Willemsdorp

Inleiding

Het bruggenhoofd Willemsdorp, ofwel de bezetting van de noordelijke landhoofden bij het Hollands Diep, was redelijk goed bezet met de eenheden die de oevers en rivierkazematten moesten bezetten. Het gehele front was ingericht op een defensie tegen een vijand die vanuit het zuiden zou ageren tegen het zuidfront Vesting Holland.

[1, 66] Naast drie zware rivierkazematten [twee met AT kanon], twee mitrailleurkazematten [op een pier ten zuiden van de landhoofden] en de versperringen van weg en spoor, waren er langs de zuid en zuidoost oever van het Hollands Diep enige tientallen piramide kazematten gebouwd, de zogenaamde groepsschuilplaatsen. Deze dienden om de verdedigers van de oevers bescherming te bieden tegen bombardementen door vijandelijke artillerie. De kazematten hadden geen offensieve capaciteit omdat een wapen opstelplaats en schietgat in de constructie ontbrak. Wel kon de toegang worden beveiligd door welgeteld een geweerschutter die een gat in de gietstalen deur daartoe kon gebruiken.

Het bruggenhoofd was voorzien van diverse semipermanente veldversterkingen, zowel bij de bruggen als langs de oevers. Ook deze opstellingen waren allen zuidwaarts gericht, voor zover ze niet dienden om bijvoorbeeld de wegen te verdedigen, zoals bij De Engel.

De meeste militairen waren ingekwartierd in het gehucht Willemsdorp. Naast enkele gebouwen en een hotel die gebruikt werden door een aantal onderdelen, was het barakkenkamp net ten noorden van de lintbebouwing van het gehucht, de hoofdlegering van de bezetting van het bruggenhoofd. Luchtafweer ter verdediging ervan ontbrak, permanente versterkingen tegen bombardementen of als opslag ontbraken evenzo.

[1, 100a, 171, 190, 192, 194, 305] Het bruggenhoofd was bezet door circa 400 man troepen van pluriforme samenstelling. De belangrijkste eenheden waren een compagnie van I-28RI, twee secties van I-41RI en twee secties van de bijbehorende MC van I-28RI. Bij elkaar zo'n 250 man. Daarnaast was er een contingent politietroepen dat voor de bediening van de stukken geschut en de hoofdbezetting van de rivierkazematten zorg droeg, en twee secties MC van 3GB en 11 MC die de mitrailleurs in de kazematten bedienden. Een peloton luchtdoelmitrailleurs [84 Pel.Lumi] bij de bruggen waren de enige verdediging tegen luchtaanvallen. De bezetting door 1-I-28RI was overigens pas in april 1940 gearriveerd. Tot dat moment hadden de twee secties van I-41RI met twee secties zware mitrailleurs van 34RI de veiligheidsbezetting gevormd [1, 190].

Willemsdorp was bovendien een belangrijke basis voor de Vaartuigendienst. Naast de zuidelijke entree van de Kil lag een grote afmeerplaats, normaliter bedoeld voor de civiele binnenvaart, waar de schepen van de Vaartuigendienst waren afgemeerd. Twee wachtschepen waren vrijwel permanent in gebruik voor de maritieme beveiliging van de bruggen. Bovendien lagen een aanzienlijk aantal schepen in Moerdijk. De meeste schepen van het detachement waren voorzien van een M.18 zware mitrailleur [1, 171].

De afmeerplaats bij Willemsdorp was overigens ook bij civiele schepen gewoon in gebruik, hetgeen niet was gewijzigd sinds de staat van beleg was afgekondigd in april. Zodoende konden binnenvaartschepen – ook Duitse – nog gewoon afmeren op de pleisterplaats bij Willemsdorp en alszodanig hadden schippers en bemanning een prima kijk in de keuken van de legerplaats.

[1, 66] Willemsdorp was door de Duitsers gedetailleerd in kaart gebracht. Luchtverkenningen toonden iedere veldversterking, wapenopstelling, kazemat en barak en deze waren op foto’s methodisch aangemerkt. Ook Duitse grondverkenningen hadden plaatsgevonden, zelfs door gezanten van de Duitse ambassade in Den Haag die erg veel interesse in de nijverheid van west Brabant hadden getoond en zodoende diverse dienstreizen over de Moerdijkbrug hadden gemaakt. Ongetwijfeld zullen ook maritieme verkenningen hebben plaatsgevonden, daar de afmeerplaats bij het dorpje een populaire stek was voor binnenschippers. Het bruggenhoofd had voor de Duitsers in ieder geval geen enkel belangrijk geheim.

[190] Aviolanda testte haar watervliegtuigen bij de afmeerplaats bij de bruggen. Bij hen was een Duitse ingenieur in dienst. Deze werd door militairen verdacht van spionage. Er is behalve die verdachtmakingen geen aanleiding te denken dat de man werkelijk heeft gespioneerd. Overigens was hij al maanden voor de inval niet meer bij de afmeerplaats gezien.

De vooravond van de inval

Bruggenhoofd Willemsdorp was nauwelijks voorbereid op een vijandelijke actie in de rug van de verdediging. In april 1940 was als gevolg van de Duitse inval in Noorwegen wel een aantal maatregelen getroffen tegen luchtlandingen op de nieuwe rijksweg. Er werd besloten enkele piketten uit te zetten en een sectie met zware mitrailleurs daarbij in te delen. Voorts werd de bruggenhoofdcommandant, net als andere commandanten aan het zuidfront, geïnformeerd dat te allen tijde rekening diende te worden gehouden met beperkte parachutistenacties [daarbij werd louter aan sabotage gedacht!] en stoutmoedige luchtlandingen in daartoe geschikte weilanden en op wegen. Dat was immers wat men in Noorwegen nadrukkelijk had waargenomen.  Aanpassingen van de hoofdverdediging door bijvoorbeeld stellingen front noord voor te bereiden vonden nadrukkelijk niet plaats.

Generaal Reynders en zijn opvolger Winkelman hadden overwogen dat de Moerdijkbruggen te belangrijk waren voor de logistieke plannen van ons leger om deze te lichtvaardig op te blazen. Reynders had daartoe in 1939 besloten dat de slagsnoeren voor de wel reeds aangebrachte brugladingen op slag in de rivierkazematten moesten worden opgeslagen [7, 190]. Die konden dan in circa een uur tijd worden aangebracht indien de toestand dit noodzakelijk maakte én tot aansluiting van de slagsnoeren op de ontsteking uitdrukkelijke toestemming was gekomen vanuit Den Haag. Opblazen van de beide bruggen mocht echter onder geen beding geschieden zonder voornoemde toestemming.[190]

Overigens was een elektrische ontsteking van de ladingen in voorbereiding. Deze was echter op 10 mei 1940 nog niet geleverd. [190] Zou dit wel het geval zijn geweest, dan was het de bedoeling geweest dat de ladingen middels een continue verbonden laagspanningsleiding vanuit de rivierkazematten direct tot detonatie konden worden gebracht. Ongetwijfeld zou ook aan deze operatie een zwaar protocol zijn opgehangen.

Stafkaart Willemsdorp

Hoewel naoorlogs – en tot de dag van vandaag – flinke kritiek op de beide OLZ is geleverd voor hun besluit de slagsnoeren niet voorbereid aangesloten te hebben op de ladingen, is voor hun overweging zulks (dus) niet te doen veel te zeggen. De verkeersbrug had immers een zeer prominente plaats in de logistiek van het Nederlandse leger. Niet in de laatste plaats vanwege de verwachte alliantie met Frankrijk. Het zou immers de oversteekplaats bij uitstek zijn voor Franse eenheden richting Vesting Holland. Naast Keizersveer, enkele tientallen kilometers oostelijker, was er geen enkele harde overgang elders. Naast die overweging was er vanzelfsprekend die welke was verbonden met de evacuatie van de Nederlandse troepen uit Brabant. En dat gold niet alleen voor de plannen onder Winkelman, die immers voorzagen in een evacuatie binnen 24 uur na een inval, maar ook binnen de strategie van Reynders zouden de bruggen een voorname terugtocht- en aanvoerroute hebben gevormd.

Daarbij is het vrijwel zeker [hoewel bewijzen bij auteur nadrukkelijk ontbreken!] dat een beperkte Duitse commandoactie bij beide bevelhebbers de revue is gepasseerd. Alleen al de uitgebreide veiligheidsbezetting aan weerszijde van de bruggen voor april 1940 duidt op een overweging van mogelijke snelle vijandelijke actie op kleine schaal. Men zal daarbij hebben overwogen dat zelfs een snel beperkt vijandelijk succes tot de mogelijkheden zou kunnen behoren, maar dat met de alom aanwezige Nederlandse militaire aanwezigheid een herneming van de objecten of een uitschakeling van de bedreiging spoedig gerealiseerd zou zijn. Lichtvaardig de dure en belangrijke oeververbinding opblazen was daarom ongewenst en wilde men voorkomen. Alleszins redelijke overwegingen met de beperkte wetenschap van voor de oorlog.

Wat wel een zeer opvallend manco in de verdediging was, was de vrijwel volledige absentie van geschikte luchtafweermiddelen [8]. De opstelling van de zware batterij luchtafweer bij het dorp Moerdijk aan de overkant van de plas kan bezwaarlijk als een sterke luchtverdediging van een voornaam object als de Moerdijkbruggen worden beschouwd. De twaalf Spandau mitrailleurs van de drie pelotons luchtdoelmitrailleurs waren in feite verwaarloosbaar als luchtverdedigingsmiddelen, nog los van het feit dat ze uiteindelijk in de praktijk vrijwel allemaal weigerden of haperden. Als men voorts bedenkt dat de zware batterij luchtafweer bij Moerdijk op de nominatie stond in oorlogstijd richting Nieuwe Maas te worden verplaatst dan kan men zich in goede moede afvragen ‘wat bezielde het commando luchtverdediging?’ Het antwoord op die vraag is onduidelijk. Het zal de overweging zijn geweest dat het hart des lands met haar vliegvelden en voorname objecten alle beschikbare luchtafweermiddelen hard nodig zou hebben. Desalniettemin waren talloze batterijen midden in het landschap geplaatst bij mogelijke oversteekplaatsen van de te evacueren veldlegereenheden. Alleen bij Moerdijk ontbraken die middelen opvallenderwijs.

[100a] Net als alle andere groepscommandanten ontving ook de commandant van het bruggenhoofd [officieel: vak Wieldrecht-West], de reserve kapitein W.F.M. Popelier, bevel op 7 mei dat alle verloven waren ingetrokken. Een dag later werd dit gevolgd door de opdracht aan alle eenheden van Groep Kil piketten op de wegen te zetten tijdens de nacht en de rijksweg met een mitrailleursectie te bezetten. [1, 192] In Maasdam moest zelfs een rijdende patrouille worden gestationeerd, waarbij ook zware mitrailleurs werden ingedeeld. Bij de bruggen werden in de nacht van 9 op 10 mei twee secties MC van I-28RI [1e en 3e sie: slechts drie stukken M.18 totaal] op de rijksweg geplaatst tussen het bruggenhoofd en Amstelwijck, en een derde sectie [12MC] vlakbij de bruggen aan de zuidzijde. Zeker is dat op de strekdam ook een piket met een M.18 en zes man van de VED Hollands Diep stond [171]. Het wordt echter bij de maatregelen [1,100a, 192] niet genoemd.

De drie stukken van MC-I-28RI werden op drie locaties opgesteld. Een op een halve kilometer onder Amstelwijck, een stuk tussen Tweede Tol en Willemsdorp en de laatste naast het gebouw waarin de Politietroepen waren ingekwartierd, vlakbij het barakkenkamp.

[1, 100a, 190, 192, 194, 305] De legering in en om het barakkenkamp was zeer inefficiënt geregeld. De troepen lagen overal en nergens verspreid omdat het barakkenkamp zelf slechts bedoeld was geweest voor de zeer kleine bezetting van vóór 9 april 1940. Daarom lagen in die barakken slechts de 3e sectie van 1-I-28RI en de 1e en 3e sectie MC. Op en rond boerderij De Jongh lagen de 1e en 4e sectie van de compagnie, terwijl de 2e sectie en de stafgroep vlakbij in boerderij van der Zee [Den Engel] waren ingekwartierd. Het oorspronkelijke dekkingsdetachement, waaronder dus de bezetting van de kazematten, twee secties infanterie van 41.RI (1), het peloton luchtdoelmitrailleurs en de vaartuigendienst, was grotendeels gelegerd in en nabij hotel Waterloo. De politietroepen hadden tenslotte ook een eigen gebouw, even ten noorden van het barakkenkamp. De officieren waren verspreid over diverse kwartieren, maar de meeste sliepen in het Hotel Waterloo. in Willemsdorp.

(1) Opvallend is de vermelding van I-41.RI als leverancier van het dekkingsdetachement. Hoewel dit in vele bronnen wordt vermeld, ook in het gevallenenregister [31], heeft het er alle schijn van dat het detachement uit 6.RI voortkwam. 6.RI en 41.RI waren overigens gerelateerde regimenten. Aangezien 41.RI tot de BOUV mobilisatie eenheden behoorde, is het aannemelijk dat het dekkingsdetachement, dat al in april 1939 ontstond, uit 41.RI voort kwam. De stam van 41.RI was 17.RI, welk laatste regiment het oorlogsregiment van 6.RI was. Daar zal de link liggen. De zaak is in onderzoek.

In de vroege avond van 9 mei 1940 trad de ontspanning weer in. Bericht was gekomen vanuit C.VH dat bepaalde buitengewone verloven weer werden toegestaan. Het was voor vele militairen een teken aan de wand dat het opnieuw allemaal loos alarm was geweest. De later op de avond door de OLZ met het Veldleger en de buitenverdediging gedeelde zorg omtrent de ontvangen alarmerende berichten inzake de toestand aan de oostgrenzen van ons land, werd niet bij de Groep Kil neergelegd. De C.VH had overwogen dat zijn militairen in de niet direct bedreigde sectoren beter een nachtje extra slaap konden pakken [7]. Een wezenloze gedachte, waarbij deze hoge militaire commandant volkomen voorbij ging aan de gevaren van luchtaanvallen en luchtlandingen om nog maar niet te spreken van het achter slot en grendel houden van menige munitievoorraad in den lande.

Een bijzonder curieus fenomeen was inderdaad die opslag van de munitie. C-VH had het wijs geacht munitie centraal achter slot en grendel op te slaan, in de angst dat anders wel eens ongelukken zouden kunnen gebeuren door onprofessioneel gedrag door de 'burgersoldaten' waaruit het leger immers bestond. Alleen de wachten en piketten hadden een zeer bescheiden rantsoen ter beschikking. De centrale opslag van de munitie was in het barakkenkamp gelegen. Over het algemeen beschikte iedere sectie over welgeteld een kist geweermunitie buiten de centrale voorraad om, ter aanwending voor wacht- en piketdiensten. Doordat de C.VH het niet noodzakelijk achtte om ook het zuidfront in de hoogste graad van gereedheid te brengen in de vroege ochtend van 10 mei, bleef de munitie netjes centraal opgeslagen in het barakkenkamp. Het betekende dus dat met uitzondering van de wachtposten, de piketten in de kazematten en de beide luchtdoel pelotons, alle militairen munitieloos in hun kwartieren lagen.

[190] In de beide rivierkazematten was een piket aanwezig van drie man Politietroepen en twee man van MC-3GB. Drie man Politietroepen vormde de wacht aan de zuidzijde van de verkeersbrug, bij het wachtbureau aldaar. Voorts waren er twee wachtposten [vier man aan de zuid- en vier man aan de noordzijde] van het dekkingsdetachement bij zowel de spoor- als de verkeersbrug [1003: verklaring soldaat M. Crezée]. Zij hadden maar tien patronen de man. In de mitrailleurkazemat was vermoedelijk een piket van drie man aanwezig, maar dit is niet zeker. De Politietroepen hadden ook een wachtbureau bij hun gebouw, waar een korporaal de nachtwacht had. Naast deze posten waren er de drie MC posten op de rijksweg en het parate luchtdoel peloton [acht man plus korporaal]. Bij de pijlerkazematten bij de strekdam was een VED piket van zes man [171]. De beide wachtschepen van de vaartuigendienst lagen paraat.

En vele militairen lagen nog maar net in het stro toen de eerste schoten hen wekten vlak na 0330 uur. De avond ervoor was er namelijk een gezellig O & O feestje geweest in het barakkenkamp, en hadden de manschappen zich goed vermaakt. Sommigen lagen nog maar net in bed. Het eerdere vermaak zou spoedig in schril contrast staan met de gebeurtenissen van enkele uren later …

De troepen waren als volgt op locatie om 0330 uur, 10 mei:

Onderdeel Locatie Sterkte
Stafgroep vak Willemsdorp ca. 10 man
Dekkingsdetachement Willemsdorp ca. 160 man
- twee secties I-41RI - Willemsdorp/barakken / enkele wachten -ca 60 man
- sectie MC-3GB - Willemsdorp / piketten in kazematten -ca 25 man
- sectie 11MC - Willemsdorp / piketten bij kazematten -ca 25 man
- det. politietroepen - Geb Pol.Tr. / piketten in kazematten 25 man
- vaartuigendienst - Willemsdorp / op 2 wachtschepen -ca 25 man
1-I-28RI 162 man
1e sie 1-I-28RI t.h.v. Den Engel incl
2e sie 1-I-28RI bij Den Engel incl
3e sie 1-I-28RI Barakkenkamp incl
4e sie 1-I-28RI t.h.v. Den Engel incl
1e sie MC-I-28RI Stukgroep bij verkeersbrug / barakken ca 30 man
3e sie MC-I-28RI Amstelwijck / Tweede Tol [niet in bruggenhoofd] ca 30 man
84 Pel LuMi bij verkeersbrug 17 man
Totaal werkelijk in bruggenhoofd ca. 379 man


De brugladingen

[7, 190] De beide bruggen waren voorbereid voor vernieling. Bij de verkeersbrug was een segment voor vernieling voorbereid door aan weerszijde van het dek - boven en onderzijde - 19 ladingen aan te brengen in kasten. Die dienden alle 19 per zijde onderling verbonden te worden met slagsnoer en voorzien te worden van slagsnoerpijpjes. De beide slagsnoeren moesten dan onderling in een kast wederom worden verbonden. Deze operatie zou volgens inschattingen van SMI van Almkerk tenminste een uur duren. Daarbij diende men zowel bovendeks als onderdeks werkzaamheden te verrichten. Nodeloos op te merken dat dit bezwaarlijk onder zwaar vuur kon geschieden. De slagsnoeren voor de verkeersbrug waren opgeslagen in de rivierkazemat bij de verkeersbrug.

Bij de spoorbrug was de operatie half zo intensief. Hier was sprake van tien ladingen aan iedere zijde. De procedure was verder identiek aan die van de verkeersbrug. De slagsnoeren voor de spoorbrug waren in de rivierkazemat bij de spoorbrug opgeslagen.

In de kazemat bij de verkeersbrug was een lading van 1,200 kg opgeslagen. Deze diende voor de vernieling van de 7e pijler van de verkeersbrug. Het is auteur niet bekend of vernieling van deze pijler een noodscenario betrof of uiteindelijk tot bijvoorbeeld een grondiger vernielingscenario behoorde. Feit is dat de lading niet bij de pijler was aangebracht.

De Duitsers

Het Duitse aanvalsplan voor de overval op de Moerdijkbruggen is uitgebreid besproken op de vorige pagina over Moerdijk. Dat zal hier niet worden herhaald.

De aanval zou volgens plan aanvangen rond 0445 uur. De Duitsers zouden na een vooruitgeschoven luchtverkenning eerst de luchtafweer en stellingen aanpakken met aanvalsvliegtuigen en jagers en vervolgens zouden tussen 0455-0500 uur twee compagnieën parachutisten afspringen net ten noorden van de stellingen. Het betrof de compagnieën 5 en 6, onder respectievelijk Oberleutnant Strähler-Pohl en Oberleutnant Stangenberg. Bataljonscommandant Hauptmann Fritz Prager(2) en zijn staf zouden ten zuiden van de bruggen worden afgezet [458, 464, 500, 501].

(2) Fritz Prager had een opvallend persoonlijk verhaal. De man was in 1939 gediagnosticeerd met terminale dikke darmkanker. Desondanks kon hij nog functioneren en kreeg toestemming zijn bataljon alsnog tijdens de strijd aan te voeren. Hij zou die strijd overleven - zij het gewond aan beide benen - voor zijn verdiensten het Ritterkreuz toegekend krijgen, maar enkele maanden later in een ziekenhuis overlijden aan de onoverwinnelijke vijand die in zijn lichaam zat.

Beide Duitse compagnieën bestonden uit circa 120-130 man [458, 501]. Ieder had drie gevechtspelotons, een ondersteuningsgroep met drie mortieren van 54 mm alsmede een pantserbuks 7,92 mm en bovendien had elke compagnie nog een taakgerichte eenheid ter grootte van een Trupp Sturmpioniere [464].

De staf van het bataljon was niet groot, maar naast de commandant waren daarbij zijn adjudant Leutnant Hädrich, Nachrichtenoffizier Leutnant Hoffman en Bataillonsarzt Oberarzt Hartmann. De stafgroep bestond vermoedelijk uit maximaal zo'n 30 man, waaronder enkele ziekenverzorgers [Behilfsträger], verbindingsmensen (waarvan iedere compagnie een Trupp gedetacheerd had), ordonnansen en enkele assisterende onderofficieren.

De circa 260-270 man die als taak hadden om het noordelijke landhoofd van de bruggen in te nemen en de brugladingen zo spoedig mogelijk onschadelijk te maken, zouden dus niet in overmacht landen en aanvallen. Wel zouden zij des benodigd spoedig steun kunnen krijgen van I/FJR1 dat deels bij Tweede Tol zou landen.

[421, 422] Het geheel zou landen met twee Staffels Ju-52 plus twee of drie Ju-52 van Stabstaffel I/KGzbV1 die Hauptmann Prager en zijn staf zouden droppen. In totaal zouden circa 30 Ju-52’s van IV/GKzbV1 onder Major Beckmann [bron: Weiss] ten noorden van de brug worden ingezet, en zouden de overige twee Staffels [26 toestellen] van dezelfde Gruppe de parachutisten aan de zuidzijde van de brug afzetten.

Uit de samenstelling en sterkte van de transport Gruppe kan reeds worden afgeleid dat maximaal 600 man in het beoogde bruggenhoofd zouden kunnen landen. Immers, een Gruppe bestond bij volledige organieke bezetting uit 53 toestellen, die ieder maximaal 12 man parachutisten met bewapening konden vervoeren. Daarbij werden enkele toestellen ingezet om zwaardere wapens en materialen af te zetten, zodat deze minder parachutisten vervoerden. Zeker is ook dat niet alle 53 toestellen op de locatie aankwamen. Daarover meer tijdens de bespreking van de gevechten. Uit deze eenvoudige analyse blijkt duidelijk dat in eerste aanleg in totaal maximaal zo´n 550 man geland zijn ten noorden en ten zuiden van de Moerdijkbruggen. Dat is voor het juiste perspectief vooraf van belang. Zij zouden hierdoor immers een aanzienlijk talrijker tegenstander treffen.

De aanval

Toen de eerste Duitse vliegtuigen verschenen waren de Nederlanders nog in diepe slaap. Stellingen waren niet ingenomen. Met uitzondering van de piketten in en bij de kazematten, de paraatheid van het peloton luchtdoelmitrailleurs alsmede de mitrailleur piketten op de weg was niemand in een weerbare positie. Daarnaast speelde het fenomeen van de centraal opgeborgen munitie, zoals spoedig zou blijken.

[305] Rond 0415 uur verschenen de eerste Duitse verkenningsvliegtuigen. Hierop werd zowel aan de zuidzijde van het Hollands Diep als bij Willemsdorp het vuur geopend. Het peloton luchtdoelmitrailleurs, dat op de smalle landtong west van de verkeersbrug stond opgesteld, had slechts drie werkende mitrailleurs. De vierde weigerde dienst. Desondanks bleven de drie Spandau’s betrouwbaar schieten. Van enig meetbaar resultaat was echter geen sprake. Spoedig zouden de bedieningsmanschappen zich moeten dekken voor venijn van Duitse jachttoestellen.

[100a] De eerste Duitse bommen op 19.Bt LuA bij Moerdijk maakten iedereen wakker die nog sliep. Officieren zagen verdwaasde Nederlandse soldaten in halve uniformen of nachtgewaad buiten de boerderijen en barakken daas staan kijken naar het spektakel. Vrijwel geen mens kwam op het idee dat aankleden en munitie halen het enige wijze besluit zou zijn.

kazematten Moerdijk

Reserve 1e F.N. luitenant Maas, commandant van 3e sectie 1-I-28RI, spoedde zich naar de barakken om zijn 3e sectie aldaar te verzamelen. Hij was nog niet gearriveerd of een Duitse bommenwerper dook op de barakken af en liet enkele 50 kg bommen vallen waarvan er twee voltreffers bleken [100a]. De eerste bom viel in de Kil, een tweede kwam terecht op de als barak dienstdoende garageloods van een sloperij, waarbij twee man gedood werden [31]. De derde kwam terecht op enkele huizen. De buiten staande manschappen stoven uit elkaar en maakten dat ze een goed heenkomen vonden. Een handvol militairen en enkele burgers raakten echter gewond door rondvliegende scherven en puin. Geluk was met de Nederlanders dat de munitieloods – niet meer dan een golfplaten huisje – slechts een ingedeukte zijmuur had. Desondanks werd het depot – zij het met grote moeite - open gekregen onder leiding van luitenant Maas, maar toen bleken de zwaar verzegelde kisten eveneens een aanzienlijke uitdaging. Het duurde tenminste een kwartier voor de eerste patronen konden worden uitgereikt [100a]. Voor de drie bij De Engel gekwartierde secties infanterie was de munitie echter niet binnen bereik. De munitie was nog niet uitgedeeld toen een zwaar gebrom een ieder omhoog deed kijken …

Inmiddels was de vloot met transporttoestellen aangekomen en sprongen de parachutisten op hoogtes van tussen de 100 en 150 meter uit de logge Ju-52’s. Vrijwel alle para’s kwamen terecht in de Engelse Polder tussen spoorbaan en de kazematten lijn langs de grienden. De paar piketten en handvol manschappen die munitie hadden begonnen vertwijfeld te schieten op de parachutisten, maar deze waren bliksemsnel aan de grond.

Willemsdorp

[100a] De bruggenhoofdcommandant en zijn dekkingsdetachementstaf hadden hun kwartier in hotel Waterloo. Zodoende waren de reserve 1e luitenants M.W.J. Maas, C.S. Hornsveld [beiden sectiecommandant van de twee secties I-41RI], J.F.C. Westerman [Det VED], C.J. Uriot [11MC] en de reserve Officier van Gezondheid 2e klas van der Houwen allen in de buurt van hun onderdelen. Kapitein Popelier was al vroeg gewekt door de geluiden van de overkomende vliegtuigen. In eerste instantie had hij besloten te observeren wat er gaande was, en ook voor hem was de waargenomen aanval op 19.Bt.LuA – zo rond 0430 uur – het teken dat de oorlog nu werkelijk was uitgebroken. Samen met de 1e luitenant Westerman [Detachement Vaartuigendienst], sprong hij op de fiets om naar het barakkenkamp te gaan, een afstand van ongeveer 350 meter. Tijdens deze rit vond de luchtaanval op de barakken plaats en even later arriverend ter plaatse kon de kapitein direct al zijn energie richten om overal ronddwalende en wegtrekkende manschappen te verzamelen. Bij het gebouw van de Politietroepen aangekomen beval hij de SMI van Almkerk [commandant van de Politietroepen] zich onverwijld naar zijn kazemat [Willemsdorp II] bij de verkeersbrug te begeven.

[100a] De kapitein kwam hierna in contact met de sectiecommandant Maas van 28RI. Hij verdeelde de aanwezige troepen [40-50 man met twee lichte mitrailleurs] tussen hemzelf en de luitenant Maas [nota bene: een van de sectiecommandanten van I-41RI heette ook Maas, W.M.J.]. De laatste nam de 28RI troepen onder zich, terwijl de kapitein het dekkingsdetachement onder de hoede nam, hoewel uiteindelijk de troepen toch redelijk door elkaar raakten. De intentie van beide officieren was om de spoordijk als verdedigingspunt te nemen, omdat van achter die dijk de vlakten van de Engelse, Boven- en Benedenpolder goed verdedigbaar zouden zijn. En in die polders waren de parachutisten neergelaten. Maar vóór de beide groepen manschappen de eerste meter van in totaal 500 meter overbrugd hadden, lagen zij al onder vuur van de opdringende parachutisten. Duitsers hadden reeds posities ingenomen achter de spoordijk en in de seinwachterpost. De Nederlanders bleven daardoor aan de westzijde van de betonweg liggen, en beantwoorden zo goed en kwaad als het ging het Duitse vuur. Het was inmiddels na 0500 uur.

De kapitein nam een twintigtal manschappen mee naar het westelijke tunneltje bij de verkeersweg en nam daar stelling. Dat viaduct lag vlakbij het barakkenkamp. Het viaduct bood weliswaar dekking tegen de telkens neerduikende Duitse jachtvliegers, maar anderzijds gaf het weinig zicht op de omgeving. Het contact met de opdringende vijand werd bovendien steeds intensiever, en de geluiden van de zware mitrailleur van de kazemat vlak bij de verkeersbrug duidde erop dat vijand ook via de zuidzijde van het Hollands Diep trachtte op te treden.

Drie secties van 1-I-28RI lagen in of vlakbij de landingszone van de parachutisten. De 2e sectie lag langs een weggetje bij Den Engel, circa 1 km noord van de bruggen, in haar kwartier. Het had aldaar enkele opstellingen met een aantal piramide kazematten. De sectie werd volledig overvallen door de Duitsers en gaf zich – zonder munitie voorhanden te hebben – direct over. De twee secties aan de andere zijde van de spoordijk, de 1e en 4e sectie, trof eenzelfde lot. Voordat hier de manschappen goed en wel gekleed en gereed waren, waren hun kwartieren omsingeld. Munitie had men ook hier niet voorhanden gehad. Zodoende was meer de helft van de gevechtskracht van het bruggenhoofd zonder slag of stoot gevangen genomen.

Duitse ontplooiing

De Duitsers – die bij de landing nauwelijks tegenstand van enige importantie ervoeren – hadden zich ondertussen snel van hun wapens voorzien en wisten zich spoedig te verspreiden in het terrein. 5./FJR1 had als hoofdtaak de verkeersbrug veilig te stellen, terwijl 6./FJR1 de spoorbrug als hoofddoel had. Het grootste deel van de 5e compagnie verplaatste zich in eerste instantie richting de spoordijk, terwijl een klein deel direct de zuidoostelijke dijk opzocht. Een ander deel, vermoedelijk niet veel meer dan een peloton [6/FJR1] wist onder meer de secties infanterie bij Den Engel te overmeesteren. [450] Uit de Duitse gevechtsberichten blijkt dat twee pelotons van 2./FJR1 [bedoeld om tussen Tweede Tol en Wieldrecht te landen] in de Braberspolder geland waren. Deze pelotons hebben vermoedelijk zich direct gericht op de kwartieren van I-17RA langs de rijksstraatweg. Zij namen de 1e batterij gevangen, en hadden vuurcontact met de afdelingsstaf en leden van de 2e batterij [171]. Overigens bleken eveneens twee pelotons van II./FJR1 veel noordelijker geland dan de bedoeling was, en dus in het gebied van I./FJR1 terecht te zijn gekomen [450].

Belangrijk was dat de 5e compagnie zich direct verplaatste naar de spoordijk. Zij kwamen daar spoedig in vuurcontact met de Nederlanders die bij de rijksweg een provisorische opstelling hadden gekozen. Het deel van de parachutisten dat de dijk was over geklommen [vermoedelijk een deel van 6./FJR1] werd echter veel sneller gevaarlijk. Zij bleven buiten zicht- en schootsveld van de Nederlandse verdedigers, en konden zo ongezien de rivierkazematten vlak bij de brug naderen. Deze bouwwerken hadden nadrukkelijk geen zicht- en schootsveld richting noorden en oosten. Het zou spoedig leiden tot overrompeling van de Nederlandse bolwerken.

De secties MC-I-28RI

[100a] De beide secties van de MC [1e en 3e sie] werden gecommandeerd door 1e luitenant M. Trouwborst [de 2e sectie was toegevoegd aan 2-I-28RI en lag in vak Wieldrecht oost]. De secties waren klein, slechts twee Vickers mitrailleurs per sectie en daarvan was er zelfs eentje, van de 1e sectie, voor onderhoud weg bij de MC. Een kapot vizierblad (!) was kennelijk reden genoeg geweest het wapen duurzaam te onttrekken aan de sterkte.  Zodoende hadden de twee secties slechts drie zware mitrailleurs ter beschikking.

De drie stukken waren verdeeld over drie piketten die dienden als verdediging tegen luchtlandingen op de weg. Het meest zuidelijke stuk [1e sectie] stond naast het gebouw van de Politietroepen opgesteld, front noord. Het tweede stuk op 500 meter ten zuiden van Tweede Tol bij een viaduct. Het derde stuk stond ver van het bruggenhoofd verwijderd, en wel tussen Tweede Tol en Amstelwijck in.

Luitenant Trouwborst zelf bevond zich bij het stuk ten zuiden van Tweede Tol toen de Duitse aanval een feit werd. Overijverig als de luitenant was verliet hij zijn middelste stuk na dit opdracht te hebben gegeven de luchtafweeraffuit op te zetten. Hij reed naar het zuiden en wilde aldaar hetzelfde verordonneren, maar zag van afstand al dat men daar terplekke al voor gekozen had. Nog even ijverig tufte de luitenant nu weer voorbij zijn middelste stuk op weg naar het noordelijke bij Amstelwijck, en ook daar was men al tot het inzicht gekomen het luchtdoelaffuit te gebruiken. De luitenant besloot daarop bij het stuk te Amstelwijck te blijven en dit zelf te gaan bedienen … We zien hem later terug.

Vaandrig A. Bakker was commandant van de 1e sectie die met haar enige Vickers bij de betonweg t.h.v. het viaduct stond opgesteld, schootsrichting Tweede Tol. Al spoedig was de open opgestelde mitrailleur met de manschappen eromheen doelwit voor de mitraillerende en bombarderende Duitse vliegtuigen. Hoewel de vijand afbreuk deed aan de mitrailleurgroep in stelling commandeerde de vaandrig het stuk op luchtdoelaffuit te plaatsen en de Duitsers te beantwoorden. De ongedekte opstelling was echter levensgevaarlijk. Nadat een man gedood was en enkele anderen gewond waren geraakt, staakte men het vuur en ging in dekking [31]. Tot het opnieuw bemannen van het stuk kwam het niet meer.

De kazematten

[100a, 190] SMI van Almkerk was door korporaal van Diendenhoven – telefoonwacht voor die nacht – al vroeg gewekt. Hij liet direct al het personeel wekken. Onderwijl vielen er bommen vlak naast het gebouw van de Politietroepen, zodat wekken niet meer nodig was. Buiten gekomen zag de SMI de op de fiets aankomende kapitein Popelier die hem sommeerde onmiddellijk de kazematten te bezetten [piketten waren al in de kazematten aanwezig]. Deze kazematten waren onderling verbonden met elkaar en met het telefoonkantoor in het gebouw van de Politietroepen. Van Almkerk commandeerde ook zijn andere manschappen hun posities in de kazemat aan het spoor in te nemen. Ze zouden de kazemat niet weten te bereiken zodat deze door slechts vijf man bezet bleef.

In de beide rivierkazematten Willemsdorp I en II – elk voorzien van een kanon van 5 en een zware mitrailleur M.08 – werd de bezetting gevormd door politietroepen voor bediening van de kanonnen en de springladingen, alsmede bedieningsmanschappen van de MC-3.GB voor de zware mitrailleurs. De beide kazematten stonden onder bevel van de Politietroepen, waarvan de sergeant-majoor instructeur A. van Almkerk de plaatselijk commandant was. Zelf had de SMI een positie in de kazemat Willemsdorp II bij de verkeersbrug.

In de dubbele rivierkazemat aan het spoor was slechts een bezetting van vijf man onder een korporaal [Kwak] van de Politietroepen aanwezig. Spoedig na hun aankomst waren de Duitsers al in de buurt. Bij de spoorbrug werden zij gehinderd in hun schootsveld door de aldaar aanwezige troepen van vooral I-41RI. Deze hadden met een kleine formatie vuurcontact met de Duitsers op de spoorbrug aan de zuidzijde. Deze manschappen zouden spoedig door de Duitsers die buitendijks zouden optrekken worden overvallen en uitgeschakeld. Daarbij zouden een aantal hunner sneuvelen. Kans om de slagsnoeren aan te brengen hadden de manschappen beslist niet. Zij lagen direct in het schootsveld van de gelande Duitsers.

De kazemat was vlak naast het spoor [westzijde dijk] gebouwd, met de schietgaten ongeveer een meter boven spoorhoogte. De schietgaten van de kazemat werden al snel door parachutisten onder vuur genomen nadat deze buitendijks aan de onderzijde van de kazemat waren geraakt. De Nederlandse troepen bij het barakkenkamp konden hen niet beschieten. Zodoende waren de parachutisten spoedig in staat gericht en van korte afstand de schietgaten onder vuur te nemen, zodat de kogels in de bedieningsruimte van mitrailleur en kanon kletterden. Machteloos hiertegen daalden de manschappen van de bediening af richting de ruimte op de begane grond. Toen de parachutisten tenslotte enkele handgranaten door de schietgaten naar binnen wisten te werpen, had dit dan ook geen gevolg voor de bediening. Dat had een andere gebeurtenis wel.

Bij Moerdijk was een sein- en wachthuis van de Nederlandse Spoorwegen aanwezig. Twee man personeel van de NS was betrokken bij bediening van de installatie, en zij woonden in personeelswoningen aan de baan, samen met hun gezinnen. De NS had goed gezorgd voor zijn personeel, en een schuilplaats laten aanleggen bij de woning van de seinwachter. Toen de aanval van de Duitsers begon, waren de beide gezinnen in de kelder gaan zitten. Toen de Duitsers bij de kelder aankwamen, werden de tijdelijke bewoners daarvan door hen naar buiten gesommeerd. Met enige verbazing zagen de Duitsers burgers uit de schuilplaats komen, maar daarvoor hadden zij ook wel een doel. Een zoon [van 16 jaar oud] van de heer Huisman [de zoon heette A. Huisman] werd door een onderofficier meegenomen naar de achterdeur van de rivierkazemat. Aldaar werd hem een wapen in de buik gezet en de instructie gegeven de Nederlandse bezetting te overreden zich over te geven. Die beantwoorde de jongen, die zij goed kenden, dat zij aan de Duitse sommatie zouden voldoen. Spoedig hierna trad de bemanning van de kazemat naar buiten met de handen in de lucht.

In de andere dubbele kazemat zou de bezetting zich aanmerkelijk manmoediger tonen. Voordat de sergeant-majoor van Almkerk in zijn kazemat was aangekomen had hij (volgens eigen zeggen) direct aan sergeant Schoonbeek opdracht gegeven om de slagsnoeren met de brugladingen te verbinden. De sergeant trok hierop met een assistent en de haspel naar de verkeersbrug toe, maar zijn missie moest hij spoedig opgeven wegens zware beschieting door Duitse parachutisten. Voorafgaande aan de poging van sergeant Schoonbeek was al een ploeg richting ladingen vertrokken om deze onderling te verbinden en slaghoedjes aan te brengen. Zij kwamen ook terug nadat zij door vuur van de Duitsers hun werk niet hadden kunnen verrichten. En daar stuit men op een kwestie die op punten slecht verklaarbaar is. Hoe kon het zijn dat men op de verkeersbrug al zo snel na de Duitse landing een ondoordringbaar Duits tegenvuur vanuit het zuiden ontving? Hieraan is een speciale bespreking elders in dit verslag gewijd.

De kazematten in de brugpijlers - ter hoogte van de strekdam (of pier) - waren door een piket van tenminste zeven man bezet. Deze bezetting kreeg te maken met Duitsers die vanaf de noordzijde kwamen. Leutnant Tietjen van 7./FJR1 en enkele manschappen zouden na een kort gevecht en het vermoedelijk doden van een der Nederlanders de rest gevangen nemen. Dat blijkt echter alleen uit een persoonlijk verslag van Tietjen zelf [474]. Nederlandse verslagen over dit gebeuren ontbreken volledig.

De gevechten rond het barakkenkamp

[100a] De Nederlanders hadden zich geconcentreerd op twee locaties langs de betonnen autoweg [de westelijke tunnel en de locatie naast het gebouw van de Politietroepen], en een klein groepje voornamelijk Vaartuigendienst troepen had zich bij het Hotel Waterloo gepositioneerd. De Duitsers die deze vuurpunten spoedig op waarde wisten te schatten, onderhielden vanuit het centrum langs de spoordijk bindend vuurcontact met de Nederlanders terwijl twee verbanden over de flanken optrokken. Een verband benaderde het barakkenkamp vanuit het noorden, en een ander via de oostelijke buitendijkse route. De Nederlanders werden zo ingesloten. Overigens, zonder dat zij dit doorhadden.

weerstand Willemsdorp

Voor het gevoel van de Nederlandse verdedigers hadden zij de Duitsers op een zeker moment aardig vastgepind langs de spoordijk, maar dat gevoel bleek spoedig onterecht. De eenheden die eerder noordelijk hadden opgetreden tegen de drie secties van 1-I-28RI en I-17RA hadden een rode autobus weten te bemachtigen. Deze bus (3) kwam opeens midden tijdens de strijd aangereden vanuit het noorden over de Nieuwe Straatweg, en bracht verwarring onder de Nederlanders.

(3) De herkomst van deze bus is nog onbekend. De kans is aanzienlijk dat in deze bus tenminste een tweetal Gruppen zat die per abuis in de sector van I./FJR1 waren gedropt. Volgens het verslag van I./FJR1 werd een klein verband van II./FJR1 in hun sector afgeworpen. De bus zal dus tussen Tweede Tol en Amstelwijck zijn 'gecharterd'. Overigens tegelijkertijd werden twee pelotons (!) van 2./FJR1 - I en II.Zug - ongeveer ter hoogte van Den Engel afgeworpen. Ook de bataljonscommandant (I./FJR.1] en een deel van zijn staf kwamen aldaar neer. Die kwamen dus ook beduidend zuiderlijker dan de bedoeling was geweest.

[100a] Vlakbij de tunnel gekomen, waar de groep onder kapitein Popelier in stelling lag, werd de bus doorzeefd door Nederlands vuur. Hierop stopte de bus. Een Nederlandse handgranaat werd in de bus gegooid en detoneerde. Volgens diverse verslagen van betrokkenen werd hierop uit de bus geschreeuwd ‘Hören Sie auf, wir ergeben uns’. Waarop enkele Duitse manschappen de bus uitkwamen, kruipend of anderszins. Onder hen twee Nederlandse krijgsgevangenen en de burgerchauffeur.

De bus stond op een hoogte, circa drie of vier meter boven het maaiveld, omdat de weg hier stijgend richting landhoofd liep. De Nederlanders konden dus niet in de bus kijken. Toen de beide groepen Nederlanders – die aan weerszijde van de bus zaten – de eerste mannen uit de bus lieten komen, sloegen enkele Duitsers een paar zijramen kapot en wierpen handgranaten. Deze granaten veroorzaakten vele gewonden aan Nederlandse zijde, waaronder de kapitein Popelier zelf. Alle verslagen zijn eenduidig in deze gebeurtenissen en daarmee staat wel min of meer vast dat op zijn minst bijzonder onsoldatesk werd gehandeld door de parachutisten in kwestie; deze hadden immers aangegeven zich over te geven en terwijl een deel hunner met de handen omhoog de bus verliet, vocht een restant door. Desondanks was het effect daar. Ongeveer een tiental Nederlanders raakte gewond, en de overlevende Duitsers renden over de weg richting viaduct.

Willemsdorp

Een andere Duitse aanvalsgroep die buitendijks genaderd was zette de andere zijde van het viaduct onder druk, en zodoende waren de Nederlanders ter plaatse omsingeld. Kapitein Popelier besloot daarop de weerstand ter plaatse op te geven.[100a]

Maar daarmee was de kous niet af. De parachutisten – die eerder al duidelijk hadden gemaakt zich weinig van het oorlogsrecht aan te trekken – traden de regels wederom met voeten. De enige niet gewonde officier in het gevangen genomen Nederlandse gezelschap [luitenant F. Maas] werd gedwongen om de manschappen van de vaartuigendienst tot overgave te sommeren. Deze laatste verzetshaard was ingericht in en nabij hotel Waterloo. In het hotel had men een mitrailleur opgesteld en naast het etablissement de andere Vickers. De Duitsers hadden veel hinder van dit vuur en dwongen daarom luitenant Maas van 28RI om voorop te gaan en deze Nederlanders te sommeren zich over te geven. Terwijl de luitenant onder bedreiging van een pistool met enkele parachutisten de dijk afdaalde richting Waterloo, werd hij in de buik getroffen door een Nederlandse kogel [een verwonding die hij overigens overleefde] [100a].

Willemsdorp

[100a]Toen stelden de Duitser drie Nederlandse militairen naast elkaar op, elk met een witte zakdoek in de hand. Achter deze drie trokken zij op richting Hotel Waterloo. Luitenant Westerman, die zijn manschappen persoonlijk aanvoerde, vond dit teveel worden. Hij gaf zich over samen met de bediening van de mitrailleur in het Hotel. De zes manschappen op de strekdam lieten hun wapen achter en verstopten zich. Ze zouden pas drie dagen later weer boven water komen, toen honger en dorst hen daartoe dreef [171]. Het verzet in Willemsdorp zelf was daarmee beëindigd. Slechts de rivierkazemat bij de verkeersbrug was nog bezet en streed nog met de Duitsers.

De kazemat aan de verkeersbrug

[190] Zoals bezien had SMI van Almkerk zijn kazemat bezet, en kon met het kanon en de mitrailleurs een werkzaam vuur op de verkeersbrug worden afgegeven. [458] Dat vuur trof het peloton van Leutnant Tietjen [7/FJR1], die trachtte met zijn manschappen de luiken te bereiken waar de springladingen zaten. Het peloton van Tietjen slaagde er door het vuur van de kazemat niet eenvoudig in deze te bereiken. Van de door van Almkerk gemelde zware verliezen onder deze eenheid was overigens geen sprake [32, 458]. Vermoedelijk werd door de bezetting van de kazemat een ieder die neerdook voor het vuur als slachtoffer daarvan aangezien.

[458, 474] Het KTB verslag van 7./FJR1 meldt dat Leutnant Tietjen samen met Oberjäger Michel en enkele manschappen waaronder een MG.34 bediening spoedig in staat was de pier te bereiken waar twee pijlerkazematten voor zware mitrailleurs bezet waren met piketten. Volgens het Duitse verslag werden de Nederlanders overrompeld, werd er eentje gedood en de rest [6 man en een sergeant] gevangen genomen. Dit kan heel goed mogelijk zijn. Het verwondert slechts dat pas na deze actie hem Nederlandse vuur tegemoet slaat [overigens ontbreekt aan Nederlandse zijde een verslag van deze gebeurtenis].

Men stuit daarmee op een curieuze zaak bij besturing van de bronnen. [7, 190] Voordat van Almerk zijn kazemat bereikt had, was sergeant Schone van de Politietroepen reeds in de kazemat aangekomen. Deze was naar boven gestormd en had direct een vuurbevel gegeven. Van Almkerk verklaarde dit zelf voor de enquete commissie. Daarmee verklaarde hij impliciet dat voordat sergeant Schone arriveerde - zo rond 0530 uur [dit kan iets later geweest zijn] - er géén vuur was afgegeven. En dat verklaart veel, zoals het feit dat Tietjen en zijn mannen de pier even ten noorden van het noordelijke landhoofd in no-time wisten te bereiken [190, 458].

Van Almerk stelt dat hij direct bij aankomst geconfronteerd werd met een vrachtwagen die op de zuidelijke oprit van de verkeersbrug verscheen en bij het oprijden van de brug promt door zijn zware mitrailleur werd uitgeschakeld. Even later volgde een luxe auto, waarin van Almkerk volgens eigen zeggen Duitse officieren zag zitten. De auto deelde het lot van de vrachtwagen. Met zijn kijker nam de SMI waar dat tenminste twee Duitsers door zijn vuur in de borst werden geraakt. Hij zei erbij dat dit op 900 meter was waar te nemen. Het komt auteur als erg kleurrijk over. De vraag is bovendien legitiem waar de Duitsers zo snel deze voertuigen vandaan gehaald hebben. Uit te sluiten is het zeker niet dat enkele voertuigen bij de wachtpost aan de zuidzijde aanwezig waren. Frappant is het wel. In ieder geval duidt de bloemlezing van de SMI erop dat de Duitsers onmiddellijk van de brug werden geschoten. Dat was niet waar [458] en bovendien was aan Duitse zijde slechts één officier betrokken. Die Duitsers meldden in hun volmaakt nuchtere KTB verslag, waarbij slachtoffers droog opgesomd worden, niets over auto's en vrachtwagens. Overigens meldt het Duitse verslag wél dat de Oberjäger Haller en Gefreiter Bollwerk beiden door vuur uit de kazemat vielen, ter hoogte van de pier. Oberjäger Seitz en Gefreiter Platen raakten beide gewond. Hierna wachtte men verscholen achter de stalen profielen van de brug de ontmoeting met 5./FJR1 af [458]. Leutnant Tietjen zou enkele uren later alsnog gewond raken door Nederlandse (artillerie)vuur van de overkant van de Kil [458, 474]. Dat was echter nadrukkelijk ná de overgave van het bruggenhoofd bij Willemsdorp door de Nederlanders.

[190] Ondertussen waren de Duitsers er wel in geslaagd de kazematten bij het spoor te bezetten. De dubbele rivierkazemat had zich heel spoedig over gegeven. De zuidelijker gelegen mitrailleurkazemat [Hollands Diep II], onder commando van korporaal Hageman, had de Schwartzlose op een affuit gezet en op het spoor geplaatst. Daarmee werd enige tijd vuur op de Duitsers gelegd die de spoorbrug vanuit het zuiden wilden optrekken. Deze mannen werden echter spoedig in de rug en flank aangevallen en gevangen genomen. De vuurpunten die de spoorbrug tegen oversteken beveiligden waren daarmee spoedig uitgeschakeld. Hierna was de spoorbrug vrij voor de Duitsers om te betreden. Een Nederlands vuurorgaan kon dit niet langer beletten. Manschappen van 6./FJR1 zouden spoedig op zoek gaan naar de ladingen op de brug.

weerstanden brug

Van Almkerk nam duidelijk Duitse parachutisten [dat moet zijn geweest de Gruppe Gajewski van de 2e Zug 7./FJR1] waar op de spoorbrug. Men kon die slechts de eerste 500 meter vanaf het zuidelijke bruggenhoofd beschieten, omdat slechts de uiterste zuidpunt van de spoorbrug binnen het schootsveld lag. Kort daarna werd aan de eigen poort gerammeld. Duitsers waren erin geslaagd om langs het water aan de achterzijde van de kazemat te komen, en schreeuwden dat ze de overgave eisten [190]. Daarop belde SMI van Almkerk met de telefoonpost in zijn gebouw in de hoop aldaar met de infanterie contact te kunnen krijgen. Hij kreeg 1e luitenant F.N. Maas aan de lijn, die vlakbij aan de weg posities had ingenomen. De SMI meldde de oprukkende Duitsers op de spoorbrug en het feit dat zijn eigen kazemat door Duitsers van dichtbij werd beschoten en ontzet diende te worden [100, 190]. Luitenant Maas meldde hem dat hij zou kijken wat hij kon doen, maar dat met de huidige stand van zaken het hem aan troepen ontbrak. Maas stuurde hierop een sergeant naar de secties bij Den Engel om hen om versterking te verzoeken. Uiteraard bleef de sergeant weg, en na enige tijd meldde de luitenant aan de SMI dat er van ontzet geen sprake kon zijn. Spoedig daarna was het pleit bij de luitenant zelf beslecht …

De parachutisten staken enkele nevelgranaten af die het beeld uit de kazemat enige tijd ontnamen. De inventieve politietroepen ontstaken daarop het kleine zoeklicht bij het kanon, en vuurden op vaste vuurcoördinaten gewoon door met de mitrailleur.

[7, 190] Aan de buitenzijde werden de Duitsers toen woest. Men sommeerde de overgave opnieuw en dreigde de kazemat op te blazen. Dat was een angstbeeld voor de mannen aan de binnenzijde, want voor de weerkracht van de kazemat had men geen angst, wel voor de wetenschap dat in de kelder meer dan een ton aan reserve explosieven waren opgeslagen voor brugvernieling. Als die door een schokgolf zouden worden getroffen zouden ze geen schijn van kans hebben. Desondanks besloot SMI van Almkerk door te vechten. Hierop lieten de Duitsers rook binnentrekken via de ventilatiebuizen in de kazemat, die zij van buiten konden bereiken. De bezetting bediende zich van de gasmaskers om deze uitdaging te overwinnen.

Nadat de Duitsers constateerden dat de bezetting zich alsnog niet wilde overgeven, blies men de stalen toegangsdeur op. Nadat deze uit de sponningen was geblazen werden enkele handgranaten naar binnen gegooid. Dit was het punt waarop de sergeant-majoor besloot dat het voldoende was geweest. Hij schreeuwde de Duitsers toe dat de bezetting zich overgaf, en men voegde de daad bij het woord.

Uit respect voor zijn weerstand mocht de sergeant-majoor zijn klewang behouden. Een merkwaardig contrast van hoffelijkheid in het licht van de vele oneigenlijke krijgsgebruiken die de parachutisten even daarvoor hadden gebezigd. De opluchting van het bereiken van hun doelen zal debet zijn geweest aan hun gebaar. Het trof in ieder geval een bevelhebber die het gebaar verdiende. Overigens waren het vrijwel zeker andere parachutisten die de kazemat hadden belegd dan die bij de barakken en het viaduct enige misdragingen hadden vertoond.

I-17RA

[141] Noordelijk tegen het bruggenhoofd aanleunend stonden twee batterijen van 17RA in stelling, die tegenover het linkerfront van Bruggenhoofd Moerdijk ondersteunend vuur moesten kunnen uitbrengen. De afdeling was uitgerust met acht stukken 7-veld geschut. Een en ander stond onder bevel van de Artillerie Groep Prinsenheuvel, dat op zijn beurt weer onder Gr.AC van Groep Kil viel [voor details - zie beschrijving onder Vak Wieldrecht op 10 mei].

De beide batterijen lagen achter de Nieuwe Beerdijk, die de noordelijke afsluiting van de Engelse Polder vormde. Zodoende lagen beide batterijen precies aan de rand van het Duitse landingsterrein. De beide batterijen waren slechts voorzien van een afdelingswacht van 10 man, inclusief een officier en onderofficier. De overige manschappen bevonden zich in de kwartieren bij Beerwijk en omgeving Rustenburg.

Bij de gevechten met de parachutisten die in de Engelse Polder geland waren werd de afdelingswacht spoedig gevangen genomen. Het grootste deel der batterijmanschappen kwam echter in aanraking met de Duitsers van I/FJR1 die rond Tweede Tol landen zouden. Slechts de afdelingswacht en piketten bij de Nieuwe Beerdijk kwamen met de manschappen van II/FJR1 in aanraking.

Biesbosch

[6, 150] Bij de Groep Merwede – een equivalent van de Groepen Kil en Spui in de omgeving van Leerdam-Gorinchem – zat een detachement dat specifiek bedoeld was voor de beveiliging van de Biesbosch. Dit detachement werd gevormd uit de 3e Compagnie Torpedisten. Een ander detachement uit die compagnie zorgde voor grondmijn versperringen van de Merwede. De compagnie viel onder Vak Sleeuwijk. Feitelijk had zij haar rol echter ook deels aan het zuidfront Vesting Holland. Bij Keizersveer zullen we meer troepen van deze Groep tegenkomen.

[150] De 3e Comp.Torp. had twee detachementen voor grondmijnversperringen [Merwede bij Steurgat en bij Fort Vuren]. Beiden werden in de loop van de 10de mei gelegd. Het detachement dat bedoeld was voor beveiliging van de Biesbosch had de beschikking over maar liefst 26 vaartuigen [logiesvaartuig, een sleepboot, vier motorboten en 20 motor aangedreven vletjes] en niet minder dan 18 Vickers mitrailleurs voor de bewapening van deze vaartuigen. Het detachement was echter niet in de Biesbosch of bij Moerdijk gelegerd, maar legerde in Werkendam in barakken. Zodoende was men tijdens de landing van de Duitse parachutisten niet ter plaatse, te meer daar in het geheel geen piketdiensten in het gebied werden gedraaid.

Gedurende de dag werden nog wel enkele patrouilles verricht in de Biesbos, voornamelijk per auto. Langs de noordzijde van de Biesbosch parallel aan de Merwede liep een voor auto’s begaanbare weg. Enkele paden waren ook begaanbaar die zuidelijke delen van de Biesbosch voor auto’s ontsloten. Men constateerde geen vijandelijke aanwezigheid. [6, 150]

De eenheid werd als varend verband niet ingezet. De machinegeweren werden als infanteriewapens ingedeeld en het detachement [ca. 150 man inclusief 5 (aspirant) officieren] werd in de loop van de 10de mei op bevel van Commandant Oostfront Vesting Holland [generaal-majoor J.H. Fruyt van Hertog] opgedeeld [6], waarbij meer dan de helft van hen naar Dordrecht werd gestuurd. Het betrof een detachement van de stafgroep en twee secties: 2 officieren, 3 vaandrigs en 80 minderen. Te Dordrecht komen we dit detachement later nog tegen. Hun rol op de 10de mei geeft geen aanleiding er thans nader op in te gaan.

Duitse progressie volgens de bronnen

In de officiële geschriften, zoals het Stafwerk en de verslagen van de Politietroepen [met name die van SMI van Almkerk zelf], spreekt men stellig van de zeer snelle vermeestering van de verkeersbrug door troepen die vanaf Moerdijk waren gekomen. Het wordt opgevoerd als de reden waarom de slagsnoeren niet konden worden aangebracht. Uit de chronologie van het verslag van Van Almkerk en het Stafwerk zou e.e.a. al heel spoedig na de landing leiden tot onmogelijkheid de kasten op de brug te bereiken. Dat zal zo zijn, maar dat zet enkele zaken dan in een curieus perspectief.

Allereerst wordt door de officiële bronnen telkens gesteld dat er in de rivierkazematten rond de klok bezetting of piketten aanwezig waren [1, 190]. Als dit daadwerkelijk zo was [en dat was zo volgens de verslagen van de Politietroepen], dan is het in feite ondenkbaar dat de Zug van Leutnant Tietjen [7/FJR1] succesvol tot vlakbij de noordzijde van de verkeersbrug terecht kwam. Toch melden de bronnen dat het Duitsers waren die van de zuidzijde kwamen die het de Politietroepen onmogelijk maakten de slagsnoeren aan te brengen.

SMI van Almkerk bezette de kazemat aan de verkeersbrug spoedig na de aanval van de Duitse bommenwerper. Zijn vertrek uit het barakkenkamp was voordat de parachutisten aan hun landing waren begonnen in de Engelse Polder [7, 100a, 190]. Dat hij de kazemat pas bereikte nadat de landing was ingezet, lijkt aannemelijk. Desondanks zullen deze parachutisten, die zeker tien minuten nodig hebben gehad zich van hun parachute te ontdoen en de wapens te verzamelen, nooit de bedreiging hebben kunnen vormen die sergeant Schoonbeek noopte zijn missie met de slagsnoeren te onderbreken. Althans, niet als het juiste tijdbeeld door van Almkerk is geschapen.

Dan blijft de mogelijkheid open dat de parachutisten ten zuiden van de brug vroeger geland zijn dan die ten noorden van het Hollands Diep. Dat strookt echter niet met alle verslagen die een vrijwel simultane melding van landingen noord- en zuid van de bruggen melden, allen om 0500 uur [100a, 458]. Daar kan echter tegenin worden gebracht dat de positiecommandant van het zuidelijke bruggenhoofd, de kapitein Marijnen, inderdaad melding maakte van landende parachutisten in het noorden terwijl die in het zuiden net geland waren. Dat is een mogelijke indicatie van een klein tijdsverschil tussen beide landingen. Het is echter aannemelijker dat Marijnen de laatste fase van de landing waarnam, want simultane landing was voor de Duitsers van groot belang [464].

Een andere mogelijkheid. De parachutisten van 7/FJR1 die vlakbij het noordelijk landhoofd van de bruggen geland waren en vrijwel bovenop de beide pelotons luchtafweer, hadden slechts af te rekenen met enkele wachtposten [3 man per brug] bij de bruggen en de twee pelotons Spandau mitrailleurs. Wellicht zelfs heeft men het overrompelen van die beide pelotons aan een zeer kleine groep overgelaten. De twee aangewezen taakgerichte eenheden [Tietjen en Lehmann] zijn dan direct - in elk geval met enkele Gruppen - richting de bruggen gegaan, hebben de wachtposten overmeesterd, en zijn voorwaarts gegaan. Mogelijk inderdaad deels met behulp van voertuigen. Van werkelijke parate piketten op de bruggen en in de rivierkazematten zal niet of nauwelijks sprake zijn geweest, en zodoende wist het peloton onder Leutnant Tietjen binnen de kortste keren de bijna 1,500 meter lange verkeersbrug over te steken, om reeds rond 0515 -0530 uur veilig aan de overkant te zijn gekomen. Is deze theorie echter wel houdbaar?

Volgens de KTB van 7./FJR1 zeker [458]. Die beschrijven het als zodanig [zie ook verslag Moerdijk]. Markant is dat zij vooral beschrijven dat bij het voorwaarts gaan op de verkeersbrug eerst pas vuur wordt ontvangen van de verkeersbrugkazemat nadat men de pier op tweederde van de brug heeft veiliggesteld. Ook het bataljonsverslag meldt de enorm snelle progressie van de groep Tietjen [464]. Overigens spreken de Duitse verslagen slechts over het bereiken van de ladingen, niet het bereiken van de overzijde.

Moerdijkbruggen

Verwonderlijk is en blijft het dat de verkeersbrug kazemat dit alles totaal niet zou hebben kunnen voorkomen. De zware mitrailleur bijvoorbeeld kon de verkeersbrug volkomen afsluiten met haar vuur [door de positie van de kazemat recht tegenover de knik in de brug kon bijna de gehele lengte worden gedekt - zie ook de luchtfoto voor de opstelling van de kazemat in lijn met de brug]. Bovendien waren er nog de beide wachtschepen met M.18 mitrailleur die in elk geval een eenvoudige oversteek over de open bruggen konden pareren en niet te vergeten kazemat Hollands Diep I die de brug effectief kon bestrijken [hoewel uit het verslag van de VED lijkt te spreken dat de wachtschepen nog voor de parachutistenlanding vertrokken waren. Het wordt echter niet duidelijk zo gesteld]. Met andere woorden: áls het verhaal van Van Almkerk klopt en de kazematbezetting werd door de zuidelijk gelande parachutisten gedwongen de missie tot aansluiting van de slagsnoeren te onderbreken dan hebben de volgende gebeurtenissen zich voor gedaan:

- De Duitsers waren al rond 0515 uur voor een belangrijk deel vanuit het zuiden over de verkeersbrug gevorderd.
- De piketten op de pier [c.q. in de brugpijler] waren wel aanwezig maar niet paraat
- De wachtschepen in het Hollands Diep hebben geen vuur kunnen uitbrengen op de bruggen [wat niet onlogisch is] of waren reeds weg
- De kazemat Hollands Diep I was of onvoldoende paraat of de bezetting heeft geen vijand waargenomen. 
- De piketten in kazemat Willemsdorp II hebben om een of andere andere reden niet gevuurd.

Dat zijn nogal wat gebeurtenissen c.q. voorwaarden. Als men bedenkt dat een bepakte militair niet veel harder dan een kilometer of zeven, acht per uur rent, zeker als hij vijand te duchten heeft, dan heeft de Gruppe Tietjen zeker tien minuten gedaan om de brug grotendeels over te steken. Als we weten dat er zeker niet voor 0455 uur geland is ten zuiden van het Hollands Diep, en men wapens moest verzamelen uit de containers, lokale weerstand moest overwinnen én de brug oversteken, dan is de kans gering dat er om 0515 uur Duitse parachutisten vanuit het zuiden op zo korte afstand van de noordelijke landhoofden verschenen. Het is wel mogelijk dat zij vanuit het zuidelijk landhoofd afsluitend vuur konden afgeven, maar waarom werd dat niet vanuit de kazemat bestreden?

De eerste drie voorwaarden worden min of meer door het Duitse KTB bevestigd [458, 464]. De beide Gruppen die de brugladingen tot doel hadden gingen zonder veel omhaal de bruggen op, waarbij de eenheid van Leutnant Tietjen belangrijk eerder dan die van Leutnant Lehmann [spoorbrug] noordwaarts trok. Het gedetailleerde KTB maakt geen enkel gewag van vuur van schepen, wachtposten of de verkeersbrugkazemat (4). Snel overwon men de Nederlandse posten op de pier, en pas daarna ontving men vuur van de rivierkazemat. De voorwaarden die betrekking hebben op de bezetting en activiteiten van de beide rivierkazematten kunnen echter niet eenvoudig worden beantwoord.

(4) Het verslag van de reserve 1e luitenant Westerman [VED Hollands Diep] geeft aan dat de wachtschepen vertrokken toen zij door vliegtuigen werden aangevallen. Een tijd wordt daarbij niet gegeven, maar men mag vermoedelijk aannemen dat dit voor de landing of kort daarna was, hoewel de luchtaanvallen nog tot na de paralanding doorgingen. De schepen waren dan dus mogelijk ten tijde van overschrijding van de brug niet meer op hun posities naast de brug. De piketten op de strekdam - zes man met één M.18 - hebben vrijwel zeker niet gevuurd. Zij hebben zich schuil gehouden en zich pas op 12 mei overgegeven. Zij waren aan de Duitsers dus onbekend gebleven. Dat gold niet voor enkele manschappen die in de pijlerkazemat zaten. Het verslag van Leutnant Tietjen meldt zelfs dat één hunner werd gedood [474]. Zouden de piketten gevuurd hebben dan waren zij vrijwel zeker allen gevangengenomen (of erger).

Zeker is dat de officiële Nederlandse verhaallijn niet past bij de feitelijke gebeurtenissen c.q. de reconstructie daarvan. Er zijn teveel zaken die onverklaarbaar zijn en blijven om de officiële geschiedschrijving van het Stafwerk te blijven volgen. Met name ten aanzien van de door SMI Van Almkerk gesuggereerde prestaties van zijn kazematbezetting. Die lijken hoogst onzeker, om het begrip 'overdreven' niet direct te gebruiken.

Concluderend

Volgens auteur dezes zijn de parachutisten die in de Engelse Polder geland waren niet eerder dan rond 0515 uur [vermoedelijk zelf aanzienlijk later] in staat geweest werkelijk vuur uit te brengen op het landhoofd van de verkeersbrug. Om dat te kunnen doen hadden zij immers eerst de spoordijk moeten bereiken of buitendijks onder de spoorbrug moeten komen en uit de beschreven gebeurtenissen is duidelijk dat dit haast niet om 0515 uur aan de orde kan zijn geweest.

Sergeant Schoonbeek – plaatsvervangend commandant van de Politietroepen in het bruggenhoofd – kreeg volgens het verslag van Van Almskerk van de SMI opdracht de slagsnoeren aan te brengen toen men zich gereed maakte naar de kazematten te trekken. Dat moment is niet goed in tijd te plaatsen. Het kan onmogelijk al voor 0500 uur zijn geweest, zoals Van Almkerk omstandig suggereert en zoals uit het verslag van kapitein Popelier zou spreken, maar zal beduidend later zijn geweest. Want anders wordt het helemaal onverklaarbaar dat de brugkazemat zo laat het vuur opende op de Gruppe Tietjen.

Dat Van Almkerk bij zijn kazemat kon komen is verklaarbaar uit het feit dat de kazemat aan de westzijde van de (aldaar) verhoogde weg lag en men dus in gedekte positie tot daar kon geraken. Het feit dat Van Almkerk zijn kazemat nog bereikte zegt weinig over het tijdstip waarop dit geschiedde.

Sergeant Schoonbeek was volgens zijn zeggen echter niet in staat de brug te bereiken. Zijn verklaring aan de SMI daarvoor was dat vuur van Duitsers op de brug hem dit belette. Duitsers die blijkbaar wél door Schoonbeek, maar niet door de kazematbemanning werden waargenomen [of waarop men geen vuur uitbracht]. Een vooruit gesneld groepje Politietroepen was wel tot aan de ladingen gekomen, maar eveneens teruggekeerd wegens Duits vuur [190].

Als er Duitse machinegeweren waren opgesteld aan het begin van de brug [zuidzijde], dan kan het zo zijn dat de brug - althans het ondermijnde deel - onder een dicht vuur lag [het ondermijnde deel bevond zich zuid van de knik]. Dat dit dan als een ‘bezette brug’ werd aangeduid is enigszins eufemistisch. Het is dan tegelijkertijd merkwaardig dat deze mitrailleurs en hun bediening niet door de kazematbemanning zelf werden bestreden. Maar vrijwel zeker was er werkelijk sprake van al door de Gruppe Tietjen bezette brug, tot aan de sectie waar de ladingen verborgen zaten.

Alle ondervraagde Politietroepen [SMI Van Almkerk, korporaals Bouman, Kwak, Boukus, Dorsman] beweren dat de slagsnoeren niet meer konden worden aangebracht omdat de brug al was bezet voordat tot aansluiting kon worden overgegaan. Overigens geldt voor korporaal Kwak dat deze in Willemsdorp I zat.

Van Almkerk zegt letterlijk in zijn verslag voor de enquetecommissie [7, vraag 10862]: 'Inmiddels was de sergeant Schone op zijn doel afgegaan [de kazemat Willemsdorp II], die was er nog vóór mij, en die had direct bevel gegeven vuur uit te brengen op de brug.' Een prikkelende stelling, want de SMI impliceerde met deze bijdrage dat vóór dat de sergeant arriveerde de vijf man in de kazemat kennelijk géén vuur hadden (mogen) af(ge)geven! En aangezien Schone vrijwel zeker niet voor 0500 [vermoedelijk zelfs beduidend later] arriveerde, waren de pogingen van de collegae om de ladingen te bereiken dus geschied zonder enige vuurdekking van de kazemat! Dat verklaart veel, en verklaart ook de volkomen identieke verklaringen van een sergeant-majoor en vijf korporaals in de zes krijgsverslagen over het gebeuren. Men zei het niet met zoveel woorden, maar de kazematten - ook die bij het spoor - hebben geen vuurstoot afgegeven voordat het hoger kader daartoe opdracht gaf! En toen hadden de Duitsers zich dus al aan de zuidzijde op de bruggen kunnen begeven.

In feite zijn er dus enkele mogelijkheden die als aannemelijk overblijven.

1) De kans is zeer groot dat Schoonbeek pas relatief laat, zo rond 0515-0530 uur, probeerde de slagsnoeren aan te sluiten. Op dat moment was er zowel een Duitse bezetting van de zuidelijke brugzijden aan de orde alsmede mogelijk een Duitse aanwezigheid op de spoordijk ten oosten van de verkeersbrug. Zijn bewering dat de toegang tot de brug op dat moment bezwaarlijk betreden kon worden is dan aannemelijk. Het is sowieso aannemelijk vanuit de Duitse verslagen!

Als dit aan de orde was dan rijst de vraag waarom er zo lang gedraald is met het aansluiten van de snoeren. Opvallend is dat alle ondervraagde korporaals van de Politietroepen eensluidend stellen dat er voor aansluiting van de slagsnoeren geen mogelijkheid meer bestond omdat de brug al bezet was. Dat was zeker niet het geval toen Schoonbeek zijn opdracht volgens Van Almkerk ontving. En de slagsnoeren lagen in de kazemat en waren als zodanig snel voor handen.

2) Het is vrijwel zeker dat de kazematpiketten of opdracht hadden niet te vuren tot bevel van hogerhand was gegeven of te onzeker waren om zelf het vuur te openen. Kennelijk was de onmiskenbare oorlogstoestand voor hen niet overtuigend genoeg voor eigen initiatief. Zij gaven dus geen dekking aan de manschappen die trachten de ladingen te bereiken, hetgeen verklaart waarom de Duitsers aan de zuidzijde een vuurbasis konden ontwikkelen. Ook beschoten zij de Duitsers niet die van de zuidelijke zijde aankwamen en die duidelijk zichtbaar moeten zijn geweest.

3) Het is ook mogelijk dat Schoonbeek zijn missie als een zelfmoordmissie ervoer en bij geringe beschieting er de brui aan gaf. Ofwel, dat de sergeant weinig doortastend te werk is gegaan. Dat lijkt echter minder voor de hand te liggen. Ook een andere groep keerde immers terug, terwijl die wel effectief op de brug geraakten voordat ze door Duitse vuur teruggedrongen werden.

Zeker is dat sergeant Schoonbeek zich niet óp de brug heeft begeven. Hij is spoedig teruggekeerd en heeft zich nog terug naar het barakkenkamp begeven alwaar hij samen met de anderen uiteindelijk gevangen werd genomen.

Overigens is het sterk de vraag of men bij een vroegere inzet wél in staat was geweest de snoeren tijdig en relatief onbelemmerd aan te sluiten. Het aansluiten van die snoeren was vrijwel zeker nog een tijdrovende aangelegenheid. Volgens gegevens van Van Almkerk [7] stond er per brugboog een uur voor het doorverbinden van de ladingen.

Kwaliteit van de verdediging

Ook deze locatie werd getroffen door het buitengewoon onfortuinlijke besluit van de C-VH ten aanzien van beperkte alarmering, alsmede natuurlijk zijn minstens zo onfortuinlijke besluit munitie centraal achter slot en grendel op te sluiten bij een leger dat functioneerde onder de Staat van Beleg.

Het bruggenhoofd zelf was natuurlijk uiterst ongelukkig ingericht voor verdediging tegen een binnenwaarts gelande vijand – ofwel een vijand binnen het dispositief. Dat was een zaak die de planners van Groep Kil in enige mate verwijtbaar was. Want er was wel degelijk een besef dat beperkte lokale vijandelijke parachutistenacties tot de mogelijkheden behoorden. Er was echter op geen enkele wijze rekening mee gehouden in de wijze waarop piketten waren opgesteld.

De bruggenhoofdcommandant was wederom een officier die gekozen leek op basis van pure willekeur. Zijn leidinggevende kwaliteiten – als ze al aanwezig waren – werden op geen enkel moment getoond. Zijn tactische kwaliteiten bleken minimaal.

De opstelling die de verzamelde (circa) 70 tot 80 man troepen uiteindelijk kozen langs de betonweg, was er eentje die niet veel had te maken met een tactisch verstandige verdediging, maar meer met een ‘schuilen onder verweer’. Het tunneltje was een geschikte schuilplaats tegen de stekende Duitse jachtvliegtuigen, maar bood geen enkele kans op een zinvolle verdediging. Men had nauwelijks zicht op de omgeving, te meer daar de verhoogde weg en de brug ieder omgevingszicht ontnamen. Kapitein Popelier en luitenant Maas, beiden aan het hoofd van een verband, stelden zich niet op in een egelformatie, maar bezetten slechts twee geïsoleerde posities [tunnel en positie bij gebouw Politietroepen] waarbij zij slechts zicht hadden op de frontaal opererende tegenstander. Zij konden noordelijk de zaak niet overzien, en al helemaal niet wat buitendijks gaande was. De nadering van Duitse parachutisten buitendijks, die uiteindelijk zowel de kazemat van Van Almkerk als de verzethaard bij het barakkenkamp de das om deed, was wel in eerste aanleg waargenomen. Luitenant Maas zag zelf dat de Duitsers de kazematten hadden veroverd en aan de oostzijde van de dijk bleven [100a]. Daaruit had hij kunnen concluderen dat zij zuidelijk om zouden trekken. Wellicht ging hij er echter vanuit dat ook kapitein Popelier een en ander had gezien en maatregelen had  getroffen. Dat was niet zo. Popelier bleef volmaakt passief aan het hoofd van zijn verband, en ontwikkelde geen enkel initiatief tot het organiseren van een vorm van een egelstelling en zond ook geen verband naar het oostelijke tunneltje dat de weg langs het water zou hebben afgesloten. De Duitsers hadden daardoor vrij spel aan de waterzijde van het bruggenhoofd. Het was voor hen tenslotte een koud kunstje de Nederlanders te omsingelen, zeker nadat de bus voor de nodige verwarring had gezorgd.

Het is vrijwel zeker dat de kazematbezettingen [piketten] geen schot hebben gelost voordat hiertoe expliciet het bevel kwam. Voor de spoorkazemat staat dit vast, en voor de verkeerswegkazemat kan dit worden geconcludeerd uit het verslag van de SMI Van Almkerk [190] [zie ook de voorgaande uitgebreide beschouwing] en het Duitse KTB [458, 464]. Het verklaart waarom de Politietroepen niet bij de ladingen in de brug konden geraken wegens Duits vuur van de zuidzijde.

Curieus is natuurlijk de kwestie van de slagsnoeren. Hoewel het achteraf uiterst ongelukkig was dat deze niet aangesloten waren, is al betoogd dat de reden hiervoor verdedigbaar was. De angst voor een premature vernieling van de bruggen was niet zonder grond. Indien de Nederlanders erin geslaagd zouden zijn de bruggen op te blazen op 10 mei, dan was een uiterst ambivalente situatie ontstaan. In eerste instantie zou men in Den Haag een dergelijke vernieling beslist niet zomaar hebben toegejuicht. Men had op dat moment nog alle hoop op de Fransen gevestigd. De gebeurtenissen die zouden volgen zouden pas in de late avond van 12 mei leiden tot een wijzigend inzicht op het AHK. Pas toen men zich bewust werd van de aankomst van een Duitse pantserdivisie, verordonneerde men de vernietiging van de Moerdijkbruggen. Tot dat moment was slechts herovering en herbezetting van een intacte brug de inzet geweest.

Daarnaast had een vernietiging van de bruggen een ander gevolg gehad dat niet zou zijn voorzien. Althans, dat is aannemelijk. Het zou namelijk de Duitse plannen aanmerkelijk verstoord hebben. De prominente zuidelijke penetratie van de Vesting Holland, die op de rol stond, zou immers dan niet meer uitvoerbaar zijn geweest. Een oversteek van de brede wateren zou men vrijwel zeker niet geambieerd hebben. Het gevolg zou daarom vermoedelijk geweest zijn dat het X.AK aan het centrale front veel prominenter zou zijn gesteund door de Luftwaffe, en wellicht ook nog landmacht versterking zou hebben gekregen. Mogelijk ook zouden de Duitsers over de Bergsche Maas een oversteek poging hebben gedaan, wat hen dan vervolgens bij de Waal wederom tot een oversteek had gedwongen. Op zich is een dergelijk hypothese koffiedik kijken, maar zeker is dat de Duitse plannen aangepast zouden zijn.

Men kan slechts concluderen dat het niet opblazen van de Moerdijkbruggen op het grote plaatje vermoedelijk niet heel veel uitgemaakt heeft. Dat heeft het wél voor de verdere strijd op het zuidfront. Het opblazen van de Moerdijkbruggen zou immers de gehele luchtlandingsoperatie hebben gefailleerd. Hoe dat op het moraal en de tactische strijdplannen van Student en zijn militairen zou hebben uitgewerkt blijft slechts gissen.

Slachtoffers

[31, 32] Slachtoffers vielen er aan beide zijden, zij het niet in de getallen die men bij de verslagen zou verwachten. Daarin wordt vrij stelselmatig van zware verliezen gesproken. Een eufemisme dat door sommigen auteurs van terzake beschrijvende boeken gretig werd overgenomen. Zware verliezen waren er niet, aan geen van beide kanten, hoewel men over dit soort begrippen altijd met een zekere subjectiviteit rekening dient te houden. Het bataljonsrapport van II./FJR1 sprak over de gehele inzetperiode van 10-14 mei over 60 slachtoffers aan doden en gewonden.

Overigens raakte de bataljonscommandant Hauptmann Prager door een schot door beide benen gewond tijdens de landing. Zoals bekend zou hij die verwonding overleven, maar enkele maanden later aan kanker overlijden.

Men kan vaststellen dat de parachutisten een aantal maal het oorlogsrecht opvallend schonden. Eenmaal gebruikte men een burger om militairen tot overgave te dwingen, en zowel bij de spoordijk als bij de betonbrug gebruikte men Nederlandse krijgsgevangenen als levende dekking. Of hierbij dodelijke slachtoffers vielen bij Willemsdorp is niet bekend.

De Duitsers verloren 12 man, waarvan er 10 van de 5e compagnie waren die de hoofdaanval op Willemsdorp leidden. Het is bovendien mogelijk dat enkele slachtoffers later op de dag vielen in de gevechten die II/FJR1 had met o.a. 2-I-28RI oostelijk van de landingsplaatsen of dat er slachtoffers vielen in een ander gebied [men herinnere zich de beide 'mis-drops']. In onderstaande grafiek zijn de gesneuvelden benoemd die aan Duitse kant aan de strijd rond Willemsdorp werden toegeschreven:

Naam Rang Onderdeel
Balensiefer, J. Obergefreiter 5/FJR1
Brodrecht, E Jäger 5/FJR1
Büchel, E Oberjäger (=Uffz) 5/FJR1
Clerk, H Oberjäger 6/FJR1
Ehrhardt, O Jäger 5/FJR1
Fugmann, H Feldwebel 5/FJR1
Knuhr, H Gefreiter 5/FJR1
Lagodzki, F Gefreiter 5/FJR1
Palloks, B Jäger 5/FJR1
Sohr, H Feldwebel 5/FJR1
Stadelmann, J Oberjäger 5/FJR1
Wirth, G Obergefreiter 6/FJR1


De Nederlanders verloren 20 man door de strijd bij Willemsdorp, en verder verloren nog 4 man van elders die dag hun leven als Duits krijgsgevangene in en bij het barakkenkamp door beschieting door de Nederlandse artillerie. De gesneuvelden van I-17RA zijn niet meegerekend. Zij komen bij vak Wieldrecht aan de orde. De gesneuvelden bij Willemsdorp wegens de strijd om de bruggen staan in onderstaande grafiek:

Naam Rang Onderdeel Bijzonderheden
Buitendijk, J.H. Sld St 1-I-28RI kazemat aan spoor bij Den Engel
Eeltink, G.J. Dpl sgt MC-I-28RI t.h.v. geb Politietroepen (flankaanval)
Huijgen, P. Sld MC-I-28RI bij tunnel verkeersweg (jagerbeschieting)
Leeuwen, W. van Sld MC-I-28RI tunnel verkeersweg
Nieuwerf, J Sld MC-I-28RI tunnel verkeersweg
Putten, P.J. van Sld MC-I-28RI bij tunnel verkeersweg (jagerbeschieting)
Mazenier, A.A. Sld 1-I-28RI tunnel verkeersweg
Zon, C.J.P. van der Sld 1-I-28RI nabij tunnel verkeersweg
Doevendans, J.J. Sld Det. Vaartd. tweemaal gewond; 2e keer door actie bij bus, daaraan overl.
Hendriks, S. Sld Det. Vaartd. onbekende locatie in bruggenhoofd
Vries, G. de Sld Det. Vaartd. t.h.v. geb Politietroepen (flankaanval)
Welles, E. Sld Det. Vaartd. tunnel verkeersweg
Boer, W. Sld I-41RI wachtpost verkeersbrug (aan verwondingen overl. 14 mei)
Eijsden, P. van Dpl korp I-41RI verkeerbrug (op weg bij tuin van Hartman)
Jong, M. de Sld I-41RI t.h.v. geb Politietroepen (hoofdschot)
Lange, T.M. de Sld I-41RI t.h.v. geb Politietroepen (flankaanval)
Nedermeijer, W.F. Sld I-41RI t.h.v. geb Politietroepen (flankaanval)
Tito, J.A.W. Sld I-41RI Bij de tunnel verkeersweg
Velden, A.J. van der Sld I-41RI Bij de verkeersbrug (uit water gehaald; mogelijk piket pier)
Wijngaarden, P. van Sld I-41RI Bij de spoorbrug (door handgranaat)


Nederlandse artilleriebeschietingen

Zoals bij de bespreking van het Bruggenhoofd Moerdijk al duidelijk werd, zou de Nederlandse artillerie in de Hoekse Waard spoedig van zich laten horen [1, 142, 143, 192]. Al snel nadat aan de overzijde van de Kil duidelijk was geworden dat de bruggen in Duitse handen verkeerden, kreeg de afdeling 25AA opdracht met zijn twaalf 15 cm stukken de bruggenhoofden te beschieten om de Duitse logistiek te frustreren. Het is wegens weinig specifieke Duitse slachtoffergegevens onduidelijk of dit de Duitsers slachtoffers kostte. Aan Nederlandse zijde werden echter niet minder dan zes manschappen gedood [of dodelijk gewond] door deze beschietingen. Twee manschappen werden op het noordelijk landhoofd geraakt, eentje vlakbij de brug en drie in het barakkenkamp zelf. Twee man werden zwaar gewond naar Dordrecht vervoerd, maar stierven beiden onderweg. Met uitzondering van de in de tabel benoemde sergeant Eeltink betroffen het manschappen van 82 en 83 Pel Lu.Mi., 2-I-28RI en 3-III-28RI [31]. Op de 12de mei zou er in bij Willemsdorp nog een Nederlandse dode [3-II-28RI, sld Ververs] vallen[31]. Deze soldaat was onderdeel van een groep van drie die een levensgevaarlijke patrouille naar de overkant van de Kil vrijwillig uitvoerde en sneuvelde door Duits vuur.

De Duitsers hadden de Nederlandse krijgsgevangenen van het detachement Willemsdorp, van I-17RA en van enkele onderdelen uit het vak Moerdijk [waar de meeste gevangenen in de Rooms Katholieke kerk gevangen werden gehouden] naar het barakkenkamp gebracht en hen daar onder bewaking gesteld. Het barakkenkamp werd voorts gebruikt voor verzameling van Duitse en Nederlandse uitrustingstukken en wapencontainers [net als het kamp bij Tweede Tol]. Al deze activiteiten werden aan Nederlandse zijde [artilleriewaarnemer in de watertoren bij de Wacht] waargenomen. Aangezien men (kennelijk) niet waarnam dat het vooral een verzameling krijgsgevangenen betrof werd op instructie van de artilleriewaarneming het barakkenkamp enkele malen onder vuur genomen.

Het storende Nederlandse vuur op het barakkenkamp was voor de Duitsers in elk geval aanleiding de gewondenverzorging naar Moerdijk, Tweede Tol en Dordrecht te verplaatsen. Al vroeg in de morgen toog de leidende Duitse bataljonsarts Hartmann naar Moerdijk en werden Nederlandse en Duitse gewonden naar het hospitaal aldaar vervoerd. Later werden de gewonden van beide zijden via Tweede Tol naar het hospitaal in Dordrecht gebracht, nadat dit dankzij contacten tussen Nederlandse en Duitse artsen mogelijk was gemaakt. Een stukje menselijkheid tegen de achtergrond van een felle strijd.

[De bronnen vindt u hier]