Alblasserwaard

Inleiding

Het gebied tussen de Noord, de Lek en de Merwede was een zone waar geen mens van verwacht had dat het zomaar in enige frontzone terecht zou komen. Voordat zulks het geval zou zijn moesten er heel wat fasen van de strijd zijn doorlopen, zo leek. Niets was minder waar toen de Duitsers op het aangrenzende Eiland van Dordrecht en Eiland Ysselmonde geland waren in de vroege morgen van 10 mei en het Algemeen Hoofdkwartier in Den Haag besloot de Lichte Divisie naar het gebied te dirigeren.

Stafkaart Alblasserdam

De Ablasserwaard – het westelijke deel van het door water omzoomde gebied waar Alblasserdam en Sliedrecht op lagen – was in de periode voor 1939 afhankelijk van pontveren voor het oversteken van de wateren rondom. Pas in 1939 was de grote verkeersbrug [met een zogenaamde rolbascule bedienbaar brugdeel] tussen Hendrik Ido Ambacht [Ysselmonde] en Alblasserdam opgeleverd als essentieel onderdeel van de nieuw aangelegde A15. De enige andere bruggen die aan de westelijke of centrale zijde van het eiland waren te vinden, lagen bij Sliedrecht.[58]

[1, 57] De Alblasserwaard kende geen eigen troepencontingent en had ook geen luchtwachtdienst.

In deze bespreking aandacht voor de Alblasserwaard op 10 mei 1940, waarbij een uitvoerige bespreking van de Lichte Divisie niet kan ontbreken.

De verkeersbrug

[57, 58] De brug bij Alblasserdam zou in mei 1940 een uiterst curieuze rol spelen. Het was een boogbrug [185 meter] die met aanbruggen circa 300 meter lang was. Aan Alblasserdamse zijde kon een val [48 meter] bediend worden dat opende richting westzijde van de Noord. Een aan de aanbrug aangebouwd betonnen viaduct aan Alblasserdamse zijde had een lengte van maar liefst 615 meter. Op 14 november 1939 werd de toen nieuwe rijksweg A15 geopend die Rotterdam en Nijmegen met elkaar verbond. Het deel tussen Hendrik Ido Ambacht en Sliedrecht werd die dag officieel geopend waarbij de brug een pronkstukje van moderne techniek en staalbouw was. Curieus feit: op de oudere stafkaarten van het Nederlandse leger was de weg niet aangetekend. Ze zou daarom op 10 en 11 mei nauwelijks worden gebruikt ...

Voor de omgeving was de opening van de weg een gebeurtenis van groot belang. Eindelijk werd dit deel van het ‘vergeten westen’ werkelijk ontsloten, en was de afhankelijkheid van het pontveer tussen Ridderkerk en Kinderdijk verleden tijd. Desondanks was het gebeuren (kennelijk) geen nationaal nieuws en werd door geen enkele landelijke krant meer dan een paar regels aan het bouwwerk en de weg gewijd. Dat onverhoopte toeval zal een rol kunnen hebben gespeeld bij de Duitse onachtzaamheid die zou leiden tot de onbekendheid bij de planners van de luchtlandingsoperatie met de aanwezigheid van de brug.

De grote nieuwe brug – die vanzelfsprekend al lange tijd in aanbouw was geweest voor 14 november 1939 – was daarom een zaak die aan Duitse zijde tot grote verwarring zou leiden. Het is vrijwel zeker dat de Luftwaffe de brug heeft verkend en gefotografeerd, mogelijk zelfs ‘onbewust’. Er zijn diverse gedocumenteerde spionagevluchten boven deze sector uitgevoerd, en ongetwijfeld zullen er ook nog onbekende vluchten zijn geweest. Die werden vooral door het commando Rowehl uitgevoerd, die aan de Abwehr rapporteerde.

Nu was de noordoostzijde van het Eiland Ysselmonde voor de Duitsers minder interessant. Men was zich bewust dat daar geen militaire eenheden van enig belang lagen, en men waande de sector 'brugvrij'. Wellicht heeft men zich daarom mogelijk geconcentreerd op de bruggen over de Oude Maas en achtte men het bij de Luftwaffe of Abwehr mogelijk onnodig om die bij Alblasserdam te rapporteren. Dat is echter een hypothese.

Brug Alblasserdam

Het is ook mogelijk dat de brug niet is gefotografeerd of dat er gewoon een menselijke fout werd gemaakt. Dat laatste is wellicht het meest voor de hand liggend. Het is bekend dat bijvoorbeeld het vliegveld Ruigenhoek door Abwehr mensen op de grond is verkend [67], maar dat nieuws kwam weer niet bij de Luftwaffe terecht, die het geheime vliegveld daarom tijdens de meidagen ongemoeid liet. Ook is bekend dat inlichtingen bekend waren dat Valkenburg nog niet door Nederlandse vliegtuigen werd gebruikt omdat het veld daartoe nog niet verdragend genoeg werd geacht. Ook dat kwam nooit terecht bij de Luftwaffe. Feit is dat de operaties in Nederland zich in de merkwaardige beveltechnische grondslag ontwikkelden dat das Heer [en OKH] geen enkele bemoeienissen hadden met de luchtlandingsplanning en uitvoering, en de Luftwaffe slechts op een 'need to know' basis door het OKH betrokken werd bij het overige operatieplandeel [500, 501]. Ook tijdens de strijd zou de Luftwaffe de gehele luchtlandingsoperatie in het Westen leiden en das Heer de strijd elders.

Het is beslist niet ondenkbaar dat het op regie van de Abwehr operende Kommando Rowehl essentiële informatie wel aan het OKH bekend maakte, maar dat het OKH verzuimde Luftflotte 2 [verantwoordelijk voor de luchtlandingsoperaties] te informeren. Het is daarom goed denkbaar dat het bestaan van de Alblasserdamse brug door een dergelijke kortsluiting in de uitwisseling van inlichtingen nooit bij de staf van Generalleutnant Student terecht is gekomen. Deze volstond in zijn bevelen met het indelen van een kleine eenheid die na de luchtlanding het westelijk landhoofd van het pontveer bij Ridderkerk moest gaan bezetten [500]

[57] De verkeersbrug werd bij de pijlers van de aanbruggen voorbereid voor vernieling door al tijdens de bouw in een twaalftal pijlers sparingen voor ladingen aan te brengen. Ook de beide trapopgangen worden zodanig voorbereid. De brug was echter tijdens de mobilisatie niet voorzien van ladingen, noch van kazematten of bezetting. [57, 66] Wel waren er twee mitrailleurposities in de pijler aangebracht met front oost, net zoals dit bij de Moerdijk verkeersbrug ter hoogte van de pier in het Hollands Diep was geschied. De posities in deze pijlers bij de Alblasserdamse brug waren echter niet bezet en hadden bovendien met hun front oost geen enkel nut gehad voor de Nederlanders in de strijd die zou volgen.

De ochtend en middag van 10 mei te Alblasserdam

[57] In Alblasserdam waren geen militairen aanwezig toen de oorlog uitbrak. Men werd echter in het stadje wel al vroeg wakker van de grote activiteit in de lucht even ten zuiden van de Lek. De luchtbeschermingsdienst aan de overkant van de Noord – die in de watertoren bij Oostendam zuid van de brug haar positie had - nam de ene formatie vliegtuigen na de andere waar. Deze civiele dienst – een voorloper van de latere Bescherming Bevolking [BB] – had echter in Oostendam geen aansluiting op het radionetwerk van de militaire Luchtwachtdienst. Men nam veel waar, maar kon met de informatie weinig aan.

In de ochtend werden door Marechaussee patrouilles uit Papendrecht de als 'ongewenste elementen' geregistreerde burgers van hun bed en ontbijttafel getrokken en gevangen gezet. Zij werden in de KMAR kazerne in Papendrecht ingesloten.

Even na het middaguur was men in de omgeving getuige van het uitwerpen van parachutisten [sic: vrijwel zeker waren het voorraden die werden afgeworpen] ten zuidwesten van Hendrik Ido Ambacht. Dit was voor enkele van de getuigen – de brugwachters van Holten en Hamers – aanleiding om contact op te nemen met de burgemeester van Alblasserdam [de heer J. van Scheers]. Deze verordonneerde zonder enige omhaal dat de brug moest worden opgehaald en dat deze slechts op bevel van Nederlandse militaire autoriteiten weer mocht worden neergelaten. Deze maatregel werd aan het eind van de middag vanuit Dordrecht door de Kantonnementscommandant overste Mussert gesanctioneerd.

Opvallend was nog dat de brugwachter had gemeld dat de Duitsers waargenomen waren terwijl ze de brug ondermijnden. Hoewel niet kan worden uitgesloten dát de Duitsers dit hebben gedaan [wegens ontstentenis van pioniers en voldoende springstof ter plaatse uiterst onwaarschijnlijk], is het veel aannemelijker dat de Duitsers de brug onderzocht hebben op voorbereide vernieling door de Nederlanders alsmede eventuele verbindingen hebben doorgesneden. Dat laatste stond expliciet in de instructies van IR.16 vermeld [411]

De Lichte Divisie – een introductie

In de jaren twintig en dertig nam de groeiende motorisatie van de samenleving de legers van vele landen mee in deze ontwikkeling. Alom ontstonden gemotoriseerde eenheden, hoewel de scepsis [of chauvinistische inborst: omdat de motorisatie het trotse en traditionele cavaleriewapen in haar bestaan leek te bedreigen] binnen vele nationale legerstaven tegen de importantie van motorisatie tot diep in de jaren dertig aanwezig bleef. Zelfs in het Duitse leger, dat later zo gevreesd zou worden om haar effectieve motorisatie en mechanisatie [waarbij de nuances die bij dat oordeel horen inmiddels bekend worden geacht], moesten voorvechters van die nieuwe ontwikkeling zich een weg banen tussen de weerstand vanuit de hoogste militaire autoriteiten door [502]. Desondanks kwamen de gemotoriseerde onderdelen op in alle landen die uiteindelijk bij de Tweede Wereldoorlog zouden worden betrokken. In menig land waren de in de jaren twintig en dertig geformeerde ‘lichte divisies’ de onderdelen die uiteindelijk zouden uitgroeien tot de eerste tank- of gemechaniseerde divisies. 

In Nederland kwam de motorisatie maar traag op gang, en het duurde heel lang voordat het Nederlandse leger een werkelijk slagwaardig deels gemotoriseerd onderdeel kreeg. Dat onderdeel was de Lichte Brigade. Deze brigade was al in de jaren twintig het meest mobiele onderdeel van het leger geweest, maar pas in de tweede helft van de jaren dertig werd het onderdeel aanzienlijk in sterkte opgevoerd en werkelijk als geheel mobiel gemaakt. In tegenstelling tot vele Lichte Divisies in de landen rondom Nederland, ontstond er echter geen gemotoriseerd infanterieonderdeel [de Huzaren Motorrijders waren immers cavaleristen] en kreeg men nimmer de beschikking over tanks. Die zou ons land voor de oorlog ook niet meer krijgen. De infanterie van de Lichte Brigade was met rijwielen uitgerust en werd ondersteund door motorhuzaren die met motoren met zijspannen waren uitgerust. Alle ondersteunende onderdelen waren voor mei 1940 wel gemotoriseerd, inclusief artillerie en de pantserafweer vuurmonden. Daarbij zij opgemerkt dat de moderne tractie voor de artillerie slechts enkele weken voor de Duitse inval gearriveerd was ...

Eind jaren dertig ontving de Lichte Brigade de eerste werkelijke gevechtspantserwagens in de vorm van 12 Landsverk L181, ofwel de M.36 paw. Twee jaar later volgden 14 Landsverk L180 wagens, waarvan twee commandowagens zonder [echt] kanon. Die laatsten werden als M.38 aangeduid. Met deze pantserwagens werden twee eskadrons gevormd die elk uit vier pelotons met drie pantserwagens bestonden plus een commandopantserwagen voor de beide eskadronscommandanten. Elk eskadron kreeg bovendien motorhuzaren als ondersteuning. Zodoende begon de Lichte Brigade een werkelijk slagwaardig mobiel onderdeel te worden dat in enige mate mee ging in de vaart der (leger)volkeren.

De Lichte Brigade werd kort voor de oorlog omgedoopt tot Lichte Divisie. Dat was vooral te danken aan haar groeiende omvang, want in augustus 1939 was de divisie weliswaar kleiner dan de organieke divisie, maar het verschil in mankracht met een werkelijke divisie was inmiddels beduidend kleiner geworden en de potentiële slagkracht meer dan vergelijkbaar met een (Nederlandse) divisie. 

[7] In de strategie van generaal Reynders had de Lichte Divisie een zeer belangrijke rol gekregen. De generaal hechte grote waarde aan de verdediging van de Peel-Raamstelling. Toen na 1936 duidelijk was geworden dat het Belgische defensieve dispositief zich had verwijderd van de zuidelijke extremiteit van de Peel-Raamstelling, en dit tijdens de mobilisatie werd bevestigd door inrichting van de verdediging achter het Albertkanaal, hield generaal Reynders desondanks vast aan de belangrijke Nederlandse verdediging in de Peel-Raamstelling. Het betekende dat er een gapend gat ten zuiden van de linie zou blijven dat tussen Weert en Tilburg gedekt diende te worden. Omdat men geen stelling langs de grens wilde bouwen, zou een dynamische verdediging moeten worden gevoerd. Hiervoor wees de generaal de Lichte Divisie aan. Dit onderdeel zou, gesteund door drie grensbataljons [GBJ, 6.GB en 3.GB] die daartoe ook met rijwielen en aanvullende autocompagnieën [der autobataljons] waren aangevuld, die taak moeten verrichten.[1, 122, 123]

De door Reynders voorziene taak voor de Lichte Divisie was onrealistisch zwaar. De eenheid beschikte over weinig lichte artillerie [slechts vier batterijen tegenover zes batterijen voor een reguliere divisie] en ontbeerde een middelzware afdeling [waarvan een reguliere divisie er één had met drie batterijen houwitsers van 12 of 15 cm]. Bovendien had men slechts 24 gevechtspantserwagens. Wel beschikte de divisie – indachtig haar taak – over een relatief groot contingent pantserafweergeschut. Samen met de grensbataljons vormde de divisie een sterkte van ongeveer 12,000 man hetgeen een weinig overtuigende macht was om een gat met een breedte van zo’n 40 km mee te dekken. Dat was zelfs volgens de gangbare normen in het Nederlandse leger, dat een dergelijke breedte normaliter aan zo’n drie tot vier (in volwaardige stellingen gelegen) divisies zou overlaten, bijzonder ambitieus.

De beide divisiecommandanten van de Lichte Divisie – die in de periode dat deze strategie gold van de taken op de hoogte waren – hadden gewezen op deze veel te ambitieuze taakstelling. Zij waren niet de enige geweest, want ook de generaals Roëll en J.J.G. van Voorst tot Voorst hadden kritiek gehad op de strategie in het zuiden.

Kolonel H.F.M. van Voorst tot Voorst [in maart 1940 bevorderd tot generaal-majoor en chef-staf van de landmacht bij GS] was in 1936 commandant van de brigade geworden en bleef dit tot dat hij in februari 1940 werd opgevolgd door kolonel H.C. van der Bijl. De laatste werd daarbij spoedig geconfronteerd met een uitgeklede divisie. Hij verloor een regiment motorrijders aan de strategische reserve in het westen, zijn beide eskadrons pantserwagens aan Vesting Holland en zijn lichte infanteriegeschut aan de Peeldivisie en stellingen elders. Op 30 maart had kolonel van der Bijl als een van de weinigen de instructie ontvangen [van de OLZ aan de CV] die de nieuwe strategie voor de eenheden in Noord-Brabant deed ontluiken. Het werd hem dus spoedig na zijn commando overname helder dat zijn taken elders zouden liggen.

[106, 107] Dat ‘elders’ liet zich voor de Lichte Divisie volgens de instructie van 30 maart 1940 vertalen als ‘strategische reserve, gelegen in het rayon Amsterdam – Haarlem – ’s-Gravenhage – Amsterdam’.  De wijze waarop en wanneer verplaatst moest worden, werd ook duidelijk. In de eerste nacht volgend op de eerste dag van krijgshandelingen diende de verplaatsing plaats te vinden, waarbij de Lichte Divisie terug dient te zijn gegaan ‘ten noorden van de Bergschen Maas en het Hollandsch Diep, waarbij de cavalerie en wielrijders gebruik zullen maken van de brug bij Drongelen, de gemotoriseerde onderdelen van de brug bij Moerdijk.’

[106, 107] De dislocatie van de divisie in Noord-Brabant aan de vooravond van de Duitse inval was als volgt:

Te Boxtel bevonden zich de staf, de verbindingsafdeling en de 5e Compagnie Aan- en Afvoer Troepen. 1.RW was verdeeld over Eindhoven, Heeze en Best. 2.RW over Oirschot en Goirle. Het Korps Rijdende Artillerie [zonder de batterijen 6-veld] lag te Sint Oedenrode en omgeving. Te Oisterwijk lag de Afzonderlijke Staf [operationele tweede staf onder luitenant-kolonel J.J. van Diepenbrugge], het Mitrailleur Eskadron en de divisietrein. De autocompagnie was te Moergestel gelegerd en het 2e Regiment Huzaren Motorrijders te Den Bosch.

Op 1 mei 1940 had kolonel van der Bijl een marsorder gereed voor alle onderdelen onder zijn bevel, die in verzegelde enveloppen waren uitgereikt aan de ondercommandanten. In de marsorders voor de respectievelijke onderdelen waren hun nieuwe locaties weergegeven die waren uitgewerkt aan de hand van Winkelman zijn herziene strategie. De verzegeling mocht niet eerder worden verbroken dan op uitdrukkelijk bevel van de C-LD. Volgens goed Nederlands gebruik was de logistieke planning in vredestijd dus uitstekend verzorgd.

Voor de exacte samenstelling van de eenheden wordt verwezen naar de proloog.

De LD in de ochtend van mei 1940

[106] De staf van de Lichte Divisie was al in de avond van 9 mei bekend gemaakt dat er een verhoogde paraatheid voor de grenseenheden was bevolen en in de nacht werd om 0145 uur gemeld dat de troepen aan de Maas in volledige strijdvaardigheid waren gebracht. Rond 0400 uur werd van de staf van C-III.LK vernomen dat er meldingen van Duitse agressie werden ontvangen.

[106, 107] Daarna volgden de gebeurtenissen elkaar snel op. Er werd spoedig duidelijk dat de volledige oorlogstoestand aan de orde was, en zodoende kwam de ingewikkelde verplaatstingsoperatie op gang. De kwartiermakers van de divisie werden al in het eerste oorlogsuur op pad gestuurd naar het noorden [en bleven zodoende meestal in het ongewis over de aangepaste orders spoedig daarna]. [6, 106] Even na 0600 uur kwam vanuit de staf van III.LK de instructie dat de evacuatie van het legerkorps en de Lichte Divisie om 0830 uur zou aanvangen, en dus niet in de avond pas. Bovendien werd toen gemeld dat 2.HRM rechtstreeks door C-III.LK was bevolen zich bij Mill in te zetten voor een tegenmaatregelen tegen aldaar binnengedrongen Duitsers [zie daarvoor het verslag over Mill].

[106] Een merkwaardige melding in het stafdagboek valt vervolgens op. In de vroege morgen van 10 mei [tussen 0630-0700 uur] werd door de chef-staf van de Lichte Divisie [majoor der GS J.E. Coers] contact opgenomen met de commissaris van Politie in Rotterdam om aldaar ongehinderde doortocht te verzoeken voor eenheden van de Lichte Divisie. Dit verzoek op zichzelf is al vreemd, daar met het intreden van de werkelijke staat van oorlog [juridisch: de volledige Staat van Beleg] de militaire autoriteiten gezag hadden gekregen over de civiele autoriteiten zoals de politie. Het voorval is echter des te opvallender als men bedenkt dat de staf van de LD kennelijk, reeds enige uren in de oorlog, totaal ongewis was van de luchtlandingen bij Rotterdam en Moerdijk! Dat terwijl er intensief contact was tussen de staven van LD en III.LK, en die laatste al zeer vroeg weet had van de landingen bij Moerdijk [hetgeen mag blijken uit het bevel van staf III.LK aan C.6GB om 0600 uur om de Moerdijkbrug te hernemen]. Die informatie was zeer relevant voor C-LD, omdat zijn terugtocht route voor gemotoriseerde eenheden juist via de Moerdijkbruggen liep! Het is weer zo’n kwestie waarbij men zich afvraagt waarom er zo uitermate summier informatie werd uitgewisseld op onderling stafniveau, zelfs van onderdelen die uit de aard der zaak zoveel uit te wisselen hadden …

In ieder geval leidde de ‘ontdekking’ van de geblokkeerde route via de Moerdijkbruggen voor de gemotoriseerde eenheden tot een omleiding via Drongelen en Keizersveer. Het betekende dat men de nu tot twee wegen teruggebrachte marsroute dubbel zo zwaar zou moeten belasten. Een zaak die voor een verplaatsing bij vol daglicht weinig verheugend werkte op de bevelvoerders en manschappen. Te meer daar men enige vorm van luchtafweer van kaliber ontbeerde. Daarbij zou de jukbrug bij Drongelen het gros van de divisie te verwerken krijgen.

[106] Nog voordat de daadwerkelijke afmars van de divisie in gang was gezet [enkele onderdelen, zoals de artillerie, waren wel al onderweg], ontving men op de staf rond 1000 uur bericht dat de instructies van C-III.LK gewijzigd werden. De ontwikkelingen in het westen waren aanleiding geweest voor het AHK om de strategische reservetaak van de LD direct om te zetten in een reserve rol in een vastgesteld afwachtingsgebied langs de Merwede. De telex instructie luidde:

» Brug bij Moerdijk in Duitse handen. In verband hiermede zal Lt.Div. niet gaan naar Moerdijk doch over Keizersveer en Heusden naar Gorinchem e.o. en aldaar onder bevelen van C-Vg Holland treden, teneinde zo nodig te worden ingezet voor bezetting van het Merwedefront van Gorinchem tot Dordrecht. Een RW moet zo spoedig mogelijk naar Gorinchem. «

Met deze nieuwe instructie werd de grote afmars aangevangen. Dat daarbij een ongekend riskante logistieke uitdaging aanving was menigeen van meet af aan duidelijk. Men bedenke dat de som aan voertuigen voor alleen al de locatie Drongelen [in ideale opstelling] een file van 10 km aan voertuigen en mensen zou geven. Het is nodeloos te melden dat de werkelijke strekking van de colonne groter was. Aangezien de jukbrug maar een relatief beperkte capaciteit had leidde de aanvoer van zoveel troepen en voertuigen tot een zeer ongewenste maar onvermijdelijke file richting het overgangspunt. De problemen die de Duitse troepen ondervonden aan de oostzijde van de Maas, ondervonden de manschappen van de LD bij de overgang van de Maas in hun sector evenzo. En zij hadden wel te vrezen van een actieve vijandelijke luchtmacht …

De rivieren over

[106] Het nieuwe bevel voor de ter beschikking stelling van het oostfront van Vesting Holland deed de C-LD vertalen in een opstelling noord van de Merwede waarbij 1.RW ondersteund door I-KRA [2 batterijen 7-veld] oostelijk van Giessendam zou opstellen en 2.RW ondersteund door II-KRA [2 batterijen 7-veld] westelijk van Giessendam een opstelling zou kiezen. De bevelen daartoe werden grotendeel per ordonnans verspreid, en het behoeft geen betoog dat diverse ondercommandanten van dit nieuwe bevel geen melding ontvingen [103, 104, 107]. Dat gold in het bijzonder voor een deel van de gevechtstrein die pas bij IJsselstein [U] het ‘nieuwe’ bevel ontvangen zou. Het betekende op 11 mei opnieuw een verplaatsing voor hen [107].

Zoals verwacht ontstond in de middag met name voor Drongelen een lange file langs de kant van de weg, die tot diep richting zuiden en oosten doorliep. Dat baarde vele commandanten en manschappen grote zorgen. In vredestijd had vrijwel niemand zich gerealiseerd welk een overmachtige luchtmacht de potentiële tegenstander zou hebben. Die luchtmacht vloog ongehinderd over Noord-Brabant, en de grote rivieren werden vaak als referentiepunt gebruikt. Zodoende was men constant in beeld. [423] Het geluk wat de terugtrekkende Nederlandse eenheden echter hadden was dat de nadruk voor de beschikbare jachtvliegtuigen in Luftflotte 2 in twee sectoren lag: het landingsgebied van het 7e Fliegerkorps in west Nederland alsmede de sector Maastricht – Belgische Maas – Albertkanaal ter afwering van Geallieerde pogingen de Maas overgang te belemmeren. Het was vooral daarom dat de verplaatsing van Nederlandse troepen in Noord-Brabant relatief weinig hinder ondervond van de Duitse jachtvliegtuigen en bommenwerpers.

[106, 107] Verweer hadden de landmacht eenheden vrijwel niet tegen luchtdoelen. Bij de LD werden de zware mitrailleurs van menig onderdeel tegen luchtdoelen opgesteld. Daarbij verzuimde men naïef genoeg om de stukscommandanten te instrueren alleen op de hen aanvallende doelen te vuren, en zodoende geen vliegtuigen naar hen toe te lokken door optimistisch te vuren op ‘hoogvliegers’. Men vergat op de grond dat de Duitse piloten niet eenvoudig het onderscheid konden maken tussen de voorttrekkende eigen grondtroepen en Nederlandse eenheden op verplaatsing. Het waren daarom met name de eenzijdig door de Nederlanders ontlokte gevechten met overvliegende Duitse jagers en stropende tactische bommenwerpers die aanleiding voor de laatste gaven uit te halen naar de eenheden op de grond.

[107] Zo’n onverstandige handeling vond plaats bij het Mitrailleur Eskadron [C. 1e luitenant J.B.F. van Hasselt]. Het had in de ochtend van 10 mei de beschikking over zeven van de acht organiek ingedeeld zware mitrailleurs [M.08/15]. Het achtste stuk was in reparatie bij de Hembrug. Ieder stuk was op een open wagen geplaatst. Toen men in opmars was naar Drongelen [route Oisterwijk – Tilburg – Kaatsheuvel – Drunen – Drongelen] en alle zeven stukken tegen luchtdoelen waren opgesteld op de wagens, maakte de eenheid de fout vroeg in de middag [ca. 1445 uur] het vuur met enkele mitrailleurs te openen op vrij hoog overvliegende bommenwerpers. Het leidde tot een aanval op de lange colonne troepen in de sector tussen Loon op Zand en Kaatsheuvel. De bommen en mitrailleurkogels kostten acht militairen het leven. Van 5.CAAT waren dat de korporaal H. Voorst en de soldaten B.J. Evers, H. Loman en P.A.H. Fijn (dodelijk gewond) en bij de Autocompagnie reserve 1e luitenant M.W. Jaeger en de soldaten J. Gravers, L. Liet en A.J. Vringer. Een tiental mannen raakten bovendien gewond, ook drie van de Verbindingsafdeling. Het materieel leed echter nauwelijks. Enkele vrachtwagens en auto’s waren beschadigd. Wel raakte een perceel van de Loonse Duinen in brand.

[107] Ondertussen was de opstopping richting Drongelen zodanig dat de aanzienlijke colonne op de weg Tilburg – Waalwijk nauwelijks bewoog. Er werd daarom beschutting gezocht in het uitgestrekte beboste gebied tussen Loon op Zand, Kaatsheuvel en Drunen. Voor de eenheden die achter de voorste gevechtseenheden hadden aangesloten [vrijwel de gehele tros plus ondersteunende onderdelen als ME, Pontonniers en Pioniers alsmede toegevoegde autocompagnie en aan- en afvoertroepen] was het schuilen en afwachten. Zij zouden pas in de late avond de oversteek over de Bergsche Maas maken.

De gevechtseenheden – waarmee wordt verwezen naar de Regimenten Wielrijders en het KRA – waren al in staat geweest in de vroege middag de bruggen bij Drongelen en Keizersveer over te steken, en vervolgens bij Brakel [veer] en Gorinchem [veren] de Waal over te steken in de late middag. 1.RW was het eerste over de Waal, en haar 3e Bataljon bereikte reeds om 1800 uur Giessendam.[103, 106]

[104] 2.RW met II-KRA trokken via Keizersveer over de Bergsche Maas. Daarbij ontbrak nog een compagnie van het 1e bataljon [2-I-2.RW] dat met uitzondering van twee aan de grens verloren gegane secties eind van de avond weer aansluiting zou krijgen. Het 3e en 2e Bataljon waren de voorste eenheden, daarachter volgden de Staf en het 1e Bataljon. Vlak voor Keizersveer haalde II-KRA het 1e bataljon in, waardoor een gevaarlijke opstopping bij Geertruidenberg ontstond. De Staf die hier regelend probeerde op te treden werd rond 1400 uur door een tweetal Duitse jagers onder vuur genomen. Daarbij dekte een ieder zich tijdig en waren enkele kogelgaten in auto’s de enige kwalijke gevolgen. Onderwijl had men de nieuwe instructie van de C-LD ontvangen waarop enkele ordonnansen voortuit werden gestuurd om de voorste onderdelen en vooruit gestuurde treindelen te verwittigen.

[104] III-2.RW had reeds tegen het middaguur de veren bij Gorinchem bereikt. Terwijl de voorste onderdelen werden overgezet arriveerde ook II-2.RW, zodat aan de zuidzijde van de Waal een aanzienlijke opstopping ontstond. Tegen 1800 uur waren de beide bataljons volledig overgezet en een uur later vrijwel compleet op locatie ten westen van Giessendam. De Staf en het 1e Bataljon waren toen nog grotendeels zuid van de Waal.

[106, 107] Het KRA had zich na de Bergsche Maas bij Keizersveer te zijn overgestoken [1230-1330 uur] langs de rivier weer richting oosten begeven. Men hield vervolgens tussen Meeuwen en Eethen gedwongen halt, waarbij de stukken met tractie met grote afstand van elkaar zo veel mogelijk gedekt werden opgesteld. Aldaar ontving men de nieuwe opmarsbevelen [die van 1000 uur] die de beide afdelingen over de Wielrijders Regimenten verdeelden. Hierna kwamen de beide afdelingen in de mêlee terecht die de smalle wegen tussen Drongelen en Brakel vulde. I-KRA ging daarna op weg naar Giessen-Nieuwkerk en II-KRA trok richting Wijngaarden om zich bij 2.RW aan te sluiten. Beide afdelingen kwamen laat in de avond op hun bestemming aan, waarbij met name I-KRA hinder ondervond van het gebrek aan een brandstofaanvulling in de eigen trein. Het moest in Gorinchem daarom bij particulieren tanken.

[106] Kwartiermakers voor de staf waren al om 1400 uur in Molenaarsgraaf [Alblasserwaard] aangekomen om de voorbereiding te treffen voor de inrichting van het stafkwartier van de divisie. De manschappen die met de werkzaamheden een aanvang namen werden tijdens hun werk eenmaal beschoten door plotseling opduikende Duitse jachttoestellen, maar overigens ging het werk voorspoedig. De staf arriveerde vrijwel compleet rond 1600 uur en had nog niet eens de auto’s uitgepakt toen een kapitein van de kantonnementstaf (1) van Gorinchem [in opdracht van de Staf Vesting Holland] arriveerde met het nieuws dat de opdracht voor de divisie wederom ingrijpend zou worden gewijzigd. De staf Vesting Holland had geen contact kunnen maken met de C-LD, en hem daarom tijdens zijn tocht naar Molenaarsgraaf niet kunnen voorzien van de actuele instructies. Daarom was men ertoe overgegaan de Kantonnementscommandant te Gorinchem [als deze fungeerde C-I-23RI, de reserve majoor D.K. Schrek] opdracht te geven de instructie van C-VH over te laten brengen aan de C-LD.

(1) In het verslag van de Militair Commissaris de majoor J. Daniëls [mede ondertekend door reserve kapitein H.M. Taunay, Hoofd Sectie IV staf LD alsmede reserve kapitein M.S. Polak, Hoofd Verbindingsdienst LD] van 5 juni 1940 wordt deze officier aangeduid als 'een kapitein van de Staf Vesting Holland'. Het zal mogelijk dan zijn gegaan om een van de toegevoegd officieren van deze staf, vermoedelijk van de Sectie I. Daarin waren de kapiteins J.G. Warringa, F.J.M. van der Linden en J. Kale vertegenwoordigd. De bewuste kapitein zal door de Commandant of Chef-Staf Vesting-Holland naar de optredend kantonnementscommandant Gorinchem - de reserve majoor D.K. Schrek - zijn gezonden en toen deze op de hoogte raakte van de bestemming van C-LD, doorgereden zijn naar diens kwartier. Het is echter ook mogelijk dat het een kapitein van I-23RI was die het ontvangen bericht van de staf C-VH in opdracht naar C-LD bracht en wegens de oorsprong van het bericht abusievelijk als stafofficier van VH is aangeduid. Het zal dan kunnen zijn gegaan om een van de drie reserve kapiteins van voornoemd bataljon: I. Leopold, J.J.A. Dankelman of K. Leendertz.   

Instructie tot inzet bij Waalhaven

[106] Het bevel dat via het Kantonnement Gorinchem namens de C-VH werd overgebracht luidde dat de LD zich diende te vermeesteren van het door de Duitsers ingenomen vliegpark Waalhaven. Daartoe zou de divisie bij Alblasserdam de Noord oversteken. Een bataljon Wielrijders diende echter ter beschikking van de Kantonnementscommandant van Dordrecht te worden gesteld.

[1, 106] Kolonel van der Bijl stelde zich rond 1700 uur telefonisch in verbinding met de luitenant-generaal van Andel om de ontvangen opdracht bevestigd te krijgen – en – vermoedelijk om enige uitleg te geven over de staat en status van zijn verband. Dat was immers om die tijd nog geheel in opmars volgens de oude instructies. De kolonel kreeg tijdens de telefoongesprek de informatie dat de RAF Waalhaven eerst nog zou aanvallen en dat die aanval gepland stond om om 0200 uur [later 0230 uur, beiden op 11 mei] te zijn geëindigd. Onduidelijk is of de generaal ook mededeelde dat 3.GB vanuit de Hoekse Waard zou bijdragen aan de aanval door haar manoeuvre vanaf de Oude Maas regio. Men zou redelijkerwijs mogen aannemen dat dit gegeven werd gedeeld met de kolonel, die anders immers slechts Duitse troepen zou verwachten op zijn pad. Toch is het bepaald onzeker dat het ook gebeurde.

[106] De instructie aan C-LD was in elk geval ook t.a.v. andere details incompleet – althans – niet naar de aard van compleetheid die men had mogen verwachten. De kolonel werd namelijk niet medegedeeld [c.q. had niet begrepen …] dat het ter beschikking stellen van een bataljon Wielrijders prioriteit had. Daarnaast verzuimde men hem te informeren [of hij heeft deze informatie niet bewust ontvangen …] dat de bruggen over de Oude Maas bij Dordrecht in Duitse handen waren. Hoe dan ook, C-LD zette in de late middag, direct na het telefoongesprek, de ontvangen opdracht om in een instructie aan zijn ondercommandanten op basis van hetgeen dat hij aan informatie had gekregen c.q. begrepen (2).

(2) De instructie van C-LD aan zijn ondercommandanten [10 mei, 1745 uur]:
   1. De vijand heeft zich van het gedeelte van Rotterdam bezuiden de Maas meester gemaakt.

   2. De Lt.D. heeft opdracht in de richting IJsselmonde op te rukken en den vij. aan te grijpen.

   3. Daartoe zal de Lt.D. oprukken in twee marschgroepen:
   a. rechter marschgroep, C-1.RW
   troepen: 1.RW en een Afd. KRA (die welke aanvankelijk zou legeren te Giessen-Nieuwkerk)
   b. linker marschgroep, C.- is C-2.RW
   troepen: 2.RW (min één bataljon) en één Afd. KRA (die welke aanvankelijk zou legeren te Wijngaarden)

   4. Marschwegen:
   a: Marschgroep 1.RW
   Goudriaan – Molenaarsgraaf – brug bij Alblasserdam – Ridderkerk tot Bolnes
   b: Marschgroep 2.RW
   Giessendam – Sliedrecht – Papendrecht – Brug bij Alblasserdam tot Barendrecht

   5. De Hoofden van de hoofdmachten rukken op tot de lijn Bolnes – Barendrecht

   6. C-2RW zendt na het passeren van de brug bij Alblasserdam één Bat. In de richting Dordrecht ter bezetting van die plaats. Dit   Bat. Stelt zich onder bevel van den Kantonnementscommandant Dordrecht.

   7. De voorhoeden van de marschgroepen brengen de gevechtsaanraking tot stand met den vijand.

   8. Ik marcheer over brug Alblasserdam voorloopig naar Ridderkerk

   9. Overige onderdeelen blijven voorloopig ter plaatse als bedoeld in mijn bevel van heden Nr. 4B.

De kolonel had kennelijk alle operationele en tactische vrijheid gekregen een eigen plan op stellen zonder de uitkomst van zijn gedachtenspinselen terug te koppelen met C-VH, want zijn uitwerking van het bevel van de C-VH kende een aantal componenten die niet strookten met de status van het slagveld en met de urgentie die verlangd werd. Afstemming van het plan met de C-VH zou vrijwel zeker tot correctie hebben geleid. De kolonel besloot namelijk – indachtig de logistieke status van zijn divisie – om twee verbanden te creëren die analoog waren aan de door hem aangebrachte scheiding ten weerszijde van Giessendam aan de hand van de ochtendinstructies. Het voorste verband, dus bestaande uit de hoofdmacht van 2.RW [zoals bekend waren enkele bataljons nog niet compleet] en het complete II-KRA, zou als eerste de brug bij Alblasserdam oversteken, vervolgens positie kiezen aan de linkerzijde van de lijn Bolnes – Barendrecht en onderweg een bataljon via Zwijndrecht naar Dordrecht sturen. Het tweede verband, in hoofdzaak bestaande uit 1.RW en I-KRA, zou later volgen en de rechterzijde van de lijn Bolnes – Barendrecht bezetten. Nadat de beide verbanden in essentie de voornoemde denkbeeldige lijn hadden bereikt diende men zelfstandig contact te maken met de Duitsers.

In dit zeer eenvoudige 'aanvalsplan' stuit men op een aantal – met de status van dat moment – strijdige elementen. Allereerst was de verkeersbrug bij Zwijndrecht door de Duitsers stevig in handen en ten tweede was dit ook bij de omgeving (en de brug) te Barendrecht het geval. Beide zaken waren bekend bij C-VH, maar kennelijk niet bij C-LD (doorgekomen). Een derde component is de onbesproken status van de nevenoperatie van 3.GB. In de instructie aan de ondercommandanten valt op dat deze nevenoperatie totaal niet wordt benoemd [het werd wél aan Groep Kil en C-3.GB medegedeeld! [1, 70, 122]]. Zou C-LD er dus al van op de hoogte zijn geweest, dan heeft hij nadrukkelijk verzuimd zijn ondercommandanten te informeren. Die zouden gegeven het eerste aandachtspunt in de instructie slechts vijandelijke troepen tegenover zich verwachten. Daarnaast is de instructie volkomen gespeend van enige nadere bepaling ten aanzien van tijd, ruimte en tegenstander. Dat gegeven gekoppeld aan het feit dat er zelfs een globale tactische instructie ontbreekt voor de beide groepen, typeert de instructie als volkomen ondermaats en inadequaat.

Er vallen dus twee hoofdzaken op. Het eerste is dat de kennis die men op het stafkwartier van Vesting Holland om 1215 uur [tijdstip van aanvalsinstructie aan C-3.GB] en om 1700 uur beslist had [Duitse bezetting bruggen Oude Maas bij Zwijndrecht en Barendrecht] waarschijnlijk niet, of zeer onduidelijk, is gedeeld met de C-LD. In de schriftelijke instructie die C-LD ontving vanuit Gorinchem zijn de drie voornoemde gegevens in elk geval niet opgenomen. Het gevoerde telefoongesprek tussen C-VH en C-LD om 1700 uur kan deze elementen wel hebben bevat, maar dan is het buitengewoon opvallend dat ze geen van drieën ook zelfs maar worden gesuggereerd – laat staan uitdrukkelijk opgenomen – in de instructie van C-LD aan de ondercommandanten.

Er mag dan ook gerust worden geconcludeerd dat C-VH opvallend faalde in het juist, volledig en met kenmerken van prioriteit instrueren en afstemmen met een voorname ondercommandant. Indachtig het feit dat men het hier had over een zwaarwegende tegenaanval [in retrospect: de meest voorname (voorgenomen) tegenaanval van het Nederlandse leger in de gehele meioorlog], mag men vermoedelijk wel spreken van opzichtig falen door de C-VH. Deze had de verplichting als hoogste bevelhebber in deze sector om zijn ondercommandanten adequaat van informatie te voorzien, zeker met zo’n voorname operatie in het verschiet. Een operatie die van een groot strategisch belang was!

C-LD op zijn beurt is de urgentie van de zaak kennelijk evenzo ontgaan. Zijn ‘aanvalsplan’ repte niet van tijd en ruimte componenten, en ademde ook anderszins bepaald geen urgentie uit. Dat kan hem wellicht in enige mate vergeven worden. Als men zich immers op het standpunt stelt dat hem niet was meegegeven dat zijn taak een grote mate van urgentie had [er werd hem geadviseerd een half uur na het einde van het bombardement op het vliegpark aan te vallen; ofwel om 0220, later 0300 uur], dan kan men zijn prioriteitstelling voor het zorgvuldig vormen van het uitgangsdispositief nog begrijpen. Anderzijds was het gegeven dat zijn aanvalsgroepen om 0220 uur (dus) gereed moesten zijn voor de aanval op Rotterdam zuid en het vliegpark een indicatie dat al het voorwerk voor zo’n gereedstelling dus om die tijd moest zijn afgerond. Dat was op zich geen sinecure en dus al een flinke uitdaging op zich. In de wetenschap dat zijn gehele divisie nog onderweg was, zou dat tot spoed moeten hebben gemaand. Bovendien had het in de reden van een (kundig) veldcommandant gelegen om met een dergelijke opdracht in onbekend gebied met onbekend vijandbeeld, zorg te dragen voor het verzamelen van kennis en informatie. De eerste reflex had dus moeten zijn die kennis van de opdrachtgever [staf C-VH] actief te verkrijgen. Daar is het kennelijk niet van gekomen. De tweede reflex is een eigen gebiedsverkenning uitvoeren, en dus enkele kleine snelle verbanden over de brug bij Alblasserdam sturen richting afwachtingsgebied. Een derde logische reflex had kunnen zijn om luchtverkenning van de sector aan te vragen bij de opdrachtgever. Het heeft er de schijn van dat alle drie deze reflexen bij kolonel van der Bijl ontbraken.

Het voorgaande overwegende was het de C-LD, een kolonel met een (voor Nederlandse begrippen) hoge opleidingsgraad in tactisch en strategisch denken en handelen, verwijtbaar dat hij uit de hem voorhanden zijnde gegevens geen eigen inzicht ['battlefield awareness'] ontwikkelde. Al in de morgen was hem via zijn chef-staf immers bekend geworden dat de Duitsers in Rotterdam de bruggen hadden ingenomen [106]. Bovendien wist hij dat Moerdijk was veroverd door de Duitsers, en om 1700 uur wist hij zeker dat Waalhaven ook in hun handen was. Uit die fragmentarische status had de kolonel zelfstandig al moeten opmaken dat zijn missie van groot strategisch belang was voor de krijgskansen van Nederland. Dat inzicht ontbeerde de kolonel (kennelijk) volkomen. Hij toonde zelfs geen enkele spoed in het veilig stellen van de brug bij Alblasserdam en onderkende ook niet dat Dordrecht wellicht stond te springen om het bataljon infanteristen om de gelande parachutisten te bestrijden! Kort en goed gezegd maakte hij ten aanzien van al deze overwegingen slechts verkeerde keuzes.

Als men vervolgens het ‘aanvalsplan’ bekijkt, valt op dat het eigenlijk niets meer (of minder) was dan een uitgewerkt marsbevel. Er sprak geen enkel inzicht uit, het bevatte geen enkele vorm van waardevolle informatie, geen enkele tactische richtlijn, geen tijdsbepaling en was volkomen vrijblijvend ten aanzien van het contact maken met vijandelijke oppositie. Essentieel ontbrekend element was bovendien het RAF bombardement, wat de kolonel toch uitdrukkelijk wél was meegegeven, en hem zelfs in tweede instantie nog als verschoven werd gemeld [eerst 0220, later 0300 uur]. Hem was immers geadviseerd [voor zover het uit zichzelf al niet in de rede lag ...] aansluitend daaraan de aanval op het vliegpark en Rotterdam zuid in te zetten. Maar eveneens mag als opvallend worden aangemerkt dat het in aandachtpunt 7 gestelde nadrukkelijk impliceert dat men volkomen vrij werd gelaten in het contact maken met de vijand. Als men echter de stafkaart van Rotterdam naast het plan legt, dan valt direct op dat met name de rechtergroep – volgens de ook bij kolonel Van der Bijl bekende gegevens – een pittige taak zou hebben aan het tijdig optrekken richting vliegveld onder kundige beveiliging van haar evident bedreigde flanken [de kennis van vijand in Rotterdam zuid droeg C-LD immers].

De rechtergroep diende vanuit de omgeving van Bolnes richting Waalhaven te trekken, en wist haar linkerflank dan gezekerd door de kleinere linkergroep. Althans, als deze parallel aan de rechtergroep zou blijven optrekken. Aan de rechterzijde zou de rechtergroep echter worden geconfronteerd met het zuiden van Rotterdam waarvan men wist dat het door de Duitsers was bezet. Althans, kolonel van der Bijl wist dit. Het stond niet in de instructie aan de ondercommandanten. Als men nu indachtig die kennis de opmars van de eenheden bekijkt dan zou de rechtergroep een groot deel van haar eenheden aan beveiligingstaken moeten achterlaten (als men niet besloot simultaan aan een aanval op Waalhaven offensief tegen Rotterdam zuid te opereren). Men kon immers niet zomaar de gehele route Waalhaven – Alblasserdam onbeveiligd laten, en bovendien zou men de rechterflank zwaar moeten bezetten. Eenmaal voorbij West IJsselmonde en Charlois, in opmars naar Waalhaven, zou men zowel de rechterflank als de rug moeten dekken. Dat vereiste was nog nadrukkelijker aanwezig als men bedenkt dat in het kielzog twee batterijen 7-veld werden meegenomen die kwetsbaar zouden zijn voor een vijandelijke overval, maar die uit de aard der zaak niet in de voorste gelederen zouden optrekken. Men zou dus het dispositief van de rechtergroep enorm moeten oprekken, over een afstand van tenminste 6 tot 8 kilometer. Dat alles diende in het donker tot wasdom te komen in een voor de divisie onbekend gebied. Het is maar sterk de vraag of men zich dat bewust was toen de instructie werd gemaakt en toen deze werd ontvangen.

Als men kennis had gedragen van de voorgenomen nevenactie van 3.GB had kolonel van der Bijl in elk geval de zaken anders kunnen verdelen. Hij had dan de rechtergroep met bijvoorbeeld een extra bataljon voor de flankbeveiliging kunnen versterken. Bovendien had hij 3.GB kunnen opdragen een zuidelijke omvatting van Waalhaven te ontplooien en met zijn eenheid een oostelijke benadering voor zijn rekening te nemen. Zodoende had men dan een veel verstandiger dispositief ontwikkeld waarbinnen de vier artilleriebatterijen zich in alle bescherming hadden kunnen opstellen en voldoende troepen voor de feitelijke aanval op Waalhaven hadden geresteerd. Daarbij had C-LD zich bij kennis van de actie van 3.GB - die bij C-VH bekend was - ook vergewist van het feit dat Barendrecht in vijandelijke handen was. Dat was voor de linkergroep een bedreiging geweest die hem in de gegeven situatie (dus) onbekend bleef.

Het is echter mogelijk dat een aantal zaken alsnog mondeling zijn besproken tussen de C-LD en de beide RW commandanten, maar dat deze details de verslaggeving niet hebben gehaald. Kolonel van der Bijl overhandigde het bevel zelf aan C.2RW terwijl het door de luitenant-adjudant van III-1.RW [reserve 1e luitenant J.F. van Hoek] aan C.1RW werd overgebracht. Hierbij kunnen mondelinge instructies nog zijn gevolgd. De kans dat de kolonel daarbij alle informatie gaf die hierboven als ontbrekend in zijn instructie werd genoteerd, is gering te achten.

Alles overwegende kan in feite maar tot één conclusie worden gekomen. Kolonel van der Bijl faalde opzichtig in zijn beleid en feitelijk op alle punten. De commandant Vesting Holland excelleerde ook bepaald niet in zijn helderheid bij het instrueren van C-LD. Een tragische zaak, waarvan de tragiek (in volle omvang) spoedig duidelijk zal worden als het aankomt op gemiste kansen voor het Nederlandse leger om de Duitse luchtlandingsoperatie tenminste sterk te ontregelen, mogelijk zelfs volkomen te neutraliseren.

[De bronnen vindt u hier]