Groep Kil

Inleiding

De Groep Kil was in wezen het hoofdverband waartoe het gros der eenheden, dat op 10 mei 1940 om 0400 uur aan het (werkelijke) zuidfront van de Vesting Holland lag, behoorde.

Groep Kil was pas in april 1940 gevormd uit de Brigade C. Die laatste had in het oostfront van Vesting-Holland [Groep Naarden] gelegen, dat onder de OLZ Reynders nog een voorname stelling was geweest. Brigade C bestond in hoofdzaak uit 28RI en 34RI met 23RA als artillerie eenheid. Oudere reservisten dus. Het geheel werd gecommandeerd door de oud beroepsofficier (en in 1939 heraangestelde) kolonel J.A.G. van Andel. In de eerste week van april 1940 – nog vóór de inval van Duitsland in Scandinavië – kreeg de Brigade C instructie dat het naar het Zuidfront Vesting Holland zou worden verplaatst. Pas op 12 april 1940 ving de verplaatsing van de eenheden en (staf)kwartieren aan. Daarbij verloor Brigade C een voornaam deel van haar regiment 34RI aan de aanleunende Groep Spui. Zie voor nadere bijzonderheden over de exacte eenheden, de artillerieopstellingen en de aard der stellingen binnen Groep Kil de proloog.

Groep Kil zelf vormde met Groep Spui – ter linker zijde aanhangend tussen Groep Spui en de kust in – de werkelijke bezetting van het Zuidfront Vesting Holland. Dat zuidfront verloor haar zelfstandigheid [tot april 1940 was er een Commando Zuidfront geweest] en kwam direct onder de Commandant Vesting Holland te sorteren. Daarmee verloor het zuidfront een belangrijke organisatorische staf, daar de samenwerking tussen de beide Groepen hierdoor formeel door C-VH en zijn staf zou worden gecoördineerd.

dispositief Groep Kil

Groep Kil had een gezagsgebied dat niet alleen bijzonder groot was, maar dat bovendien het meest voorname deel van de zuidelijke verdediging van Vesting Holland behelsde. Het betrof de bruggenhoofden bij Moerdijk en Willemsdorp alsmede het Vak Wieldrecht op het Eiland van Dordrecht en de bezetting van de Hoekse Waard.

De lengte van de te verdedigen buitengrenzen van de Groep Kil verhield zich als volgt. Het Groepsvak in de Hoekse Waard telde circa 8 km langs de noordelijke oever van het Hollands Diep. De lengte van het zuidelijke en zuidoostelijke oevergebied op het Eiland van Dordrecht kende een lengte van circa 13 km. Aan de zuidzijde van het Hollands Diep had men bovendien het Bruggenhoofd aldaar met een frontlengte van circa 10 km. Daarmee had men dus een gebied van circa 31 km frontlengte te verdedigen, zonder dat de oever van de Kil wordt meegeteld. Van die frontlengte was echter alleen het front bij Moerdijk – circa 10 km dus – een werkelijke verdedigingsstelling voor een directe landbenadering tegen een mogelijke vijand. Die verdediging vroeg aldus – althans in theorie – de meeste aandacht. De overige 21 km was een oeververdediging achter een brede waterbarriere. Desondanks was dit een substantieel front dat de zeer matige uit- en toegeruste Groep Kil diende te verdedigen.

Voor de verdediging van dat lange front had de Groep Kil de beschikking over nog geen 6,000 man. Dat betekende in verhouding dat een kilometer front door minder dan 200 man kon worden verdedigd. Dat was een kwart van de veldleger standaard, die een bataljon [circa 800 man] infanterie per kilometer front, ondersteund door divisie- en legerkorps artillerie, als maatgevend achtte.  Men kan dan ook beter van een veiligheidsbezetting spreken dan een werkelijke verdedigingsbezetting. Alleen op de locaties Willemsdorp en Moerdijk had men wezenlijk geconcentreerde krachten gelegerd die intensief ondersteund konden worden door artillerie.

Men dient daarbij aan te merken dat het zuidfront Vesting Holland in de Nederlandse defensietheorie geen eerstelijns verdediging was. Men lag [volgens het algemeen bekende verdedigingsplan] ver achter de hoofdverdediging. Immers, oostelijk van de linie lag in oost Brabant de Peel-Raamstelling. En geen der officieren van Groep Kil of Spui was op de hoogte van de evacuatiestrategie van OLZ Winkelman. In wezen zou het er echter volgens de nieuwe strategie op neerkomen dat de posities die Groep Kil innam de hoofdweerstand zouden worden en de Peel-Raamstelling de voorverdediging. Het AHK rekende echter op een Franse bezetting van West-Brabant voordat de Duitsers tot aan Moerdijk zouden komen. Uit de contacten van militair attaché Van Voorst Evekink in het voorjaar van 1940 was immers onomstotelijk gebleken dat de Fransen naar het noorden zouden optrekken en West Brabant zouden bezetten als beveiliging van Antwerpen. Zodoende werd met een hoofdweerstand in het zuidfront ter hoogte van Moerdijk pas in een late fase rekening gehouden, zelfs met een geëvacueerde Peel-Raamstelling.

De militaire regel ‘to assume is the mother of all fuck-ups’ ging hier enerzijds duidelijk op, maar anderzijds had de OLZ de buitengewoon lastige positie om heel nadrukkelijk keuzes te móeten maken waar hij zijn schaarse middelen en troepen moest legeren. En het zuidfront leek – met de kennis van die dagen – een relatief veilig gebied achter de brede waterpartijen die haar van het Brabantse land scheidden. De enige uitzondering was er dus voor Moerdijk en daar had men dan ook beide landhoofden versterkt. Bovendien was het - zolas gezegd - door de diplomatieke voorverkenningen in Parijs zeer aannemelijk geworden voor Winkelman dat de Fransen inderdaad naar west-Brabant zouden optrekken.

Een belangrijk kanttekening nog. In dit hoofdstuk zal niet iedere gebeurtenis die elders beschreven is tot in detail worden herhaald. Zo was de staf Groep Kil evident de autoriteit aan wie de troepen aan weerszijden van de Moerdijkbruggen en op het Eiland van Dordrecht (m.u.v. het kantonnement) rapporteerden. In dit hoofdstuk wordt echter summier behandeld wat elders bij de theaters waar de gebeurtenissen werkelijk plaatsvonden al tot in detail werd besproken. Een zekere vorm van herhaling is dus onvermijdelijk, maar voor de details wordt telkens verwezen naar de desbetreffende hoofdstukken Bruggenhoofd Moerdijk, Bruggenhoofd Willemsdorp en Vak Wieldrecht.

Dislocatie staven en commandostructuur

Voor de dislocatie van alle eenheden wordt verwezen naar de proloog. Er wordt in deze slechts nog kort ingezoomd op de stafkwartieren.

[1, 70, 192] Het stafkwartier van de Groep Kil werd in Puttershoek - een klein stadje met 2,281 inwoners [96] aan de Oude Maas - ingericht in een huis dat enige tijd voordien als nieuw burgemeesterswoning was ingericht, maar – hoewel reeds gestoffeerd – nog niet in gebruik was genomen. De ingebruikname vergde - zoals gebruikelijk in het Nederlandse leger anno 1939/1940 - bijzonder veel aandacht van de staf (zelf).

De bezetting van de staf was zo minimaal dat enkele posities parttime door stafofficieren van Groep Spui werden ingenomen, zodat zij in beide staven zitting hadden. Een situatie die weliswaar in vredestijd enige bevredigende oplossing zou hebben geboden, maar in oorlogstijd vanzelfsprekend onwerkbaar en onverantwoord was.

[1, 142, 192] De Groeps Artillerie Commandant [Gr.AC, C-23.RA luitenant-kolonel T. Ziedses des Plantes] – de bevelhebber voor alle artillerie eenheden die onder de Groep Kil vielen – kon geen geschikte locatie in Puttershoek vinden. Bovendien zou dit weinig praktisch zijn geweest in relatie tot de veel zuidelijker en oostelijker opgestelde artillerie. Daarom werd een kwartier betrokken in ’s Gravendeel. 's Gravendeel was de een-na-grootste gemeente van de Hoekse Waard, met 4,787 inwoners [96], en lag aan de Dordsche Kil. De artillerie op het Eiland van Dordrecht krijgt een substaf, die als Artillerie Groep Prinsenheuvel [AGP] werd aangeduid. Deze artilleriestaf – die de coördinatie van III-14RA en I-17RA verzorgen moest – nam intrek op het landgoed Gravesteijn, net onder Amstelwijk. Het werd door de majoor Haarman gecommandeerd.

[192] De vakcommandanten hadden hun kwartieren in Cillaarshoek [Commandant Vak Strijen, C-28RI, reserve luitenant-kolonel G.W. Stroink] en in Amstelwijk [Commandant Vak Wieldrecht, C-I-28RI, reserve majoor C.W.E. van Hoek]. Om de zaak nog complexer te maken waren er twee bruggenhoofden – Willemsdorp en Moerdijk – die tactisch zelfstandig waren, maar overigens onder de Groep Kil vielen. Voor Willemsdorp gold dat het in directe lijn onder Commandant Vak Wieldrecht viel; voor Moerdijk rechtstreeks onder Groep Kil. Vak Wieldrecht op haart beurt was slechts tactisch autonoom, maar viel overigens onder C-28RI. Bovendien was het Vak Strijen nogmaals onderverdeeld in West [Commandant C-III-28RI te Klem] en Oost [Commandant C-II-28RI te Strijen]. Als klap op de vuurpijl viel 14.C.Pn, dat zich in het bevelsgebied van Vak Wieldrecht bevond, weer rechtstreeks onder C-Gr.Kil.

Het behoeft de lezer niet nader te worden geduid dat deze chaotische bevelstructuur zeer onpraktisch was en zelfs in vredestijd tot aanzienlijke ruis op de (bevels)lijn leidde. Die bevelstructuur was overigens een eigen keuze van de staf Groep Kil en vermoedelijk zodanig [met veel tactische autonomie] ingegeven door een gebrek aan een werkelijke goede operationele Groepsstaf alsmede de uitgestrektheid van het gezagsgebied gecombineerd met de diverse tactische taakstellingen van de vakken, bruggenhoofden en detachementen.

[192] De verbindingen vanaf het stafkwartier naar de vakcommandanten en de artillerie moesten allen nog worden gerealiseerd na 12 april 1940. Zij kwamen allen tot stand, waarbij eveneens een telefoonverbinding met C-VH werd gerealiseerd alsmede een telexverbinding. Zelfs een heuse postduivendienst werd mogelijk gemaakt.

[81] Het is aardig kort in te gaan op de postduivendienst. Hoewel de postduivendienst sinds 1933 niet meer in de organieke organisatie van het vredesleger was opgenomen, was er nog één overlevend station waar de kennis der postduivendienst werd onderhouden. Dat was in de Kromhoutkazerne in Utrecht. Daar werden telkens enkele postduivenverzorgers opgeleid onder auspiciën van de Genie [verbindingsdienst]. In voorschrift 36 van de verbindingsdienst is te lezen dat in geval van mobilisatie en oorlog postduivenverzorgers zouden worden ingedeeld bij de divisies, brigades en regimenten alsmede de hoge staven. De postduiven zelf dienden bij particulieren te worden betrokken, want de ooit grote militaire 'vloot' postduiven was al afgeschaft. In de tijdens de meidagen geldende oorlogsorganisatie blijkt echter dat postduivendiensten slechts voorzien waren voor de Territoriaal Bevelhebbers [één verzorger], de stafkwartieren van Vesting Holland [twee verzorgers], de staven van het West-, Oost- en Zuidfront [elk vier verzorgers] en het AHK [1 AOO en 16 verzorgers], hoewel niet duidelijk is hoe betrouwbaar die gegevens waren. In januari 1940 verzocht de CV zelfs om een intensivering van de postduivendienst omdat de staf Veldleger daaraan zeer hechtte. Twee maanden later werd door de staf van Vesting Holland een uitgebreid schema van de postduivendiensten binnen de Vesting opgemaakt. In diezelfde maand [maart] werd onder leiding van de verbindingsdienst bij de staf van het Veldleger zelfs weer een heuze heroprichting van de militaire postduivendienst geleid. Die kwam evident niet meer tot wasdom voor de oorlog een feit was. Er zijn overigens enkele verslagen van grenseenheden bekend met een postduif die bij grensoverschrijding direct zou worden losgelaten. Het is auteur onbekend hoe structureel die postduiven bij dergelijke eenheden waren ingedeeld. De lezer dient overigens het gebruik van postduiven niet als voorbeeld van de archaïsche staat van het Nederlandse leger te zien. Het door Nederland indertijd als zeer modern bejegende Franse leger maakte ook nog vrij massaal gebruik van postduiven [Detachement Colombophile] en ook de Geallieerden zouden deze vliegende boodschappers nog geregeld inzetten tijdens WOII.

De totale Groep Kil had een totale sterkte van circa 5,900 man. Hiervan was slechts iets meer dan de helft [3.500 man] in de Hoekse Waard aanwezig. De overige manschappen waren over de rest van het gezagsgebied verdeeld.

De samenstelling van de staf Groep Kil

De bezetting van de stafsecties wisselde aan de lopende band, zelfs nog in de laatste weken voor de inval. Het enorm nijpende gebrek aan ervaren officieren leidde ertoe dat met een triage systeem ervaren officieren van ‘buitengebieden’ [lees: sectoren waar men de vijand pas in tweede of latere instantie verwachtte] werden weggehaald en reserve officieren of geen vervanging terugkwamen. Een buitengewoon kwalijke kwestie voor de C-Gr. Kil en zijn chef-staf; ze waren niet de enige staf die met dergelijke problemen te kampen hadden.

De Groep Kil werd gecommandeerd door de heropgeroepen oud beroepsofficier der infanterie, kolonel J.A.G. van Andel. Deze stond niet bekend als een bijzonder plezierige man en bovendien niet als een zeer sterke bevelhebber. Algemeen werd de kolonel als ongeduldig, opvliegerig en bars getypeerd door tijdgenoten. Hij was een achterneef van de commandant Vesting Holland, luitenant-generaal J. (Jan) van Andel.

[2, 70] Chef-staf en hoofd Sectie 1 [Operatieën] was de kapitein der Generale Staf M.R.H. Calmeijer, een zeer goed aangeschreven officier, oud leraar van de HKS en de enige GS officier die een vrijwel volledige Generalstabsoffizierlehrgang van twee jaar aan de Duitse HKS in Berlijn had afgerond. Hij had in zijn stafsectie zes stafofficieren ter beschikking, waarvan slechts de kapitein E.L. Voorwinden eveneens beroepsofficier was. Deze was in 1938 zijn leergang aan de HKS gestart, maar werd wegens de mobilisatie tijdens de stafopleiding op zijn mobilisatiebestemming in Limburg gestationeerd. Daar werd hij echter spoedig niet handhaafbaar geacht wegens vermeende sterke Duitse sympathieën [hij had een Duitse vrouw]. Hij kwam daardoor bij de Brigade C terecht als sous-chef van de staf. Als plaatsvervanger van de chef-staf werd hij echter niet voor vol aangezien omdat hij vanzelfsprekend ook bij de Brigade C werd gewantrouwd (1).

(1) Volgens de toenmalige chef-staf kapitein Michael Calmeijer [70] bleek de kapitein Voorwinden spoedig inderdaad pro-Duits, omdat hij niet lang na de capitulatie zijn diensten aan de Duitsers aanbood.

[1, 70, 192] De luitenant-adjudant D.C. de Vries was in de periode voor de inval zeer actief bij inspecties van de stellingen. Hij inspecteerde niet alleen door de staf in uitvoering gegeven opdrachten, maar verkende ook op de locaties Willemsdorp en Moerdijk gelegenheid voor aanvullende legering in verband met voorgenomen versterking van de bruggenhoofden.

[1, 70] Ordonnans officier was de reserve 1e luitenant C.A. de Meijere. Mr. de Meijere werd na de oorlog een befaamd jurist, die onder meer de zeer hoge positie van vicepresident van de Hoge Raad zou bereiken.

[1] Naast de sectie I – die dus behalve de chef-staf uit zes officieren plus twee officieren voor verkeerszaken bestond – waren er nog negen andere officieren. Allen reserve officier.

[1] De gehele Groepsstaf bestond daarmee – naast de commandant – uit 19 officieren [plus een vaandrig van de KMA]. Daarvan waren er drie plus de vaandrig beroepsmilitair. De overige waren reserve officier en niet geschoold voor stafwerkzaamheden. Bovendien waren drie stafofficieren zuiver voor non-combattanten functies aanwezig, dat wil zeggen voor de veterinaire-, geneeskundige en de tandheelkundige dienst. Het verklaart o.m. waarom de chef-staf van de Groep Kil zo’n prominente rol zou (moeten) spelen in de meidagen.

[1, 70, 192] Overigens valt op dat in het stafwerk de reserve luitenant-kolonel J. Govers wordt genoemd als toegevoegd hoofdofficier bij de staf van Groep Kil. Hoewel het stafwerk door de voormalige chef-staf Calmeijer zelf werd geschreven [onder redactie van generaal-majoor b.d. V.E. Nierstrasz], beschrijft deze de overste Govers nergens in zijn uitgebreide verslaggeving in het stafwerk zelf [1], noch in de door hem samengestelde krijgsrapporten [192], noch in zijn memoires [70]. Ook wordt de overste J. Govers in geen van de overige krijgsverslagen genoemd. Overigens blijkt uit diens staat van dienst dat J. (Johan) Govers in mei 1940 geen overste maar majoor was en verbonden was aan de Generale Staf [sectiehoofd sectie II, technische aangelegenheden]. Het heeft er alle schijn van dat de majoor/overste Govers tijdens de meidagen niet tot de staf van Groep Kil behoorde en dus abusievelijk in het stafwerk Zuidfront als zodanig werd vermeld.

[1, 142, 192] De staf van de Gr.A.C. – luitenant-kolonel T. Ziedses des Plantes [tevens regimentscommandant van 23.RA] – bestond uit acht officieren plus twee verzorgende officieren [regimentsarts en geestelijke verzorging]. Kapitein-adjudant H.G.L. Konings was de rechterhand van de Gr.A.C.. Daarnaast vier officieren voor de vuurregeldienst, twee officierverkenners [stelling locaties], alsmede de commandant verbindingsdienst en de gasofficier. Al deze officieren waren reserve officieren. Deze kleine en weinig ervaren staf werd vanzelfsprekend enigszins verlicht door de kleine AGP op het Eiland van Dordrecht dat gecommandeerd werd door de majoor W.C.Th. Haarman met twee reserve luitenants als enige officierassistenten.

Gezien het feit dat het gezagsgebied van de Groep Kil bijzonder groot – en stellingtechnische complex – was en het feit dat men de stellingvoorbereiding geheel zelfstandig diende te verrichten na 12 april 1940, mag men vaststellen dat de staf van de Groep – eufemistische gesteld – niet bepaald groot was. Daarbij ook beslist zeer ondermaats bedeeld met beroepsofficieren. Dat deze staf, inclusief de artillerie staf, zou worden versterkt indien het front zich [volgens de gangbare verwachting] geleidelijk zou verplaatsen naar het zuidfront, staat buiten kijf. De taak waarvoor de Groep Kil zou worden gesteld op 10 mei 1940 was uiteraard door niemand voorzien. Die nuance is bij de beoordeling op zijn plaats.

De curieuze rol van kapitein Calmeijer

Het is noodzakelijk om in te gaan op de persoon Calmeijer en de exceptionele rol die deze officier zou spelen in zowel de daadwerkelijke gebeurtenissen aan het zuidfront alsmede de krijgshistorische analyse daarvan naoorlogs. Een beknopte belichting daarvan lijkt wenselijk, omdat auteur dezes de kapitein Calmeijer kritisch zal blijken te volgen in de beschouwing van de gebeurtenissen. En de lezer zal willen weten wat de aanleiding daartoe is.

De buitengewone levensloop van Calmeijer was al aanleiding hem uit te lichten en uitgebreid te introduceren in de speciale sectie Uitgelicht.

Kapitein der Generale Staf Calmeijer was in mei 1940 de spin in het web als het de perikelen rond de staf van Groep Kil betrof. En die staf was operationeel verantwoordelijk voor het gros der manoeuvres en handelingen van het Nederlandse leger in en om de Hoekse Waard, alsmede deels op het Eiland van Dordrecht en de verdediging rond de Oude Maas. Calmeijer behoorde vooroorlogs tot de werkelijk selecte groep ‘high potentials’ van het kleine professionele officierskorps van onze landmacht. Ook zonder de Tweede Wereldoorlog was een generaalsrang vermoedelijk voor hem weggelegd geweest. Calmeijer was een intelligente man en uit het juiste officiershout gesneden. Rechtlijnig, autoritair, onbuigzaam, maar met respect voor gezag. De matrijs waaruit hij was voortgekomen was voor een bijzonder lage productie gebruikt, en dus viel hij op. De overste Dijxhoorn was een persoon die qua persoonlijkheid Calmeijer benaderde, maar die beduidend meer moeite met zijn superieuren had. In die zin was Calmeijer beduidend handiger. Daarmee was hij uitstekend ‘opperofficierenspul’.

Calmeijer was dus op de juiste plaats en de juiste tijd toen hij zich zonder enige vorm van concurrentie midden in het zwaartepunt van de gebeurtenissen bevond in mei 1940 en in dat land der blinden aan het zuidfront, de eenogige koning kon spelen. En die rol nam hij – zo zal blijken – met veel verve op zich.

Calmeijer zou zich met name de eerste twee gevechtsdagen buitengewoon veel verantwoordelijkheid op de hals halen en zich operationeel op een monistische wijze opstellen t.a.v. zijn staf. De resultaten daarvan waren bepaald niet onverdeeld gelukkig, hoewel dat niet betekent dat Calmeijer a-priori voor ongelukkig uitgevallen besluiten sterk verwijtbaar was.

De lezer zal na besturing van de gebeurtenissen - op 10 en 11 mei in het bijzonder - zich een goede voorstelling van zaken kunnen maken in welke mate de dominante Calmeijer zich tijdens de eerste twee dagen zou manifesteren. En niet alleen operationeel. Als men dat in ogenschouw neemt – met of zonder de overwegingen die auteur dezes aan die rol en het functioneren van Calmeijer hangt – dan is het buitengewoon curieus dat Calmeijer naoorlogs zelf nauw betrokken werd bij de krijgshistorische beoordeling van het theater waarin hij zelf chef-de-cuisine had gespeeld. Hij was de keurmeester van eigen vlees en mocht het keuringsrapport in het stafwerk Zuidfront verwerken.

En dat was niet het enige. Calmeijer had de juiste vrinden en had geen verkeerde mensen op het vestje gespuugd voor en tijdens de oorlog, en maakte dus een stoomcarrière vlak na 1945. Slechts kort na de oorlog [1946] werd hij chef van het Kabinet van de minister van Oorlog. In 1949 werd Calmeijer zelfs sous-chef van de staf onder Generaal Kruls. Overigens stapte Calmeijer in die functie in 1951 op, nadat zijn chef Kruls hetzelfde had gedaan. Maar nadien werd Calmeijer permanent vertegenwoordiger in de Noord-Atlantische Raad, om in 1955 als luitenant-generaal met pensioen te gaan. Enkele jaren later – we schrijven 1959 – werd hij als minister van defensie gevraagd in het kabinet de Quay. Dezelfde de Quay die tijdens WOII één van het driemanschap was geweest die de dubieuze Nederlandse Unie had vormgegeven, een organisatie waar Calmeijer lange tijd zelf sterke sympathie voor had getoond. Zodoende bleef de kapitein Calmeijer van 1940 een spin in het web bij defensie en was hij spoedig na de oorlog een machtige man in het defensieapparaat. Moedige onderzoekers die een opperofficier in het naoorlogse leger kritisch op diens handelen tijdens de meidagen beoordelen zouden. Die waren er dan ook niet.

En voor een kritische beschouwing van het handelen van kapitein Calmeijer anno mei 1940 was in principe alle aanleiding. Want los van sec zijn eigen handel en wandel als chef-staf van Groep Kil, vormden de krijgshandelingen aan het zuidfront de aanleiding voor relatief veruit de meeste onderzoeken en krijgsraadzaken van alle fronten in mei 1940. Vrijwel alle sectoren binnen het zuidfront werden aan het kritische oog van commissies of zelfs krijgsraden onderworpen. En naast die sectoren natuurlijk ook sleutelfiguren die aan het zuidfront waren ingezet. Zoals de staf van Groep Spui [in het bijzonder commandant kolonel de Brauw], de commandant en ettelijke kaderleden van 3.GB en enkele mindere goden. Daarnaast uiteraard de kantonnementscommandant van Dordrecht, maar ook die van Rotterdam. De commandant van Waalhaven – zij het postuum – alsmede de commandant van III-Jagers voor zijn rol bij de verdediging van Waalhaven. De commandant van 1-I-39.RI naar aanleiding van de gebeurtenissen in en rond Willemstad, artillerieofficieren van 23.RA en 25.AA wegens vermeend vroegtijdig vertrek uit de stellingen, het beleid bij Moerdijk en Willemsdorp en natuurlijk de gang van zaken rond Amstelwijk. De staf van de Lichte Divisie, inclusief haar commandant werden ook onderwerp van onderzoek. Kortom, vrijwel iedere sector en vrijwel iedere bevelhebber die aan het zuidfront was ingezet kreeg een onderzoek aan de broek en werd hetzij stevig aan de tand gevoeld, hetzij tucht- of militair strafrechterlijk beoordeeld. Er was maar één wit schaap tussen de bevelhebbers aan het zuidfront … kapitein Calmeijer, die zijn chef kolonel van Andel - ook na mei 1940 - eveneens in de schaduw wist te houden!

De voorgaande motivatie voor het kritisch volgen van kapitein Calmeijer dient de lezer niet als een vooroordeel t.a.v. het handelen van de kapitein te nemen, maar als een verklaring waarom deze officier in de bespreking van de gebeurtenissen kritisch wordt gevolgd. Althans, veel kritischer dan hij zichzelf beoordeelde in zijn memoires en zijn stafwerk. Tot een algehele beoordeling van zijn handelen – in positieve en negatieve zin – wordt uiteraard pas gekomen als de meidagen behandeld zijn. Tot dat moment is hetgeen in deze passage geschreven staat slechts een handleiding die dient om de lezer te informeren inzake de beweegredenen om buitengewoon kritisch te kijken naar de handel en wandel van de chef staf Groep Kil.

6 Bt LuA

[302] De met drie Vickers 7.5 tl [en twee M.25 Spandau mitrailleurs] uitgeruste batterij luchtdoelgeschut stond ten oosten van Mookhoek in een open polder. Dit onderdeel was bedoeld om samen met 19 Bt LuA bij het dorp Moerdijk de luchtverdediging te vormen rond de Moerdijkbruggen. Net als 19 Bt LuA stond 6 Bt LuA in een neutraliteitsopstelling. Men zou in geval van oorlog worden verplaatst.

De manschappen waren ondergebracht in een barakkenkamp bij het dorpje Strijen. De opstelling zelf was volkomen ongedekt en ongecamoufleerd. Men stond volledig in het open landschap [Bonaventura Polder]. De batterij had 3 officieren [w.o. commandant reserve 1e luitenant D. van Bekkum], 12 onderofficieren en 107 minderen: 122 man totaal. Er werd samengewerkt met de sectie zoeklichten 3-XI-Zl.Afd.tl. bij Cillaarshoek.

De batterij was uiterst summier voorzien van munitie volgens het verslag van de Bt.C. Er waren circa 150 granaten voor de vuurmonden en vier banden per mitrailleur. Voor de manschappen waren er 20 kogels de man [hetgeen voor de LuA een standaard rantsoen was]. De zeer beperkte voorraad munitie voor de stukken valt op. Sterk betwijfeld wordt of dit wel een accurate voorstelling van zaken was. Vermoedelijk verwees de Bt.C naar de voorraad in de stelling en was het overige opgeslagen in Strijen bij de barakken. Helaas biedt het verslag geen inzicht in de werkelijke munitievoorraad.

[8] Regulier had een batterij LuA Vickers 7.5 tl. in totaal 744 brisantgranaten met tijdsontsteking, ofwel 248 schoten per vuurmond, in voorraad. Hoewel daar enige tientallen van kunnen zijn verschoten tijdens de neutraliteitsperiode wordt het een betrouwbaar gegeven geacht dat geen enkele batterij op 10 mei 1940 minder dan 500 bg in voorraad had. Overigens gold wel dat de organiek voorgeschreven munitievoorraad voor de M.25 Spandau, van niet minder dan 3,870 patronen [No. 23] per wapen voor de LuA onderdelen, vrijwel nergens op organiek niveau was. Duidelijk is dat dit bij 6.Bt.LuA zelfs beduidend onder deze waarde lag met minder dan 1,000 patronen per mitrailleur. Overigens zou hierbij ook kunnen gelden dat het gevechtsrapport slechts de in de stelling voorhanden banden besprak en de overige voorraad discrimineerde.

In de nacht was men – zoals gewoonlijk – semiparaat. De radio werd uitgeluisterd en luisterposten waren op enkele locaties uitgezet. Om 0330 uur zou de gehele batterij bezet worden.

Duitse plannen

Ten aanzien van het Duitse aanvalsplan wordt in dit hoofdstuk slechts gekeken naar de Hoekse Waard zelf, de hoofdbasis van de Groep. De overige delen van het gezagsgebied worden immers separaat behandeld in de overige hoofdstukken.

Voor de Hoekse Waard hadden de Duitsers geen rechtstreekse plannen. Ze hielden wel terdege rekening met de bedreiging die de Nederlandse eenheden in de Hoekse Waard boden voor de west en zuidflank van de geplande landingscorridor. Daarom waren aan Duitse kant instructies opgenomen voor I. en II./FJR1 om troepen vrij te maken voor verdediging van de oostelijke Kil oevers en was het zaak – als de ontwikkeling van de strijd dit toeliet – de zwaardere wapens vooral langs de Kil te concentreren. Men vreesde belangrijke tegenmaatregelen vanuit de Hoekse Waard door Nederlandse verbanden.

Voor de Duitse eenheden te IJsselmonde gold dat zij de bruggen over de Oude Maas dienden te bezetten aan de noordzijde. Zij werden niet verondersteld de zuidelijke landhoofden van de bruggen veilig te stellen. Zodoende werden contingenten troepen aangewezen om de bruggen bij Spijkenisse [Groep Spui] en Barendrecht [Groep Kil] te bezetten. Voor bezetting van andere punten langs de oevers van de Oude Maas werden in eerste instantie geen eenheden vrij gemaakt. Opmerkelijk is dat de veren bij Goidschalxoord en Puttershoek niet als te bezetten punten werden aangemerkt.

Uit de Duitse plannen blijkt geen extra inspanning voor de Luftflotte 2 ten aanzien van het aanpakken van de artillerie in de Hoekse Waard. Mogelijk was men niet op de hoogte van de aankomst van 23.RA half april in het gebied. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de barakken van 25.AA, dat al aan het zuidfront stond voordat Brigade C op 12 april arriveerde, wel doelwit werden van een luchtaanval in de vroege morgen van 10 mei. De batterijen en opstellingen van 23.RA werden echter niet aangevallen. Indien deze vijf batterijen 7-veld bij de Duitsers bekend waren geweest, zouden zij vrijwel zeker wel in de aanvalsplannen van Luftflotte 2 voor het eerste uur zijn opgenomen.

Aan de vooravond van de inval

[1, 8, 70, 192] Een kort resume van de eenheden voor het snelle overzicht. Op 10 mei 00.00 uur stonden de volgende eenheden onder bevel van de Groep Kil: 28.RI, III-34.RI, III-14.RA, I-17.RA, I en II. 23.RA, 25 AA, 11.MC (1 sectie), 12.MC, 14.C.Pn en het detachement Willemsdorp [waarin o.a. twee sectie I-41.RI, een sectie MC-3.GB, een groep Politietroepen en een groep VLK Vaartuigendienst]. Twee batterijen luchtdoelartillerie, twee secties zoeklichten en drie pelotons luchtdoelmitrailleurs stonden in de sector, maar vielen onder de Luchtverdedigingskring Rotterdam – ’s Gravenhage.

In de Hoekse Waard lagen hiervan dus: II-28RI geheel, III-28RI (min 3-III), een sectie 28 Bat 6-veld, een sectie 28 C.Mr en Staf 28.RI. Bovendien III-34RI (min 1-III bij Groep Spui), I en II-23RA [vijf batterijen], 25 AA [drie batterijen] en de in feit niet onder Groep Kil allende 6.Bt.LuA met drie stukken 7.5 tl [oost van Mookhoek] en verbonden zoeklichten. Alle overige eenheden die onder bevel van Groep Kil vielen, lagen elders.

Zoals voor het gehele zuidfront, gold voor de Groep Kil in de nacht van 9 op 10 mei 1940 de gevechtsgereedheidgraad ‘normaal’. De Groepscommandanten waren niet door C-VH geïnformeerd omtrent de waarschuwing van het AHK dat er van de grens verontrustende berichten kwamen. Zodoende werd dit evident – en zoals elders al gebleken was – niet aan de substaven en onderdelen doorgegeven en bleef het gehele zuidfront in het ongewisse. Eveneens gold voor de troepen in de Hoekse Waard [indachtig het geldende bevel van C-VH] dat de munitie - op enkele wachtrantsoenen na - achter slot en grendel lag.

[101, 192] Er was één onderdeel aangewezen voor een snelle mobiele stand-by taak. Dat was 2-III-34RI [reserve kapitein van Daalen] met een sectie MC-III-34RI. Deze waren geheel voorzien van auto’s en vrachtwagens. De compagnie was overigens ver onder sterkte en had slechts 70 man gevechtstroepen.

De Groep Kil had één brug in de Hoekse Waard en drie veerdiensten die binnen haar gezagsgebied vielen. Het betrof de lange hefbrug bij Barendrecht en de veerdiensten bij Puttershoek [Oude Maas], de veerdienst bij ’s Gravendeel-Wieldrecht en de veerdienst bij de Wacht. De provisorische pont bij Willemsdorp werd door de Vaartuigendienst Hollands Diep verzorgd. Langs de Kil waren er onderdelen bij de oversteekpunten gelegerd. Dat was echter niet het geval bij de veerdienst bij Puttershoek en de brug bij Barendrecht. Zodoende was de brug niet bezet noch was de hef geheven.

Wegens het feit dat de Groep Kil niet rechtstreeks zou worden aangevallen lijkt het weinig zinvol de wacht- en piketdiensten van alle onderdelen op te sommen. Dat zal dan ook niet worden weergegeven. Wel is van belang te duiden dat op alle staven telefoonwachten paraat waren. De staven zelf waren echter nergens [in de Hoekse Waard] bezet; ook de Groepsstaf en Artilleriestaf niet.

De strijd breekt uit

Zoals inmiddels bekend geacht mag worden, werden de eenheden aan het zuidfront niet door de C-VH verwittigd omtrent het bericht dat van de staf OLZ rond 2100 uur (9 mei) was uitgegaan, dat van de grens verontrustende berichten kwamen en men zeer op de hoede moest zijn. Het voelt als overbodig alhier opnieuw in te gaan op die materie. [1, 70, 192] Het betekende echter dat ook de staf van de Groep Kil zich op een telefoonwacht na, ten ruste had gelegd in de nacht van 9 op 10 mei.

De C-VH verstuurd rond 0500 uur pas zijn telex ‘hoogste strijdvaardigheid’ aan zijn ondercommandanten, maar dat bericht kwam als mosterd na de maaltijd, ook bij Groep Kil waar de officieren van de staf door de actie in de lucht al wakker waren geworden en zich bewust waren dat de oorlog een feit was.

De chef-staf kapitein Calmeijer was al spoedig in het Groepskwartier, nabij ingekwartierd als hij was [70] nabij de Suikerfabriek 'Puttershoek' [Coöperatieve Suikerfabriek & Raffinaderij GA Puttershoek' [96]]. Naast de voornoemde telex van de C-VH die de chef-staf bij aankomst op zijn bureau reeds zag liggen, hingen spoedig de diverse positiecommandanten aan de lijn. Onder hen de kapitein Marijnen vanuit Moerdijk, die op zijn panische vraag ‘wat te doen’ het even weinig zeggende antwoord ‘vechten, schieten’ van zijn operationele chef kreeg [70, 101c].

kapitein Calmeijer

Twee zinnen gewisseld tussen twee ranggelijken die zoveel zeggend waren over de staat van het Nederlandse officierenkorps anno 1940. De positiecommandant die zich kennelijk in zijn functie geen enkel werkelijk oorlogsscenario had voorgesteld, laat staan geleerd had zelfstandig na te denken hoe te handelen bij een situatie die niet in de instructieboeken voor officieren te velde voor kwam. De  positiecommandant, die op die functie was 'uitverkoren' omdat hij als sur-plus officier - zijn oorspronkelijke onderdeel was gedetacheerd over meerdere posities - prevaleerde boven werkelijk geschikte collegae. En de chef-staf die niet de moeite neemt zijn kennelijk paniekerige mindere op een verstandige wijze tot de orde te roepen en hem zinnigheid in te praten.

Duidelijk was inmiddels wel geworden dat Duitse luchtlandingen plaatsvonden rond de Moerdijkbruggen. Kapitein Marijnen had daarover duidelijk bericht in zijn zeer korte gesprek met kapitein Calmeijer. Met het detachement te Willemsdorp kon echter geen contact worden verkregen. Het bleef dus gissen naar de situatie aldaar.

Vanuit Dordrecht belde de reserve kapitein W. Mantel van de 14e Compagnie Pioniers op met een analoge boodschap als kapitein Marijnen even daarvoor [191, 192]. Hij meldde door parachutisten te worden aangevallen en vroeg zich af wat hij moest doen. Wederom een toonbeeld van een onzelfstandige officier, een product van een ondermaatse officiersopleiding. En even zo weinig vernuftig was het antwoord van de chef-staf Groep Kil wederom: ‘Aanvallen en vijand vernietigen’. Enige tijd later belde de kapitein terug met de mededeling dat door Duitse parachutisten de overgave werd geëist. Kapitein Calmeijer vroeg hem wat de status van zijn troep was, waarop die werd gegeven. Die was bepaald niet hopeloos oordeelde de chef-staf (terecht), maar desondanks gaf de kapitein Mantel zich enige minuten later geheel nodeloos met zijn 100 man over aan een handvol parachutisten [191]. Dat zou echter pas veel later bij Groep Kil bekend worden, toen een kleine sectie pioniers zich alsnog via de telefoon meldde en aangaf dat het overige deel van de compagnie in Duitse handen was gevallen [191, 192].

Ook kwam al spoedig de commandopost bij Amstelwijk in de lucht, waar de reserve majoor van Hoek [C-I-28.RI] al voordat de parachutisten werkelijk in beeld waren sprak over een omsingeling en zich telkens meldde bij de Groep Kil met steeds dringender verzoeken om versterking [70, 101a, 192]. De Groepsreserve – die als paraat detachement [2-III-34.RI plus een stuk zMG] tegen parachutistenlandingen mobiel gereed stond – was er vroeg in de morgen reeds heen gestuurd. Hoe dat verliep, werd bij de behandeling onder Wieldrecht al geduid.

Ook meldde zich na enige tijd [0710 uur] de commandant van III-14.RA [reserve kapitein Mulder] met de mededeling dat zijn batterijen waren overvallen door de parachutisten [70,199]. Zijn afdeling had tevergeefs getracht ze te heroveren en daarbij aanzienlijke verliezen geleden, vooral onder het kader. De Artilleriecommandant te Gravenstein kon men niet meer bereiken. Dat was logisch, want die was volop in gevecht dan wel reeds uitgeschakeld rond die tijd. Kapitein Mulder verzocht om munitie. De chef-staf Groep Kil instrueerde hem aan de Zeedijk de stellingen te houden en gaf aan dat er met het kantonnementsbureau te Dordrecht contact zou worden opgenomen om enkele kisten geweermunitie naar de Zeedijk te laten brengen [70, 140, 192]. Die munitie zou daadwerkelijk worden afgeleverd, later op de dag.[140]

Dat waren de reguliere ondercommandanten die zich melden bij het Groepsbureau. Hoewel men in Puttershoek snel genoeg doorkreeg dat er Duitse parachutisten in massa rond de Moerdijk waren afgesprongen en ook in het hart van het Eiland contacten waren ontstaan, kon men zich nog geen enkel beeld vormen bij de werkelijke stand van zaken. In feite wist men van geen enkel der bataljonsvakken op het Eiland en bij Moerdijk, hoe het ervoor stond. Het enige dat men vernam was dat men overal binnen het Groepsvak – in Moerdijk, bij Amstelwijk, bij Dordrecht en de artillerieopstellingen – in het nauw zat. Van Willemsdorp zelfs geen taal of teken.

[70, 192] Via een delegatie burgers was op het bureau in Puttershoek gemeld dat er parachutisten vlakbij de brug te Barendrecht waren geland. Daarop werd de majoor Houtman van het reservebataljon III-34.RI geïnstrueerd een versterkt peloton naar de brug te sturen. Dat peloton kwam vermoedelijk tussen 0700 en 0800 uur bij de brug aan. Daarover wordt in de sectie over IJsselmonde nader beschouwd.

De taken van het Militair Gezag

[70, 192] Ondertussen was het ook een levendige aanmelding van burgemeesters bij de telefooncentrale. Uiteraard meldden die zich bij de lokale militaire autoriteit met hun vragen, een kwestie die overal schromelijk was onderschat. Draaiboeken voor gemeenten waren er nauwelijks, en als ze er waren, vanwege initiatieven van de gemeentebesturen zelf ontstaan. Het feit dat het leger op 12 april 1940 officieel middels de afkondiging van de Staat van Beleg de hoogste bestuursautoriteit was geworden, zou tijdens de meidagen de staven en lokale bevelhebbers alom flink bezighouden. Alsof ze nog niet onderbezet genoeg waren. Het leger had echter geen goede draaiboeken voorbereid voor het geval de oorlog zou uitbreken. Zodoende stelden vrijwel alle burgemeesters zich vroeger of later met lokaal Militair Gezag in verbinding om instructies te krijgen. Dat was in gebieden waar de vijandelijkheden niet direct gevoeld werden niet zo’n heel grote uitdaging, maar des te meer bij de Groep Kil.

Naast instructieverzoeken kreeg de staf ook bijzonder veel civiele meldingen van gesignaleerde parachutisten, neergehaalde vliegtuigen, verdachte zaken, etc. etc. In het begin werden al die meldingen vrij serieus genomen, zodat men spoedig door de beschikbare taakvrije manschappen heen was die als patrouilles uitgestuurd moesten worden om binnen het gezagsgebied meldingen te verifiëren. De hele eerste oorlogsochtend was daardoor een ongekende chaos van berichten en grotere en kleine tegenacties. Men kon het kaf niet van het koren scheiden, waardoor er totaal geen enkel overzicht in de status van het slagveld kon worden gebracht. Een taak waarvoor de toch al minimale staf van Groep Kil zich desondanks gesteld zag.

Enige klaarheid in de gebeurtenissen

[192] In de loop van de nog vroege ochtend meldde zich opeens de luitenant-adjudant van de kolonel van Andel terug op het bureau te Puttershoek. 1e Luitenant D.C. de Vries was in Willemsdorp geweest tijdens de overval door de parachutisten en erin geslaagd samen met enkele manschappen de Kil over te steken en zodoende de Duitsers te ontvluchten. Hij kon de enige klaarheid van die ochtend brengen op het Groepsbureau door te melden dat de Moerdijkbruggen aan beide zijden waren overvallen met ‘honderden’ parachutisten. Hij kon eveneens melden dat de Duitsers zich van de verkeersbrug meester hadden gemaakt, althans daar waren beschoten en dat de verdediging provisorisch buiten de gebouwen werd gevoerd, langs de rijksweg. Bovendien, dat slechts een klein deel van het dekkingsdetachement en de compagnie te Willemsdorp aan het gevecht deelnamen. Uit deze mededeling werd het de commandant en chef-staf duidelijk dat de Moerdijkbruggen verloren waren gegaan.

[70, 192] Op dit bericht werd direct contact opgenomen met de staf van het commando Vesting Holland. Daarbij werd melding gemaakt van het vrijwel zekere verlies van de bruggen. Er werd verzocht toestemming te krijgen de bruggen met artillerie te beschieten. Die toestemming werd geweigerd. Volgens de memoires van de kapitein Calmeijer onmiddellijk op zijn verzoek, maar er zal eerst overleg zijn geweest tussen C-VH en de staf OLZ, want het betrof immers een kwestie van strategisch gehalte en daar ging C-VH niet over. In ieder geval gaf C-VH spoedig te kennen dat er geen beschieting van de bruggen, maar slechts van de landhoofden mocht plaatsvinden. De bruggen waren een essentiële schakel met de verwachte Fransen. Dat de aanwezige artillerie geen deuk in de bruggen had kunnen schieten met de voorhanden vuurmonden, is daarbij – in deze fase – niet veel meer dan een detail.

[70, 199] De artillerie kreeg in de morgen al vroeg opdracht om het vuur te openen op de landhoofden bij de Moerdijkbruggen en de uitvalswegen ten noorden van Willemsdorp. Op de gebeurtenissen van deze afdeling komen we later inhoudelijk terug.

In de loop van de ochtend was wel duidelijk dat ten oosten van de Kil de situatie niet onder Nederlandse controle was. Men alle ondercommandanten was contact verloren gegaan. De laatste contacten en de meldingen van gevluchte militairen boden de voor de hand liggende hypothese dat de Moerdijkbruggen verloren waren gegaan alsmede de omgeving van de rijksweg tot aan Dordrecht. [70] Uit contacten met het kantonnement Dordrecht bleek dat ook de bruggen aldaar door de Duitsers veroverd waren. Men wist dat de vakcommandant bij Amstelwijk was omsingeld en dat van de hem toegezonden kleine compagnie versterking niets meer was vernomen. De AGP Prinsenheuvel was niet bereikbaar te Gravenstein en de compagnie pioniers bij de Zeehaven was op een peloton na in Duitse handen gevallen. Ten noorden van de Oude Maas waren parachutisten geland en brand werd waargenomen richting Rotterdam zuid.

Uit dat troebele statusbeeld bleek dat de Groep in plaats van een eenvoudig te duiden bedreiging aan haar zuidfront een dreiging had aan haar noord en oostfront. De enige twee flanken waar zij haar verdediging in het geheel niet op had voorbereid (overwegende dat haar rechterflank - ofwel de westflank - door de aanleunende Groep werd bezet].

Tegenmaatregelen

Op de staf van Groep Kil werd hard gewerkt om te anticiperen op de plannen van de tegenstander, zonder dat diens strategie duidelijk was. Duidelijk was de Groepstaf wel dat haar noord en oostflank werd bedreigd en men hield er rekening mee dat de tegenstander de beide waterpartijen zou wensen te overschrijden [7, 70, 192]. Daarom werd al in de loop van de morgen een frontwijziging doorgevoerd.

[192] De majoor Houtman van III-34.RI kreeg bevel over het nieuwe gevormde noordelijke vak terwijl reserve luitenant-kolonel G.W. Stroink – C-28.RI – het bevel kreeg over het zuidelijke vak. Zodoende vond een reorganisatie van de verantwoordelijkheden in de Hoekse Waard plaats. Tegelijkertijd werden twee secties extra naar Barendrecht gestuurd, werd een compagnie [1-II-28RI] naar ’s Gravendeel gestuurd en werden secties van II-28.RI gedirigeerd in posities tussen Willemsdorp en Mookhoek aan de westzijde van de Kil.

De stukken 15 lang 24 van 25.AA werden niet verplaatst, hoewel ze dicht op de Kil stonden en dus kwetsbaar waren indien de Duitsers zouden oversteken of hen met mortieren zouden bestoken. De vijf batterijen van I en II-23.RA werden echter vooral ingedeeld om het Kilfront te kunnen dekken en als zodanig van stelling en schootsrichting gewijzigd. De details zien we later.

Zowel II als III-28.RI moesten een nieuwe Groepsreserve vormen uit ieder een compagnie van hun troepen. Dat was met name voor III-28RI een aderlating, want zij miste al haar compagnie die bij Moerdijk lag. Bovendien werd uit hun midden direct alweer de formatie weggenomen die naar Barendrecht ter versterking werd gestuurd.

Het gemis van een integraal commando zuidfront

Omdat Groep Kil zich voor vele onverwachte taken gesteld zag en haar dispositief in feite verdrievoudigd had zien worden werd bij de Groep Spui extra versterking aangevraagd om de reserve weer enigszins op peil te brengen.

[192, 193] De commandant Groep Spui [kolonel de Brauw, voormalig commandant Zuidfront Vesting Holland] meende slechts een kleine compagnie [1-I-34RI min een sectie] te kunnen missen. Een onwerkelijke zaak, maar een rechtstreeks gevolg van een ontbrekend integraal commando over de beide Groepssectoren. Het was aan de C-VH geweest hier sturend op te treden, maar daarvan bleek niets.

Zodoende stonden grote concentraties troepen in de sector van Groep Spui op hun nagels te bijten, terwijl men bij de aanleunende Groep Kil op sectieniveau moest schipperen om de langgerekte frontlijn te bezetten. Daarbij kwam het – deels uit noodzaak – tot een verspreiding van troepen die de bezetting van de frontsectoren zo ijl maakte, dat van concentratie geen sprake meer was. Het logische gevolg daarvan was dat men zich zuiver defensief kon opstellen met uitzondering van spaarzame offensieve acties met bijeen geschraapte verbanden.

[70] Chef-staf kapitein Calmeijer noteerde in zijn memoires dat één van zijn opmerkelijke ervaringen in Duitsland tijdens zijn opleiding aan de HKS te Berlijn was geweest, dat daar waar Duitsers aanvallen [ ‘Regiment greift an’], Nederlanders zouden verdedigen. Calmeijer bleef echter grotendeels trouw aan zijn Nederlandse wortels in mei 1940. Want als er een moment was geweest waarop men had moeten aanvallen, was het wel de ochtend en vroege middag van 10 mei geweest. De lichte troepen van de opponent waren in die fase nog uiterst kwetsbaar. Maar precies zoals Calmeijer in 1938 vaststelde, was de aard van de Nederlander eerst de zaak te organiseren en defensief te denken. Daar was deels natuurlijk best iets voor te zeggen – als het aankwam op het herschikken van het dispositief – maar anderzijds betekende de versnippering van de eenheden een aanslag op de slagkracht van de Groep Kil. Doordat bovendien Groep Spui nog meer rigide omging met de wenselijkheid van bezetting van een rondom dispositief, werd de slagkracht van de Nederlandse verdediging belangrijk verminderd door deconcentratie van eenheden. Dat terwijl men toch had kunnen nagaan dat de circa 10,000 man van de beide Groepen absoluut niet inferieur in aantal kon zijn aan de parachutisten die men had zien neerkomen.

Een slagvaardige commandant zuidfront – die node werd gemist – had in deze inefficiënte aanwending der middelen vrijwel zeker een verstandiger modus weten aan te wenden. Het mocht niet zo zijn. Van C-VH en zijn staf – die deze rol op zich hadden genomen – ging hoegenaamd niets uit. Zodoende was er dus een situatie waarbij twee Groepen ter grootte van een brigade aanleunend aan elkaar geen integraal commando boven zich hadden in een legercultuur waarbij orderdictaten gewoonte, en initiatiefrijk veldcommando bijzonder schaars waren. De resultaten daarvan waren dat met uitzondering van wijzigende dispositieven der autonome Groepen er geen zinvolle concentraties van troepen werden geinitieerd en nauwelijks behoorlijk gestructureerde tegenacties konden worden opgezet. Van de troepen van Groep Spui werd zelfs vrijwel geen gebruik gemaakt op 10 mei.

[1, 70, 192] Desondanks was het Groep Kil dat in de gegeven bevelschaos wel degelijk de ambitie toonde om in een groter geheel mee te denken en zich ook buiten haar gezagsgebied om zaak te bekommeren waarvan zij de importantie voor het geheel zag. Een van de belangrijkste voorbeelden hiervan is de vrijgave van een groot stuk slagkracht van de Groep in de ochtend van 10 mei. Naar aanleiding van een verzoek van de kantonnementscommandant te Dordrecht om hem te helpen ontzetten, werd II-28.RI [min 3-II en een sectie zMG, plus 1-I-34.RI min een sectie] onder de majoor D.P. Ravelli vrijgemaakt om bij ’s Gravendeel de Kil over te steken en Dordrecht vanuit het zuiden te ontzetten. Op deze actie wordt later uitgebreid terug gekomen. Het was echter in de situatie waarbij Groep Kil zich voor een zware taak gesteld zag, prijzenswaardig dat ‘out of the box’ werd gedacht door de staf van de Groep. Dat verhoudt zich buitengewoon gespannen met de passiviteit van de Groep Spui, die boven op haar middelen ging zitten terwijl zij niet rechtstreeks was aangevallen en slechts te maken had met enkele detachementen verkeerd gedropte parachutisten en luchtlandingstroepen in haar ‘achtertuin’ [Rozenburg].

De opzet van de actie Ravelli

De gehele 10e mei was Groep Kil bezig slagkracht c.q. dynamische reserves te vormen, welke zij voordat ze werkelijk gevormd waren alweer aanwendde c.q. aan moest wenden voor een actie. Het was niet anders toen in de ochtend de kantonnemenstcommandant te Dordrecht zich op hoge toon voor de zoveelste keer telefonisch meldde te Puttershoek en daar mededeelde dat als er niet snel assistentie kwam, Dordrecht verloren zou gaan [70, 192]. Enerzijds een overdrijving van formaat, want men stond er in Dordrecht op de keper beschouwd helemaal niet zo dramatisch voor. Men had de tegenstander geïsoleerd in het zuidelijke stadsdeel en deze tegenstander toonde zich niet langer offensief actief. De andere brandhaard was de sector rond de bruggen, waar men het bruggenhoofd van de Duitse parachutisten op geïmproviseerde wijze had weten af te grendelen. Tegelijkertijd was de noodroep van de kantonnementscommandant een teken van een bevelhebber die zijn taak als commandant van de verdediging van Dordrecht serieus nam. De theorieën omtrent diens vermeende verraderlijke optreden lijken nauwelijks houdbaar als dergelijke noodroepen om versterking en ontzetting werden gedaan.

[70] Chef-staf Groep Kil, die met de kantonnementscommandant sprak, was – volgens eigen zeggen – onder de indruk van diens labiele presentatie maar achtte het noodzakelijk desondanks krachtig te hulp te schieten. Hij [lees: kolonel van Andel en de chef-staf samen] erkende de strategische importantie van Dordrecht als sleutel naar Vesting Holland. Zodoende werd de juist gevormde reserve direct weer uitgeput. II-28RI zou met de net gearriveerde kleine compagnie 1-I-34.RI, onder achterlating van 3-II-28.RI en twee secties zMG die de zuidwestelijke Kiloever bezet hielden, via het veer bij ’s Gravendeel te hulp schieten.

[70] Chef-staf Calmeijer had tijdens zijn HKS opleiding in Berlijn het een en ander opgestoken over effectief commando voeren over eenheden. De Duitse doctrine was dat bevelhebbers dicht op de actie zaten en in voorkomende gevallen zelfs bij een actie aanwezig waren om direct te kunnen inspelen op de uitdagingen die iedere manoeuvre opleverde. Zodoende pakte de kapitein de motor en vertrok naar Strijen om daar ter plaatse majoor Ravelli uitgebreid te instrueren [1, 70, 100b]. De reeds in ’s Gravendeel aanwezige compagnie [1-II-28RI] was door de kapitein direct naar Wieldrecht gestuurd – overigens zonder dat C-II-28RI hierin werd gekend – om daar de oostelijke zijde te beveiligen [70, 100b].

[70, 100b] De majoor Ravelli werd op zijn eigen bureau door de chef-staf uitgebreid van marsorders en directieven voorzien, conform de Nederlandse traditie van gedicteerde bevelen. Ravelli werd te verstaan gegeven wat zijn marsroute zou zijn. Hij diende over te steken, Wieldrecht en de zuidoostelijke Kiloever te beveiligen indien nodig, Amstelwijk te hernemen en vervolgens in de sector tussen rijksweg en spoor via Krispijn de buitengrens van Dordrecht te bereiken. Vandaar moest een afgevaardige van de majoor contact zoeken met het kantonnementsbureau voor andere briefing en instructies. Voorts werd beloofd dat de ‘aanval’ op Amstelwijk door twee batterijen 7-veld van I-23.RA [C-I-23.RA majoor F.H.H.M. van Bensel] zou worden ondersteund. Vervolgens nam de kapitein majoor Ravelli mee naar het hoofdkwartier van de Groepsartillerie, waar samen met majoor van Bensel en overste Ziedses des Plantes het operatieplan werd gecoördineerd.

De artillerie had waarneming in de watertoren te ’s Gravendeel [o.l.v. reserve 2e luitenant C.A. den Tex]. In de watertoren was een telefoon die met de artilleriestaf verbonden was. Zodoende kon het vuur worden waargenomen en des benodigd gecorrigeerd. Er werd voor de aanval reeds met enkele stukken ingeschoten op het parkje bij Gravenstein.

Deze uitgebreide stafvoorbereiding was uiteraard prijzenswaardig, waarbij de chef-staf Groep Kil zich een ware operationele chef toonde [NB: dat deed hij nadrukkelijk niet ten aanzien van het verzamelen van informatie over het tactische doel van de geplande aanval]. De – naar Nederlandse maatstaven – uitstekende afstemming van de infanterie en artillerie was er een uit het Duitse operatieboekje. Dat was de gedicteerde instructie voor majoor Ravelli echter niet. Het is een merkwaardige zaak dat de majoor zo’n uitgestippelde instructie kreeg terwijl men bij Groep Kil niet op de hoogte was van de bezetting van Amstelwijk, noch van Krispijn. Voor hetzelfde geld werd de majoor regelrecht in een Duitse verdedigingslinie aan de zuidgrens van Dordrecht gestuurd. Het dictaat verbaast des te meer daar majoor Ravelli door kapitein Calmeijer was geselecteerd omdat hij de enige beroepsofficier [70] was met een veldcommando [NB: de enige voorhanden andere beroepsofficier met een bataljonscommando was majoor Houtman - C.III-34.RI, maar die had inmiddels een sectorcommando gekregen]. Er werd van de majoor dus een zekere mate van professionele kennis en kunde verwacht, daar hij als bataljonscommandant en beroepsofficier uitgebreid – wederom naar Nederlandse maatstaven – was gevormd in de manoeuvres met een bataljon voordat hij zijn veldcommando had gekregen. Ravelli had bovendien vele jaren ervaring opgedaan bij het Korps Mariniers, waar hij wegens een zeer lange detachering mee had samengewerkt (tot en met de rang van kapitein). Het voorgaande commando van de majoor was dat over I-4.RI geweest. Hij was kortom, als BC, op papier een veelbelovend officier. Calmeijer en hij kenden elkaar ook goed. Gezien de onzekerheid van de status van het gevechtsterrein, had het dus in de reden gelegen de majoor in zijn handelen, ná veilig stellen van Amstelwijk, slechts te instrueren contact te zoeken met de kantonnementscommandant voor de laatste instructies en hem niet uitdrukkelijk te bevelen om zich in Krispijn op te stellen en vanaf dat punt op basis van bevindingen en lokale afstemming verder te handelen. Door al die stappen voor te schrijven toonde kapitein Calmeijer zich een modelproduct van de Nederlandse Generale Staf officiersopleiding, waarin de leerlingen aan de HKS min of meer werd ingestampt dat zij als stafofficieren de veldcommandanten uitdrukkelijk moesten sturen. Als Calmeijer bij zijn Duitse GS opleiding echter had opgelet, dan was hem duidelijk geweest dat vrijwel geen oorlogsmanoeuvre tot in de derde fase was uit te schrijven. Dat er voortdurend aanpassing en heroriëntatie noodzakelijk was. Het heeft er dus nadrukkelijk de schijn van dat Calmeijer 'winkelde' in de aan hem voorgehouden leerstof. Hij pakte eruit wat hem beviel, maar hield zich niet aan de kern van wat hem met name in Berlijn geleerd was: aanpassen aan de omstandigheden, voortdurend de dynamiek van de manoeuvre bewaken om bedreigingen én kansen te kunnen beheersen en benutten. Overigens was er één 'geruststelling'. Majoor Ravelli, die een groot deel van zijn carrièrre rangmatig net voor Calmeijer uit had gelopen, zou zich van de directieven van de laatste weinig aantrekken en zijn eigen plan trekken ...

De gereedstelling van het bataljon Ravelli

[100b] C-II-28RI was de hele ochtend in touw geweest met nieuwe beveiligingsmaatregelen en het uitzenden van patrouilles in de omgeving van Strijen n.a.v. melding van gelande parachutisten. Toen laat op de ochtend de opdracht kwam voor de actie richting Amstelwijk, werd hij eerst uitgebreid gebrieft op zijn bureau te Strijen, waarna hij met de auto rond 1500 uur te ’s Gravendeel aankwam samen met de chef staf Groep Kil. In ’s Gravendeel werd de artilleriesteun doorgesproken en werd de C-II-28.RI de reserve 1e luitenant W. de Wit en een wachtmeester meegegeven die met een UKG zender/ontvanger de artillerievuren zou coördineren. Een luxe situatie in het Nederlandse leger anno 1940!

[100b, 192] Voor de aanval waren beschikbaar 1-II-28.RI met twee zMG, 2-II-28.RI met twee zMG, 1-I-34.RI met drie van haar vier secties en een sectie mortieren van 28.C.Mr. De eerstgenoemde compagnie was reeds in Wieldrecht en zou in de eerste fase van de aanval de noord en noordoost flank vanuit Wieldrecht beveiligd houden. 1-I-34.RI met een sectie zMG zou zich ten noorden van de Reeweg ontwikkelen, terwijl 2-II-28.RI ten zuiden van de Reeweg zou optreden en daarbij door de mortieren zou worden gesteund. De treinen bleven aan de westzijde van de Kil achter. De aanval op Amstelwijk zou vooraf gegaan worden door een korte barrage van I-23.RA. Aanvalstijdstip werd vastgesteld op 1945 uur!

1945 uur, terwijl om 1000 uur het bevel tot verplaatsing richting ’s Gravendeel was losgekomen. Wat was er allemaal gebeurd dat er zoveel tijd verloren was gegaan? Om die vraag te beantwoorden wordt teruggegaan naar halverwege de middag.

[101b] 1-II-28.RI [C., reserve 1e luitenant J.C. Verheijen] was al sinds de morgen in ’s Gravendeel aanwezig en was na opdracht van de chef-staf Groep Kil probleemloos de Kil overgestoken in de middag. Daar hield zij stellingen vast tot aan de avond, zonder daarbij door de Duitsers te worden uitgedaagd.

[101b] 2-II-28.RI [C., kapitein H.H.G. Belgraver - naast de BC en 2e luitenant A.K.R. de Lange van zijn eigen compagnie - de enige beroepsofficier] kreeg in de middag opdracht zich vanuit Strijen naar ’s Gravendeel te begeven en daar in afwachting van marsorders in dekking op te stellen. Om de compagnie te vervoeren waren gevorderde vrachtwagens met burgerchauffeurs (!) geregeld. Via Mookhoek ging men over de Ringdijk parallel aan de Kil (op 1 km afstand) richting noorden. Daarbij bood de hoog over de dijk rijdende colonne een excellent doel voor de aan de overzijde liggende Duitse formaties. Bij de Catharinahoeve aan het einde van de Zeedijk, lag een Duitse eenheid met mortieren. Zij zagen de 15 vrachtwagens in colonne over de dijk rijden en lieten dit buitenkansje niet schieten. Enkele honderden meters voor de kruising van de Ringdijk met de Boendersweg, ontploften plotseling mortiergranaten voor en naast de colonne. De burgerchauffeurs remden direct en sprongen vrijwel collectief de berm in. De infanteristen volgden spoedig hun voorbeeld. Zodoende was de gehele compagnie gevangen in Duits vuur, hoewel de Duitse mortieren slechts sporadisch vuur afgaven [zij hadden slechts een kleine voorraad munitie]. Kapitein Belgraver zelf moest zich inspannen eerst de burgers weer achter het stuur te krijgen en vervolgens de infanteristen in de vrachtwagen te sommeren. Het duurde uren voordat de compagnie volledig van de locatie kon worden ‘bevrijd’. Daarmee kwam de compagnie buitengewoon laat aan in ’s Gravendeel, waar het in een afwachtingsopstelling kwam. Kort daarop werd de C-2-II-28RI verwittigd dat zijn compagnie met het veer zou worden overgezet en oost van de dijk aan de overzijde op nadere bevelen moest wachten. Dit geschiedde waarna te Wieldrecht instructie werd ontvangen met de compagnie het complex Amstelwijk aan te vallen en van Duitsers te zuiveren. C-2-II besloot daartoe de standaard aanvalsformatie van het Nederlandse leger [2 + 2] aan te wenden met twee secties voor en twee achter. Uitvalspositie was de oostkant van het dorp Wieldrecht. Een frontbreedte van 300 meter werd gekozen, met een diepte van 150 meter. Er werd dus besloten ruim 1 km dwars door de weilanden richting Amstelwijk te trekken. Verkenningen werden niet uitgevoerd.

C.1-I-34.RI [reserve kapitein W.J.C. van den Bosch, plv.C. reserve 1e luitenant H. Jonker] kreeg volgens de onderdeelsverslagen [101a] om 0900 uur al opdracht zich met zijn compagnie – minus de 3e sectie – gereed te maken en per auto naar ’s Gravendeel te gaan. Dat vertrek liet echter nog anderhalf uur op zich wachten. In ’s Gravendeel aangekomen kreeg men rond 1830 uur de opdracht om zich naar de overzijde van de Kil te begeven en zich noordelijk van de dijk op te stellen en met een frontbreedte van 250 meter in oostelijke richting voorwaarts te gaan tot aan de oude rijksweg te Amstelwijk. Opmars zou starten op tijdstip 1945 uur.

Uit niets in de officiële verslagen blijkt dat de beide langs de Zeeweg optrekkende compagnies hun voorwaartse beweging dienden af te stemmen, maar een persoonlijk verslag van sergeant Breuring van 2-II-28.RI [100b] meldt dat zijn mitrailleurgroep die verbindende taak kreeg. Wat opvalt is dat geen der verbanden een verkenning voorwaarts maakte om althans enig gevoel te hebben bij de vijandelijke bezetting van het voorterrein. Deze omissie – van verkenningen met kleine patrouilles – lijkt binnen het Nederlandse leger anno mei 1940 standaard te zijn geweest. Bij studie van de honderden gevechtsverslagen van de meidagen wordt telkens geconstateerd dat verkenningen voorafgaande aan een offensieve actie of een voorwaartse beweging in onbekend terrein, zelden tot nooit plaatsvonden. Dit was geheel in contrast met de Duitse modus operandi, zelfs als tijdens WOI overigens. In het geval van de ‘aanval’ op Amstelwijk, waarbij het geheel aan informatie vooraf ontbrak, is het frappant dat de bataljonscommandant noch de chef staf Groep Kil zich inspanden om een verkenning te doen uitvoeren, terwijl men wel tot op hoog niveau artilleriesteun organiseerde en afstemde. Dat alles terwijl 1-II-28RI al de gehele middag passief in Wieldrecht in afwachting lag en alle gelegenheid had gehad om gedurende de middag of de vroege avond een aantal 'voelende' patrouilles uit te sturen. Een zeer curieuze zaak.

Recapitulerend wordt duidelijk dat de samengestelde eenheid onder majoor Ravelli een hele werkdag, en meer dan dat, nodig had gehad om zich te formeren. Om 1000 uur was het actieplan in grote lijnen gedeeld met de ondercommandanten door de chef-staf. Pas tegen 1830 uur waren de eenheden zodanig gereed dat overgestoken werd [m.u.v. de compagnie die al in Wieldrecht zat uiteraard] en om 1945 uur, bijna 10 uur na het eerste bevel was men gereed om voorwaarts te trekken om de eerste fase van het plan te verwezenlijken. Dat diende in het donker te geschieden. Onbekend terrein met een onbekende vijandelijke bezetting, een open weilandenstructuur met sloten en wateringen overtrekken in het donker. Daarbij waren mortieren ingeseind om vuursteun te geven, zonder dat ze konden waarnemen. Het was een geweldig recept voor een deceptie. Onderwijl had het de chef-staf van Groep Kil de halve dag beziggehouden. Een halve dag dat hij niet op zijn bureau was geweest.

De aanval op Amstelwijk

[142, 199] De artillerie gaf al om 1650 uur een voorbereidend paar vuren af op het aanvalsterrein van het bataljon Ravelli. Een merkwaardige zaak, die in de stafverslagen van de artillerie [199] niet helder wordt verklaard. Het heeft er echter alle schijn van dat ondanks de uitgebreide voorbereiding en afstemming tussen artillerie en infanterie, de 7-veld batterijen ongewis bleven van de vertraging in de gereedstelling bij de infanterie. Zodoende vlogen de eerste granaten om 1650 uur uit de pijpen. Twee batterijen vuurden een 3 minuten durende barrage af op het landgoed Gravenstein met een breedte van 300 meter in een hoog vuurtempo. Daarna volgde met eenzelfde breedte en duur een barrage op landgoed Amstelwijk, met een iets lager tempo.

Deze beschieting – die helaas zonder kennis van het doelgebied, althans de daar aanwezige vijand, werd verrichting – trof slechts burgers, onbetekenende opstallen en het door de Duitsers ingerichte noodhospitaal in de villa Amstelwijk [274]. Al eerder was Amstelwijk zodanig onder vuur genomen, vlak na het middaguur. Met uitzondering van een handvol Duitse medische troepen, was er echter al sinds de ochtend geen parachutist meer in het dorp. De beschieting van 1700 uur was aanleiding voor een vlucht van diverse burgers richting Wieldrecht. Een zinvol verband met de aanvalsplannen was er vanzelfsprekend niet. Desondanks werd het nogmaals herhaald met één batterij omdat de waarnemer meldde dat het vuur niet goed had gelegen. En dat klopte, want gerapporteerde vernielingen door burgers lagen vooral voor het park (vanuit de batterij gezien).

Het merkwaardige feit doet zich toen voor dat het vuur op Amstelwijk en Gravenstein na het aanvalstijdstip – het moment dat er behoefte kon bestaan aan een dergelijke voorbereiding – niet herhaald werd volgens de artillerieverslagen [142,199], maar dat om 2015 uur wel degelijk een nieuwe barrage op Amstelwijk viel [70, 100b]. Ook werd uit de eerste batterij een stuk naar de Kil gereden om daarmee de Catharinahoeve 'in puin te schieten' met direct vuur. Men zag deze Duitse opstelling als bedreigend voor de zuidelijke flank van de aanval op Amstelwijk en Gravenstein.

[100b, 101a] In het donker gingen de beide compagnies die de aanval op Amstelwijk moesten uitvoeren, voorwaarts. Zoals te verwachten viel, schoot ook die voorwaartse beweging niet op wegens de vele waterpartijen die – als scheiding tussen de weilanden – evident op het pad van de beide verbanden lagen en overgestoken moesten worden.

Amstelwijck

[101a] 1-I-34.RI kwam op haar pad geen Duitser tegen, wel het lichaam van een gesneuvelde Nederlandse militair, talloze Nederlandse wapens en de afgelegde uitrusting bij het kruispunt van de Reeweg en de oude Rijksstraatweg, waar in de ochtend een groot deel van de 2-III-34RI zich had moeten overgeven aan de parachutisten van 2./FJR1 [101c]. Opvallend genoeg lagen er ook talloze fietsen, die kennelijk voor de Duitsers – net als de wapens – niet bruikbaar waren gebleken. De formatie stopte de opmars bij het kruispunt met de oude rijksweg. Een nader bevel om naar de nieuwe rijksweg op te trekken werd halverwege geannuleerd, toen de voorste troepen meenden Duitse formaties op die weg te horen. Daarmee wilde men een confrontatie vermijden, kennelijk …

Die Duitse formatie was er waarschijnlijk ook werkelijk. Rond het betreffende tijdstip werden namelijk enkele stukken PAK en een peloton pioniers van 1./Pi.22 naar Tweede Tol verplaatst [458, 501]. De pioniers zouden even na 0100 uur [11 mei] te Moerdijk aankomen [458].

[100b] 2-II-28.RI had zo mogelijk nog meer hinder van sloten en wateringen dan de aanleunende compagnie en werd bovendien geheel onverwacht door eigen mortiervuur gehinderd. De 3e sectie van 28.C.Mr. [C. sergeant J. Veldhoven] was in Wieldrecht in stelling gegaan [131]. De sergeant had instructie een ondersteunend vuur op de westrand van Amstelwijk te geven. Hij gaf zijn vuurbevel echter (kennelijk) te laat zodat de granaten midden tussen de Nederlanders landden en voordat het vuur stopte waren twee man gewond geraakt. Het besluit in het donker ongeleid mortiervuur als kort op de infanterie liggende vuursteun af te geven, is onwerkelijk. Het was vrijwel zeker echter de persoonlijke instructie van chef-staf Calmeijer die hiertoe aanleiding had gegeven [70, blz 297]. Zijn geuitte jolijt over de actie - die volgens hem fantastisch verliep [quod non] - duidt daarop.

[100b] Onderwijl was men dus vlakbij Amstelwijk geraakt. De voorste secties namen op afstand waar dat een groot rood kruis op het dak van de villa Amstelwijk lag, waarop een staakt het vuren werd gegeven door de linies. Men constateerde - ongetwijfeld met opluchting – dat er zich helemaal geen vijandelijke infanterie bevond in Amstelwijk. Het vele vuren der infanteristen zal beslist een andere indruk aan de westzijde van de Kil hebben gewekt ...

[100b] Majoor Ravelli besloot dat het genoeg was voor die dag en dat verder optrekken in het donker ongewenst was. Even werd men opgeschrikt door een aantal lichtfakkels die de gehele omgeving in het flikkerende felle licht zette, maar nadat deze waren gedoofd besloot de majoor zijn keukenwagen naar het kruispunt bij de oude rijksweg te commanderen om de manschappen eens op een lekker warm maal te trakteren. De kapucijners met rundvlees gingen erin als zoete koek.

Nachtelijke mars naar Dordrecht

[100b, 192, 199] Majoor Ravelli zijn besluit de nacht rustig te verpozen in Amstelwijk en de volgende ochtend pas richting Dordrecht te vertrekken werd per UKG aan de GrAC gemeld. Die meldde dit per telefoon door aan chef staf Groep Kil Calmeijer. Diens chef Van Andel werd - volgens Calmeijer zelf althans - furieus en gaf uit hoofde van zijn functie het dienstbevel aan majoor Ravelli om direct de opmars voort te zetten, hetgeen per kerende ‘post’ naar de overkant van de Kil werd doorgemeld. Kapitein Calmeijer zal het gezien zijn eerdere beveldictaat aan de BC roerend eens zijn geweest met zijn chef.

[100b] Rond 2300 uur gaf de BC aan zijn ondercommandanten opdracht op te rukken naar de westzijde van Krispijn tot aan het viaduct. Voorop ging toen 1-I-34.RI, waarna 1-II-28RI, dan de bataljonsstaf en achteraan de 2e compagnie met drie secties. De colonne werd gesloten door de sectie mortieren en de laatste sectie van de 2e compagnie. De bataljonstrein alsmede de verbindingsofficier van de artillerie – luitenant W. de Wit (met zijn UKG) bleven achter. De reden voor het achterblijven van de luitenant de Wit zal mogelijk het beperkte bereik van de UKG zijn geweest of het algemeen optredende fenomeen met deze toestellen dat er geen reserve accu’s voorhanden waren. Een andere (plausibele) verklaring kan niet bedacht worden.

De 1e Compagnie kwam tegen 0100 uur aan bij de omgeving van het viaduct, bij de Glazenstraat. Op dat punt wordt het strijdperk verlaten. De beschouwing van de gebeurtenissen nadien zal in het hoofdstuk Wieldrecht – 11 mei – worden aangeboden.

De 'aanval' kritisch beschouwend

Kapitein Calmeijer vermeldde in zijn memoires [70, blz 297] nota bene dat de opmars van de twee compagnieën in het schemerdonker met op de achtergrond de inslagen van de artillerie- en mortiergranaten in de buitenrand van Amstelwijk zijn ‘persoonlijke hoogtepunt van de meidagen was’ (geweest).

Kennelijk was één en ander exact volgens zijn boekje verlopen, want het is typerend als een dergelijke opmars door onbezet vijandelijk terrein het hoogtepunt van de voornaamste stafofficier in dat theater was. Want in feite was de actie ‘a grant show of tactical incompetence’ geweest.

De ‘aanval’ zelf was al een curiositeit op zich. Twee compagnies die ruim een uur deden om een stuk polderland van nog geen 1,000 m breed te overtrekken, moeilijk manoeuvrerend door weilanden die met sloten waren doorsneden, artillerievuur dat tekort bleek te vallen en slechts een stroom vluchtende burgers opleverde alsmede mortiervuur dat nota bene in eigen gelederen viel. Vervolgens tenslotte Amstelwijk bereikt hebbende, constateren dat de vermoedde vijand al sinds de vroege morgen niet meer terug was gezien.

Als de kapitein Calmeijer en de majoor Ravelli eerst – zoals dat in de lijn der logica had gelegen – een verkenningspatrouille Amstelwijk in hadden gestuurd, was men om 2000 uur allang met het gehele bataljon in Amstelwijk geweest. Dan was de modelaanval van kapitein Calmeijer – waarmee hij vanaf 1000 uur ’s ochtends tot 1945 uur ’s avonds druk bezig was geweest – namelijk niet noodzakelijk gebleken tegen een door de opponent verlaten positie.

En dat is geen geval van makkelijk praten achteraf. Het was ook anno mei 1940 onwerkelijk dat een chef-staf zich zo tot in detail bemoeide met een bataljonsactie, waarbij hij alle vormen van actuele informatie [‘intelligence’] miste. In plaats van zich te storten op het verzamelen van die informatie, toch de taak van de Groepsstaf, bemoeide de chef-staf zich in detail met het opzetten van een aanval inclusief rigide gedicteerde marsroute en de tactische opzet van de aanval zelf. Zonder zich bewust te zijn van de status van het terrein werd een modelaanval opgezet waarbij uitgebreid steun van de artillerie en mortieren werd gevraagd en gecoördineerd en waarbij twee compagnies aan weerszijde van een open weg door open land – doorsneden door sloten – in het donker voorwaarts moesten gaan.

Bijzonder is voorts dat Calmeijer zich enerzijds bewust was van de Duitse kunst der 'Kampf der verbundenen Waffen', maar anderzijds zich maar half eigen had gemaakt dat de crux van die verbonden wapenen tactiek lag in het dynamische samenspel tussen infanterie en artillerie. Half eigen gemaakt, want Calmeijer stuurde wél een officier met UKG mee voor verbindingen, maar die werd niet ingeschakeld om op aanvraag artillerievuur te kunnen afgeven op geidentificeerde doelen. Nee, in het donker moest een vooraf vastgesteld vuur op een vooraf vastgesteld tijdstip worden afgegeven. Die statische toepassing van artillerie stond diametraal op de Duitse tactiek die uitging van de dynamische toepassing van verbonden wapenen. Daarnaast maakte Calmeijer de grove fout door zijn BC gedicteerd te laten optrekken in plaats van het Duitse 'Führen mit Auftrag' toe te passen, waarin de BC een doelstelling kreeg, maar geen dictaat. Het heeft er dus alle schijn van dat Calmeijer in Berlijn maar met een half oor had geluisterd naar de wijze lessen. Hij maakte zich de geneugten van de essentie van het Duitse officierschap niet eigen door de Duitse officiersbijbel [Truppenführung - TF.33] volkomen te negeren [het paste vermoedelijk niet in zijn autoritaire denkpatroon] en juist te volharden in het dicteren van opdrachten. Maar juist de praktische toepassing van de TF.33 vormde de onmisbare basis voor de kwaliteit van het Duitse kader in de tactische omgeving. Calmeijer adopteerde echter slechts de ingrediënten van zijn Duitse HKS opleiding die hem als persoon groter maakten en vergat de ingrediënten die zijn troepen beter deden functioneren in het tactische spectrum. Zijn ijdelheid deed hem genoegzaam terugzien op een aanval op Amstelwijk, deden het zelfs door hem betitelen als zijn persoonlijke hoogtepunt in de meioorlog. Dat kan bijna alleen maar verklaard worden uit het feit dat niet het doel van die aanval, maar de uitvoering volgens zijn dictaat hem dit opperste genoegen bracht.

Het heeft er alle schijn van dat de kapitein Calmeijer zich maar al te graag persoonlijk wilde profileren en ver buiten zijn verantwoordelijkheid toog door zich zo’n lange tijd op die eerste hectische oorlogsdag te bekommeren om tactische details die normaliter een bataljonscommandant zelf zou regelen, des benodigd bijgestaan door enkele lagere stafofficieren dan de chef-staf zelf. Daarbij – en dat valt hem [Calmeijer] nog het meest euvel te duiden – werd de essentiële informatiecomponent volkomen veronachtzaamd. Want, er was op het stafkwartier van de artilleriegroep een flinke verzameling burgers en militairen opgevangen [199], die reeds had medegedeeld dat de Duitsers Amstelwijk al vroeg in de morgen weer hadden verlaten. Met die informatie werd niets gedaan. Men stuurde dus niet eens een patrouille van 1-II-28RI – dat al gedurende de middag in Wieldrecht kwam te liggen – een paar honderd meter oostwaarts om de situatie aldaar te peilen.

Kortom, men mag het hoogtepunt van kapitein Calmeijer vooral zijn eigen ijdelheid toeschrijven. Want op de feiten beschouwd was er sprake geweest van bijzonder weinig vernuft en een onverantwoordelijke en volkomen onnodige verspilling van tijd, ruimte en middelen.

De gebeurtenissen rond 23.RA

[142] Het 23e artillerieregiment was een klein en incompleet regiment dat slechts uit vijf batterijen 7-veld bestond. Drie van die batterijen waren bij de 1e Afdeling ondergebracht, de overige twee bij de 2e Afdeling. Een derde afdeling - uitgerust met 12 of 15 cm houwitsers - ontbrak. Daarvoor in de plaats was de afdeling 25.AA met twaalf stukken 15 cm lang 24 onder bevel gekomen van de GrAC.

[142, 199] De beide afdelingen waren verdeeld over de Hoekse Waard. I-23.RA [C. majoor F.H.H.M. ten Bensel] stond bij Mookhoek opgesteld met drie batterijen schootsrichting bruggenhoofd Moerdijk zuid. De twee batterijen van II-23.RA [C., reserve majoor D. Das] stonden opgesteld bij Strijen met schootsrichting bruggenhoofd Moerdijk west. Commandant 23.RA – overste Th. Ziedes des Plantes – was Groepsartillerie Commandant [GrAC] en zat te ’s Gravendeel met zijn staf. Opvallend was dat er diverse [exacte aantal is onbekend] UKG zenders/ontvangers in de Afdelingen voorhanden waren. Een zaak die elders maar al te vaak een stuk ongunstiger lag.

[199] De staf van de GrAC zat in een pand bij het veer 's Gravendeel - Wieldrecht. De stafwacht was de enige beveiliging die men daar had. Spoedig nadat de oorlog een feit was geworden kwam een sectie zware mitrailleurs ter versterking van de veerwacht. De gecombineerde wacht werd door de reserve 1e luitenant J. van Soest – verkenner van de artilleriestaf – gecommandeerd.

De artilleristen van I-23.RA waren – net als elders binnen de Groep – niet paraat bij het uitbreken van de oorlog. Zodoende begon de dag met de alarmering na de eerste Duitse luchtaanvallen, waarbij ook een der barakken van het nabij gelegen kamp te Strijen werd bestookt.

[142] Er werd een luitenant-waarnemer met UKG naar Moerdijk gestuurd, maar deze kwam niet verder dan het veer aan de noordzijde van de Hollands Diep. Daar werd hem verteld dat Moerdijk al in Duitse handen was, waarop hij een positie bij boerderij Bouwlust bij de Kil mond innam. Waarneming met UKG werd ook in de Watertoren aan de Kil geplaatst zodat waarneming van vuur noord van Willemsdorp ook mogelijk werd.

[142, 199] Al om 0615 uur werd de eerste vuuropdracht ontvangen. Er diende met een batterij storend vuur op het zuidelijk landhoofd bij Moerdijk.

[142, 199] Om 0825 werd de tweede vuuropdracht ontvangen. Er werd (vermoedelijk afsluitings)vuur afgegeven op de oude en nieuwe rijksweg met een batterij. Twee batterijen dienden afsluitingsvuur te geven op de noordelijke uitgangen van Willemsdorp. Er werden twee vuurstoten van 3 minuten tempo 4 gegeven met voorafgaand inschieten. De lagen werden afgegeven rond ter hoogte van de barakken.

[142, 199] Even later werd 2-I-23.RA geïnstrueerd een batterij bij ’s Gravendeel in stelling te brengen. Daarbij diende men in open stelling direct de kruispunten van de Reeweg met de nieuwe en oude rijksweg onder vuur te nemen.

[142, 199] Rond het middaguur werden beide overgebleven batterijen van 23.RA te Mookhoek geïnstrueerd front noord-noordoost te maken voor artilleriesteun rond Dordrecht. 2-I-23.RA bij ’s Gravendeel diende om 1310 uur een storend vuur op Amstelwijk te leggen. Dit vuur legde diverse gebouwen rond het park in puin. Duitsers waren op dat moment niet meer aanwezig te Amstelwijk m.u.v. medisch personeel in de villa zelf.

[142, 199] Om 1650 uur volgde de eerder besproken vuren met twee batterijen op Amstelwijk en Gravenstein ter voorbereiding op de aanval van het bataljon Ravelli. Die inzet zou om 2015 uur worden herhaald.

[142] Om 2000 uur werd vanuit 2-I-23.RA een stuk naar de Kil dijk vervoerd om daarmee middels direct vuur de boerderij Catharinahoeve te doen vernietigen. Aldaar was een storend aanwezige Duitse concentratie met mitrailleurs en mortier(en) waargenomen, die de gehele middag al ageerde tegen Nederlandse eenheden en bovendien de zuidelijke flank van het bataljon Ravelli kon bedreigen.

[142, 199] II-23.RA kreeg na een eerste gereedstelling in de vroege ochtend op zichtdoelen (op waarneming) bij Moerdijk een tweede voorwaardelijke vuuropdracht pas om 1000 uur. Er moesten waargenomen parachutisten onder vuur worden genomen op de Sassenweg. Het betrof echter geen parachutisten, maar een bemanning van een neergeschoten vliegtuig. Onduidelijk is of het vuur is afgegeven.

[142, 199] Pas om 1100 uur werd een eerste serie vuuropdrachten gegeven. Met beide batterijen moesten drie afsluitingsvuren worden afgegeven. Een curieuze opdracht om drie afsluitingsvuren aan twee batterijen op te dragen natuurlijk. De vuren waren de voorbereide afsluitingsvuren 127 [kop van dorp Moerdijk ten noorden van de batterij LuA], 133 [vuur op verkeersweg 200 meter onder landhoofd] en 134 [vuur op spoorlijn 200 meter onder landhoofd]. Tegelijkertijd kreeg 25.AA dezelfde opdracht. De vuren op de kop van de dijk bij het dorp lagen bijna precies op de positie van III./7.FJR1, dat zich haastig in dekking begaf [458].

[142, 199] Driekwartier later kreeg II-23.RA de opdracht de afsluitingsvuren 181 en 182 af te geven, respectievelijk op het landhoofd verkeersbrug en het landhoofd spoorbrug. Het is vrijwel zeker dat deze afsluitingsvuren het leven kostte aan enkele manschappen van de oorspronkelijke verdediging, die op dat moment vervoerd werden van Moerdijk naar het barakkenkamp bij Willemsdorp. Bij die verplaatsing werden enkele manschappen dodelijk gewond. Zie daarvoor de bespreking onder bruggenhoofd Moerdijk. Maar zeker is ook dat enkele Duitsers werden getroffen. De pioniersofficier Leutnant C. Tietjen werd door granaatscherven geraakt, net als Oberjäger Michel [458].

Moerdijk

[142, 199] Om 1315 kreeg II-23.RA de opdracht met een batterij vuur 133 te herhalen.

[142, 199] Om 1827 uur werd opdracht gegeven een kaartvuur voor te bereiden. Dat kaartvuur diende om 1850 uur gegeven te worden op een breedte van 300 daarna 500 meter op twee locaties voor en op de oude defensielinie van het bruggenhoofd ter voorbereiding van de tegenaanval van 6.GB. Dat vuur lag aanvankelijk redelijk goed, later werd het doel overschoten [zie de beschrijving aan het ontvangende eind bij 6e Grensbataljon]. Onduidelijk is daarbij geweest of de inmeting van het vuur door II-23.RA slecht was of de kaartcoordinaten vanuit 6.GB onjuist werden doorgegeven.

[142, 199] Om 1940 kwam opdracht binnen om tien minuten later vier verschillende vuren af te geven. Dat was afsluitingsvuur 183 [landhoofd spoorbrug], twee vuren 500 meter oostelijk daarvan op de dijk bij het molengemaal Schuddebeurs en op de Keizersdijk (daar vlakbij) alsmede een vuur op Jonkershoef dat in de oorspronkelijke verdedigingslinie lag. Uit de documenten blijkt onvoldoende of de vier vuren met de twee batterijen tegelijkertijd werden afgegeven (en dus twee vuurmonden per vuur] of dat ze volgtijdig werden afgegeven, telkens met een batterij per vuur. Het vuur op het landhoofd schakelde een Duitse mitrailleur uit, maar persoonlijke slachtoffers vielen er niet [458].

[142] Vlak voor het sluiten van de markt op 10 mei werd nog het vuur geopend op waargenomen mitrailleurs op de zuidelijke dijk van het Hollands Diep.

Daarmee had 23.RA talloze vuuropdrachten gekregen en uitgevoerd. Een aanzienlijk deel van die vuren was waargenomen of voorbereid vuur. Een ander deel, met name op het vak Moerdijk, was kaartvuur geweest. Dat had dan ook weinig effect gehad en had zelfs eenmaal bijna bovenop de manschappen van 6.GB gelegen. Over de effecten van de afgegeven vuren wordt later iets meer gezegd.

25e Afdeling Artillerie

[143] In de zuidoost hoek van de Hoekse Waard lag een afdeling artillerie welke was uitgerust met de stokoude vuurmonden 15 lang 24 ofwel 15 lang staal. Commandant was de van 23.RA afkomstige reserve kapitein E. Cohen. De drie batterijen stonden oost van Strijen, bij Schenkeldijk. Hoofdvuurrichting was de centrale as van het bruggenhoofd Moerdijk.

De batterijen waren opgesteld in voorbereide putten, die het hoge profiel van het stellinggeschut camoufleerden en bovendien dekking boden aan de bediening van de stukken. Naast de putten waren provisorische schuilplaatsen gemaakt die scherfvrij waren.

De Wacht

Hoekse Waard

 

 

 

 

 

 

 

De bijzonder traag vurende vuurmonden waren zeer ongeschikt voor batterijopdrachten, omdat ze geen effectief vuur met slechts vier stukken konden geven. Afsluitingsvuren dienden dan ook met drie batterijen te worden gegeven met volgtijdig lagenvuur vanuit de opvolgende batterijen. Vuren op dynamische doelen was voor de in breedte richting gefixeerde vuurbuizen onmogelijk zonder de loodzware stukken handmatig te doen traverseren. In wezen was de Afdeling slechts geschikt storende en verontrustende vuren af te geven. Vuren dus met een lage dichtheid en snelheid. Daarbij was de munitie van het oude type met beduidend minder brisante waarde dan moderne munities. Bovendien waren de kardoezen soms zo oud, dat het kruit instabiel was geworden waardoor de deflagratie van de drijflading onvoorspelbaar werd – met alle gevolgen van dien voor de accuratesse van het vuur.

[143] De Afdeling was uiteraard niet paraat toen de oorlog uitbrak. Het personeel werd haastig bewapend en van munitie voorzien, en de batterij waarnemers werden naar voren gestuurd. Mitrailleurs voor nabij beveiliging ontbraken volledig.

[143] De eerste vuuropdracht was 0615 uur en wel om storend vuur op Lage Zwaluwe te leggen.

[143, 199] De tweede vuuropdracht viel buiten de beperkte hoofdschootsrichting, want om 0825 uur diende men een kort vuur te geven op de noordrand van Willemsdorp, waarbij I-23.RA ondersteunde.

Hoekse Waard

[143, 199] Kort daarop gevolgd door een herhaling van dit vuur, waarbij het tweede stuk van de 3e batterij uit elkaar vloog. De kulas van de vuurmond sprong enkele tientallen meters naar achter, nadat een granaat in de schietbuis was vastgelopen, zodat de detonatiekracht naar achter was geslagen. De schietbuis knalde uit elkaar en stukken vlogen in het rond. Dit alles was een gevolg van een stokoude vuurmond, met verweerde pakkingen en oxidatie op kritische delen. Wonder boven wonder viel er geen enkel slachtoffer bij dit ongeval.

[143, 199] Om 1105 uur werd de Afdeling geïnstrueerd drie afsluitingsvuren af te geven op Moerdijk. Daarbij werd samengewerkt met II-23.RA.

Later viel nog een stuk uit van de 3e batterij dat gerepareerd kon worden door een nieuwe draad te trekken in het zundgat [gat waarin de initiële ontsteking of afschietpistool wordt gestoken voor het ontbranden van de drijflading].

[143, 199] Om 1835 uur werden de vuren 133 en 134 – afsluitingsvuren bij de smalle landhoofden van de Moerdijkbruggen zuidoever – afgegeven ter indirecte ondersteuning van 6.GB.

[143, 199] Om 2325 uur werd opdracht gegeven een kaartvuur af te geven noordoost van station Lage Zwaluwe op een kruispunt van dijken en wegen. Dit storende vuur werd pas om 0024 uur [11 mei] afgegeven en duurde tot 0115 uur. Hierbij vielen diverse vuurmonden tijdelijk uit met mechanische problemen.

Effecten van het artillerievuur

Er werden op de 10e mei talloze vuuropdrachten uitgevoerd, waarbij vijf batterijen 7-veld en drie batterijen 15 lang 24 honderden granaten richting Duits bezet gebied afvuurden. Het is redelijk na te gaan welke effecten deze vuren hadden op de beoogde doelen.

Willemsdorp

Willemsdorp

 

 

 

 

 

 

 

 

De conclusie kan kort worden gesteld. Aan Duitse kant had men hoogstens enige hinder van de korte en weinig intensieve vuren. De vele kortstondige beschietingen op het vak Moerdijk leverden in wezen geen enkel resultaat op, anders dan dat de Duitsers zich wellicht enkele centimeters dieper ingroeven op de punten waar ze strategisch opgestelde mitrailleurs moesten bedienen.

Voor zover na kan worden gegaan uit de Duitse bronnen, vielen er slechts twee licht gewonden aan hun kant. Maar MG nesten bij de bruggen – toch meerdere malen binnen het doelgebied van afsluitingsvuren – bleven bezet en geen der manschappen werd geraakt. Wel werd een van de mitrailleurs vernield door scherfwerking.

De effecten op de Nederlandse militairen waren ernstiger. Zo zijn tenminste acht Nederlandse militairen op 10 mei dodelijk of zwaar gewond geraakt door Nederlands artillerievuur. De meeste hiervan vielen in het Willemsdorpse barakkenkamp, dat door de Duitsers als opvang voor krijgsgevangenen werd gebruikt en waarop tenminste twee voltreffers vielen. Ook bij de landhoofden werden tenminste twee Nederlandse krijgsgevangenen gedood door eigen artillerievuur.

Daarnaast waren de vuren veelal nutteloos. Zo werden op Amstelwijk en Gravenstein diverse vuren afgegeven [ca. 120 granaten], terwijl zij in geen geval op Duitse eenheden neerkwamen. Op een vuur na werden ze alle afgegeven op momenten dat de Duitsers de omgeving niet langer bezet hielden. Daarbij werden vooral nooit door de Duitsers bezette woningen en gewone burgers geraakt en werd enige schade aangericht aan de villa Amstelwijk waar gewonden lagen die slechts door Duitse Sanitäter en artsen werden verpleegd.

Willemsdorp

De vuren die in de vroege avond werden afgegeven op de omgeving van station Lage Zwaluwe lagen slecht, duurden kort en speelden de Duitsers geen enkele parten. Ze lagen echter korte tijd zo diep, dat ze eigen troepen bedreigden, waardoor een voorgenomen offensieve actie van 6.GB eerder werd voorkomen dan ondersteund.

Dat alles was geen gunstig resultaat. De doelmatigheid van de artillerie inzet was dus buitengewoon laag. Het absolute artillerie overwicht werd dus op geen enkel punt werkelijk uitgebuit. Er was hoogstens sprake van enig discomfort bij de Duitse troepen.

3.GB wordt beschikbaar gesteld

[1, 70, 122, 192] Het 3e Grensbataljon dat in de morgen van 10 mei – na haar grensversperringen te hebben gesteld – zich aan het ontplooien was in de Vesting Willemstad, was om1215 uur door de C-VH beschikbaar gesteld aan Groep Kil. Beschikbaar gesteld in dier voege dat Groep Kil het verband tactisch onder bevel nam om het via haar gezagsgebied te coördineren en te faciliteren om een aanval uit te voeren op Waalhaven in samenwerking met de Lichte Divisie. Hoe groot het belang van deze aanval was, bleek uit de integrale instructie die C-VH aan C-Groep Kil en de C-LD deed toekomen:

» 3.GB te Willemsdorp aangekomen. Dit bataljon gaat over naar Numansdorp en komt ter beschikking van C-Groep Kil ter bescherming van de brug te Barendrecht en om een aanval te doen op de zuidrand van Rotterdam, die door de vijand is bezet. Uur van aanval wordt nader bekendgemaakt. Lichte Divisie rukt na aankomst te Gorinchem over Hardinxveld-Alblasserwaard eveneens op naar zuid rand Rotterdam. Een bataljon wielrijders wordt ter beschikking van kantonnementscommandant Dordrecht gesteld. «

De Lichte Divisie was immers dé strategische reserve van de OLZ en deze werd volledig – dat wil zeggen met uitzondering van de inmiddels van die divisie losgemaakte onderdelen – ingezet ten bate van het zuidfront.

3.GB werd door tussenkomst van de staf Groep Spui – onder wie het sinds de ochtend van 10 mei viel wegens haar taken in Willemstad – in verbinding gebracht met staf Groep Kil en opgedragen met haar verband richting Barendrechtse brug te marcheren, waarbij de C-3.GB zich voor nadere instructie te Puttershoek op het stafbureau diende te melden.

De gang van zaken rond de verplaatsing van het bataljon is uitvoering besproken bij de beschouwing van 3.GB. Dat wordt hier niet herhaald.

[1, 70, 122] C-3.GB – de majoor Reijers – kreeg een uitgebreide instructie te Puttershoek omtrent de op te zetten actie, waarbij het bataljon zich in hoofdzaak diende te richten op een flankactie tegen Waalhaven waarbij zij de hoofdmacht van de Lichte Divisie terzijde zou staan op diens linkerflank. Voordien moest men zich verzekeren van de brug bij Barendrecht.

[122] 3.GB bestond qua sterkte uit minder dan drie compagnies troepen, daar zij vier secties elders [in Brabant] had liggen en bovendien een formatie ter sterkte van ruim een sectie nog niet in haar gelederen terug had genomen daar deze nog niet van vernielingsopdrachten was teruggekeerd. Daarnaast verloor het bataljon bij de oversteek haar motorisatie en het grootste deel van haar trein. De motorisatie was voor de eerste twee compagnies en de ondersteunende wapenen de enige tractie. Daardoor waren zij op de benenwagen aangewezen na de oversteek van het Hollands Diep. De ondersteunende onderdelen waren grotendeels met het overgestoken verband meegekomen.

[1, 122] In feite had 3.GB dus beslist geen bataljonssterkte meer. Bovendien was de 2e compagnie zeer incompleet [het bestond nog uit ruim één sectie], terwijl dat samen met de 1e compagnie en ondersteunende wapenen juist met haar jongste lichtingen [merendeels 1939] tot de best geoefende kern behoorde. De 3e en 4e compagnie waren samengesteld uit oude reservisten uit de hoog genummerde reserveregimenten van 3.RI. Die waren echter wel met rijwielen uitgerust. Die beide hoogste compagnies waren kwalitatief niet beter dan wat beide Groepen Spui en Kil te bieden hadden. Het enige verschil was dat 3-3.GB 12 in plaats van 8 lichte mitrailleurs had. Dat gold niet voor 4-3.GB, dat het met 8 Lewis mitrailleurs moest doen. Kortom, er was sprake van een onevenwichtig verband dat ruim onder de slagkracht van een infanteriebataljon lag en zich bovendien nog maar nauwelijks kon onderscheiden van de hooggenummerde eenheden qua fitheid en geoefendheid.

De opdracht die Groep Kil aan C-3.GB te vergeven had kwam rechtstreeks vanuit een dictaat van de staf C-VH. Zoals gezegd was er een samenhang met de opdracht die in de middag aan de C-LD zou worden vergeven, waarbij deze de instructie kreeg de Noord over te steken bij Alblasserdam en met zijn hoofdmacht [in het door C-LD uitgewerkt bevel met vier bataljons plus enige ondersteuning] op Waalhaven aan te vallen even na middernacht. Voor de details betreffende de Lichte Divisie wordt verwezen naar de bespreking van de Alblasserwaard op 10 mei.

Vraagstukken inzake de opdracht aan 3.GB

3.GB werd als een tactische reserve ingezet. Daarvoor bestonden goede en verklaarbare redenen. Zo was het bataljon niet taakgebonden na de ontheffing van haar opdracht Willemstad te bezetten en kon daarmee als homogeen geheel voor een tactische opdracht worden ingezet. Groep Kil had behoefte aan zo’n verband. Maar 3.GB werd in feite helemaal niet aan Groep Kil beschikbaar gesteld [hoewel chef staf Groep Kil een andere perceptie is toegedaan in zijn memoires en stafwerk [70: blz. 299]], anders dan dat het de brug bij Barendrecht ‘en-passent’ moest vermeesteren tijdens haar opmars naar Waalhaven. Die brug bij Barendrecht is het middelpunt waar veel om draait.

Buitengewoon opvallend in het operationele ‘plan’ is namelijk dat 3.GB zich via de door de Duitsers beheerste brug bij Barendrecht naar het Eiland IJsselmonde moest werken. Het is weer zo’n kwestie die heel veel vraagtekens oproept. Onderschatte men de Duitse bezetting van het noordelijk landhoofd bij Barendrecht of de moeilijkheid van het vermeesteren van een eenvoudig te verdedigen object zoals deze lange smalle brug? Overschatte men de kracht van een matig geoefend en onder de sterkte verkerend grensbataljon? Had de Gorep Kil bij de C-VH zwaar aangedrongen op de herneming van de Barendrechtse brug? Vragen waarop geen besliste antwoorden kunnen worden gegeven.

De logica gebood namelijk een geheel ander scenario. Immers, 3.GB was al voor de inval geïnstrueerd dat zij – na het vervullen van haar vernielingstaken – onder de auspiciën van Groep Spui de voorverdediging bij Willemstad voor haar rekening zou nemen. Nadat de staf instructie had gekregen vanuit de landmachtstaf om Waalhaven te hernemen, had het daarom alleen al om die reden [die van ‘ressorterend onder Groep Spui’] logisch geleken om Groep Spui te laten optreden in het coördineren van een oversteek van 3.GB van Willemstad naar IJsselmonde. En welk object leende zich beter om de laatste noodzakelijke oversteek te maken, dan de door de Nederlanders volkomen beheerste brug bij Spijkenisse?

Het grote voordeel dat een oversteek te Spijkenisse had geboden was evident dat het bataljon zich niet strijdend naar de overzijde had hoeven begeven. Ze had als integraal verband te Hoogvliet kunnen aankomen en daar in een niet door de vijand beheerst gereedstellingsgebied een gunstige gevechtsformatie kunnen aannemen met al haar ondersteunende wapens. Van daaruit had zij zich voorwaarts kunnen begeven tot aan Rhoon, waar nog geen vijand zat. Rhoon lag op een steenworp afstand van Waalhaven en bood een excellent uitgangspunt voor een ondersteunende flankaanval. Excellent in die zin dat het een goede naderingsroute kende en beslist niet slechter was dan de route vanuit Barendrecht / Goidschalxoord, die bovendien een ‘vijandige’ route was.

Een reden waarom er niet voor werd gekozen om 3.GB in alle ‘rust en vrede’ naar IJsselmonde te doen overbrengen, maar haar in te zetten tegen de Duitse bezetting bij Barendrecht kan zijn geweest dat C-VH de bedreiging van een Duitse bezetting op de geprognosticeerde linker flank van de LD bij voorbaat wilde wegnemen. Maar als dat de overweging van C-VH was, is het a) curieus dat C-LD over deze gang van zaken en overwegingen geen enkele informatie ontving en b) een aanval op Barendrecht een zeer onzekere operationele factor betekende.

Immers, als 3.GB er niet in zou slagen de Duitsers te verslaan, zou zij ze hoogstens binden. Maar ze zou zichzelf dan óók binden. Nog kwalijker zou zijn als 3.GB de Duitsers van Barendrecht zou kunnen verdrijven, maar daarmee juist op de opmarsroute van de formaties van de LD zou brengen. Kortom, er zijn zeer fundamentele kanttekeningen te maken bij de gegeven instructies van de staf VH en grote vraagtekens bij de gekozen route voor 3.GB.

Het feit dat de brug bij Spijkenisse als optie niet of nauwelijks overwogen lijkt te zijn, zal in de loop van de meidagen in relatie tot IJsselmonde west nog een aantal keer blijken. Curieus is namelijk dat men op het AHK [landmachtstaf] en de staf-VH kennelijk op 10 mei in de veronderstelling verkeerde dat de westhoek van IJsselmonde verloren was gegaan. Daarvoor is de sterkste aanwijzing dat men vanuit Kil gevraagde munitieaanvoer [1, 70] via ongekende omwegen [en waterwegen] wilde sturen, in plaats van de open route via Maassluis – Pernis – Spijkenisse te gebruiken. Het is moeilijk te verklaren waarom AHK en C-VH onwetend waren t.a.v. deze voorname korte open route met het zuidfront. Want daarvoor lijkt een aanwijsbare aanleiding afwezig. Er lag allereerst een compagnie Nederlandse infanterie in Pernis, die middels maritiem verkeer regelmatig contact had met de noordzijde van de Nieuwe Maas. Er stonden diverse luchtafweer middelen aan de noordzijde van de Maas die meldingen konden maken van de Nederlandse aanwezigheid te Pernis. Wellicht nog duidelijker was de Nederlandse bezetting van Hoogvliet en Spijkenisse, die in contact stond met Groep Spui en waar zelfs verbanden werden teruggetrokken op 10 mei omdat de Duitsers zich niet in het westen van IJsselmonde vertoonden!

Kennis was er dus in de organisatie – maar de ‘situation awareness’ was er niet in de twee hoogste echelons. De staf die verantwoordelijk was voor het zuidfront Vesting Holland – de stafsectie ‘zuidfront’ van de C-VH – was dus kennelijk gedurende de 10e mei totaal niet op de hoogte van de status van IJsselmonde west ondanks het feit dat de kennis van die status voorhanden was bij bijvoorbeeld de Groep Spui. Het geeft heel ernstig te denken over de beheersing van de zo essentiële ‘Command and Control’ component bij C-VH en zijn staf op 10 mei. Want er is ten aanzien van deze kwestie geen sprake van dat men kan aanvoeren dat de chaotische situatie hier debet aan was. De verbindingen waren in orde, de kennis was voorhanden bij de Groepen en men had dus deze kennis in Den Haag moeten dragen.

Deze vraagtekens zullen blijven als de meidagen vorderen. Want de vraag die in een latere fase komt voor te liggen – en die we voor ‘argument sake’ alhier kort stellen is:

‘Waarom werd er op geen enkel moment gebruik gemaakt van een bestaand bruggenhoofd op het Eiland van IJsselmonde [Pernis] en de open verbinding tussen Maassluis en Vlaardingen op de noordoever met Pernis op de zuidoever?

Die kwestie – althans de beantwoording daarvan – zou wel eens een sterk verband kunnen hebben met de kwestie waarom er voor 3.GB zo’n op het oog onlogische opmarsroute werd gekozen.

6.Bt LuA

[302] In de Bonaventura polder was de batterijbemanning getuige van de uitgebroken oorlog om hen heen. Een strijd die hen nog niet bereikte, maar die door het vlakke open landschap goed te volgen was. Men zag en hoorde bommen inslaan, die vlakbij [barakkenkamp 25.AA] en verder weg [Willemsdorp, Moerdijk] waren afgeworpen door de Luftwaffe. Helemaal alleen in de open polder, zonder behoorlijke dekking voorhanden [men had een neutraliteitsopstelling, zonder semi-permanente opstellingen!], voelde de batterij zich niet prettig. Toen even later de parachutisten ten oosten van hun opstelling zienderoog massaal naar beneden kwamen werd het gevoel van onbehagen slechts versterkt. Inmiddels was men reeds begonnen om gevechtsdekkingen te graven, en de beide mitrailleurs werden daarin tegen gronddoelen opgesteld, omdat die na de landing van parachutisten verwacht konden worden, zo dacht de Bt.C.

Onderwijl werd vrijwel onafgebroken vuur uitgebracht met de drie stukken op de zich telkens uitdagend laag vertonende Luftwaffe. Daarbij moesten regelmatig doelen worden overgeslagen die te laag vlogen [de minimale afstand diende 1,000 m plus te zijn voor de granaten om scherp te stellen]. De munitievoorraad slonk spoedig en reeds na enkele uren verzocht de Bt.C [Reserve 1e luitenant van Bekkum] bij de Kring (te Rotterdam) om aanvulling. Die aanvulling kon echter niet komen, want de Hoekse Waard was inmiddels geisoleerd geraakt door de Duitse landingen. Dat desondanks een munitietransport geregeld zou worden, dat via omwegen en enkele heroïsche persoonlijke daden van VED mensen toch de Hoekse Waard zou bereiken, was toen nog niet voorzien. Wel werd beloofd alles in het werk te stellen. Voorts werd gevraagd om inlichtingen te geven over de Moerdijkbruggen. Waren ze nog in Nederlandse handen en vooral, waren ze nog intact? Twee man werden erop uit gestuurd e.e.a. te verifiëren. Onbekend is het (aan auteur) of resultaten werden waargenomen en of deze teruggemeld werden aan de Kring staf in Rotterdam.

[302] De batterij meende in de loop van de dag zeven vliegtuigen te hebben neergehaald. Van deze claims is er in wezen niets toe te wijzen, omdat daarover betrouwbare gegevens ontbreken en omdat de meeste claims in de vroege ochtend ontstonden toen ook de ML nog zeer actief was. Ongetwijfeld zal de batterij aan vernietiging van vliegtuigen hebben bijgedragen overigens. Het verkeer pal over hun positie was namelijk aanzienlijk, zeker in de ochtend. In de middag werd Waalhaven vaker meer oostelijk aangevlogen.

[302] In de middag kwam opeens een delegatie Nederlandse militairen aan. Het bleken manschappen van 19.Bt.LuA te zijn, onder leiding van één der batterijofficieren [Vaandrig van Dalfsen]. De twintig man deden hun verhaal en werden voorlopig in de Batterij opgenomen.

[302] In de loop van de dag rantsoenneerde de Bt.C. de vuren, in de wetenschap dat de munitieaanvulling mogelijk uit zou blijven. Met de rustploeg en de aanvulling vanuit 19.Bt.LuA werd een rondom verdediging gevormd. De beide zware mitrailleurs werden daarbij ingedeeld. Veel zou men niet kunnen uitrichten. De munitievoorraad voor de karabijnen was zeer beperkt. Infanteristische ondersteuning ontving men niet.

[De bronnen vindt u hier]