Midden en West Brabant

Inleiding

In deze sectie wordt geen volledig beeld geschapen van alle gebeurtenissen in midden en west Brabant. Dat zou te ver buiten de doelstelling van deze studie vallen.

In deze sectie aandacht voor zaken die in hoofdzaak of zijdelings raken aan de materie die verband houdt met de gebeurtenissen op het zuidfront Vesting Holland. Daarbij wordt met name ingezoomd op de ontwikkeling van de Duitse grondtroepen, hoewel dit voor 10 en 11 mei nog geheel (10 mei) of deels (11 mei) buiten het gezichtsveld van deze sectie blijft.

De zaken die zien op de Franse aankomst in Noord-Brabant alsmede de evenementen waarbij deze verbondenen waren betrokken, worden in de secties over Moerdijk en Willemstad besproken alsmede de aparte sectie ‘de Fransen’ die de overige gebeurtenissen bespreekt.

De Brabantse vliegvelden en vliegterreinen

[8, 67] Toen de mobilisatie een feit was geworden en het Ministerie van Defensie haar vorderingen en beslagen kenbaar had gemaakt, kende Noord-Brabant plotseling twee militaire vliegvelden. Bij Eindhoven lag het vliegveld Welschap en tussen Breda en Tilburg het vliegveld Gilze-Rijen.

[8] Op Gilze-Rijen werd de IIIe Verkenningsgroep van het 2e Luchtvaartregiment (Veldleger) gestationeerd met ondersteuning van de 4e Compagnie Bewakingstroepen. Op Welschap was de IVe Verkenningsgroep van het 2e Luchtvaartregiment gestationeerd met basisbewaking verricht door de 5e Compagnie Bewakingstroepen.

Onder OLZ generaal Reynders zou Noord-Brabant hardnekkig worden verdedigd door het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie, bijgestaan door de troepen aan de Maaslinie. Toen generaal Winkelman het stokje overnam van Reynders en na verloop van tijd zijn nieuwe strategie implementeerde, werd – op het hoogste niveau – duidelijk dat Noord-Brabant door de aanwezige hoofdmacht van het Veldleger geëvacueerd zou worden gedurende de eerste oorlogsnacht. Dat betekende dat het lot van de vliegbases ook zou worden gewijzigd.

[8, 67] Op 9 april 1940 reeds – als direct gevolg van de Duitse inval in Scandinavië – werden marsorders gegeven aan een aantal ML eenheden. Hier worden slechts de orders besproken die het besproken territoir bezien. IV-2Lv.R en 5e Cie Bew.Tr werden van het veld bij Eindhoven naar Haamstede gezonden. Het vliegpark Welschap werd ontruimd. III-2Lv.R met 4e Cie Bew.Tr. werd van Gilze-Rijen naar Ruigenhoek (bij Noordwijkerhout) verplaatst. Gilze-Rijen werd ontruimd.

Dat Welschap werd ontruimd, was niet verbazingwekkend. Ook de andere in ML gebruik geraakte velden in het oostelijk deel van het land, Eelde, Teuge en Beek, werden ontruimd en versperd. Hulpvliegveld Twente (bij Enschede) werd ontruimd en zelfs volledig omgeploegd. Deze velden bevonden zich evident in gebied dat zich in voorverdedigingsterritoir bevond of binnen zeer korte tijd na een inval binnen bereik van verreikende vijandelijke artillerie zou komen. En omdat een Duitse inval op 9 april 1940 ieder moment werd verwacht, was de ontruiming van de oostelijk gelegen velden zeer logisch. Dat was het niet daar waar het Gilze-Rijen betrof. Dit vliegveld lag niet alleen ver achter de voorste linies, maar omdat ook Soesterberg en Hilversum niet of nauwelijks werden gebruikt, betekende het dat het Veldleger in Noord-Brabant bij voorbaat van enige nabije luchtmacht ondersteuning ontbloot zou zijn. Immers, alle ML bases zouden zich binnen Vesting-Holland en dus het westen van het land bevinden met uitzondering van de twee bases in Zeeland, waarvan alleen Haamstede een verkenningseenheid herbergde (op dat moment). Dat Gilze ontruimd werd leek verbonden met Winkelman zijn nieuwe strategie, maar dat wist vrijwel niemand. Het deed bij vele mensen wenkbrauwen rijzen, zeker bij de luchtverdediging staf, waar men juist werkte aan het uit doen bouwen van Gilze-Rijen tot een volwaardig vliegpark. Bovendien - en dat zal bij het AHK ook zijn gerealiseerd - was het een signaal aan de Duitsers dat Nederland wel heel snel haar hielen zou lichten richting Vesting-Holland, hoewel de Duitsers de kennis nooit zouden dragen dat Gilze-Rijen was geëvacueerd.

[8, 67] Op 20 april, nadat de hoge heren in Den Haag de drastische maatregelen van 9 april 1940 alsmede de inmiddels enigszins bekende details van de Duitse inval in Noorwegen hadden kunnen bestuderen, volgde een nieuwe instructie. Aanpassingen op de noodmaatregelen van 9 april 1940 volgden. Gilze kreeg per direct een verkenningsgroep terug. IV-2Lv.R werd samen met 5e Cie Bw.Tr. naar de vliegbasis gestuurd. Zodoende had deze verkenningsgroep alle drie de zuidelijke bases (Vlissingen was geen operationele basis maar een opleidingsveld) leren kennen binnen een maand tijd. Dat zou nog voordelen kunnen hebben in de nabije toekomst. Op dezelfde dag kreeg de 2e Cie.Bew.Tr opdracht zich ook naar Gilze-Rijen te begeven en daar de veldbewaking te versterken.

[67] Op 26 april volgde het laatste interessante bevel voor Gilze-Rijen, waarbij de beide compagnieën bewakingstroepen van C-Lvd naar de CV werden overgeheveld. Dat betekende in de praktijk dat zij onder tactisch bevel van de C-III.LK zouden komen.

Gilze Rijen was dus ruim tien dagen lang onbezet gebleven, maar spoedig weer door de ML in gebruik genomen. Welschap bij Eindhoven bleef vanaf 9 april 1940 geëvacueerd en versperd.

Daarnaast was er nog het veld bij Hoogerheide/Woensdrecht dat sinds 1934 als vliegweide in gebruik was en ook sporadisch door de ML werd gebuikt. Het kreeg tijdens de mobilisatie geen functie, vermoedelijk wegens gebrek aan doelmatigheid in die uithoek van het land. Het zal kort besproken worden.

[67] De militaire passiviteit rond Hoogerheide was bij de Duitsers opgevallen, want hun spionagerapporten meldden dat het veld wegens drassigheid in ongebruik was geraakt. Die drassigheid relateerde men dan waarschijnlijk aan enkele inundaties in de omgeving. Het was onwaar. Opvallend genoeg was het door de Duitsers bij Woensdrecht aangevoerde argument wel voor Valkenburg aan de orde, maar was het juist daar aan de Duitse aandacht ontsnapt!

[67] Er bestonden vaste plannen Woensdrecht uit te bouwen tot een grotere basis voor het 2e Luchtvaartregiment. Maar aangezien het 2e Luchtvaartregiment [populair gezegd: de Veldleger luchtmacht] nog nauwelijks tot wasdom was gekomen in mei 1940 én het Veldleger onder OLZ Winkelman in Brabant geen rol van betekenis mocht spelen, bleef Woensdrecht een slapende basis. Het zou dan ook geen rol van betekenis spelen in de meidagen, overigens ook niet worden aangevallen door de Luftwaffe. Diezelfde Luftwaffe namen het echter wel in gebruik, daar het vliegveld zich uitstekend leende voor de operatie Seelöwe [de invasie van het Verenigd Koninkrijk], waarbij juist aan vliegvelden langs de kust van Nederland, België en Noord-Frankrijk grote behoefte bestond. Woensdrecht zou als zodanig enkele maanden een grote rol spelen. Het was enige jaren later de eerste Nederlandse basis waar in december 1944 Squadron Leader Bob van der Stok en zijn '322' collega’s weer landen op Nederlands grondgebied. Het vliegveld is ook na de oorlog door de Nederlandse luchtmacht in gebruik gebleven. Dat is Woensdrecht tot op de dag van vandaag, zij het als facilitaire basis en niet als operationeel station.

[67] Twee andere vliegterreinen werden in het Brabantse land door de staf luchtverdediging aangemerkt als potentieel geschikt als noodvliegvelden. Het betrof als eerste een terrein bij Gewande, tegenwoordig gemeente Den Bosch. Het was een vlak terrein ten noordoosten van Den Bosch (naast Empel) aan de Maas. Het tweede terrein dat als geschikt was aangewezen was onder Nederhemert (aan de Bergsche Maas), tegenwoordig deel van gemeente Zaltbommel, waar een terrein op de grens van de provincies Gelderland en Brabant was gevonden. Het bleef bij ambities. Er werd – zo meldden de onderzoekers van Illusies en Incidenten [67] – op het rapport bij de bevindingen rond de velden aangetekend dat er vooralsnog geen troepen waren om de voorgestelde hulpvliegvelden in te richten en te bemannen.

Uiteindelijk was er op 10 mei 1940 dus alleen sprake van een door militairen bezet en gebruikt vliegveld Gilze-Rijen.   

Vliegveld Welschap

Het vliegveld Welschap bij Eindhoven werd – ondanks dat het geheel was gedemobiliseerd door de ML – door de Luftwaffe aangevallen.

Het vliegveld was een relatief jong veld in 1940. Men was pas in 1931 met de aanleg begonnen in het kader van de werkverschaffing en het kwam in 1932 gereed. Pas drie jaar later kwam het eerste werkelijke luchthavengebouw gereed. Het was een zuiver civiel vliegveld, hoewel Fokker er wel diverse testvluchten organiseerde met de na 1935 geproduceerde militaire Fokker modellen.

In april 1939 was het vliegveld in het kader van de voormobilisatie door Defensie gevorderd en werd een deel van de IVe Verkenningsgroep op het kleine veld gestationeerd. Voordien waren hangars op het vliegveld al in beeld bij de ML, wegens een ernstig gebrek aan grote hangars voor de nieuw aangeschafte vliegtuigen op de eigen ML velden. Enige maanden lang waren afdelingen [1e en 2e JaVA] met Fokker D-XXI jagers op het vliegveld gestationeerd geweest om de Duitse schendingen van het luchtruim beter te kunnen bestrijden. Kort voor het april alarm vertrokken de jagers en bleven tot kort voor de meidagen slechts de FK-51’s van IV-2.Lv.R achter op Welschap.

Nadat Winkelman in april zijn nieuwe strategie ontplooide, was duidelijk dat Welschap daarin geen rol zou spelen. Het veld werd geheel geblokkeerd. Een kwestie die de Duitse spionnen ontgaan was, zoals hen veel veranderingen van na 9 april 1940 ontgaan zou, wat op zich niet erg veel verbazing zou moeten wekken gezien de Duitse aandacht voor de strijd elders.   

[1254] Zodoende werd het vliegveld Welschap – het was slechts bedoeld als vooruitgeschoven basis – op 10 mei 1940 door I./KG4 aangevallen. De bezetting was net paraat, want merkwaardig genoeg nog niet in hoogste gevechtsgraad gebracht gedurende de nacht [103b]. Vlak voor de Duitse aanval was men al gevechtsgereed en even na 0400 uur, vlak voor de eerste bommen vielen, werd een schriftelijk bericht ontvangen dat die hoogste graad van gevechtsgereedheid direct intrad.

Er was een klein bewakingsdetachement aanwezig van 2-II-1.RW onder de kapitein B.J. van Velthuijsen [CC] [103b], maar daaronder vielen geen slachtoffers met uitzondering van een gewonde soldaat. De munitiewagen van de compagnie werd evenwel door een treffer grondig vernield. Ook werd aanzienlijke schade aangericht aan de hangars en het vliegterrein. Volgens het verslag van het detachement vielen er 40 tot 50 bommen op en rond de basis, afgeworpen door circa 10 vliegtuigen. Er ontstonden als gevolg van die bommen branden, die tot in Eindhoven goed waren waar te nemen. Toen kort erop [0830 uur] het terugtrekkingsbevel kwam, werden - naar verluid - de resterende faciliteiten door de Nederlanders zelf vernield [103b]. Dat gebeurde door genisten, vermoedelijk van de LD zelf. De manschappen van 2-II-1.RW waren om 0910 uur van het veld weggetrokken en verzamelden zich op bevel bij een krankzinnigengesticht tussen Best en Eindhoven. Vandaar trok men met de LD caravaan terug naar Vesting Holland [103b].  

Voorgaande gegevens zijn opvallenderwijs nergens in stafwerken van land- en luchtmacht te vinden. Molenaar [8] discrimineerde het vliegveld opvallenderwijs geheel, maar ook de Groene Serie [5], dat wel uitwijdde over Woensdrecht en Gilze-Rijen, verzwijgt Welschap. Naar de reden kan slechts gegist worden. De gegevens komen dan ook slechts van een verslag van de CC [103b] en van Ad Hermens zijn onderzoekswerk dat in "Luchtaanvallen op Eindhoven en Philips 1940-1945" in 2002 gepubliceerd werd. Opvallend is dat Hermens meldt dat er nog enige FK-51's op Welschap stonden tijdens de meidagen. Hoewel dat nergens in andere bronnen wordt vermeld, is duidelijk dat de locatie van talloze vliegtuigen in mei 1940 onbekend of onbevestigd is. Anderzijds, de FK-51's die op Welschap stonden waren van de IVe Verkenningsgroep, en daarvan is zeker dat zij hun vier Koolhovens meenamen naar Haamstede en later Gilze.

Welschap werd door de Duitsers al zeer snel in gebruik genomen. Zij waren zeer verheugd met de Nederlandse en Belgische veldjes in het oosten. Die werden nog tijdens de meidagen direct inzetgereed gemaakt voor aanvalsvliegtuigen en jagers en daadwerkelijk gebruikt. Omdat het vliegbereik van de meeste Duitse vliegtuigen ronduit slecht was, waren de vooruitgeschoven vliegvelden in de lage landen zeer belangrijk voor de Luftwaffe. Welschap – Fliegerhorst Eindhoven – werd al op 13 mei door een deel van I./JG.26 (Bf-109) in gebruik genomen. Op 12 mei waren al Fieseler Storch Fl-156's op het veld geland. Auteur en onderzoeker Hermens meldde zelfs dat een van die lichte verbindingsvliegtuigjes de Duitse militaire uitrustingsinspecteur Dr. Scharlau aan boord had. Die was diezelfde middag naar Philips getogen waar een bespreking met de Philips directie en drie andere Duitsers plaatsvond. Opvallende zaken, die in het licht van de nog altijd levende vragen rondom de (dubbele?) loyaliteit van het Eindhovense concern interessant blijven, edoch buiten de kaders van deze studie naar het zuidfront vallen.

Ook tijdens de oorlog bleef het oorspronkelijk kleine vliegveld - door de Duitsers spoedig flink uitgebouwd tot een capaciteit van twee volledige Geschwaders - in Duits gebruik. Het was een belangrijke basis in 1940 tijdens de Slag om Engeland, wat in wezen niet meer was dan een duurzame luchtslag. De aanvallers van 10 mei 1940 werden ook gebruikers, althans II./KG4 werd in juni 1940 op Welschap gestationeerd. In de nacht van 10 op 11 september 1940 kreeg het veld een rake aanval van de RAF te voortduren, waarbij een tiental He-111 verloren ging en de slachtofferaantallen aan Duitse kant aanzienlijk waren. Vanaf voorjaar 1941 verloor Welschap haar operationele status - althans, waren er geen operationele eenheden meer gestationeerd, wat met de verschoven Duitse aandacht logisch lijkt. Vanaf 1943 kreeg het veld weer een operationele bezetting wat - met komen en gaan van eenheden - tot aan september 1944 voortduurde. Het lokte vele Geallieerde tegenreacties uit, met name in de voorrondes van Market Garden. Daarmee kwam een groot contingent FLAK manschappen op Welschap, dat het aantal man voor de vliegende Luftwaffe ver overtrof.

In september 1944 werd het toen inmiddels vrijwel volkomen vernielde veld door Amerikaanse parachutisten in het kader van operatie Market Garden bevrijd.

De vele facilitaire gebouwen die na mei 1940 werden gebouwd door de nieuwe gebruikers van het veld, zouden ook na de oorlog nog dienst doen. Welschap werd tot ver in de jaren tachtig gebruikt als jachtvliegtuigbasis – naast civiele taken voor het veld – en werd toen verlaten door de luchtmacht. Het veld werd afgedankt en op enkele gebouwen na verdween het (en is nu een woonwijk).

Het nieuwe vliegveld Eindhoven werd vanaf 1984 in gebruik genomen. Dat vliegveld is beter bekend geworden onder de naam Eindhoven Airport, wat direct aangeeft dat de civiele functie van het huidige vliegveld ver prevaleert boven welke militaire dan ook. Het benoemen van dit vliegveld als ‘Welschap’ is in feite dus oneigenlijk, maar gebeurt nog veel.   

Vliegkamp Gilze-Rijen

Het vliegpark Gilze-Rijen – op de Molenheide – was wel in gebruik bij de ML op 10 mei 1940.

De Molenheide behoorde tot de bakermat van de Nederlandse luchtvaart. Het was de locatie waar de Eerste Nederlandse Vliegvereniging (de eerste vliegschool in Nederland) was opgericht. De vereniging had zetel in Breda en had in 1910 – drie jaar voordat de Militaire Luchtvaart ontstond – het vliegkamp Molenheide opgericht. Meer dan een vlakte met een provisorische hangar en een luchtzak was het niet geweest. Toch speelde het vliegveld dat tussen Breda en Tilburg lag aan de toen enige goede oost-west verbindingsweg – de huidige Bredaseweg – een hoofdrol in de pioniersjaren van de nationale luchtvaart. In 1913 werd het vliegveld mede eigendom van de Luchtvaartafdeling van de Nederlandse Weermacht. Civiele en militaire vliegtuigen maakten er nadien beide gebruik van.

In 1936 werd een begin gemaakt met de aanleg van het aanpalende vliegveld Nerhoven dat voor het civiele gebruik was bedoeld, terwijl de Molenheide specifiek voor militair gebruik bleef. De werkelijke aanleg begon pas in 1938, nadat de noodzakelijke landerijen waren verkregen. Nog voor september 1939 werd echter het vrijwel afgebouwde Nerhoven ook door de ML overgenomen. Het veld werd versperd in april 1940, omdat de ML het (nog) niet gebruikte.

[67] Op te merken is dat Gilze-Rijen al voor de mobilisatietijd in beeld was gekomen als volwaardig en groot vliegpark in dezelfde klasse als de nieuwe velden Bergen en Valkenburg. Na een lange zoektocht binnen Vesting Holland, was men uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat slechts buiten de Vesting nog een nieuw vliegpark zou kunnen worden aangelegd. Want doordat rond Schiphol en Leiderdorp (de polders zuidoostelijk van dit dorp waren voorzien als een groot dependance van Schiphol en thuisbasis voor de KLM) in een straal van 25 km niet langer nieuwe bases mochten worden aangelegd, was de spoeling dun geworden. Drie zaken spraken toen in het voordeel van Gilze-Rijen: het was dichtbij de KMA (te Breda), de grond van Nerhoven NV werd door de eigenaren tegen kostprijs aangeboden en er zou geen vlieg- of radioverkeer worden gestoord.

[67] De aanleg van Nerhoven werd gedurende de mobilisatie met verve opgepakt. Het veld werd uitgehard en er werden gebouwen geplaatst. Grondwerk en drainage waren al voor de versperring in april 1940 voltooid, de opbouw en inrichting nog niet. Onduidelijk is of de werkzaamheden aan het veld doorgingen na 9 april 1940. 

[8] De op het vliegveld aanwezige verkenningseenheid was tactisch verbonden met het IIIe Legerkorps, dat in Brabant lag. De IVe Verkenningsgroep [C. kapitein-waarnemer A.W. de Ruyter van Steveninck q.q. C. Vliegpark], bestaande uit zeven Fokker C-V’s en drie Koolhoven FK-51’s, was op het kamp gestationeerd. De vliegtuigen waren langs de oostelijke en noordelijke bosranden opgesteld, zodat ze onzichtbaar waren uit de lucht. (1)

(1) Volgens Molenaar [8] waren het de C-V’s: 604, 606, 614, 618, 620, 636 en 641 alsmede de FK-51’s 411, 415 en 421. Daarnaast waren er in de hangars de C-V 625 en de FK-51’s 409 en 427.

[8] Het vliegveld had twee bewakingscompagnieën – respectievelijk de 2e [C.reserve-kapitein E.J. Hemmes] en 5e Compagnie Bewakingstroepen [C.reserve-kapitein J.A.J. Snellen]. Elk van deze compagnieën had zes lichte mitrailleurs ter beschikking. Een sectie met drie zware mitrailleurs die ieder van de compagnieën ter dienste stond was – bij ontstentenis van werkelijke luchtafweermiddelen – op de Molenheide ten noorden van het eigenlijke veld opgesteld. Van de andere sectie – van de 2e Compagnie – is de opstelling niet bekend, maar vermoedelijk was die aan de Nerhovense zijde van het kamp opgesteld. 
 
Het vliegveld was aan Molenheidense zijde geheel voor actie geoutilleerd. Een foto ontwikkelstudio bevond zich in een gehuurde woning noord van het veld terwijl een radiotelegrafie installatie, voor communicatie met de vliegtuigen in de lucht, was ondergebracht bij het jeugdkamp nabij de kruising van de huidige Bredaseweg met de Langenbergseweg. Ook bommen [8 kg scherfbommen en 50 kg mijnbommen] en boordmunitie waren aldaar opgeslagen. Extra brandstof voor de vliegtuigen stond in een tankwagen op het spooremplacement van het station Rijen.

In het zuidoostelijke bosperceel waren loopgraven en schuilplaatsen aangelegd. In het bos waren voorts tenten opgesteld waar bewakingstroepen verbleven. Een gemotoriseerde ploegtrekker combinatie stond gereed het gehele park op het eerste signaal om te ploegen.

Conform de ontvangen instructies was het vliegkamp geheel paraat om 0300 uur. Vliegpersoneel was in en bij de commandopost in het hangarpark vlieggereed.

[8, 1254] Net als Welschap (en Ypenburg), werd Gilze-Rijen door (onder andere) vliegtuigen van I./KG.4 aangevallen kort na zonsopkomst. Hoeveel vliegtuigen is onduidelijk, vermoedelijk betrof het een Staffel He-111-H’s dat Gilze-Rijen aanviel, begeleid door een Staffel Bf-109’s.  

[8] Volgens meldingen vloog het eerste Duitse toestel boven Gilze-Rijen om 0403 uur, waarna spoedig ruim een dozijn vliegtuigen verscheen en de basis in diverse runs aanviel met bommen en mitrailleurs. Het aanpalende Nerhoven werd door een viertal bommenwerpers gebombardeerd.

De schade van de bomaanvallen was zeer gering. Er werd één vliegtuig in de oostelijke bosrand beschadigd en rond de grootste (1e) hangar werd enige schade aan de bebouwing en de weg geleden. Er vielen geen slachtoffers.

Opvolgende aanvallen leken vooral op de landingsbanen gericht te zijn geweest, hoewel nog twee toestellen werden beschadigd. De landingsbanen werden flink toegetakeld, maar onvoldoende om ze volledig onbruikbaar te maken. Groot geluk was dat de zuidoostelijke bosrand niet werd aangepakt door de Duitsers, want daarin schuilde het gros der manschappen in de uitstekend voorbereide loopgraven. Er vielen onder hen ook in de latere fase van de ochtendaanvallen geen slachtoffers en geen gewonden.

Opvallend genoeg – zo meldde Molenaar in zijn stafwerk [8; dl.1, blz 433] – was reserve kapitein waarnemer A. Janssen, die niet aan het vliegende deel van IV-2LvR was verbonden, maar over de logistiek ging, op de hoogte van het voornemen van de OLZ om Noord-Brabant te evacueren. Of dit daadwerkelijk zo was, is sterk de vraag. Molenaar verbindt zijn conclusie aan het feit dat de kapitein direct in de ochtend van 10 mei op zoek ging naar motortransport. Maar zou de kapitein - als hij al vooraf van de nieuwe strategie had geweten - niet al voor de inval afspraken hebben gemaakt in geval van oorlog voldoende motorisatie in de nabije omgeving te kunnen verwerven?

Het zal vermoedelijk zo zijn geweest – althans zo vermoedt auteur dezes – dat de reserve-kapitein in de ochtend via de commandant 2e Luchtvaartregiment (met wiens staf regelmatig contact was) geïnformeerd werd dat een evacuatie ophanden was, dan wel op voorhand was geïnformeerd dat hij zich spoedig op een evacuatie van het vliegkamp diende voor te bereiden.

De informatie dat het Veldleger de provincie goeddeels zou ontruimen in geval van een Duitse inval, was met bijzonder weinig bevelhebbers gedeeld. Het lijkt niet aannemelijk dat met een op zich voor de operatieën niet veel betekenende reserve kapitein deze zeer gevoelige informatie op voorhand was gedeeld. Het zou althans zeer curieus zijn dat infanteriecommandanten van de Peeldivisie van niets wisten en een reserve kapitein van de luchtstrijdkrachten in het vierde echelon wel deze gevoelige informatie droeg. Ook om een andere reden is het onaannemelijk dat iemand van IVe Verkenningsgroep informatie droeg over de evacuatie van Noord-Brabant voor de inval. Er bleek namelijk niets geregeld tussen III.LK en de ML verkenningsgroep omtrent de tactische verbondenheid na de evacuatie. Waarom zou men wél een gemotoriseerd transport zodanig belangrijk achten dat een reserve officier zou worden ingelicht met zeer gevoelige informatie, maar in zo’n geval geen tactische bevelen voorbereiden voor de verbondenheid van de eenheid in relatie tot het Veldleger? Nee, men mag gerust aannemen dat Molenaar er in deze kwestie naast zat en de kapitein Janssen gewoon in de ochtend van 10 mei van de evacuatie hoorde en toen snel op pad ging motorisatie te regelen. Het gros daarvan trof hij overigens aan op de autoweg Tilburg-Breda. Eenvoudig en snel geregeld ...  

[8] Tegen 0745 uur werd luitenant-kolonel J.H. Sar, commandant 2e Luchtvaartregiment, geïnformeerd dat Gilze-Rijen zou worden ontruimd en de IVe Verkenningsgroep naar de Zeeuwse basis Haamstede zou verhuizen met medeneming van de beide compagnieën bewakingstroepen. Rond 0800 uur werd het bericht doorgegeven aan de kapitein de Ruyter van Steveninck, die zijn onderbevelhebbers informeerde. Reserve kapitein J.C. Boogaard, commandant van de verkenningstoestellen, kreeg opdracht de verhuizing van de vliegers en het vliegend materieel te regelen. Bekend is dat de kapitein Janssen voor de logistiek verantwoordelijk was en dus het transport van mensen en middelen over de grond diende te regelen.

[8] Van de vliegende toestellen konden er slechts zeven worden overgevlogen. De overige waren wegens schade aan de hangars, wegstructuur of aan de toestellen zelf (C-V no 604, 620, FK/51 no. 421) niet te verplaatsen. Zodoende werden alleen de C-V 606, 614, 618, 636 en 641 alsmede de FK-51 411 en 415 voor overvliegen naar Haamstede gereed gemaakt. Uiteindelijk zou de 411 wegens vleugelschade alsnog achterblijven.

Tussen 0900 en 0930 uur vertrokken vervolgens de volgende toestellen en bemanningen [8]:

C-V no. 606 met res. 2e lt vl W. Rooseboom en res. 2e lt-wn W.H. Meulkens, no. 614 met res. 1e lt-vl J. Benus en een (onbekende) vliegtuigmaker, no. 618 met wmr-vl J.W. Wildschut en een (onbekende) vliegtuigmaker, no. 636 met commandant kapt-vl. J.C. Boogaard en res 1e lt.wn. B. van Steenbergen, no. 641 met res. 1e lt-vl. D.A.J. Paap met als passagier een (onbekende) vliegtuigmaker en tenslotte FK-51 no. 411 met res. sgt-vl. K. Zwarthoed met eveneens een (onbekende) vliegtuigmaker (2)

(2) Kapitein-vlieger Boogaard werd op 3 mei 1942 te Sachsenhausen gefusilleerd. Wachtmeester-vlieger Wildschut stierf in het werkkamp Leonberg (kamp voor dwangarbeiders in een Messerschmitt fabriek vlakbij Stuttgart) op 31 januari 1945.

Onduidelijk is waarom er vier vliegtuigmakers meevlogen in plaats van waarnemers. Molenaar stelt [8; blz 437, voetnoot 2] dat dit was om direct technische voorbereidingen te kunnen treffen op Haamstede. Technische voorbereidingen ‘voor wat’, vermeldde Molenaar ook niet. Het helpt niet om een goede verklaring te vinden.

Kennelijk was men bij het onderdeel de mening toegedaan dat vliegtuigmakers urgent nodig zouden zijn en er geen zware operationele wissel op de eenheid zou worden getrokken. Men nam daarom maar twee waarnemers met de vliegtuigen mee en vier monteurs. Dat zou enige uren later negatief effect hebben op de inzetbaarheid van de eenheid. Haamstede opereerde ook met FK-51 en C-V toestellen en zou zeker monteurs ter plaatse hebben. Daarvan was men zich op Gilze-Rijen welbewust, want minder dan een maand daarvoor had men nog een verplaatsing meegemaakt richting (en kort daarna van) Haamstede. Het door de lucht vervoeren van monteurs in plaats van waarnemers was in elk geval een besluit dat, hoewel in de annalen niet werkelijk toegelicht, vraagtekens doet zetten bij de kwaliteit van de besluitvorming.

[8] Voor 1000 uur kwamen de vliegtuigen zonder onderweg uitdagingen te zijn tegengekomen aan op Haamstede, de vliegbasis voor de voortgezette vliegeropleiding. Er waren vooral Fokker S-IV en S-IX lestoestellen gestationeerd, maar dus ook enige Koolhoven FK-51’s en Fokker C-V’s. Bovendien zal er enige munitie en zullen er bommen zijn opgeslagen geweest. Dat lijkt althans te spreken uit de navolgende bespreking. Want hoewel Haamstede op het eiland Schouwen-Duivenland ligt, wordt gemakshalve de bespreking - voor zover relevant voor het Zuidfront - van de IVe Verkenningsgroep hier voortgezet.

[8] Reeds om 1115 uur kreeg kapitein Boogaard opdracht van de staf Luchtverdediging in Den Haag om met ‘de beschikbare’ C-V vliegtuigen een bombardement uit te voeren van Waalhaven. Omdat men eerder besloten had slechts twee waarnemers mee te laten vliegen, waren er niet vijf C-V’n beschikbaar voor een bombardement, maar slechts twee. Dat werden de no.’s 606 en 614, met resp. de vliegers 2e luitenant Roosenboom en sergeant-vlieger Zwarthoed alsmede resp. de waarnemers/bommenrichters 1e luitenant van Steenbergen en 2e luitenant Meulkens. Overigens waren de nog bruikbare vier C-V’n van de vliegschool op Haamstede niet allen uitgerust met bommenrekken en was voor deze vliegtuigen geen geoefende bemanning voorhanden. 

[8] Omdat de bommen nog onder de toestellen moesten worden gehangen, en een en ander niet razendsnel in zijn werk ging, was pas om 1213 uur sprake van ‘wielen los’ van beide toestellen. Onbekend is met welke lading de toestellen vertrokken, maar vermoedelijk waren dat vier 50 kg mijnbommen per toestel.

Gemeld wordt in het stafwerk [8] dat het bombardement op 2,500m hoogte moest worden uitgevoerd. De reden daarvoor is onbekend en bleef onvermeld. Mogelijk dat in die fase van de strijd nog gedacht werd dat boven licht luchtafweer niveau vliegen aan te bevelen was. In elk geval waren de beide trage uit de richting Rozenburg aanvliegende C-V’s spoedig in beeld bij drie boven hen patrouillerende Messerschmitt Bf-110’s. De beide vliegtuigen trachten daarbij te klimmen naar een beschermend wolkendek.

[8] De no. 614 slaagde hierin niet of durfde de klim niet door te zetten. De sergeant-vlieger begon ontwijkende manoeuvres te maken en verloor daardoor zoveel snelheid en hoogte dat hij uiteindelijk nog slechts een noodlanding kon maken. Bij Middelharnis werd geland, in de Oudelandspolder. Beide vliegers konden veilig uit het toestel komen en dekking zoeken. Kort erna werd het toestel, nog altijd met bommen behangen, door één Bf-110 in brand geschoten waarop het spoedig explodeerde. In de avond konden beide vliegers Haamstede weer bereiken.

[8] De no. 606 had de klim naar het veilige wolkendek wel af kunnen maken. Maar de wolkenpartij was te klein om er ongezien ook weer uit te ontsnappen. Twee Bf-110’s stortten zich op het toestel toen het weer uit de wolken kwam. Een minutenlang kat en muisspel ontstond tussen het kleine wendbare Nederlandse Fokkertje en de twee grote jachtkruisers van Duitse makelij. Uiteindelijk was er geen ontkomen meer aan voor de Nederlanders. Een steile duikvlucht redde hen niet. Tijdens de duik, waarbij de Bf-110's de Fokker achtervolgden, maakte waarnemer Van Steenbergen zich los van de C-V en ontplooide zijn parachute. Rapporten van de grond meldden dat daarbij de waarnemer zwaar beschoten werd. Maar de kans dat Van Steenbergen voordien al ernstig gewond was geraakt, is bepaald niet uitgesloten. De kans dat waarnemers op de grond onderscheid konden maken tussen het beschieten van de Fokker of daaruit zich losmakende vliegers, is bijzonder klein. In elk geval was het niet gebruikelijk dat piloten parachuterende tegenstanders in de lucht beschoten, hoewel uitzonderingen beslist bekend zijn. Van Steenbergen zou enkele dagen later (19 mei) in elk geval overlijden aan zijn opgelopen verwondingen. De C-V met luitenant Roosenboom nog achter de knuppel stortte bij Nieuwerkerk neer. De luitenant vond daarbij de dood.

Terug naar Noord-Brabant. Na de evacuatie van Gilze-Rijen, waarvan kennelijk ook geen overweging bestond het aan de Fransen in gebruik te geven, werd het veld geblokkeerd. Onbekend is het (aan auteur dezes) of het veld daadwerkelijk werd omgeploegd. Het zou niet veel uitmaken. Het zou een prominent vliegveld worden van de Duitsers tijdens de gehele oorlog. Bovendien het enige vliegveld dat in mei 1940 in gebruik was en vandaag de dag nog steeds door de luchtmacht gebruikt wordt.

Op 11 mei komt de verkenningsgroep weer terug in beeld.

Hulpvliegveld Woensdrecht

[5] Het als hulpvliegveld in gebruik zijnde Woensdrecht [in feite: Hoogerheide] was voorzien om een volwaardig vliegveld te worden, maar daartoe kwam het niet meer onder Nederlands bewind. Wegens de strategische wijzigingen onder Winkelman was Noord-Brabant immers niet erg interessant meer geworden voor de stationering van ML eenheden.

[5] Het hulpvliegveld was dus niet bij de ML in gebruik, echter als dependance van Gilze-Rijen wel bezet door een bescheiden detachement van een luitenant, acht onderofficieren en 60 manschappen. Dat detachement had geen enkele mitrailleur ter beschikking en slechts 60 patronen per man voor de geweren.

[5] Het bewakingsdetachement Woensdrecht was in de kost bij 4-3.GB te Ossendrecht, maar viel organisatorisch onder de C.IVe Verkenningsgroep te Gilze.

[5] In de ochtend van 10 mei was de luitenant [res. 1e luitenant A.H.P. Ballot] geinstrueerd door C.2e Luchtvaartregiment om de aan het veld aangrenzende landerijen om te doen ploegen ter voorkoming van luchtlandingen. Zodoende geschiedde. Onderwijl constateerde men dat 4-3.GB - zonder enig bericht achter te laten - uit Ossendrecht vertrokken was. Zoals de lezer bekend zal zijn was die compagnie inderdaad richting Willemstad vertrokken. Het betekende voor de menage dat het detachement afhankelijk werd van eigen organisatie en zodoende werd eten en drinken in de plaatselijke gemeenschap geregeld.

[5] Uiterst curieus was dat de detachementscommandant door het commando Veldleger gefiatteerd werd om ondersteuning van de verdediging te vragen bij de naburige Belgische eenheid. Een regiment Jagers te Voet werd benaderd en in de middag van 10 mei was er contact met een Belgische kolonel Dubois. Die zou zijn meerdere op zijn beurt verzoeken of assistentie verlenen aan de Nederlanders tot de mogelijkheden behoorde. Een stilzwijgen en niet verschijnen van hulp was het antwoord.

[5] In de vroege avond kwam een eskadron motorrijders van de Groupe Beauchesne in Hoogerheide, maar de eenheid vertrok na enige tijd weer.

Zo maakte het detachement van Woensdrecht die eerste oorlogsdag van alles mee. En dat zou de dagen nadien niet veranderen. Aanvallen door Duitse vliegtuigen ondergingen zij niet. [67] De Luftwaffe achtte het veld ongeschikt voor gebruik.  

[De bronnen vindt u hier]