West-Brabant

Inleiding

Tijdens de eerste oorlogsdag was het in West-Brabant nog relatief rustig gebleven. Uiteraard gold een uitzondering voor de sector rond Moerdijk – Zevenbergen, wegens de Duitse luchtlanding. En daarnaast waren er voornamelijk de bewegingen van de beide in West-Brabant gelegen grensbataljons. Beide bataljons – 3.GB in de omgeving onder Bergen op Zoom, 6.GB onder Breda – verrichten de in de ochtend van 10 mei opgedragen grenstaken en vertrokken daarna elk naar een nieuwe bestemming. 6.GB kreeg opdracht het Duitse bruggenhoofd bij Moerdijk aan te vallen, terwijl 3.GB zich naar Willemstad begaf. Beide gebeurtenissen en hun vervolg zijn bij de locaties Moerdijk respectievelijk Willemstad uitgebreid beschouwd. Ze blijven alhier buiten beschouwing, omdat deze bespreking de ‘rest’ van West-Brabant als onderwerp heeft.

Laat op de eerste oorlogsdag kwamen de eerste Franse verbanden op West-Brabantse bodem aan. Onder Breda verscheen de voorhoede van de Groupe Lestoquoiook al elders besproken – maar bij Hoogerheide een detachement dat behoorde tot de Groupe de Beauchesne. Die zijn nog niet besproken en dat zal in dit hoofdstuk gebeuren.

Fransen aan de Schelde

Bij de bespreking van West- en Midden-Brabant op 10 mei 1940, werd reeds de vrij symbolische bezetting van het hulpvliegveld Woensdrecht besproken. De aldaar 69 man sterke bezetting [onder reserve 1e luitenant A.H.P. Ballot] bewaakte het met bijna 250 betonnen putringen versperde vliegveld, dat te Hoogerheide op grond van de gemeente Woensdrecht lag. Zij namen op de eerste oorlogsdag tot hun verbijstering waar dat hun kostheren – 4-3.GB – versperringen aan de grens met België zetten, terwijl de oorlog met Duitsland was uitgebroken. Zij wisten natuurlijk niet dat geblunder op de staf van het 3e Legerkorps de oorzaak was van die onbegrijpelijke daad. Ze kregen er wel de eerste frustratie door over zich heen. Want in de avond van de eerste oorlogsdag verschenen ineens Franse militairen (van 27.GRDI) bij het vliegveld, die danig gehinderd waren door de versperringen. Voordien had luitenant Ballot vanuit Zeist opdracht gekregen het veld te laten ploegen, waarvoor de middelen al lange tijd gereed lagen.

De Groupe de Beauchesne – genoemd naar de commandant Colonel de Beauchesne – bestond uit drie verkenningsgroepen, te weten 2.GRDI [van 9.DIM], 12.GRDI [van 4.DI] en 27.GRDI [van 21.DI]. GRDI staat voor Groupement de Reconnaissance de Division d’Infanterie.

2.GRDI behoorde als enige toe aan een gemotoriseerde infanteriedivisie en was daarom gemotoriseerd. Tijdens de mobilisatie was het voorts voorzien van AMD-178 Panhard pantserwagens en H.39 lichte gevechtstanks. De eenheid bestond uit vijf eskadrons, had de beschikking over 13 AMD-178 Panhard pantserwagens en 13 Hotchkiss H.39 lichte gevechtstanks [620] naast 2,5 cm antitank geschut, acht zware mitrailleurs, enige mortieren van 6 cm en overige infanteriewapens. Het geheel had een sterkte van circa 800 man, exclusief het tankeskadron. Opgemerkt dient namelijk te worden dat de tanks niet met 2.GRDI mee optrokken, maar per trein werden aangevoerd en vervolgens in België werden vastgehouden. Het eskadron tanks dient daarom niet tot de sterkte in West-Brabant te worden gerekend. Ze zouden pas op 14 mei in de grensstreek enige inzet zien.

De beide andere GRDI’s waren niet van gemotoriseerde divisies, maar van de reguliere infanteriedivisie 4.DI en 21.DI. Zij waren slechts gedeeltelijk gemotoriseerd en hadden van de drie reguliere gevechtseskadrons één volledig bereden eskadron dat niet in de sterkte was opgenomen voor de inzet in Nederland, wat evenzo gold voor een deel van het stafeskadron (het bereden deel). Zodoende resteerde een volledig gemotoriseerd eskadron [150 man op motoren], een ondersteuningseskadron [110 man, 4 zware mitrailleurs, 2 Hotchkiss 2,5 cm AT] en zo’n 60 man aan staftroepen. Deze werden vervoerd met ca. 50 vrachtwagens en auto’s alsmede circa 100 motoren.

De gehele Groupe de Beauchesne bestond dus uit de 800 man van 2.GRDI en de circa 650 man van de beide andere GRDI’s. In totaal dus niet meer dan een kleine 1,500 man. Daar zal een aparte staf voor de kolonel bij zijn gekomen, die echter in de literatuur niet is te herleiden qua sterkte.

Men vindt in de algemene literatuur sterk overdreven getallen voor deze Franse verkenningseenheden, maar vast staat dat deze verkenningseenheden in feite kleine eenheden waren, die normaliter in divisieverband (of korpstroepenverband voor GRCA’s, Groupement de Reconnaisance de Corps d'Armee) opereerden. Zeker de normale GRDI’s van reguliere niet-gemotoriseerde infanteriedivisies waren bescheiden eenheden, terwijl die voor de gemotoriseerde divisies (in geval van het Nederlandse theater, 9.DIM en 25.DIM), aanzienlijk groter waren en bovendien met extra tanks versterkt.

De Fransen die al rond 1700 uur op 10 mei bij Hoogerheide arriveerden, waren motorhuzaren van 27.GRDI [617]. Deze eenheid had opdracht een aantal motorrijders [vijf zijspannen] vooruit te sturen richting Woensdrecht. Zoals het Franse historische verslag van de eenheid letterlijk de opdracht voor 10 mei aangeeft:

» Se porter le plus rapidement possible dans les iles de Seveland Sud [sic], établir en liaison avec l’armée hollandaise, une tète de pont au débouché sur le continent de l’isthme de Wondrecht [sic] et au terrain d’aviation de cette ville.«   

[Vert: Zich zo spoedig mogelijk begeven naar het eiland Zuid-Beveland, contact maken met het Nederlandse leger, een vrije marsroute verzekeren op de landengte die Zuid-Beveland verbindt met Woensdrecht alsmede het vliegterrein dat daar ligt.]

In hoofdzaak verplaatste de Groupe de Beauchesne zich echter naar Terneuzen en Breskens. Daar liet men zich overzetten naar Walcheren. Deze overtochten, die vele pontvaarten vergden, duurden tot in de late avond. Daarop concentreerden de hoofdmachten van de verkenningseenheden zich op Walcheren en Zuid-Beveland in de late avond van 10 mei. Zij moesten aldaar de aankomst van de 68e Division Infanterie – een B-type divisie, die was aangewezen om posities op Walcheren en Zuid-Beveland in te nemen – beveiligen. Nadat het eerste regiment van 68.DI zou zijn gearriveerd dienden de GRDI’s zich richting West-Brabant te begeven om daar 25.DIM te ondersteunen bij de beveiliging van de sector tussen Zeeland en Breda.

In de avond van 10 mei had kolonel de Beauchesne zijn CP in Middelburg opgezet, vooral ter afstemming met de Nederlanders. Op 11 mei werd de CP verplaatst naar Korteven, een gehucht dat op de grens van Zuid-Beveland en Brabant ligt, tussen Bergen op Zoom en Woensdrecht. In een villa [genaamd Mattemburg] aan de Antwerpse straatweg tussen Korteven en Bergen op Zoom nam de kolonel zijn intrek. Zijn troepen namen daarna tijdelijk posities in van Bergen op Zoom tot aan de Dintel. Gedurende de late avond en opvolgende nacht zouden de beide andere verkenningseenheden uit Zeeland inschuiven en ten zuiden van de 27e posities innemen, zodat de toegang tot de Westerschelde en Schelde gezekerd zou zijn. Het doel was daarna verder oostelijk op te trekken.

Onderwijl – in de vroege morgen van 11 mei – kwamen uit het zuiden via de Essenseweg – die bij het Belgische Essen Nederland binnenkwam – de eerste Franse troepen van de 25e gemotoriseerde infanteriedivisie [25.DIM] aan. Deze eenheid had als opdracht om West-Brabant te verdedigen ten zuiden en westen van de Mark, het lokale riviertje dat min of meer van het westen naar het oosten stroomde en bij Breda zuidwaarts plooide, en waarachter het Franse front zich volgens de uitvoering van de Hypothese Breda zou positioneren. Via Nispen – Roosendaal en de straatweg langs Etten reed de voorhoede door tot aan Breda, maar niet nadat zij urenlang vast hadden gestaan vlak ten noorden van Nispen, waar de toenmalige hoofdweg de Molenbeek – een vijf meter brede stroom – kruiste. De brug over de beek was door 3.GB in de ochtend van 10 mei op bevel van hogerhand vakkundig opgeblazen [122]. De Fransen waren begrijpelijkerwijs woest. Nederlandse burgers – van de dienst Openbare Werken van de toenmalige gemeente Roosendaal en Nispen – werden ingeschakeld om de brug te helpen herstellen. Daarbij werd men tijdens de herstelwerkzaamheden door Duitse jachtvliegtuigen aangevallen.

Het gevolg van het oponthoud was dat tussen Nispen en Essen een lange colonne dicht opeen gepakte voertuigen begon te ontstaan, die in het grotendeels zeer open terrein flink in de kijker kwamen bij verkennende Duitse vliegtuigen. De ontdekking van de Franse colonne leidde er vrijwel zeker toe dat een eskader van KG.4 opdracht kreeg de gehele dag vrije jacht op Franse eenheden in West-Brabant te plegen, wat zijn resultaten niet zou missen en heel West-Brabant inclusief Breda en omgeving tot een zwaar aangepakte sector zou maken op die tweede oorlogsdag.

Bombardementen in West-Brabant

KG.4 werd de gehele middag ingezet om Franse concentraties bij Tilburg, Antwerpen, Roosendaal en Breda aan te pakken [1254]. Ook toestellen van KG.54 werden in Zeeland, West-Brabant en rond Antwerpen ingezet. Primaire doel was de Franse logistiek ernstig te ontregelen. Talloze West-Brabantse dorpen en steden werden als zodanig aangevallen, waarbij zeker de plaatsen die aan spoorlijnen lagen, zoals Breda, Roosendaal en Nispen, aanvallen te voortduren kregen op stations en spoor. Tot in Zeeland werd de infrastructuur aangevallen, waarbij de Duitsers overigens opzichtig de hoofdwegen leken te ontzien met hun bommen. Hoewel er geen geschreven bewijs is gevonden (tot op heden), lijkt de Luftwaffe de instructie te hebben gekregen de hoofdwegen niet te bombarderen, maar hun bommen naast die wegen af te werpen of op tweederangs wegen en spoorverbindingen. Het is althans opvallend dat de hoofdwegen nauwelijks vernield werden en bommen wel in de bermen vielen. Binnenstedelijk was de Luftwaffe bepaald minder terughoudend.

In Roosendaal werd in de middag de omgeving van het station aangevallen, waarbij een flink aantal woningen werd vernield en een aanzienlijk aantal slachtoffers te betreuren was [tien doden]. Ook de omgeving van de weg tussen Nispen en Roosendaal werd gebombardeerd en bij Nispen werd eveneens een aantal bommen gelost op de spoorlijn. Heel merkbaar voor de regio West-Brabant was dat tijdens die aanvallen het PNEM schakelstation bij Roosendaal [Bredascheweg] werd getroffen waardoor de stroomvoorziening in een groot deel van de regio duurzaam uitviel. Het betekende onder meer dat radio’s niet meer werkten, de luchtalarmen, voor zover geëlektrificeerd, niet meer functioneerden en dat de pompen voor de watervoorziening uitvielen zodat de druk wegviel. In de avond leidde een nieuw bombardement op Roosendaal tot de dood van zeker twintig burgers en het vernielen van zo’n 80 huizen en overige gebouwen. Er ontstond een grote brand in de binnenstad, en een uitstroom van burgers die de stad ontvluchtten. De brand was door ontbrekende waterdruk nauwelijks te bestrijden, wat weer leidde tot het aanrukken van allerhande korpsen uit de omgeving om de zaak beheersbaar te houden.

Ook elders leed de burgerbevolking. De aanvallen op Zevenbergen en Zevenbergschen Hoek werden al besproken bij de beschouwing van 6.GB op 11 mei, maar in diezelfde golf van luchtaanvallen werden doelen in Princenhage en Ginneken aangevallen, en werden Franse eenheden op de Bredascheweg [Roosendaal – Etten – Breda] gemitrailleerd en incidenteel gebombardeerd. Bij al die gebeurtenissen vielen vooral ook burgerslachtoffers slachtoffers, terwijl de Franse militairen behalve aanzienlijke materiële schade, nauwelijks slachtoffers hadden te betreuren. Duitse toestellen werden bij deze aanvallen vrijwel zeker niet neergeschoten, hoewel bij Hulst een He-111 van KG.54 een noodlanding maakte. Aan Nederlandse kant was er in het geheel geen luchtafweer in West-Brabant voorhanden, ook niet bij het vliegveld Woensdrecht. De Franse 25.DIM had enige stukken 2,5 cm luchtafweerkanonnen, maar voor het overige was men aangewezen op zware mitrailleurs, die op de Duitse bommenwerpers vanzelfsprekend nauwelijks tot geen afschrikkend effect hadden.

25.DIM vervolgde haar weg nadat de brug over de beek nabij Nispen was hersteld. Onderweg ondervonden zij - zoals gezegd - nog volop uitdagingen door Duitse vliegtuigen, maar de kopgroep bereikte het oosten van Breda. Het zou echter nog meer dan een dag duren voordat de divisie haar hoofdmacht in de omgeving zou hebben ontplooid. De Franse gemotoriseerde divisies waren in feite maar ten dele gemotoriseerd, en dan ook nog eens door externe autobataljons, maar waren voor een aanzienlijk deel afhankelijk van gevorderde vervoermiddelen. De eenheden die daarvan afhankelijk waren lagen tenminste een dag op het schema achter.     

De staf Peeldivisie

Elders is uitgebreid beschouwd over de wederwaardigheden van de Peeldivisie op de tweede oorlogsdag. Dat was geen prentenboek. [245] In de middag van 11 mei had de TBB – kolonel Schmidt – een aanzienlijk deel van zijn divisiestaf, onder leiding van een kapitein van Sectie I, opdracht gegeven te verplaatsen van Tilburg naar Princenhage, ten zuidwesten van Breda, en daar een nieuw stafkwartier in te richten voor de Peeldivisie. Omdat Princenhage op een kruispunt van strategische verbindingswegen lag, was het al vanaf 11 mei één van de belangrijkste doelwitten voor de jagende Luftwaffe. [245] Zodoende rapporteerde de kapitein telefonisch terug aan de gevechtsstaf, die nog in Tilburg zat, dat het geen verstandig idee zou zijn om in het constant aangevallen Princenhage de divisiestaf onder te brengen. Een misverstand ontstond, althans in de nabeschouwing, omdat de kolonel Schmidt in zijn verslag (in juni 1940) meldde dat hij daarop de kapitein instrueerde in de nabije omgeving van Princenhage, bijvoorbeeld het Liesbos, een alternatieve locatie te vinden. [245] De kapitein herinnerde zich dit anders en meldde, na hierop na de strijd te zijn ondervraagd, dat de kolonel hem instrueerde meer westelijk een geschikte locatie te vinden, met als enige restrictie dat de stafeenheden (die in totaal een kleine honderd voertuigen bij zich hadden) geen gebruik van de hoofdweg naar Roosendaal mochten maken. Men zou – westwaarts trekkende – noordelijk van de hoofdweg een route moeten kiezen. Het is erg verleidelijk om de kapitein in deze te volgen. Kolonel Schmidt geeft in zijn verslag en navolgende correspondentie met de krijgshistorici van defensie namelijk alle aanleiding zijn reproductie van de gebeurtenissen als minder betrouwbaar te classificeren. 

[245] De kapitein zond een luitenant van de staf vooruit om een geschikt kwartier te verkennen in Roosendaal. Het is zeer goed mogelijk dat Roosendaal door de staf Peeldivisie zelf uitdrukkelijk als alternatief was genoemd in het telefoongesprek met de kapitein, want in het verslag van kolonel Schmidt van juni 1940 vermeldde deze voordien met een Franse kolonel te hebben gesproken die Roosendaal als recuperatiesector voor de Peeldivisie suggereerde. Schmidt herinnerde dit zich echter niet als het aankwam op het onderhoud met de kapitein. De kolonel suggereerde zelfs dat de kapitein tegen de instructies in – en dus zelfstandig – naar Roosendaal vertrok met de staftrein. [245] In elk geval was de vooruitgestuurde luitenant – zijn naam is vooralsnog onbekend – teruggekeerd naar Princenhage met de boodschap dat ook Roosendaal werd geterroriseerd door de Luftwaffe, wat een feit was, zoals hiervoor al is besproken. Bergen op Zoom zou nog niet tot prominent doelwit zijn verheven, en ook dat was accuraat. [245] Zodoende besloot de kapitein met de verbindingsdienst en overige delen van de trein en de stafsecties met uitzondering van de nog deels in Tilburg zijnde gevechtsstaf naar de omgeving Bergen op Zoom te vertrekken, waar een villa genaamd Ruytershove aan de Wouwseweg zou worden betrokken. De route die men volgde was vanuit Princenhage langs het Liesbos via Leur, Hoeven, Oud-Gastel en Wouw. [1507] Bij de villa aangekomen bleek deze hermetisch gesloten, waarop men naar de stad Bergen op Zoom doorreed en daar een kwartier betrok in het sociëteitsgebouw Thalia.

In Bergen op Zoom kreeg men in de late avond van de 11e mei en gedurende de daaropvolgende nacht te maken met steeds meer vluchtelingen van de voormalige Peeldivisie. En niet alleen met hen. Vanuit Waalwijk was de Eerste Divisie Koninklijke Marechaussee [EDKM], bestaande uit zo’n 200 man, ook in het westen aangekomen. Zij kwamen eerst in Roosendaal terecht, maar werden doorgezonden naar Hoogerheide. Enige van hen kwamen in Huijbergen aan. Van deze eenheid, die eerder vanuit Waalwijk naar Breda was gestuurd om de Franse met logistieke regeling van het verkeer te assisteren, zou een aanzienlijk deel uiteindelijk in Frankrijk aankomen en in latere fase Engeland bereiken.

Ook andere Nederlandse militaire elementen begonnen in West-Brabant samen te komen. Luchtwachtdiensten vanuit heel Brabant trokken naar de omgeving Roosendaal, Bergen op Zoom of zelfs naar Zuid-Beveland. Dat gold ook voor kleine contingenten militairen die de alom nog in Brabant aanwezige militaire domeinen bemanden, meestal als bewaarders of beheerders, en door de opschuivende frontlijn westwaarts werden gedreven. Het zou vanaf de 11e mei gaan leiden tot het ontstaan van een bonte verzameling Nederlandse militairen in West-Brabant, die qua gevechtswaarde vrijwel gelijk aan nihil waren, maar de Franse ontplooiing aanzienlijk zouden ontregelen. Het aangezicht van zoveel ongeregelde en meestal onverzorgde Nederlandse militairen deed het toch al weinig gunstige beeld van ‘de Nederlandse militair’ bij de Franse bondgenoot nog verder verslechteren.

[245] De divisiestaf van de Peeldivisie had ondertussen nog andere uitdagingen naast de organisatie rond de vele zich meldende ongeregelde troepen. Voor de ongeregelde verbanden zou in de loop van de nacht een afspraak worden gemaakt met het stafkwartier van de Commandant Zeeland, de schout-bij-nacht Van der Stad. De troepen mochten worden doorgezonden naar Walcheren. De andere minstens zo voorname uitdaging voor de staf Peeldivisie was het weer in contact kunnen treden met de eigen gevechtstaf, waaronder de chef-staf, en de divisiecommandant. Want die was men kwijt. [245] Nadat de gevechtsstaf in de avond bij Princenhage door een aldaar achtergelaten korporaal van de Politietroepen had vernomen dat de staf Peeldivisie naar Roosendaal was vertrokken, besloot de C-Peeldivisie niet naar Roosendaal te gaan – of zijn chef-staf daarheen te sturen – maar achtte hij het verstandig om terug te keren naar Tilburg. Daar vond hij de noodzaak liggen om met de gevechtsstaf de aldaar nog vertoevende troepen op te vangen en te reorganiseren en met de Fransen te blijven coördineren. Contact met de rest van de staf zou men niet meer krijgen. [245] Gedurende de vroege uren van de 12e mei zou daarop de divisiecommandant en de gevechtsstaf – bestaand uit vier officieren en circa 30 minderen - via Loon op Zand terugrijden naar Tilburg. Om kort op de zaken vooruit te lopen – men kwam nooit aan. Even voor Loon op Zand reed de kleine colonne recht in de armen van de Gruppe Lüttwitz, de voorhoede van de Gruppe Apell welke de eerste grote formatie van de 9e Panzerdivision vormde, op weg naar Moerdijk. De kolonel Schmidt en zijn gevolg werden gevangen genomen en onmiddellijk voor ondervraging naar Uden afgevoerd. De Peeldivisie had daarmee als verband opgehouden te bestaan. Maar dat wist de staf in Bergen op Zoom nog niet …

[De bronnen vindt u hier]