Maaslinie

Inleiding

[5, 30: geheel] De Maaslinie tussen Mook en Roermond wordt in deze sectie besproken. Roermond zelf, en het deel zuidelijker, worden niet besproken omdat dit feitelijk geen direct verband heeft met de latere gebeurtenissen aan het zuidfront. De beperking ligt bij de vakken die door het Duitse 26e en 9e Legerkorps werden aangevallen.

De aanvallers

In deze sector traden twee Duitse legerkorpsen op, het 26e en 9e Legerkorps. Het 26e behoorde tot het 18e Leger en had zijn doelen werkelijk geheel in Nederland liggen. Het 9e Legerkorps was onderdeel van het 6e Leger, dat noord België tot haar doelgebied had. Dit legerkorps zou via een flauwe boog in de omgeving van Tilburg het Nederlandse grondgebied verlaten. Het uiterste puntje van het besproken gebied werd overigens door het 11e Legerkorps aangevallen, maar dat zal buiten beschouwing blijven.

Het 26e Legerkorps [General der Artillerie Albert Wodrig] had zijn aanvalsvak tussen Nijmegen en Venray. Van Venray tot Roermond lag het vak van het 9e Legerkorps [General der Infanterie Hermann Geyer].

Feit is dat tussen het 26e en 9e Legerkorps een Legergroepgrens lag. Voor integrale bevelvoering en onderlinge samenhang had dit beslist substantiële gevolgen. Het is namelijk een feit [het zal beslist elders op deze site weer worden besproken en nader uitgelicht] dat als er één zwak punt moet worden aangewezen in de Duitse bevelvoering anno 1940, dat dit de zogenaamde ‘cross unit information exchange’ betrof. In gewoon Nederlands: de uitwisseling van informatie tussen aanleunende eenheden. Dat die zwakte aanzienlijk vergroot werd door een vakscheiding tussen twee legergroepen behoeft vermoedelijk geen nader betoog. Het zou echter aan de Maaslinie niet zo zeer van groot belang blijken, echter des te meer aan de achtergelegen Peel-Raamstelling.

Generalmajor von Hubicki

Het 26ste Legerkorps bestond uit twee infanteriedivisies en een tankdivisie, alsmede drie infanteriedivisies die onder tijdelijk tactisch bevel stonden. De vaste kern bestond uit de 9e Panzerdivision [Generalmajor Alfred Ritter von Hubicki] , de 254e [Generalleutnant Walter Beschnitt] en de 256e Infanterie Division [Generalmajor Alexander Kaufmann]. Daarnaast zou de SS Verfügungsdivision [min Standarte Der Führer; divisiecommandant was SS Gruppenführer Paul Hausser] onder tactisch bevel komen. Twee reguliere infanteriedivisies kwamen eveneens onder tactisch bevel, de 208e [Generalmajor Moritz Andreas] en 225e Infanterie Division [Generalleutnant Ernst Schaumberg]. In de marsplannen was voorts opgenomen dat indien de tactische status zich zo zou ontwikkelen dat het momentum formeel bij de zuidelijke aanvalsas zou komen te liggen, een van de twee SS Standartes ingedeeld bij 10.AK naar 26.AK zou worden gedirigeerd. Daarmee was het 26e Legerkorps een bijzonder groot legerkorps. De eenheid stond dan ook op de nominatie bij Breda te worden gesplitst en dan onder twee staven te worden verdeeld. Het zou vanaf Breda als 26e en 39e Legerkorps worden ingedeeld. Dat wordt later in de beschouwingen nader toegelicht.

[507] De standaard tot 26.AK behorende Heer infanteriedivisies waren allen van de Vierte Welle. Dat betekende dat ze nauwelijks gemotoriseerd waren en dat het aantal reservisten relatief hoog was [twee van de drie bataljons]. De gemiddelde leeftijd van de gevechtseenheden was 25-26 jaar. De beide tactisch onder bevel zijnde ID's - 208 en 225 - waren beide Dritte Welle divisies. Ten opzicht van de Vierte Welle divisies hadden zij circa 3,000 man meer, maar waren zij voor de gevechtstroepen nog veel afhankelijker van de 'benenwagen' als de Vierte Welle eenheden. Het aantal Landwehr [laagste klasse reserve] manschappen was ook procentueel beduidend hoger [42% Landwehr in de Dritte Welle tegen 42% in de Vierte Welle].

De 9e Panzer Division en de SS Verfügungsdivision traden in eerste instantie tweedelijns op, met uitzondering van de SS-Aufklärungs Abteilung die aan het Maas-Waalkanaal zou worden ingezet. Beide divisies zouden niet worden ingeschakeld bij de penetraties van de Maaslinie en de Peel-Raamstelling. De beide infanteriedivisies 254 en 256 wel. De andere twee divisies, 208.ID en 225.ID, zouden in het kielzog van de voorste eenheden mee optrekken, en waren vooral bedoeld voor inzet ter afgrendeling van het noordelijke Belgische front tussen Tilburg en Antwerpen.

De 9e Panzer Division was de jongste Duitse pantserdivisie [van Oostenrijkse oorsprong], hoewel de oorsprong van de eenheid – de 4e Leichte Division – al langere tijd terugging. In feite was de eenheid qua kern niet jong en had zij reeds in Polen uitgebreid ervaring opgedaan. De divisie had slechts één tankregiment en behoorde daarmee tot de groep van vier kleine tankdivisies die naast de zes grote tankdivisies in het westen zouden worden ingezet. De divisie zal bij de bespreking van de Peel-Raamstelling nader worden bekeken.

De SS-Verfügungsdivision was een gelegenheidssamenstelling van drie bestaande Standarten, aangevuld met een aanzienlijke verzameling divisietroepen. Het bestond organiek uit de Standarten ‘Deutschland’, ‘Germania’ en ‘Der Führer’. De laatste was echter aan het 10e Legerkorps uitgeleend. In mei 1940 was de later zo bekend geworden naam ‘Waffen SS’ nog niet in gebruik [en werd gesproken van SS Verfügungstruppe of SS-VT], hoewel men gemakshalve deze naam wel vaak hanteert voor de SS eenheden die binnen de gelederen van het Heer opereerden in Polen en het westen. De eenheid zou spoedig na de Westfeldzug opgedeeld worden en de basis vormen voor nieuwe Waffen SS brigades en divisies. De SS Leibstandarte Adolf Hitler, die bij 10.AK was gedetacheerd, was een autonoom verband en was dus niet bij enige SS divisie [SS Verfügungsdivision, SS Totenkopfdivision, SS Polizeidivision] ingedeeld.

De verdedigers

[5, 30] Aan Nederlandse kant werd de Maaslinie in de besproken sector door een beperkte troepenmacht verdedigd. Slechts zes bataljons. Deze waren ingedeeld in vakken, die weer verbonden waren met de Peel-Raamstelling. Deze linie lag tussen de 10 en 20 kilometer achter de Maaslinie.

Het geheel viel onder het bevel van de Peeldivisie, waarvan de commandant [Kolonel L.J. Schmidt] tevens Territoriaal Commandant Noord-Brabant was. De TC zou na het (geplande) vertrek van III.LK en de Lichte Divisie de hoogste militaire autoriteit in Noord-Brabant worden en feitelijk het gehele front alsmede de rest van de provincie onder zich krijgen. Dat voor deze rol geen generaal was aangewezen is vermoedelijk niet eens een verwijzing naar het tekort aan opperofficieren in ons leger, als wel de vooraf weinig hoog ingeschatte kansen van werkelijke effectieve Geallieerde assistentie. 

Van noord naar zuid waren de zes bataljons als volgt over de Maaslinie verdeeld: II-26RI [Vak Schaik], 15.GB [Vak Erp], I-41RI en III-26RI [Vak Bakel], 2.GB en III-41RI [Vak Asten].

Bij Asselt – net ten noorden van Roermond tot aan de grens met België – nam het zevende bataljon in de rij, 17.GB, de laatste sector voor haar rekening en deze werd tot het vak Weert gerekend. Hierna viel de verdediging onder het territoir van Limburg [luitenant-kolonel A. Govers].

De Maaslinie was een ijle kazemattenlinie west van de rivier, waar bij de bruggen zwaardere kazematten waren gebouwd. De kazematten tussen de bruggen lagen op relatief grote onderlinge afstand. De meeste waren van het type S-kazemat. De linie had geen enkele diepte, had geen artillerie of luchtafweer ter beschikking, en was spaarzaam voorzien van licht geschut. In feite was het niets meer dan een cordonstelling die voorzien was van lichte versterkingen en prikkeldraad en een zeer ijle bezetting met infanterie.

De Maaslinie had dan ook slechts een vertragende taak. Zij moest de tegenstander zolang mogelijk vertragen zodat gereedstelling in de werkelijke weerstandslinie – de achtergelegen Peel-Raamstelling – kon worden voltooid. In april 1940 was die taak in essentie niet gewijzigd, zij het dat de hoofdmacht in Noord-Brabant van de nieuwe OLZ heimelijk de taak had gekregen direct op aan het eind van de eerste oorlogsdag te verplaatsen naar de Vesting Holland onder achterlating van zes bataljons voor de Peeldivisie. Deze strategische beslissing was niet bekend bij de bevelhebbers aan de Maaslinie; overigens ook niet bij de manschappen die de Peel-Raamstelling moesten verdedigen.

De aanval op de Maaslinie in het vak van 26.AK

[5, 30] Hieronder volgen van noord naar zuid de gebeurtenissen die aan de Maas plaatsvonden op 10 mei 1940. Daarbij is voor sommige locaties aanzienlijk meer aandacht dan anderen. Op enkele locaties werd zeer moedig weerstand geboden en dat heeft geleid tot een meer uitgebreide bespreking.

Mook

Het meest noordelijke gevecht aan de Maaslinie vond plaats bij het dorpje Katwijk, maar is beter bekend als de slag bij Mook [aan de oostzijde van de Maas]. Hier trad het 2e bataljon van het Duitse 474ste regiment [254.ID] op dat de beschikking had over licht en zwaar antitankgeschut en door middelzware en zware artillerie rechtstreeks ondersteund werd. Een overvalcommando van de Abwehr zou het geheel vooraf gaan.

Aan Nederlandse zijde was de 3e compagnie [reserve kapitein F.G. van Hoogenhuize] van II-26RI in de sector verantwoordelijk voor de verdediging. Naast de kleine kazematten, had men twee rivierkazematten [aan weerszijde van de spoordijk] bij de spoorbrug ter beschikking, beide met een kanon van 5 en zware mitrailleur bewapend. Deze werden door manschappen van de 3e Afdeling Korps Politietroepen bezet. Bij het veer stond een oude vuurmond 8-staal.

Maaslinie en Maas-Waalkanaal

De Duitse overvalpoging smoorde doordat de brug op berichten van de Duitse aanval door de grenstroepen al rond 0420 uur de lucht in ging. De voor vernieling ook voorbereide veerpont ging vlak daarna naar de bodem.

Om 0430 uur kwamen de eerste Duitsers in beeld bij de verdediging en die werden met een fanatiek vuur ontvangen. Nadat de aanvallers een duidelijk beeld hadden gekregen van de feitelijke verdediging, werd door hen de artillerie ingeschakeld. Deze nam met indirect vuur de kazematten en de semipermanente veldversterkingen langs de rivier onder vuur. Uit Nederlandse rapporten blijkt dat dit vuur door een waarnemingsvliegtuig werd geleid [waarbij wederom aandacht wordt gevraagd voor het feit dat deze vliegeniers vanuit die waarnemingspositie de status van de brug bij Grave hebben moeten kunnen waarnemen!].

De artilleriebeschieting had geen enkele werkzame uitwerking op de betonnen kazematten, maar een bizar voorval bracht wel enige verlichting voor de aanvaller. Een riviersleepboot met twee platte bakken kwam langzaam aangevaren vanuit het zuiden. Toen de schipper bemerkte dat de brug in de rivier lag, meerde hij zijn combinatie vakkundig af. Hij ging daarmee in het schootsveld liggen van diverse kazematten. De furieuze Nederlandse compagniescommandant verordonneerde dat de schepen tot zinken moesten worden gebracht door de 8-staal. Bij een poging dat bevel te effectueren raakte een Nederlandse luitenant ernstig gewond. Het was het einde van de poging de schepen tot zinken te brengen. Voor de Duitsers een kans in enige luwte een oversteekpoging te wagen. Die poging kwam echter niet eens tot wasdom, omdat het open veld ten oosten van de rivier een prachtig schootsveld bood voor de verdedigers. Kans om zich te ontplooien aan de oostelijke oever kregen de Duitsers niet eens.

Het was rond 0900 uur toen de Duitsers hun lichte antitankgeschut in de strijd gingen zetten samen met de zware artillerie. Hoewel enkele wapens uitvielen door storingen of schade, was het effect aan Nederlandse zijde nog niet erg groot. Wel zwegen de Nederlandse kazematten tijdens de beschieting, wat aan Duitse zijde ongetwijfeld de indruk wekte dat de beschieting effect sorteerde.

Op deze beschieting, die menig Nederlandse soldaat het begrijpelijkerwijs toch al dun door de broek liet lopen, volgde rond 1000 uur een nieuwe oversteekpoging. Nu slaagden de aanvallers erin aan de zuidzijde van de sleepboot combinatie enkele rubberboten in het water te krijgen, maar halverwege de rivier waren enkele boten volkomen lek geschoten en de meeste manschappen van de bezetting gedood of gewond. Bij de aanlegplaats van het veer, dichterbij de brug, waren vlotten te water gelaten waarop telkens ongeveer een tiental infanteristen plaatsnamen. Deze kregen het zwaar te verduren, zeker de vlotten die door de noordelijke stroming in het schootsveld van de beide rivierkazematten kwamen. De poging werd afgebroken.

Vervolgens werden in het veld – voor de Nederlanders duidelijk zichtbaar – enkele zware 8,8 cm stukken aangevoerd en opgesteld. De granaten van deze zeer effectieve vlakschietende vuurmonden - die oorspronkelijk als FLAK ontwikkeld waren maar uiterst effectief tegen gronddoelen bleken - beukten complete stukken van het beton van de kazematten en penetreerden zonder enig probleem de stalen schietgatversterking. Een tweetal kazematten [no. 110 en 115] werd volkomen uitgeschakeld, terwijl een aantal wapens bij andere posities uitgevallen was. Ook de rivierkazematten kregen de volle laag van de 8,8 cm stukken, in het bijzonder de zuidelijke kazemat die in een ideaal schootsveld voor de Duitsers lag.

In de beide rivierkazematten vielen de kanonnen uit. De noordelijke kazemat kreeg een schietgat treffer die de stukscommandant doodde, enkele manschappen verwonde en het kanon uitschakelde. Even later werd ook de zware mitrailleur door scherven buiten werking gesteld. De zuidelijke kazemat kreeg een voltreffer in de kanonkamer te verwerken, waarbij op twee man na de gehele bemanning op slag sneuvelde [zes korporaals van de Politietroepen]. De kazemat was hiermee uitgeschakeld. Door deze zeer effectieve beschieting verloor de positie vrijwel haar volledige vuurkracht aan geschut en zware mitrailleurs.

De kleinere kazematten werden ondertussen vooral beschoten door de 3,7 cm PAK, 2 cm geschut van een lichte FLAK afdeling, mortieren en zware en lichte mitrailleurs. Het was een regelrechte hel voor de manschappen die in de loopgraven tussen de kazematten hun positie hadden. Desondanks vermande het gros zich toen het vuren verminderde en rond 1100 uur een volgende oversteek poging werd ontwikkeld. Deze keer een werkelijk massale poging waarbij vermoedelijk twee compagnieën talloze vlotten en boten inklommen en onder onderdrukkend vuur op de kazematten een nieuwe oversteek waagden. De aanval smoorde echter wederom in het Nederlandse vuur.

Aan Duitse zijde moet men zich verbaasd hebben over de weerkracht van de op het oog kleine en kwetsbare Nederlandse kazematten. Er volgde weer een uur lang beschieting van de schietgaten van de kazematten en de belendende loopgraven. Het effect was inmiddels zodanig groot dat nog slechts enkele posities over intacte wapens beschikten. De oversteekpoging die na het middaguur volgde slaagde uiteindelijk.

Vanaf dat moment was er nóg geen sprake van een collectieve overgave aan Nederlandse zijde. Bewonderenswaardig was de doortastendheid waarmee vervolgens de diverse posities alsnog verdedigd werden tegen de inmiddels in rug en flanken opererende Duitsers. Uiteindelijk moest kazemat na kazemat zich gewonnen geven en werden de krijgsgevangenen verzameld. De inname van de laatste Nederlandse positie, de compagniescommandopost in Katwijk, gebeurde echter niet zonder ernstig incident.

De commandant van de moedige compagnie werd op lafhartige wijze vermoord door de kennelijk tot moordlust gedreven reguliere Duitse landmacht militairen. Terwijl de kapitein in dekking lag, samen met enkele militairen van zijn stafgroep, naderde een Duitse stoottroep door een boomgaard aan de overzijde van de weg waar de CP was gelegen. De sergeant L.J. Boeyen getuigde naoorlogs dat de Duitsers de overgave sommeerden. Hierop stak de kapitein de handen in de lucht, net als de anderen. Een Duitse militair liep op hem af, zette zijn geweer op de borst van de kapitein en drukte af. Een weerzinwekkende daad en vermoedelijk ingegeven door de frustratie aan Duitse zijde van de gevoelige verliezen. En dat die verliezen aanzienlijk waren bewezen de feiten. Een toesnellende Duitse officier voorkwam erger.

Aan Nederlandse zijde sneuvelden 13 man [31], inclusief de kapitein en de zeven man Politietroepen. Er waren 16 gewonden. Die verliezen waren niet zwaar te noemen, als men de felle strijd en ingezette wapens in ogenschouw neemt, hoewel zij voor het bescheiden contingent Politietroepen natuurlijk bikkelhard aankwamen.

De Duitsers betaalden een flinke prijs voor de overgang bij Mook. Er werden 27 manschappen als gesneuveld geïdentificeerd bij Mook [32]. Rapporten van burgers en artsen meldden dat vele tientallen gewonden werden verpleegd in de directe omgeving. Toch vielen ook de Duitse verliezen vielen mee, zeker als men de soms zeer overdreven Nederlandse rapporten van de gevechten moet geloven.

In de middag werd al direct begonnen door de genie met de bouw van een middelzware pontonbrug van 11 ton. Eind van de middag was de brug klaar en konden de eerste voertuigen naar de overkant. Lichte FLAK van 2 cm vierling werd naast de brug opgesteld.

Middelaar

[5, 30] In de sector bij de gehuchten Middelaar en St. Agatha [tussen Mook en Cuijk] opereerde het 454ste regiment van 254.ID. Dat stond tegenover de 1ste compagnie [reserve 1e luitenant C.A. van Klinkenberg] van II-26RI, dat ter plaatste over slechts een oud stuk 8-staal beschikken kon als versterking, naast enkele S-kazematten. Een sectie van de 2e compagnie vormde de bezetting van de noordelijkste kazematten in het (aanvals)vak.

Deze sector had slechts een veerdienst in het vak en geen brug. Het was bovendien al vroeg in de ochtend bekend gemaakt bij de bataljonscommandant van II-26RI dat de brug bij Gennep door de Duitsers was genomen, en dat die brug vanaf het eerste moment Duitse eenheden naar de westzijde van de Maas bracht. Men kon dus spoedig tegenstanders in de rug verwachten. De bataljonscommandant informeerde zijn compagniescommandanten, maar met het strikte verzoek de troepen deze boodschap nog niet te vertellen. Die uitsluiting van informatie kwam maar ten dele tot stand.

Voor de Duitsers had de overgang bij Middelaar niet zoveel belang. Men wilde uiteraard graag de veerdienst in handen krijgen alsmede de oevers. Maar van een grootscheeps opgezette ontplooiing zoals bij Mook kwam het niet.

In eerste instantie beperkte de gevechten zich tot vuurduels langs de Maas, waarbij de Duitse artillerie een woordje meesprak. Een hoofdrol zou merkwaardig genoeg het enige Nederlandse stuk geschut spelen dat aanwezig was.

In eerste instantie was het stuk actief bij de bestrijding van een Duitse mitrailleurpositie in een schuur aan de overkant van het water naast het veer. Nadat de stukscommandant [wachtmeester A. Schouten] zijn stuk uit de vaste vuurrichting [het veerhoofd] had weten te sjorren, werd met enkele schoten de schuur in elkaar geschoten. De uitwisseling van vuur bleef echter, en in toenemende mate werd met PAK op de kazematten geschoten, wat na verloop van tijd twee uitgeschakelde lichte mitrailleurs opleverde.

Nog voordat enige Duitse oversteekpoging was gedaan, kwam er uit het zuiden een Duitse verband in de rug van de meest zuidelijke kazematten. Deze waren via Gennep noordwaarts gestuurd om de weerstand op te rollen. Een kazemat met bemanning werd uitgeschakeld en een luitenant werd met enkele manschappen gevangen genomen. Ze werden op front gezet en noordwaarts voor de Duitsers uitgedreven. Even later werd de compagniescommandant luitenant van Klinkenberg ook eenvoudig gevangen genomen. Om onduidelijke reden vonden de Duitsers het toen genoeg en trokken zuidwaarts terug. De gevangenen werden meegevoerd.

Een ander Duits verband had zich ten westen van de linie begeven en kwam aan bij het middeleeuwse kruisherenklooster Sint Aegten, waarlangs de hoofdweg achter de rivier liep. Het klooster lag op enkele honderden meters achter de oprit van het veer. Vanaf die positie was er een ideaal schootsveld richting de opstelling van het bij het westelijk veerhoofd opgestelde stuk 8-staal. Dat werd met mitrailleurs beschoten, waarop een klein wonder geschiedde. De Nederlandse wachtmeester Schouten – volkomen ongewis van de situatie bij Gennep – dacht met een stel domme Hollanders te maken te hebben die op eigen troepen schoten. Toen kwam het van pas dat de Nederlandse helm en vermoedelijk zijn leren beenkappen hem op een Duitser deden lijken van enige afstand. Want de wachtmeester klom uit zijn opstelling en zette het op een schreeuwen richting de schutters. Die moeten gedacht hebben dat de oversteek van Duitse zijde al geslaagd was en met een withete Duitse officier van doen te hebben gehad. In elk geval verdween de Duitse vertegenwoordiging weer richting Gennep en zal zij hebben gerapporteerd dat St. Agatha in Duitse handen was. Geen Duitser vertoonde zich in elk geval meer vanuit het zuiden.

Daarmee was de kous echter niet af. Aan de overkant hadden de Duitsers zich ontplooid langs de (huidige) Neerveldstraat die parallel aan de Maas tegenover Cuijk liep, in een flauwe bocht van de rivier. Eerst probeerde de Duitsers enkele mitrailleurnesten te bouwen aan de oevers van de Maas, wat door Nederlands vuur onmogelijk werd gemaakt. Ondertussen bleef men de kazematten bestoken met lichte wapens en een batterij veldgeschut. Een eerste poging om stormboten naar de oever te brengen werd direct verijdeld voordat men nog maar enkele meters de rivier op was. Een volgende poging mislukte opnieuw.

Hierna werden de kazematten onder een waarlijk spervuur genomen. Zowel ter hoogte van Cuijk als bij St. Agatha leverde dit een aantal voltreffers in de schietgaten of in de kazematkamers op. Bij Cuijk sneuvelde een bemanningslid in S-107, en bij St.Agatha betekende een voltreffer in de kamer van kazemat S-95 het einde voor drie bemanningsleden. De S-91 werd ook getroffen en daarbij sneuvelde twee man. Voor de manschappen in de kazematten en stellingen was het een ware hellegang. Mortierbeschietingen op de loopgraven, antitankgeschut en mitrailleurvuur tegen de kazematten en artillerievuur dat boven en om hen heen detoneerde. Het betekende het einde van de Nederlandse weerstand. Ten noorden van St.Agatha slaagde de volgende oversteekpoging van de Duitsers.

De wachtmeester Schouten toonde bij de laatste Duitse beschietingen wederom zijn moed. Hij hield dapper stand in zijn positie, ondanks een viervoudige verwonding. Als een ware vader waakte hij over zijn geschutsbemanning en onderscheidde zich daarbij zodanig dat hem naoorlogs de Militaire Willemsorde werd toegekend.

De strijd was vooral voor de Nederlanders een zware geweest. De Duitsers waren in deze sector beduidend minder onverschrokken te werk gegaan dan bij Mook, en dat betekende dat hun verliezen licht waren. Vijf manschappen waren omgekomen [32]. Aan Nederlandse zijde was het verlies iets hoger. Ter hoogte van Cuijk vielen twee doden, en bij St.Agatha zes man [31].

Gennep

[5, 30, 506, 550, 551] Vlakbij St. Agatha vond die ochtend van 10 mei het voorval plaats waaraan vermoedelijk alle betrokken Nederlandse militairen tot het laatste van hunner dagen nachtmerries overhielden.

De Duitse Abwehr had aan de vooravond van Fall Gelb ten aanzien van de door deze afdeling geplande commandomissies met afstand het grootste operationele plan ontworpen voor het Nederlandse frontdeel. Voor de IJssellinie, Maas-Waalkanaalstelling en de Maaslinie was een groot aantal overvalsacties gepland die zouden worden uitgevoerd door in hoofdzaak twee heimelijke organisaties binnen het Duitse leger, afdeling Abwehr. Dat waren de zogenaamde Brandenburger, officieel het Baulehrbatallion zur besondere Verwendung 800, en het aanverwante Batallion zur besondere Verwendung 100 uit Breslau. De eenheid uit Brandenburg – opgericht op 15 december 1939 – zou later tot een officiële landmacht divisie uitgroeien. Beide organisaties waren opgericht en geoefend met de fundamentele grondgedachte het oorlogsrecht willens en wetens te schenden. De inzet van deze eenheden werd onder auspiciën van de Abwehr onder Admiral Canaris voorbereid, maar met expliciete goedkeuring van de Führer en zijn naaste bevelhebbers. De inzet bleef overigens niet beperkt tot Nederland, maar dit land bood wel bij uitstek de meeste en best neembare doelen voor zogenaamde ‘Handstreiche’ zoals de Duitsers dergelijke overvalsoperaties noemen. De bruggen over de rivieren aan de Nederlandse oostgrens waren uitgelezen doelen voor een kleine, brutaal opererende commandogroepje, en bovendien waren die bruggen voor de Duitse logistieke planning het risico waard om tot dergelijke operaties over te gaan.

De operatie die voor de brug van Gennep was gepland werd gezien als de meest voorname van alle operaties samen met de actie bij Maastricht. Daarom leidde Oberleutnant Wilhelm Walther [Cmdt 4.Kp/Baulehr BtlzbV 800] de Gennepse missie zelf. Het was een groep van 12 man die deze missie kreeg.

De brug bij Gennep lag op een steenworp afstand van Duitsland. Het object was voor de Duitsers van zoveel belang omdat het zeer kort op de Peel-Raamstelling lag en de over de Gennepse brug lopende spoorlijn het voornaamste punt van voornoemde linie – Mill – doorkruiste. Er was een gepantserde trein met een aparte troepentrein die gereed stonden om direct via Gennep door te rijden en de Peel-Raamstelling te passeren om vervolgens een bataljon infanterie uit te laten in de rug van de door de Duitsers gerespecteerde Peel-Raamstelling. Om de overval een goede kans te geven was er eveneens voor gezorgd dat de route van de ploeg al voor X-zeit [0355 uur Nederlandse tijd] vrij gemaakt zou worden van Nederlanders. Daarom zou al rond 0330 uur de grenspost worden overvallen en zouden de grenswachten daarachter eveneens worden verrast. Dit scenario was voor meer locaties in Nederland gepland, maar overal liep dit mis – althans daar waar pantsertreinen [in totaal zeven stuks waren er gepland] zouden worden ingezet – maar bij Gennep liep alles op rolletjes. De grenswacht werd keurig uitgeschakeld en de achterliggende grenswachten na een zeer korte schermutseling ook opgerold. Er was zodoende geen alarm naar achteren gegeven.

De situatie bij de brug was als volgt. Er waren twee rivierkazematten met beiden een kanon van 5 en een zware mitrailleur, alsmede enkele S-kazematten dichtbij langs de rivier. Het spoor was tijdens de avond en nachturen versperd met een afgesloten ijzeren hek, met daarvoor een asperge versperring met drie stalen balken. Daarnaast was een wachtlokaal. Aan de westzijde was ook een wachtlokaal, en midden op de brug bij de ontsteking stond een derde post. Zoals gebruikelijk was de verantwoording voor vernieling en de bezetting van de rivierkazematten een aangelegenheid voor het Korps Politietroepen en dit relatief grote detachement stond onder bevel van de sergeant J. Lute. Er was ook nog een nevendetachement van negen man onder dienstplichtig sergeant J. van der Nahmer. Het vak zelf viel onder de 4e Compagnie van II-26RI [1e luitenant G. Moubis]. Daarnaast was er een Marechaussee brigade van 8 man onder een wachtmeester. Die hadden hun post even oost van de brug bij het station Gennep, waar een telefoonverbinding met de brug was. Bovendien bewaakte men daar een wissel die iedere avond op een dood spoor werd ingesteld en dan met een slot verzegeld tot de volgende morgen. Ronduit bizar was de bevelsketen bij het object. Het vak waarin de brug lag viel formeel onder de reserve 1e luitenant van 4-II-26RI, maar deze had slechts zeggenschap over de kazematten aan de rivier. De rivierkazematten en de brug vielen onder de sergeant der Politietroepen. Het detachement bewakingstroepen onder de sergeant Van der Nahmer viel onder geen van beiden, en was een soort autonome aanvulling geweest op het kleine detachement ter plaatse. De strategisch zo voorname brug bij Gennep viel dus onder het bevel van ... een sergeant der Politietroepen! Overigens was er vermoedelijk nog een klein detachement Nederlanders bij de bewaking betrokken. Specifieke gegevens daarvan ontbreken bij auteur.

Wilhelm Walther

Het groepje overvallers dat zich naar de brug zou begeven bestond uit negen Duitsers [onder wie de Oberleutnant en diens plaatsvervanger Feldwebel Stöhr] en drie Nederlanders. De Nederlanders waren als Marechaussees verkleed, terwijl de Duitsers gewoon in eigen uniform waren, waarover lange jassen werden gedragen ter camouflage van de wapens en granaten die men bij zich had. De groep simuleerde een stel krijgsgevangenen die door de Marechaussees naar het westen werden gebracht. Ruim voor 0400 uur was het groepje naast het spoor lopend richting brug gelopen. Onderweg was een van de Nederlanders afgehaakt en onder bewaking van een Duitser achtergelaten. Hierdoor bleven slechts tien man over voor de overval op de brug.

Vervolgens ontstond een keten van gebeurtenissen die slechts geloofwaardig is doordat de onderzoekingen naoorlogs [de zaak werd door de Enquête Commissie hoog opgenomen en uitgebreid behandeld] aannemelijk maakten dat inderdaad de zaken zo gebeurd zijn als ze volgens alle logica niet gebeurd zouden (moeten) kúnnen zijn!

Op het moment dat de viermans wacht aan de oostzijde van de brug, voor het hek, de groep aan zag komen lopen, ging de telefoon in het wachthok. Een van de wachten nam deze op en hoorde een Marechaussee roepen ‘Overval station Gennep. Doorgeven!’ Daarop is onduidelijk wat er precies gebeurd is. In ieder geval werden de vier wachten door de Duitsers overrompeld, waarbij een van de wachten nog een schot kon lossen en een overvaller verwonde. Hijzelf werd bewusteloos geslagen. Een van de beide Nederlandse Marechaussees belde toen de westzijde op en meldde dat hij met enkele Duitse krijgsgevangenen kwam. Vijf of zes man gingen toen naar de overkant, passeerden de enkele wacht halverwege de brug, en werden doorgelaten aan de westzijde. Kennelijk was geen Nederlander aan de westzijde van het eerdere geweerschot geschrokken!

De sergeant Lute liet echter de Duitsers de handen opsteken en liet hen provisorisch fouilleren. Daarbij werden wapens en handgranaten buit gemaakt, maar de onderzoekingen werden zo slecht verricht dat bij lange na niet alle wapens en granaten die de Duitsers hadden verborgen werden gevonden [allen hadden oorspronkelijk tenminste een MP en meerdere handgranaten]. Na deze handeling werden de vijf man doorgestuurd naar Oeffelt met enkele soldaten als bewaking.

Kort hierop ging weer de telefoon aan de westzijde. Een van de Marechaussees meldde nu de komst van een militaire trein uit Gennep. Daarop werd aan de westzijde vragend gereageerd. Het was immers gebruikelijk dat er ’s morgens een militaire trein náár Gennep ging en dat deze voor afsluiting van de versperring ín de avond weer westwaarts voorbij kwam. Er kon dus geen trein zijn. De Marechaussee antwoordde echter dat deze trein werkelijk een militaire was en in feite was daarvan geen woord gelogen ...

Bij het station te Gennep was ondertussen de gepantserde trein – Panzer Zug no 1.(1) – inderdaad aangekomen. Deze trein werd gevolgd door een goederentrein met een infanteriebataljon dat vooral was bedoeld om achter de Peel-Raamstelling te worden ontladen. Doordat de wissel voor het station standaard naar dood spoor leidde, reed de trein met trage vaart dit dode spoor op. De wachtpost alhier schoot in de lucht als waarschuwing. Hierop werd door de Marechaussee, na waarneming van de onbekende trein, de wachtpost bij de brug gebeld met de eerder beschreven boodschap. De trein was ondertussen teruggereden, en nadat de wissel weer was gepasseerd werd het slot vernield en de wissel in de juiste stand teruggezet. Hierna reed de trein door richting de brug over de Maas. De Marechausse brigade was er ondertussen vandoor gegaan en wist te ontsnappen.

(1) In het zeer gedetailleerde Duitse werk ‘Die Panzerzüge des Deutschen Reiches 1899-1945’ van Wolfgang Sawodny uit 2006 wordt deze trein omschreven. Hij bestond uit een gepantserde locomotief en zes licht gepantserde wagons. Aan voor en achterzijde was een platte wagon aangekoppeld. De trein was niet voorzien van geschut. De trein was bij station Üdem [D] vertrokken. De volgende trein was een ongepantserde goederentrein. De gecombineerde trein bestond uit 23 wagens en een locomotief. [505]

De PZ No.1 vervoerde troepen ter sterkte van een versterkte Kompanie [12.Kp, een peloton van 13.(IG). en een peloton van 14.(PAK).] van het 3e Bataljon van 481.IR [Oberstleutnant Weber, 256.ID] en de bataljonsstaf, naast een vaste treinbezetting van vermoedelijk twee dozijn man. De transporttrein vervoerde de 9e, 10e en 11e compagnie alsmede een verbindingsonderdeel van NA.256. Daarbij werd aan geschut en bewapening meegevoerd: 3 stukken PAK.36, 2 stukken l.IG18 7,5 cm en 6 zware mitrailleurgroepen. Bovendien waren twee wagens gevuld met vlotten en was er een hospitaalwagon aangekoppeld. De PZ stond onder bevel van Hauptmann Mundus, het geheel onder Major Schenk. [505, 550, 551]

Onderwijl hadden de naar Oeffelt begeleidde Duitse militairen onderweg hun bewakers weten te overweldigen. Volgens een Duitse verslag van het gebeuren, vond dit plaats toen enkele Duitse jachtvliegtuigen overkwamen en de aandacht even was afgeleid. Even was er een korte schotenwisseling, maar in de al heersende verwarring was men kennelijk bij de brug wederom hierdoor niet gealarmeerd geraakt. Het eerste schot aan de oostzijde van de brug, de onverwachte militaire trein en de schoten westelijk van de positie ... het was allemaal geen aanleiding uiterst alert en weerbaar te worden.

Onbewust van het gevaar in de rug bleef men geconcentreerd op de aangekondigde trein. En de sergeant Lute was nog steeds vol vertrouwen in de goede afloop van alles, ondanks alle signalen dat er een oorlog was uitgebroken en er zich vreemde zaken afspeelden rondom zijn object. Ook de twijfel die de korporaal midden op de brug toonde richting zijn sergeant en zijn smeekbede de brug te mogen vernielen, bracht de laatste niet op andere gedachten. Het was allemaal aanleiding voor de Enquête Commissie om de ondervraagden na de oorlog nadrukkelijk te vragen naar hun overtuiging ten aanzien van de vaderlandsliefde van de sergeant Lute. Die stond echter buiten kijf.

Het werd nog erger. De sergeant verbood niet alleen zijn korporaal de brug te vernietigen, maar hij instrueerde de rivierkazematten niet te vuren én hij liet het toegangshek openen. Alle veiligheden werden door hem ineens overboord gezet, terwijl al zijn minderen om hem heen ernstig twijfelden aan de vreemde omstandigheden waarin ze zich bevonden.

Door het desastreuze beleid van de sergeant Lute was het spoedig te laat. Het hek werd geopend, de trein reed voorwaarts en plotseling sprongen uit de trein Duitse soldaten. Ook de handvol manschappen van Oberleutnant Walther waren inmiddels teruggekomen en overweldigden de Nederlandse manschappen aan de westzijde van de brug. Het spel was uit. De Duitse militairen werden vrijwel allen weer ingeladen en de beide treinen zetten zich weer in beweging richting Mill. Om 0400 uur was de belangrijkste doorbraak door de Maaslinie bewerkstelligd door ongekend knullig optreden aan Nederlandse kant.

Het enige voordeel van de Duitse actie was dat aan Nederlandse kant geen doden waren gevallen bij de brug zelf. Enkele manschappen waren gewond geraakt en in een schermutseling bij het station van Oeffelt vielen even later alsnog twee doden bij de 4e compagnie. De strategische prijs was echter hoog. Aan Duitse kant waren ook slechts enkele gewonden gevallen, waaronder Oberleutnant Walther zelf die een schampschot aan het hoofd [linker wang] had [Walther kreeg in juni 1940 het Ritterkreuz uitgereikt voor zijn prestaties]. Dat had hij overigens opgelopen door een Duitse schutter in de trein die hem even voor een Nederlander hield. De keerzijde van deze soort 'covert ops' ...

De locatie bleef echter goed voor nog meer onbegrijpelijk handelen, deze keer door de Duitsers zelf. Hoewel ze een overgang hadden geforceerd en deze lokaal vrij van verdedigers werd gemaakt, werd een onverklaarbare actie opgezet om ter hoogte van het veer ten noorden van de brug een nieuwe overgang te forceren! De afstand was een zes- tot zevenhonderd meter van de Gennepse brug. Die actie, opgezet door een compagnie van II./IR.481, werd door de Nederlanders afgeslagen. Daarna besloot men toch maar over de spoorbrug te trekken. Bij deze merkwaardige actie sneuvelde de compagniescommandant van 5./IR.481, Hauptmann Bürde samen met een Feldwebel. Overigens was Hauptmann Bürde op dat moment niet in functie als compagniescommandant, maar toegevoegd aan de staf [32, 550, 551].

Zuiveringen in de latere ochtend en middag kostten de Duitsers nog twee man [32].

Een kort nawoord ten aanzien van de gebeurtenissen bj Gennep is wel op zijn plaats. De Enquête Commissie voor het Regeringsbeleid 1940-1945, die ook vrij uitgebreid algemene aandacht had voor de meidagen, staat niet bekend om de doorwrochte vragen en diepgaande onderzoekingen naar de militaire gebeurtenissen in Mei 1940. Desondanks had men wel begrepen dat de kwestie Gennep een uiterst curieuze was. In dit geval kreeg de gebeurtenis dan ook relatief veel aandacht van de Commissie. De verhoren van diverse betrokkenen tonen een onsamenhangend geheel van warrige verhalen vol onderlinge tegenspraak. Het is ronduit stuitend te lezen dat lokale bevelhebbers, zelfs die rond het object zelf, elkaar niet of nauwelijks kenden, niet wisten wat exact de taken waren en geen flauw benul hadden van de werkelijke gang van zaken die bewuste cruciale minuten. Het is echter nog veel opmerkelijker hoe de werkelijke verantwoordelijkheid – welke lag bij de hogere leiding – gefaald heeft bij dit belangrijke object. Het is onverklaarbaar dat een uitzonderlijk kwetsbaar object als de spoorbrug bij Gennep, op een steenworp afstand van de Duitse grens, en met een directe verbinding met Mill, door nota bene een sergeant werd gecommandeerd. Dat een zekere bevelhebber – van welke rang dan ook – uiteindelijk niet geschikt blijkt te zijn voor zijn taak kan vermoedelijk niemand werkelijk worden aangerekend. Wel kan men een negatief oordeel uitspreken over het feit dat een legerleiding een strategisch zeer belangrijke brug door een ongeorganiseerd detachement en slechts een matig opgeleide en slecht geïnformeerde sergeant liet commanderen. Als men dan nog meeweegt dat tot vlak voor de meidagen het detachement bewakingstroepen vrijwel geheel bestond uit in Duitsland woonachtige Nederlandse dienstplichtigen, dan wordt niet heel veel van het analyserend vermogen van de lezer gevraagd om zelfstandig te komen tot een vernietigend oordeel. Overigens dient dat vernietigende oordeel zowel de hogere leiding als de lokaal verantwoordelijke bevelhebbers ten deel te vallen.

Heijen/Boxmeer

[5, 30] Tegenover Boxmeer, dat even ten zuiden van Gennep ligt, opereerde IR.456 [Oberst von Neindorff] van de 256ste infanteriedivisie. In mei 1940 was de Maas daar nog in een S bocht gevormd, een vorm die door aanpassing naoorlogs deze oorspronkelijke Maastak deed omdopen in de Oude Maas. In 1940 was er dus alleen die opvallende chicane in de rivier, die de lineaire verdediging niet ten goede kwam omdat men wegens de scherpe bochten nauwelijks een breed en geconcentreerd vuurfront kon vormen met de beperkte voorziene kazematdichtheid. Bovendien was de omgeving van Heijen zeer dicht begroeid, zodat een nadering tot dicht op de bocht in de Maas mogelijk was onder zichtdekking.

Aan Nederlandse kant had men wel enigszins ingespeeld op het bezwaarde vuurfront, dat - men zou haast zeggen 'vanzelfsprekend' - niet door extra kazematten te plaatsen was gecorrigeerd. Want het gebrekkige vuurfront werd enigszins gecompenseerd met een modern stuk PAG en een 6-veld lichte infanterievuurmond. Deze dekten vooral het landhoofd bij de aanwezige veerpont. Erg veel duurzame waarden hadden de beide in open opstelling geplaatste vuurmonden uiteraard niet. Slechts vijf kazematten konden vuur uitbrengen op de bocht in de rivier, en in het noordelijke deel zelfs maar vier. De sector was bezet door twee secties infanterie van 2-15.GB.

De bezetting van de kazematten nam al kort na het invasietijdstip de eerste Duitsers waar aan de overkant van het water. Niet vreemd als men bedenkt dat de Duitse grens slechts enkele kilometers ver lag, en de grenswachten direct om 0355 uur al volkomen werden overrompeld.

Rond 0430 uur begon, vermoedelijk vanaf Duits grondgebied, zware artillerie in te schieten op de sector. De Nederlandse verslagen meldden dat dit vuur niet intensief was en bovendien veel te diep viel. Het bood hen kans geleidelijk te wennen aan de geluiden van de moderne oorlog. Desondanks waren ondertussen al infanteristen [van I./IR.456] erin geslaagd met rubberboten in de hand de rivier te naderen. Aan Nederlandse zijde liet men hen rustig begaan, en bedacht men dat de Duitsers pas op het water werkelijk kwetsbaar zouden zijn. Een verstandig besluit. Het vuur werd dan ook pas geopend toen alle boten op weg gingen naar de overkant. De meeste Duitsers sprongen in het water en probeerden zich zwemmend te redden. Een aanzienlijk aantal raakte gewond of werd gedood.

Het was aan Duitse zijde aanleiding de zaken serieuzer aan te pakken. De vier kazematten tegenover het Duitse aanvalsvak kregen in toenemende mate een variatie aan vuurmonden tegenover zich. Infanteriegeschut, dat met redelijk vlakke baan schoot, antitankgeschut, krombaangeschut en zware mitrailleurs. Het werd een regelrechte hel voor de manschappen in en om de kazematten. En ze konden er vrijwel niets tegen doen.

Twee kazematten in de bocht, de no.’s 66 en 67, kregen voltreffers. In de eerste kazemat leidde dat tot uitschakeling van de bezetting en het wapen, bij de tweede sloegen stukken beton uit de voorzijde. Een volgende Duitse oversteekpoging werd echter wederom gepareerd.

De een na de andere verdediger raakte gewond, of werd gedood. Een of twee zware 8,8 cm antitankvuurmonden versterkten de vernietigende werking van het Duitse vuur, en spoedig werden nog twee kazematten uitgeschakeld, waarbij in no. 67 twee van de drie manschappen op slag werden gedood. Bij het stuk PAG, dat ondanks een ontbrekend schild dapper op de tegenstander vuurde, werden twee bedieningsmanschappen gedood door Duitse projectielen. De stukscommandant bleef echter zonder omhaal doorvuren en zou de strijd overleven.

Inmiddels hadden de Duitsers de tactiek enigszins gewijzigd. Door het uitvallen van twee kazematten, die voor iedereen zichtbaar volkomen waren uitgeschakeld, kregen de Duitsers de kans om een min of meer dode hoek te kiezen in de noordelijke bocht van de rivier. Hier tegenover was nog slechts één kazemat werkzaam. De no. 65 – een flankerende kazemat - die een Schwartzlose zware mitrailleur had.

In de kazemat had men al het nodige te verduren gehad, maar e.e.a. was beperkt gebleven tot mitrailleurvuur en licht antitankgeschut. Toen aan Duitse zijde echter de bakens enigszins verzet werden naar de noordelijke sector, verplaatste men de 8,8 cm vuurmonden ook naar de overzijde van kazemat no. 65. Die was namelijk in eerste instantie door haar hoge zijmuur – typerend voor de B-kazemat – redelijk afgeschermd geweest. Maar spoedig beukten de zware 8,8 cm projectielen systematisch op de muur, en deden de gehele kazemat schudden op zijn grondvesten. De desondanks doorvurende bemanning had door de intensieve en vrijwel onafgebroken beschieting van de Duitsers aan de overzijde, te maken met storingen aan het wapen. Het gebrek aan onderhoudsmiddelen in het Nederlandse leger was schokkend, en daaronder leed ook deze bemanning. Met kunst en vliegwerk werd de mitrailleur aan de praat gehouden, en zelfs een gescheurde koelmantel werd tijdelijk opgelost door om beurten over de loop te urineren.

Het einde van de weerstand kwam echter wegens de zoveelste Nederlandse schipper die net deed of er die vrijdag de tiende mei 1940 niets aan de hand was. Een aak kwam rustig de Maas afgezakt, en hoewel beide partijen het vuren nauwelijks temperden, voer de schipper rustig door, en vormde een prachtig schild voor de volgende Duitse oversteekpoging. De murw geschoten kazemat kon het toen niet meer pareren te meer daar het schootsveld van de B-kazemat evident beperkt was. Diverse Duitse boten haalden de westzijde. De bediening van de kazemat probeerde te ontsnappen, maar raakte gewond en in Duits gevangenschap. Hoewel de Nederlandse weerstand ter plaatse nog enige tijd doorging, was het pleit beslecht. Om 1100 uur was het vak in Duitse handen.

Aan Nederlandse zijde waren acht manschappen gesneuveld [31]. De Duitsers betaalden een iets hogere prijs. Elf geregistreerde doden. [32]

Sambeek/Afferden

[5, 30] Bij Afferden vond de laatste slag in het vak van 26.AK plaats, en aangezien 256.ID de linker flank bezette, was deze divisie ook hier van de partij. Tegenover Afferden werd de inzet gevormd door de verkenningsafdeling van de divisie, versterkt met enig infanteriegeschut en PAK. Voorts beschikte men over twee of drie stukken van 8,8 cm.

Net als elders in het vak van de divisie [m.u.v. de spoorbrug bij Gennep] was het doel de veerdienst. Er was echter ook een stuw, die tussen Afferden en Sambeek in de rivier lag. Deze kon vanzelfsprekend niet worden vernield – althans, vernieling zou zorgen voor een ongecontroleerde stroming op de Maas.

Aan Nederlandse zijde werd het vak verdedigd door 3-15.GB [res. kapitein H.M.C. Aarts]. Naast de kazematten langs de Maas, waren ter hoogte van de veerdienst een stuk 8-staal en een PAG beschikbaar. Afferden lag net als Boxmeer op een zeer korte afstand van de Duitse grens, maar in tegenstelling tot even noordelijker, werden de Duitsers hier wel opgehouden door verhakkingen.

Maaslinie centraal en Peel-Raam zuid

De commandant van 15.GB [majoor J.H. Alma] had het nog niet direct noodzakelijk gevonden vernielingen te verordonneren ondanks het feit dat ook hem duidelijk werd dat de oorlog was uitgebroken. Naar de reden voor zijn terughoudendheid kan slechts worden gegist. In ieder geval besloot kapitein Aarts autonoom rond 0430 uur dat het toch wel tijd werd de veerpont te vernielen, en zodoende was een en ander even later geklaard, hoewel de springlading nog enige problemen gaf.

De vertraagde Duitsers hadden gelukkig alle kansen geboden om de vernielingen uit te voeren en de verdedigers voor te bereiden op de strijd. Pas tegen 0500 uur vielen de eerste schoten, doch geleidelijk aan werd een ware barrage op Sambeek en omgeving afgegeven. Het dorpje zelf raakte hierbij aanzienlijk aangetast, en menige brand brak uit. Enkele burgers werden gedood of gewond. Ook de kazematten en veldstellingen werden genadeloos beschoten. De beide stukken geschut werden al snel uitgeschakeld.

Een van de kazematten kreeg een voltreffer door 8,8 cm geschut, die de driemans bediening doodde. Deze manschappen zouden de twijfelachtige eer hebben de enige Nederlandse gesneuvelden bij Afferden te zijn [31]. Hoewel de Duitse beschieting nog langere tijd voortduurde, en na verloop van tijd vrijwel alle kazematten waren uitgeschakeld, was uit de ontwikkelingen duidelijk dat geen groot infanterieverband tegen de Nederlanders werd ingezet. Een oversteek bleef lang uit en toen die kwam slaagde deze omdat inmiddels vrijwel alle mitrailleurs aan Nederlandse kant waren uitgeschakeld.

Tot diep in de middag bleven de Duitsers bezig om de omgeving te zuiveren. Geen Nederlander sneuvelde hier meer bij, maar aan Duitse zijde werden vier man van de eerste afdeling van AA.256 gedood [32].

Met deze laatste confrontatie aan de Maas, zijn de gevechten van 26.AK voor 10 mei in deze sector beschreven.

Logistiek

Hoewel de inname van de spoorbrug bij Gennep een succes was dat in het licht van de verrassing van de Peel-Raamstelling bijzonder van belang was voor de Duitsers, was de logistieke planning er nauwelijks bij gebaat.

De Duitse aanvallen tussen Afferden en Nijmegen waren erop gericht geweest om bruggen en veerdiensten intact in handen te krijgen om daarmee de enorme legermacht, die over de Maas moest trekken in deze sector, logistiek te kunnen faciliteren. Die opzet was geheel mislukt. Hoewel de Duitsers dus bij Hatert een redelijk intacte brug hadden veroverd, liep die route dood door de vernielde bruggen bij Ravenstein en Grave. Tussen Heumen en Gennep was er alleen een aantal veerdiensten die hen nog provisorisch van dienst hadden kunnen zijn, maar ook deze werden allen tijdig vernield door de Nederlanders. Het betekende dat in het gebied van 26.AK geen enkele brug of veer – met uitzondering van de spoorbrug bij Gennep – voor oversteek van de Maas beschikbaar was gekomen. Als men dan overweegt dat de zwaarste twee onderdelen die in Nederland zouden worden ingezet – de 9.PD met zijn overdaad aan tanks en pantserwagens en de SS-Verfügungsdivision met hun aanzienlijke hoeveelheid motorvoertuigen – binnen het vak van 26.AK de oversteek moesten maken, is direct de logistieke uitdaging die de Duitsers trof duidelijk.

Niet alleen het gebrek aan intacte bruggen en veren speelde hen parten, maar vooral ook het gebrek aan geschikte wegen dat zeer werd versterkt door de beperkte overgangsmogelijkheden. De combinatie van beide zaken leidde dan ook tot een onvoorstelbare opstopping van militairen en materieel in het gebied tussen de Maas en het westen van Duitsland. Als de Geallieerde luchtmacht in staat was geweest daar geconcentreerd aan te vallen, dan waren de Duitsers voor hete vuren komen te staan. Uiteindelijk zou in de sector vooral van twee oversteekpunten gebruik worden gemaakt. De middelzware 11 tons T-pontonbrug bij Mook, waar pantservoertuigen en vrachtauto’s overheen konden, en de zware 20-tons B-pontonbrug die vlakbij Gennep werd aangelegd, en waar vooral 9.PD later gebruik van moest maken. De spoorbrug bij Gennep moest worden aangepast om ook deze geschikt te maken om zware voertuigen overheen te laten rijden. Dat zou op 10 mei niet meer tot stand komen, omdat de materialen voor het opvullen van de rails niet in de hoogste echelons voorhanden waren. Een opvallende operationele flater van Duitse zijde.

Uiteindelijk liep in de loop van de 10de mei de gehele Duitse logistieke planning in het honderd. Dat was niet alleen te wijten aan het Duitse onfortuin bruggen en veren in het noordelijke deel in handen te krijgen. Ook elders langs de Maas (en Julianakanaal) slaagde ze er niet in om belangrijke bruggen te veroveren. Omdat in Limburg de harde kern van het Zesde Leger moest oversteken, betekende dit onwillekeurig dat de logistieke druk over het gehele Maasfront in Nederland onhoudbaar werd. Alle grote en kleine wegen stonden dan ook spoedig muur- en muurvast.

Twee zaken speelden op organisatorisch vlak een hoofdrol, naast de schaarse weg- en brugcapaciteit. In het kader van de Auftragstaktik - de tactische uitvoeringsvrijheid die bevelhebbers hadden binnen de kaders van hun (tactische) einddoel - hadden alle onderdelen hun vrijheden om binnen hun respectievelijke vakken en sectoren hun eigen tactiek te bepalen. Een neveneffect van die 'Autragstaktik'  was dan ook dat naarstig werd geconcurreerd met de aanleunende onderdelen. Men kon zich immers onderscheiden door eerder en/of efficiënter dan de buurman de tactische einddoelen te bereiken. Dit leidde tot een wedloop om de Maas over te steken, en had tot gevolg dat onderdelen niet uit eigen beweging de kameraden van een nevendivisie voorrang wilden verlenen. In de bevelen waren binnen de echelons geen prioriteiten tussen de onderdelen vastgelegd, zodat divisiecommandanten - zonder ingrijpen vanuit het Legerkorps - verantwoordelijk waren voor het aanbrengen van die prioriteiten, en die werden dus vooral bij het eigen onderdeel gelegd. Het betekende uiteindelijk dat de legerkorpsen de beslissingen moesten nemen én forceren. Een tweede punt was dat de Duitsers de logistiek – ondanks alle planning – schromelijk hadden onderschat. Men was uitgegaan van een zekere mate van succes in het veroveren van bruggen, en daarbij was geen ‘worst case scenario’ planning gemaakt. Verkeersleiding – een zaak die later in het Amerikaanse leger zoveel aandacht zou krijgen omdat Eisenhower logistiek terecht als de sleutel tot succes van een leger zag – was ruim onvoldoende aanwezig. Het leidde tot een chaos die 48 uur zou duren. En in die 48 uur was de Geallieerde luchtmacht niet in staat te profiteren van de enorme collectie doelen op de wegen oost van de Maas. De onvoldoende aandacht voor de logistiek zou symptomatisch blijven voor het Duitse leger en hen later in de oorlog lelijk opbreken.

In ieder geval betekende dit alles dat de eenheden van 26.AK maar heel geleidelijk vrij kwamen voor de inzet tegen de Peel-Raamstelling. Het zou tot de avond van de 10de mei duren voordat de hoofdmacht van de beide in de spits opererende infanteriedivisies werkelijk rond Mill aankwam en in een gewenst dispositief kon komen. In het volgende hoofdstuk zal duidelijk worden welke gevolgen dit voor de strijd bij Mill zou hebben.

De aanval op de Maaslinie in het vak van 9.AK

Ten zuiden van de legergroepgrens opereerde het Zesde Leger [Generaloberst Walther von Reichenau, chef-staf Generalmajor Friedrich Paulus]. Dit leger – dat vooral zeer bekend zou worden door de Slag om Stalingrad – was een kwalitatief en kwantitatief beduidend sterkere legereenheid dan het Achttiende Leger dat tegen Nederland werd ingezet. Het had een aanzienlijk aantal Erste en Zweite Welle divisies uit de oudste en een-na-oudste legerkern en bovendien twee volwaardige tankdivisies. Het bestond uit vier legerkorpsen [9.AK, 11.AK, 4.AK en 27.AK: 10 ID’s, 1 PD] en een grote Armee reserve met zes ID’s en één PD. Van deze infanteriedivisies waren er twaalf van de hoogste twee Wellen. Beide tankdivisies [3e en 4e PD] waren volwaardige tankdivisies met elk twee tankregimenten. Het was een machtig Leger. Van deze eenheden zou een aanzienlijk deel [4.AK, 9.AK, 11.AK] over Limburgs of Brabants grondgebied naar België trekken, maar met name van 9.AK zou Nederland meer te zien krijgen. Dit legerkorps wordt dan ook beknopt nader beschouwd.

9.AK [General H. Geyer] opereerde op de rechterflank van het Zesde Leger en bestond uit drie infanteriedivisies: 30.ID [Generalleutnant K. von Briesen (2)] en 56.ID [Generalmajor K. Kriebel] van de hoogste Wellen, en een Dritte Welle reservedivisie, de 216e ID [Generalleutnant H. Böttcher]. 56.ID opereerde op de rechtflank, 30.ID op de linkerflank. Hierachter zou 216.ID als reserve eenheid optrekken. Het legerkorps had als voornaamste taak om de rechterflank van het Zesde Leger te verdedigen alsmede contact te houden met de linkerflank van 26.AK. Uiteindelijk was het doelgebied de zone oostelijk van Antwerpen. Aan de Maaslinie werd het korps ingezet in de sector tussen Broekhuizen en Roermond.

(2) Generalleutnant Kurt von Briesen [1883-1941] was divisiecommandant van 30.ID. Hij wordt onterecht in sommige publicaties t.a.v. de Gliederung van mei 1940 aangeduid als General der Infanterie, wat hij pas in augustus 1940 zou worden. Kurt von Briesen was Generalleutnant geworden aan de vooravond van Fall Weiss, de aanval op Polen. Hij was een generaal die zich werkelijk aan het front liet zien. Daardoor liep hij grote risico’s. Hij raakte gewond tijdens de strijd [verloor een stuk van zijn arm door een granaatscherf] in Polen, maar ondanks die zware verwonding bleef hij zijn divisie persoonlijk aanvoeren. Hitler was zeer onder de indruk van deze generaal en zorgde ervoor dat hij de eerste generaal werd die een Ridderkruis kreeg tijdens de strijd [27 oktober 1939]. In november 1941 kwam zijn onverschrokken karakter hem duur te staan. Hij werd door Sovjet vuur gedood aan de Dnjepr bij Deriewka [Oekraïne], tijdens de strijd rondom Charkow.

Broekhuizenvorst / Velden

[5, 30] In het gebied tussen Arcen en Broekhuizen werd de Maas aan Nederlandse zijde verdedigd door manschappen van 2-III-26RI en 3-III-26RI. Zij hadden geen enkele brug te verdedigen, maar wel twee pontveren. Bij die veren waren telkens een 8-staal en een PAG opgesteld [beide PAG's waren in wezen door de beide 8-staal vuurmonden vervangen, maar de PAG's waren nog niet naar Vesting Holland terug vervoerd]. Voor het overige was men afhankelijk van de bekende kazematten langs de rivier en de daarbij behorende loopgraven.

De pontveren zouden net als elders worden vernietigd met springladingen. Hiertoe werden ze midden op de rivier gebracht, aldaar verankerd en dan tot zinken gebracht. Dat leverde op vele locaties problemen op, omdat de ontstekingen vaak slecht functioneerden. Bij Broekhuizenvorst en Lottum lagen de bewuste ponten en de vernieling bij Broekhuizenvorst gaf problemen. Die problemen ontstonden in dit geval omdat de uitvoerders zich niet aan de voorschriften hielden. Zij moesten de ponten eerst verankeren en dan de ontsteking activeren. Uit angst om met de boot de lucht in te gaan deed men dat bij Broekhuizenvorst niet. Men stak de lont aan en duwde de pont simpelweg de rivier op. Zoals zo vaak (elders) gebeurde weigerde de lont en daardoor kon het gebeuren dat de pont juist aan de oostzijde – onvernield – vast liep. Hierna werd het 8-staal kanon ingezet om de pont alsnog te doen zinken, maar het oude stuk liep na het eerste schot direct vast. Ook dat was elders ook een veel gezien probleem …

Een Duits verband van 56.ID was inmiddels aangekomen. Het legde vanuit gebouwen aan de oostzijde een regelmatig spervuur op de Nederlandse stellingen. Spoedig werd licht geschut en veldartillerie ingeschakeld ter ondersteuning. Ondanks het feit dat de Duitse beschieting nog een tijd doorging, drongen de Duitse infanteristen niet aan. In de loop van de morgen werd het stiller aan de oostzijde, en bleek de tegenstander te zijn vertrokken. Aan Nederlandse zijde waren een groot aantal (zwaar)gewonden gevallen, maar geen doden. Aan Duitse zijde was ook geen enkele gesneuvelde te betreuren.

Van de intacte veerpont zal later beslist gebruik zijn gemaakt.

Even zuidelijker zou een veel groter Duitse gewicht in de strijd worden geworpen. Hier leek een massale Duitse oversteek te worden gepland, want een ware barrage viel de westzijde van de Maas ten deel. Een aantal batterijen artillerie, vermoedelijk grotendeels nog op Duits grondgebied, werd door een of twee waarnemers in de lucht geleid. Spoedig werd de artillerie bijgestaan door ter plaatse gearriveerd(e) mortieren, PAK en infanteriegeschut. Hierbij werden drie tot vier kazematten zwaar beschadigd en vielen enkele slachtoffers aan Nederlandse zijde. Bij Lottum, Arcen alsmede bij Broekhuizen vielen gewonden en doden onder kazematbezettingen. Het 8-staal kanon bij het veer van Lottum werd ook uitgeschakeld. De Nederlandse verdediging was van de overweldigende beschieting zo onder de indruk geraakt dat een grote Duitse oversteekpoging ter hoogte van Arcen vrijwel zonder verzet werd geklaard. Geen enkele Duitse geregistreerde gesneuvelde is bekend.

Het merkwaardige fenomeen van een onnodige Duitse nevenactie werd ook hier weer gezien. Op ‘twee kazematten afstand’, ofwel ruim een kilometer van Arcen, deed men een andere poging de westoever te bezetten. Die werd echter door Nederlandse vuur afgebroken, maar doordat de overgestoken troepen bij Arcen effectief aan het omvatten van de verdediging van de Maas waren begonnen, werd de verdediging bij Lottum verrast in de rug.

De oversteek bij Arcen was snel gevolgd door het oprollen van het gehele vak van 3-III-26RI. Opvallend effectief werd er opgetreden, in vergelijking met de operatie van 256.ID even noordelijker.

Grubbenvorst

[5, 30] Bij het plaatsje Grubbenvorst, vlak ten noorden van Venlo, zou een beduidend heviger strijd ontbranden. Tussen de gehuchten Het Vorst en Hasselt zou een Duitse aanval worden geconcentreerd. Het gehele IR.192 werd op deze locatie langs de rivier ontwikkeld, ondersteund door pioniers, 8,8 cm vlakbaangeschut en artillerie. Voor de Duitsers werd de locatie van belang (vermoedelijk nadat elders successen uitbleven). Bij Venlo en Velden wilde men uiteindelijk een aanzienlijk deel van de zwaardere gemotoriseerde eenheden kunnen overzetten en daartoe moest zo spoedig mogelijk ruimte en veiligheid voor de bouw van de pontonbruggen worden gecreëerd.

Tegenover hen werd de Nederlandse defensie gevormd door 2-III-26RI. Wederom was er een veerdienst in het vak en daar konden opnieuw een stuk 8-staal en een PAG vuur op uitbrengen.

Alhier werd wel direct en volgens de instructies de veerpont opgeblazen op het moment dat de grens werd overschreden door de Duitse eenheden.

Hoewel de grens op een steenworp afstand lag, ontwikkelde de tegenstander zich slechts traag langs de Maas in deze sector. De ongetwijfeld in Duitsland opgestelde artillerie begon pas ruim 2 uur na X-Zeit met een in hevigheid snel toenemende beschieting van het vak. Zoals elders ook het geval lag de artillerie – ondanks luchtwaarneming – bepaald matig dekkend, zodat meer schade aan gebouwen in de omgeving werd aangericht dan aan de stellingen. Dat werd echter gecompenseerd door twee of drie stukken 8,8 cm geschut die de kazematten ongenadig kapot beukten. Desondanks werd een eerste voorzichtige oversteekpoging gesmoord in het vuur van overlevende Nederlandse mitrailleurs.

Na opnieuw een heftige beschieting, die inmiddels drie kazematten uitgeschakeld had, werd een omvangrijker poging gedaan om de Maas over te steken. Echter opnieuw werd door mitrailleurs uit de drie overlevende kazematten een zodanig vuur op de rivier gelegd dat de Duitsers de poging moesten afbreken.

Hetzelfde scenario herhaalde zich, en de resterende drie kazematten werden zodanig onder vuur genomen dat ze stuk voor stuk moesten worden verlaten. Een voltreffer in de kazematkamer bij no. 141 doodde drie van de vier manschappen en ook bij de een kilometer verderop gelegen no.144 leverde een schietgattreffer een dode schutter op. De strijd was ongelijk, de middelen ontbraken om aan het dichte en zware Duitse vuur te ontkomen of het te bestrijden en het duurde dan ook niet lang voordat alle weerstandpunten volkomen uitgeschakeld waren. Een nieuwe Duitse oversteekpoging slaagde dan ook. Twee bataljons werden geleidelijk aan overgezet. De Nederlandse weerstand werd daarna vrij snel opgerold. Onderwijl was het echter al na het middaguur geworden voor men het gebied werkelijk in handen en geschoond van Nederlands verzet had.

De strijd had aanzienlijke offers gekost. Aan Duitse zijde werden de verliezen van 56.ID bij Grubbenvorst en Venlo – dat hierna wordt besproken – niet duidelijk gescheiden. Op de werkelijke locatie werden 16 gesneuvelden van 56.ID geregistreerd, maar onder Venlo nog 23 man [32]. Daarvan kwamen vier man vermoedelijk bij Grubbenvorst om het leven. Ook de gewondenaantallen waren relatief hoog. Voor de operaties in Nederland was het vak Venlo-Grubbenvorst in ieder geval het zwaarste enkelvoudige verlies van de 56e ID.

Aan Nederlandse zijde waren de verliezen aanzienlijk lager. Vijf man van 2-III-26RI lieten het leven, waarvan een na ernstige verwondingen [31]. Het aantal gewonden was echter beduidend hoger.

Venlo

[5, 30] Op het gehele Maasfront waren voor de Duitsers – wat hen betreft – twee werkelijke hoofdprijzen te pakken. Dat waren de bruggen bij Venlo en die bij Maastricht.

Bij Venlo liep evenals bij Gennep een spoorlijn die aan Duitse zijde doorliep en aan Nederlandse zijde door de Peel-Raamlinie liep. Een uitdaging voor de Duitse planners, want het bood hen de kans ook hier een ‘Mill’ actie op te zetten (3).

(3) De Panzerzug No.1 is bij veel mensen bekend vanwege de aanvankelijke successen die met deze trein in de rug van de Peel-Raamstelling werden bereikt. De navolgende zware slag bij Mill alsmede de uitlichting van die slag in de populaire krijgsgeschiedenis van de meidagen doet ook valselijk de indruk wekken dat aan Duitse zijde vooral aandacht voor Mill was geweest. Dat zou volgens E.H. Brongers [‘Generaal Reynders – een miskend bevelhebber’, 2007] zelfs een van de bewijzen zijn dat de voorganger van OLZ Winkelman, generaal I.H. Reynders, die de Duitse aandacht voor Mill voorspeld had, een briljant strateeg was geweest. Dat is echter een onzuivere voorstelling van zaken. De Duitsers hadden namelijk voor de overval van het zuiden niet minder dan drie treinen gepland die via een Maasovergang door de Peel-Raamstelling moesten breken en in de rug van de linie militairen zouden uitladen. Synchroon dus aan de Gennep-Mill operatie van PZ.no.1. Bij Venlo betrof dat een gewone goederentrein, die bij Deurne [Vak Asten] door de Peel-Raamstelling moest breken, en bij Roermond Panzerzug no. 5 [eufemisme, daar deze trein nauwelijks gepantserd was] met goederentrein [II./IR.59], die bij Weert eenzelfde resultaat diende te bereiken. Ook was er overigens in alle gevallen sprake van de inzet van Abwehr commando’s. Zouden de pogingen bij Deurne en Weert zijn geslaagd, dan waren ook daar massale confrontaties met de verdedigers van de Peel-Raamstelling aan de orde geweest, en was een beeld van een Duits zwaartepunt bij Mill veel minder snel ontstaan. Ter volledigheid dient overigens wel te worden gezegd dat Mill vanwege haar wegenknooppunt in alle scenario's wél een logistieke hoofdrol zou hebben gespeeld.

De plannen aan Duitse kant voor Venlo voorzagen in een team van de Abwehr dat de spoor- en verkeersbrug bij verrassing moest nemen, een inmiddels bekend fenomeen. De goederentrein zou tot aan Venlo ongeveer drie compagnieën plus de staf van III./IR.234 aan boord hebben onder Hauptmann Hildesheim. Twee kleinere verbanden – waaronder een groep pioniers van 3./PiBtl.156 – gingen afzonderlijk naar Venlo, en hadden taken in het uitschakelen van Nederlandse grenswachten en eenheden langs de route. Daarbij werden de andere twee bataljons van het regiment, alsmede 8,8 cm vuurmonden ook naar Venlo gestuurd. De commando eenheid – onder Unteroffizier Kohlhaas – diende de bruggen bij verrassing te nemen.[505]

Aan Nederlandse zijde werd de verdediging door 1-2.GB gevoerd. Daarnaast was er een sectie Politietroepen die voor de brugvernieling verantwoordelijk was alsmede de bezetting van de beide B-type kazematten [kanon plus mitrailleur] verzorgde. Uiteraard waren ook hier de G- en S-kazematten aanwezig voor de opstelling van de automatische wapens der verdedigers. Bovendien was er te Blerick, dat tegen Venlo aanlag aan de westzijde van de Maas, een sectie mortieren van 8 die vanaf het kazerneterrein [de grote Frederik Hendrik kazerne uit 1913, op enkele honderden meters west van de brug aan de Eindhovenseweg] de brugverdediging kon steunen. Een ongekende luxe! Tenslotte was er een groep pontonniers die een motorvlet [met Vickers zware mitrailleur] bediende. Dit schip was bedoeld als provisorische pont om grensdetachementen en voorposten [in de stad Venlo zelf] over te zetten nadat de bruggen zouden zijn opgeblazen. Die bruggen waren overigens voorzien van elektronische ontstekingen, een novum dat voor alle strategisch gelegen bruggen op de rol stond, maar slechts bij een enkele brug al was uitgevoerd. De figuurlijke druk op de knop was dus voldoende om tot detonatie te komen.

Er waren in Venlo enkele voorposten uitgezet. Die hadden versperringstaken. Venlo lag tegen de Duitse grens, en de lokale legerleiding had ingezien dat een strategische overval hier wel erg spoedig tot succes zou leiden. Dat was ook de reden dat Venlo als eerste een elektronische ontsteking voor de brugladingen had gekregen. Bovendien had men ervoor gezorgd dat op het eerste signaal van vijandig optreden tegen Nederland, op de hoofdwegen én de spoorweg een verkapping van bomen zou worden gearrangeerd. Wat het spoor betreft was er voorts, net als elders, een wisselblokkade op een dood spoor voorbereid.

Nadat de inval een feit was, waren de voorposten direct aan de gang gegaan met hun versperringswerkzaamheden. Dat leidde direct tot oponthoud voor de aanvallers. De goederentrein uit Kaldenkirchen stopte voor de geblokkeerde wissel, waar men kennelijk wetenschap van had gehad, maar de militairen die uitstapten om de wissel in de hoofdrichting om te zetten, werden direct door een versperringsploeg onder vuur genomen. Hierop werd een aanzienlijk deel van de troepen uit de trein ontladen en ingezet, waarna een kort maar hevige vuurwisseling bij het station te Venlo ontstond.

Bij de bruggen werd na enige tijd een groep militairen waargenomen, waarvan men de identiteit niet kon vaststellen. Zij liepen met hun handen omhoog de brug op, maar toen één hunner in de brug klom, werd de Politietroepen duidelijk dat dit vijandelijke sappeurs moesten zijn. De bruggen werden direct opgeblazen met de Duitsers erop. Tien Duitse genisten vonden de dood, en een viertal raakte gewond.

Spoedig hierop ontwikkelden de Duitsers zich langs de rivier, waarbij de Nederlandse vuurorganen iedere offensieve actie voorlopig konden voorkomen. Er ontstond een waar slagperk langs de rivier, wat aan beide zijden wegens de dichte bebouwing veel schade aanrichtte aan de civiele objecten. Aan Nederlandse kant waren de zware mitrailleurs, kanonnen van 5 en de beide mortieren zeer actief, en dit leidde in eerste instantie tot een Duitse terugtrekking van de waterkant. Vanuit de rivierkazematten was een telefoonverbinding met de vlakbij gelegen kazerne, zodat het mortiervuur op waarneming kon worden gecorrigeerd. Deze opvallend effectieve samenwerking aan Nederlandse kant toonde aan hoe essentieel krombaangeschut kon zijn en hoe belangrijk waarneming en werkende verbindingen waren. Aan de oostzijde werden in eerste instantie slechts PAK en 10,5 cm stukken ingezet, waarbij deze laatste in de straten van Venlo werden opgesteld voor vuur met directe richting. Dat de artillerievuurmonden daarvoor weinig geschikt waren werd ook de Duitsers spoedig duidelijk.

Aan Nederlandse kant wist men onder meer door het geleide mortiervuur, en de effectief liggende mitrailleursalvo’s, de Duitsers in al hun handelingen sterk te belemmeren. Enkele Duitse vuurmonden werden uitgeschakeld of door afsluitingsvuren onbedienbaar gemaakt. Een stuk 10,5 cm werd door een voltreffer van een mortiegranaat uitgeschakeld, waarbij twee kanonniers werden gedood. Ondertussen werd echter aan de oostzijde niet stilgezeten. Er werden twee of drie stukken 8,8 cm aangevoerd en ingezet tegen de kazematten. Tegen het middaguur begonnen de successen van de 8,8 cm zich op te stapelen. Een van de rivierkazematten had een treffer bij het schietgat van het kanon van 5 gehad en dit was uitgeschakeld. Ook waren twee kleinere kazematten door 8,8 cm treffers buiten gevecht gesteld. Wonder boven wonder waren bij deze intensieve vijandelijke beschietingen aan Nederlandse zijde slechts twee doden gevallen.

Ook zuidelijker probeerden de Duitsers de Nederlandse verdediging te breken. Bleven in Venlo zelf alle oversteekpogingen achterwege – ze zouden ook kansloos zijn geweest wegens de omstandigheden – ten zuiden van de bruggen werden wel enkele pogingen ondernomen om boten in de rivier te krijgen. Ze werden stuk voor stuk verijdeld, waarbij de groep pioniers met hun Vickers vanaf de westzijde een aanzienlijk woordje meesprak vanuit een volkomen open opstelling. Aan de zuidzijde zouden de Duitsers het echter rond het middaguur opgeven.

Dat de Venlose bruggen van groot belang voor de Duitsers waren, bleek al snel. Want ter plaatse verschenen in de vroege ochtend de legerkorpscommandant General Geyer en divisiecommandant Generalmajor Kriebel. Zij moesten echter lijdzaam toezien hoe twee ontwikkelde bataljons, ondersteund door een twintigtal artillerie vuurmonden, een batterij 8,8 cm geschut en een compagnie PAK, geen stap in de goede richting konden maken. In de middag was het zover dat de divisiecommandant ingreep en IR.192, dat bij Grubbenvorst inmiddels wel al aan de overzijde ontplooid was, inschakelde. Hij instrueerde het 2e bataljon zich zuidwaarts te begeven en Blerick vanuit de rug aan te vallen. Bovendien gaf hij twee van de bataljons van IR.234 de opdracht om Venlo te verlaten en ook via Grubbenvorst de Maas over te steken. Kriebel zelf begaf zich naar Grubbenvorst. In de vroege avond constateerde de generaal dat zijn hoogste regiment nog steeds weinig progressie maakte. Inderdaad waren de beide bataljons nog nauwelijks in beweging gekomen. De regimentscommandant [Oberstleutnant Kratz] zal een weinig opbeurende ontmoeting hebben gehad met zijn bevelhebber, toen Kriebel in de avond terugkeerde naar Venlo. De Oberstleutnant werd te verstaan gegeven dat tenminste een van zijn bataljons de rivier nog voor 2400 uur overschreden diende te hebben. De annalen vermelden geen ‘want anders …’, maar het zal beslist gepaard zijn gegaan met een dreiging tot ontheffing van het commando.

Het bataljon van IR.192 vorderde intussen ook amper. Het was op allerhande versperringen gestuit en was nog lang niet in zicht toen de bevelen voor de terugtocht aan Nederlandse zijde werden verspreid. Helaas werden de kazematten niet meer bereikt, en met uitzondering van een kleine sectie en de mortiersectie, bleef geheel 1-2.GB daarom in zijn positie. Deze manschappen werden  op 11 mei tenslotte gedwongen de wapens te strekken.

De Duitse acties bij Venlo waren op een gigantische mislukking uitgelopen en deze keer was dat beslist de verdienste van een goed voorbereidde en zeer hechte en hardnekkige verdediging. De omstandigheden speelden vanzelfsprekend ook een rol. Er was een elektronische ontsteking beschikbaar geweest, er was een voor de omgeving zeer adequate ondersteuning van krombaanwapens – die bovendien geleid konden worden door directe waarneming – en de Duitsers ontbeerden de ruimte, die voor goede ontplooiing en voorbereiding noodzakelijk was. Desondanks hadden de verdedigers moed en doortastendheid getoond. Ze deden dit ook nog eens met minimale verliezen. Slechts vier man sneuvelden; een sergeant van de voorposten [gedood tijdens een vluchtpoging] en een van de wachtposten bij de brug, alsmede twee man van de kazematbezetting [31].

Aan Duitse zijde was er een aanzienlijker verlies te betreuren. Hoewel geen exacte scheiding kan worden aangebracht tussen de doden bij Grubbenvorst [enkele manschappen van IR.192 staan onder Venlo geregistreerd], vielen er volgens Duitse registratie 28 doden [w.o. zes vermisten] in Venlo. Hiervan vier man die onder IR.192 waren geregistreerd. Onder de verliezen waren er 10 die met de bruggen de lucht in waren gegaan. [32]

Tegelen / Steijl

[5, 30] Venlo vormde de vakgrens grens tussen 56.ID en 30.ID, de beide spitsdivisies van 9.AK; respectievelijk Zweite en Erste Welle divisies. Van die laatste divisie werd IR.6 op de rechterflank ingezet en kwam als zodanig tegenover de verdediging tussen Tegelen en Steijl in actie. Aan Nederlandse kant lagen hier slechts kleine kazematten bezet door 2-2.GB. Het bijna onvermijdelijke pontveer werd verdedigd door een stuk 8-staal. Een eveneens aanwezige PAG vuurmond was opgeslagen, gereed voor transport.

De tegenstander kwam tegenover Kaldenkirchen de grens over en zette zich in om snel de Maas over te steken. De Nederlanders hadden op tijd de veerpont tot zinken gebracht, maar daarna kon men slechts afwachten. Al heel snel bleek de overvaller een aantal slimme en voor de verdediging onzichtbare mitrailleurnesten te hebben opgesteld. Het betekende dat geen enkele beweging buiten de opstellingen aan de westzijde meer mogelijk was. De bediening van de 8-staal was bovendien na een schot werkloos geworden, omdat – net als elders – het sluitstuk het na één schot had begeven. De PAG bemanning bleek weinig vindingrijk toen mitrailleurvuur hen verhinderde buiten de opslagschuur vuur uit te brengen. Men gaf snel de moed op en ging elders met de karabijn deelnemen aan de verdediging.

Dat enigszins teleurstellende begin werd echter gevolgd door een hardnekkige taaiheid. De bevelhebber van IR.6 had ervoor gekozen de bezetting aan de westzijde murw te schieten met houwitsers en zodoende werd tussen 0600 en 1200 uur een urenlange barrage op de kazemattenlinie afgegeven. Dit sorteerde nauwelijks enig effect op de betonnen versterkingen. De werkelijke schade die hier en daar werd ondervonden kwam van de lichte PAK stukken die de infanterie in voorste lijn inzette. Desondanks werden zwakke oversteekpogingen door de Nederlanders in de kiem gesmoord. Hoewel het Duitse vuur tot rond 1300 uur bleef aanhouden, kwam er geen oversteekpoging meer.

De manschappen van IR.6 hadden het ook niet echt met overtuiging aangepakt. De prijs die men betaalde duidt hier ook op. Slechts twee Duitsers van 12./IR.6 lieten het leven [32]. Aan Nederlandse zijde was geen dode te betreuren.

Kessel/ Neer

[5, 30] In de sector tussen Oijen en Kessel was ook een veerdienst die doelwit was van een Duitse aanval. Ter hoogte van Oijen was IR.6 actief, terwijl tegenover Kessel zelf IR.46 ingezet werd. Aan Nederlandse zijde waren dit respectievelijk 3-2.GB en 3-III-41RI. Het standaard 8-staal kanon was aanwezig bij het veerhoofd.

Bij de smalle sector te Belfeld-Oijen was een zwak punt in de Maasstelling te vinden en die werd uiteraard door de Duitsers aangepakt. Slechts drie kazematten in deze sector konden vuur uitbrengen op de Maas en een licht stuk infanteriegeschut [6-veld] was als enige verdere versterking ingedeeld. De tegenstanders werden enige tijd door vuur van het stuk 6-veld gehinderd, maar een artilleriebombardement op en rond de opstelling van het kanon zorgde na enige tijd voor de onmogelijkheid tot bediening van het stuk. Rond 0830 uur deden de Duitsers een oversteekpoging die slaagde.

Tussen Oijen en Kessel werd door de Duitsers vooral met houwitsers op de kazemattenlinie geschoten, ondersteund door eerstelijns vuur uit mitrailleurs en PAK. Het leidde allemaal tot de uitschakeling van vrijwel alle vuurorganen aan de westzijde van de Maas, maar tot een succesvolle oversteek kwam het desondanks niet. Twee Duitse doden vielen tegenover vijf Nederlandse.[31, 32]

In de sector Kessel-Veer was als eerste de strijd ontbrand. Ook op deze locatie was de 8-staal na enkele schoten uitgeschakeld door een ontzet sluitstuk. Het was daarna aan de infanteriewapens. Ter hoogte van Veer trachtte het 1ste bataljon van IR.46 een oversteek te forceren maar de zwakke pogingen werden keer op keer afgewezen. Het kostte de Duitsers welgeteld een geregistreerde gesneuvelde [32]. Aan de westzijde van de rivier was ook voor één man de strijd fataal geworden, even zuidelijker bij Kesseleik vielen twee Duitse en een Nederlands slachtoffer(s). [31, 32]

Bij Neer, waar de Maas anno 1940 een scherpe bocht maakte, was ook een zwak punt in de verdediging gevonden. Het maakte de Duitsers echter niet tot bovenliggende partij. Een zwakke poging tot overzetting slaagde weliswaar, maar de omliggende Nederlandse weerstandpunten gaven zo fel partij dat van enige uitbreiding van het ‘bruggenhoofd’ geen sprake kon zijn.

Uiteindelijk was het de oversteek bij Belfeld-Oijen die de Nederlanders fataal werd. Men rolde van daaruit de verdediging op. Dat ging overigens nog steeds niet zonder slag of stoot. Er werden aan Duitse zijde aanzienlijke krachten ingezet, en pas ver in de middag kon men het gebied onder controle brengen.

30.ID maakte wellicht weinig indruk qua onverschrokkenheid bij de oversteekpogingen in hun vak, maar de divisie blonk in tegenstelling tot alle overige Duitse eenheden langs de Maaslinie uit in efficiëntie. Eén geslaagde oversteek werd maximaal uitgebuit en het verlies aan manschappen was verwaarloosbaar (4).

(4) Sommige auteurs verslaan de gevechten zodanig dat de indruk wordt gewekt dat de strijd de Duitsers op gevoelige verliezen kwam te staan. Dat is bij enkele locaties langs de Maas en het Maas-Waalkanaal beslist het geval geweest. Echter op de meeste locaties was er slechts sprake van marginale verliezen, zeker gezien de aard van de strijd waarbij aanzienlijke contingenten aanvallers zich bloot moesten geven.

Ten zuiden van Venlo werd een 20-tons pontonbrug gebouwd, die al op 10 mei volledig operationeel werd. Het zou een sleutelpositie blijven voor de Duitse logistiek in de eerste dagen van de Westfeldzug.

Nawoord

De strijd om de Maaslinie in de sector van 26.AK en 9.AK was – voor de Duitsers – een onverwacht taaie geweest. Onverwacht, omdat men aan Duitse zijde beslist rekening had gehouden met een snellere oversteek ten koste van minder verliezen en vooral minder brugslag.

Het Duitse leger anno mei 1940 was niet het formidabel uitgeruste leger dat menig auteur de lezer wil doen geloven. Er was met uitzondering van militairen van geen enkel ander middel een werkelijke overdaad. Er was relatief weinig munitie, weinig brandstof, weinig artillerie, er waren weinig (gevechts)voertuigen en vooral ook was er een gebrek aan voldoende brugslagmiddelen. Zelfs paarden kwam men tekort.

Men bedenke dat de Duitse legerleiding zich bij de aanloop naar Fall Gelb niet voor niets had ingespannen een snelle overwinning te behalen. Dat was beslist niet alleen ingegeven voor de angst wederom in een statische oorlogsvoering te verzanden, maar vooral ook door het besef van een gebrek aan vrijwel alle essentialia voor een langdurige oorlogsvoering. Duitsland was voor brandstoffen al grotendeels afhankelijk van eigen ontwikkelde synthetische brandstof (5), had slechts voor een beperkt aantal weken munitie en had een groot gebrek aan alles wat gemotoriseerd was. Dat gebrek dient men dan niet af te zetten tegen Nederlandse maatstaven van toen, maar vooral tegen de Duitse ambitie van een volledig gemotoriseerde en gemechaniseerde voorhoede en een intensieve dynamische strijd. Daarbij was in de voorbereiding op de oorlog een relatief groot deel van de grondstoffen met prioriteit verpand aan de Luftwaffe en de gepantserde eenheden. Voor zaken als bijvoorbeeld brugslagmateriaal was beduidend minder prioriteit geweest. Overigens was tot grote ergernis van de Kriegsmarine ook weinig staal aan de marine toegewezen.

(5) Die synthetische brandstoffen waren in de jaren twintig en dertig ontwikkeld in Duitsland. De scheikundigen F. Fischer en H. Tropsch slaagden erin bruinkool en steenkool middels waterstof en een kathalyse proces om te zetten in een vloeibare brandstof. Duitsland, dat vrijwel geen oliebron bezat, was voor de enorme verwachte consumptie van brandstoffen zeer afhankelijk van de synthetische producten die de chemische installaties in steeds grotere hoeveelheden konden produceren. Het zou de gehele oorlog voor Duitsland van levensbelang blijven.

Dat gebrek aan voldoende brugslagmiddelen - zeker t.a.v. zware pontonbruggen [die 20 tons lasten of meer konden dragen] - wreekte zich in Nederland ten zeerste. Het zou leiden tot een logistieke nachtmerrie die slechts door de desondanks opvallend snelle progressie der Duitser troepen nauwelijks enige aandacht heeft gekregen en bovendien voor de Duitsers vrijwel ongestraft kón plaatsvinden wegens de zwakte van de Geallieerde luchtmachten.

Doordat de Nederlanders erin waren geslaagd in het gehele land vrijwel iedere brug op te blazen [men vergisse zich niet: het betrof honderden grote en kleine bruggen!], was er voor de Duitse logistiek veel meer vraag naar brugslagmiddelen dan in het slechtste scenario denkbaar was geacht. En dat betekende dat er op 10 en 11 mei enorm veel ad hoc gehandeld moest worden en dat bepaalde eenheden geen (extra) middelen toegewezen kregen. Het zou bij bijvoorbeeld 227.ID in de noordelijke sector van het centrale front leiden tot een aanzienlijke vertraging bij de operaties.

Maar ook voor het gehele Duitse dispositief aan het Maasfront, inclusief België, betekende het dat de successen die men op de eerste twee dagen behaalde aan de Maas, bij de Peel-Raamstelling en bij de Albertkanaalstelling, slechts zeer gefaseerd konden worden uitgebouwd.

Er zijn publicisten, zoals J. Schulten [lange tijd verbonden aan het NIMH en de KMA], die dit juist de Duitse opzet noemen. Schulten stelde nog vrij recent in een curieuze publicatie in HP de Tijd (6) dat temporiseren het codewoord was voor het Duitse Zesde Leger. Het was een arbitraire analyse, want Schulten interpreteerde de ontwikkelingen aan het front, afgezet tegen de Duitse opzet om het centrale front te binden, apert verkeerd. De Duitsers hadden inderdaad de opzet om de Geallieerden in het hart van België te binden totdat de Panzergruppe Kleist doorgebroken was langs de Somme, maar voor de Duitsers was het even wenselijk de Maas en het Albertkanaal zo snel mogelijk over te steken om daarna met gezwinde spoed een degelijk en gesloten dispositief te kunnen ontwikkelen. Daarvoor was een aanzienlijke manoeuvreruimte noodzakelijk die men vanzelfsprekend ten westen van de Maas nodig had. Dát (bewerkstelligen) was de essentie voor de Duitsers op de eerste drie oorlogsdagen ten noorden van de Ardennen. Zij overwogen immers dat de zich verplaatsende eenheden uiterst kwetsbaar waren als zij zich in het logistieke proces bevonden van de lokale oversteken van Maas en Albertkanaal en dus nog geen gesloten en sterk dispositief zouden hebben ontwikkeld om een Geallieerde tegenaanval te kunnen pareren. Het feit dat zo’n tegenmaatregel wegens zwakte aan Geallieerde kant nooit tot ontwikkeling kon komen en de Duitsers daardoor hun grote logistieke problemen konden camoufleren, kan onmogelijk als een opzet van Duitse kant tot temporiseren worden geanalyseerd. Het was in feite nog sterker. Door de onverwacht snelle doorbraak tussen Sedan en Dinant, moest het centrale front na enige dagen nog haast maken met de aansluiting! Een en ander blijkt onweerlegbaar alleen al uit de uitgebreide verslagen van die dagen van AOK.6 [1257]. Zou Schulten die hebben bestudeerd, dan had hij zijn onzuivere analyse aan het publieke domein kunnen onthouden.

(6) In de HP de Tijd editie van 29 april 2005, een artikel geredigeerd door Kees van Oosten, over de mythen van de meidagen.

Dit alles gezegd hebbende, is het wellicht duidelijk dat de taaie Nederlandse verdediging langs de Maas een veelbetekende verdediging was. Althans, dat die verdediging veelbetekenend hád kunnen zijn indien de Geallieerden in staat waren geweest tijdig en kundig te antwoorden. Dat waren zij ‘alles behalve’, en daardoor is het succesvolle Nederlandse verzet aan de Maaslinie uiteindelijk slechts een verzet in een kleine kantlijn van mei 1940 gebleven. Het doet echter niets af aan het feit dat er door een groot aantal militairen op onderscheidende wijze verzet is gepleegd tegen de machtige Duitse machine die zich tegenover hen ontrolde. Het is niet voor niets dat een relatief groot aantal dapperheidsonderscheidingen de verdedigers van de Maaslinie ten deel viel. Zonder enige twijfel en zonder vooroordeel kan daaraan worden toegevoegd dat uiteindelijk nog veel te weinig van de betrokken militairen een onderscheiding kregen …

[De bronnen vindt u hier]