Dordrecht - 2e fase

3./FJR1 wordt ingesloten

In het eerste uur na de landing van de Duitsers in de Polder was de weerstand door de sectie Spoorwegtroepen op de noordwestelijke route richting Maasbruggen cruciaal gebleken om 3./FJR1 volledig van haar à propos te brengen.

[454] Het Duitse krijgsverslag van de compagnie geeft daarvan de schuld aan Oberleutnant von Brandis, die zich met twee van zijn drie pelotons – slechts onder achterlaten van een Kompanietrupp en de Schwere Waffen Zug ter beveiliging van zuid en westfront – vol op de spoorwegtroepen stortte in plaats van door te stoten naar de bruggen. Hij had zich volgens de instructies niet moeten laten afleiden van zijn hoofddoel. Hier toonde zich het nadeel van de Auftragstaktik, omdat Von Brandis de vrijheid die hij als compagniescommandant had onjuist gebruikte. Het leerboekje voor de Duitse veldofficier had hem voorgehouden slechts zijn bedreigde rechterflank en rug te zekeren en met zijn hoofdmacht onverwijld door te stoten richting bruggen, ook als hem dit zijn beveiligingstroepen tot offer moest doen brengen. In plaats daarvan onderschatte hij zijn tegenstander, verwachtte die snel te kunnen opruimen en nam daarom dit offensieve initiatief. Hij had niet met de waard gerekend, want de spoorwegtroepen hielden zodanig lang stand dat pioniers en depottroepen vanuit Krispijn de route naar de bruggen tijdig konden afsluiten, toen de spoorwegtroepen na enige tijd noordwaarts moesten uitwijken.

dispositie eenheden De Polder

[178] Toen luitenant Leyten en zijn circa 20-25 man zich geleidelijk aan terugtrokken op het spoorcomplex alsmede de noordzijde van de Spuitunnel bezetten, kwamen inmiddels steeds meer losse verbanden van de beide in Krispijn gelegerde depotcompagnieën [1.DPC en 2.DPC] alsmede de sectie Ruige van 14 C.Pn ter plaatse. Met de spoorwegtroepen achter de spoordijk, op het emplacement en bij de Spuitunnel en de genisten in posities langs de Krijspijnseweg en op strategische posities op de Brouwersdijk en de Hugo de Grootlaan, was het voor de parachutisten van 3./FJR1 inmiddels vrijwel onmogelijk geworden een doorbraak te forceren richting Maasbruggen. De Krispijnseweg, het open terrein ten oosten daarvan alsmede het Bos van de Roo werd uiteindelijk geheel door Nederlands vuur beheerst.

[170a] Ondertussen was reeds een eerste groep van 1.DCP in actie gekomen om de Duitse posities te verkennen en indien opportuun aan te vallen. Het was een groep onder bevel van de adjudant [AOOI] H.P. Koster. De adjudant kreeg van de CC kapitein Siegmund opdracht met een dozijn manschappen richting Krispijnse weg te gaan om de situatie aldaar te verkennen. Er werd gekozen voor een zuidelijke route via de Genestet straat, waarbij een ter verkenning een observatiepositie werd ingenomen bij de politiepost aan het J.P. Heijeplein. Daar nam de AOOI geen Duitsers waar, hoewel er druk geschoten werd rond Weizicht. Besloten werd om de Polder heen te trekken om zodoende via het terrein van de Dordtse Football Club [DFC] aan de rechterflank van de Duitsers te komen. Onderweg werd de groep echter door de vrijwel droge sloot sluipend langs de Nieuwe weg (de weg die ten zuiden van de Polder liep) beschoten vanuit een huis in aanbouw dat op enige afstand ten zuiden van de Julianakerk lag. Daarop besloot de adjudant met zijn mannen door het weiland deze weerstand op te ruimen. Na enig omzichtig kruip en klauterwerk bij het huis gekomen, kwam opeens een parachutist met zijn handen omhoog naar buiten. Op de vraag van de adjudant of hij alleen was, bevestigde hij, maar gelijktijdig werd er vanaf boven geschoten, waarbij de korporaal Schellingerhout in het been werd geraakt. De adjudant haalde de korporaal uit het schootsveld en legde hem in een droog deel van de sloot neer. Daarna verzamelde hij de overige mannen en ging met zijn pistool schietend voorop het huis in. Door zoveel moed gemotiveerd, volgde de rest direct, waarop nog zeven Duitsers zich overgaven. Er werd een kostbare lichte mitrailleur buit gemaakt. De acht gevangen genomen Duitsers werden teruggebracht naar de Betje Wolffschool, waardoor veel tijd verloren ging.

[170a] De reserve 1e luitenant J. van der Houwen van 1.DCP was intussen rond 0615-0630 uur ook op weg gegaan naar de Krispijnseweg, waarbij eveneens de zuidoostelijke route werd genomen. Ongeveer ter hoogte van de Patersweg werd bij de Krijspijnseweg aangekomen. De groep bestond uit circa 20 man, waarbij ook een kleine formatie miliciens van 2.DCP. Langs de linker en rechterzijde van de weg ging men vervolgens behoedzaam voorwaarts, waarbij men trachtte de mitrailleurs opgesteld op de kruising bij de Bosboom Toussaint straat [Juliana Kerk] te benaderen. Enkele militairen onder leiding van de sergeant De Groot namen aan de rechterkant van de weg - bij de school tegenover het JP Heijeplein - stelling achter de muurtjes van het schoolplein. De nadering aan de open rechterkant van de Krispijnse weg, kon in de luwte van de school geschieden. De Duitse mitrailleurs stonden zodanig opgesteld dat ze niet in lengterichting langs de rechterkant van de weg konden vuren. En de voordien door de groep Koster reeds uitgeschakelde Duitse mitrailleurpositie nabij de school werkte ook onmiddellijk in het voordeel van de groep De Groot, die daardoor tot de school gedekt konden optrekken.

[170a] De mannen aan de linkerkant vorderden via de tuinen van huizen en namen posities in portieken van de huizen aan de Krispijnseweg. De pontonniers slaagden er uiteindelijk in de mitrailleurbedieningen van de wapens in het verlengde van de Bosboom Toussiant straat en de Jacob Catsstraat met kruisvuur uit te schakelen. Overlevende parachutisten maakten zich uit de voeten via de sloot langs de Krispijnse weg. Daarbij hebben de Nederlanders ook één of twee Duitse pantserbuksen uitgeschakeld, die ook op deze locatie waren ingezet. [454] Het Duitse gevechtsrapport meldt namelijk dat op de hoek bij de Bosboom Toussaint zowel mitrailleurs als een Panzerbuchstrupp werden geposteerd, om zodanig het landingsterrein tegen Nederlandse acties vanuit het zuiden en westen te beveiligen.

[170a] De groep onder de luitenant Van der Houwen raakte echter tijdens de vuurgevechten danig verzwakt omdat de luitenant op diverse locaties schutters achterliet om de Polder af te sluiten. Uiteindelijk bleef de luitenant nog slechts met een sergeant en een soldaat over toen een woning werd bereikt op zo’n 25 meter ten noorden van de Bosboom Toussaint straat. Daar kon de luitenant niet meer verder omdat de woning telkens door Duitsers onder vuur werd genomen. Dat vuur bleek afkomstig van de brug bij de Markettenweg, waar een tweetal mitrailleurs was opgesteld. Het hield in dat voorlopig een eindpunt was bereikt. Maar de luitenant had veel succes behaald, want niet alleen was het grootste deel van de zuidwestelijke beveiliging van de Duitse perimeter opgerold, zonder dat de luitenant het wist had hij ook de verbindingseenheid en de hulpverbandplaats van de Duits compagnie, beiden in de Julianakerk ondergebracht, (tijdelijk) afgesneden van de hoofdmacht.

[170a] Nadat de luitenant in een van de huizen aan de Krispijnseweg een telefoon had gevonden, belde hij met de school waar zijn depotcompagnie lag en verzocht om versterking. Die versterking ving hij zelf op aan de achterzijde van de woning en trok vervolgens via tuinen en de Vondelstraat naar huizen die uitzicht boden op de bewuste brug in de Markettenweg.

[170a] Circa 10 man had de luitenant inmiddels weer bij zich. Met die groep zocht hij via achtertuinen naar een locatie vlakbij de Duitse positie. De groep werd door hem verdeeld over de beide etages van een dubbele woning annex groentezaak, nadat zij eerst de bewoners via de achterzijde hadden doen laten evacueren. Daarop instrueerde de luitenant zijn manschappen op zijn teken een aantal salvo’s op de mitrailleurs te geven dwars door de voorhangen en ramen heen. Hij wees de zes man op zijn etage allen een eigen doel. In eerste instantie kwam nog een auto van Van Gend en Loos aangereden (bestuurd door Obergefreiter Kurkowski), die zich precies tussen Duitsers en de aanleggende Nederlandse schutters plaatste, maar de wagen reed een stukje door. Gauw liet de luitenant het vuur openen. Nadat deze salvo’s waren afgegeven, kwam nog een kortstondig antwoord van de volledig verraste Duitsers, maar herhaalde Nederlandse beschietingen van hun positie resulteerde in het vrijwel direct daarop doen capituleren door de parachutisten, die van de I.Zug en Schweren Waffen Zug waren. Volgens diverse tellingen gaf 18 man zich over, waaronder enkele gewonden. Een aantal gesneuvelden lag op straat en in de sloot. Enkele parachutisten wisten te ontkomen door het Bos van de Roo in te vluchten, nagejaagd door Nederlandse kogels. De gevangenen werden afgevoerd naar de Betje Wolffschool.

[454] Wat luitenant Van der Houwen niet wist, was dat Leutnant Schmelz, die zich bij de I.Zug (versterkt met een Halbzug sMG en een PaBuTrupp) had bevonden, even daarvoor de eenheid bevolen had om via de zijstraten links van de Krispijnseweg uit te breken. Een vrachtwagen die vlakbij op de Krispijnseweg (hoek met een der zijstraten) stond, werd door een vrijwilliger (Ogef Kurkowksi) voor gereden om daarin het eerste deel van de verzamelde groep parachutisten richting bruggen te rijden. Het was de reden waarom de Duitsers zich hadden verzameld in de sloot. Volgens het Duitse verslag was net voordat men uit de flank de Hooftstraat en Vondelstraat wilde instormen, de Nederlandse vuuroverval gekomen. Daarbij waren volgens het verslag twee zware en twee lichte mitrailleurs verloren gegaan alsmede een pantsergeweer. Leutnant Schmelz zelf wist overigens (nog) aan gevangenneming te ontsnappen.

[454] In het Bos van de Roo zaten al veel manschappen van II.Zug samen met de laatste PaBuTrupp. Zij waren uiteindelijk dit bos in gevlucht nadat ze aan alle kanten gefaald hadden om uit het bruggenhoofd te breken. Om die vaststelling nader te duiden, wordt een korte periode in de tijd teruggestapt. En wel naar het moment dat de II.Zug zich aan de oostzijde van het Boonepad begaf om de spoorwegtroepen bij Weizicht en op het spooremplacement in de flank te komen.

Toen luitenant Leyten en zijn mannen het kort na het opvangen van de Duitse parachutisten rond Weizicht al spoedig erg zwaar kregen, had de luitenant besloten dat hij met het gros van zijn sectie (er waren bij de spoorbrug en omgeving enkele manschappen verloren; een gesneuvelde en enkele gewonden) achter de spoordijk stand zou houden. Hij stuurde sergeant Teunissen naar het noordwesten om de Spuitunnel af te sluiten aan de noordzijde en trok zelf met de resterende mannen bij Weizicht naar het station en emplacement om zodoende vanaf de noordzijde van de spoordijk en op het emplacement een verder Duits doordringen te voorkomen.

Onderwijl had het laatste bevel van Oberleutnant von Brandis zijn uitwerking niet gemist. Zijn I.Zug raakte door de verdediging van de spoorwegtroepen in het nauw aan de Krispijnseweg terwijl zijn II.Zug door hem was bevolen het park rond Weizicht te omvatten via het noordoosten. Toen het grootste deel van de spoorwegtroepen bij Weizicht zich vervolgens over de spoordijk richting station begaf (na bevel daartoe van luitenant Leyten), maakte II.Zug de fout zich grotendeels te laten verleiden tot een achtervolging. Het is reeds bekend dat pogingen van plaatsvervangend compagniescommandant Leutnant Schmelz II.Zug terug te krijgen in zijn verband, faalden.

[178] Op en bij het station waren reeds de stationswacht en de groep die luitenant Leyten daar tijdens het eerste uur had heen gestuurd, een kleine twintig man bij elkaar. Rond 0615 uur leidde dat na aansluiting van de luitenant en zijn groep tot een sterkte van zo’n 35 man op het station en langs het emplacement daar ten oosten van. Bovendien sergeant Teunissen met circa een dozijn manschappen ten westen van het emplacement ter afsluiting van de Spuitunnel. Tijdens deze manoeuvre om met de gehele sectie achter de spoordijk te komen raakte slechts één man gewond. Een handvol mannen zat nog vlakbij de villa, ongewis van de terugtocht van luitenant Leyten. De circa 30-35 man van II.Zug drongen na, en slaagden erin hier en daar over het spoortalud te geraken alsmede via de overgang in de Dubbeldamseweg aan de oostzijde van het emplacement te geraken. Zij werden daar echter door het vuur van de spoorwegtroepen en enkele individuele verbanden [zie daarvoor later] onvoorwaardelijk tot staan gebracht. Het volledig open emplacement bood hen ook geen enkele dekking om zonder zeer zware offers voorwaarts te gaan.

[178] Dienstplicht sergeant J.C. Maas werd ter voorkoming van een oostelijke Duitse penetratie door luitenant Leyten met een korporaal en drie soldaten naar de kruising bij de Dubbeldamseweg gestuurd. Vlak voor dat punt gekomen posteerde de sergeant twee soldaten en de korporaal in een rangeerput op het emplacement met een uitstekend overzicht richting overweg en (hoge) loopbrug over het spoor. Zelf trok de sergeant met een soldaat verder naar de overweg, waar zij direct parachutisten waarnamen die zich rond de gashouders ophielden [circa 100 m van de overweg, zuid van het spoor]. De sergeant besloot vergezeld van één soldaat nog verder te gaan, tot aan de Mauritstraat vanwaar zij enige tijd de parachutisten onder vuur nam. Later trok hij met de soldaat (dienstplichtige Dario) weer terug tot een positie ten noorden van de overweg.

[170d, 178] Rond 0630 uur arriveerde op het station de reserve 1e luitenant Smith [van 4.DCT] met ca. 30 man torpedisten, die door CC 4.DCT kapitein Zwennes naar het station waren gestuurd om de verdediging aldaar te versterken. Deze werden over het station verdeeld en namen ook op de hogere etages van het gebouw posities in vanwaar ze over de spoordijk konden vuren. Nog enige tijd later arriveerde een dozijn manschappen (waaronder enkele sergeanten van de officiersopleiding) van 3.DCT, die bij het postkantoor overbodig waren geworden. Van hen raakte de sergeant van de Hoek zwaar gewond door granaatscherven nadat een aantal Duitse granaten tot bij de Nederlandse posities was geworpen.

[170b] Ook sergeant Y. Pasma van 2.DCP kwam bij het emplacement terecht. Hij was vanuit zijn kwartieradres geconfronteerd met de luchtlanding in de Polder, afgesneden geraakt van een directe route naar de Jacob Marisstraat en daarom direct richting Cornelis de Withstraat getogen om zich van een wapen te voorzien. Na enige omzwervingen, het verwerven van een lichte mitrailleur en twee kisten munitie alsmede het gezelschap van een vijftal soldaten toog hij naar de grote draaischijf op het emplacement, die vlak tegenover het Bos van de Roo oost van het station lag. Er werd door de Duitsers met een man of tien een poging gedaan het spoor over te steken, maar de lichte mitrailleur en de karabijnen van de groep in de put weerhielden ze. Vervolgens trachtten ze via de overweg over de loopbrug te komen, maar sergeant Pasma had dit verwacht en in zijn eentje snel de afstand overbrugd. Toen hij hen opnieuw wilde beschieten liep de mitrailleur vast en moesten de karabijnschutters van sergeant Maas die in de rangeerput zaten het vuur overnemen. Onderwijl haalde de sergeant de mitrailleur uit elkaar, maakte deze schoon en verving de falende slagpin(1). Dat werd mede mogelijk gemaakt door een van de vele burgertoeschouwers, die het onderhoudsetje voor de mitrailleur even van de oude locatie haalde voor de sergeant! Terwijl Pasma bezig was zijn mitrailleur te herstellen stond er opeens een Duitse parachutist naast hem, die hem sommeerde uit zijn schuilplaats te komen. In plaats van daarop te wachten liep de Duitser door en werd pardoes door de karabijnschutters neergeschoten. Hierna toog de sergeant met de inmiddels herstelde mitrailleur alleen verder en nam een positie in waarbij hij oost van het Bos van de Roo met zijn mitrailleur kon schieten op alles wat bewoog. Hij deed dit vanuit de letter O in de lichtreclame op het dak van het Paviljoen [cafe-restaurant op de hoek Toulonselaan / Transvaalstraat. Daarmee maakte hij de open sector rond de overweg en loopbrug tot een schier onoverbrugbare locatie voor de parachutisten. Voor zijn doortastende en moedige optreden in de eerste uren van 10 mei 1940 zou de sergeant in 1947 de Bronzen Leeuw toegekend krijgen. De sergeant zal later nog terugkomen in de weergave van de gebeurtenissen.

(1) De slagpinnen van veel in de latere jaren van het interbellum geproduceerde lichte mitrailleurs faalden wegens inferieure staalkwaliteit. Bekend is dat vrijwel alle lichte mitrailleurs met relatief nieuwe slagpinnen spoedig te maken kregen met afgebroken of snel afgesleten slagpinnen. Oudere mitrailleurs bleken dit euvel niet of nauwelijks te hebben. Kennelijk was het staal van de nieuwere slagpinnen te broos of te zacht en kon het de krachten van de herhaalde percussie op de patronen niet aan, waardoor de pin brak of snel afsleet. Een tragisch gevolg van zwak metallurgische vakmanschap bij de AI of onjuiste bezuinigingen.

[454] De Duitsers trachten ook ter hoogte van het station zelf diverse malen via de overwegen [zowel de Dubbeldamseweg als de Krommedijk] en het talud op het spoor te geraken, en wierpen rond het emplacement meerdere handgranaten. Incidenteel besproeiden zij het station met mitrailleurs en pistoolmitrailleurs die even boven de dijk werden gestoken, maar met uitzondering van de gewonde sergeant Van de Hoek, die door enkele granaatscherven werd geraakt, leidde het tot niets. De Nederlanders weken niet, terwijl ondertussen aan de Krispijnse weg de pontonniers en pioniers de Duitsers volkomen hadden ingesloten, wat ook bij de parachutisten van II.Zug niet onopgemerkt voorbij ging.

De Duitsers werden vanaf 0630 uur aan alle kanten omsingeld. Enkele pontonniers kwamen via de Nieuwe Weg en de Algemene Begraafplaats aan de oostzijde van het Duitse landingsterrein terecht. Vanuit de stad waren individuen, zoals de sergeant Pasma, aan de noordoostzijde geraakt. Langs de gehele spoordijk lagen torpedisten en spoorwegtroepen en langs de Krispijnseweg waren het pioniers en pontonniers. Bij elkaar lag er ondertussen een sterkte van enkele honderden militairen om de Duitse posities heen. Toen de Duitsers van I.Zug door de luitenant van der Houwen werden gevangen genomen, was de Duitse perimeter in wezen gekrompen tot de smalle sector in het Bos van de Roo en villa Weizigt, hoewel ook enkele Duitsers nog in het terrein zaten tussen de Mauritsweg en het Bos van de Roo alsmede het complex van DFC. Het waren in eerste instantie met name de pontonniers die vanaf de Krispijnseweg zijde de ring rond de Duitsers verdichtten, nadat de groep van luitenant Van der Houwen de hoofdmacht van I.Zug had weten uit te schakelen.

Dat het gevaar van schieten op eigen troepen daarbij – zeker aan Nederlandse kant – bepaald niet denkbeeldig werd, bleek spoedig. Zo nu en dan werden verwoede salvo’s afgevuurd door Nederlanders op eigen troepen. Want hoewel de wijze waarop de Nederlandse militairen de confrontatie met de parachutisten aangingen over het algemeen als doortastend en moedig mag worden bestempeld, was er op geen enkel moment sprake van beleid en afstemming tussen eenheden. En zo namen de tegen de Duitsers offensief agerende verbanden grote risico’s. Men wist van elkaar absoluut niet wat de ander deed. Daarbij werd soms zonder enige voorzorg of identificatie geschoten. Bovendien werd identificatie nogal eens bemoeilijkt doordat diverse Nederlandse militairen gretig gebruik maakten van veroverde Duitse lichte mitrailleurs en pistoolmitrailleurs. Hoewel er aan auteur geen namen van slachtoffers (die vielen door eigen vuur) bekend zijn, is het vrijwel zeker dat dergelijke gevallen zich voordeden. Vooral toen eenmaal de strijd zich begon te concentreren rond Weizicht en het Bos van de Roo, waar de laatste belangrijke Duitse concentratie zat.

[454] In elk geval was in de loop van de ochtend de situatie voor de Duitsers rond het spoor hopeloos geworden. Ze hadden een nijpend tekort aan munitie, en hadden iedere poging tot uitbraak zien smoren in Nederlands vuur. Er werd door Leutnant Schmelz een strikte munitiediscipline ingesteld. Na de verliezen die geleden waren, met name die aan de Krispijnse weg, waren nog slechts twee lichte mitrailleurs voorhanden en was meer dan de helft van de eenheid gesneuveld, gewond of gevangen genomen alsmede een tiental manschappen van het verband los geraakt (en bij de bruggen aangekomen). Het zag er voor de onfortuinlijke 3e Compagnie aan de spoordijk slecht uit.

Majoor de Boer

[170] De reserve majoor van speciale dienst W. de Boer was rayonhoofd van het Industrieel Controle Bureau (Rayon F). Dit viel onder het DMKL (Directie Materieel Koninklijke Landmacht) (2). Hij was oorspronkelijk infanterist en was later bij de artillerie terecht gekomen en had zodoende een opleiding als combattant genoten. Wegens zijn technische expertise werd hij echter gebruikt bij de controle op vervaardiging van militaire middelen. Hij behoorde niet tot de kantonnementstroepen, maar besloot zich direct dienstbaar te maken toen hij wakker werd van het lawaai in de vroege ochtend van 10 mei. De majoor wist zich vergezeld van de reserve 2e luitenant W. Bos (Rayonhoofd Breda) en zijn chauffeur en liet zich aldus naar de Achterhakkers rijden om zich bij overste Mussert ter beschikking te stellen. Het bureau trof hij echter leeg aan(3).

(2) Het Industrieel Controle Bureau was een controle orgaan dat lopende defensieorders controleerde bij de ingeschakelde producenten. Het Bureau was opgedeeld in negen rayons, waaronder Dordrecht [Bureau F, opgericht 23 september 1939] en Breda [Bureau T, opgericht 16 oktober 1939]. Het geheel was een onderdeel van het Centraal Orgaan voor de voorziening en behoeften van de Weermacht [COW] dat was ingesteld als gevolg van de voormobilisatie in augustus 1939. De directeur van het COW was rechtstreeks ondergeschikt aan de Minister van Defensie. Het COW regelde de samenwerking tussen defensie en de voor c.q, door defensie ingeschakelde nationale industrie. Het ICB werd door de Directeur Materieel (Koninklijke) Landmacht gecoordineerd.     

(3) Deze opmerking wordt in meerdere verslagen gemaakt. De vraag is of men daarmee verwees naar de absentie van officieren op het bureau of dat men algehele non-bezetting bedoelde. Er was namelijk vrijwel zeker een sergeant van telefoondienst in het bureau.

[170] Vervolgens begaf de majoor zich naar de Benthienkazerne en coördineerde daar met de kapitein Driessen. De majoor meldde de kapitein dat hij zich richting Amstelwijk zou begeven om zich bij de commandant Vak Wieldrecht ter assistentie te melden. Hij vernam onderweg dat de Spuitunnel door de Duitsers werd beheerst en nam vervolgens de ’s Gravendeelsedijk en constateerde onderweg dat de Maasbruggen nog vrij van vijand waren. Kennelijk nam de majoor daarna de Glazenstraat richting Mijlweg, want onderweg werd hij vlakbij de kruising door pioniers tot stoppen gemaand. Zij meldden hem dat er Duitsers langs de Mijlweg en Rijksweg oprukten. De majoor stapte uit en zocht kapitein Mantel op, die hem mededeelde dat er ca. 200 Duitsers in opmars waren richting bruggen nadat zij Amstelwijk hadden overlopen. 

De aandachtige lezer kan zich verenigen met een curieus anachronisme dat auteur dezes in dit verslag van de majoor de Boer ontwaarde. Zijn exacte route is niet bekend (zijn eerste annotatie is de ’s Gravendeelsedijk), maar zijn verslag roept grote vraagtekens op. Allereerst de melding dat hij bekend was met de Duitse beheersing van de Spuitunnel. Dat feit was kennelijk al bekend in de stad voordat hij vertrok en dat duidt op een tijdstip rond 0600 uur of later. Vervolgens het feit dat de majoor kennelijk zonder enig probleem langs de Dokhaven kwam, wat duidt op een tijdstip voor 0615 uur, want minuten later waren de parachutisten van III.Zug 3./FJR1 al op de bruggen en vol in de aanval op het peloton luchtdoelmitrailleurs in de Dokhaven. Van die positie tot aan de kruising Glazenstraat – Mijlweg was hoogstens tien minuten rijden. Toch wisten de pioniers daar kennelijk al te melden dat Amstelwijk was gevallen en 200 man richting Dordrecht kwamen. Dat is een feitelijke onmogelijkheid. Rond 0630 uur was Amstelwijk nog niet aangevallen. Wellicht dat de paniekberichten van C-Vak Wieldrecht de pioniers reeds in de veronderstelling hadden gebracht van die aanval.

[170] In ieder geval geeft de majoor in zijn persoonlijke verslag aan de kapitein Mantel te hebben geadviseerd (!) een verdediging richting zuiden in te richten, maar hij constateerde tot zijn ergernis dat deze weinig ondernam. Hij verliet daarop de CP van de kapitein en ging richting Sportfondsenbad. Onderweg kwam hij – naar zijn zeggen – twee adjudanten tegen [AOOI C. Steeds en J.H. van ’t Hoofd, resp. van 3.DCP en 2.DCP] met ruim een dertigtal militairen. De majoor gaf de beide onderofficieren naar verluid opdracht om naar de verkeersbrug op te rukken en deze te bezetten en stuurde hen richting Weeskinderendijk. Zelf besloot hij met enkele pontonniers naar kapitein Mantel terug te gaan, kennelijk om daar de verdediging te gaan organiseren. Onderweg kwam hem echter een ordonnans tegemoet van 14.C.Pn die riep “iedereen overgeven, op bevel van kapitein Mantel”. Majoor de Boer besloot daarop naar het Sportfondsenbad te trekken en dit ter verdediging in te richten.

Wederom een opmerkelijk verhaal van de majoor. Uit alle verslagen van de manschappen die hij vermeend opdracht gaf de verkeersbrug te bezetten, blijkt een nadrukkelijk andere verhaallijn. [170b] AOOI Van het Hoofd [instructeur bij 2.DCP] beschrijft dat hij bij het Sportfondsenbad geraakte in een zoektocht naar AOOI Steeds. Een zoektocht die hij op bevel van luitenant de Brouwer uitvoerde vanuit de school en niet tijdens een nevenopdracht om de bruggen aan te vallen. Hij trof de adjudant met enige militairen in het Sportfondsenbad. AOOI Van het Hoofd meldde in zijn verslag dat de majoor de Boer zich na enige tijd bij het bad vertoonde en daar het bevel over de manschappen overnam en het gebouw ter verdediging liet inrichten. Geen woord over een opdracht de verkeersbrug te bezetten. Deze weergave lijkt veel betrouwbaarder. Ook luitenant Ruige meldde in zijn verslag over de 3e sectie 14.C.Pn [191] dat hij onderweg naar de Krispijnseweg het Sportfondsenbad reeds met militairen bezet vond. De luitenant was ruim voordat de Duitse aanval op Amstelwijk bij kapitein Mantel bekend werd op pad gegaan. De militairen die hij trof waren van 2.DCP onder de beide adjudanten. Die zouden daar niet geweest zijn als de chronologie van majoor de Boer klopte.

Majoor de Boer lijkt dus een weinig accurate voorstelling van zaken te hebben gegeven. Geen spoor in verslagen van de mannen in het Sportfondsenbad die meldden dat zij op enig moment die morgen van de majoor opdracht kregen op te trekken naar de verkeersbrug.

De verklaring voor de onjuistheid in het verslag van de majoor is echter voor de hand liggend. Hij haalde twee gebeurtenissen door elkaar, namelijk zijn ontmoeting met 2e luitenant G.A. Brouwer die met ongeveer een vijftigtal manschappen op bevel van chef-staf Van der Mark de verkeersbrug moest aanvallen en zijn latere ontmoeting met de beide adjudanten in het Sportfondsenbad. Hoe die twee gebeurtenissen in elkaar overliepen in zijn verslag wordt spoedig duidelijk. Een gegeven is echter dat in de verslagen omtrent deze gebeurtenissen weer eens onomstotelijk komt vast te staan hoe kwalitatief armoedig - en soms bewust onjuist - Nederlandse officieren rapporteerden in krijgsverslagen. Majoor de Boer had niets uit te staan met een bevel de verkeersbrug te bezetten c.q. hernemen, maar vernam slechts van de groep onder luitenant Brouwer dat dit de opdracht was. Uit de verslagen van de luitenant Brouwer en die van zijn CC de kapitein Crok zal vervolgens ook weer blijken dat gesteggeld wordt over wie nu opdracht gaf tot herneming van de verkeersbrug.

Het bovenstaande staat model voor kwesties die voor (krijgs)historici zorgvuldige reconstructie en chronologie van gebeurtenissen uiterst bezwaarlijk maken. Men moet zorgvuldig puzzelen en analyseren om de werkelijkheid te kunnen benaderen en weer in een logisch en betrouwbaar perspectief te zetten. Een kwestie die vaker wordt aangehaald in deze studie naar de gebeurtenissen op het zuidfront en die door de historicus Amersfoort al eens terecht werd geduid [83; blz. 19].

De eerste tegenmaatregel richting verkeersbrug

[170b] De beroepsluitenant G.A. Brouwer was in de eerste ogenblikken na de Duitse overval al betrokken bij een moedige poging met een auto munitie te verkrijgen in de binnenstad. Nadat hij erin geslaagd was munitie te verkrijgen en terugkeerde bij zijn compagnie, trad de 2e luitenant in telefonische verbinding met het kantonnementsbureau en kreeg van de chef-staf kapitein van der Mark opdracht met een stoottroep aan te vallen op de Duitse bezetting van de verkeersbrug. Deze opdracht kwam tussen 0600 en 0630 uur.(4)

(4) Kapitein Crok, CC van 2.DCP, meldt in zijn verslag dat hij 2e luitenant Brouwer opdracht gaf tot bezetting van de verkeersbrug. Onduidelijk is of hij naar dezelfde instructie aan de luitenant verwees of dat het dezelfde was als waaraan de luitenant gehoor gaf. De kapitein was ten tijde van zijn opdrachten aan zijn compagnie in het noordelijke deel van de stad. Hij instrueerde dus per telefoon. Wellicht dat de luitenant zijn CC en de chef-staf door elkaar haalde, maar dat lijkt niet erg voor de hand te liggen. Zodoende blijft onduidelijk wie de instructie gaf en welke oorsprong deze nu had.

[170b] De stoottroep van de luitenant bestond uit stokers en matrozen, kortom maritiem personeel. Volgens de meeste verslagen was het een groep van ongeveer zestig man, maar dit lijkt aan de hoge kant te zijn geweest, daar waarnemers elders spraken over 30 tot 40 man. Hoe het ook zij, een formatie van een omvang van 40-60 man trok onder leiding van de luitenant richting oprit van de verkeersbrug. Zij trokken door de Jacob Maritsstraat, langs de Zuidendijk richting noorden. Vervolgens werd bij de rijksweg naar de Hugo de Grootlaan gemarcheerd, waar de oprit kon worden bereikt.

[170b] De luitenant liet de zeemiliciens dekking nemen aan de zuidzijde van de Hugo de Grootlaan, terwijl hij zelf met een vijftal mannen de straat overstak. Die vijf man liet hij achter bij een steenstapel aan de kant van de weg. Vervolgens trok de luitenant erop uit om zelf de Duitse posities nader te verkennen. Hij gebruikte daarbij de droge sloot langs de weg om zich te dekken tegen het niet aflatende vuur dat inmiddels vanaf de oprit op de Nederlandse posities werd gelegd. [453]Tegenover zich kreeg hij wederom manschappen van 3./FJR1. Terwijl het gros van de III.Zug, die de brug geheel alleen bezette tot kort voor luitenant Brouwers aankomst, aan de westzijde en op de brug posities ter verdediging voorbereidde, hadden de rond 0715 uur aangekomen tien man van I. en II.Zug [Gruppe Fw Görtz en Gruppe Obj Januschowski] opdracht gekregen de oostelijke oprit te beveiligen. Met enkele toegevoegde geweerschutters van III.Zug waren zij het die de formatie van luitenant Brouwer op de korrel namen.

[170b] Op een afstand van ongeveer 200 meter van de vijf manschappen, vlakbij de opgang van de verhoogde oprit, werd de doortastende luitenant Brouwer in zijn rechter dijbeen geraakt. De mannen achter hem, die nog ongewis waren van de verwonding, riepen de luitenant maar kregen geen antwoord. Zeemilicien de Bruijn is vervolgens via dezelfde greppel voorwaarts gegaan en trof de luitenant bloedend aan. Die instrueerde hem terug te gaan en hem achter te laten en AOOI Van ‘t Hoofd [die helemaal niet tot de formatie onder de luitenant behoorde maar in het nabijgelegen Sportfondsenbad zat] het bevel te doen laten overnemen over het verband. De zeemilicien gehoorzaamde echter niet en sleepte de gewonde luitenant terug tot de positie waar de andere vier mannen lagen. Met zijn vijven brachten ze bliksemsnel de luitenant achter de stenen in veiligheid. Die constateerde daar dat AOOI van ’t Hoofd ontbrak en gaf toen het bevel aan de dienstplichtig sergeant C.F. Stoete over, die bij de grote formatie aan de andere zijde van de Hugo de Groot laan was achtergebleven. Deze werd op afstand door het vijftal zeemiliciens toegeroepen dat hij het bevel kreeg. De sergeant besloot na enige overweging om terug te trekken omdat het Duitse vuur geen opties bood verder op te trekken. Hij nam zijn manschappen mee langs de Hugo de Groot laan en ontmoette vlakbij het Sportfondsenbad de majoor de Boer, die direct het bevel overnam en de mannen verdeelde over de locatie bij het bad. Via een omweg kwamen de vijf zeemiliciens daar tenslotte ook terecht, nadat de gewonde luitenant met een ambulance was afgevoerd.

In het Sportfondsenbad werd ondertussen een intensief vuur ontwikkeld met de Duitsers op de oprit en de verkeersbrug. Het geheel open terrein tussen het badgebouw en de brug bood beide partijen alle kans elkaar te beschieten. Met name toen in de late ochtend de beide Duitse compagnieën uit de richting Amstelwijk de oprit moesten benaderen om zo aansluiting met de restanten van 3./FJR1 op en bij de brug te krijgen, werd van Duitse kant intensief dekkingsvuur afgegeven richting de badinrichting. De beide Duitse compagnies zouden erin slagen om uiteindelijk halverwege de middag zonder zware verliezen de beschutte oprit te bereiken. Daarbij zou 4./FJR1 zich met name gaan richting op de verdediging van de zuidelijke oprit en daarbij voortdurend in vuurcontact blijven met de mannen bij het Sportfondsenbad. Deze gebeurtenissen worden later beschreven.

De eerste werkelijke poging om de verkeersbrug te hernemen voordat de troepen van I./FJR1 zich rond de bruggen konden verenigen, was dus op een grote mislukking uitgelopen. Die mislukking was de luitenant Brouwer en zijn manschappen natuurlijk niet aan te rekenen. Zonder enige steun van mitrailleurs en/of krombaangeschut was hun missie bij voorbaat schier onmogelijk geweest.

Maatregelen bij de compagnieën in de stad

Tot op heden is er vooral aandacht geweest voor de acties ten zuiden van het spoor, waar de beide depotcompagnieën, spoorwegtroepen en de pioniers onmiddellijk met de Duitse landing in de Polder werden geconfronteerd. Het is tijd om te kijken wat er ten noorden van het spoor allemaal tot ontwikkeling kwam.

3.DCP is al kort behandeld, waarbij aandacht voor de eerste reacties, zoals het uitzenden van de brugwacht, de groep luitenant Over en de acties die Opperschipper Koops tot uitvoering bracht. Daarnaast het feit dat een sectiegrootte naar het postkantoor werd gestuurd, waarvan ongeveer een derde enige tijd later bij het station zou geraken. Bij het station raakte de sergeant [SRO] van den Hoek zwaar gewond.

Kort werd eerder aangestipt dat de 401 man grote compagnie 137 rekruten in haar midden had die pas vier dagen onder de krijgstucht vielen en nog geen 24 uur voor de Duitse inval van een uniform waren voorzien. 

[170c] Het tragische lot van 2e luitenant Over (en twee andere mannen van de compagnie) betekende dat de grootste compagnie van het depot ineens – buiten de CC [res. kapitein H.B. Driessen] om – van alle officieren was ontdaan. Er waren nog slechts vijf vaandrigs, waarvan overigens wel drie cadet-vaandrigs (met dus een vrijwel volledige KMA opleiding). 

[170c] Naast de eerder besproken maatregelen spande de compagnie zich in door de Benthienkazerne in staat van verdediging te brengen. Op de bovenste etage werden schutters en een lichte mitrailleur geplaatst en werd bij gelegenheid op doelen vuur uitgebracht. Duits tegenvuur raakte het gebouw diverse keren, maar zonder gevolgen. Ook in de Kweekschool op enige afstand van de kazerne werd een lichte mitrailleurpost op de hoogste etage opgesteld en daar ontstonden eveneens diverse vuuruitwisselingen met de Zwijndrechtse kant. Slachtoffers aan Nederlandse kant vielen er niet door de Duitse beschietingen.

[170c] De CC liet voorts onder leiding van enkele vaandrigs een aantal barricades opwerpen en de bruggen over de Nieuwe Haven ophalen. Daarmee wilde de CC het schiereiland waarop de Benthienkazerne zich bevond in staat van verdediging brengen. 

[170c] Rond 0730 uur werd vaandrig Wieringa met enkele manschappen naar het DFC terrein gestuurd omdat daarvan een melding was ontvangen dat er parachutisten vertoefden. Dat was uiteraard zo, maar die waren rond de tijd dat de vaandrig daar aankwam al verdreven. Het was een merkwaardig besluit dat vanuit de Benthienkazerne een patrouille schaars opgeleide manschappen naar die uithoek werd gestuurd. Het toont wederom het totaal gebrek aan integraal beleid in Dordrecht aan.

[170d] 4.DCT is eveneens eerder kort beschouwd als het aankomt op de eerste response op de oorlogstoestand. Het merkwaardige fenomeen van opsluiten der rekruten (dat ook bij 3.DCP en in Rotterdam bij de Intendance compagnie in zuid gebeurde) was opvallend. Kennelijk een gedragen instructie binnen het Nederlandse leger, want het vond te vaak plaats om lokale commandanten deze, op het eerste oog curieuze maatregelen, de volledige verantwoordelijkheid hiervoor aan te meten. Reserve kapitein Zwennes was al vroeg bij de school aan de Hofstraat aangekomen en had direct een sectie torpedisten onder reserve 1e luitenant J.K.N. de Koning naar de Achterhakkers gestuurd ter beveiliging van het kantonnementsbureau alsmede de sectie onder luitenant Smith naar het station. De Vriesebrug, Sint Jorisbrug en Noorderbrug – alle drie bruggen in het zuidoostelijke en oostelijk deel van de brede stadsgracht – liet hij elk met een staande patrouille bezetten en met behulp van burgers en leerlingen van de MTS werden aldaar barricades opgeworpen. Tenslotte werd een groep torpedisten naar het postkantoor gezonden.

[170, 170d] Luitenant de Koning arriveerde bij het kantonnementsbureau waar de kapitein E.J. van der Flier [toegevoegd officier der infanterie bij de depotstaf] voor de deur stond. De beide officieren wisselden informatie uit, waarbij de kapitein mededeelde dat de Duitsers bij de Maasbruggen waren gesignaleerd. Die informatie had de kapitein vermoedelijk van de 2e luitenant Plasschaert, die rond 0530 uur nog bij sergeant Elkerbout van 85 Pel LuMi was geweest. Luitenant de Koning besliste toen in samenspraak met de kapitein dat de helft van zijn verband – 15 man onder de sergeanten Ruyven en Goedhart – naar de verkeersbrug zouden gaan en de andere helft onder sergeant Bredero bij het bureau zouden blijven als beveiliging. De luitenant zelf toog met de 17 man richting bruggen. 
 
[170, 170d] Onderweg naar de bruggen kwam luitenant de Koning op de locatie waar de Wilgenbosch overging in de Achterhakkers de overste Mussert tegen, die hem instrueerde bij de groep Bredero te blijven en de barricadebouw op de Wilgenbosch [hoek Twintig Huizen]  te begeleiden. De manschappen begonnen daarop met hout en ijzeren binten – die op de kade lagen – een barricade te bouwen richting spoorbrug. Terwijl men hiermee bezig was, werd de groep opeens vanaf de spoorbrug beschoten door de Duitsers. Hierbij raakte de luitenant op mysterieuze wijze in de rug gewond door fragmenten van een inslag of patroon. Hij gaf in zijn persoonlijk verslag aan dat dit door een soort kleine kartetsen kwam. Aannemelijker is dat de luitenant slachtoffer werd van de inwerking van pantsergeweer munitie op de stalen barricade of dat de positie in de rechterflank werd geraakt vanaf de locatie in Zwijndrecht waar 84 Pel LuMi had gestaan (de huidige Maasboulevard in Zwijndrecht) en waar zich Duitsers in de gebouwen hadden genesteld. De gewonde luitenant liet zich in het Diaconnessenhuis [Prinssenstraat] behandelen en zou nadien gewoon weer dienst doen, zij het als telefoonwacht bij 4.DCT.

Wat er onderwijl van de 17 man (en hun opdracht richting de Maasbruggen te gaan) is gekomen, is onduidelijk. De actie zal zijn afgebroken, want in geen der vele rapporten wordt er ook maar een fractionele verwijzing naar gemaakt.

Gebeurtenissen rond de spoorbrug

[170] Luitenant-kolonel Mussert was onderwijl bij zijn bureau aangekomen en instrueerde daar de 2e luitenant der genie J.B. Plasschaert [toegevoegd officier depotstaf] de beveiliging van de omgeving en het bureau op zich te nemen. Daaronder viel de barricadebouw door de luitenant de Koning, die even hiervoor in beeld kwam.

[170] De luitenant Plasschaert besloot om voorposten op de kop van de Wilgenbos en de kolenopslagplaats te plaatsen. Die kolenopslag lag op de kade ten zuiden van de Kalkhaven, op nog geen 100 meter van de spoorbrug. In de veronderstelling dat het 85e Peloton luchtdoelmitrailleurs bij de Dokhaven nog actief was, dacht de luitenant ook met hen contact te kunnen maken. Zijn grondgedachte was om een vuurbasis met de luchtdoelmitrailleurs af te stemmen, waardoor andere, sterkere, verbanden de bruggen konden aanvallen.

schets luitenant Plasschaert

Dat uitgangspunt was echter slechts in twee dimensies interessant, maar in drie dimensies ondoordacht. De beide locaties aan weerszijde van de brug lagen immers op maaiveld niveau terwijl een werkzame tegenstoot over de spoordijk of de gekromde verkeersbrugoprit zouden dienen te worden uitgevoerd. Die zouden weinig tot geen vuursteun ondervinden van vuurorganen die op maaiveldniveau stonden opgesteld. Daarentegen waren die vuurpunten op maaiveldniveau op hun beurt wél uiterst kwetsbaar voor beschieting vanaf de vijftien meter hoger gelegen brug, die op slechts een kleine honderd meter afstand boven de posities uittorende. Hoewel dus enerzijds wel enig respect kan worden opgebracht voor de doortastendheid die de luitenant met zijn plan toonde, kan worden vastgesteld dat het plan tactisch gezien slecht doordacht was. Daar kwam nog bij dat hij twee elementen volkomen verkeerd inschatte. De eerste was het reeds lange tijd uitgeschakeld zijn van het peloton luchtdoelmitrailleurs bij de Dokhaven en het tweede de reeds door de Duitsers bezette bruggen. Het feit dat met name het laatste aan de orde was, kwam echter doordat de Duitsers op en rond de bruggen geen vuur uitbrachten. Zij waren in hun opleiding doordrongen van twee zaken: vuren op de vijand bij voorkeur op korte afstand en in principe pas nadat de eigen positie al is ontdekt.

[170] Desondanks bracht luitenant Plasschaert zijn plan tot uitvoering. Hij stuurde een onderofficier [Sergeant-majoor timmerman A. van Vlierden] met vier manschappen [allen met karabijn] naar de kolenopslag, terwijl hij op beide hoeken van de Twintig Huizen [verbindingsstraat tussen Wilgenbos en Lage Bakstraat – parallel aan het spoor – twee posten met elk drie man posteerde als achterwacht. Met enkele pistool- en karabijnschutters, en zelf de enige lichte mitrailleur binnen het gehele verband dragende, trok de luitenant via de Wilgenbos ook op naar de kolenopslag. Daar kwamen de Nederlanders echter direct onder hevig vuur vanaf de bruggen te liggen. Een vooruitgezonden groep van drie man stelde voorts vast dat de tunnel Dokweg (onder de beide brugopgangen) eveneens met Duitsers was bezet, die zich aldaar hadden ingegraven. Daarop besloot de luitenant zijn plan te wijzigen en het hoge havenkantoor aan de Draai [kantoor op 125 meter van de spoorbrug, aan de noordwestelijke kant van de kade richting Kalkhaven] te bezetten, een aantal posten in de Electro Motoren Fabriek [EMF, aan de Korte Parellelweg vlak aan het spoor] en de naastgelegen Victoriafabriek te plaatsen en een positie uit te graven op de kruising Wilgenbos / Twintig Huizen die vuurcontact kon onderhouden met de brugbezetting en uitbraak van Duitsers uit de tunnel Dokweg kon voorkomen. Dit herziene plan getuigde van inzicht, want daarmee werden niet alleen twee hoge posities ingenomen die wel tot vuursteun bij een tegenstoot op de bruggen zouden kunnen dienen, maar eveneens werd een Duitse expansie van het bruggenhoofd noordwaarts [richting stad] hiermee zeer lastig gemaakt.

Zwijndrechtse bruggen

[170] Een uitdaging was echter nog om vanuit het wespennest - dat de open kade met de kolenopslag vormde - terug te trekken richting Wilgenbos, zonder dat dit slachtoffers zou kosten. De Duitsers hadden intussen de gedachte dat er een tegenstoot gaande was en alle vuurpunten in de sector op het dozijn Nederlanders gericht. Toch moesten de mannen die gewraakte route terug naar de Wilgenbos nemen. Daarbij gaf de luitenant Plasschaert zo goed en kwaad als het ging vuursteun met de mitrailleur, maar kon daarbij evident slechts één van de vele sectoren met tegenstanders beschieten. De torpedist Cornelis de Bruijn werd tijdens de eerste sprong door een schot in het hoofd direct gedood. De rest bereikte de Draai veilig, maar de oversteek van de Draai naar de barricade op de hoek Wilgenbos / Twintig Huizen was opnieuw een uitdaging, daar deze passage onder Duits vuur vanaf de brug lag. De luitenant en de SM waagden met de mitrailleur de eerste sprong en zouden daarna de oversteek van de rest met de mitrailleur dekken. Het probleem dat daarbij echter ontstond was dat toen de trommel op de mitrailleur leeggeschoten was, de reservetrommels bij de op de Draai achtergebleven – en te dekken – troep waren! Die trommels moesten dus op een of andere manier worden overgebracht en daartoe waren geen hulpmiddelen. De eerste twee trommels werden over de weg gerold, maar omdat ze (wegens kwetsbaarheid van trommel en patronen) niet te hard konden worden gegooid, bleven de trommels halverwege liggen op het open deel van de Wilgenbos dat dus onder Duits vuur lag. De Duitsers op de brug hadden uiteraard in de smiezen wat zich daar op een 150 meter voor hen afspeelde en hielden de wapens in de aanslag. Een bijzonder moedige torpedist, die achter de barricade op de hoek Wilgenbos / Twintig Huizen tot de achterwacht had behoord, sprong plotseling op, dook naar één van de trommels en terwijl hij tweemaal in het linker bovenbeen werd getroffen, wierp hij de trommel aan de luitenant toe. Hierna wist de 21-jarige torpedist [Cornelis Oome] weer achter de barricade te kruipen, waar hij eerste hulp kreeg. Door dit moedige staaltje kon met de mitrailleur weer dekkingsvuur worden gegeven zodat de overige manschappen konden oversteken.

Draai

[170] De moedige torpedist Oome overleed korte tijd later in het militair hospitaal, vermoedelijk aan een niet te dichten slagaderlijke wond in zijn dijbeen (5). Hij kreeg in 1946 postuum de Militaire Willemsorde 4e Klasse voor zijn moedige daad. Het enigszins lichtvaardig bedachte eerste plan van luitenant Plasschaert om een positie in te nemen bij de kolenopslag was daarmee voor twee man fataal gebleken. Er was echter een veel beter plan uit voort gekomen.

(5) Volgens het officiële rapport 'verbloedde' de torpedist aan zijn beenverwondingen. Het is daarom aannemelijk dat de slagader in het dijbeen was geraakt, aangezien de torpedist volgens rapporten vrijwel direct onder dokterszorg werd gesteld en een verbloeding door secundaire wonden daarmee minder aannemelijk is.

[170] Nadien werden de posities op de Wilgenbos en de Achterhakkers versterkt met meer manschappen en enige lichte mitrailleurs. In het havenkantoor werd een lichte mitrailleur opgesteld, in het magazijn Achterhakkers een (schootsrichting midden spoorbrug / Zwijndrecht) mitrailleur en de derde bleef in de positie bij de barricade. Een ‘scherpschutter’ (6) met twee helpers werd naar de Victoriafabriek gestuurd.

(6) Het Nederlandse leger kende inderdaad het predicaat scherpschutter in 1940. Het betekende echter slechts dat een militair aan de hoogste schutterskwalificaties met gewoon geweer (c.q. pistool c.q. lichte mitrailleur) had voldaan. Het was dus een bekwaamheidstitel en geen functietitel. Er was geen sprake van gebruik van aparte wapens, vizieren of afwijkende richtmiddelen op het geweer, noch van een aparte tactische rol voor scherpschutters. Wel had een erkend scherpschutter het recht een vijfpuntige ster [scherpschutter 2e klas geweer], tienpuntige ster, gelijk aan twee achter elkaar geplaatste vijfpuntige sterren [scherpschutter 1e klas geweer] of een pistool [scherpschutter pistool] op de linker bovenmouw van de veldjas te borduren. In het geval van scherpschutters der genie was die in goudborduursel uitgevoerd. De scherpschutter lichte mitrailleur [twee gekruiste patronen] en scherpschutter lichte mitrailleur 1e klas [twee gekruiste patronen met onderliggend streepje] werden niet uitgereikt aan militairen die niet bij infanterie, cavalerie, artillerie of Marechaussee / Politietroepen dienden.

[170, 170d] Intussen was dienstplichtig korporaal [uit de onderofficiersopleiding torpedisten] A.J. Klink vanuit 4.DCT met drie man naar het kantonnementsbureau gestuurd. Van daaruit werd hij direct doorverwezen naar luitenant Plasschaert en kreeg een zojuist verworven lichte mitrailleur mee. Bij diens positie aangekomen, werd juist de gewonde torpedist Oome afgevoerd en stond de luitenant zijn mitrailleurtrommel te legen op Duitsers rond de Dokweg. De luitenant gaf zijn mitrailleur even later over aan een onderofficier en nam even later de korporaal mee naar de Victoria fabriek waar hij hem theorieles gaf in de bediening van de lichte mitrailleur. Na deze spoedcursus nam hij de korporaal mee naar boven, waar hij de korporaal beval optimaal waar te nemen en opvallende zaken die op of nabij de bruggen plaatsvonden te doen laten melden bij de staf middels zijn helper. Heel nadrukkelijk gaf de luitenant hem mee slechts op niet te missen doelen te vuren en dit zodanig te doen dat de positie niet werd verraden. De luitenant bleef enige tijd bij de korporaal om te zien of de zaken goed gingen. Hij nam waar dat het vuur dat korporaal Klink uitbracht vermoedelijk twee Duitsers uitschakelde. Uiteindelijk vertrok de luitenant, de korporaal en zijn helper meegevende dat zij vrij waren om als het tegenvuur te dicht zou worden van positie te veranderen en eventueel ook de locatie van de naastgelegen EMF daarbij te gebruiken.  

Detachement torpedisten Biesbosch arriveert

De belevenissen van de torpedisten van het Detachement Biesbosch worden hieronder in eerste instantie zeer nauwkeurig gevolgd. Waarom dat gebeurt zal de lezer spoedig duidelijk worden, want het ‘relaas’ biedt veel omstandige duidelijkheid omtrent de gang van zaken in ons leger anno mei 1940. Bovendien biedt het een beeld van de curieuze gang der beleidszaken binnen het kantonnement Dordrecht.

[150] De 3e Compagnie Torpedisten behoorde tot de Groep Merwede, dat op zijn beurt weer onder het Commando Oostfront Vesting Holland viel. De compagnie [C., reserve kapitein C.R. Kraayenbrink] had taken in de met name de Biesbosch sector, zoals besproken in de sectie Keizersveer-Maasfront.

[1, 150, 170] Overste Mussert had direct bij aankomst op zijn bureau – rond 0630 uur – contact gezocht met de C-VH en gesmeekt om versterkingen, met name van zware mitrailleurs die in zijn kantonnement in het geheel niet voorhanden waren. C-VH legde direct daarop een instructie neer bij de Commandant Oostfront Vesting Holland [Generaal-majoor J.H. Fruyt van Hertog] tot levering van troepen aan Dordrecht. Op zijn beurt klopte de generaal aan bij de Groep Merwede, waar de commandant Vak Sleeuwijk [reserve luitenant-kolonel W.A.C. van Dam] opdracht kreeg het torpedisten detachement Biesbosch ter beschikking te stellen aan de Kantonnementscommandant Dordrecht. Hiertoe werd het gros van de 3e Compagnie Torpedisten [exclusief de mijnversperringsdetachementen die achterbleven], zijnde 80 onderofficieren en minderen o.l.v. twee officieren, geïnstrueerd zich naar Dordrecht te begeven.

[1, 150] Het detachement werd geleid door de reserve 1e luitenant B. Verschoor, met naast hem de reserve 2e luitenant C.P. Beernink. Bovendien de vaandrigs Rietzschel en Penon, beiden sectiecommandanten. Tien van de zware mitrailleurs M.18 [Vickers] van het detachement werden meegevoerd (7). Het detachement beschikte over zoveel mitrailleurs, omdat deze dienden voor de bewapening van de ruim 20 vletten die zij voor haar patrouilletaken in de Biesbosch sector onder haar hoede had.

(7) Het Stafwerkdeel ‘Zuidfront’[1] spreekt over tien zware mitrailleurs. Uit de verslagen van de luitenants Verschoor en Beernink van de 3e Cie Torp [150] lijkt echter de sterke indruk te ontstaan dat men ‘slechts’ over acht Vickers de beschikking had. Uit reconstructie van de verdeling van de wapens over drie eenheden bleek namelijk dat er één M.18 te Achterhakkers bleef, vier met de sectie Beernink meegingen en drie met de sectie Verschoor richting 1.DCP. Tevens wordt door het stafwerk abusievelijk van de vaandrig Perron gesproken. Uit correspondentie met luitenant Beernink blijkt dat deze vaandrig Penon heette.  

[150] Met vier vrachtauto’s werden de 82 man rond 1000 uur aan Brabantse kant over de Bandijk en via de Veerweg naar de Brabantse overkant van Kop van ’t Land gebracht. Het veer bracht eerst een vrachtwagen over met een vaandrig en twintig karabijnschutters. Die hadden tot taak gekregen van luitenant Verschoor om de overkant te verkennen op Duitse aanwezigheid en een veiligheidscordon te vormen om het veerhoofd heen. Omstreeks 1100 uur was het gehele detachement aan de overzijde, waar luitenant Verschoor direct telefonisch contact zocht met het kantonnementsbureau. Kapitein van der Mark gaf hem instructie onverwijld zich naar de Benthienkazerne te begeven. Bovendien werd de luitenant op diens vraag omtrent Duitse bedreiging op de route gemeld dat Dubbeldam wellicht in Duitse handen zou zijn. De luitenant kreeg de tamelijk bizarre instructie mee om ‘volgens de voorschriften van de Velddienst’ te handelen, dan zou het wel goed komen …

[150] Het kwam goed, want in gezwinde vaart kwam het kleine konvooi over de Dubbeldamse weg Dordrecht binnen en reed zonder problemen door naar de Buiten Walevest. Het was rond het middaguur dat men daar aankwam en de torpedisten direct constateerden dat de locatie onder vuur van de Duitsers lag. De manschappen werden in dekking gebracht terwijl de luitenant Verschoor zich binnen meldde en daar – opvallend genoeg – zowel overste Mussert als diens adjudant trof. Kennelijk proefde zij geen behoefte één van beide op het kantonnementsbureau te zijn, terwijl er toch voldoende te coördineren viel. Maar het meest curieuze volgde direct daarop. De luitenant meldde zich bij de overste, die hem direct instrueerde zijn detachement in twee gelederen op linie (8) op te stellen! 

(8) Dat betekende twee gelijke rijen manschappen achter elkaar, onderofficieren aan de buitenzijde. Een opstelling die voor een inspectie exercitie gebruikelijk was.

[150] Nadat de manschappen zoals gevraagd zich hadden opgesteld, werd de luitenant pas verder te woord gestaan door de overste Mussert. Er werd de luitenant te verstaan gegeven met zijn manschappen de overste in diens auto te volgen richting Achterhakkers. Zo geschiedde, waar bij aankomst bleek dat ook de kop van de Achterhakkers onder vuur lag (vanaf de Zwijndrechtse kant). Opnieuw moest het detachement direct in dekking. De overste trok zich echter niet zo veel van het schieten aan en verordonneerde de manschappen in de steeg [tegenwoordig bestaat deze niet meer] achter het bureau in gelid op te stellen. Hierna liet de overste Mussert de - volgens de rapporten van de torpedisten - doodnerveuze kapitein Van der Mark de luitenant Verschoor instrueren wat er van zijn detachement verwacht werd en verdween zelf zijn bureau in.

[150] Kapitein van der Mark nam de luitenant uiteindelijk ook mee naar binnen en gaf instructies dat er één zware mitrailleur met bediening bij het kantonnementsbureau diende te blijven. Als commandant van dit groepje torpedisten werd de vaandrig Rietzschel aangewezen. Een groep van 40 man, vier sergeanten en onder leiding van reserve 2e luitenant C.P. Beernink werd aangewezen om onverwijld naar het station te gaan. Hij diende van daaruit met de vier zware mitrailleurs langs het spoor een zodanige positie in te nemen dat alle automatische wapens van de Duitsers rond de bruggen uitgeschakeld zouden kunnen worden. Met het restant (circa 30 man met drie mitrailleurs) zou luitenant Verschoor zich bij de commandant van 1.DCP [kapitein Siegmund] in de Betje Wolffschool dienen te melden.

Het Bos van de Roo

In de vroege ochtend was er voor de Duitsers een even onverwachte als onplezierige ervaring gekomen in de aanraking met het vooraf als 'zwakke verdediging' ingeschatte Nederlandse Ersatz Batallion dat de Duitsers in Dordrecht wisten te zitten. Dat bataljon had hen veel meer dan verwacht de poot dwars gezet richting bruggen. Het was voor de Nederlanders echter zaak de Duitsers zo gauw mogelijk op te ruimen in het zuiden van Dordrecht. En dat was veel eenvoudiger gezegd dan gedaan.

Toen de luitenant Van der Houwen en zijn manschappen na de vuuroverval vanuit de groentewinkel aan de Krispijnse weg een voornaam deel van 3./FJR1 gevangen namen, werd in feite het startsignaal gegeven voor een langdurige opruimactie. De 18 gevangen Duitsers werden naar de Betje Wolfschool gebracht, waar op dat moment al een dozijn gevangen genomen Duitsers zat, waaronder die van de groep AOOI Koster. Wegens het aantal op dat moment wegens sneuvelen, verwondingen of gevangenneming reeds uitgeschakelde parachutisten, was de Duitse compagnie in wezen al meer dan gehalveerd in aantal.

De Duitse parachutisten zaten echter ook nog op het DFC terrein, rond de gashouders en bij het spoor rond Dubbeldam. Deze parachutisten – het zijn er beslist niet heel veel geweest – werden door toedoen van enkele kleine groepjes manschappen (zoals de groep Koster) en individuen (zoals de sergeant Pasma en de korporaal Grollé) westwaarts gejaagd.

Het voert te ver al deze acties tot in den treure te bespreken, want dan zou erg veel ruimte nodig zijn om vele individuele militairen te volgen. Enkele gebeurtenissen halen we er toch uit omdat ze opvallend waren of omdat opvallende personen erbij betrokken waren.

[170a] Adjudant H.P. Koster had na zijn actie in de vroege ochtend zijn acht gevangenen eerst weer bij de school afgeleverd. Aldaar kreeg hij instructie zich opnieuw in te zetten met zijn groepje, hoewel er behoorlijk wat tijd moet hebben gezeten tussen zijn aankomst bij de school en de volgende missie. De adjudant had bij de eerste actie al gemerkt dat er richting het voetbalterrein van DFC geschoten was en besloot die richting uit te gaan. Zijn verslag maakt duidelijk dat hij echter via de Bosboom Toussaint straat en de Mauritsstraat bij het één na laatste huis van die straat (dus op de hoek met de toenmalige Dubbeldamse weg) op het (platte) dak en eerste etage terecht kwam, om vandaar Duitse parachutisten die zich op en bij het DFC terrein [vlakbij de gashouder] bevonden, te beschieten. Daarbij werden volgens zijn zeggen Duitsers uit het clubhuis verjaagd. [170b] Soortgelijke berichten gaf de sergeant Pasma, die vanuit een andere hoek [hoek Transvaalstraat/Toulonselaan] in aanraking kwam met die parachutisten, samen met enkele eigen karabijnschutters.

[170a] Het zijn met name die Nederlandse militairen die in de sector langs het spoor, het emplacement en de overweg ten noorden van de gashouder lagen die urenlang in vuurgevecht bleven met de Duitse parachutisten. De verhalen in bekende publicaties lijken de suggestie te wekken dat de Duitse parachutisten snel werden afgesneden en overklast werden door de Nederlanders. Niets is minder waar. Het duurde ruim twee uur voordat de Duitsers werkelijk de hoop op een uitbraak richting bruggen zo goed als opgegeven hadden, maar nadien probeerden ze nog lange tijd via het spoor in de stad terecht te komen. Toen dat uiteindelijk niet lukte, trokken de meeste Duitse parachutisten uiteindelijk samen in het Bos. Al die tijd was het een geknetter van vurende wapens en fluitende kogels. Niemand had het overzicht en iedereen diende op zijn hoede te zijn. 

[452] Ondertussen was het na 1100 uur geworden, ruim zes uur na de Duitse landing. Er waren ongeveer 30 Duitsers gevangen genomen, een dozijn gesneuveld en meer dan een dozijn lag gewond in het veld. De Duitse slagkracht was gedaald tot 2 lichte mitrailleurs waarvoor nog enige banden munitie voorhanden waren en de gewone handwapens. De handgranaten werden schaars, de gewone munitie evenzo. Geweerschutters werden zelfs van sMK.II munitie [munitie tegen licht gepantserde doelen] voorzien, om in elk geval nog voldoende munitie voor verdediging te hebben. Leutnant Schmelz stelde rond 1100 uur vast dat de restanten van zijn compagnie zo goed als omsingeld waren.

[170, 170a, 170b, 178] Aan Nederlandse kant was men eindelijk zo ver om de Duitsers in het Bos van de Roo te durven aangrijpen. Dat ging weer zonder enige afstemming, hoewel vanuit het station en langs het spoor constant vuur op het Bos werd gelegd door daar aanwezige spoorwegtroepen, torpedisten en pontonniers. Ook vanaf de oostzijde lag het Bos onder vuur, onder andere door sergeant Pasma, de groep Koster en enkele andere losse verbandjes die zonder enige leiding rondom de Duitse positie lagen.

[170a] Luitenant van der Houwen was het die tenslotte met een aantal mannen vanuit de richting van de Krispijnseweg toegang tot het Bos forceerde. Zijn groep stelde zich op linie op en rukte op richting oosten, het Bos doorkammend. De groep bestond in elk geval – naast de luitenant – uit de sergeant Harkmeijer, de korporaals S. Heiden, W.H. Jansen, L. Opmeer, J.H. Bouman, J. Grollé en de soldaat J. Meulstee. De korporaals Veenstra, P.S. Bakker en Stevens waren ook van de partij, zij het in tweede lijn. En daarachter bevonden zich de pioniers van de sectie Ruige, die vanuit de huizenrij aan de Chrispijnseweg komend snel aansloten op de groep militairen die het Bos ingingen. Dat alles overigens zonder afstemming of beleid, maar puur op autonome besluitvorming gebaseerd.

Hoewel het Bos flink onder vuur lag van vooral de spoorzijde (Nederlands vuur dus), liet de luitenant van der Houwen zich daardoor niet van de wijs brengen en trok met de kleine groep pontonniers op. Plotseling stonden een tiental parachutisten voor hun neus op, wat de meeste Nederlanders een kleine hartverzakking bezorgde, omdat zij de – kennelijk goed gecamoufleerde – parachutisten totaal niet gezien hadden.

[170a, 452] Leutnant Schmelz – volgens diverse Nederlandse verslagen een barse man – gaf te kennen dat zijn eenheid zich wenste over te geven. Luitenant van der Houwen gaf ik zijn verslag aan dat de Duitsers danig op hun neus keken dat zij door slechts een paar met karabijnen bewapende Nederlanders gevangen werden genomen, maar dat zal schijn zijn geweest. De munitie aan Duitse kant was op en zonder enige kans op succesvolle uitbraak leed men alleen maar zinloze verliezen.

Een man of 30 werd in eerste instantie gevangen genomen, later op diverse locaties in het bos en zelfs nog bij de huizen nog een tiental parachutisten opgepakt.

Daarmee was een einde gekomen aan het bestaan van 3./FJR1 als compagnie tijdens de veldtocht in Nederland. De eenheid had 18 man doden verloren (14 op 10 mei, nog 4 zouden er overlijden op de tweede dag, maar deze behoorden mogelijk tot de Kp Moll i.p.v. de 3e Kp) - waarvan Fw Hissen als enige van III.Zug bij de bruggen - en circa 75-80 waren krijgsgevangen gemaakt. Tien man waren als enige van de hoofdmacht bij de bruggen gekomen om daar naast het voltallige derde peloton de vechtende restanten van 3./FJR1 te vormen.

Nabeschouwing gevechten in de Polder 

Er zijn vele zaken die ten aanzien van de gevechten in de Polder tussen 0500 uur in de ochtend en 1200 uur in de middag de revue zijn gepasseerd en een beknopte nadere beschouwing verdienen. Hoed u voor een zeer kritische beschouwing!

Blunderende Duitsers

Allereerst de al eerder besproken consequent foutieve en onzuivere bespreking in naoorlogse publicaties van de gebeurtenissen. Consequent worden daarin de pontonniers uit Krispijn geroemd om hun acties - zoals dat in onderscheidingen ook al gebeurde. De pontonniers krijgen bij wijzen van spreken vrijwel alle krediet voor de verdediging en zuivering van de Polder en omstreken. Een zeer onterechte zaak die ruim onvoldoende recht doet aan andere onderdelen en bovendien de pontonniers zeer overtrokken beloont. In wezen waren het namelijk de spoorwegtroepen die het cruciale werk deden, namelijk het blokkeren van de Duitse route langs of door de Spuitunnel.

Er zijn twee zaken van essentieel belang geweest bij het tactische Nederlandse succes in de Polder. De eerste cruciale voorwaarde voor dat succes was dat het deel van de sectie Spoorwegtroepen dat bij de villa Weizicht lag (onder leiding van haar sectiecommandant) direct weerstand bood aan de zojuist gelande Duitsers die optrokken langs de Krispijnse weg. Dat verzet veroorzaakte de voornaamste aanleiding voor het latere Nederlands succesje. Het verleidde de Duitse compagniescommandant namelijk de cruciale fout te maken het Nederlandse verzet te onderschatten en zich te laten afleidingen van zijn hoofdtaak (onverwijld optrekken naar de bruggen) door te besluiten eerst het Nederlandse verzet ter plaatse op te ruimen. Dat deed de Duitse compagniescommandant niet met een kleine groepering, maar dat deed hij met zijn volledige hoofdmacht, waarbij slechts de reeds uitgezette rug en (linker)flank beveiliging niet betrokken waren. Een kapitale blunder, zo redeneren ook de Duitse gevechtsverslagen van I./FJR1 en 3./FJR1[450, 452].

Oberleutnant von Brandis stond bekend als een ‘Draufgängerische’ officier, met een tamelijk impulsieve geest. In Noorwegen had hij met zijn compagnie op Stavanger-Sola het vliegveld overvallen waarbij zijn compagnie buitengewoon stoutmoedig optrad. Het vliegveld werd veroverd ten koste van slechts enkele doden, maar er was wel erg veel risico genomen. De Noorse verdediging was echter onder de indruk geweest en geweken. 

Zoals het gros der parachutistenofficieren had Von Brandis geen degelijke landmachtopleiding als officier achter de rug. Het gros der parachutistenofficieren kwam immers uit de Luftwaffe of Polizei gelederen, een aantal zelfs uit voormalige SA organisaties zoals de Feldhernhalle. Zij misten de militairtactische scholing die ranggelijken bij de landmacht wel kregen.

[501] Duits onderzoeker, publicist en oud parachutist Oberst a.d. Karl-Heinz Golla typeert de parachutistenofficieren tot en met 1941 als officieren bij wie het aan moed en inzet niet ontbrak, maar bij wie de ‘gung-ho’ mentaliteit het gogme veelvoud overtrof. Hij heeft vermoedelijk het gelijk aan zijn kant. Ook in mei 1940 ziet men staaltjes van moed bij Duitse parachutistenofficieren, maar als men de tactiek beschouwt die werd toegepast dan was die slechts op één locatie uitstekend te noemen, en dat was bij de inname van Waalhaven. Op alle overige locaties werden de Duitsers of verslagen of waren hun successen vooral gefaciliteerd door Nederlands falen. Van tactische of operationele meesterstukjes was nergens sprake. In tegendeel. Maar naoorlogse publicisten en onderzoekers hadden - vaak bewust - geen oog voor deze aspecten. Immers, een niet-tactisch briljante tegenstander maakt de nederlaag nóg slechter verteerbaar.

Oberleutnant von Brandis onderschatte zijn tegenstander. Merkwaardig, want bij de briefing de dag voordien was het de Duitse leidinggevenden (alle Gruppeführers en hoger) ingepeperd wat de doelen, kansen en bedreigingen waren. Hoewel de Duitsers geen exact beeld hadden bij de kracht van de Nederlandse verdediging, was duidelijk uit hun verkenningsrapporten dat zij bekend waren met een staf of hoofdkwartier bij Amstelwijk en een Ersatz Batallion in Dordrecht. Ook het feit dat twee Nederlandse legeringen in Krispijn waren gevestigd was aan hen bekend. Von Brandis was dus een gewaarschuwd mens en ging desondanks de strijd aan buiten zijn noodzakelijke pad. Een kapitale fout. Toen hij sneuvelde bleef zijn opvolger – Leutnant Schmelz – met een verspreid dispositief over, dat intussen zich had laten binden aan tegenstanders langs het spoor. Vervolgens zouden pioniers en pontonniers de rug en linkerflank van de Duitsers gaan bedreigen. Daarmee was de gehele compagnie gebonden. Uitbreken was voor de Duitsers nauwelijks meer aan de orde in die fase en zeker niet in grote verbanden. Nadat het gros der zware wapens was verloren gegaan alsmede een belangrijk deel van het eerste peloton, was het voor de restanten van 3./FJR1 in feite afgelopen; er was sprake van 'Vorentscheidung', zoals men dat in het Duits placht te noemen.

Aan Nederlandse kant was men er per ongeluk in geslaagd om de Duitse perimeter af te grendelen. Men kreeg die kans door het verzet van de Spoorwegtroepen en de daaropvolgende foute beslissing van Oberleutnant Von Brandis vol de aanval te zoeken. Daardoor verwaarloosden de Duitsers hun linkerflank en lieten zich daar en in de rug door kleine stoutmoedige formaties pontonniers de kaas behoorlijk van het brood eten. Dat de pontonniers absoluut geen elitetroepen tegenover zich hadden bleek wel uit de haast amateuristische wijze waarop de Duitsers hun zware wapens concentreerden en hoe men de kleine formatie over een groot terrein verspreidde. Tactisch was het aan Duitse kant weinig verheffend en daarbij boden de meeste parachutisten nog eens weinig verzet ook, zodat de zware wapens en flankbeveiligingen door kleine Nederlandse groepjes militairen eenvoudig konden worden opgerold. Hoe eenvoudig blijkt wel uit de minimale aantallen slachtoffers aan Nederlanders kant. Dat was exact één man tijdens de strijd tegen de troepen in de Polder. De overige slachtoffers vielen door andere oorzaken of de vrachtwagenactie van luitenant Over en zijn mannen in de Marnixstraat.

Ontbrekend Nederlands beleid

Aan Nederlandse kant ontbrak het beslist niet aan individuele moed en doortastendheid, wel aan beleid. Het eindresultaat - het uitschakelen van ca. 100 man parachutisten in en rond het gebied de Polder - camoufleerde namelijk een totale omissie van beleid aan Nederlandse kant.

Werkelijk tientallen individuen en kleine groepjes militairen trokken er – al dan niet met enige vorm van instructies – op uit. Compagniescommandant (als ze al ter plaatse waren) gaven geen duidelijke leiding. Individuele militairen met een streep of meer, trokken er autonoom op uit en smeden eigen plannen. Zelfs als men andere verbanden tegen kwam, vond geen enkele afstemming plaats. Men sloot zich vaak niet eens aan. Een merkwaardig gegeven!

Moed, beleid en trouw – de drie toetsen waar de kandidaat Ridder der Militaire Willemsorde aan moe(s)t worden gemeten. De Dordtse strijders 1e luitenant Van der Houwen, AOOI Koster, Torpedist Oome, 1e luitenant Plasschaert en sergeant-majoor van Vlierden kregen een MWO4 voor hun acties in Dordrecht, waarbij alleen voor de laatste twee de krijgsverrichtingen na 10 mei 1940 meetelden. Voor de overige Ridders was 10 mei slechts van belang, althans voor de in de considerans opgenomen criteria.

Ondanks de toegekende MWO4 was de overigens buitengewoon moedig en doortastend optredende 1e luitenant Jan van der Houwen in zijn beleid helemaal geen hoogvlieger geweest. Oneerbiedig gezegd zou men kunnen zeggen ‘hij deed maar wat’, maar dat zou qua intonatie veel teveel afbreuk doen aan zijn moed en doortastendheid. Desondanks werd er door hem geen enkele afstemming gezocht met andere verbanden, zette hij geen zorgvuldig krijgsplan op en nam hij bovenal een totaal onnodig groot risico bij het doortrekken van het Bos van de Roo. Die actie was in wezen impulsief en onverantwoord en had buitengewoon kwalijk kunnen aflopen.

De Duitsers waren omsingeld, afgesneden van de rest. Er was geen enkele aanleiding in die fase zonder enige afstemming met de overige Nederlanders – met name die aan het spoor – met een kleine groep het Bos te doorkruisen. Als de Duitsers zich niet hadden willen overgeven, en zoals de verdedigers van Dombas (1./FJR1) tot de laatste patroon door hadden gevochten, dan was de formatie van luitenant van der Houwen gedecimeerd, wellicht zelfs geheel gedood. Zouden de parachutisten in het Bos de wapens hebben gebruikt in plaats van gestrekt, dan was menige dapperheidonderscheiding postuum uitgereikt geworden aan Nederlandse kant! Geen beleid, maar wel grote moed en doortastendheid.

Doordat de Nederlanders geen beleid etaleerden, en kennelijk geen enkele officier op enig moment besloot dat gecoördineerd beleid ter plaatse noodzakelijk was, konden de Duitsers in het Bos van de Roo nog urenlang de strijd volhouden. Daarmee dus even lang grote contingenten Nederlandse troepen binden, die veel beter hadden kunnen worden gebruikt om de bruggen aan te vallen of het zuiden van de stad af te grendelen. Pas na 1400 uur kwamen de eerste versterkingen van I./FJR1 uit het zuiden namelijk in contact met de Duitse brugbezetting bij Dordrecht. Tot die tijd waren er werkelijke en tastbare kansen geweest om de bruggen nog te kunnen heroveren. Nadien waren die kansen in alle redelijkheid voor het Nederlandse leger verkeken.

Kennelijk lagen de maatstaven voor de beleidstoets in Dordrecht anders dan op menig ander front in mei 1940. Daar waar majoor Jacometti van II-8.RI op de Grebbeberg geen MWO kreeg omdat zijn krijgsbeleid daarvoor onvoldoende werd geacht, kreeg de 1e luitenant van der Houwen wel een MWO, ondanks het feit dat zijn krijgsbeleid ook nergens op leek. Het grote verschil tussen beide officieren was de afloop van hun beider acties. Jacometti deelde in een smadelijke nederlaag, van der Houwen en zijn mannen juist in het enige kleine lichtpuntje aan het zuidfront. 

Voordat echter de indruk wordt gewekt dat de MWO voor luitenant van der Houwen niet verdiend zou zijn geweest, wordt een nuance aangebracht. Als men namelijk de consideransen bekijkt die bij de diverse MWO’s behoren die naar aanleiding van de meidagen 1940 werden uitgereikt, dan constateert men al snel dat er zeer flexibel is omgegaan met de Moed, Beleid en Trouw toets. Men kan zelfs vaststellen dat men op het criterium Beleid wellicht alleen maar afviel als dit een politiek of een persoonlijk doel van het Kapittel diende. En laat de lezer die doelen niet onderschatten. Want hoewel het Kapittel zich zal beroepen op haar onafhankelijkheid, is die in wezen niet aan de orde. Zij is een verlengstuk van de defensieorganisatie en niets anders. Zulks zou tijdens en na WO2 in talloze dossiers blijken; men hoeft het recent verschenen boek 'de Grote Tazelaar' [over Engelandvaarder en Ridder MWO Peter Tazelaar] er maar op na te slaan. De MWO’s van diverse militairen die in mei 1940 werden onderscheiden hadden een hoog ‘gun’ gehalte en beslist ook een hoog ‘militair-politiek’ gehalte. Net zo goed als vele militairen niets kregen of een lagere onderscheiding omdat zij omwille van politieke of anderen redenen ‘naast het pulletje vielen’.

Dat het in en om Dordtrecht – ook los van het wankele kantonnementsbeleid – totaal aan beleid ontbrak was dus niet een kwestie die geheel op de kantonnementscommandant was terug te voeren. Dat dit kwam doordat de Nederlandse officier in beleidskwesties – in Truppenführung – in het geheel niet was geschoold, zou gedurende de vier dagen strijd in de stad wel blijken. Tot zover over de beleidskwestie.

Tactische winst, operationeel verlies

De militairen die actief vochten rond de Polder waren vrijwel zonder uitzondering opvallend moedig en doortastend geweest, zelfs onverschrokken in sommige gevallen. Men kan zich afvragen: waarom zij wel en bijvoorbeeld de mannen rond Moerdijk, Willemsdorp en Amstelwijk niet?

Ten eerste zal het zo zijn dat de kwaliteit van een aantal kaderleden hier een rol speelt. Een aanzienlijk aantal officieren en onderofficieren in Dordrecht toonde zich uitstekend geschikt voor zijn taak en gaf door een standvastige houding aanleiding tot volgzaamheid en plichtsbesef bij ondergeschikten. De eerdere aantekening ten aanzien van beleid blijft weliswaar overeind, maar de gewone soldaat heeft meer aandacht voor direct leiderschap dan 'het hogere plan'.

Maar minstens zo voornaam zal zijn geweest dat 3./FJR1 niet eerst een staaltje macht en kracht kon tonen. Er ging aan haar landing geen uitgebreide mitraillade vooraf door vliegtuigen, er gierden geen bommen boven de stellingen naar beneden, er detonneerde niets, er werden geen kazernes aangevallen en er kwamen geen handgranaten werpende en uit alle wapenen schietende parachutisten op de Nederlanders af. Zelfs eerder was het omgekeerde het geval. De Nederlanders kende de stedelijke omgeving en wisten zich dus uitstekend in de dode hoeken van het terrein goede uitgangsposities te verwerven om de statische Duitse flanken te kunnen bedreigen. Het was ten opzichte van de andere 'fronten' de omgekeerde zaak, met Duitsers in de verdediging en Nederlanders in het offensief. Dankzij de Spoorwegtroepen waren de Duitsers immers verleid niet direct door te stoten, maar eerst een ‘IJzeren Kruis waardige’ aanval op die verdediging te plegen. Dat maakte de rest van de compagnie statisch en in afwachting, en de Nederlanders wisten daar op deze locatie wel raad mee. Toen de eerste Duitsers op de flanken zich nauwelijks verweerden, kregen de Nederlanders moed. Men ontwaarde immers op geen moment de overmachtige en drieste tegenstander die men elders wel voor zich kreeg. Daarom alom doortastend optreden door de Nederlanders die als het ware 'mochten groeien in hun rol'. Psychologisch waren de Nederlanders vanaf het eerste moment sterk, later zelfs beduidend in het voordeel.

Als men die psychologische kracht had weten te combineren met beleid, waren de Duitsers in de Polder om 0800-0900 uur opgerold geweest. Dat had de Nederlanders zo’n 5 uur geboden om met de legermacht in Dordrecht zuid, toch zo’n 500 man – en inmiddels voorzien van zeker acht werkende Duitse mitrailleurs met aanzienlijke hoeveelheden munitie – de stad aan de zuidzijde af te grendelen. Daarbij mogelijk zelf nog een actie richting bruggen kunnen opzetten of die te faciliteren voor eenheden ten noorden van het spoor.

De feitelijke situatie – net als de geschetst in de geschiedenisboeken euforisch bejubelde situatie – was nuchter beschouwd geheel anders. De 500 Nederlandse militairen in Dordrecht zuid bekommerden zich om zo’n 50 Duitsers die zich lange tijd in een klein bosperk konden handhaven. In de tussentijd werd de afsluiting van het zuiden van Dordrecht door zowel Groep Kil als het kantonnement Dordrecht geheel verwaarloosd. Chef-staf Groep Kil had de enige eenheid op de route Amstelwijk – Maasbruggen in de ochtend opdracht gegeven zich oneigenlijk in het gevecht bij de Polder te storten. Hij had verzuimd – ondanks telefonische contacten met vele officieren in Krispijn – beleidsmatig af te stemmen tot afgrendeling van Dordrecht zuid. Dat terwijl chef-staf Groep Kil wist van de bedreiging van Amstelwijk, wist van een aanzienlijke parachutistenlanding daar vlakbij en wist van landingen in Zwijndrecht en Dordrecht. Doordat er geen beleid kwam vanuit Groep Kil noch van de beide depotcompagnies in Krispijn en vanwege het feit dat het gros der geoefende militairen betrokken was bij de bestrijding van 50 parachutisten in het Bos van de Roo, konden de Duitsers in de vroege middag met twee compagnieën aansluiten op de kleine formatie van zo'n 40 man die de bruggen bij Zwijndrecht en Dordrecht tot dat moment bezet hielden.

Daarmee kan worden vastgesteld dat de uitschakeling van de hoofdmacht van 3./FJR1 een voor de Nederlandse geschiedschrijving wellicht aantrekkelijke winst was, maar in wezen niets meer dan een Pyrrus overwinning was geweest. Operationeel en tactisch gezien was het plaatje namelijk geheel in Duits voordeel geëindigd aan het eind van de middag. Op 10 mei 1940 om 1400 uur maakten het voorste peloton van 4./FJR1 contact met III.Zug van 3./FJR1 bij de Weeskinderendijk. Kort daarna volgden nog drie pelotons van 2./FJR1 en 4./FJR1, die gezamenlijk tot aan de late avond – toen een deel van de aflossing door luchtlandingstroepen via Waalhaven in Zwijndrecht arriveerde – het bruggenhoofd rond de Maasbruggen meer dan veilig stelden.

[De bronnen vindt u hier]