhaven vloog en daar een deel van de staf van I./IR.72, met een compagnie infanteristen daarbij, in twaalf toestellen vervoerden alsmede met twee andere Staffels de staf van II./IR.65 [sic] met een compagnie afzette. Het is verleidelijk om aan te nemen dat het in feite niet om de staf van II./IR.65 ging, maar om de rest van de staf van I./IR.72, die samen met anderhalve compagnie van haar bataljon werd vervoerd. Zeker is dat de compagnie die met (het eerste deel van) de staf I./IR.72 meevloog de 2e Kompanie was, omdat dit letterlijk in het verslag van I./IR.72 zo wordt vermeld [412]. In de vroege avond werden de rest van de staf, de 3e Kompanie en vijf MG Truppen en twee GrWf Truppen van de 4e Kompanie van 4./IR.72 ingevlogen [412]. Dit transport met 24 Ju-52 zag overigens één toestel onderweg uitvallen en terugkeren, terwijl de rest gewoon landde op Waalhaven rond 1730 uur [412, 473]. Gezien de incompleetheid van de 4e Kompanie, is het aannemelijk dat het teruggekeerde toestel daar een onderdeel van bevatte. Het ook ingevlogen 1./IR.72 wordt merkwaardig genoeg niet specifiek in het gevechtsbericht van I./IR.72 genoemd, terwijl het zeker is ingezet en wel bij Hoogvliet (en daar twee man verloor). Voor de goede orde zij gezegd dat het vervoer van de eenheden van IR.72 onduidelijk is en het hiervoor besprokene dus aannames betreft. Zeker is dat van dit bataljon de staf, de drie eerste compagnieën en ongeveer de helft van de 4e Kompanie aankwam op 11 mei [412, 500]. De 6e Kompanie van IR.72 – een vreemde eend in de bijt – is vermoedelijk al op 10 mei in de avond geland. Hoewel het gevechtsrapport van III./IR.16 [410] niet volkomen duidelijk is in de datum van inzet van 6./IR.72, wordt de inzet van die compagnie in Rotterdam in het rapport gepaard aan die van 12./IR.16. Bovendien had de compagnie [6./IR.72] al twee gesneuvelden in Rotterdam op 10 mei. Het is echter volkomen spoorloos in de bronnen t.a.v. haar aankomsttijd op Waalhaven.

Het is ook zeker uit de verslagen van KGrzbV.9 [473] dat op 12 mei een stafdeel van I./AR.22 en de 5e Batterie alsmede een deel van de 6e Batterie van AR.22 werden ingevlogen. Ook zij worden dus voor landing op 10 of 11 mei uitgesloten. Volgens het verslag van de Kampfgruppe kwam men gefaseerd met 40 vliegtuigen tot inzet en landde men 12 mei tussen 7.30 – 10.00 uur op Waalhaven. Het gegeven dat 5./AR.22 en een deel van 6./AR.22 – overigens beide inderdaad bedoeld voor Waalhaven in het oorspronkelijke operatieplan – inderdaad op 12 mei pas geland zijn, wordt indirect ondersteund door het gevechtsverslag van IR.16, dat hun aanwezigheid niet voor de 13e mei meldt [411]. Tenslotte wordt in de bronnen [411, 420] gesteld dat 13./IR.16 met twee pelotons op 12 mei werd ingevlogen. Dat was het laatste onderdeel van IR.16 dat nog ontbrak.

Resumé

Hieronder volgt een samenvatting van de troepen die op Waalhaven en omgeving geland zijn tijdens de meidagen.

Volgens de rapporten van IR.16 [411, 420] kwamen er op de 11e mei nog enige aanvullende delen van IR.16 plus divisieonderdelen van 22.ID aan de grond. Dat geheel, plus wat er van 22.ID op 12 mei landde, werd volgens de KTB Abt Ia Anlage [400; opsomming van Abt IIa.] een totaal van 92 officieren en 2.903 minderen, ofwel een totaal van 2.995 man dus. Concreet per onderdeel van 22.ID als volgt verdeeld:

- IR.16: 61 officieren en 1.934 minderen
- IR.47: 2 officieren en 76 minderen
- IR.65: 6 officieren en 237 minderen
- AR.22: 14 officieren en 289 minderen
- PiBtl.22: 7 officieren en 276 minderen
- FlaBtl.22: 1 officier en 52 minderen
- 2./Sani.22: 1 officier en 39 minderen

Daarbij werd (helaas) niet aangetekend of de positie Hoek van Holland hierbij werd gerekend, maar gezien het feit dat men vrijwel zeker de Maas / Lek als scheidslijn aanbracht tussen ‘Kampfbereich 22.ID’ en ‘Kampfbereich 7.FD’ is het aannemelijk van niet.

Bovenop die circa 3.000 man van 22.ID waren er de mannen van I./IR.72 plus 6./IR.72 geland. Volgens hun rapport waren zij ‘Gegliedert’ zoals 22.ID, wat inhoudt dat iedere Kompanie maximaal circa 130-140 man sterk zal zijn geweest, waarbij bekend is dat 4./IR.72 slechts ongeveer voor de helft landde. Een inschatting van de sterkte van deze vijf compagnieën (waaronder dus één verzwakte) plus bataljonsstaf is circa 650 man.

Lastiger is het om een sterkte te geven van II./FJR.2, omdat nu eenmaal niet duidelijk is welke delen van die eenheid ingevlogen werden. Zeker is dat zij niet over haar 6e Kompanie beschikte. Voor het overige is al omschreven dat de sterkte vermoedelijk minder dan twee compagnieën was. Het lijkt daarom niet onredelijk van een sterkte van maximaal ongeveer 250 man uit te gaan. 

Het betekent dat aan ingevlogen troepen naast 7.FD – dat aan het zuidfront circa 2.600 man [parachutisten inclusief divisietroepen] aan de grond had gezet tot en met 11 mei – er ca. 3.650 man luchtlandingstroepen van 22.ID en 46.ID waren geland. Een gezamenlijke sterkte dus van ongeveer 6.250 man, waarvan ongeveer 5.250 man daadwerkelijk op en rond Waalhaven waren geland, merendeels op de eerste oorlogsdag. Daarbij zouden ook nog enige tientallen Luftwaffe bemanningsleden moeten worden geteld, die zich met de grondgevechten moesten inlaten wegens het vernielen van hun toestellen. Deze cijfers zijn zeer betrouwbaar, hoewel er met de bekende voorbehouden desalniettemin een bescheiden marge (plus of min) zou moeten worden gehanteerd.

Het getal van een totaal aan gelande Duitsers tussen de Nieuwe Maas en Moerdijk van 6.250 man steekt schril af bij de sterk overdreven getallen [7.240 man] die bijvoorbeeld in ‘Mei 1940 – de strijd op Nederlands grondgebied[52: blz. 373] worden gegeven. Dat verbaast niet, want hoewel het NIMH graag doet geloven dat voornoemd werk een ‘standaardwerk’ is, mede vanwege de geclaimde (vermeende) kwaliteit ervan, is het werk in werkelijkheid vrijwel geheel op oude bronnen gebaseerd en heeft men in elk geval sinds 1990 naar de gebeurtenissen op het zuidfront geen aanvullend onderzoek verricht. Het hoofdstuk 10 [ ‘geen brug te ver’] in het betreffende werk is dan ook een aaneenschakeling van feitelijke onjuistheden, waarin de klassieke mythen als de spookluitenant ‘Oberleutnant Lamm’, de vermeend vijftig Duitse gesneuvelden in De Polder en de overdreven sterkte van de Duitse parachutisteneenheden zijn gehandhaafd. Die laatste kanttekening neemt direct al een aardige voorschot op hoe het verschil van 1.000 man meer van auteur H.W. van den Doel, die hoofdstuk 10 in het betreffende boek schreef, ontstond. Want naast het feit dat de betreffende auteur onterecht 1./FJR.1 liet landen, ging hij uit van minstens een sterkte van 650 man per parachutistenbataljon. Dat terwijl de werkelijke sterkte slechts 500-550 man was voor een volledig bataljon. De auteur E.H. Brongers – overigens door de schrijvers van het eerder genoemde ‘standaardwerk’ met naam en toenaam gekoppeld aan mythevorming en overdrijving – ging ook uit van verouderde cijfers [30], en wel die van Molenaar, die in zijn standaardwerk over de luchtverdediging [8] op een totale inzet van 11.075 man uitkwam voor de gehele luchtlandingsoperatie. De totaal gelande Duitse sterkte binnen Vesting Holland is echter vrijwel zeker net onder de 10,000 man gebleven.

Duitse dispositie op 11 mei op IJsselmonde

Tijdens de eerste oorlogsdag was er ten opzichte van de Duitse plannen al een duidelijk waarneembare operationele aanpassing gemaakt van de troepenontwikkeling op het zuidfront. Dat betrof vooral de troepen van 22.ID, daar de parachutisten vooral een stoottroeprol hadden en zich nadien dienden te concentreren op het Eiland van Dordrecht, met zwaartepunt Moerdijk. Dat laatste zou niet wijzigen, want vanaf 11 mei zou geheel FJR.1 zich op het Eiland van Dordrecht bevinden (m.u.v. het peloton Kerfin in Rotterdam uiteraard). Voor de goede orde wordt eerst een recapitulerend beeld geschapen van de geplande Duitse ontwikkeling en nadien het dispositied gepresenteerd zoals dat op 11 mei zou ontstaan.

[411] De planmatige inzet van IR.16 was in grote trekken geweest dat III./IR.16 zich op het zuiden van Rotterdam en het bruggenhoofd langs de Nieuwe Maas zou concentreren, maar daarbij tevens een onderdeel beschikbaar zou stellen voor de beveiliging van de sector Charlois - Hoogvliet. Het bataljon zou door een peloton en een groep pioniers van 2./Pi.22 worden ondersteund. I./IR.16 zou met een peloton van 2./Pi.22 ondersteund de bezetting van Zwijndrecht en het bruggenhoofd Dordrecht overnemen van I./FJR.1. Voorts diende men de bruggen ten noorden en noordoosten van Dordrecht te blokkeren aan de zuid c.q. zuidwest zijde. II./IR.16 zou tenslotte de beveiliging van het eiland IJsselmonde op zich moeten nemen (Oude Maas en Noord), maar hoofdzakelijk als operationele reserve dienen. 13./IR.16 en 14./IR.16 dienden voor zowel I./ als III./IR.16 een peloton af te staan. Het derde peloton van 14.IR.16 zou bij de reserve te Hordijk worden gevoegd, waar tevens de CP van C-IR.16 zou worden gevestigd. Daar zouden alle overige divisie eenheden (m.u.v. 1./Pi.22 dat aan FJR.1 ter beschikking werd gesteld) – grosso modo eenderde deel van de divisieonderdelen van 22.ID – worden verzameld. III./FJR.1 – dat bij Waalhaven geland zou zijn – zou spoedig nadien naar het Eiland van Dordrecht worden gedirigeerd om aldaar weer aan te sluiten bij haar eigen regiment.

Het Wapen van Rijsoord

[411] De praktijk toonde zich weerbarstig, zoals Clausewitz al voorspelde in zijn werk ‘Vom Kriege’. Hoewel III./IR.16 zich inderdaad in Rotterdam concentreerde, was daar de tegenstand zodanig dat van de neventaak - de beveiliging van de noordwest hoek van IJsselmonde - niets terecht kwam. Het op papier westelijk (links) aanleunende II./IR.16 kwam al evenzo niet op haar plaats. Het werd in eerste instantie gebruikt om de resterende Nederlandse weerstand op te ruimen bij Smitshoek en nadien verdeeld over diverse locaties oostelijk in de Duitse corridor: 7./IR.16 werd naar Zwijndrecht gestuurd, 6./IR.16 verdeelde zich over Barendrecht en Ridderkerk en 5./IR.16 (en mogelijk 8./IR.16) als reserve bij Hordijk aangehouden. Gedurende de 11e mei werd II./IR.16 voor een voornaam deel geheel langs de Noord gepositioneerd, met op de linkerflank 5./IR.16, centraal twee pelotons van 6./IR.16 (het derde peloton bleef de gehele meidagen aan de Oude Maas bij Barendrecht liggen) centraal ondersteund door 4./AR.22 en rechts 7./IR.16. De drie compagnieën werden door enige stukken PAK ondersteund. I./IR.16, dat het meest verdeeld over de eerste dag werd ingevlogen, werd nauwelijks ingezet. Grotendeels werd het te Hordijk verzameld en kreeg daarbij vooral patrouilletaken richting Oude Maas – sector Rhoon – Barendrecht. Nadat II./IR.16 grotendeels richting het oosten van IJsselmonde was gedirigeerd, kreeg I./IR.16 vooral tot taak de Oude Maas sector met vliegende patrouilles te beveiligen. In hoofdzaak bleven echter 1./, 3./ en een beperkt deel van 4./IR.16 rond Hordijk liggen, maar werden kleinere onderdelen – vooral van 4./IR.16 – bij Goidschalxoord en Barendrecht [waar de gelande delen van II./FJR.2 ook lagen] permanent gepositioneerd. Tegenover Barendrecht werden in de loop van de 11e mei vijf zware mitrailleurs en twee mortieren, en tegenover Goidschalxoord twee zware mitrailleurs en twee mortieren, vast in stelling gebracht. [410, 411] Aan het einde van de tweede dag was 2./IR.16 naar Rotterdam gestuurd als operationele reserve voor III./IR.16. Het betekende in concrete zin dat de sector ten westen van Dordrecht in drie sectoren was verdeeld: de sector Rotterdam [versterkte III./IR.16], de sector noordoost – oost [II./IR.16] en de sector zuid [I./IR.16]. In de laatste sector had I./IR.16 tot en met de 11e mei nog de beschikking over de delen van II./FJR.2 die geland waren. Die zouden echter vroeg op de derde oorlogsdag naar Dordrecht worden gestuurd.

Christelijke Lagere School Rijsoord

[411, 412] Binnen het hiervoor geschetste dispositief kwam I./IR.72 inclusief 6./IR.72 nog aan de grond. Daarvan werd in elk geval 6./IR.72 naar Rotterdam gestuurd en kreeg vrijwel zeker de opdracht de linkerflank van III./IR.16 naar het westen te verlengen en aldus te beveiligen. 2./IR.16 zou de Nieuwe Maas onder de meander bezetten en daarmee de rechterflank van III./IR.16 naar het oosten verlengen en beveiligen. 1./IR.72 is naar het westen van IJsselmonde gestuurd, maar onduidelijk is uit de Duitse bronnen op te maken of dit op 11 mei al geschiedde of dat dit pas op 12 mei zijn beslag kreeg. Op 12 mei raakte het in gevechten aan de Oude Maas bij Hoogvliet en een dag later bij Pernis. Daarbij verloor de compagnie een pelotonscommandant en een groepscommandant. Het is daaruit wel haast zeker dat ze inderdaad in de voornoemde sector werd ingezet. [412] De rest van I./IR.72 werd op een peloton van 2./IR.72 na – dat als beveiliging voor Waalhaven werd aangehouden – op 12 mei naar Dordrecht gedirigeerd. Waar deze troepen voordien – de meeste landden pas in de namiddag en vroege avond op Waalhaven – verbleven, is onduidelijk. [411] Tenslotte waren er circa 250 man van IR.65 geland. Deze mannen werden in eerste instantie allen als reserve bij Hordijk gehouden, hoewel een beperkt deel in de loop van de strijddagen naar Rotterdam en Barendrecht werd gezonden.

[500] 7.FD had geen reserves. Het had slechts fragmenten van eenheden rond haar commandopost geconcentreerd. Die CP was in de nacht van 10 op 11 mei van Rotterdam Zuid naar de herberg [‘’t Wapen van Rijsoord’] bij de brug over ’t Waaltje in Rijsoord verplaatst. Overigens kwamen de stafdiensten en verbindingsdienst in en bij de herberg te liggen, terwijl de divisiestaf zelf in de Christelijke Lagere School [Rijksstraatweg 101] aan de dijk werd gevestigd; dezelfde school waar op 15 mei de capitulatie zou worden getekend. Te Rijsoord kwamen de verbindingsdienst, de vier beschikbare stukken PAK van de PVK, zes stukken van 14./FJR.1 en enige ondersteunende kleine onderdelen terecht. Bovendien werd een deel van de reserves van IR.16 aangetrokken voor nabij beveiliging. Nadat III./FJR.1 in haar geheel naar Dordrecht was gestuurd gedurende de nacht van 10 op 11 mei, was alleen het aanwezige contingent van II./FJR.2 nog op IJsselmonde aanwezig. Het was bij Barendrecht ingezet en zou de volgende dag [12 mei] als versterking van I./FJR.1 worden verplaatst naar het zuidwesten van Dordrecht.

Deze dispositie van Duitse troepen zou na de 11e mei – en nadat I./IR.72 (min. 1./) en de delen van II./FJR.2 naar het Eiland van Dordrect waren vertrokken – nauwelijks meer wijzigen. De eenheden die op de 11e en 12e nog aankwamen, werden namelijk in de Gruppe de Boer opgenomen, en vrijwel direct in Dordrecht ingezet. De onderdelen van IR.16 behielden mede daardoor zo goed als ongewijzigd hun posities die ze op 10 en 11 mei hadden ingenomen.

I-10.RA

[154] De 10-veld afdeling I-10.RA [C. majoor J.C. van Apeldoorn] was op de eerste oorlogsdag al een ware plaag geweest voor de Duitsers op Waalhaven. Dat zou de eenheid ook op de tweede oorlogsdag blijven, zij het in veel bescheidener mate. In de ochtend van 11 mei stonden nog steeds twee batterijen [1-I en 3-I] bij de Kralingse Plas en de derde batterij [2-I] nabij de oever van de Nieuwe Maas in het hart van Rotterdam. Op de ventilatieschacht van de tunnel onder de Maas (welke nog in aanbouw was) was een waarnemingspost ingericht, welke door de reserve 1e luitenant K.N. Coppoolse (Afdelingsofficier) met een UKG toestel – met een verbinding met de UKG bij de 1e Batterij – werd bezet. Deze waarnemingspost werd ook in de morgen van 11 mei weer door de luitenant bemand.

[154] Op de 10e mei was vanuit de staf LKAC [Legerkorps artilleriecommandant] van het 1e Legerkorps de overste F.H. Wanninkhof [Commandant Legerkorpsartillerie 1.LK] met de twee reserve kapiteins VRD [Vuurregelingsdienst] C. Strik en G.E. Kiers naar de Afdeling toegestuurd. Deze delegatie arriveerde tegen de avond waarop de overste het bevel van de Afdeling overnam van de Afd.C.

[154] In de ochtend van 11 mei werd de waarnemingspost ook telefonisch verbonden met de beide batterijen aan de Kralingse Plas. Even na 0800 uur werd het eerste korte vuur (beide batterijen Kralingse Plas) afgegeven, op de voorrand van Waalhaven, ter verificatie van de noodzakelijke dagcorrecties (2).

(2) Artillerievuur is onderhevig aan allerlei variabele factoren. Dergelijke variabelen dienen voor het afgeven van juist vuur te worden verwerkt in de berekening van een af te geven vuur. Voor iedere locatie geldt bijvoorbeeld een specifieke magnetische declinatie (lokale afwijking van het aardmagnetisch veld). Die afwijkingen per locatie worden bijvoorbeeld veroorzaakt door de samenstelling van de bodem en de hoogte (peil) van een stelling. Declinaties waren voor een bepaalde locatie meestal vastgesteld (bijv. middels declinatiekaarten) en aldus als ‘vaste variabele’ in iedere vuurberekening verwerkt. Daarnaast waren er mechanische correcties, die zagen op bijvoorbeeld de slijtage van de ziel (binnenloop), sluitstuk en pakkingen of zelfs de kwaliteit van de drijfladingen (bij houwitsers, kruitzakken c.q. kardoezen). Dergelijke correcties zijn variabelen die in vaste staten of curves bij batterijen voorhanden zijn. Veel uitdagender zijn de zogenaamde dagvariabelen. Die zien volledig op meteorologische zaken zoals luchtvochtigheid, luchtdichtheid (luchtdruk), wind en neerslag. Artillerieafdelingen krijgen – als de zaken hun procedureel juiste beslag krijgen tenminste – dagelijks ‘dagstaten’ aangeleverd die de meeste meteo variabelen melden. Men kan zich voorstellen dat bijvoorbeeld een haaks op de projectielbaan staande harde wind (cross wind) voor lange afstandvuur een wezenlijke zijwaartse afwijking oplevert. Of dat een verschil in luchtdruk van 25 millibar een wezenlijk andere wrijvingcoëfficiënt (en dus effect op de vertraging van de granaat) oplevert. Vandaar dat een zuiver theoretische schootstabel met dergelijke variabelen moet worden gecorrigeerd. Om vervolgens de accuratesse van de variabelen te meten kan men besluiten ‘dagcorrecties te schieten’, wat inhoudt dat men waargenomen vuur afgeeft met verwerking van bepaalde correcties om te controleren of daarmee voldoende of juist teveel wordt gecorrigeerd. Anders gezegd, men ijkt de variabelen door het afgeven van zo’n proefvuur. Zo’n proefvuur kan ook worden afgegeven om juist ontbrekende dagcorrecties te compenseren. Zodoende kan men zelf correcties aanbrengen op basis van waargenomen afwijkingen. De lezer begrijpt vermoedelijk dat dagcorrecties vooral van belang zijn voor zogenaamde kaartvuren. Vuren die niet zijn voorbereid (door triangulaire inmeting) en die niet kunnen worden waargenomen. Een waargenomen vuur is immers eenvoudig te corrigeren, terwijl een kaartvuur zuiver op berekening wordt geschoten en niet kan worden gecorrigeerd.

[154] Tijdens de tweede oorlogsdag wordt een aantal maal op (niet vastgelegde tijdstippen op) Waalhaven met de beide batterijen bij de Kralingse Plas vuur uitgebracht. De 2e Batterij [C. reserve kapitein M. de Vries] bleef daarentegen vrijwel inactief. Het was opgedeeld geworden in twee secties van elk twee vuurmonden. De voorste sectie stond vooraan, waarvan één stuk vrijwel aan de Maas was opgesteld, terwijl het tweede stuk mechanische storing had gekregen op de eerste oorlogsdag en ter reparatie was teruggetrokken. Het stuk aan de Maas [opgesteld naast het toenmalige gebouw van de havendienst, vlakbij het Willemsplein] werd zwaar onder vuur genomen in de ochtend van 11 mei, waarop het stuk onder zwaar mitrailleur en mortiervuur moest worden teruggehaald. Niemand minder dan de sergeant Mussert – zoon van overste Jo Mussert, de veelbesproken kantonnementscommandant van Dordrecht – onderscheidde zich bij die actie. De sergeant en de soldaat-ordonnans T.B.A. de Ridder (3) namen gezamenlijk alle risico’s om het stuk 10-veld met de Trado terug te nemen. Zij laadden zelfs de uitgestalde munitie onder vuur in. Ondanks fel vuur van het Noordereiland, en mogelijk de Wilhelminakade, slaagde het duo erin de vuurmond op de Schiedamse kade in de luwte te brengen. 

(3) De soldaat de Ridder werd voor deze handeling met het Bronzen Kruis onderscheidden per KB van 16 augustus 1950. In de considerans stond de volgende passage: “In het bijzonder door, toen onmiddellijk daarna het bevel werd ontvangen om terug te trekken, het initiatief te nemen om de vuurmond en de munitie te redden. Daarbij geholpen door een onderofficier, ondanks hernieuwd vijandelijk vuur, de remschoppen van de affuit te demonteren en het zware stuk 10-veld op te lieren en tenslotte de munitie op te halen, waarbij hij tijdens het verplaatsen van zijn trekker onder zodanig vijandelijk mitrailleurvuur geraakte, dat deze herhaaldelijk werd getroffen.” De in de considerans benoemde onderofficier was de sergeant Mussert. Deze kreeg – voor zover bekend – geen onderscheiding voor zijn moedige daden.

[2000] Het is vrijwel zeker dat het hier dienstplicht sergeant Joan Mussert betrof, de een-na-oudste zoon van overste Jo Mussert. Deze was toentertijd geen NSB aanhanger, toonde zich ook duidelijk anti-NSB tijdens de meidagen, maar zou desondanks laat in de oorlog mede door de moord op zijn vader op 14 mei te Sliedrecht, door zijn wél pro-NSB moeder dienst nemen bij de Waffen SS. Hij was voordien gemeenteambtenaar te Rotterdam, maar nam in 1943 dienst bij de SS waarmee hij deelnam aan o.a. gevechten bij Leningrad. Mede aanleiding voor zijn dienstneming zou kunnen zijn geweest dat hij voordien betrokken was geraakt bij een door hem veroorzaakt verkeersongeval met dodelijke afloop voor de andere partij. Door dienst te nemen ontliep hij tevens gevangenisstraf voor die daad. In maart 1945 raakte hij zwaar gewond aan beide armen en eindigde de oorlog zo in een Duitse veldhospitaal. Zijn dienstneming in de Waffen SS zal de aanleiding zijn geweest voor het feit dat hij niet werd onderscheiden voor de daad van moed in mei 1940.

[154] Nadat de vuurmond veilig was gesteld berichte de Batterijcommandant aan de Afdeling dat zijn positie in de binnenstad onhoudbaar was en vanuit die positie geen werkzaam vuur kon worden gegeven. Een terechte vaststelling. Het was a priori curieus geweest om op de eerste oorlogsdag te besluiten de batterij in de binnenstad op te stellen, daar de 10-veld voor direct vuur nauwelijks geschikt was. De Afd.C. gaf opdracht de 2e Batterij op Hilligersberg terug te nemen en aan de Levefre de Montignylaan op te stellen, wat later gereviseerd zou worden naar de Ceintuurbaan. Bovendien diende aldaar een aanzienlijk deel van de Batterij een veiligheidsscherm te vormen tegen gemelde parachutisten, die naar verluid ten noorden van Hillegersberg waren geland. Tegelijkertijd neemt men de waarnemer mee die op de luchtventilatietoren van de Maastunnel zat. Daarmee werd de Afdeling dus verblind.

[154] De Afdeling was de gehele tweede oorlogsdag nauwelijks bezig met het afgeven van artillerievuur. Helaas ontbreken de bronnen die duidelijk maken waarom dit zo was. Men had immers na de aankomst van de C-LKA en zijn beide vuurregelofficieren in feite een dubbele staf. Desondanks was men vooral met randzaken bezig en – naar het lijkt – in zeer bescheiden zin met hoofdzaken: het afgeven van werkzame vuren op Waalhaven en omgeving. Daar kwam tenslotte bij dat eind van de middag de waarnemer – met rechtstreeks zicht op het vliegveld – van zijn positie werd teruggenomen.

[De bronnen vindt u hier]