Kolonel Schmidt - TBB

Inleiding

De figuur van kolonel Leonard Schmidt – in mei 1940 Territoriaal Bevelhebber Brabant [TBB] – is een tragische en wellicht mede daarom nauwelijks besproken in de literatuur.

De Territoriaal Bevelhebbers [TB's] in Nederland – een overigens nog steeds bestaande functie – kwamen nauwelijks in beeld. Twee van hen hebben enige bekendheid, omdat zij in de provincies Noord-Brabant en Zeeland werkelijk langdurig of intensief in beeld kwamen. Dat waren (respectievelijk) de kolonel Schmidt en de Schout-bij-Nacht Van der Stad. 

Kolonel Schmidt had van alle TB’s de meest ondankbare functie. De TB’s elders zagen zich, met uitzondering van Zeeland, voor een eenvoudig duidbare taak gesteld [‘de vijand zo lang mogelijk vertragen, de voorgenomen versperringen en vernielingen tijdig stellen’], maar dat gold beslist niet voor de TBB. Deze had een deels onmogelijke taak gekregen van de Opperbevelhebber [OLZ] Winkelman en zijn chef landmachtstaf. Hoe onmogelijk die taak was, komt uitgebreid aan de orde.

Een militair heeft de evidente tragiek in zijn metier te aanvaarden dat hij bevelen dient op te volgen en pas achteraf mag protesteren, hoe onwerkelijk of onuitvoerbaar de bevelen ook zijn. Kolonel Schmidt was een voorbeeld van een hoofdofficier, die zich het niet permitteerde om de grenzen van zijn ondergeschiktheid op te zoeken. Daar kan men alle respect voor opbrengen, vooral als men een dergelijke trouwe opstelling combineert met een duidelijk herkenbare inspanning om er dan maar – met de mensen en middelen voorhanden – het beste van te maken. Dat laatste deed kolonel Schmidt echter niet. Hij heeft alle schijn gewekt zijn onmogelijke opdracht in pure indolentie te aanvaarden. Het gevolg was dat zelfs de mogelijkheden die hij als ‘bezwaard’ bevelhebber had om ‘er het beste van te maken’ door hem niet werden aangegrepen. Hij toonde zich beslist niet de bevelhebber, die hij naoorlogs wel meende te zijn geweest. Dit harde oordeel wordt uiteraard uitgebreid onderbouwd in dit artikel.

Tenslotte is het buitengewoon boeiend te vernemen hoe kolonel Schmidt zich naoorlogs meende te moeten uiten en verantwoorden voor de gebeurtenissen in mei 1940 en vooral ook hoe de krijgshistorisch onderzoekers, zoals Van Hilten en Nierstrasz, hun onderhuidse irritaties jegens de assertieve en ijdele kolonel trachtten te camoufleren in hun uitgebreide schriftelijke ondervraging van de aan selectief geheugenverlies leidende kolonel. Het Peeldivisiedossier biedt een markante opbouw van toonsoort, met name vanuit de ganzenveer van de getergde kolonel, die duidelijk leed aan een gevoeld gebrek aan waardering en frustratie over zijn lot.

Een carrièrebeschouwing is elders al gegeven en wordt niet herhaald. Andere zaken zullen – passend bij de gebeurtenissen op de gevechtsdagen – elders ook al (ten dele) zijn besproken. Dit artikel geeft echter een integrale bespreking van het functioneren van mogelijk de belangrijkste en zwaarst belaste veldcommandant in het Nederlandse leger tijdens de meidagen van 1940.

Territoriaal Bevel

De toenmalige en naoorlogse functie van Territoriaal Bevelhebber laat zich lastig beschrijven, te meer daar het qua taakstelling zeer sterk onderhevig is aan verandering. De belangrijkste taak voor TB’s is de lokale (territoriale) vertegenwoordiging van het Militaire Gezag alsmede coördinerende taken in de vorm van alle militaire beheer- en bestuurstaken in een territoir. De functie dient nadrukkelijk niet te worden gezien als een veldcommando.

Dat laatste was nu net wat er in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog wel gebeurde. De TB’s werden ‘misbruikt’ om het enorme tekort aan organisatie in het veldleger te compenseren. Het Nederlandse leger leed namelijk niet zo zeer onder de vermeend archaïsche staat van haar middelen, maar veel meer onder een enorm tekort aan gekwalificeerd kader. Gedurende het interbellum was namelijk geen der bezuinigingen zo kwalijk geweest als die welke zagen op het terugbrengen van het beroepskader en de kwaliteit van (militair) onderwijs en oefening. Middelen kon men immers (relatief) snel aanschaffen en evenzo (relatief) snel qua bediening duiden aan de aanwendende onderdelen. Maar een structureel tekort aan goed opgeleide officieren kon men een veelvoud sneller creëren dan oplossen. Degelijke stafofficieren worden immers niet in een decennium gevormd, maar doorlopen een lang carrièrepad, waarbij naast een degelijke opleiding, een uitgebreide praktische kennis en kunde dient te kunnen worden opgedaan. Het in de loop van de jaren dertig wederom mondjesmaat verbreden en verdiepen van de opleiding tot beroepsofficier alsmede het even summier uitbreiden van het aantal cadetten, had dus slechts effect op een gering aantal ‘extra’ subalterne officieren in mei 1940, maar kon beslist geen voldoende basis leggen voor een deugdelijk stafapparaat in de vele geledingen van de krijgsmacht. In dat opzicht waren de onwezenlijke besparingen op Defensie in de jaren twintig werkelijk funest geweest.

Het gebrek aan beroepskader en degelijk opgeleide stafofficieren leidde er reeds toe dat de staven van de meest voorname veldlegeronderdelen (divisies, legerkorpsen, veldlegerstaf) voor een groot deel waren bezet met reserveofficieren. Deze reserveofficieren waren (voor zover zij geen geheractiveerde oud-beroepsofficieren waren) geen van allen onderricht of geoefend in stafwerk, nog los van het feit dat zij ten enenmale de kennis en ervaring van onderliggend veldwerk misten. Daarbij kan geconcludeerd worden dat deze voorname staven al matig, soms ronduit slecht bezet waren. Het gevolg was dat de rest van het leger – al gauw een 100,000 man in hoge regimenten en grensbataljons – het zonder staven – bij hoge uitzondering piepkleine staven – moesten doen en alle tussenliggende legerstructuren (brigade, divisie, legerkorps) geheel ontbraken. Alle brigades en groepen (voormalige brigades) hadden staven van een paar officieren, niet zelden (vrijwel) allen reserveofficieren of geheractiveerde oud-beroepsofficieren. Meer dan de helft van het land deed het echter zonder enige staforganisatie m.u.v. de TB staven. De eenheden die in de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland (oost), Limburg, Brabant, Zeeland en Noord-Holland lagen hadden slechts een kleine TB staf ter beschikking. In die gebieden lagen hoog genummerde regimenten, grensbataljons en grenscompagnieën, aangevuld met zelfstandig opererende ondersteunende eenheden. In Noord-Brabant en Noord-Limburg was het zelfs zo dat de regimentsstaven waren verdwenen en waren ‘gepromoveerd’ tot vakstaven, die veel meer te coördineren hadden dan hun eigen regiment en bovendien onwerkelijk grote sectoren hadden te bestieren zonder de juiste verbindingen als faciliterende middelen.

De buitengebieden zonder deugdelijke staven, zagen niet slechts op gebied dat (binnen de Nederlandse strategie) nauwelijks defensieve waarde had, zoals de noordelijke drie provincies of Zuid-Limburg. Het sloot drie voorname linies in, te weten de IJssellinie, de Maaslinie en de Peel-Raamstelling. Die drie linies moesten het doen met piepkleine staven. Daarbij hadden de aanwezige Vak- of TB staven te maken met onwerkelijk grote sectoren waarin de te leiden troepen lagen. Verbindingen waren pover en al helemaal niet dynamisch. Naast die ontbrekende staven, was minstens zo relevant dat er staf- en verzorgingstroepen ontbraken. Kortom, de gehele periferie aan ondersteunende eenheden, die normaliter in reguliere eenheden als brigades, divisies en legerkorpsen wel aanwezig was, ontbrak. Men miste dus niet alleen de staven en de daaruit voortvloeiende coördinerende structuren, maar men ontbeerde evenzo bijzonder veel facilitaire ondersteuning. Men denkt daarbij aan logistiek (wagenparken, technische dienst, munitietreinen, etc.), aan geneeskundige eenheden (ambulancediensten, veldhospitalen, hulpverbandplaatsen, etc.) en aan facilitaire diensten (geniefuncties, verbindingsdienst, veterinaire dienst, cartografische dienst, etc.). 

Ondanks het ontbreken van structuren en faciliteiten, was een bepaald niet onaanzienlijk deel van het veldleger geposteerd in de buitengebieden. Zo had men er in Nederland bijvoorbeeld onlogischerwijs voor gekozen juist de jonge fitte militairen in opofferingseenheden als de grensbataljons onder te brengen. De voor de velddienst veel minder geschikte oudere reservisten lagen juist weer vaak op locaties die in de hogere echelons lagen en - in de vooroorlogse gedachtengang - pas later belangrijke defensieve punten zouden worden. In andere landen had men voor de meeste grenstaken juist de minder geschikte militairen uitverkoren. De 22 grensbataljons en 17 grenscompagnieën lagen grotendeels in de buitengewesten, langs de oost en zuidgrenzen. Hun ca. 20,000 man vertegenwoordiging, voor ongeveer de helft bestaande uit jonge dienstplichtigen van lichtingen 1938-1940, was opgedeeld in eenheden zonder enige ondersteuning behalve die welke hun eenheid in eigen beheer had.

De gevolgen van deze grote tekorten aan staven en ondersteunende eenheden werden – voor wat betreft het gebied van de TBB – nog eens een veelvoud versterkt door de aangepaste strategie van OLZ generaal Winkelman, die eind maart 1940 werd geëffectueerd.

Het waren na Winkelman’s aangepaste strategie nog slechts hoge regimenten die waren ontplooid in de buitengewesten, met uitzondering van de veelal jonge grenseenheden. Zij waren het die de IJssel- en Maaslinie moesten verdedigen alsmede de lokale versterkingen in de noordelijke provincies en Limburg bezetten. Die hoge regimenten waren vaak opgedeeld over enorm uitgestrekte gebieden. Strikt lineair verdeeld, zoals langs de IJssellinie, of zelfs in grote diepte en verdeeld over twee linies, zoals in Noord-Limburg en Oost-Brabant. In die laatste voorname verdedigingssector had men het een wijs besluit geacht om regimenten te verdelen in de diepte en in de breedte. Zo werden bataljons uit het eigen regiment gelicht en onwerkelijk verspreid ingedeeld. 26.RI werd bijvoorbeeld over drie sectoren verdeeld, zijnde Vak Schaik (Maas), Vak Bakel (Maas) en het Maas-Waalkanaal. 29.RI evenzo, met een bataljon in Vak Schaik, één in de verbindingsstelling (tussen de Peel-Raamstelling en de Maas-Waalkanaalstelling) en een bataljon in de laatstgenoemde stelling. De commandant en staf van 27.RI werd de staf van Vak Bakel, met alle eigen eenheden onder bevel, maar bij 30.RI haalde men één bataljon weg, wat naar Vak Weert ging en kreeg men er een vreemd bataljon van 41.RI voor terug. De andere twee bataljons van 41.RI had men wijselijk verdeeld over de vakken Weert en Asten. De logica ontbrak geheel en bovendien had men de troepen aan de Maas vaksgewijs ingedeeld in paring met de Peel-Raamstelling. Kortom, er was geen horizontale coördinatie mogelijk aan de Maaslinie zelf, zodat aanleunende vakken in de Maaslinie niet onderling hun operaties konden afstemmen, maar van achter de Peel-Raam moesten worden aangestuurd door vakcommandanten.

Die Vakcommandanten en staven onder de TBB waren gevormd uit de regimentsstaven van de hooggenummerde regimenten. Staven die geheel bestonden uit reserveofficieren op een enkeling na. Regimentsstaven ook, die kleiner waren dan van de laaggenummerde regimenten, maar meer bataljons hadden te coördineren, die dus bovendien over twee linies waren verdeeld, waarbij de diepte van de sector soms wel 25 km besloeg! Het betekende in theorie reeds dat eenheden vrijwel op zichzelf waren aangewezen, maar in de praktijk was dit zelfs overduidelijk. Vakcommandanten konden onmogelijk voldoende gezag en leiding bieden in de Maassector. Maar zelfs in de Peel-Raamstelling hadden ze nauwelijks iets in te brengen. De afstanden waren enorm, de mogelijkheden actief operationeel te plannen en te sturen vrijwel nihil.

Als men het bovenstaande in overweging neemt en beseft dat de troepenmacht die onder de TBB zou ressorteren na vertrek van het 3e Legerkorps (onder achterlating van zes bataljons) en de Lichte Divisie op papier uit maar liefst 23 bataljons, een regiment artillerie en enige zelfstandige pioniereenheden zou bestaan, dan kan men simpel nagaan dat een juiste operationele leiding van zo’n verband een staf van bijzondere omvang zou vereisen. De cumulatieve troepensterkte was immers qua gevechtseenheden ruim meer dan van een legerkorps en besloeg een te coördineren gebied dat normaliter zou zijn toegewezen aan drie legerkorpsen. In werkelijkheid had de TBB echter een staf ter grootte van een brigade met daarin precies één beroepsofficier met Generale Staf kwalificatie (de chef-staf) en een handvol beroepsofficieren zonder (afgeronde) GS opleiding, als sectiehoofden. De sectie operatieën was met vier beroepsofficieren en een reserveofficier nog opvallend goed bemand te noemen (naar de toenmalige maatstaven), maar de gehele troepenmacht die ressorteerde onder de TBB moest door 29 officieren worden geleid. Daarvan was dan bovendien een aanzienlijk deel operationeel totaal irrelevant. Aangezien de aan te sturen onderdelen zelf niet over staven beschikten – immers naast de kleine Vakstaven had men geen enkel andere staforganisatie tussen TBB en gevechtseenheid – zou de taak die op de TBB staf drukte nog eens een veelvoud groter zijn.

De TBB had voor de strategiewijziging al een zware taak gekend, maar na de strategiewijziging werd zijn opdracht onwerkelijk omdat hij er nog zeven bataljons bij kreeg. Naast de operationele taak die zijn relatief kleine staf had, kreeg zij er tevens de opdracht bij zich met de eventueel verschijnende bondgenoten te verhouden en met hen af te stemmen. Daarbij werd duidelijk gemaakt dat het vooral om Fransen zou gaan, die men in West-Brabant zou verwachten. Nadere instructies of ondersteuning kreeg de TBB niet.

De TBB was de Territoriaal Bevelhebber die het meest werd misbruikt van alle TB’s. Zoals gezegd, wisten de overige TB’s in hoofdzaak dat hun ondankbare taak geen cruciale elementen kende, zoals dit in de strategische uitwendige verdediging wel had gegolden vóór de mobilisatie was afgerond. De enige TB die een strategische taak had met een cruciaal element, was de TBB. Hij diende immers de aftocht van het 3e Legerkorps en de Lichte Divisie af te schermen. Nadien waren zijn taken net zo ondergeschikt als die van de overige TB’s, hoe onwerkelijk en onjuist dit ook vanuit Den Haag was besloten. Desondanks droeg de TBB een verantwoordelijkheid – als kolonel – voor ruim 20,000 militairen. En die verantwoordelijkheid was er één die niet louter op basaal Militair Gezag en coördinatie van militaire zaken in het gezagsgebied zag, maar a priori zag op een operationele verantwoordelijkheid.

De taken van de TBB

Voor de TBB gold, voordat de strategiewijziging in maart 1940 (formeel in april 1940) in ging, dat hij de verantwoordelijkheid droeg voor de verdediging langs de Maas. De ‘Peeldivisie’ was een verband dat stamde uit de periode dat de voormobilisatie wegens de Uitwendige Verdediging [UV] aan de orde was, ofwel de periode april 1939 tot en met augustus 1939. Die voormobilisatie was een in 1936 bedacht concept waarbij een deel van de reservisten van hooggenummerde regimenten alsmede enige snelle verbanden van de Lichte Divisie zouden worden opgeroepen, om de strategische punten in het buitengebied (alsmede enige strategische locaties binnen Vesting Holland) te bezetten, om zodanig een beveiliging tegen een strategische overval te kunnen bieden zodat de algemene mobilisatie beschermd zou kunnen worden afgerond. Onder de BOUV [Buitengewone Oproeping Uitwendige Verdediging] in april 1939 waren onder meer de regimenten 13.RI en 27.RI opgekomen. Later was eveneens 4.GB daarbij ingedeeld. Deze eenheden werden ingeschakeld om de Peel-Raamstelling te bezetten. Samen met de grenstroepen bleven zij onder de TBB. Na de Algemene Mobilisatie werd 31.RI eveneens toegevoegd aan de bezetting van de Peel-Raamstelling. Die bezetting, toen bestaande uit de drie voornoemde regimenten die louter de defensiekanaal linie zouden bezetten, werd onder de TBB gebracht. Tevens de opstelling van zes bataljons langs de grens met Duitsland. Op dat moment vormde de Peeldivisie dus al een sterkte van bijna vier regimenten aan gevechtstroepen. Daarbij kwam als versterking dan nog dat de beide Afdelingen KRA aan de Lichte Divisie waren ontnomen en aan de Peeldivisie werden toegevoegd. Hoofdzaak bleef echter de verdediging van de Maaslinie (boven Roermond). Bovendien lag het Militaire Gezag na de Algemene Mobilisatie niet langer bij de C-Peeldivisie, maar na gereedstelling van III.LK bij de C-III.LK, de generaal-majoor Van Nijnatten.

In maart 1940 had OLZ Winkelman besloten dat hij de strategie zou wijzigen. Nederland zou onder de grote rivieren niet langer hardnekkig worden verdedigd. Ten dele was Winkelman zijn besluit gebaseerd op de verzamelde inlichtingen van de militair attaché te Parijs, overste Van Voorst Evekink, die nadrukkelijk melding maakte van de Franse intenties om slechts West-Brabant hardnekkig te verdedigen en hoogstens een voorverdediging te voeren ten oosten van Tilburg. Maar Winkelman had vermoedelijk al voordien becijferd dat met zijn veel te kleine legermacht hij de Vesting Holland niet duurzaam zou kunnen verdedigen zonder de Lichte Divisie en het 3e Legerkorps. In ieder geval had de OLZ besloten Noord-Brabant van alle geregelde veldlegerverbanden te ontdoen op het moment van een feitelijke Duitse inval. Tot die tijd moest de schijn van een hardnekkige verdediging blijven bestaan.

Kolonel Schmidt kreeg op een zekere avond in maart 1940 van de OLZ en zijn chef van de landmachtstaf de bondige mededeling dat de TBB er na de eerste oorlogsdag alleen voor zou staan, omdat hij met zijn achterblijvende troepen de aftocht van het 3e Legerkorps en de Lichte Divisie moest dekken en nadien zich zo verdienstelijk mogelijk moest maken in vertragen van de Duitse opmars en coördinatie met eventueel ten tonele verschijnende bondgenoten. Afstemming hoe dat in te vullen moest de TBB maar met de landmachtstaf uitwerken.

Die landmachtstaf bekommerde zich echter nergens om. Men had wel wat anders omhanden, en alle buitengebieden waren vanaf maart 1940 voor de landmachtstaf totaal niet interessant. De veldlegerstaf handelde gelijkwaardig, want die had alle aandacht nodig de hoofdverdediging tijdig op orde te krijgen. Die was immers gelijktijdig op de Grebbelinie geconcentreerd geworden, wat in afwijking was van de plannen van de voorganger van Winkelman.

De TBB had daarnaast nog een andere organisatorische uitdaging. Hij rapporteerde namelijk aan de C-III.LK, die tot zijn vertrek uit Noord-Brabant het hoogste Militaire Gezag zou blijven vormen. De TBB speelde ondertussen tweede viool en had bovendien uiterste geheimhouding ten aanzien van de voor hem liggende taak. Die taak was in concrete zin dat hij naast de Maaslinie nu ook de Peel-Raamstelling hardnekkig moest verdedigen. Een zaak die hem voordien slechts zijdelings had betrokken. Daarnaast was in de nieuwe opzet de verdediging van de zuidgrens een nog grotere uitdaging geworden. Was voordien nog sprake van twee grensbataljons die met de Lichte Divisie het gapende gat tussen Dorpplein en Tilburg konden dekken, in de nieuwe strategie viel de gehele Lichte Divisie weg. Er resteerden slechts twee grensbataljons, waarvan de eerste bovendien aan de winkelhaak bij de grens met België vast zat. Alleen het GBJ was ongebonden aan een linie. Dat bood de TBB al een helse taak in operationele zin, maar in plannende zin was een en ander nog gecompliceerder. Uitdrukkelijk was hem immers te verstaan gegeven dat behalve hijzelf slechts zijn chef-staf kennis mocht dragen van de nieuwe strategie. Die geheimhouding gold evenzo voor de staf van III.LK en de LD. Met lagere onderdelen over de nieuwe strategie spreken of met subalterne officieren op de landmacht- of veldlegerstaf, was onmogelijk.

De TBB en zijn chef-staf werden dus in alle opzichten zeer beperkt in de uitwerking van operationele scenario’s. Men kon niet zonder een grote camouflage inspanning andere officieren kennen in mogelijke operationele scenario’s die gekoppeld waren aan de strategie van evacuatie van de hoofdmacht achter de Peel-Raamstelling. Bovendien had men met de C-III.LK te maken als het verzoeken betrof die hoger in de keten goedkeuring moesten krijgen - en de meest triviale zaken vielen onder een dergelijk regiem. De staf III.LK fungeerde goeddeels als filter, en als daar al een bericht doorkwam dan zorgde de staf Veldleger wel voor nader oponthoudt.

Dat de TBB operationeel dus al een enorme uitdaging had e.e.a. snel uit te werken, was duidelijk. En in maart 1940 toen hij ervan hoorde, was natuurlijk niet bekend dat de Duitsers ‘pas’ zo'n twee maanden later de grens zouden overschrijden. Dat kon in feite ieder moment aan de orde zijn. Het behoeft dus geen nadere beschrijving wat kolonel Schmidt en zijn chef-staf door het hoofd schoot. Zij zullen de voor hen gestelde taak – zeker op operationeel vlak – niet licht hebben ervaren, wetende dat zij opeens 23 bataljons, een regiment artillerie en enige zelfstandige eenheden onder zich zouden krijgen vanaf de tweede oorlogsdag. Ondersteuning in de vorm van een flink uitgebreide staf kregen zij niet.

Een andere zaak, die veel minder lijkt te zijn geland bij de TBB en zijn chef-staf, was die van coördinatie met eventuele bondgenoten. Winkelman had aangegeven - er is aanleiding te denken dat dit zelfs slechts in indirecte zin geschiedde - dat de TBB afstemming met bondgenoten naar eigen inzichten moest regelen. Enige vorm van nadere instructie of kaderstelling, zelfs maar primaire strategische hints, werden niet gegeven. Het werd simpelweg over de schutting gegooid bij de TBB. Een onwerkelijk gegeven, te meer daar Winkelman zich welbewust was van wat hij met name de Fransen aan landstrijdkrachten zou vragen in geval een Duitse invasie aan de orde zou zijn. Daarbij zou een onverhoopt in eerste instantie succesvolle verdediging tegen een Duitse legermacht in Noord-Brabant een goede afstemming met de Fransen alleen maar belangrijker maken voor Nederland. Het was immers volstrekt helder – zeker bij Winkelman – dat een solistische verdediging door Nederland hoogstens een kwestie van enkele weken zou zijn.

De TBB kreeg echter geen liaisonstaf, met bijvoorbeeld een aantal Franssprekende officieren, maar voornamer geen enkele aanwijzing hoe te handelen. Daarbij was het onbegrijpelijk dat voor deze voorname liaisonfunctie niet een aparte functionaris werd aangesteld. Het had immers volkomen in de reden gelegen om een opperofficier aan te stellen om het Nederlandse belang te behartigen in afstemming met de Fransen. Het voor die rol heractiveren van bijvoorbeeld gepensioneerde luitenant-generaal Roëll, de laatste commandant Veldleger voor de luitenant-generaal Van Voorst tot Voorst en bovendien een erkend strategisch denker, had voor de hand gelegen. Daarnaast was het evenzo onwerkelijk de rol van TBB (en liaison) in handen te leggen van een kolonel en dus niet een opperofficier. De verantwoordelijkheid van de TBB was zodanig zwaarwegend, dat de TBB zonder enige twijfel tenminste een generaal-majoor had moeten zijn. Voor de vrijwel lege functie van commandant Oostfront-Vesting Holland handhaafde Winkelman een generaal-majoor [Fruyt van Hertog], maar voor geheel Brabant en de zo zwaarwegende liaisonfunctie met de Fransen was er geen generaal beschikbaar? Een onderschatting van de kant van de OLZ en zijn entourage die hem euvel te duiden valt.

Een subsidiaire, maar haast net zo’n kwalijke, kwestie is het gegeven dat het 3e Legerkorps vanaf eind maart 1940 schone schijn liep te maken in de sector Den Bosch, maar dat onderwijl de Zuid-Willemsvaart bijvoorbeeld geheel onvoorbereid bleef voor defensie. In plaats van de zich sterk verveelde legerkorpstroepen eenvoudige verdedigingswerken te laten aanleggen achter de Zuid-Willemsvaart of andere logische tussenverdedigingen, gebeurde er helemaal niets. Dergelijke werkzaamheden hadden niet alleen betekend dat de tijd en capaciteit juist was gebruikt, maar hadden zelfs de camouflage van hardnekkige verdediging in Noord-Brabant nog verder versterkt. Er gebeurde vanuit veldleger of landmachtstaf echter helemaal niets dat de toekomstige zware taak van de TBB kon verlichten.

De invulling der taken door de TBB

Nadat kolonel Schmidt met zijn chef-staf had vernomen van de zware taakstelling, lag het voorhanden dat er tot uitwerking daarvan zou worden overgegaan. Allereerst leek er alle aanleiding voor de chef-staf om instructies te schrijven voor alle stafofficieren en troepencommandanten, die bij een casus belli zouden worden uitgereikt en/of gedistribueerd. Er is geen enkele aanwijzing dat dit ook is gebeurd, hoewel het haast onwerkelijk lijkt als dit voor in elk geval de sectie operatieën niet aan de orde geweest zou zijn. We moeten haast aannemen dat die minimale inspanning wel gepleegd is. Maar de commandanten der eenheden kregen geen verzegelde enveloppen, die zij moesten openen in geval van een casus belli. Ook is er geen enkele aanwijzing dat er anderszins sprake is geweest van geschreven instructies voor bijvoorbeeld de Vakcommandanten als hoogste ondercommandanten. Geen enkel verslag van de Vakcommandanten maakt gewag van een dergelijke procedure. In tegendeel, men geeft aan dat er ad hoc werd aangestuurd.

Eén uitzondering op de ontbrekende vooroorlogse plannen bij de staf Peeldivisie vormde de reeds bestaande procedure voor vernielingen, welke zag op strategische vernielingen van met name spoor- en verkeersbruggen over de Maas en enkele zijstromen. Een duidelijke procedure was inzake die gevoelige materie onontbeerlijk; duidelijk was de procedure overigens niet. Er was op 10 mei 1940 een procedure, en die hield in dat in feite iedere veldcommandant tot (c.q. niet lager dan) de rang van bataljonscommandant opdracht kon verlenen tot verkeersbrugvernieling. Daarbij was nog een uitzondering gemaakt, dat een lokale commandant onder de functie van BC brugvernieling mocht initiëren als en indien een brug acuut in vijandelijke handen dreigde te vallen. Primair was het echter zo dat een vernielingsbevel werd gegeven door de OLZ of de CV en dit aan de ondercommandanten kenbaar zou worden gemaakt. Het betekende dat de lagere commandanten geen vernielingsbevel zouden geven voordat zij van de OLZ of CV de instructie hadden gekregen dat vernielingen konden worden uitgevoerd, tenzij een Duitse inval een dergelijk instructie voor zou zijn. Op dat moment zou autonomie gelden voor lokale commandanten voor verkeersbruggen.

Peel-Raamstelling noord

Peel-Raamstelling Zuid

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor spoorbruggen gold een strenger vernielingsregiem. Daarvoor gold dat alleen de OLZ een instructie voor vernieling aan de ondercommandanten kon verlenen. Hierbij was tevens bepaald dat vernieling niet mocht worden uitgevoerd als het aannemelijk was dat eigen spoorverkeer erdoor zou worden geobstrueerd, tenzij de vijand werkelijk kort voor de poorten stond. Een spoorbrug die acuut in handen van de vijand zou vallen als deze niet zou worden vernield, mocht door lokale commandanten autonoom worden opgeblazen. Dat moest zelfs. Een procedure die door zijn vele voorwaarden complex was, maar waarbij begrip dient te bestaan voor de mitsen en maren in geval van al te lichtvaardig vernielen. Autoverkeer kon immers nog omrijden, treinverkeer bepaald niet. De C-Peeldivisie instrueerde zijn ondercommandanten dat hij groen licht zou geven voor vernieling. Hij informeerde hen dat hij zou aangeven wanneer spoorbrugvernieling aan de orde zou zijn, waarbij slechts in het geval een brug acuut in Duitse handen dreigde te vallen, autonome besluitvorming mocht plaatsvinden. Dat gegeven leidde ertoe dat er in twee gevallen problemen ontstonden in de vroege ochtend van 10 mei 1940. Bij Roermond doemde de vijand op zonder dat de C-Peeldivisie een vernielingsbevel had gegeven. Hij had een eerder verzoek tot vernieling van de lokale commandant (de majoor Hamm) afgewimpeld met de instructie ‘nog even wachten’. Gelukkig wachtte de lokale commandant niet en liet de brug alsnog opblazen. Bij Gennep leidde het echter indirect tot een groot fiasco. Hoewel daar een Duits commando de brugwacht aan de oostzijde succesvol misleidde, was de aanleiding de brug daarop niet onmiddellijk op te blazen de onzekerheid of er niet nog een Nederlandse trein over de brug moest komen. Men had in de avond van 9 mei, toen de C-Peeldivisie zelf zijn belangrijkste ondercommandanten verwittigde dat een Duitse aanval vrijwel zeker was, geen aanvullende instructie gekregen. De twijfel bij de lokale commandant, naast slechte afstemming en slappe houding, mede door de onduidelijke instructies veroorzaakt, leidde tot een voornaam Duits succes. Hoewel dat succes uiteindelijk voor de Duitsers operationeel nauwelijks iets zou opleveren - in weerwil van wat veel Nederlandse historische geschriften beweren. Een derde ramp had kunnen ontstaan bij Grave. De lokale commandant, die niets wist van de strategiewijziging en een vernielingsbevel van de C-III.LK verwachtte, volgde een vernielingsbevel van de C-Peeldivisie niet op en verifieerde het eerst bij de staf III.LK. Dat had fatale gevolgen kunnen hebben als de Duitsers een bereikt succes aan het Maas-Waalkanaal direct hadden uitgebuit, wat ze verzuimden. Maar de brug bij Grave ging door het handelen van de lokale commandant een uur te laat de lucht in. Uit deze drie voorbeelden van gevallen waar het bijna en waar het helemaal mis ging, kwam duidelijk weer naar voren dat er weliswaar vooroorlogs draaiboeken waren, maar dat die niet door de C-Peeldivisie waren veranderd of verduidelijkt. In tegendeel, de overigens sowieso chaotische omstandigheden bij Gennep, waar de competenties en zeggenschap van diverse lokale eenheden opvallend door elkaar heen liepen, waren vrijwel volledig op het conto te schrijven van de lokale legerleiding. Ergo, de commandant Vak Schaik en de C-Peeldivisie. Zelfs de overigens opvallende mild oordelende Parlementaire Enquete Commissie [PEC] was over dat geval eenduidig: het was een organisatorische chaos bij Gennep geweest en daarin had vooral de door de lokale legerleiding veroorzaakte desorganisatie ter plaatse een hoofdrol gespeeld. Daarbij kwam nog dat de C-Peeldivisie weliswaar voor het invalsuur opdracht had gegeven alle verhakkingen en versperringen te stellen, aan weerszijde van de Maas [dus tussen grens en Maas en tussen Maas en Peel-Raamstelling], maar geen machtiging gaf om tot brugvernielingen over te gaan. Daarmee ging de verantwoordelijkheid tot vernieling over op de lokale commandanten. Pas korte tijd voor 0500 uur kwam van de C-Peeldivisie het algemeen bevel alle bruggen over de Maas vanaf Mook te vernielen, kort daarna gevolgd tot het bevel ook die bij Ravenstein en Grave op te blazen. Zijn bevel kwam dus circa een uur nadat de inval een feit was. Behalve bij Gennep had dit gelukkig geen nadelige gevolgen, maar dat kwam vooral door doortastend lokaal optreden door brugcommandanten. In tweede instantie handelde de C-Peeldivisie wel juist door de spoorbruggen bij Helmond en Veghel direct te laten opblazen nadat hem rond 0420 uur duidelijk was geworden dat de brug bij Gennep in Duitse handen was gevallen.  

Belangrijke ondersteunende diensten voor de Peeldivisie werden op 10 mei 1940 ook niet voorzien van vooraf door de staf Peeldivisie voorbereide draaiboeken. Zo werd de uiterst belangrijke verbindingsafdeling ad hoc aangestuurd vanaf de ochtend van 10 mei en kon het gebeuren dat de verbindingsafdeling van het 3e Legerkorps haar centrale in Brabant vernielde in plaats van deze ter gebruik aan de Peeldivisie beschikbaar te stellen. Nadere afstemming met de geniedetachementen [Peeldetachement, 15.C.Pn en 16.C.Pn] was er niet zodat ook geen nadere maatregelen langs de Zuid-Willemsvaart werden voorbereid.

Uit de gegevens van GBJ blijkt dat dit bataljon helemaal geen draaiboek had voor haar inzet nadat haar grenstaken waren verricht en de aanval niet uit of via het zuiden kwam. Het is onbegrijpelijk dat zelfs deze logische sturing niet vooraf door de Peeldivisie was voorbereid. Hoe onvoorbereid het was bleek dan ook door de onwerkelijke directieven die een van de vrijgekomen eenheden van GBJ kreeg, door van de uiterste zuidgrens deels (3-GBJ) helemaal naar Vak Schaik te worden gestuurd. C-GBJ zelf was uiteraard tot 10 mei 1940 ongewis van het feit dat hij uiteindelijk niet onder C-III.LK zou opereren, maar al diezelfde dag onder C-Peeldivisie zou komen vallen. Overigens zij opgemerkt dat niet aan te tonen is dat er geen draaiboek klaar lag voor C-GBJ vanuit de sectie operatieën Peeldivisie. Het is natuurlijk mogelijk dat dit draaiboek omwille van de snelle Duitse penetratie bij Mill niet praktisch leek en daarom ad hoc aanwijzingen aan C-GBJ werden gegeven. Desalniettemin werd door C-GBJ een aantal maal om instructies gevraagd, maar werd hem te verstaan gegeven dat zijn bataljon werd opgesplitst en niet langer onder zijn tactisch bevel viel. De 1e en 2e Compagnie kregen beveiligende taken rond Tilburg en Goirle, de 3e Compagnie werd naar Vak Schaik gestuurd en de 4e Compagnie kreeg – hoe opmerkelijk – taken om bij Vessem (waar het lag) beveiligingstaken te verrichten en vernielingstaken in portefeuille te houden indien de troepen voor hen (Vak Weert) zouden worden teruggetrokken. Opvallend, want deze verstandige voorzorgsmaatregelen verhielden zich omgekeerd evenredig tot de (niet genomen) maatregelen voor de sector Zuid-Willemsvaart!

Er is zelfs geen fractie van een aanwijzing dat er plannen waren voorbereid om bij een doorbroken Peel-Raamstelling de Zuid-Willemsvaart als volgende (tijdelijke) hindernis te verdedigen. Toch lag dit alleszins in de reden (er wordt later nog dieper op in gegaan). Zoals kolonel Schmidt zelf in zijn verklaringen achteraf aangeeft, zou het onwerkelijk zijn geweest een evacuatie van de Peel-Raamstelling – die hij evident verwachtte al was het alleen al om het open einde bij Dorpplein – uit te voeren en de troepen vanaf dat punt helemaal tot het westen van Brabant te laten terugtrekken. Voorts had hij spoorbruggen bij Helmond en Veghel op doen blazen ter voorkoming van het over de Zuid-Willemsvaart kunnen trekken van de Duitse trein die bij Gennep was doorgebroken. Daarvan ging impliciet toch de gedachte uit dat de Zuid-Willemsvaart een 'natuurlijke' tweede verdedigingslijn zou vormen. Die logica volgend was het voor de hand liggend dat de C-Peeldivisie met zijn chef-staf een dergelijk alternatief verdedigingsplan op hoofdlijnen zou hebben uitgedacht. Dat zou immers de mogelijkheid genereren de Peel-Raamstelling snel te evacueren en bovendien scenario’s te bedenken voor de diverse uiteenlopende tactische omstandigheden die konden worden verwacht. Voornamer was dat het een draaiboek zou bieden voor aanvullende instructies aan de zelfstandige pionierssecties en compagnieën voor aanvullende vernielingen langs de Zuid-Willemsvaart en veiligheidsbezettingen bij de bruggen aldaar. Niets van dit alles. Er was geen fractie voorbereid en onverhoopt vrijgekomen troepen werden niet als reserves achter de Zuid-Willemsvaart gedirigeerd, maar in het wilde weg ingezet in Vak Schaik, Vak Erp en achter het Wilhelminakanaal, dat in die fase van de strijd nog helemaal niet bedreigd werd. Ook in dit voorname operationele aspect had kolonel Schmidt met zijn chef-staf dus geëxcelleerd in opmerkelijke passiviteit. Alsof men in de veronderstelling was geweest met de piepkleine staf tijdens de gevechten 'wel even tussendoor' dergelijke plannen goed doorwrocht te kunnen ontwerpen.

Logistiek was het nog droeviger gesteld. Welbewust als de kolonel was van het gebrek aan motorisatie, wat al aan de orde was toen de Peeldivisie nog secundaire taken in Brabant en Noord-Limburg had, was een draaiboek voor de verdeling van de voorhanden transportmiddelen [zoals de 4e Compagnie van het Korps Motordienst] over de Vakken volkomen logisch geweest. Dat argument doet te meer opgeld daar het gros van de voorhanden munitie voor de troepen zich in eerste en tweede lijn bevond en dus rechtstreeks in het frontgebied van de Peel-Raamstelling. Een evacuatie van de stelling, waarbij het gebrek aan organieke motorisatie bij de eenheden dus sowieso offers zou vragen van de mee te voeren uitrusting, zou zonder assistentie van autonome gemotoriseerde onderdelen dus leiden tot het achterlaten van gevaarlijk grote hoeveelheden munitie voor de infanteriewapens. Maar in plaats van die logische afweging te maken, werd de motorisatie die de Peeldivisie ter beschikking had, gecharterd om relatief onbelangrijke taken te verrichten en zich na het evacuatiebevel van de Peel-Raamstelling naar West-Brabant te doen begeven. Daar waar men tijdens de mobilisatie over de onderdelen was verdeeld, werd men in oorlogstijd schielijk in veiligheid gebracht. Het gevolg was dat bij de evacuatie van de Peel-Raamstelling een groot deel der zware wapens en munitiedepots achter bleef. Overigens zij zijdelings opgemerkt dat het opvallend is hoe weinig motorisatie direct in de ochtend van 10 mei lokaal werd gevorderd door de Peeldivisie. Alsof men genoeg had ...?!

De lijst met aantekeningen inzake de volkomen ontbrekende planning bij de Peeldivisie is nog niet compleet. De staf zelf had haar alternatieve locaties zodanig slecht gepland, dat de Peeldivisiestaf gedurende de cruciale eerste oorlogsdag zelden in verbinding stond met haar ondercommandanten. Er werd drie keer verhuisd op één dag, en die bewegingen gingen de dagen nadien gewoon door. De staf was meestal volkomen onvindbaar voor haar ondercommandanten. Al eerder werd gememoreerd dat de aan de staf verbonden verbindingsafdeling ook in geen enkele vorm was geïnstrueerd nadat de oorlogstoestand intrad, en hoewel die afdeling wonderen verrichte tijdens de eerste gevechtsdagen, geheel onvoorbereid haar werk moest verrichten.

Het al in maart 1940 bekende gegeven dat een liaisonfunctie naar eigen inzichten moest worden ingevuld had niet geleid tot enige voorbereiding van dien aard. De extreem smalle staftop kreeg er geen sectie voor liaisonfuncties bij, maar binnen de staf zelf werd dit ook niet voorbereid, ook niet door bijvoorbeeld een troepenofficier uit de 16 'eigen' bataljons (voor 10 mei had men immers de op de eerste oorlogsdag toe te wijzen bataljons nog niet) te selecteren die bijvoorbeeld het Frans goed machtig was – wat in die dagen beslist vaker aan de orde was dan tegenwoordig. Aangezien naast de C-Peeldivisie zelf slechts de chef-staf een gekwalificeerd GS officier was, was het gemis van één van beide direct een halvering van de stafkundige daadkracht van de Peeldivisiestaf. Dat weerhield de C-Peeldivisie er niet van zich op de tweede oorlogsdag vrijwel fulltime met afstemming met de Fransen bezig te houden. Enerzijds wegens gebrek aan alternatieven begrijpelijk, anderzijds ongelofelijk dat hierin door hemzelf geen voorziening werd getroffen tussen maart en mei 1940. De naoorlogs steen en been klagende Schmidt geeft in geen van zijn klaagschriften aan dat hij ooit in Den Haag of Zeist heeft gevraagd om een specifieke liaisonofficier, dus zal dat ook niet aan de orde zijn geweest, want anders had hij het zeker als excuus gebruikt. En de Berg kwam nu eenmaal niet naar Mohammed in dat era. Het gevolg was dat een onbelangrijke officier – de reserve kapitein Max Boässon – officier Ontwikkeling & Ontspanning in de Peeldivisiestaf en als zodanig nauwelijks geschikt om een juiste invulling aan een dergelijke liaisonfunctie te kunnen geven – op 10 mei naar de Belgische Kempen werd gestuurd als verbindingsofficier met de Belgen en dat de kolonel Schmidt zelf vanaf de nacht van 10 op 11 mei alle afstemming met de Fransen verrichte. Dat had tot gevolg dat de chef-staf Peeldivisie zowel zijn eigen loodzware functie als die van waarnemend commandant Peeldivisie moest vertolken op die tweede zo cruciale oorlogsdag.   

Een ander bijzonder opvallend gegeven ligt in het verlengde van de opmerkelijke onvoorbereidheid op de terugtrekking achter de Zuid-Willemsvaart. Het heeft er zoals gezegd alle schijn van dat de C-Peeldivisie totaal geen conceptueel alternatief verdedigingsplan had voor de fase nadat de Peel-Raamstelling zou zijn doorbroken. Het heeft er zelfs alle schijn van dat niets buiten de status quo was doordacht, bedacht of overdacht, hoe onwerkelijk dit qua conceptie ook mag zijn. Als er al een eerste alternatief had moeten zijn uitgewerkt dan was dit wel een alternatieve verdediging achter de Zuid-Willemsvaart. Het leidt haast geen twijfel dat dit tenminste mondeling in de periode maart-mei 1940 is besproken tussen chef en chef-staf, maar daarvoor wordt geen fractie van een aanwijzing gegeven in de verklaringen en geschriften van de kolonel. Desondanks is het haast ondenkbaar dat chef noch chef-staf hierover in een zekere fase de gedachten heeft laten gaan. Uitgewerkt was het in elk geval niet, of … is het zo dat Schmidt er aanleiding in zag de schijn op te houden dat e.e.a. niet uitgewerkt was terwijl dit in feite wel zo was?

Het is bijzonder opvallend hoe snel de staf Peeldivisie een migratieplan klaar had nadat besloten was op de Zuid-Willemsvaart terug te trekken (tussen 2000 en 2100 uur, 10 mei). Op zich moet men niet al te academisch doen over het plan, want veel meer dan sectorprojectie (vakken Peel-Raam op vakken Zuid-Willemsvaart) was het niet. Desondanks leek er qua geografische indeling wel enige logica achter de plannen te zitten. De grootste indirecte aanwijzing dat men echter toch vooroorlogs een migratie van de Peel-Raamstelling naar de Zuid-Willemsvaart had voorbereid (maar dit naoorlogs verzuimde te melden), is wel het gegeven dat het Vak Schaik (Mill) zonder enig voorbehoud op het noordelijke vak aan de Zuid-Willemsvaart was geprojecteerd. Men kan zich nauwelijks voorstellen dat dit gegeven pas in de avond van 10 mei 1940 door de sectie operatieën zo is uitgewerkt, indachtig dat juist de motivatie tot evacuatie was dat bij het Vak Schaik een substantiële doorbraak werd verwacht, wat evident zou betekenen dat delen van de verdediging zouden zijn weggevallen. Dat desondanks het vak Schaik zonder meer op de kritische noordzijde van de Zuid-Willemsvaart werd geprojecteerd – zonder enige aanvullende beveiligende maatregel bij de in dat vak gelegen overgangen – doet haast wel denken dat er sprake is geweest van het haastig en ondoordacht uitrollen van een vooroorlogs draaiboek. Want als dit niet aan de orde was, en men dit plan werkelijk ontwierp indachtig de feitelijke stand van zaken in Vak Schaik, dan mag men met recht aan de verstandelijke kwaliteiten van de chef en de chef-staf Peeldivisie gaan twijfelen.

In het kader van alternatieve strategieën is het echter minstens zo opvallend dat kolonel Schmidt zich in zijn naoorlogse wijsheid uitputte door de gekozen strategie van lineaire verdediging sterk te hekelen. Zoals Schmidt meermaals betrapt kan worden op het analoog aan generaal Reynders bekritiseren van de legerleiding ten aanzien van de gekozen strategie, zo bekritiseert hij ook de tactische invulling ervan. En dat is onwerkelijk. Want Schmidt zelf was voor een groot deel van de tactische instructies zelf verantwoordelijk geweest, had zelfs een grotere handelingsvrijheid dan enige andere hoge commandant te velde in mei 1940. In feite was Schmidt in de avond van 10 mei, toen de te evacueren veldleger eenheden Brabant hadden verlaten, geheel vrij in zijn handelen. Hoe opvallend is het dan dat Schmidt keihard uithaalt naar de toegepaste strategie van lineaire verdediging, analoog aan Reynders opteert voor het in sectoren verdedigen middels tactisch verstandig geplaatste egelstellingen (geïsoleerde sterke weerstanden met rondom verdediging), maar vervolgens na het besluit te hebben genomen de Peel-Raamstelling te evacueren er niet voor koos om dergelijke weerstanden te vormen? In feite komt het erop neer dat een tactische benadering van de Zuid-Willemsvaart ten noorden van het Wilhelminakanaal anno 1940 via slechts vijf cruciale kruispunten kon worden uitgevoerd. Dat waren de wegkruisingen bij Oss, Heesch, Uden, Boekel en Erp. Die vijf kruispunten van wegen leenden zich bij uitstek voor de toepassing van de egelstellingdoctrine. Daarmee zou men de weinige pantserbrekende wapens die voorhanden waren effectief (hebben) kunnen concentreren op de noodzakelijke locaties en had men vermoedelijk slechts vijf compagnieën nodig gehad om een effectieve vertraging in te bouwen van de vijandelijke opmars. De overige troepen zouden zich dan achter de Zuid-Willemsvaart kunnen hebben posteren en – conform op 10 mei in de avond gegeven instructies – de overgangen opblazen. Zou Schmidt die tactiek hebben toegepast, dan was zijn naoorlogse kritische bespreking van de gekozen strategie tot lineaire verdediging geloofwaardig geweest. Schmidt deed echter niet eens een poging. In de tactische aanwijzingen aan de Vakcommandanten werd slechts – gevaarlijk generiek (omdat men ongewis was wie of wat van de eigen eenheden nog na kwam) – geïnstrueerd een terugtocht te aanvaarden met opwerpen van barricades en obstructies ter voorkoming van kort op de staart van de troep nadringen van de vijand. Er was geen sprake van dat er tactische concentraties op de cruciale kruispunten van wegen werden georganiseerd. Dat terwijl juist een dergelijke maatregel een extra verzekering zou zijn geweest dat de hoofdmacht zich gedekt en succesvol terug zou kunnen trekken op de Zuid-Willemsvaart en het ruimte had kunnen bieden de geheel afwezige defensievoorbereidingen achter de Vaart tenminste enige uitvoering te geven. Gezien het feit dat de staf Peeldivisie ook al had nagelaten veiligheidsbezettingen achter de Vaart te plaatsen bij de cruciale bruggen, was zo’n instructie tot bezetting van de kruispunten op de toenaderingswegen bepaald geen overbodige tactiek geweest. Kolonel Schmidt en zijn chef-staf waren er kennelijk niet op gekomen. Het is dan ook bepaald blasé geweest dat Schmidt naoorlogs die wijsheid wel in pacht meende te moeten hebben!

Dat er tactisch niets van klopte bij de staf Peeldivisie blijkt echter ook uit andere handelingen. Zijdelings werd al aangestipt dat men vrijgemaakte eenheden (in eerste fase drie compagnieën, later nog een geheel grensbataljon) niet gebruikte om veiligheidsbezettingen in tweede en derde echelon te construeren, maar dat zij deels onbegrijpelijke opdrachten kregen. Zo waren er twee vrij homogene compagnieën succesvol teruggetrokken uit de Maassector, uit niet aangevallen vakken. Daarnaast waren van GBJ twee compagnieën vrijgekomen, die hun grenstaken hadden verricht. Deze eenheden leverden bij elkaar een troepenmacht van circa drie compagnieën op. Twee daarvan werden naar Vak Schaik gestuurd, maar kwamen daar niet tot inzet en bleven doelloos in het luchtledige hangen. De derde compagnie ging naar Vak Erp. Het rond 1500 uur vrijgekomen 15.GB werd in haar geheel naar Vak Schaik gestuurd. Als er echter enig tactisch vernuft bij de staf van de Peeldivisie was geweest had men 15.GB niet ter beschikking gesteld van de vakcommandant Schaik, maar juist dit bedreigde vak in de rug een extra beveiliging gegeven. Dat zou zijn gebeurd door of de beide kruispunten aan weerszijde van Schaijk te doen bezetten of de beide kruispunten bij Oss en Heesch. Daarmee zou logistiek gezien een Duitse uitbraak uit Vak Schaik – wat immers een ongelofelijk operationeel risico was voor de cordonopstelling in de Peel-Raamstelling – in grote mate worden beperkt of vertraagd. Vermoedelijk voldoende om passende tegenmaatregelen te nemen. Eveneens had het in de reden gelegen, zeker voor de troepen die van GBJ (oorspronkelijk langs de zuidgrens) vrijkwamen, om juist de bruggen over de Zuid-Willemsvaart alvast met secties te bezetten, zodat daar een zekerheid werd gesteld dat in elk geval een basale bezetting aanwezig zou zijn. Van dit alles werd niets uitgevoerd. De vrijgekomen troepen werden verdeeld over Vak Schaik (twee compagnieën, later ook nog 15.GB) en over posities achter het nog totaal onbedreigde Wilhelminakanaal! Dus wel achter het Wilhelminakanaal, maar niet achter de Zuid-Willemsvaart. Logica daarachter was vanuit de optiek van kolonel Schmidt vermoedelijk dat hij een grotere vrees kende voor een snelle Duitse omtrekking van de Peel-Raamstelling bij Dorplein dan een frontale doorbraak van de Peel-Raamstelling. Maar als dat zijn grote vrees was, dan was zijn besluit om juist het Vak Weert te handhaven in haar posities na evacuatie van de Peel-Raamstelling ten noorden van dat vak daarmee in tegenspraak. Dat dit besluit sowieso tactisch niet verstandig was, bleek overigens in de praktijk, omdat het Vak Weert door haar saillante positie op 11 mei vrijwel geheel zou worden uitgeschakeld. Maar als kolonel Schmidt enige van zijn vrijgekomen grenstroepen achter het Wilhelminakanaal plaatste omdat hij een Duitse omvatting vreesde – wat op zich alleszins een verdedigbare vrees was – dan had hij juist het Vak Weert moeten terugnemen op het Wilhelminakanaal en hen niet in een uithoek moeten handhaven met de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat ze (uiteindelijk) aan twee zijden omvat zou worden op de volgende oorlogsdag. Kortom, zou de kolonel omwille van de omtrekking van de Peel-Raamstelling de bezetting van het Wilheminakanaal door vrijgekomen troepen hebben geambieerd, dan was zijn handelen ronduit ambivalent door Vak Weert juist in haar positie te laten. Resumerend kan gesteld worden dat het toewijzen van de eerste vrijgekomen compagnieën als tactische reserve voor Vak Schaik nog wel te begrijpen valt, wegens het aldaar ontbreken van reserves en de operationele uitdagingen die waren ontstaan, maar dat het nadien eveneens toewijzen van 15.GB aan Vak Schaik een tactische blunder was. Het getuigde niet alleen van beperkt tactisch gogme bij het duümviraat van de Peeldivisie, maar eveneens van opvallend tegenstrijdig handelen als de naoorlogse tactische wijsheden van kolonel Schmidt geloofwaardig geacht zouden moeten worden …    

De bovenstaande bespreking levert geen gunstig plaatje op voor kolonel Schmidt en zijn chef-staf, de kapitein der GS Van Griethuyzen. In feite toont het de beide hoofdverantwoordelijken volstrekt incompetent. Dat is een hard oordeel, maar verdedigbaar vanuit de feiten. De chef en chef-staf van de Peeldivisie hadden een haast onmogelijke opdracht gekregen, maar binnen de verantwoordelijkheid en handelingsvrijheid die hen gegeven was, toonden zij zich in geen enkel opzicht bekwaam, ronduit passief, en wellicht zelfs opvallend indolent. In geen enkel opzicht onderscheidde het duümviraat van de Peeldivisie zich door kundige improvisatie, verstandig beleidmatig handelen of visie. Dat gegeven verhoudt zich bijzonder gespannen met de wijze waarop kolonel Schmidt zich naoorlogs meende te moeten verantwoorden. De tendens van die verantwoording was ronduit beschamend in algemene toonsoort, in de naar narcisme neigende grondhouding en het totaal gebrek aan introspectief gehalte als het aankwam op zijn eigen handelen. Daarover in een later hoofdstuk meer.

Het is dan tijd te kijken hoe de liaisonfunctie door kolonel Schmidt werd ingevuld.

Kolonel Schmidt als verbindingsofficier

In de vroege ochtend van 10 mei 1940 werd de reserve-kapitein Max Boässon – de officier in de staf Peeldivisie die over het programma Ontwikkeling en Ontspanning ging – naar België gestuurd om aldaar met het Belgische commando in de sector zuid van Dorplein contact te leggen. Kolonel Schmidt verzuimt in zijn besprekingen te duiden of dit een vooroorlogse aanwijzing van deze officier betrof of dat het in de ochtend van 10 mei ad hoc beslist werd. Dat laatste lijkt niet erg voor de hand te liggen. Helaas is over de kwaliteiten van de betreffende officier niets bekend, maar gezien zijn positie als officier O&O, een zuivere vredesfunctie, lijkt er geen aanleiding te denken dat de reserveofficier in kwestie bij uitstek geschikt zou zijn om als verbindingsofficier op te treden. Daarbij komt dat wél duidelijk wordt uit de verslagen van kolonel Schmidt dat hij in feite ook geen verbindingsofficier was, maar slechts een veredelde boodschapper. Hij kreeg – althans naar opgemaakt kan worden uit het verslag van kolonel Schmidt terzake – geen autonome beslissingsbevoegdheid maar slechts de taak om inlichtingen aan de Belgen te geven en inlichtingen van hen te vragen. Als men er vanuit mag gaan dat een verbindingsofficier in mei 1940 in feite een zwaardere taak had, doordat deze een deels gemandateerde vertegenwoordiger van zijn onderdeelcommando was, was de kapitein Boässon geen verbindingsofficier. Zonder in semantiek te vervallen, lijkt zijn taak slechts te zijn geweest enige vorm van uitwisseling tussen de Belgische troepen in de sector Hasselt en de staf van de Peeldivisie persoonlijk tot stand te brengen. De kapitein werd daarom alleen weggestuurd, zonder bijvoorbeeld boodschappers bij zich om deze met ontvangen berichten terug te sturen. Daarmee lijkt het verleidelijk te concluderen dat hij slechts een bezoek zou brengen aan de Belgische lokale commandant in Hasselt en vervolgens weer zou terugkeren naar de staf van de Peeldivisie. Van dat alles kwam het niet, want de kapitein vond op tragische wijze de dood, toen hij doortastend probeerde de zich uit het gebied onder de grens terugtrekkende Belgen na te reizen en daarbij een brug overstak die net werd opgeblazen door de Belgische genie. Zijn lichaam werd pas ver na de capitulatie teruggevonden door de Duitsers. Nieuwe pogingen contacten met de Belgen te leggen werden niet ondernomen, als we de verslagen van de kolonel Schmidt mogen geloven. Het is echter bekend dat op 11 mei tenminste tweemaal een officier [1e luitenant der Politietroepen Poll] naar België werd gestuurd. Van de wederwaardigheden van die tochten is aan auteur dezes niets bekend. Voorts is bekend dat één Belgische officier, de 1e luitenant Cartuyvels, contact maakte met de staf van de Peeldivisie, in de vroege avond van de 10e mei. Welke informatie daarbij gewisseld is, blijkt in het geheel niet uit de voorhanden bronnen en kolonel Schmidt vermeldt het wederom niet. Veel belang in afstemmende zin zal het niet hebben gehad, daar de Belgische troepen reeds op 10 mei de regio noord van het Albertkanaal ontruimden. Maar het gegeven dát de Belgen die sector zouden ontruimen zal zijn gewisseld en de stemming bij de C-Peeldivisie niet hebben verbeterd. Daarom is het opvallend dat zijn verslagen van het voorval niet reppen, terwijl zijn zorg omtrent het 'open zuiden' al groot was voor de oorlog uitbrak.

Voor wat betreft contact leggen met de Fransen is er meer onduidelijkheid. Er wordt in het stafwerk gesuggereerd dat de kapitein der marechaussee Kroon, die te Breda de KMAR vertegenwoordiging leidde, in de morgen van 10 mei opdracht kreeg van de staf 3e Legerkorps, om als liaison op te treden als er Franse troepen de grens zouden passeren rond Breda. Waar het stafwerk zich op beroept is onduidelijk, maar er is geen ondersteunend bewijs te vinden. Daar komt bij dat de kapitein Kroon (niet te verwarren met zijn broer, de chef-staf van het 3e Legerkorps, de majoor Kroon), het Frans niet machtig was. Voorts blijkt van zijn vermeende liaison aanwijzing helemaal niets wanneer in de late avond van 10 mei de Belgische 1e luitenant Hautecler en de Franse overste Lestoquoi zich bij hem vervoegen, op zoek naar het Nederlands Militaire Gezag in Brabant. Deze gebeurtenis is door meerdere betrokkenen vastgelegd en daarbij blijkt in het geheel geen rol van een aangewezen liaisonfunctie voor de kapitein Kroon. Kolonel Schmidt bespreekt deze kwestie ook in het geheel niet en uit niets blijkt dat hijzelf of zijn chef-staf officieren uitstuurden die contacten met Franse eenheden moeten leggen. Kennelijk wachtte men tot de Fransen zich kwamen aandienen.

Dat men op de Fransen wachtte en zelf de bondgenootschappelijke aanwezigheid niet aftaste blijkt mede uit het gegeven dat de eerste twee contacten ontstonden doordat Franse officieren zich bij de Nederlanders aanmeldden. Het eerste contact was kort voordat de kolonel zijn CP naar Tilburg zou overbrengen. Kolonel Schmidt meldt in zijn verslag dat hij te Vught een Franse kapitein ontmoette, die volgens hem commandant was van een voorhoede van een Division Motorisé, die de taak had de opmars van de Fransen te dekken. Die notitie van de kolonel is de eerste opmerkelijke onzuiverheid in zijn verslag over de contacten met de Fransen. Het betrof vrijwel zeker een ontmoeting met de Franse 1e luitenant de Montalembert [C. 1e Eskadron AMD, 6.RC] en deze was niet van één van de verkenningseenheden die de Franse aankomst moest dekken, maar van 6.RC dat de voorhoede van 1.DLM vormde en de taak had rond Tilburg een noordelijke flank van 1.DLM te beveiligen. In het verslag van GBJ [majoor P.J. Heres] staat de ontmoeting helder vermeld, echter daar werd de Franse luitenant als kapitein de Saint Hubert aangeduid. Een vrijwel zekere fonetische verschrijving, want Lieutenant de Montalembert was commandant van DD.1 [Detachement Decouverte] en het was vrijwel zeker deze luitenant die als eerste contact maakte met de Nederlanders. Hij werd door C-1.GBJ naar de commandopost van kolonel Schmidt te Vught gebracht. Dat het om deze Franse officier lijkt te zijn gegaan en er sprake van fonetische weergave was van diens naam in het verslag van de Jagers is vrijwel zeker, want C-GBJ duidde de Franse Colonel Dario in zijn verslag ook al aan als kolonel Darraux.

Het gesprek met de Franse ‘kapitein’ duidt Schmidt in zijn verslag voorts ook anderszins curieus. Hij vermeldde dat de ‘kapitein’ hem meldde dat hij de aankomst van het Franse leger in Nederland moest dekken en opdracht had door te trekken richting Den Bosch. Onwerkelijk, want de voor alle Franse troepen geldende beperking was niet verder te trekken dan de sector even ten oosten van Tilburg, in het noordelijk verlengde van het kanaal van Turnhout. Ook generaal Van Hilten bevroeg Schmidt kritisch over deze passage in zijn verslag, omdat 6.RC onder instructies was ten zuidoosten en oosten van Tilburg posities in te nemen. Pas na de ontmoeting – later die ochtend (11 mei) – met Colonel Dario werden aan Franse zijde instructies gegeven twee verkenningsgroepen (DD’s) richting Eindhoven en Den Bosch te sturen (alsmede Gilze-Rijen veilig te stellen en Moerdijk te verkennen). Het lijkt erop alsof kolonel Schmidt de beide zaken in juni 1940 – toen hij zijn verslag schreef – vermengd had. In elk geval nam de kolonel na de ontmoeting met de Franse (subalterne) officier contact op met het AHK. De vraag die hij volgens zijn verslag aan overste Wilson – chef operatieën op de landmachtstaf – voorlegde was hoe de coördinatie tussen de Nederlanders en de bondgenoten was geregeld. Een uiterst curieuze vraag, want volgens hetzelfde verslag was hij in maart 1940 al geïnstrueerd om terzake naar eigen inzichten te handelen. Of was hier sprake van zorgvuldigheid en vermoedde de kolonel – vermoedelijk niet ten onrechte – voortschrijdend inzicht in Den Haag? In elk geval bleek dat voortschrijdend inzicht niet uit het opgetekende antwoord van overste Wilson. Die bleef erbij dat naar eigen inzicht moest worden gehandeld. Bovendien was de kolonel volgens zijn eigen zeggen zo optimistisch na de ontmoeting met de Franse ‘kapitein’ dat hij de commandant Vak Schaik nota bene opdracht gaf om stand te houden omdat er Franse steun voor hem zou komen! Die steun – in de vorm van twee verkenningseskadrons naar Den Bosch respectievelijk Eindhoven – werd echter pas later door kolonel Dario toegezegd en die had pas na het licht worden op 11 mei een ontmoeting met kolonel Schmidt, zoals hieronder zal worden besproken.

Een bizarre aantekening van kolonel Schmidt dus. Hoe kon het bestaan dat de gehele Peel-Raamstelling rond 2100 uur was geïnstrueerd om rond middernacht de stelling te evacueren en er opeens rond dat evacuatietijdstip – Schmidt is er onduidelijk over – een tegenorder naar commandant Vak Schaik werd gestuurd? Maar evenzo de vraag hoe hij de Franse officier kennelijk zo verkeerd begrepen had, dat die de indruk zou hebben gewekt dat zijn hele regiment zover oostelijk zou oprukken? Er moet sprake geweest zijn van pure fantasie van de kolonel – bij zijn aantekeningen in juni 1940 – of een vlaag van verstandsverbijstering. Als hij voornoemd bevel werkelijk aan de overste Detmar [C Vak Schaik] overbracht, dan is het nooit aangekomen, want de overste Detmar was sinds 2230 uur (10 mei) al met zijn staf op verplaatsing naar Den Bosch (Vught); daar waar de kolonel op dat moment zelf nog zat. In de verslagen van overste Detmar komt de tegenorder dan ook helemaal niet voor. Dat de Franse ‘kapitein’ de toezeggingen die Schmidt meende te mogen ontlenen aan het gesprek nooit gedaan kan hebben, lijkt tevens een duidelijke vingerwijzing naar het door kolonel Schmidt vermengen van vier verhaallijnen in zijn reconstructie: de 1e ontmoeting met de Franse ‘kapitein’, de 2e ontmoeting met de Franse overste Lestoquoi (die kolonel Schmidt in het geheel niet noemt in zijn verslagen), de 3e ontmoeting later in de ochtend van 11 mei met de Franse kolonel Dario en tenslotte de 4e ontmoeting met de Franse generaal Picard, commandant van 1.DLM aan het einde van de ochtend.

Omdat het voor de verhaallijn begrijpelijker is, wordt de 3e ontmoeting met een Franse bevelvoerder, met Colonel Dario – commandant van 6.RC [1.DLM], thans besproken en de 2e ontmoeting met overste Lestoquoi pas nadien belicht. Die 3e ontmoeting vond in de ochtend van 11 mei plaats toen kolonel Schmidt na een nachtelijke bijeenkomst te Breda net was teruggekeerd in Tilburg. Uit die ontmoeting volgde dat de Fransen niet verder dan het oosten van Tilburg wilden optrekken. De Fransman maakte de kolonel duidelijk dat zijn eenheid in het verlengde van het kanaal van Turnhout haar hoofdopstelling zou kiezen, later aangevuld door 4.RDP. Bovendien dat hij slechts bereid was twee verkenningsgroepen ver naar het oosten te sturen. Kolonel Schmidt was alles behalve gelukkig met deze gang van zaken, omdat het zijn front achter de Zuid-Willemsvaart volkomen in het luchtledige deed hangen en helemaal ten aanzien van de rechtervleugel bij Weert. Eén en ander zou zijn troepen zonder enige steun overgeleverd aan de vijand laten. Hij toog daarom naar het Belgische Oostmalle, waar het hoofdkwartier van generaal Picard [C-1.DLM] was ingericht. Aldaar ontstond een geanimeerd gesprek. En hoewel kolonel Schmidt in een later relaas arrogant meldde dat hij de Fransen zijn orders dicteerde, geeft zijn verslag van juni 1940 een vrijwel zeker accuratere voorstelling van zaken. Generaal Picard – in feite diens chef-staf – legde de kolonel een geschreven order voor die de gecombineerde Nederlands-Franse verdedigingsplannen dicteerde. De Nederlanders zouden zich ten noorden van het Wilhelminakanaal posteren ter verdediging [uiteindelijk op de lijn Tilburg – Den Bosch], en de Fransen zouden het zuiden ervan voor hun rekening nemen. Toen volgde een nadere aantekening door kolonel Schmidt. De generaal zou – volgens kolonel Schmidt althans – een regiment motorrijders naar Den Bosch sturen om de uiteengeslagen Nederlandse verbanden in het noordelijke vak te assisteren bij hun defensie. Die aantekening leek verdacht veel op wat de eerdere Franse 'kapitein' eerder zou hebben toegezegd volgens de kolonel, maar onmogelijk kán hebben toegezegd. Het was echter ook niet wat generaal Picard zelf in opdracht gaf aan zijn voor dergelijke taken ingerichte 6.RC. Slechts twee eskadrons werden naar Eindhoven en Den Bosch gestuurd, met een verkennende taak, geen verdedigende. Het is slechts deze Franse ‘toezegging’ die met enig fatsoen gelijkenis toont met de bewering van kolonel Schmidt dat hij de commandant van Vak Schaik opdracht gaf stand te houden omdat Franse steun op handen was. Dat gegeven schept echter het onoverbrugbare probleem van de tijdsbalk. Vak Schaik was immers op 10 mei om middernacht volgens geldende orders geëvacueerd (althans, dat was de bedoeling) en het gesprek met de Franse generaal vond in de late ochtend van 11 mei plaats. In geen enkel opzicht zijn beide zaken chronologisch te koppelen. En het is uitgesloten dat de Franse officieren die kolonel Schmidt voordien sprak ook maar de suggestie van belangrijke Franse steun richting Den Bosch of Mill kunnen hebben gegeven of zelfs maar gesuggereerd. Kolonel Schmidt gaf er in zijn relaas blijk van de eerste, derde en vierde ontmoeting met Franse officieren puur willekeurig te hebben opgeslagen, althans er zodoende kond van te doen in zijn verantwoording richting de onderzoekscommissie van Defensie. Bovendien lijkt het erop dat hij v.w.b. de aanvullende order richting overste Detmat in feite niet duidde op de avond van 10 mei, maar de vroege ochtend van de 11e mei, en dat het standhouden zag op de sector tussen Den Bosch en Den Dungen waarheen inderdaad een Frans eskadron - ter vekenning - zou worden gestuurd.

Dan is er nog de tweede ontmoeting, die ten bate van het overzicht asynchroon wordt belicht. Nadat de kolonel een ontmoeting met de Franse ‘kapitein’ had gehad, toog hij op een uiterst vreemde missie richting Bergen op Zoom, omdat aldaar een Franse commandant van een verkenningsgroep (Colonel De Beauchesne) zou zijn aangekomen. Daar had de kolonel natuurlijk helemaal niets te zoeken, maar zoals hij meer impulsief handelde, deed hij gewoon wat hem goeddunkte en liet wederom zijn staf achter. Onderwijl was echter in de late avond van 10 mei de voorhoede van de Groupe Lestoquoi gearriveerd aan de Nederlands-Belgische grens ten zuiden van Breda. De overste Lestoquoi had zich voorzien van een Belgisch officier, de 1e luitenant Hautecler, die zowel het Nederlands als het Frans machtig was en zodoende als liaison kon fungeren. Via omwegen geraakte een groep officieren, waaronder de Belgische luitenant en de Franse overste, bij het stadhuis te Breda en werd daar door de gepensioneerd generaal-majoor der genie J.C. Hardeman en de gemeentesecretaris [mr. Ph. Van Woensel] ontvangen, die net een vergadering hielden over de geactiveerde burgerwacht. Overste Lestoquoi wilde contact maken met de TBB, maar door de Bredase delegatie gezochte contacten met Tilburg maakten spoedig duidelijk dat die op weg was naar Bergen op Zoom. Daarop werd een tweetal militairen (mogelijk burgerwacht) naar de weg Tilburg – Breda ten noorden van de stad gestuurd om de kolonel op te vangen. Dat gelukte. Daarop arriveerde de kolonel – samen met een stafofficier die door luitenant Hautecler als ‘een getinte man’ werd aangeduid (vermoedelijk duidende op luitenant Van Ameyden van Duyn, een KNIL officier) – op het stadhuis en had daar vervolgens een ontmoeting met overste Lestoquoi. Daarbij werd volgens de Franse verslagen en die van de Belgische luitenant door kolonel Schmidt gemeld dat er parachutisten waren geland bij Moerdijk, bij Gilze-Rijen en bij Woensdrecht en dat de Peel-Raamstelling was geëvacueerd. Voorts dat zijn troepen uiteen waren geslagen door krachtige Duitse aanvallen, massale artilleriebarrages en tanks. Een sterk overdreven voorstelling van zaken, die echter niet naliet indruk te maken op de Fransman. De Franse overste meldde de kolonel dat hij niet oostwaarts kon optreden maar opdracht had zich aan weerszijde van Breda in noordoostelijke richting ter verdediging op te stellen in afwachting van de hoofdmacht. Na het gesprek vertrok de kolonel, en toog terug naar Tilburg waarna de ontmoeting met kolonel Dario volgde. De hele voorgaande ontmoeting met overste Lestoquoi is kolonel Schmidt totaal vergeten. Hij noemt de bijeenkomst niet in zijn verslag van juni 1940 en op vragen naoorlogs van de onderzoekers Van Hilten en Nierstrasz antwoordt de kolonel zich de zaak totaal niet in herinnering te kunnen brengen. Uiteraard is het mogelijk dat onder het ongetwijfeld spanningsvolle functioneren van de kolonel in die cruciale uren tijdens de eerste oorlogsdagen herinneringen sterk gemutileerd zijn, zelfs geheel zijn verdwenen. Het is echter niet het enige voorval wat op een curieuze reproductie door de kolonel kon rekenen.

Er is alle aanleiding om sterk aan de weergave van kolonel Schmidt te twijfelen. Ten eerste is er de kwestie van zijn bewijsbare oprechte (of gespeelde) amnesie, waarbij gesprekken niet juist worden weergegeven, personen uit zijn geheugen zijn verdwenen en zelfs een belangrijke ontmoeting in Breda volkomen lijkt te zijn verdwenen uit zijn geheugen. Ten tweede is er de verdenking dat de kolonel zijn beheersing van het Frans beperkt was, wat bij die complexe taal alle aanleiding kan vormen tot misverstanden. Ten derde lijkt het – gegeven zijn geschreven verslagen en zijn verhoren voor de PEC – bepaald niet onaannemelijk dat kolonel Schmidt aan enige of een grotere mate van imaginatie leed. Dit alles kan veroorzaakt zijn door een haast onmiskenbare neiging tot narcisme, die de kolonel in zijn naoorlogse geschriften en verhoren leek te tonen. Zonder een psychoanalyse te willen maken van de kolonel Schmidt – wat immers een kwestie voor professionele psychiaters zou zijn en niet voor auteur dezes – lijkt de persoonlijkheid van de man bijzonder veel raakvlakken te hebben met de profielen die men een persoon met een narcistische persoonlijkheidsstoornis toedicht. Want ontegenzeglijk is de tendens van zijn curieuze reproductie van de gebeurtenissen nooit direct aanleiding aan zijn eigen handelen te twijfelen. Pas als men de zaken met andere bronnen vergelijkt en zijn kritieken jegens derden toetst komt men tot de conclusie dat de kolonel op zijn mildst gezegd zeer subjectieve weergave van zaken gaf. Een conclusie die onderzoeker Van Hilten naoorlogs eveneens trok, met als gevolg dat de toon van replieken van de kolonel b.d. Schmidt zich spoedig in wrange soort ontwikkelden. Na de bespreking van de gevangenneming van de kolonel wordt dat onderwerp – de correspondentie tijdens de waarheidsvinding door de onderzoekers van Defensie – uitgebreid beschouwd.

Vermoedelijk realiseerde de kolonel zich in de loop van de 11e mei dat hij onmogelijk zelf de contacten met de Fransen actief persoonlijk kon blijven zoeken. Vanaf de middag van 11 mei schakelde hij diverse officieren op de staf in de verbindingen fysiek gaande te houden. Van enige werkelijke Nederlands-Franse afstemming zou het echter niet meer komen. De ontwikkelingen op het slagveld elders en in Brabant achterhaalden iedere ambitie die er vanaf de 11e mei al mocht hebben bestaan bij partijen.

In de armen van de vijand gereden …

Het reizende circus dat kolonel Schmidt van zijn staf en hemzelf (met entourage) maakte vond een abrupt einde van de tour door Noord-Brabant in de vroege morgen van de 12e mei. Daaraan ging nog wel een het ander vooraf.

Na het bezoek te Oostmalle kwam de kolonel terug op zijn hoofdkwartier in Tilburg en vond daar – na de gehele ochtend onderweg te zijn geweest – de zojuist gesmeede plannen alweer door de werkelijkheid achterhaald. De situatie was zodanig dat direct besloten werd de troepen van de drie zuidelijke vakken [Bakel, Asten en Weert] ten noorden van het Wilhelminakanaal te plaatsen, zodat zij met de opstelling achter het noordelijke deel van de Zuid-Willemsvaart een haakse verbinding maakte. Voordat dit tot uitvoering kwam werd echter opnieuw een tegenorder voorbereid die de troepen direct op een lijn Den Bosch – Tilburg moest brengen, maar die order kwam nooit tot enige uitvoering, omdat de Duitsers op vele locaties door de verdediging bij de Zuid-Willemsvaart waren gebroken. Vanaf dat moment was het volkomen chaos. De troepen die zich van de vijand los konden maken, vloeiden in wanorde terug, maar grote contingenten werden door de Duitsers overrompeld of raakten geïsoleerd. Gebeurtenissen waar kolonel Schmidt op zich niet veel meer aan kon doen. Het totale gebrek aan verbindingen en het ontbreken van bestaande en werkende bevelketens maakte de staf van de Peeldivisie vanaf de middag van 11 mei tandeloos. De chaotische taferelen kon de staf deels zelf waarnemen toen het een toenemende ordeloze stroom troepen westwaarts zag trekken over wegen naar en langs Tilburg. Officieren ontbraken grotendeels, want in het Nederlandse leger anno 1940 was de officierskaste nog zodanig verheven opgevoed dat zij de schaarse gemotoriseerde vervoersmiddelen benutten om niet te hoeven lopen en dus niet met maar voor hun verbanden uit trokken. De eenheden zelf trokken in ordeloos verband terug, meestal met onderofficieren als enige kader onder hen. Toen kolonel Schmidt zelf aan de weg verscheen en trachtte groepen te organiseren, realiseerde hij zich ook dat van zijn divisie voorlopig niets meer verwacht kon worden. Hij verwees de troepen naar Roosendaal, waarbij ze de hoofdweg Tilburg – Breda – Etten – Roosendaal moesten vrijlaten voor de Fransen, zoals generaal Picard hem had geïnstrueerd.

Nadat de kolonel uiteindelijk weer terugkwam op zijn hoofdkwartier – aan het einde van de middag – ontmoette hij een Franse kolonel, volgens Van Hilten de commandant van 38.RI (25.DIM), wat de overste Denis of de kolonel Philipe moet zijn geweest. Deze meldde de kolonel – volgens diens eigen zeggen – dat zijn eenheid de verdediging van de sector zou overnemen. De Nederlanders zouden volgens de Fransman drie dagen kunnen recupereren rond Roosendaal. Het is uiterst onzeker of de Franse kolonel dit werkelijk heeft medegedeeld. Het zou zomaar weer een creatie van de kolonel Schmidt zelf kunnen zijn geweest. Bovendien lijkt Van Hilten zijn conclusie dat dit de C.38.RI moet zijn geweest onlogisch. Die zat rond die tijd bij Etten, ver verwijderd van Tilburg. Het zal een andere Franse kolonel zijn geweest, vermoedelijk kolonel de Caubans, die het in de omgeving ontplooiende 4.RDP aanvoerde en die later die dag ook door C-Vak Bakel bij Tilburg werd ontmoet. Helaas is er geen duidelijkheid te krijgen, want de instructie van de betreffende Fransman dat de Nederlanders te Roosendaal zouden kunnen recupereren is curieus.

Intussen was een deel van de staf Peeldivisie vooruit gestuurd om een nieuw kwartier in Princenhage [Hotel Burck] te betrekken. Een slechte keuze, en had men enige vorm van voorverkenning gepleegd, dan had men dit geweten. Breda en omgeving, vooral Ginneken en Princenhage waar de belangrijkste wegen langs en door voerden, waren al twee dagen doelwit van de Luftwaffe. Geen geschikte plek dus voor een hoofdkwartier, met al het verkeer dat dit aantrekt en evident de kwetsbaarheid van een staf. De kwartiermakers van de staf - onder leiding van de kapitein Dommisse (van de Sectie I) - waren in Princenhage zelf ook al tot de conclusie gekomen dat het aldaar ongeschikt was om het nieuwe hoofdkwartier te vestigen en meldden dit aan Tilburg in de middag van 11 mei. C-Peeldivisie gaf als antwoord ter plaatse te blijven of in de directe omgeving een geschikt kwartier te betrekken, althans volgens zijn eigen mededeling. De kapitein verklaarde echter dat hem werd verteld meer westelijk een nieuwe locatie te vinden, waarbij slechts de hoofdweg richting Roosendaal gemeden diende te worden. In de vroege avond werd de gevechtsstaf eveneens naar Princenhage overgebracht in de gedachte daar wel naar de nieuwe locatie te worden verwezen. C-Peeldivisie gaf opdracht aan de chef-staf om zich tegelijkertijd met hem te verplaatsen. Een absolute faux-pas, zeker in het geval van de Peeldivisie, waar chef en chef-staf de enige stafcompetente officieren waren. Desondanks handelde kolonel Schmidt opnieuw in weerwil met alle wetten van de logica en reisde samen met de chef-staf langs de stelselmatig door de Luftwaffe aangevallen hoofdweg tussen Tilburg en Breda. In Princenhage aangekomen trof men echter geen staf aan. Deze was doorgereisd naar Roosendaal, zo meldde een ter plaatse gebleven onderofficier van de Politietroepen. In feite was de staf echter naar Bergen op Zoom verplaatst daar een kwartiermaker te Roosendaal kapitein Dommisse verwittigde dat ook Roosendaal doelwit van de Luftwaffe was.

In plaats van de weg der logica te bewandelen en eveneens naar Roosendaal te vertrekken met zijn chef-staf en de toegevoegde officieren die bij de entourage van de kolonel bleven, besloot de kolonel met zijn gevolgd terug te gaan naar zijn voormalige hoofdkwartier in Tilburg! De weg terug werd in de ochtend – bij daglicht – genomen. De hoofdroute werd gemeden en daarom reed de gevechtsstaf om via de route Princenhage-Oosterhout-Dongen-Tilburg. Men miste echter de afslag in Oosterhout naar Dongen, omdat de kolonel topsnelheid had gevraagd van de chauffeurs. In plaats van over Dongen naar Tilburg te rijden, reed men naar Loon op Zand, om van daaruit de weg pal zuid naar Tilburg te nemen. Dat alles in de veronderstelling in goed verdedigd gebied te rijden. Maar in plaats van richting eigen troepen te rijden, reed de colonne recht in de armen van één der gepantserde vuisten van de 9e Panzerdivision [Gruppe Apell, waarvan de spits door AA Lüttwitz werd gevormd]. De kolonel, zijn chef-staf en drie andere officieren en dertig minderen waren in Duitse handen gevallen. Ze werden onmiddellijk naar Uden gevoerd.

De kolonel werd onmiddellijk ondervraagd, naar eigen zeggen door een Hauptmann der Generalstab. Hij zal van de sectie Ic zijn geweest, vermoedelijk de Generalstabsoffizier voor inlichtingen. Die vroeg alom naar de onderdelen van het 3e Legerkorps en de Lichte Divisie, wilde weten welke troepen de kolonel aanvoerde en welke reserves hij had. Naar eigen zeggen bleef hij op alle vragen het antwoord schuldig, maar een goed uur later kwam de kolonel opnieuw in gesprek met de eerder geciteerde Hauptmann, die promt zijn piëteit uitsprak met het erbarmelijke lot van de kolonel Schmidt en zijn respect uitsprak voor diens prestaties ondanks dat hij aan de Goden overgeleverd was. Uit een citaat van de Hauptmann – dat kolonel Schmidt zonder schroom in zijn verslag in juni 1940 vermelde – bleek hoe naïef deze Nederlandse hoofdofficier was:

» [juni 1940, verslag L.J. Schmidt]: Herr Oberst, die V.Division war nicht da! Auch die VI.Division war nicht da! Und auch die Leichte Division war nicht da! Sie hatten kein Flak, kein MG gegen Luftwaffen, keine Minenwerfer, keine Artillerie, keine Reserve. Sie hatten überhaupt nichts als einige Panzerabwehrkanonen. Ich weiß jetzt alles und musste Ihnen etwas sagen: Sie und Ihre Truppen haben wunderbares geleistet. Hatten wir alles gewusst! Aber ich sage Ihnen, die Engländer, die Franzosen, Ihre Regierung und Ihr Oberbefehlshaber haben Sie im Dreck sitzen lassen. Ik verzocht toen beleefd verschoond te mogen blijven van kritiek op mijn superieuren. «

Een typerende slotzin, die de kolonel zogenaamd weer bevestigde als een correcte en loyale officier. Werkelijk correct was het echter geweest een dergelijk voorval in het geheel niet te noemen, want dan zou immers het diskrediet voor zijn vorst en superieuren geen enkele schade aanrichten. Voor de krijgshistorie deed het geheel er immers niet toe. Het nadrukkelijk vermelden van het citaat in zijn verslag doet dus vermoeden dat de kolonel het graag met de rest van defensie deelde. Opvallender is de kennelijke naïviteit bij de C-Peeldivisie omtrent het klakkeloos geven van belangrijke strategische informatie aan de vijand. Of de kolonel gaf zelf gewillig alle antwoorden op de informatievragen van de Duitse officier [zoals het verslag van de Ic van 39.AK in klare taal stelt] of één van zijn ondergeschikten deed dat. Toen hij met de antwoorden van de Duitser werd geconfronteerd, achtte hij het kennelijk niet noodzakelijk die informatie van afwezigheid van de benoemde onderdelen en middelen te ontkennen. De Duitser wist hem immers precies daar te raken waar de kolonel zo kwetsbaar was: zijn eigen ego, en dat werd door de Duitser heel handig gestreeld. De kans bestaat overigens net zo goed dat de kolonel het betreffende gesprek in werkelijkheid helemaal niet voerde, maar de Hauptmann liet figureren in een schriftelijk rollenspel om zodoende indirect zijn superieuren een sneer te kunnen geven.

Met zijn gevangenneming hield de rol voor de TBB op. Vanaf dat moment werd er door de Fransen met Nederlandse eenheden in Brabant in het geheel geen rekening meer gehouden. Voor zover men dit voordien al had gedaan …   

De naoorlogse waarheidsvinding

Wat betreft zijn onwerkelijke taakstelling had kolonel Schmidt alle recht zich te beklagen. En die eigenschap was bij hem ruimschoots voorhanden. Zijn naoorlogse epistelen zijn één grote klaagzang en een aaneenschakeling van aanklachten jegens anderen. Ten aanzien van zelfreflectie toonde de kolonel zich volkomen wars. Met een aan staccato grenzende teneur werd de gehele entourage en legerleiding de maat genomen, in directe of indirecte bewoordingen. Naast een buitengewoon selectief geheugen toonde de kolonel tevens een bijzonder grote kennis van zaken, maar wel a-posteriori. Dat het om kennis achteraf ging, toonde zijn handelen tijdens de door hem beschreven gevechtsdagen, die vaak haaks stond op zijn nadien getoonde ‘kennis’.

Tussendoor gaf hij nog wel even aan werkelijk te hebben overwogen de aan hem in maart 1940 opgedragen taak te weigeren en zijn ontslag in te dienen. Maar zijn vrouw had hem overtuigd toch zijn taak te aanvaarden, want hem was immers in het vooruitzicht gesteld dat hij generaal zou worden, mogelijk nog in het jaar 1940. Principieel was de kolonel dus ook al niet, hoewel hij zich dat vast niet realiseerde toen hij zichzelf impliciet van gebreke daarvan beschuldigde door zijn promotie overwegingen te laten prevaleren boven principes. Saillant is dat zijn wijsheid achteraf sterk doet denken aan een vergelijkbare persoonlijkheid, die in de vorm van generaal Reynders op onwerkelijke wijze naoorlogs zijn gelijk probeerde te halen door vooral op het ongelijk van zijn opvolger te wijzen. Even wars van het kleinste greintje zelfkritiek rende Reynders naoorlogs als een olifant door de porseleinkast. Kolonel Schmidt was het weliswaar niet op alle punten met Reynders eens geweest – zo betoogde hij – maar zijn visie was er tenminste één geweest die in de buurt lag van die van de kolonel zelf. Dat Schmidt in zijn epistelen in werkelijkheid de strategie van Reynders (terecht) failleert – uitdrukkelijk zelfs als het ging om het zwevende zuidelijke uiteinde van de Peel-Raamstelling en de risico’s van dien – ontging hem kennelijk bij zijn opportunistisch uitgesproken steun aan de generaal.

In zijn klaagzangen vergeet kolonel Schmidt nadrukkelijk zichzelf de maat te nemen. En dat is betreurenswaardig, want hij had er alle reden toe vooral en vooreerst zelfkritisch te zijn. Natuurlijk had zijn betoog mogen – zelfs moeten – aanvangen met de kundige beschrijving van welke (onmogelijke) missie hem was opgedragen. En natuurlijk had de kolonel alle recht zich te beklagen over de onwerkelijke opdracht die hij kreeg en het totaal ontbreken van enige ondersteuning en assistentie vanuit Zeist en Den Haag. Maar tegelijkertijd was er die verantwoordelijkheid om binnen die in maart 1940 ontvouwde nieuwe opdracht alles in het werk te stellen om er een zo succesvol mogelijke uitvoering aan te geven. En daarin faalde kolonel Schmidt volkomen. Zijn falen zag hij echter nog niet eens fractioneel onder ogen. De formeel gestelde briefwisseling met in het bijzonder de generaal Van Hilten, als hoofdonderzoeker van het meidagendossier, toont vanaf de eerste openbare brieven een opbouw in kritische vraagstelling vanuit de onderzoeker. Zijn kritische vragen werden geagiteerd beantwoord door een getergd oud-hoofdofficier, die tot zijn onbegrensde woede niet eens titulair tot generaal was bevorderd bij zijn pensionering. Nierstrasz werd nog met ‘amice’ aangeschreven, maar Van Hilten kreeg gepeperde antwoorden terug, meestal met een post scriptum dat duidelijk maakte dat de scribent in kwestie ‘not amused’ was. Enige voorbeelden vormen een aardige bloemlezing van de sfeer en toonsoort waarin de uitwisseling van brieven plaatsvond:

» [December 1947, Schmidt, aan v Hilten] Ik maak van deze gelegenheid gebruik aan mijn gegriefdheid uiting te geven, dat de krijgsgeschiedenis in Brabant is geschreven zonder mij te hebben gehoord

» [December 1949, Schmidt, aan v Hilten] Ik ontving geen order van de Franse generaal. Ik dicteerde zelf in het Frans de orders aan de chef van de staf der Franse divisie. De order gold zowel de Franse als de Nederlandse troepen. «

» [Januari 1952, Schmidt, aan v Hilten] Alle verhalen van: hadden we maar anders gehad, dan hadden we nog dit of dat kunnen doen is leuterpraat. Ik zeg dit uit waarneming van de terugtrekkende troepen.  (…) Bij het lezen van het relaas van uw bureau kan ik mij niet aan het gevoel onttrekken, dat er wel heel weinig waardering spreekt over de wijze waarop het e.a. in Brabant gevoerd is. Wanneer u nagaat dat de Duitsers meenden 3 Divisies tegenover zich te hebben in plaats van een armzalige Peeldivisie, dan zou een enkel woord van lof voor de houding van de troepen niet misplaatst zijn geweest

Mogelijk nog typerender was het in het vorige hoofdstuk weergegeven citaat van een Duitse stafofficier, die de kolonel hielp om op indirecte wijze in zijn verslag van de gebeurtenissen zijn superieuren een klets om de oren te geven. Het voorval lijkt overigens een regelrecht verzinsel (of mogelijk een combinatie van fantasie en werkelijkheid) van Schmidt om zo op indirecte wijze zijn chefs te corrigeren, want de Duitser zei wel heel precies waar de kolonel zich elders over beklaagde.

Analoog aan de steeds herhaalde irritatie zijdens de kolonel, nam de specificatie van de vraagstelling vanuit Den Haag ook toe. Onderweg was de kolonel namelijk een heleboel – voor hem minder florissante – feiten vergeten. In een brief in 1949 maakt hij de onderzoekers duidelijk dat hij van de bezoeken aan Franse hoofd- en opperofficieren nagenoeg niets meer weet en dat de uitgebreide vergadering met de Franse overste Lestoquoi in Breda in de nacht van 10 op 11 mei 1940 hem zelfs volkomen is ontgaan, zelfs na een geheugensteuntje vanuit Bredase en Franse hoek. Schmidt verwoorde het als volgt in zijn brief [november 1949] aan generaal Van Hilten:

» Naar aanleiding van uw brief van 2 november 1949 deel ik u mede dat ik mij thans niets meer kan herinneren van hetgeen u in die brief meldt. Ik kan u alleen zeggen dat ik met de verschillende Franse hoofdofficieren bespreking heb gevoerd. Het heeft mij ten zeerste verwonderd dat men het blijkbaar niet nodig heeft gevonden mij te verzoeken een mondeling verslag uit te brengen over o.a. mijn bespreking met den generaal commandant van de Franse troepen en mij als commandant van de troepen in Brabant op geen enkele wijze naar mijn bevindingen heeft gevraagd. Thans herinner ik me ook niet meer de details die een belangrijke bijdrage hadden kunnen hebben leveren tot de juiste samenstelling van de krijgsgeschiedenis. W.g. L.J. Schmidt«

De gehele brief blijkt een valselijke voorstelling van zaken door de kolonel. Niet alleen ontbreken de door Van Hilten gevraagde gegevens over de ontmoeting in Breda al in het uitgebreide persoonlijke verslag van de kolonel in juni 1940 (en gaat het zelf aangevoerde argument dat de memorie inmiddels de kolonel in de steek liet dus niet op), maar in de periode voorafgaande aan zijn brief in november 1949 was hij uitgebreid gehoord voor zowel de Parlementaire Enquête Commissie als de Commissie Onderscheidingen. Bovendien – en gezien zijn slotzin is dat uiterst curieus – geeft de kolonel in antwoordbrieven aan Van Hilten in 1951 en 1952 aan nog wel degelijk over talloze details te beschikken, die kennelijk wel uit memorie of aantekeningen konden worden opgemaakt. Zijn in feite ondergeschikte rol in de besprekingen met de Franse kolonels (Dario, Lestoquoi en vermoedelijk De Caubans) alsmede met de Franse generaal Picard (door Schmidt overigens stelselmatig Durand genoemd) stonden niet in verhouding tot zijn opmerking over die verhouding in zijn verslag van juni 1940 en de brief in december 1949 [zie eerder citaat], kort na de hierboven geciteerde brief, waarin Schmidt aangeeft de Fransen te hebben geïnstrueerd in plaats van zich ondergeschikt aan hen te hebben opgesteld, zoals feitelijk het geval was. Maar wie zou het hem euvel geduid hebben dat hij zich ten dienste van de Fransen stelde, nu zulks volkomen aanvaard was binnen de bondige instructie vanuit Den Haag en gezien de algemene militaire situatie? Men vraagt zich af waarom het overmatig ‘stoere’ gedrag van de kolonel in zijn geschriften en verklaringen werd geëtaleerd.

Zoals eerder aangehaald toont de correspondentie tussen de onderzoekers en de kolonel een duidelijke tendens van toenemende kennis zijdens de onderzoekers. In eerste aanleg waren de vragen vrij generiek en dus weinig excpliciet. Maar het blijkt dat de onderzoekers vanuit andere bronnen onderwijl beter werden geïnformeerd dan door de voormalige TBB. Uiteindelijk leidt dit vanaf december 1949 tot een serie brieven met zeer gedetailleerde vragen, waarbij de kolonel ook gesouffleerd wordt met informatie en zeer specifieke verzoeking om nadere duiding. Die onderzoeken zetten zich voort tot in 1951, waarbij de kolonel op 22 januari 1951 een antwoordbrief weet te produceren waarin veel details waren opgenomen. De voorpagina van de brief toont weer de kolonel Schmidt waarmee de lezer inmiddels vertrouwd is geraakt. Die betreffende pagina wordt in zijn geheel geciteerd:

» Naar aanleiding van uw brief van 12 januari 1951 met bijlage breng ik het navolgende onder uw aandacht.

De opstelling van mijn divisie was door de OLZ vastgelegd. De aanleg van de kazematten geschiedde zonder mijn advies. Ik heb meermalen geprotesteerd tegen deze opstelling die een kordonopstelling voorschreef zonder enige diepte, zonder enige samenhang. Herhaaldelijk heb ik betoogd dat een opmars van de Duitsers alleen vertraagd zou kunnen worden door het inrichten van verdedigingswerken op de voornaamste kruispunten van wegen. Hierdoor zou tevens het voordeel zijn verkregen dat de weerstand werd geleverd in bataljons- of compagniesverband, terwijl thans groepsverband bestond. Mijn argumenten werden zonder meer terzijde gelegd.

Toen heb ik bij oefeningen op de kaart onder mijn leiding mijn ondercommandanten ervan trachten te doordringen dat zij geheel op zichzelf waren aangewezen en dat ik door gebrek aan reserves geen invloed op de gevechten kon uitoefenen. Eender wees ik erop dat door het vechten in groepsverband de chaos niet te ontgaan was, omdat ook de lagere commandanten zelfs de compagniescommandanten niet over reserves beschikten om invloed te kunnen uitoefenen. 

W.g. L.J. Schmidt«

Men zou uit deze brief de indruk krijgen dat een commandant slechts leiding kan geven aan zijn eenheden, als hij over reserves beschikt. Want dat is de teneur van de laatste alinea. Uiteraard spelen reserves een grote rol, zeker als men de dynamiek op het slagveld moet beantwoorden. Het is echter een valse voorstelling van zaken dat uit de 23 bataljons onder de Peeldivisie geen enkele operationele reserve kon worden gegeneerd. Er waren talloze verbanden in gebieden gepositioneerd waar de vijand vrijwel zeker niet zou aanvallen, en waar dus kansen lagen om met manoeuvres bepaalde troepen in vakken vrij te maken. Enkele vakcommandanten slaagden daar ook in. Daarnaast was leiding geven natuurlijk veel meer dan met reserves schuiven. Dat dit wellicht bij kolonel Schmidt niet geland was tijdens zijn carrière, lijkt tevens te spreken uit zijn handelen tijdens de oorlogsdagen. En dat leek ook de conclusie waar generaal Van Hilten naar neigde, gezien zijn steeds prikkelender vragen aan de voormalig TBB. Maar wat de generaal ook trachtte te horen te krijgen, op de vele openstaande vragen kreeg hij geen antwoord. En dan mag daarbij worden aangetekend dat de onderzoekers het gehele voorbereidingsverhaal – het ontbreken van enige planning bij de staf Peeldivisie voor een ‘fall back scenario’- in het geheel niet voor de voeten van kolonel Schmidt wierpen. Men stelde vooral vragen over de motivaties die aanleiding waren tot zijn besluiten na de evacuatie van de Zuid-Willemsvaart en zijn verhoudingen met de Fransen. Men was dus maar half zo kritisch geweest – in de vraagstelling aan de kolonel – dan men met rede had mogen zijn.

Hoe oordeelde het stafwerk?

Het stafwerk oordeelt uiterst kritisch over het optreden van de C-Peeldivisie bij de besluitvorming rond vernieling van strategische bruggen. Het gedraal van de kolonel Schmidt bij de vernieling te Roermond, waarbij hij de C-17.GB tot tweemaal toe verbood de brug te doen opblazen wegens ontbrekend bewijs van de algemene Duitse aanval (waarna men ter plaatse op autonome overweging desalniettemin tot vernieling overging), leidde tot een schaarse veroordeling in het stafwerk. Men achtte het een totaal gebrek aan vertrouwen in de ondercommandanten (C-17.GB en brugcommandant). En dat lijkt een terechte conclusie. De strategische bruggen over de Maas die vlakbij de Duitse grens lagen, wat in feite gold voor alle bruggen in de sector van de C-Peeldivisie ten zuiden van Mook, lagen in feite zo dicht op de Duitse grens, dat de C-Peeldivisie wel op de autonome inzichten van lokale bevelhebbers moest vertrouwen. Zijn afweging kon slechts die zijn tussen het vertrouwen in ondercommandanten enerzijds en een groot strategisch risico nemen dat een spoorbrug intact in Duitse handen zou vallen anderzijds. De C-Peeldivisie was kennelijk van mening geweest dat wantrouwen van zijn ondercommandanten in Roermond het won van het strategische risico, ondanks zijn eigen overtuiging dat de Duitse inval op 10 mei een feit zou zijn. Zoals zo vaak, een tegenstelling in het handelen van de kolonel Schmidt die opvalt.

Toch dient het ter verdediging van de kolonel te worden gezegd dat de terughoudendheid een algemeen vernielingsbevel te geven voor alle kunstwerken in Noord-Limburg en Oost-Brabant, enigszins te begrijpen valt. De algemene teneur bij het hoge kader in het Nederlandse leger was die van wantrouwen jegens lagere veldcommandanten. In feite was autonomie, zeker betreffende belangrijke besluiten, een niet bestaand fenomeen in het Nederlandse leger. Dat neemt niet weg dat de terughoudendheid van de C-Peeldivisie op alarmerende berichten van zijn veldcommandanten, hem wel volledig kan worden aangerekend. Evenzo het feit dat uit diverse onderzochte voorvallen – bijvoorbeeld Grave en Gennep – is gebleken dat de draaiboeken en het lokale bevel door C-Peeldivisie niet goed waren geregeld. Dergelijke voorname strategische zaken hadden als eerste door de C-Peeldivisie moeten zijn aangepakt, te meer daar hij voor wat betreft de Maaslinie al vanaf de voormobilisatie het feitelijke commando had gedragen.

Het stafwerk bespreekt wel het gegeven dat drie compagnieën [4-2.GB, 4-17.GB en 3-GBJ) al vroeg in de morgen van 10 mei vrijkwamen van de Maaslinie en de zuidgrens, maar niet dat deze troepen beter ter zekering van strategische kruispunten achter de Peel-Raamstelling of strategische bruggen over de Zuid-Willemsvaart hadden kunnen worden ingezet dan te worden toegevoegd aan de Vakken Schaik en Erp. Dat terwijl de C-Peeldivisie reeds kennis droeg van de penetratie bij Mill, wat op zich alle aanleiding had kunnen vormen reeds in de ochtend zekerende maatregelen te nemen, in elk geval voor de belangrijke kruispunten in het Vak Schaik. Ook de later op de dag vrijgekomen hoofdmacht van 15.GB werd rond 1500 uur naar Vak Schaik gedirigeerd in plaats van het te gebruiken om bijvoorbeeld een veiligheidsbezetting te vormen achter de Zuid-Willemsvaart of de belangrijke kruisingen in Vak Schaik te blokkeren. Het stafwerk blijft over die operationele keuzes van C-Peeldivisie neutraal.

Auteur dezes acht de voornoemde besluiten van C-Peeldivisie echter onbegrijpelijk, zoals eerder betoogd. Het toezenden van één of wellicht twee compagnieën als tactische reserve voor Vak Schaik is wel te begrijpen, maar het toezenden van alle vrijgekomen eenheden – op één compagnie na – richting het Vak Schaik lijkt geen rationeel verdedigbaar besluit te zijn geweest. Ook niet vanuit de optiek van C-Peeldivisie dat het front bij Mill was hersteld in de late middag, welk beeld uit misleidende berichtgeving van het front was ontstaan. Het stafwerk bespreekt deze kwestie niet kritisch en laat slechts een lichte verbazing gelden ten aanzien van het feit dat er geen instructies bij GBJ waren voor het geval dat een aanval geconcentreerd uit het oosten kwam en men dus 'doelloos' aan de grens met België bleef liggen.

Ten aanzien van het coördineren met de te verwachten Franse troepen volgt het stafwerk een behouden lijn. Het feit dat er vooroorlogs niets was geregeld ten aanzien van die afstemming wordt noch C-Peeldivisie noch het AHK voor de voeten geworpen. Het enige dat het stafwerk terzake zijdelings opmerkt is dat de legervertegenwoordiging in het zuiden idealiter door een ‘hogere verbindingsofficier’ geregeld had moeten zijn. De latere perikelen, zoals het door C-Peeldivisie vergeten gesprek met de Franse overste Lestoquoi, worden nauwelijks analytisch beschouwd, maar vooral weergegeven, waarbij bovendien nog veel klassieke fouten in de (feiten)relazen zijn opgenomen. Wel concludeert het stafwerk dat kolonel Schmidt tijdens zijn onderhoud een foute perceptie van de toezeggingen van generaal Picard moet hebben ontwikkeld, daar de Fransen geen regiment voor toezending richting Den Bosch konden hebben beloofd. Voor het overige presenteert men grotendeels eenvoudigweg een curriculum van de besluiten en gebeurtenissen op 11 mei. Een uitzondering vormt de bevelvoering over de Nederlandse verdediging nadat de Zuid-Willemsvaart stelling was gepenetreerd.

Het stafwerk geeft aan dat de chaotische bevelvoering door de C-Peeldivisie goeddeels te billijken was geweest als zijn aanwijzingen consequent waren geweest. Maar het stafwerk concludeert dat de kolonel Schmidt ambivalentie toonde. Enerzijds het hergroeperen van zijn overgebleven verbanden in de sector rond Roosendaal en anderzijds een opvangstelling in de sector Gilze. Bovendien verwijt het stafwerk de kolonel zijn orders niet eenduidig en niet helder te hebben verspreid onder zijn ondercommandanten en zelfs enige ondercommandanten niet te hebben geïnformeerd. Dat laatste lijkt echter meer op het terrein van de sectie operatieën op de staf te hebben gelegen.

Ook oordeelt het stafwerk bescheiden kritisch over het geschuif met de commandopost van de divisie, wat voor de hand liggende kritiek is, daar het gezeul met het zenuwcentrum van de Peeldivisie al vanaf 10 mei in het oog sprong.

Voor het overige zwijgt het stafwerk in alle talen over het beleid van de C-Peeldivisie en wordt een integrale bespreking van diens handel en wandel helemaal achterwege gelaten. Men kan zich afvragen in hoeverre een stafwerk van de landmacht zijn doelstelling beantwoord acht door juist het integrale overzicht over de bevelvoering in zo’n voornaam strijdgebied niet te bieden.

Verzachtende omstandigheden

Een onmogelijke missie tot een goed einde brengen is uit de aard der zaak onmogelijk. Althans, als daarbij rationele besluitvorming de grondslag voor was. Immers, het predicaat ‘onmogelijke missie’ wordt ontleend uit de onrealistische doelstelling van zo’n missie. Kolonel Schmidt kreeg een onmogelijke taak vanuit Den Haag. Met de beste wil van de wereld had hij met de middelen en mensen voorhanden zijn onsamenhangende troepenmacht niet op een reguliere en juiste wijze kunnen regelen en leiden. Zijn subsidiaire taak coördinatie te zoeken met Franse verbanden in eigen en aanleunende sectoren werd evenzo op geen enkele wijze gespecificeerd of gefaciliteerd. Kolonel Schmidt had daarmee wellicht de meest ondankbare en minst uitvoerbare opdracht van alle hoge bevelhebbers in de Meidagen van 1940.

Dat gezegd hebbende geeft de inleiding tot dit lange beschouwende artikel reeds aan dat een onmogelijke opdracht één ding is, maar de uitvoering ervan een tweede. Het eenvoudige gegeven dat men niet gefaciliteerd of gesteund wordt schept immers nog niet de begenadiging te mogen berusten of het ontbreken van de verplichting als belaste functionaris zelf – binnen het manipuleerbare beleid – de juiste voorbereidingen en beslissingen te nemen. Kolonel Schmidt heeft op geen enkele wijze getoond over de kwaliteiten en de visie te hebben beschikt om zijn taken binnen zijn manipuleerbare beleidsmogelijkheden kundig en juist uit te kunnen voeren. Het zou echter onterecht zijn hem daarvoor geheel (alleen) verantwoordelijk te houden. Er zijn een aantal omstandigheden die hem als aanvullend verzachtend toekomen.

Een eerste argument is de hopeloze kwaliteit van een aantal vakcommandanten. Op twee na werden alle vijf vakken gecommandeerd door beroepsofficieren (luitenant-kolonels). De twee meest kritische vakken – de uiterste vakken Schaik en Weert – bleken weinig daadkrachtige commandanten te hebben. De eerste faalde compleet, de laatste was weinig doortastend. Vooral de commandant van Vak Schaik – de reserve overste Detmar – was volmaakt ongeschikt voor zijn taak. Het is daarbij onbegrijpelijk dat juist dit cruciale vak door een reserve overste werd gecommandeerd, terwijl twee van de drie centrale vakken – die strategisch veel minder kwetsbaar waren – juist door beroepsofficieren werden geleid. Een kwestie die geenszins op de verantwoordelijkheid van kolonel Schmidt is terug te voeren, maar op de hoogste legerleiding, die dergelijke aanstellingen verzorgde. Zoals met zoveel zaken, lijkt ook hier geen enkele aandacht te zijn gegeven aan een belangrijke kwestie als benoemingen. Dat terwijl in alle vooroorlogse krijgsspellen en strategische evaluaties duidelijk was gebleken dat een Duitse hoofdaanval vrijwel zeker via het Vak Schaik zou verlopen. De zwakke vakleiding was des te kwalijker omdat de eenheden breed uiteen waren geplaatst in de opgerekte stellingen en voor samenhangende verdediging alsmede iedere vorm van tactische ondersteuning volkomen afhankelijk waren van de Vakstaven. 

Een tweede argument dat als verzachtende omstandigheid uiteraard opgeld deed, was het gegeven dat zowel qua bestaande verbindingenstructuur als qua voorhanden veldverbindingsmiddelen de Peeldivisie voor alternatieve verdedigingen na evacuatie van de Peel-Raamstelling volledig zou zijn overgeleverd aan wat er resteren zou van PTT verbindingen. Men had nauwelijks enige communicatiemiddelen in de divisie verbindingsafdeling en de Vakken ontbeerden reserve veldverbindingsmiddelen volledig. In een dergelijke situatie is bevelvoering volledig afhankelijk van fysieke overbrenging van boodschappen, wat de dynamiek van bevelvoering volkomen verstard, om niet te spreken van de ernstige obstructie in het geval er sprake zou zijn van tegenorders tijdens een verplaatsing. In dergelijke omstandigheden verplaatsingen leiden of coördineren zoals de staf van de Peeldivisie moest doen, zou zelfs in vredestijd grote uitdagingen opleveren. In de chaos van oorlog was het haast een ondoenlijke zaak en zou het succes ervan vooral afhangen van de kwaliteit van uitvoering van orders door de ondercommandanten en hun autonome initiatieven binnen de kaders van hun opdrachten.

Een derde argument was zonder enige twijfel dat de Franse bondgenoot niet veel beter geleid werd en voorbereid was dan het eigen leger. De Franse verbanden die naar Nederland kwamen – en binnen de Franse strategische plannen Schelde en Breda te allen tijde met Nederlands sprekende Vlamingen of Nederlanders van doen zouden krijgen – waren niet of nauwelijks geïnformeerd omtrent hun taken of de interacties met de bondgenoten en hadden ook geen tolken bij zich die het Nederlands machtig waren. Men kan nog veronderstellen dat voor interacties met Belgen een lokale tolk relatief eenvoudig te verkrijgen zou zijn, maar voor het Nederlandse theater gold dit automatisme evident niet. Voorts doet daarbij opgeld dat aan Franse kant zeker sinds februari 1940 duidelijk was dat de betreffende eenheden de linkervleugel van het Franse dispositief zouden vormen en daarmee in Vlaams en Nederlands gebied actief zouden worden. Extra bezwaarlijk in dit geheel was wellicht dat de Franse operationele uitwerking van de Hypothese Breda eveneens frequent wijzigde en op de derde oorlogsdag zelfs een strategiewijziging volgde. Dit laatste had voor kolonel Schmidt zelf geen gevolgen meer overigens. Het eerste mogelijk wel. Daarbij was de verwarring bij de beide bondgenoten zo groot, de onduidelijkheid zo substantieel, dat beide partijen lange tijd via ad hoc verbindingen en op bevelhebberniveau overleg voerden. Daarbij ontbrak het vooral aan Franse zijde aan eenduidigheid. Want hoewel de kolonel Schmidt zich in zijn naoorlogse verslagen onwerkelijk groot voordoet en zijn ijdelheid hem in de weg zat toe te geven dat zijn positie er één was van ‘het zich voegen’ aan Frans bevel, was het aan de Fransen geweest om een duidelijke rol voor de Nederlandse troepen te stipuleren. Des te meer omdat de inferieure gedachte ten aanzien van die Nederlandse troepen voordien al stevig postgevat had bij het Franse leger. Waarom de Franse bevelhebbers desondanks geen enkele eenduidigheid toonden in hoe de Nederlandse troepen operationeel verstandig konden worden (her)gebruikt, kan slechts worden verklaard uit het gegeven dat ook het Franse 7e Leger zich vooroorlogs totaal niet op operationeel niveau had voorbereid op samenwerking met de Nederlanders. In tegendeel, het 7e Leger had zich qua voorbereiding uitgeput in logistieke planning en ontplooiing, vanuit de imperatieve (haast dwangmatige) waarde die de commandant General Giraud hechte aan opereren in een strikt gesloten dispositief, en zich voorts voorbereide op een solitair optreden. Dat dit kwalijke gevolgen had voor de energie die kolonel Schmidt diende te steken in afstemming met de Fransen – wat ten koste ging van zijn kwaliteiten en inzet als C-Peeldivisie – is een gegeven. Daarbij wreekte uiteraard het eveneens geheel onvoorbereid zijn van de kolonel Schmidt zelf t.a.v. zijn afstemmende taken. Zijn gebrek aan voorbereiding werd echter niet gecompenseerd door de Franse voorbereiding of hun verstandige operationele handelen, maar door omissie van die beide argumenten, juist versterkt.

Een vierde en laatste argument mag als open deur gelden, maar was dit wellicht niet. Dat betreft de ongekende chaos die ontstond nadat op de tweede oorlogsdag de operationele werkelijkheid de wegens eerder genoemde argumenten logge planvorming telkens inhaalde. De tweede oorlogsdag was wat betreft de chaos in Noord-Brabant cruciaal. Op die dag immers verlieten niet alleen alle overlevende Nederlandse eenheden hun uitgangsstellingen (lees: oorlogsopstellingen), maar ontstond na het middaguur de door bevelhebbers zo gevreesde werkelijkheid van ordre – contr’ordre – desordre (order, tegenorder, wanorde). Dat dit deels voortkwam uit de logica van oorlogsvoering, was en is algemene kennis. Het was immers duidelijk dat de aanvaller het initiatief had en dit te allen tijde tot dynamiek en (hopelijk gecontroleerde) chaos zou leiden. Het voor de Peeldivisie fatale ingredient dat daarbij kwam was echter hetgeen onder het ‘derde verzachtende argument’ aan de orde kwam, de bondgenootschappelijke coördinatie. Door misverstanden tussen de Franse en Nederlandse bevelhebbers werden bevelen uitgegeven die deels niet bedoeld waren door met name de Fransen. Vrijwel zeker betrof het daar gevolgen van linguïstische uitdagingen die het Frans voor Nederlanders met zich meebracht, maar evenzo gebrek aan eenduidigheid aan Franse zijde. Gevolg was echter wel dat Nederlandse (en Franse) eenheden tegenorders kregen, die slechts ten dele aankwamen bij de zich verplaatsende eenheden te velde, en daardoor een chaos veroorzaakten die nadien niet meer te herstellen bleek. Ook later bleef deze chaos bestaan, mede te wijten aan een gebrek aan rust en overleg binnen de staf Peeldivisie, maar tevens te wijten aan (kennelijk) tegenstrijdige instructies door de lokale Franse bevelhebbers. Daarbij brak het de Peeldivisie op dat er geen eenduidig beeld aan Franse kant bestond hoe zij de verdediging wensten te voeren en dat de Nederlanders wegens ontbrekende liaisonofficieren (van beide zijden!) niet in de commandoketen van de Fransen waren opgenomen. Die chaos die vanaf de middag van 11 mei ontstond kan onmogelijk in overdreven proporties op het conto worden geschreven van kolonel Schmidt. In tegendeel haast. Want hoewel de kolonel zich vooroorlogs niet had voorbereid op de interactie met de Fransen, zich niet verzekerde van een goede tolk en zich wellicht teveel persoonlijk met de afstemming bemoeide, spande hij zich uitermate in om zijn beleid met de Fransen af te stemmen. In dat opzicht – die inspanning – is de kolonel geen verwijt te maken, maar eerder een compliment te maken.

Slotbeschouwing

Het is onbegrijpelijk dat de desinteresse van de hoogste legerleiding voor de buitengewesten, in dit geval het landsdeel onder de grote rivieren, zich naoorlogs voortzette in de krijgshistorische onderzoeken. De Duitse invasie van Nederland had slechts één hoofdaanvalsrichting en die voerde door Noord-Brabant. De luchtlandingen bij Den Haag en de strijd aan de Grebbelinie waren de facto bijzaken, hoewel de aanval door het hart van Nederland niet geheel los was te zien van de beweging door het zuiden. Toch waren het de beide voornoemde theaters die onwerkelijk veel aandacht kregen, terwijl de Duitse beweging door Brabant na het vallen van de Maaslinie en Mill nauwelijks werd belicht in de krijgshistorische onderzoeken en geschriften. De PEC lichtte er de kwestie Gennep uit en hoorde de TBB tweemaal. Daarmee was haar inspanning ten aanzien van de gebeurtenissen ten zuiden van de grote rivieren vrijwel afgerond. Die werd pas weer opgepakt bij Moerdijk. Ook andere geschriften over de strijd in mei 1940 bespreken de gebeurtenissen in Noord-Brabant en Limburg maar marginaal. Veel verder dan uitlichting van de slag bij Mill en marginale bespreking van de Franse handelingen komt men zelden. Wat daarbij al geheel ontbreekt is een juiste integratie van de gebeurtenissen met de totale Geallieerde (lees: Franse) strategie. Alom wordt gesproken over de Franse lankmoedigheid bij de steun die zijn verleenden om Moerdijk te heroveren. Voor het overige worden kruisverbanden met de gebeurtenissen in België en de integrale Franse strategie nauwelijks gelegd. Deze gehele teneur van de strijd in Noord-Brabant bespreken en belichten als ware het de periferie van de ‘werkelijke’ strijd in mei 1940 in Nederland, toont een onbegrijpelijk gebrek aan begrip en inzicht bij historici voor de werkelijke kern van de zaak. De Duitse doortocht door Noord-Brabant was immers niet alleen van het grootste belang voor de snelle beslissing van de veldtocht in Nederland, maar had ook een essentiële invloed op de laattijdige Franse onderkenning van de feitelijke Duitse strategie en opzet. Daarmee wordt dus alle aanleiding gegeven het functioneren van het Nederlandse leger – in het bijzonder haar lokale leiding – in die sector gedetailleerd en kritisch te beschouwen. Die beschouwing is – overigens nog steeds op hoofdlijnen – in dit artikel gegeven.

Kolonel Schmidt was de hoogste gezagdrager van het Nederlandse leger in Noord-Brabant nadat op 10 mei 1940 om 1600 uur het bevel formeel aan hem was overgedragen door de vertrekkende staf III.LK. Die gebeurtenis was niet onaangekondigd, maar al sinds eind maart 1940 bij de kolonel bekend geweest, zij het dat de overdracht van het Militair Gezag in Brabant volgens de vooroorlogse plannen pas in de ochtend van de tweede oorlogsdag zou plaatsvinden. Met die voorwaarschuwing in portefeuille was er dus alle aanleiding kritisch te kijken naar wat de commandant van de Peeldivisie daarmee deed. In de wetenschap dat alleen hijzelf en zijn chef-staf de kennis droegen van de verantwoordelijkheid die hen zou toevallen, lijkt er voldoende reden te bestaan het duümviraat van de Peeldivisie te onderzoeken op hun voorbereiding op die loodzware taak. Vanzelfsprekend is er evengoed – alleen al uit krijgskundig oogpunt – alle aanleiding hun operationele handelingen tijdens de feitelijke oorlogsdagen kritisch te analyseren. Beide zaken zijn in dit artikel vrij uitvoerig gedaan, waarbij desondanks slechts de hoofdpunten zijn beschouwd. Voor een werkelijk diepgaande analyse van zaken zou een boekwerk nodig zijn. En wie zich daartoe geroepen voelt, kan zijn lol op. Want er is ruim voldoende stof om een uitgebreide wetenschappelijke beschouwing te schrijven over deze korte episode in de oorlogsgeschiedenis!

Het artikel lezende kan de lezer ervan het gevoel bekruipen dat de kolonel Schmidt wel erg hard en meedogenloos de maat wordt genomen. Als dat gevoel is ontstaan, dan is dat terecht. Het was helaas zo dat de hoogste Nederlandse bevelhebbers die naoorlogs werden gehoord voor de PEC, en door de krijgshistorische defensie-onderzoekers werden bevraagd, zich geen van allen zelfkritisch toonden. Naast opvallend veel gevallen van plotselinge en selectieve amnesie – die nauwelijks verklaard zou kunnen worden uit de grijsheid der ondervraagde hoofd- en opperofficieren – is geen der bevelhebbers uit mei 1940 zelf in enige vorm tekort geschoten in zijn handelingen en besluiten. Er werd alle kanten uit gewezen, behalve de eigen kant. Iedereen had het gedaan – soms zelfs de onwerkelijk brute vijand of de opzichtig falende bondgenoot – maar nooit bleek de gehoorde bevelhebber zelf zaken beter hebben kunnen doen. Impliciet verklaarde men dus collectief dat men massaal had geëxcelleerd, binnen de beperkte mogelijkheden van mensen en middelen natuurlijk. En daar waar het anders had gekund, was dat kennis van heden. Een verdediging die vooral favoriet was bij de oud opperbevelhebber, die werkelijk alle aannemelijke kritiek als kennis achteraf torpedeerde.

Een legertop die naar eigen zeggen zodanig geëxcelleerd heeft, waartegen de werkelijkheid der gebeurtenissen zo schril afsteekt, schreeuwt om buitengewoon kritische onderzoeken, die niet worden dwarsgezeten door vooringenomenheid, politieke correctheid of andere vormen van opgelegde of geïncorporeerde mildheid. Aangezien ook na de jaren vijftig de onderbouwde kritiek op de hogere bevelhebbers nauwelijks werd gegeven, of middels tamelijk kwaliteitsarme epossen als de recente biografieën over Winkelman en Reynders het levenslicht zag, is er alle aanleiding gevoeld om de kolonel Schmidt inzake zijn handelingen in Brabant tijdens de meidagen uiterst kritisch te beschouwen in bovenstaand artikel.

En als men dan die kritische beschouwing leest, dan ligt de conclusie voor de hand dat de TBB in mei 1940 alles behalve geëxcelleerd heeft. Zijn superieuren, zoals de OLZ, de chef landmachtstaf en de CV, onttrekken zich eveneens in het geheel niet aan – in feite – het vernietigende oordeel dat men er beleidsmatig hoegenaamd niets van bakte als legerleiding. Het is van belang in te zien dat de in maart gewijzigde strategie ten aanzien van Noord-Brabant geen kwestie was van zorgvuldig aborteren van een deel van het voordien bestaande defensieplan, maar dat men het gewoon abrupt amputeerde. Het geamputeerde deel werd vervolgens onmiddellijk in de vleesmolen geworpen, zonder dat men in Den Haag enige vorm van fantoompijn leek te voelen. In onmetaforische zin: Den Haag gaf geen enkele ondersteuning meer aan de TBB, maar verzuimde evenzo te controleren of diens voorbereidingen op de zware taak wel enige mate van beleid en visie vertoonden. En in Zeist werd die lacune in de opvolging niet gecompenseerd. Men had daar kennelijk alle aandacht nodig voor de voorbereiding van de plannen voor het veldleger, waar de Peeldivisie in feite nog slechts zijdeling onder viel. De superieuren van kolonel Schmidt hadden de zaak over de schutting gegooid en waren niet van plan nog eens bij de buren te checken of de boel wel goed geland was.

Kolonel Schmidt en zijn chef-staf hadden alle recht zich te beklagen. De kolonel had naar eigen zeggen nog even overwogen de pet aan de wilgen te hangen, maar zijn aanstaande bevordering tot generaal-majoor had hem behoed voor een dergelijke principiële beslissing. Analoog aan de eigentijdse generaal en bevelhebber Couzy, die na het Srebrenica debacle het publieke domein liet weten vooraf te hebben overwogen zijn pet als hoogste legerchef aan dezelfde wilgen te hangen als de missie in Srebrenica zou doorgaan. Beide bevelhebbers hadden de principes dus laten varen. En daarmee laadde men de verantwoordelijkheid op zich met de beperkte mensen, middelen en ondersteuning er het beste van te maken. Kolonel Schmidt toonde daarin een ongekende algehele passiviteit. Kort en goed gezegd verzuimde hij – samen met zijn chef-staf – om zelfs maar de meest rudimentaire voorbereiding te treffen. Niet in de vorm van voorbereiding van draaiboeken of instructies en niet in proactieve afstemmende zin met de onder hen ressorterende eenheden. Maar zelfs ten aanzien van het functioneren van de sectie I (operatieën) werd geen enkele voorbereiding getroffen. En zij die enige affiniteit met de werking van een leger(staf) hebben, weten dat de Sectie Operatieën het kloppende en pompende hart van het militaire beleid is. Er waren echter geen instructies gereed die uitgerold konden worden du moment dat de Duitse inval aan de orde was. Zelfs eenheden als GBJ, die tot een inval formeel onder de C-III.LK vielen en na een inval onder de Peeldivisie zouden komen, kregen geen instructies uitgereikt die gereed lagen. Brugcommandanten waren niet geïnformeerd dat de C-Peeldivisie de hoogste autoriteit zou zijn, onwillekeurig de commando-overdracht die daarmee helemaal niet zou worden verraden. Er waren geen draaiboeken gemaakt voor de staf- en ondersteuningseenheden, niet voor de geniedetachementen en niet voor de vakcommandanten. De aanstaande liaisonfunctie was evenzo totaal niet voorberied. Niets, maar dan ook niets, was er door de commandant en chef-staf Peeldivisie voorbereid. Althans niets waar in enig verslag of rapport ook maar een fractie of zelfs maar de geringste aanwijzing voor valt terug te vinden. Alle verslagen van stafofficieren, officieren van ondersteuningseenheden, vakcommandanten, bataljonscommandanten en detachementcommandanten geven slechts blijk van gebrek aan instructies en onwetendheid. Een zaak die kolonel Schmidt en subsidiair zijn chef-staf zeer te verwijten valt.

Het gevolg van de volkomen onvoorbereidheid van de staf Peeldivisie op het operationele vlak was dat nadat de Peel-Raamstelling geëvacueerd moest worden de gehele existentie van de Nederlandse troepenmacht in Brabant op het spel werd gezet. En in feite zelfs de mogelijkheid voor een degelijke ontplooiing van de Franse bondgenoot in West-Brabant evenzo. De waanzin ten top was het besluit het Vak Schaik, waarvan bekend was dat dit bij uitstek onder grote en brede druk van de vijand stond, zonder enige ondersteuning of beveiliging in de nieuwe stellingen achter de Zuid-Willemsvaart terug te doen laten trekken. Dat besluit was gespeend van iedere logica, van iedere vorm van inzicht en had zulke fatale gevolgen kunnen hebben dat het haast kwaadaardig slecht mag worden genoemd. Er was zodanig veel aan te merken op dat besluit van de staf Peeldivisie dat het ongelofelijk is dat de TBB daarvoor naoorlogs niet keihard werd aangepakt. Geen enkel besluit van de staf Peeldivisie was zo slecht, zo ondoordacht als dit besluit. En de onderzoeker kan uit heel wat zwakke besluiten kiezen.

Er valt vast te stellen dat de TBB zich bijzonder heeft ingespannen de juiste afstemming te bereiken met de bondgenoot. Die inspanning sierde hem, maar is anderszins gewoon logisch geweest. In feite was er geen alternatief, want de TBB realiseerde zich in de avond van 10 mei 1940 al dat het lot van de Peel-Raamstelling gedoemd was. Slechts Franse ondersteuning kon redding brengen en dus waren de inspanningen van de TBB niet meer dan logisch. Desondanks was zijn toewijding daarin prijzenswaardig.

Het algemene beleid van de staf Peeldivisie was ronduit zwak, maar daarbij speelt een grote rol dat de staf behoudens stafchef en commandant voor 10 mei 1940 niets wist van de taken die zij zou krijgen. Voorts is beslist een verzachtende omstandigheid dat de staf veel te klein was voor de haar toebedeelde taken. Ze was slecht gefaciliteerd en ontbeerde ondersteunende eenheden en middelen voor het enorm grote verzorgingsgebied. Daarbij was men in handen van een commandant, die zich vooroorlogs nauwelijks rekenschap had gegeven van zijn (mogelijke) operationele uitdagingen. Men verplaatste op 10 mei reeds drie maal, nadien nog drie maal. Op cruciale momenten was de staf telkens op verplaatsing of gehalveerd, omdat zij wegens wederom een verhuizing verdeeld was over twee locaties. De piepkleine gevechtsstaf werd weliswaar regelmatig als eenheid verplaatst tussen de oude en nieuwe locatie, maar ontbeerde dan de ondersteuning van de overige secties. De werkzaamheid van de divisiestaf was daarom gedurende de oorlogsdagen minimaal. Auteur dezes zou echter vrijwel zeker de stafofficieren en minderen zwaar tekort doen door hen verwijten te maken. Zoals alle staven in Nederland zich wegens onderbezetting werkelijk een slag in de rondte werkten, zo zal dit zeker voor de staf Peeldivisie niet anders zijn geweest. Of men effectief leiding gaf, is een andere kwestie. Dat was niet aan de orde, zo blijkt onomstotelijk uit de bronnen. Dat daarbij de vele verplaatsingen een hoofdrol speelden lijkt wel zeker te zijn.

Naast de evacuatie van de Peel-Raamstelling boven Weert naar de Zuid-Willemsvaart, werd nadien door de TBB nog een aantal maal onbegrijpelijk ingegrepen. Zijn besluit het Vak Weert in stelling te laten verhield zich omgekeerd evenredig met zijn inlichtingen – deels valselijk – dat de stelling bij Dorplein zou worden omvat. Het was niet anders dan logisch geweest vanuit die inlichtingen (en overtuiging, volgens de kolonel zijn eigen verslagen), het Vak Weert in eerste instantie met haar hoofdmacht terug te nemen op een sector ten noorden van het Wilhelminakanaal of aansluitend (en haaks) op dat kanaal ten oosten van Tilburg. Die gedachte zou logisch zijn geweest. Ze zou dan evengoed in de ochtend van 11 mei weer moeten zijn gecorrigeerd omdat de Fransen die sector ten zuiden van het Wilhelminakanaal juist vrij wilden houden van Nederlandse troepen. Maar de redenatietrant van deze beschouwing is chronologisch en via de weg van de logica, en dus was het onwerkelijk Vak Weert bezet te houden en de kans op omvatting levensgroot te houden. Dat doet des te meer opgeld daar de kolonel juist die zuidelijke omvatting als grootste risico van de Peel-Raamstelling afficheerde en in alle inlichtingen die werden ontvangen ook bewijs meende te zien van die omvatting. Hij verzocht zelfs de C-III.LK om extra troepen om het direct te kunnen pareren, maar kreeg die (vanzelfsprekend) niet. Door nadien zodanig te handelen dat het gehele Vak Weert in haar positie bleef ontstond het beeld van ontbrekende logica en ambivalentie t.a.v. de besluiten van de TBB.

Een evenzo opvallende ambivalentie werd zelfs door het overigens tamelijk kritiekloze stafwerk erkend. Dat was de in de avond van 11 mei aangenomen houding jegens een opvangregeling voor de in wanorde terugtrekkende troepen uit het oosten. Enerzijds verwees de kolonel zelfstandig – tussen de langstrekkende troepen en staande op de hoofdweg te Tilburg – de troepen naar Roosendaal, analoog aan een daartoe vermeende instructie van een Franse kolonel. Anderzijds gaf hij zijn staf opdracht troepen in een opvangstelling rond Gilze en Rijen op te nemen. Dat laatste was bovendien in strijd met de Franse instructies juist die sector aan de Fransen te laten, die geen Nederlanders door hun eigen gelederen wilden zien trekken. Het zijn besluiten geweest van de TBB die rationeel gezien niet goed verklaarbaar zijn.

Zijn laatste opvallende irrationele besluit ontdeed de Peeldivisie van haar commandant en vrijwel haar gehele gevechtsstaf. Het begon al met het feit dat de kolonel zijn chef-staf instrueerde samen met hem naar Princenhage te vertrekken, waar het nieuwe stafkwartier zou worden betrokken (dat inmiddels daar al niet meer was, maar dat is terzake irrelevant). Het was een onwerkelijk en onverantwoord besluit de commandant en zijn plaatsvervanger gelijktijdig in eenzelfde konvooi te doen verplaatsen. Een absolute faux-pas, waarvoor ook geen enkele plausibele verdediging zijdens de TBB mogelijk was. Men bereikte desondanks ongeschonden Princenhage, maar constateerde daar dat de rest van de staf was doorgereisd naar Roosendaal. Daarop besloot de C-Peeldivisie niet zijn staf na te reizen of hen zijn chef-staf na te sturen, maar hij vertrok met zijn gezelschap van vier officieren en circa 30 minderen bij het eerste daglicht (12 mei) terug naar Tilburg om daar het voordien verlaten stafkwartier opnieuw te bemannen. Bovendien werd niet via de snelste weg teruggegaan, omdat de hoofdweg naar Tilburg telkens onder luchtaanvallen te lijden had, maar via een noordelijke omweg. Daarbij reed de gehele colonne net buiten Loon op Zand recht in de armen van de voorste gelederen van de 9e Panzerdivision. Vanaf dat moment hield de Peeldivisie werkelijk op te bestaan …

Tenslotte dan een onvermijdelijke nabrander over de portrettering van de kolonel Schmidt tijdens zijn verhoren en in zijn verslagen naoorlogs. Zoals in de aanhef van dit hoofdstuk reeds gememoreerd gaf geen der hoofdrolspelers in het Nederlandse leger er naoorlogs blijk van de eigenschap van bescheidenheid of introspectief vermogen te bezitten. Desondanks waren er slechts twee hoofdrolspelers die blijk gaven van een wel heel onwerkelijk groot ego. De eerste werd daarom verguisd, zelfs publiekelijk, hoewel dat publieke schavot hem vooral wegens een arbitraire executie van een deserteur ten deel viel. Het betrof de generaal-majoor Harberts, de voormalige commandant van het 4e Legerkorps, die de Slag om de Grebbeberg had geleid. Hoewel deze opperofficier zich beslist niet de zwakke leider had getoond zoals kolonel Schmidt, schroomde de generaal Harberts niet om – zeker in de betreffende tijdsgeest – ongenadig uit te halen naar meerderen en zichzelf qua handelingen op geen enkele wijze kritisch te spiegelen. De tweede persoon die door onparlementaire uitspraken – opnieuw afgewogen tegen het betreffende tijdsgewricht – en wegens ongebreidelde ijdelheid opviel was de kolonel Schmidt. En deze maakte het een veelvoud bonter dan de generaal Harberts. De wijsheid die kolonel Schmidt achteraf etaleerde, zijn opvallende amnesie als het hoofdzaken betrof en zijn onwerkelijke gebrek aan zelfreflectie gekoppeld aan minstens zo onwerkelijke fantasieën (sommige bewezen, andere vermoed), was vermoedelijk ook voor de PEC zodanig schokkend, dat de kolonel slechts summier werd gehoord. Een grief van de kolonel naoorlogs, dat hij in de samenstelling van de krijgskundige reconstructie van de gebeurtenissen in zijn gezagsgebied nauwelijks was betrokken, sneed dan ook hout. Men had hem vermoedelijk bewust slechts marginaal betrokken. Hij toonde zich als bron immers volkomen onbetrouwbaar. Zijn overdreven gekrenktheid – die vrijwel zeker meer zag op zijn gemiste promotie en gedwongen pensionering naoorlogs dan op gebrek aan erkenning van zijn troepen waar hij zich op beriep – en zijn ijdelheid gecombineerd met selectieve amnesie en ruim getoonde fantasie, maakten hem voor de hoofdonderzoekers Van Hilten en Nierstrasz een ongeloofwaardige bron. Dat diezelfde eigenschappen alle aanleiding mochten vormen de kolonel – a-posteriori – volkomen ongeschikt te achten voor de door hem bekleedde functie in mei 1940 liet men echter goeddeels onbesproken in officiële geschriften. De onderzoeker leest het weliswaar tussen de regels door, kan het concluderen uit de vraagstelling en de afstand die werd bewaard tot de kolonel als het de kern van onderzoeken betreft, maar uitdrukkelijke twijfel werd niet getoond in de gepubliceerde krijgskundige analyses. Het gevolg was wel dat de kolonel naoorlogs geen enkele rol of functie toeviel en slechts eervol ontslag uit de dienst resteerde. Zijn prestaties waren in geen enkel opzicht aanleiding geweest tot de eer hem bij zijn pensionering titulair tot generaal te benoemen, hoewel dat vooroorlogs wel in het verschiet had gelegen.

De eerste zin van dit artikel gaf het al aan. De kolonel Schmidt was een tragische figuur. Een man die ongetwijfeld op zijn eigen wijze meende zijn taken naar behoren en met de juiste inzet te hebben verricht. En in weinig opzichten een grote dissonant als het aankomt op het functioneren van hoofdofficieren c.q. hogere bevelhebbers in ons leger anno 1940. Andere hoofd- of opperofficieren ontsprongen net zo goed de dans der kritiek. Kolonel Schmidt bevond zich wat dat betreft ‘in goed gezelschap’. Er zijn echter twee zeer voorname aanleidingen geweest hem uit te lichten, naast het gegeven dat de thematiek van dit medium zijn uitlichting logisch maakte. De eerste aanleiding is de aard van en de opvallende wijze waarop hij operationele leiding gaf aan de Peeldivisie c.q. de troepen in Noord-Brabant in mei 1940 en de tweede aanleiding is de aard en inhoud van zijn verslagen en verhoren naoorlogs.

Tenslotte nog dit. Generaal Winkelman getuigde een groot aantal keer voor de PEC en plachte bij vrijwel alle kritische aantekeningen jegens zijn handelen (of gebreke daarvan) te repliceren met ‘dat is eenvoudig vast te stellen met de kennis van heden’.  Natuurlijk gaat dat argument ten dele op. De onderzoeker of analist dient ervoor te waken gebeurtenissen voor de voeten van de onderzochte functionarissen te werpen, die rationeel gezien slechts met de kennis van nadien waren te voorzien. In het bovenstaande artikel is echter getracht vooral de weg van de logica te volgen afgezet tegen de verwachtingen, de gebruiken en de gewoonten uit het belichte tijdsgewricht. Daarbij is tevens rekening gehouden met de natuurlijke en de gevormde voorwaarden. Als men echter de kwestie van het functioneren van de TBB tegen die achtergrond houdt, resteert er een opzichtig lange lijst met onregelmatigheden en kritieken, die verdedigbaar lijken zonder dat er sprake is van louter het etaleren van de kennis van heden.

Het wordt aan de lezer zelf overgelaten een oordeel te vellen over de mate waarin de kolonel Schmidt door auteur dezes met recht langs de meetlat wordt gelegd. Zo lang men zich maar bedenkt dat het doel van dit artikel is om kritisch krijgshistorisch naar de bevelvoering in Brabant te kijken, omdat daaruit (krijgs)historische lessen vallen te trekken, die zelfs vandaag de dag opgeld doen. Welke lessen dat zijn kan voor iedere lezer verschillend zijn.