Maasbruggen Rotterdam - 1e fase

De status op 10 mei - eind van de dag

Het zij nog maar eens herhaald dat de strijd in Rotterdam niet in dezelfde mate van detail en compleetheid wordt besproken als de gebeurtenissen op het werkelijke Zuidfront. De gebeurtenissen aan de Nieuwe Maas worden echter wel gedetailleerd besproken, omdat ze deel uitmaken van de integrale Duitse operatie op het Zuidfront.

Op de eerste oorlogsdag waren Nederlandse eenheden erin geslaagd door een verrassend snelle reactie op de volkomen onverwachte Duitse overval op de Maasbruggen in Rotterdam om een Duitse poging tot uitbreiding van hun bruggenhoofd ten noorden van de Nieuwe Maas effectief af te grendelen en het Duitse bruggenhoofd bovendien terug te brengen tot een minimale omvang.

Voor de Duitsers was de operatie een tegenvaller geworden. Zij hadden erop gerekend dat de tegenstand later op gang zou komen, beduidend minder fel zou zijn geweest en vooral dat de aansluiting van verse luchtlandingstroepen sneller tot stand zou zijn gekomen. Juist daarom vielen de circa 100 man luchtlandingstroepen en parachutisten die na het eerste uur nog inzetbaar waren zo fel aan. Zij veronderstelden dat ze binnen twee a drie uur door de hoofdmacht van III./IR.16 zouden worden afgelost. De parachutisten zouden dan terugkeren naar hun eigen compagnie en de bereikte progressie zou door een bataljon luchtlandingstroepen kunnen worden geconsolideerd. Omdat enerzijds de Nederlanders veel sneller en feller reageerden dan verwacht en anderzijds de aanvoer van nieuwe eenheden sterk vertraagd werd, pakten de zaken anders uit.

Stafkaart Rotterdam - Centrum

De Nederlandse troepen – in tegenstelling tot de algemene perceptie vooral bestaande uit de depottroepen die in Rotterdam verkeerden en slechts enkele tientallen mariniers – slaagden erin de Duitsers al na het eerste uur aan te pakken en binnen enkele uren de verste Duitse posities terug te dwingen. Na soms felle straat- en huizengevechten werd in de loop van de dag de Duitse positie op Noord beperkt tot het gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank, aan de kop van de Willemsbrug. Zelfs de marine hielp een handje mee door in de ochtend tot tweemaal toe de Duitse posities op het Noordereiland te beschieten. In de late middag en avond werd de afgrendeling rond de landhoofden van de bruggen zodanig aangetrokken, dat de Nederlanders de Duitse logistiek over de bruggen – die de gehele middag al vrijwel stillag – onmogelijk maakte. Zodoende waren de circa 50 Duitsers in het bankgebouw min of meer geïsoleerd van hun kameraden op het Noordereiland.

In het zuiden van de stad hadden de Duitsers flink wat te stellen gehad met een compagnie infanterie van het depotbataljon, dat nog versterkt was door enige tientallen Jagers die van Waalhaven waren gevlucht, samen met hun bataljonscommandant. In de vroege ochtend leidde het tot een confrontatie tussen de verdedigers en de eerste lichting vanuit Waalhaven aangevoerde luchtlandingstroepen. Dat gevecht werd door de Duitsers na enige tijd afgebroken, na gevoelige verliezen onder met name de Duitse pioniers. Het leidde tot vertraging in de aansluiting op het Noordereiland. In de late middag zou de laatst gelande compagnie van IR.16 de Nederlanders – mede wegens gebrek aan munitie bij de laatstgenoemden – tot overgave dwingen. Vanaf dat moment was van Nederlandse posities in Rotterdam Zuid geen sprake meer.

Aan Duitse kant was men erg ongerust. Doordat generaal Student de Duitse positie in de gehele luchtlandingcorridor (tot aan Moerdijk) nog steeds als precair inschatte en de aanvoer van troepen gestagneerd was, kreeg Rotterdam nauwelijks versterking. In feite moest de plaatselijke Duitse commandant het doen met zijn eigen bataljon, een in de avond aangevoerde compagnie van IR.72 en onvolwaardige vuursteun. De normaliter voor zijn bataljon gereserveerde pelotons infanteriegeschut en antitankgeschut waren niet voorhanden. Slechts enkele vuurmonden waren beschikbaar. Met die strijdkrachten moest het zuiden van Rotterdam worden bezet, de zuidelijke Maasoever worden gezekerd, het Noordereiland bezet en uiteraard de bruggen worden beveiligd.

De Nederlanders hadden heel andere zorgen. De eerste reactie op de Duitse overval bleek boven verwachting effectief geweest. Maar nadat de Duitsers goeddeels van Noord waren verdreven, stokte de progressie. Het bleek niet mogelijk de bruggen te benaderen, omdat Duitse wapens inmiddels vanaf de Maaskade (Noordereiland) de Boompjes en het Bolwerk alsmede de bruggen zelf net zo beheersten als de Nederlanders dat van hun kunt deden. Een patstelling was bereikt, die tot aan het bombardement op 14 mei niet zou wijzigen. Onderwijl was de noodkreet naar Den Haag geslaakt om werkelijke gevechtstroepen naar Rotterdam te brengen, daar men het tot dan toe qua gevechtstroepen met een half bataljon infanteristen van het kantonnement en een tweehonderd geoefende mariniers moest doen. De versterking werd toegezegd en het Veldleger werd geïnstrueerd die versterking te leveren. Met die toezegging en de inmiddels gefixeerde situatie aan de Nieuwe Maas eindigde de eerste oorlogsdag.

Voor het juiste overzicht wordt geëindigd met een opsomming van de dispositie van de Nederlandse eenheden in Rotterdam aan het einde van de eerste oorlogsdag.

Het belangrijkste front was het zogenaamde Maasfront. Dat werd bezet door een pluriform geheel aan troepen, deels geregelde verbanden, deels ongeregelde verbanden of zelfs individuele groepjes. De meeste oostelijke posities [linkerzijde] werden ingenomen rond het Waterleidingbedrijf, waar een vendel van de Burgerwacht – dat daar ter bewaking was geweest – geactiveerd bleef en met een twee dozijn man versterkt werd. Nabij hen was een gecombineerd marinetroepen/mariniers sectie die de spoorlijn bewaakte. Rechts van hen, omgeving Maasstation en het station zelf, 3-II-DGT, dat minder dan 100 man had. Daarachter lag ongeveer eenzelfde sterkte van 1-III-DGT, in huizen rond het Haringvliet en Nieuwe Haven. Tezamen circa 275 man.

In de centrale sector was het als volgt. Het Beursstation alsmede enige huizen in de omgeving waren bezet door ongeveer twee secties van 2-III-DGT alsmede een sterkte van ca. 100 man marinetroepen en enkele mariniers. In het Witte Huis een sectie van 2-III-DGT en circa 20 mariniers. Achter het Witte Huis, in de huizen en bij de bruggen aan de Leuvehaven en Scheepmakershaven, in hoofdzaak de circa 125 man van het marinedepot, met acht lichte mitrailleurs. In de huizen bij de Boompjes – die niet vernietigd waren of in brand stonden – ongeveer een twee dozijn mariniers en enige genisten. Bij elkaar in de centrale sector ongeveer 375 man.

Aan de westzijde [rechterzijde] lag op en nabij de Willemskade een sectie van de 3e Luchtvaartcompagnie op de Willemskade, nabij de Spido vlonder. Voor hen, op de Willemskade en het Willemsplein zware mitrailleurs van MC-III-39.RI. Nabij de Zalmhaven een batterij 10-veld geschut [2-I-10.RA]. Op de Westerkade een sectie MC-III-39.RI met een sectie 3-III-39.RI. In de omgeving Parkkade enige kleine verbanden van de 1e Compagnie Luchtvaarttroepen. In de sector Parkhaven – Lloydkade het grote marinedetachement van het Vaartuigendepot Rotterdam. Tenslotte in Delfshaven, tussen Schiehaven en Lekhaven, een ongeregeld verband van marinepersoneel, enige tientallen manschappen van de VLSK Lad Rotterdam (met twee zware mitrailleurs) en een kleine sectie mariniers. Exclusief de artillerie ongeveer 650 man.

Het gehele front had een lengte van ruim 7 km [gemeten van Lekhaven tot en met het Waterleidingbedrijf]. De sterkte van de troepen die daarbinnen lag in de eerste lijn was circa 1.300 man aan infanteristisch inzetbare manschappen (1). Zij werden in de havensector nog slechts ondersteund door drie luchtafweeronderdelen; elders in de stad ontbrak de luchtafweer geheel. Er waren nog slechts 56 Pel LuMi bij de Schiehaven en twee pelotons van de VLSK Lad met elk drie stukken 2 cm. Alle overige luchtafweer stond buiten het kantonnement.

(1) Het stafwerkdeel Rotterdam [2: blz 86] kwam tot een getal van 1.300 man inclusief de batterij artillerie, 24 lichte en 9 zware mitrailleurs. De berekening van auteur dezes komt op dit getal exclusief de batterij van 10.RA. Het verschil wordt mede bepaald door het door auteur dezes op basis van schatting meerekenen van diverse ongeregelde verbanden in de drie sectoren. Met name rond de Parkkade en de sector direct west van de bruggen geven bronnen blijk van diverse kleinere ongeregelde verbanden. Deze zijn telkens voor enige tientallen meegerekend door auteur dezes. Voorts rekent auteur dezes een detachement marinetroepen bij het spoor vlakbij het Waterleidingbedrijf tot het ‘zuidfront’ in de stad terwijl het stafwerk dit tot het ‘oostfront’ rekent.

Op het oostfront in de stad waren circa 75 man van IV-DGT ingeschakeld aan de oostrand van de wijk Kralingen. Het zeer bescheiden noordfront werd gevormd door een detachement van het depot der Luchtstrijdkrachten, dat in Blijdorp ook haar kwartier had. Het noordwesten was slechts beveiligd door een aantal groepen manschappen van het marinedepot, gesteund door enige manschappen van bewakingscompagnieën bij spoorobjecten. Alle overige militairen in de stad – toch circa 4.500 man – hadden bewakings- en patrouilletaken of verbleven in en om hun legeringslocaties en/of de havengebieden.

Versterking op komst

[2, 222] Al in de ochtend van 10 mei had de C-VH – die kort na de intreding van de oorlogstoestand 1.LK onder zich had gekregen – de C-RJ opdracht gegeven om II-RJ naar Rotterdam te sturen ter versterking van de infanteristische krachten in de Maasstad. Omdat II-RJ echter zelf al spoedig betrokken raakte bij de strijd tegen luchtlandingstroepen rond Hoek van Holland, kon C-RJ (succesvol) protesteren tegen de onttrekking van het bataljon aan zijn commando. De C-VH kreeg echter van die verandering van plan – die via de C-1.LK liepen – pas heel laat bericht, zodat hij lange tijd onterecht in de veronderstelling verkeerde de eerste nood voor Rotterdam geledigd te hebben. Toen hij protesteerde tegen de gang van zaken bij de staf AHK, kreeg hij te horen dat troepen ter grootte van een regiment infanterie vanuit het Veldleger via Gouda naar Rotterdam zouden worden gestuurd.

[2, 6] Die belofte van de OLZ aan de C-VH werd echter gedaan voordat deze door de CV kon worden gematerialiseerd. Deze protesteerde op zijn beurt tegen de instructie [telefonisch, 1100 uur – chef landmachtstaf, 1135 uur per telex bevestigd] tot afdragen van een regiment infanterie, omdat de strategische reserves waar hij op 10 mei over beschikte nul waren en de reserves der legerkorpsen en brigades zeer beperkt in omvang waren. Het leveren van de gevraagde eenheden zou de beperkte legerkorpsreserves vrijwel uitputten. Desondanks werd de CV te verstaan gegeven dat hij diende te leveren, te meer daar door de reeds in gang gezette ontruiming van Noord-Brabant en daarmee gepaard gaande krimp van de buitenverdediging in het zuidoosten, troepen van de Brigade B vrij zouden komen om als nieuwe reserves voor het Veldleger te dienen. Daarbij speelde in de ochtend van 11 mei bij de C-VH de gedachte dat na de overval op de vliegvelden bij Den Haag en Rotterdam ook de vliegvelden in Noord-Holland slachtoffer zouden worden van een vervolgactie. Versterkingen werden door C-VH dan ook gevraagd voor aanvoer richting Schiphol en Bergen. Daarom werd de CV medegedeeld dat de troepen te Gouda aan de C-VH zouden worden overgedragen ter nadere instructie. Daarbij mocht voorst beslist niet in gecomprimeerd verband worden verplaatst en bovendien slechts gebruik worden gemaakt van secundaire wegen. Men vreesde voor het luchtgevaar.

[6] Een uur later – het was inmiddels 1235 uur – kreeg de CV een telex zonder voorafgaande telefonische instructie, waarbij om nog een regiment infanterie – thans met een batterij artillerie – werd gevraagd. Die troepen dienden naar Leiden te vertrekken. Het leidde tot een bevel aan de beide legerkorpsen [2.LK en 4.LK] om troepen ter waarde van een regiment infanterie te leveren, voor 4.LK met een batterij van 15.RA [stukken 15 lang 15 Vickers]. C-2.LK [generaal-majoor J. Harberts] wees hiervoor aan C-11.RI met staf, Vba, 11 Cie PAG (min één sectie), 11 Cie Mr, I-11.RI (samenstelling uit I en III-11.RI), IV-10.RI en IV-15.RI. De eenheden die C-4.LK [generaal-majoor A.R. van den Bent] aanwees waren C-20.RI met staf, 20 Cie Mr, 20 Bt 6-veld, 20 Cie PAG, sie PAG 9.GB, sie PAG 20.GB, II-20.RI, III-16.RI, III-21.RI en 1-III-15.RA [4 x 15 hw l 15]. Het vervoer van de infanterie diende te geschieden (voor 2.LK) door 1-II, 2-II en 2-VAuto Bataljon en (voor 4.LK) door 1-IV en 2-IV Auto Bataljon. Pas in de middag werd per telex instructie gegeven om deze troepen te voorzien van drie rantsoenen munitie, welke in beide gevallen nagestuurd werd met een derde autocompagnie. De gaten die dit in de Veldleger eindstations voorraden sloeg zouden door de EVD [Etappen- en Verkeersdienst] weer worden aangevuld vanuit de centrale depots (2).

(2) Het lijkt uiterst omslachtig dat het Veldleger drie rantsoenen munitie diende mee te geven. Men bedenkt daarbij dat een geweerschutter een rantsoen van 120 kogels had. Drie rantsoenen betekende 360 kogels. Aangezien er circa 4,500 man werden weggestuurd betrof het alleen al een munitietransport van ca 1.500.000 kogels ofwel ongeveer 780 munitiekisten [1.920 kogels per kist] voor alle geweer- en karabijnschutters. Als de lijn der logistieke logica zou worden gevolgd zou dit direct vanuit de eindstations in de Vesting Holland aan deze troepen zijn geleverd of rechtstreeks vanuit de centrale depots (ook in het westen). Dat zou immers slechts één vervoersbeweging kosten. Die 'logica' was echter niet aan de orde.

De voor het vervoer verantwoordelijke Etappen- en Verkeersdienst had – omwille van kostenbesparing – binnen de Vesting-Holland geen zogenaamde eindstations (toenmalige logistieke benaming voor een regionaal depot van waaruit regionaal de ter plaatse gelegen onderdelen konden worden bevoorraad). Bovendien hadden de stellingen der hoofdverdediging (Valleistelling/Grebbelinie, Betuwestelling, Maas-Waalstelling en Peel-Raamstelling) grote voorraden in de hoogste echelons gekregen om de initiële vervoersvraag ten tijde van oorlog te verlagen. Dat laatste was te prijzen (hoewel er géén vervoerscapaciteit ter plaatse was om eventuele verplaatsingen te verzorgen), maar het eerste was ronduit onverantwoord. Zoals reeds besproken bij de munitiezorg voor Groep Kil leidde het tot onwerkelijke logistieke problemen voor wat betreft aanvoer van voeding en munitie. Het was ook de oorzaak voor de op het eerste oog onlogische instructie dat het Veldleger munitie aan af te stoten onderdelen diende mee te geven om zelf nadien te worden herbevoorraad. Dat leidde er dus toe dat twee vervoersbewegingen met munitie noodzakelijk waren i.p.v. één.

[2, 6] C-11.RI kwam met zijn staf, de verbindingsafdeling, I-11.RI, 11 Cie Mr  en 11 Cie PAG rond 2000 uur in Gouda aan en kreeg daar direct instructie door te gaan naar Rotterdam, waar hij [157] met zijn gevolg rond 0130 uur (11 mei) arriveerde. [6, 161] Te Gouda was ook IV-15.RI reeds aanwezig, maar was door haar autocompagnie abusievelijk verlaten. Zodoende moest nieuwe motorisatie worden gevorderd, wat leidde tot zodanige vertraging dat het bataljon pas om 0300 uur (11 mei) compleet te Rotterdam gearriveerd was. [6, 156] IV-10.RI, dat al in de middag te Gouda gearriveerd was, werd direct naar Rotterdam doorgestuurd waar het nog op 10 mei in de avond aankwam. De nagestuurde munitie kwam, zonder al te veel problemen, gedurende de nacht en vroege ochtend ook te Rotterdam aan.

[6] De C-20.RI en zijn staf – aangewezen als kopgroep voor het tweede regiment dat naar Vesting-Holland moest worden gestuurd – kwam al in de loop van de middag te Leiden aan, kort nadien gevolgd door de onderdelen van 20.RI die eveneens tot de te verplaatsen eenheden behoorden. Deze regimentsstaf en bijbehorende eenheid zou ter plaatse blijven en niet richting Rotterdam vertrekken. Datzelfde gold voor III-16.RI, dat rond middernacht in Leiden zou aankomen, en de batterij van III-15.RA. [162] III-21.RI werd ook naar Leiden gestuurd, kwam daar vroeg in de avond aan, maar werd kort nadien opnieuw op de vrachtwagens geladen om richting Rotterdam te vertrekken. Daar kwam men omstreeks 0400 uur (11 mei) aan. Onbekend is het (aan auteurs dezes) of de munitie voor het bataljon vanuit Leiden werd nageleverd.

Op deze eerste versterking van vier bataljons met enige ondersteunende eenheden, welke dus alle in de ochtend van 11 mei te Rotterdam waren gearriveerd, volgde een tweede bescheidener versterking. [6] In de middag van 11 mei (1300 uur) werd door de OLZ (persoonlijk) instructie gegeven aan de CV om twee bataljons infanterie en een batterij 10-veld naar Gouda te dirigeren en ter beschikking van de C-VH te stellen. Daartoe werden aangewezen II-25.RI [Oostfront VH: Groep Utrecht] en II-32.RI [Oostfront VH: Groep Lek] alsmede de 3e Batterij van 12.RA [het uit vier batterijen bestaande 12.RA behoorde tot 2.LK]. II-25.RI diende door 2-IV.Aut.Bat. te worden vervoerd, II-32.RI diende voor gevorderd vervoer te zorgen. [6, 163] C.2-IV.Aut.Bat kreeg echter een verkeerd bevel waardoor deze naar Gouda in plaats van Utrecht reed om het bataljon op te halen. Na in Gouda de fout te hebben ontdekt werd alsnog, met ruim drie uur vertraging, Utrecht bereikt. Omdat het bataljon voorts niet verzameld was, maar nog in de diverse opstellingen was ondergebracht, duurde het inladen van de vrachtwagens en bussen lang. Gevolg was dat men pas op 12 mei om 0200 uur Rotterdam bereiken zou. [6, 164] II-32.RI kreeg al om 1630 uur te horen dat het direct naar Rotterdam moest gaan en dat II-2.Aut.Bat. het vervoer zou verzorgen. Dat laatste bleek maar gedeeltelijk te kunnen, daar de auto compagnie incompleet arriveerde.  Uiteindelijk werd gevorderd vervoer gevonden en vertrok men rond 1800 uur vanaf Vreeswijk en kwam men kort na middernacht (12 mei) aan in Rotterdam. Tenslotte 3-I-12.RA, dat uiteraard met eigen vervoer en tractie kon werken. Het was als eerste onderdeel te Gouda gearriveerd, kreeg daar instructie op II-25.RI te wachten en kwam zodoende eveneens rond 0200 uur (12 mei) te Rotterdam aan. Daar kreeg het ’s middags alweer bevel terug te keren naar de Grebbelinie, waar het op 13 mei omstreeks 0300 uur arriveerde [2, 6].

De versterkingen nader bekeken

De versterkingen die naar Rotterdam werden gestuurd waren van samengestelde aard. Omdat er geen sprake was van gesloten regimenten, maar losse bataljons – sommige daarvan ook nog eens voormalige grenseenheden in irreguliere samenstelling – met eveneens incomplete ondersteunende eenheden, wordt gekeken naar de exacte samenstelling van de versterking. De op papier zes bataljon waren namelijk lang niet op de sterkte die men daarvan zou verwachten.

[157, 158] Commandant 11.RI [luitenant-kolonel T.J. Reeser] kwam met zijn staf, de verbindingsafdeling, de 11e Compagnie Mortieren [reserve 1e luitenant A.J.R. Robbers] en twee secties (de 1e sectie was ingedeeld in de hoofdweerstand op de Grebbeberg) van de 11e Compagnie PAG [C. kapitein J.K. van Prehn] aan in Rotterdam. Hij had tevens een deel van zijn eigen regiment bij zich. Een samengesteld bataljon [majoor J.J.M. de Bruijn] dat bestond uit 1-I-11.RI, 3-I-11.RI, 1-III-11.RI en MC-I-11.RI. Het bataljon was organiek op sterkte en compleet. De sterkte van het bataljon zal rond de 750 man hebben gelegen. De vrijwel complete regimentstaf met verbindingsafdeling was circa 100 man groot. De sectie mortieren organiek 90 man, de sterkte van de 2/3e compagnie PAG ca. 50 man.

[2, 6, 156] IV-10.RI [majoor J.G. Arentz] was een samengesteld bataljon. Het bestond slechts uit drie tirailleurcompagnieën en miste een MC. Het bataljon was een samengesteld geheel uit voormalige grenstroepen (lichting 1939) en manschappen uit hoge regimenten, dat kort voor de meidagen bijeen was gebracht in het bataljon. Men kwam voort uit 7.GB, en de 4e en 5e Compagnie van II-43.RI (voormalige grenstroepen), oorspronkelijk onder bevel van de TBO. Deze troepen waren van grens en voorverdedigingstaken ontheven (de eenheden opgeheven) en in een ongebruikelijk 4e Bataljon zonder MC ondergebracht. De sterkte van het bataljon zal rond de 520 man hebben gelegen.

[2, 161] IV-15.RI [reserve majoor A.F.H. Jansen] was net als IV-10.RI een nieuw samengesteld bataljon, dat eveneens uit voormalige grenstroepen [1- en 2-18.GB, en 2-19.GB] bestond. Het had slechts drie tirailleurcompagnieën zonder MC, maar wel een sectie met drie stukken PAG [reserve 1e luitenant J. Sjoerds]. De exacte sterkte van het bataljon is in de archieven vermeld [161: regimentsverslag, IVe Bataljon, 5 juni 1940] als 567 man inclusief PAG.

[162] III-21.RI [majoor J.J. Six Dijkstra] was zeer incompleet naar Rotterdam gestuurd. De 1e Compagnie ontbrak (was in de voorpostenstrook in de Grebbelinie gebleven) net als de daaraan gekoppelde 4e sectie MC, die dus ook ontbrak. De sterkte van de eenheid zal daarom rond de 550 man hebben gelegen.

[163] II-25.RI [reserve kapitein S. Mozes] was compleet. Het bataljon zal daarom circa 700 man sterk zijn geweest, wat de sterkte van de meeste bataljons in hooggenummerde eenheden was.

[164] II-32.RI [reserve majoor J.J. Koopmans] was eveneens compleet naar Rotterdam verplaatst. Ook dit bataljon zal een sterkte van circa 700 man hebben gehad.

[2, 6] Op 12 mei kwam nog een sectie van 20 Cie PAG vanuit Leiden in Rotterdam aan.

Resumerend kan worden gesteld dat de zes bataljons in werkelijkheid een sterkte van vijf bataljons vertegenwoordigden. Zij waren dus versterkt met een compagnie mortieren [6 stukken] en aanvankelijk zeven, later negen stukken PAG. Overige regimentstroepen ontbraken met uitzondering van één verbindingsafdeling (waar de sterkte van zes bataljons er twee vereiste). Voorts kan over de gevechtswaarde worden opgemerkt dat slechts de bataljons van 11.RI en 21.RI bestonden uit jongere lichtingen met een volledige vredesopleiding. De samengestelde bataljons van 10.RI en 15.RI bestonden uit een mix van oudere reservisten en jonge pas opgeleide manschappen van lichting 1939. De beide bataljons van 25.RI en 31.RI bestonden uit oude reservisten, hun MC’s hadden organiek slechts acht zware mitrailleurs en hun compagnieën slechts 9 (i.p.v. 12) lichte mitrailleurs.

Instructies aan de gearriveerde versterkingen

De bataljons van 10.RI, 11.RI, 15.RI en 21.RI kwamen op 11 mei in Rotterdam aan. Het is interessant te kijken welke instructies zij ontvingen.

[156, 258] Als eerste arriveerde IV-10.RI in Rotterdam, voor het grootste deel nog op 10 mei in de late avond. De BC meldde zich bij de C.Kant. en kreeg opdracht zijn bataljon te ontplooien tussen de St. Jobshaven en het bedrijf van de Drinkwaterleiding. Dat was een tamelijk onwerkelijke opdracht, want de St. Jobshaven lag circa 2 km ten westen en het Drinkwaterleiding bedrijf circa 2 km ten oosten van de bruggen. Een breedte van 4 km bezetten door een bataljon met slechts drie compagnieën, met bovendien in het hart van die sector de kleine Duitse saillant, was onlogisch. De reden voor dit ongebruikelijke bevel was dat op dat moment er nog geen andere infanterie in Rotterdam was aangekomen en de C.Kant. zo spoedig mogelijk eigenlijke gevechtstroepen in zijn eerste echelon zal hebben willen aanvoeren ter vervanging van de contingenten depottroepen aldaar. [2, 6] Bovendien – en daar ziet men weer de akelig povere communicatie in het Nederlandse leger – was er aan C.Kant geen informatie gegeven welke infanterie hij (wanneer) kon verwachten. Zodoende was een ‘evenwichtige verdeling’ van de beschikbare infanterie over het gehele actieve Maasfront in de stad niet zo onlogisch meer.

[258] De order aan de BC werd gespecificeerd door drie compagniesvakken te dicteren: rechts van St. Jobshaven tot aan de Leuvehaven, midden van Leuvehaven tot aan Maasstation [ter vervanging van de depot gelegenheidscompagnie onder kapitein De Bats, merendeels van 2-III-DGT] en links van Maasstation tot aan het Drinkwaterbedrijf [ter vervanging van de depot gelegenheidscompagnie van kapitein Dohna, merendeels bestaande uit manschappen van 3-II-DGT]. De bataljonsstaf diende het Beursstation te bezetten. Hoewel men als staf daarmee wel centraal van de eigen compagnieën bleef zitten, zou men over zo’n breed bataljonsvak evident geen enkele directe gevechtsleiding kunnen geven. Bovendien was het Beursstation directe frontsector, zodat ook in die zin de opdracht aldaar de staf onder te brengen verwondert. Het laatste zal ten dele zijn veroorzaakt door de onduidelijkheid op de Veemarkt bij de feitelijke situatie, hoewel men ook op de vingers had kunnen natellen dat het Beursstation geen juiste plaats was om een bataljonsstaf onder te brengen. Anderzijds heeft het er de schijn van dat de BC er zelf voor koos op deze wijze invulling te geven aan zijn opdracht. In de gememoreerde lijst instructies in het archief van het Depot wordt namelijk de toewijzing van de staftroepen aan het station Beurs in het geheel niet beschreven [258].

[158, 258] Gedurende de vroege ochtend van 11 mei arriveerde het samengestelde bataljon I-11.RI, samen met de regimentsstaf en de ondersteunende onderdelen. Het bataljon kreeg opdracht om met een compagnie [1-I-11.RI] en een sectie MC het vak St Jobshaven – Leuvehaven te bezetten. Een andere compagnie [1-III-11.RI] diende met een sectie MC en een sectie PAG het vak Leuvehaven – Bolwerk te bezetten. De derde compagnie [3-I-11.RI] met een sectie MC en een sectie PAG zou in reserve worden gehouden ten noorden van het Beursstation, terwijl de C-MC en de laatste sectie MC naar het Maasstation werden gestuurd ter versterking van de bezetting aldaar, waar zware mitrailleurs nog ontbraken. De aangetroffen depottroepen (met uitzondering van de troepen Vaartuigendienst bij de St Jobshaven) dienden te worden vervangen.  Dat gebeurde echter lang niet op alle locaties, zoals (in een latere beschrijving) duidelijk zal worden.

[157, 258] Onderwijl werd aan de luitenant-kolonel Reeser door de C.Kant de instructie gegeven het bevel over alle infanterieonderdelen op zich te nemen. Dat betekende op dat moment nog slechts twee-en-een-half bataljon [1/2 III-39.RI, IV-10.RI en I-11.RI], maar zou uitgroeien tot zes-en-half bataljon na de aankomst van de andere eenheden. In feite kwam het erop neer dat overste Reeser de operationele bevelhebber werd over het Maasfront, zij het dat voor wat betreft de activiteiten van de Mariniers de CMM de aangewezen bevelhebber bleef. De overste liet een commandopost inrichten in het hotel Atlanta op de Coolsingel. Van kolonel Scharroo was de informatie ontvangen dat de Duitsers heer en meester waren over Rotterdam-Zuid, het Noordereiland en een bolwerkje hadden op de noordoever van de Maas bij de bruggen. Daarmee had de overste in elk geval direct een accuraat beeld bij de Duitse posities. Van de Nederlandse posities ontving hij nauwelijks specificatie. Logisch, want daarvan had men maar een vaag beeld aan de Veemarkt. Wel kreeg de overste mee dat de ter beschikking komende infanterie de depottroepen diende af te lossen.

[162, 258] Als derde eenheid arriveerde III-21.RI, dat dus slechts twee tirailleurcompagnieën en 3/4 MC had. Het kwam tegen de ochtendschemering aan en werd tegen de eerdere instructie van de C.Kant in niet onder de C-11.RI gebracht, maar ingezet om diverse strategische punten en uitvalswegen in de stad te bezetten. De BC richtte zijn CP in, in een school op de Veemarkt. De staf en trein werden in de Plantage gelegerd (later die dag verplaatst naar de Kralingsche Plas). Van 3-III-21.RI werden vijf groepen en een sectie van de MC bij de Schiebrug (Delfshavense Schie) nabij Overschie gepositioneerd. Eén sectie van 3-III en een sectie MC nabij het Marconiplein. Twee groepen van 3-III kwamen bij de bataljonstelefooncentrale terecht, twee groepen bij de opgestelde treinen, en twee groepen van 2-III bij station Hofplein. Vervolgens vier groepen van 2-III bij het station Delftsche Poort en tenslotte zes groepen van 2-III plus de laatste sectie MC nabij de driesprong Rotterdam – Schiedam - Overschie. De CP van de MC kwam op het Marconiplein, de CP van 2-III op het station Delftsche Poort en de CP van 3-III in het gebouwtje van de bataljonstelefooncentrale. Daarmee was het gros van de eenheid op de Duitsers rond Overschie gericht en ter afsluiting van de noordelijke toegangswegen van de stad. De keuze van de BC zijn CP aan de Veemarkt in te richten was daarmee dus zeer onlogisch.

[161, 258] Het naar vervoer zoekende IV-15.RI had in Gouda aanzienlijke vertraging opgelopen. Het kwam daardoor verlaat aan in Rotterdam. Het bataljon meldde zich in eerste instantie vermoedelijk slechts met haar eerste compagnie [2-IV] rond 0300 uur op de Veemarkt (3).

(3) Er is een aanzienlijke discrepantie tussen de gegevens uit het kantonnementsregister [258] – waarin bijzondere gebeurtenissen en uitgegeven bevelen staan vermeld – en het krijgsverslag van de C.IV-15.RI [161: Gevechtsbericht no 10.G., 5 juni 1940] ten aanzien van de aankomsttijd. Het eerste meldt ca. 0615 uur, het tweede ca. 0300 uur. Het stafwerkdeel Rotterdam [2] volgt het laatste document, de C.11.RI [157] spreekt van ca. 0330 uur, maar baseert zich vermoedelijk op de verslagen van IV-15.RI omdat hijzelf met het bataljon op 11 mei niets te maken had. Het is dus met het nodige voorbehoud dat de tijd van ‘rond 0300 uur’ wordt aangehouden. Bovendien lijkt uit het kantonnementsverslag duidelijk te blijken dat de melding van 2-IV pas in de ochtend rond 0900 gevolgd werd door de rest van het bataljon, zijnde twee tirailleurcompagnieën en de anderhalve sectie PAG.

[161, 258] Het zich als eerste meldende 2-IV-15.RI [C. kapitein W. Butin Bik] kreeg direct opdracht met de compagnie de bezetting van Pernis te versterken. Men diende via Vlaardingen met het veer de Nieuwe Maas over te steken en de bij Pernis aanwezige compagnie 1-III-39.RI te versterken. De rest van het bataljon kreeg pas om 0900 uur haar eerste opdracht, wederom rechtstreeks van de kantonnementsstaf. De instructie was om de twee tirailleurscompagnieën en PAG te verdelen over een positie bij het Kralingsche Veer en de afsluiting van de toegangswegen rond de Kralingsche Plas. Kortom, posities in oost en noordoost van de stad, waarmee (samen met depottroepen, mariniers en III-21.RI) de noordwestelijke, noordelijke en noordoostelijke stadstoegangen redelijk goed beveiligd zouden zijn. Het bevel werd echter voordat de BC van de kantonnementsstaf vertrok alweer herroepen. Tijdens de bevelsuitgifte kwam namelijk vanaf o.a. de Coolsingel bericht binnen dat Duitse infiltranten aldaar waren gesignaleerd. Daarom werd aan het halve bataljon IV-15.RI opdracht gegeven een zuiveringsactie te ondernemen in de sector Coolsingel – Witte de Withstraat. De drie stukken PAG moesten op het Hofplein, Coolsingen en Goudsche Singel worden opgesteld. [258, 265] Ten zuiden daarvan werd een verband van ca. 80 mariniers onder de kapitein Van Gijn ingezet om hetzelfde te doen. In de late middag – nadat de zuivering niets had opgeleverd – werd ½ IV-15.RI alsnog opgedragen het eerdere bevel te effectueren. Zodoende werd de zuidzijde van de Kralingsche Plas met twee secties bezet, het Oude Raadhuis met een sectie bewaakt, een sectie naar het Waterleidingbedrijf gedirigeerd en een sectie op de kruising ’s Gravenweg – spoorbaan (lijn Maasstation – Delft) geplaatst. De PAG werd echter van het bataljon los gemaakt.   

Daarmee is de aankomst en eerste inzet van op 11 mei ter versterking ontvangen troepen besproken. De op 12 mei arriverende laatste twee bataljons (en het later nog volgende II-RJ) zullen bij de bespreking van 12 mei worden toegelicht.

Korte analyse van het gebruik van de versterkingen

De aan de vier bataljons infanterie verstrekte instructies betekende dat van hen slechts twee bataljons aan het Maasfront werden ingezet als (gedeeltelijke) vervanging van de depottroepen van genie, marine en ML. De andere twee bataljons werden goeddeels ingezet om de noordelijke en oostelijke toegangen van de stad te blokkeren. Dat lijkt wellicht op het eerste gezicht onlogisch. De Duitsers waren immers alleen aan de Nieuwe Maas geland.

Onlogisch was het echter niet, zeker niet gegeven de tactische mores in het Nederlandse leger anno 1940. Het kantonnement was niet alleen geconfronteerd met allerhande berichten over massale Duitse luchtlandingen in het zuiden en natuurlijk bij de Maasbruggen, maar evenzo met talloze rapporten over ten noorden en noordoosten van de stad gelande parachutisten en luchtlandingstroepen. Daar kwamen dan nog eens de niet aflatende stromen aan spookverhalen bij die uit alle hoeken van de stad kwamen, van burgers maar vooral van militairen. Rotterdam zou net als Den Haag geteisterd worden door verhalen over verraad en vermeende activiteiten van subversieve elementen, meestal onjuist samengevat als het ‘Vijfde Colonne’ fenomeen (4). In Rotterdam werd dit nog eens versterkt door de veelheid aan uniformen die te zien was en waarvan het bestaan veel militairen in het geheel niet bekend was. Zelfs in de vroegste uren van de strijd zag men al genisten op mariniers schieten omdat het aparte mariniers uniform met zijn zwarte elementen bij de depottroepen onbekend was. Hoe meer troepen zich over Rotterdam verspreiden, des te meer misverstanden en spookverhalen ontstonden er.

(4) In feite duidde het Vijfde Colonne begrip op een vooropgezette en dus min of meer gestructureerde opzet van ‘de vijand’ om door middel van zich binnen het beheersgebied van de aangevallen partij bevindende min of meer georganiseerde elementen een extra aanvalscomponent tot wasdom te laten komen, die van binnenuit de verdediging zou teisteren. De Nederlandse legerleiding had zijn kader daar relatief uitgebreid op voorbereid – althans op het gevaar ervan, niet zo zeer de (juiste) reactie erop. Menig oefening in de mobilisatietijd was gericht op bestrijding van dergelijke asymmetrische verbanden, zoals men deze ongeregelde ‘vijanden’ tegenwoordig zou betitelen. Het werd door de legerleiding, zeker in stedelijke omgeving, als een zeer tastbare bedreiging gezien en ook zo aan het kader overgebracht. Dat in zichzelf was ongetwijfeld mede oorzaak voor de massale verraad- en infiltrantenpsychose die – in casu – het Nederlandse leger gedurende de meidagen van 1940 parten speelde. Het echter willekeurig door subversieve burgers op eigen troepen schieten en vooral het door geregelde vijandelijke troepen penetreren van de defensie achter de hoofdweerstand waren geen fenomenen die tot Vijfde Colonne activiteiten behoorden. Toch werd het in algemene zin zo betiteld, waarmee een verzameling van diverse gebeurtenissen een generieke en dus non-specifieke titel kreeg.

Zoals in Dordrecht de overste Mijsberg op 12 mei het kantonnementscommando zou gaan negeren wegens de constante verzoeken tot onderzoek en zuivering, zo zou eenzelfde situatie ontstaan in Rotterdam. Het was aldaar met name de mariniersleiding die zich steeds meer opwond over de – naar hun mening – paniekerige sfeer die vanuit het kantonnement kwam. Daar was wel wat voor te zeggen, zij het niet dat er tijdens de zuiveringsacties menigmaal grote vuurgevechten zouden ontstaan. Voor zover deze gebeurtenissen te traceren en te duiden zijn, bleek het telkens te gaan om het schieten op niet bestaande doelen of op ‘elkaar’. Het zou menig militair verwondingen opleveren en zelfs enkele levens eisen. Ook van burgers. Het gevolg was wel dat de troepen die niet aan de Maas lagen zich ook telkens in gevaar waanden. Van rust kwam niets, van onrust des te meer. Het kantonnement in Rotterdam stond telkens voor de afweging op rapporten te reageren of ze terzijde te leggen. Het specifieke geval van de vermeende Duitse infiltranten aan de Coolsingel kwam echter van diverse officieren aldaar, inclusief de commanderend generaal van de luchtverdedigingskring Rotterdam – ’s Gravenhage. Kon een kantonnementsbureau dergelijke meldingen zomaar terzijde leggen? Achteraf gezien had men wellicht kritischer kunnen zijn; in die chaotische meidagen was het haast onwerkelijk om – zoals de leiding van het Korps Mariniers a posteriori deed – het kantonnement van hysterie en aanverwante predicaten te voorzien.

Daarnaast had het kantonnement te maken met serieuze meldingen omtrent Duitse eenheden ten noorden van de stad. Als gevolg van de mislukte Duitse operatie rondom Ypenburg, waren al in de vroegste uren van 10 mei Duitse luchtlandingstroepen in de wijde omgeving terecht gekomen. Bij Hillegersberg, Berkel, Overschie en ten noorden van Schiedam waren fracties van luchtlandingsverbanden daadwerkelijk aan de grond gekomen of naar die locaties toegetrokken. Op 11 mei zouden zich al enige van die verbanden nabij de noordzijde van Rotterdam ophouden. Bovendien kwamen Nederlandse militairen die via de rijksweg Den Haag – Rotterdam geslaagd waren de laatste stad binnen te komen met verhalen omtrent Duitse beschietingen nabij Rotterdam. Tenslotte was er natuurlijk de berichtgeving, die niet alleen de grootschalige landingen rondom Den Haag meldde, maar tevens Duitse landingen in bijvoorbeeld het nabij gelegen Westland. Bovendien werden – ook door de legerleiding – hernieuwde Duitse landingen verwacht.

Het was daarom logisch dat kolonel Scharroo en zijn staf zich na de indamming van het agressieve Duitse offensief aan de Nieuwe Maas, vervolgens hun aandacht verdeelden door zowel het Maasfront als de noord en oostzijde van de stad te voorzien van werkelijke gevechtseenheden. Opnieuw zijn de parallellen met het kantonnementsbeleid in Dordrecht frappant. Ook overste Mussert streefde ernaar de vijandelijke agressie in te dammen, vervolgens zijn stad door middel van een rondom defensie in staat van georganiseerde verdediging te brengen en pas nadien grootschalige offensieve tegenmaatregelen te overwegen. Hoewel overste Mussert in het stafwerk ‘Zuidfront’ [1] op zijn beleid werd bekritiseerd door auteur Calmeijer, kreeg kolonel Scharroo terzake nauwelijks kritiek van auteur Nierstrasz in het stafwerkdeel Rotterdam [2: blz 86-90]. Nierstrasz wees vooral op de frictie die Scharroo met zijn infanteristisch ongeschoolde en piepkleine staf te verwerken kreeg en desondanks de juistheid van veel genomen maatregelen. Tegelijkertijd gaf Nierstrasz wel één punt van kritiek aan het adres van de kantonnementscommandant. Deze had een sectorcommandant moeten aanwijzen (op de eerste dag) om de acties rondom de Maasbruggen zo goed mogelijk te coördineren. Een terecht punt van kritiek. Overste Mussert had in Dordrecht wijzer gehandeld, door direct in de ochtend een mandaat te geven aan een commandant die de gevechten en verdediging in het zuiden van de stad moest coördineren. Die handeling kreeg echter geen applaus van zijn criticaster Calmeijer, maar datzelfde beleid zou kennelijk door Nierstrasz wel zijn onderschreven. Ter voorkoming van een onuitgebalanceerd beeld in de beoordeling tussen beide kantonnementen dient nadrukkelijk te worden opgemerkt dat het kantonnementsbeleid in Rotterdam, vooral ook dankzij de uitstekende inspanningen van kapitein Duhoux, beduidend meer lijn en helderheid bood dan het beleid van de tandem Mussert – Van der Mark in Dordrecht. Dat laatste mag dan terug te voeren zijn op een zekere logica en klassieke tactische gedachtengang, maar men verzuimde dat zodanig met bevelhebbers te delen.

[De bronnen vindt u hier]