IJsselmonde - 2e fase

Inleiding

Rest nog de bespreking van de overige gebeurtenissen op 10 mei op het Eiland IJsselmonde nadat de Duitse verovering van het vliegveld en de omgeving succesvol was verlopen.

Daarbij aandacht voor de luchtlandingen, de eerste Nederlandse tegenmaatregelen en Geallieerde ondersteuning.

De bespreking van de gebeurtenissen in Charlois en Rotterdam-Zuid vindt in het hoofdstuk ‘Maasbruggen Rotterdam’ plaats.

De luchtlandingen – tactische bevelen

[2, 421, 422, 500, 501] Onderstaand beknopt de tactische bevelen die voorafgaande aan de operatie waren uitgegeven aan IR.16 [cmdt Oberst Kreysing] en de overige luchtlandingseenheden. Daarbij de geplande bestemming voor alle onderdelen.

Waalhaven en Noordereiland

Kort gezegd was de verdeling zodanig dat I./IR.16 de sector oost zou bezetten [sector Wantij, bruggen Zwijndrecht], II./IR.16 de sector noordoost [de oevers van de Noord] en III./IR.16 Rotterdam langs de Nieuwe Maas en het zuiden van de stad. De parachutisten zouden daar waar noodzakelijk de nodige steun leveren. Zij waren echter bedoeld als de dynamische eenheden in het bruggenhoofd.

Zoals bekend waren de infanteriecompagnieën van de luchtlandingsdivisie niet met 12 maar met 9 lichte mitrailleurs per compagnie uitgerust. Daarentegen waren per compagnie twee zware mitrailleurs ingedeeld, een zogenaamde sMG Halbzug. Iedere compagnie beschikte bovendien over drie lichte mortieren. De Schwere Kompanie – de 4e compagnie van elk bataljon – was in tegenstelling tot een reguliere divisie niet met 12 maar met 8 zware mitrailleurs uitgerust en bovendien met de standaard zes zware mortieren.

Voor de ter ondersteuning landende luchtlandingseenheden gold het volgende.

De batterij 4./AR.22 [vier stukken 7,5 cm] bleef ter beschikking van het regiment. 2./Pi.22 zou naast de al aan 11./IR16 toegevoegde Gruppe nog een peloton naar Rotterdam sturen onder III./IR.16, nadat zij eerst versperringen op het vliegveld Waalhaven zouden hebben opgeruimd. Een ander peloton van 2./Pi.22 zou aan I./IR.16 worden toegevoerd. Een Gruppe van 2./Pi.22 plus een verbindingsteam moest bezit nemen van de veerpont bij Ridderkerk en zou onder II./IR.16 komen.

De ondersteunende compagnieën [13./IR.16 met zes stukken 7.5 leIG.18 en zes li.MG, 14./IR.16 met 12 stukken 3,7 PAK en 12 li.MG] werden over de drie bataljons gelijkelijk verdeeld.

Een hoofdverbandplaats zou door zowel de gelande delen van San.Kp.22 als van San.Kp.7 worden gebouwd. Zodoende zouden twee ruime verbandplaatsen voorhanden zijn bij Waalhaven voor het geval er niet succesvol gebruik zou kunnen worden gemaakt van Nederlandse faciliteiten. Vliegwaardige gewonden zouden zo spoedig mogelijk van het vliegveld naar Duitsland worden overgebracht.

1./Pi.22 werd volledig aan het regiment van Oberst Bräuer toegewezen. Zij moesten op het Eiland van Dordrecht de stellingen verbeteren en zorgen voor het leggen van enkele tactische mijnenvelden tussen Moerdijk (zuidzijde) en Zwijndrecht.

1./PzJgAbt.22 [12 stukken PAK 3,7 en 12 li MG] werd aan C-7.FD ter beschikking gesteld.

Naast deze luchtlandingseenheden van 22.(LL).ID stond er nog beduidend meer op de rol om op Waalhaven te landen.

II./FJR2 (min 6./FJR2) zou worden ingevlogen. Het zou vervolgens in de omgeving van Barendrecht als tactische reserve fungeren van C-7.FD. Zeker is dat II./FJR.2 behalve 6./ overigens ook niet compleet was. Zo was in elk geval een Halbzug van 8./FJR.2 bij 17./FJR.1 ingedeeld, dat de codering was voor de Eben Emael taskforce. Er zijn indicaties dat er nog meer onderdelen van II./FJR.2 elders waren gedetacheerd [1661: Maaslinie].

De PzJgAbt.7 [officieel toen nog Panzerabwehr Versuchs Kompanie genoemd] met 12 stukken PAK 3,7 cm en 12 li.MG en de DivTranspKp.7 [transporteenheid] zouden ter beschikking van C-7.FD blijven.

De 2.Halbkompanie Sanitäter van de Fallschirmjäger – het luchtlandende deel – zou een hoofdverbandplaats inrichten in Rotterdam zuid.

14./FJR1 [12 stukken PAK 3,7 en 12 li MG], de FjrGeschBtr [4 stukken Skoda 7,5 cm], een Zug van de leFlaBttr.106 en een Zug van FjrNaZug.7 zouden ter beschikking komen van het 1e Regiment op het Eiland van Dordrecht.

De overige delen van FjrNaZug [verbindingsafdeling] en leFlaBttr.106 [6 stukken 2 cm FLAK Kanone 38] zouden op Waalhaven blijven.

De divisiestaf van 7.FD en de regimentsstaf van IR.16 zouden uiteraard ook landen. Voor de divisiestaf gold dat zij al rond 0630 uur zouden landen. C-IR.16 zou samen met zijn staf en enkele regimentstaf eenheden [NschKp 22, zug SanKp.22, zug NA.Abt22] in het dorpje Hordijk de regimentscommandopost inrichten. Student en zijn staf zouden vooreerst op Waalhaven blijven. Student zelf vloog in een van de twee Ju-52 die een lange afstandzendinstallatie had ingebouwd gekregen. Daarmee kon rechtstreeks met Luftflotte 2 [Generalleutenant Kesselring / Generalmajor Putzier] worden gecommuniceerd en bovendien met de diverse gelande eenheden elders in Vesting Holland.

Daarnaast zou er op het vliegveld een verkenningssquadron worden gestationeerd dat volledig ter beschikking zou staan van C-7.FD.

Bij elkaar betekende het dat er op Waalhaven (en Rotterdam zuid) circa 1,350 man parachutisten zouden landen (waarvan circa 800 ingevlogen) en 4,000 man luchtlandingstroepen. Bovendien naast de uitrustingen en bewapening van de infanterie eenheden, 48 stukken PAK, 8 berghouwitsers 75 mm, 6 stukken licht infanteriegeschut 75 mm, 62 munitiecaissons, 8 dwergpaarden, 6 stukken 2 cm luchtafweer geschut, enkele tientallen motoren, zware en lichtere verbindingsmiddelen, een complete hoofdverbandplaats, een inventaris voor een tweede hoofdverbandplaats, munitievoorraad en landmijnen en uiteraard zaken als primair noodzakelijke uitrustingstukken en rantsoenen.

De benodigde transporten zouden vanzelfsprekend niet ineens kunnen plaatsvinden. Voor de parachutisten gold dat zij met 12 man per toestel zouden invliegen, voor de luchtlandingstroepen met 16-18 man per toestel. Daar kwam bij dat vanzelfsprekend een aanzienlijk deel van de transportvloot het zware materieel moesten invliegen wat evident ten koste van zitplaatsen ging.

Om de circa 5,350 man op Waalhaven in te vliegen waren alleen al zo’n 350 Ju-52 noodzakelijk. Voor het invliegen van het materieel en de munitie en overige benodigdheden nog zeker zo’n 100 toestellen. Het betekende dat 450 toestellen op Waalhaven zouden moeten aanvliegen om hetzij parachutisten af te zetten, hetzij te landen en zodoende manschappen en/of materieel af te leveren. Aangezien de totaal beschikbare transportvloot exact bestond uit 430 toestellen [inclusief staftoestellen] voor de gehele operatie binnen Vesting Holland (er werden voor het Belgische theater een aanzienlijk aantal toestellen gebruikt die later konden worden toegevoegd aan de 430), is het duidelijk dat de troepen en middelen in vele ‘golven’ zouden moeten worden aangevoerd. De luchtlandingen zouden dan ook – volgens de planning – tot en met de tweede oorlogsdag doorgaan.

[500] De coördinatie en bewaking van de planning van de transportvloot was dus cruciaal. Daartoe was een speciale eenheid samengesteld uit de staf en verbindingen van 7.FD, onder de Oberst von Fichte, die in Wiedenbrück verbleef. Zij hadden de verantwoordelijkheid de verbindingen te verzorgen tussen de vliegende en de gelande eenheden en de verzorging van de eenheden te coördineren. Op het vliegveld Gütersloh was daartoe een grote voorraad beschikbaar. Bovendien had deze verbindingsstaf de zeer belangrijke taak de planning steeds aan te passen aan de vliegwaardigheid en beschikbaarheid van de vliegtuigen. Die taak werd algemeen als zeer verantwoord en zwaar gezien. Dat was zij ook.

De luchtlandingen beginnen

[2, 421, 422, 500, 501] Al tijdens de strijd om het vliegveld was de eerste groep Ju-52 aangekomen met de eerste twee pelotons van 9./IR.16 die bedoeld waren om direct naar Rotterdam te worden gezonden. De zes Junkers waarmee deze manschappen invlogen werden nog flink beschoten door overlevende Nederlandse opstellingen. Het was dan ook pas 0545 uur toen zij de landing inzetten.

Kort daarop landde eerst een Kette Junkers met de staf en de commandant [Oberstleutnant Von Choltitz] van III./IR.16 aan boord, waarna geleidelijk aan de toestellen binnenkwamen die de rest van III./IR.16 vervoerden en een deel van 2./Pi.22. Al deze troepen worden direct richting Rotterdam gestuurd, waarbij Oberstleutnant Von Choltitz reeds met een Nederlandse motor en enkele manschappen vooruit is gegaan. Zij zouden bepaald niet zonder problemen hun eigen troepen in Rotterdam bereiken.

Tegen 0700 uur kwam het eerste deel van de divisiestaf met Generalleutnant Student aan op Waalhaven, vlak nadat het veld werkelijk in Duitse handen was gevallen.

Een volgende golf van twee Staffels Ju-52 was bedoeld om twee compagnieën van I./IR.16 [cmdt Major Henschel] in te vliegen, maar slechts zeven toestellen kwamen aan. Ook een peloton van 2./Pi.22 was onderweg verloren gegaan. I./IR.16 had oorspronkelijk opdracht om de bruggen bij Zwijndrecht te bezetten en dit bruggenhoofd van de parachutisten over te nemen. Daar kwam niets van.

De aankomst van II./IR.16 [cmdt Major Sander] verliep al even onfortuinlijk en toen rond 1000 uur de regimentstaf van IR.16 op Waalhaven geland was, constateerde men met grote zorg dat bij elkaar niet veel meer dan zo’n anderhalf bataljon aan sterkte was geland terwijl dat er al bijna drie hadden moeten zijn. II./IR.16 was als regimentsreserve aangemerkt en zou verbanden richting de Noord sturen om aldaar de westoever te beveiligen en de pontveer stations ter verdediging in te richten.

Logistieke problemen voor de Duitsers

Onderwijl liep de Duitse logistieke planning aan het eind van de ochtend en in het begin van de middag volkomen in het honderd. Daarvoor waren vele redenen, die kort worden beschouwd.

De KGzbV2 – bestaande uit I./KGzbV172 en de KGrzbV’s 9, 11 en 12 – had bijzonder zware verliezen geleden tijdens de 1.Welle. De laatstgenoemde drie Gruppen hadden respectievelijk Ockenburg, Valkenburg en Ypenburg als doel gehad en waren daar vrijwel geheel uitgeschakeld. Op Valkenburg kwamen zo’n 50 Junkers muurvast te zitten in de zompige grond, waar zich slechts een handvol aan kon onttrekken. Van de op Ypenburg landende Ju-52 werden de eerste twee Staffels vrijwel geheel in brand geschoten in de lucht of op de grond. De andere twee Staffels weken uit en landden grotendeels in weilanden en langs de rijksweg Den Haag – Rotterdam. Ook van die toestellen was een groot deel niet meer in staat op te stijgen. Op Ockenburg werd de eerste Staffel die de landing inzette gedecimeerd. Slechts vijf van de twaalf toestellen kon weer vertrekken, de rest was door artilleriebeschieting en bombardement [4 x T-V] vernietigd. De andere Staffels vlogen naar alternatieve landingsplaatsen en verloren daar eveneens toestellen. Van de gehele KGrzbV9 [51 toestellen] kwamen slechts 16 toestellen in Duitsland terug.

De catastrofe van de eerste luchtlandingsgolf betekende feitelijke dat KGzbV2 als georganiseerde eenheid volkomen uit werd geschakeld. De restanten werden zo optimaal mogelijk opnieuw ingezet. De eenheid van 230 toestellen was echter teruggebracht tot enkele tientallen vliegtuigen en daarmee tekende zij voor de vrijwel halvering van de transportvloot na de eerste aanvalsgolf.

De KGzbV1 verging het aanzienlijk beter. Zij hadden de parachutisten moeten afleveren in de eerste Welle en aangezien de Nederlandse luchtafweer alleen rond Den Haag uitstekend schoot, betekende het dat ook alleen in die sector hier en daar gevoelige verliezen geleden werden. Desondanks leed de IV.Gruppe zulke zware verliezen (en schade aan terugkerende toestellen) dat zij exact gehalveerd werd. De andere Gruppen leden echter zeer beperkte verliezen, zodat KGzbV1 opeens de hofleverancier voor de 2. en navolgende Welle werd. Men kreeg in de loop van de ochtend bovendien versterking van zo’n 40 Ju-52 die de inzet in België - ten bate van de acties rond het Albertkanaal en de Maas - hadden overleefd. Desalniettemin was er organisatorisch geen rekening gehouden met een verlies van circa 40% van de transportvloot tijdens de eerste aanvalsgolf.

Een tweede probleem vormde het feit dat alle vliegvelden rond Den Haag versperd waren en dat dit niet volkomen duidelijk werd voordat de tweede golf vliegtuigen onderweg ging richting westen. Deze vliegtuigen zouden later of ook verloren gaan of hun lading elders afzetten (onder andere op Waalhaven) of, en dat gebeurde ettelijke malen, met lading en al retour vliegen.

Deze ontwikkeling leidde tot een wat panisch ingrijpen op Wiedenbrück waar men op een zeker moment alle transportvliegtuigen die onderweg waren (en nog bereikbaar waren) terugriep en nieuwe vluchten niet liet vertrekken. Aangezien de verbindingen zeer slecht bleken te functioneren, was men onterecht in de veronderstelling geraakt dat ook Waalhaven versperd was geraakt. Het duurde drie uur voordat het door terugkerende piloten duidelijk kon worden gemaakt dat Waalhaven weliswaar door de tegenstander werd aangevallen met vliegtuigen en artillerie, maar dat landingen nog steeds konden plaatsvinden.

Het werd in Wiedenbrück en bij Luftflotte 2 in de loop van de ochtend en begin van de middag duidelijk dat richting Den Haag geen luchtlandingstroepen meer gezonden moesten worden. De berichten van de herneming door de Nederlanders van alle drie de vliegvelden waren onmiskenbaar voor het falen van de actie rond Den Haag. Dat nadeel had echter ook zijn grote voordeel. De gedecimeerde luchtlandingsvloot kon zich nu concentreren op Waalhaven. Bevoorrading van de troepen die in geïsoleerde weerstanden rondom Den Haag nog konden standhouden werd aan slechts kleine contingenten Ju-52 en He-111’s overgelaten.

Nederlandse artillerie in actie

[2, 154] Commandant Vesting-Holland kreeg al vroeg op de morgen duidelijkheid dat Waalhaven duurzaam in Duitse handen was geraakt. Aangezien hem reeds in de vroege uren de troepen van het 1e Legerkorps ter beschikking waren gesteld, stelde hij op zijn beurt de afdeling I-10RA ter beschikking van de kolonel Scharroo, kantonnementscommandant van Rotterdam en in dier voege hoogste militaire bevelhebber in de stad.

De afdeling I-10RA was een legerkorps artillerie eenheid [de enige van I.LK] uitgerust met de moderne vuurmonden 10-veld. Deze 105 mm stukken – in Nederland aangeduid als veldgeschut maar qua type vuurmond in feite een houwitser – konden doelen tot een afstand van bijna 17 km effectief beschieten. De afdeling beschikte over drie batterijen met elk vier vuurmonden.

Om 0730 uur kreeg de afdelingscommandant [majoor J.C. van Apeldoorn] te horen dat zijn eenheid ter beschikking van de kantonnementscommandant [kolonel der genie Scharroo] was gesteld. Dit leidde eerst tot een aantal opdrachten ter bestrijding van de Duitsers die in de binnenstad waren doorgedrongen. Pas om 1050 uur kwam vanuit het bureau van kolonel Scharroo de opdracht om Waalhaven onder vuur te nemen, een doel dat op ruim 11 km lag van de in Hillegersberg [tegenwoordig Rotterdam] opgestelde afdeling. De afdeling kon slechts één batterij aan de opdracht laten deelnemen, omdat de andere batterijen door onderhanden opdrachten of stellingwisseling niet spoedig vuurgereed konden worden gemaakt.

Reserve kapitein G.W. Demmendaal – C-1e Batterij – kreeg de opdracht [1058 uur] van de afdelingscommandant zijn batterij ten noorden van de Kralingse Plas [bijna 9 km tot noordrand vliegveld Waalhaven] in stelling te brengen en vervolgens twee vuurstoten af te geven van 3 minuten in tempo 5 [5 sch/min per stuk] en tempo 3 [3 sch/min per stuk]. Er werd geschoten met brisantgranaten met vertraagde ontsteker [bgvtr] om zodoende diepe inslagen op het vliegveld te maken waardoor dit bezwaar voor het gebruik van het veld zou opleveren. Waarneming van de vuren was (in deze fase) nog niet mogelijk zodat een kaartvuur moest worden gegeven. Pas even na 1230 uur stond de batterij gereed voor het afgeven van de vuren en om 1250 uur waren beide vuurstoten eruit. In totaal werden 108 granaten afgeschoten op het (kaart)doel. De schoten landden in een zodanig groot gebied op het vliegveld, erbuiten en rond de wegen, dat het de Duitse handelingen nauwelijks deerde. Wel werd door de staf van 7.FD direct luchtverkenning verzocht om de locatie van de Nederlandse batterij te vinden. Die verkenningen leverden niets op.

De afdelingscommandant had nog voordat de eerste vuurstoten eruit waren gegaan, een bespreking in Rotterdam bijgewoond met de kantonnementscommandant. Deze gaf aan dat de enige artillerie in Rotterdam – wat 10.RA op dat moment was – effectief moest worden ingezet tegen Waalhaven. Hij gaf opdracht twee batterijen van de afdeling in stelling te brengen aan de noordzijde van de Kralingse Plas. Alleen de 2e batterij - die in opstellingen langs de Nieuwe Maas in de stad stond - bleef ter beschikking van ondersteuning van acties tegen het Duitse bruggenhoofd langs de Nieuwe Maas (wat overigens in de praktijk niet praktisch uitvoerbaar was wegens de lange afstand die de schokbuizen nodig hadden om zich scherp te stellen).

De noordzijde van de Kralingsche Plas bood een mooi stellinggebied, vrij van obstakels in zuidelijke richting en met veel loof om de batterijen onder te doen camoufleren. Bovendien was de afstand vanaf de Kralingse Plas tot aan het gehele gebied rondom Waalhaven minder dan 12,500 meter waardoor met slechts één kardoes per patroon geladen hoefde te worden. Dit was belangrijk voor beperking van de rookvorming bij afvuren. Met de Luftwaffe steeds in de buurt, was het element van detectie een zeer voorname factor.

De 2e Batterij bleef in stelling met een sectie bij de Veerhaven en een sectie bij de Zalmhaven (1).

(1) De Zalmhaven is in 1991 gedempt voor de aanleg van de toevoerroute van de Erasmusbrug. De haven lag dan ook waar nu de straten Zalmhaven en Gedempte Zalmhaven liggen, west van de noordelijke oprit van de Erasmusbrug. De Veerhaven ligt daar ten zuidwesten van en ziet uit op de zuidwestzijde van het Noordereiland.

Om 1345 uur werd door waarnemers op de tunneltorens (de Maastunnel was anno 1940 in aanleg) in het toenmalige Parkheuvel (tegenwoordig Het Park) waargenomen dat er zich op Waalhaven concentraties Duitse militairen bevonden. Het bericht was aanleiding voor de afdelingscommandant om de 2e batterij waargenomen vuur te laten geven op de doelen in kwestie. Merkwaardig genoeg werd het bevel gegeven 25 lagen met wederom bgvtr gereed te houden voor de opdracht. Juist bij troepenconcentraties is het immers meer voor de handliggende versnelde buizen te gebruiken zodat spreiding van de scherven over een groot gebied wordt gegenereerd. Spoedig kreeg de afdelingscommandant echter te horen dat de beide secties in de stad geen vuursteun konden geven. De sectie bij de Zalmhaven had vanuit haar stelling geen vrij schootsveld terwijl de andere sectie net op verplaatsing was. Zodoende werd de opdracht gedevalueerd tot een kaartvuur door de 1e Batterij bij de Kralingse Plas. Deze gaf twee vuurstoten in oplopend tempo waarbij 76 granaten bgvtr werden afgevuurd op Waalhaven. Een waarnemer met UKG zender werd door de Afdeling naar de Nieuwe Maas gestuurd voor verbinding met de 1e Batterij. Onderwijl [1530 uur] kon ook de inmiddels in stelling gekomen sectie bij de Veerhaven het vuur op Waalhaven openen. In een hoog gebouw [Steenkolen Handelsvereniging] nabij de haven werd waarneming verricht. De sectie kreeg echter spoedig te maken met een defect stuk, dat naar Hillegersberg werd gestuurd voor reparatie.

Ventilatiegebouw Maastunnel Rotterdam

Om 1645 uur was de luitenant waarnemer van de Afdeling, die met zijn UKG zender/ontvanger naar de Nieuwe Maas was gestuurd, om beveltactische redenen de functie van Afdelingscommandant over de 1e en 3e Batterij gegeven. Hij kon Waalhaven uitstekend waarnemen en vuren corrigeren. Zodoende werd even later een intensief lagenvuur van maar liefst 10 minuten door beide batterijen gegeven waarbij met versnelde buis [bgvsn] werd geschoten. Nu wel. Het was bedoeld om de vele vliegtuigen op Waalhaven te beschieten. Door de waarneming van de lagen kon uitwerkingsvuur worden afgegeven, wat beduidend effectiever was dan de kaartvuren voordien.

Na deze tamelijk langdurige vuuropdracht hield de Afdeling de vuurmonden urenlang in rust. Pas om 2230 uur werden kort na elkaar nog twee vuurstoten van 2 minuten [tempo 4] afgegeven met bgvsn. Het betekende dat nog eens 128 granaten werden afgeschoten.

De gehele Afdeling verschoot op 10 mei ruim eenderde van haar munitievoorraad op Waalhaven, wat aankwam op circa 700 granaten. Aangezien een aanzienlijk deel met versnelde buis werd verschoten en van de kaartvuren veel lagen buiten het eigenlijke veld waren geland, was de schade aan het vliegveld en directe omgeving desondanks niet bijzonder groot.

[500] Uit Duitse rapporten – die qua specifieke details schaars zijn – blijkt dat men vooral hinder had van de beschietingen. Bijzonder veel uitwerking hadden ze niet, hoewel volgens Hermann Götzel precies één van de twee Ju-52 met lange golf zender wél werd geraakt. Voor het overige werden vooral geparkeerde Ju-52 beschadigd, sommigen vernietigd. Dat gebrek aan (significant) succes is wel logisch. Als men bedenkt dat het doelgebied circa 1,5 x 1,5 km [= 22.500.000 m2 ofwel 225 hectare] besloeg, dan dient een effectief vuur op zo’n gebied met tenminste twee of drie volledige Afdelingen met modern geschut te worden afgegeven. Die artillerie was echter niet beschikbaar. Bovendien werden slechts korte vuurstoten afgegeven, wat betekende dat de tegenstander zich weliswaar enige tijd moest dekken, maar daarna direct eventueel noodzakelijk herstel aan het veld kon verrichten waarvoor veel tijd beschikbaar was.

Als men de vuren op een rijtje zet, dan kan men zelf vaststellen dat er langdurige vuurpauzes waren die de Duitsers alle kans gaven landingen door te zetten, het veld noodzakelijk te repareren en mensen en goederen snel af te voeren van het vliegveld.

Eerste serie vuurstoten: 1230 – 1250 uur
Tweede serie vuurstoten: 1500 – 1545 uur
Derde vuur: 1700 – 1710 uur
Vierde serie vurenstoten: 2230 – 2300 uur

Bij elkaar betekent dat 1 uur 35 minuten waarin beschietingen plaatsvonden. De landingen tussen 0530 en 2000 uur (donker) besloegen een periode van 14 uur en 30 minuten. In slechts 10% van de tijd lag het veld dus onder vuur.

Desondanks zorgde de artillerie van I-10RA er – samen met de luchtbombardementen – voor dat de Duitsers niet zonder verlies aan efficiëntie gebruik konden maken van Waalhaven. De schade die het veld opliep en de kans op een vuuroverval maanden de Duitsers tot het temporiseren van de landingen op het vliegveld en het voorkomen van massale logistieke operaties. In hoeverre de bombardementen door vliegtuigen daartoe bijdroegen, wordt navolgend behandeld.

Opmerkelijk is dat in de avond de Legerkorps Artillerie Commandant [LKAC] van I.LK, de kolonel W.J. Rijkens, samen met twee kapiteins, persoonlijk de coordinatie van I-10RA op zich nam. De LKAC had alleen I-10RA als artillerie onder zijn bevelen. En omdat de inzet van de Afdeling cruciaal werd geacht, werd de LKAC door de C-VH geinstrueerd persoonlijk zorg te dragen voor de effectiviteit van werken door de artilleristen.

De Nederlandse luchtaanvallen op Waalhaven

[8, 74, 75] Het vliegveld Waalhaven was de locatie die in mei 1940 met afstand het meest in belangstelling zou staan van drie luchtmachten. Uiteraard de Duitse, maar eveneens de Nederlandse en de Britse luchtmacht. Er zou een groter tonnage bommen op het vliegveld worden afgeworpen in mei 1940 dan tijdens het bombardement op Rotterdam zou worpen afgeworpen. De trend werd gezet door de Nederlandse luchtmacht, die al spoedig haar schaarse middelen zou inzetten om de Duitsers op Waalhaven aan te pakken.

Al om 0845 uur had de commandant Strategische Verkenningsvliegtuig Afdeling [StratVerVA] te Bergen [kapitein-vlieger waarnemer J. van der Werff] opdracht ontvangen om de vliegvelden Valkenburg en Waalhaven onverwijld met lichte bommenwerpers aan te vallen. Daarbij vormden de geparkeerde Duitse vliegtuigen op beide vliegvelden de hoofddoelen. Van de negen beschikbare Fokker C-X’s (2) werden er zes aangewezen voor de aanval op Waalhaven en drie voor Valkenburg. Uiteindelijk zouden vijf toestellen naar Waalhaven vertrekken, daar de C-X no. 705 niet kon starten. Het kostte enige tijd om de buiten het veld gecamoufleerd ondergebrachte toestellen naar de rolbaan te krijgen. Om 1100 uur was men echter gereed, uitgerust met acht brisantbommen van 50 kg per toestel.

(2) Bij de welbekende Duitse luchtaanval op Bergen in de ochtend van 10 mei stonden alleen de G-1’s keurig opgelijnd op de betonnen plaat voor de hangars. De toestellen van de Strat.VerVA waren allemaal gecamoufleerd buiten het veld opgesteld. Geen van deze toestellen raakte beschadigd. Wel gingen twee C-X’s in de hangars op het veld verloren.

De missie naar Waalhaven werd gevlogen door de volgende vijf toestellen en vliegers:

Toestel Vlieger Waarnemer
706 Res. 2e lt-vl. J.F. de Laat Res. 1e lt-wn. G.F.J. Jansen
708 Res. 2e lt-vl S.J. Postma 2e lt-wn H.J. Landman
709 Res. 1e lt-vl J. Pleij (C.) Res. 2e lt-wn M.G. A-Tjak
711 1e lt-vl. J.C.J. Vermeulen Res. 2e lt-wn H.A.M. van der Heyden
712 Res. 2e lt-vl. W.H. Stein Res. kapt-wn. Ph.H. Kuenen


Even later vlogen vijf C-X’n via Egmond [verzamelpunt] langs de kust richting Hoek van Holland, klimmend naar een hoogte van 1,500 meter. Zonder escorte van jachttoestellen werd op voornoemde hoogte Hoek van Holland bereikt, waarna oostwaarts werd afgebogen en op middelgrote hoogte [2,500 m] in formatie [alleen de 709 had een bommenrichtkijker aan boord] 40 bommen van 50 kg naar beneden zeilden. Ze vielen in een keurig tapijt over de zuidwest rand van het vliegveld Waalhaven neer. Daarbij zullen beslist transportvliegtuigen zijn beschadigd en vernield. In Duitse rapporten worden de bombardementen vaak slechts zijdelings besproken, zonder erg veel detail.

Na afworp van de bommen lieten de vijf toestellen zich snel zakken om op zeer lage hoogte en via de kortst mogelijke route huiswaarts te keren. De formatie werd echter opgemerkt door de patrouille van (waarschijnlijk) 7./JG3 [514] die een Sperre missie had boven het gebied. De C-X’n 708 en 709 werden beide door Bf-109’s besprongen en eveneens beide tot een noodlanding gedwongen wegens zware schade. De 708 met vlieger Postma aan boord landde in een weiland bij Den Hoorn [in de buurt van Delft] met een vastgelopen motor en ernstige schade aan de rechtervleugel. De 709 met vlieger en eskadercommandant Pleij wist een noodlanding te maken bij Wateringen. Dit toestel had een doorboorde benzinetank en radiateur. Bijzonder genoeg raakte geen van de vier bemanningsleden gewond. Dat is anders bij de andere drie toestellen. De terugvurende waarnemers zaten als schietschijven in de onbeschermde achterste cockpit en twee hunner – kapitein Kuenen en 1e luitenant Jansen – raakten zwaargewond. De vlieger van de 712, de 2e luitenant Stein, kreeg een kogel door zijn hiel. Zo bleef alleen de bemanning van de 711 leed bespaard. Desondanks landden de resterende drie C-X’n veilig op Bergen en waren uiteindelijk alle tien bemanningsleden levend uit het volledig door de Luftwaffe overheerste luchtruim teruggekeerd.

Toen de vijf C-X’n van Bergen vertrokken voor hun aanval op Waalhaven, hing een tweede inzet van Nederlandse bommenwerpers al in de lucht. Op het Commando Luchtverdediging kwam men om in de verzoeken om luchtsteun en hoewel in de ochtend nog iedere sector in Nederland in theorie op luchtsteun mocht rekenen, werd spoedig de hoogste triage uitgevaardigd voor doelen binnen Vesting Holland. Zodoende werd kort na 1100 uur opdracht gegeven de beschikbare bommenwerpers van de BomVA [inmiddels rond die tijd gereduceerd tot vier beschikbare vliegtuigen] uit te rusten voor een luchtaanval op Waalhaven. Hiertoe werden drie gevechtsgerede T-V bommenwerpers [854, 856, 862 – dezelfde drie die rond 0730 uur Ockenburg succesvol hadden gebombardeerd] uitgerust met 400 kg bommen elk (3a).

(3a) De T-V was ontworpen en geschikt om 1,000 kg bommen te vervoeren. [67] Helaas was het ontwerp voor de bommenrekken [door de fa. van Heyst] zo bezwaarlijk gebleken dat de rekken op 10 mei nog niet beschikbaar waren. Naar verluid waren er welgeteld twee proefrekken die geschikt waren voor ophangen van 1,000 kg aan bommen beschikbaar, maar moest de rest van de T-V’n het doen met de rekken die waren gereserveerd om de civiele Fokker F-VII lijnvliegtuigen van de KLM tot bommenwerpers om te bouwen in geval van oorlog. Die rekken boden ruimte aan twee bommen van 300 kg of vier van honderd of acht van 50 kg. In de praktijk kwam het er dus op neer dat mits de T-V niet met twee bommen van 300 kg was uitgerust, de capaciteit hetzelfde was als die van de veel oudere en lichtere Fokker C-X verkenner.

De drie T-V bommenwerpers zouden worden begeleid door zes D-XXI jagers, die niet alleen een escorterende taak kregen maar eveneens het vliegveld moesten mitrailleren indien zij daartoe de kans kregen. De registratienummers en bemanningen voor deze aanzienlijke aanvalsvlucht zagen er als volgt uit:

Toestel Vlieger Overig vl. pers. Overig vl. pers.
854 1e lt-vl. KNIL W.J.E. Künzel Res. 2e lt-wn. F.H. Stoovelaar Sgt.Maj.-vl A.J.C. Oostindië
Dpl. sgt. P. Boon Dpl. sgt. J. den Hartog
856 Res. 1e lt-vl. J.J. Abspoel Res. 1e lt-wn P.J.G. Mulders Res. sgt.-vl A.P.L. Bia
Sgt.capt. J. Hollander Sgt.capt. B. Ouwerkerk
862 Res. 1e lt-vl. F.H. Groen Res. 1e lt-wn L.J.W. Blommesteyn Dpl.Sgt (ads.res.off.) F.P. Espeet
Dpl sgt H. Kuiper (3b)


(3b)
Merkwaardig is dat H. Kuiper in alle gedrukte bronnen als soldaat luchtschutter wordt aangemerkt, maar dat bij het NIMH van hem een foto in sergeant uniform bekend is (die tevens in bronnummer 99 - blz. 35 - is afgedrukt). Het is dus aannemelijk dat Kuiper sergeant was of dat een verkeerde foto van hem rouleert.

Toestel Vlieger
213 Dpl. sgt-vl. G. Burger
224 Dpl. sgt-vl. B. de Geus
235 Res. 2e lt-vl. J.C. Plesman
236 Res. 2e lt-vl. H.B. Sitter
238 Res. 1e lt-vl. A.H. Bodaan (C.)
239 Dpl. sgt-vl. C.Ch. Steensma


Om 1215 uur werd door alle negen toestellen vertrokken van Schiphol. Het verband vloog vlak onder het vrij uitgebreide wolkendek dat op circa 600 meter hoogte hing. Bij vijandelijke nadering kon men dan zodoende direct in de wolken vluchten. De 236 raakte in diezelfde wolken echter tijdens het aanvliegen het verband kwijt en vloog zodoende iets later solo het doelgebied binnen. In de omgeving van Rotterdam was geen wolkendek om in te schuilen zodat door het eskader naar circa 1,000 meter hoogte werd geklommen.

Boven het eiland IJsselmonde werd het echter menens en werd het Nederlandse verband opgevangen door twee Staffels Bf-109’s, namelijk 6./JG27 en 1./JG51 [514], die daar ter bescherming van de Duitse troepen op het vliegveld zogaande Sperres [luchtruim blokkades] vlogen (4). De D-XXI formatie splitsten zich in een vlucht van drie toestellen [213, 224, 238] die de strijd aanbond met de overmacht aan Duitse jagers en een vlucht die de bommenwerpers kort bleef beschermen. De laatste twee D-XXI's werden echter ook gedwongen zich in het luchtgevecht met de Bf-109's te begeven, zodat de bommenwerpers geheel verstoken van jagerdekking door moesten vliegen.

(4) In de Luchtoorlog boven de Hoekse Waard [99] wordt op blz 34 gesteld dat de Nederlandse toestellen door Bf-109's van III./JG.3 werden onderschept. Later zouden zich daarbij de jagers van I./JG.26 aansluiten. De bronnen hiervoor zijn auteur onbekend, maar bekend is wel uit de BA/MA archieven [514] dat de neergeschoten D-XXI en T-V toestellen door 6./JG.2 en 1./JG.51 werden geclaimd en aan hen werden toegewezen. Volgens de auteurs van eerder genoemd boek [99] is het 7./JG.3 piloot Uffz Springer die Bodaan neerschiet. Volgens de Luftwaffe inventarislijst der luchtoverwinningen was het Lt Neumann van 6./JG.27.

Leutnant Julius Neumann van 6./JG27 was piloot van een van de Bf-109’s. Hij kwam in een luchtgevecht met 1e luitenant Bodaan, waarbij de laatste het onderspit delfde en omkwam [8, 514]. De luitenant Antoine Bodaan was al twee maal eerder die dag in luchtgevechten betrokken geweest, maar de derde maal was het dus met fatale afloop. Hij zou een MWO4 krijgen voor zijn moed en inzet. Zijn lichaam werd pas op 26 mei geborgen bij Rhoon. Daarbij bleek hij een mitrailleurkogel in het achterhoofd te hebben gekregen. Tragisch, maar gezien de ongepantserde D-XXI vliegerstoelen niet opvallend [99].

Luitenant-vlieger Plesman leegde zijn vier magazijnen op de achterkant van een Bf-109, zag zijn kogels inslaan, maar kon niet vaststellen of zijn tegenstander neerstortte (4b).

(4b) Luitenant Jan Plesman - zoon van de befaamde Albert Plesman - vloog in de meidagen tien sorties, waarvoor hij de Bronzen Leeuw kreeg toegekend. In december 1940 ontvlucht Jan Plesman met reserve 2e luitenant-waarnemer GAC Overgauw [in de meidagen bij de Ie Verkenningsgroep ingedeeld] Nederland en belandde via Frankrijk en Spanje in Engeland. Precies een jaar later - december 1941 - maakte hij zijn eerste solovlucht op de Spitfire. Na eerst bij Engelse squadrons te hebben gevlogen komt hij in de zomer van 1943 bij 322 'Dutch' squadron, waar hij kort nadien - in de rang van Flight Lieutenant - commandant van de B-Flight werd. Op 1 september 1944 wordt hij bij het Franse St. Omer neergeschoten en stort met zijn Spitfire in het bos ten zuiden van Hazebrouck. Curieus genoeg marcheert Jan Plesman nog steeds in het grote leger der vermisten. Zijn lichaam is nooit geborgen. Een recente zoektocht naar Jan Plesman leverde niet de vondst van diens Spitfire en lichaam op, maar men stuitte wel op een Duits jachttoestel met de piloot nog aan boord. Geheel vruchteloos was daardoor de zoektocht niet geweest. Tot op heden is deze Plesman (zijn eveneens bij de ML vliegende broer kwam na de oorlog bij een civiel KLM ongeluk om het leven) echter nog een vermist persoon en wordt zijn naam gememoreerd in de Nederlandse hoek van de Erebegraafplaats te Orry-la-Ville (Fr.).

De andere drie D-XXI’s raakten individueel in luchtgevechten, maar braken die af of ontliepen een confrontatie met de overmacht. Zij zouden allen hun eigen weg naar Schiphol terugzoeken. De 239 was na een luchtgevecht met twee Bf-109’s echter zo beschadigd dat het toestel volledig werd afgeschreven. Zodoende waren twee schaarse en broodnodige jachttoestellen verloren gegaan.

De laatste, eerder van het verband losgeraakte, D-XXI [de 236] vloog - onbewust van de Duitse jagers - rechtstreeks op Waalhaven aan en mitrailleerde het veld op lage hoogte om ter plaatse te constateren dat net de bommen van de T-V’n om hem heen vielen in de noordoosthoek van het vliegveld.

De T-V’n waren doorgevlogen richting Waalhaven toen de vijf jagers om hen heen de Duitse Bf-109’s van hen weghielden. Zodoende was men de escorte kwijt maar kon zonder bedreiging een aanvalsformatie worden gehandhaafd en een uitstekende ‘bomb-run’ worden gemaakt, waarbij de oostzijde van het vliegpark werd aangevallen. Nadat de drie T-V’n de 1,200 kg bommen hadden gedropt, werd opgetrokken en richting zuidwesten de terugweg ingezet. De D-XXI 236, die vlak achter de bommenwerpers het veld had gemitrailleerd, zag de T-V’n wegdraaien en trachtte hen te volgen om aan te sluiten. Het was echter te laat. Een groep van zes Bf-109’s van 1./JG.51 wierp zich op de beide buitenste bommenwerpers en na de eerste vijandelijke aanval op de vleugels van de formatie braken beide aangevallen T-V’n brandend uit. Zowel de 854 als de 862 waren reddeloos verloren. De T-V 856 kwam als enige bommenwerper veilig op Schiphol terug.

[99] De 854 stond spoedig na de eerste Duitse salvo's in lichterlaaie en stortte neer bij Oud-Beijerland in de Hoekse Waard. De 862 deelde het lot van de 854 en smakte brandend vlakbij tegen de grond. Leutnant Hans Strehl en Oberfeldwebel Oskar Sicking van 1./JG51 kregen de overwinningen hoogstwaarschijnlijk op hun naam [514].

Door de geringe hoogte waarop men vloog kon slechts één der inzittenden van de beide toestellen zich ternauwernood redden met de parachute. Sergeant den Hartog [van de 854] raakte desondanks zwaar gewond bij zijn landing. Acht vliegers kwamen om, net als de jachtpiloot Bodaan. Zodoende was de prijs die voor het geslaagde bombardement werd betaald zeer hoog; aan mensen en (schaars) materieel.

De luchtaanvallen op Waalhaven waren uitgevoerd door buitengewoon moedige vliegtuigbemanningen die zich welbewust in een luchtruim begaven waarin zij hun tegenstanders in kwaliteit en kwantiteit superieur wisten en waar men aan een confrontatie vrijwel zeker niet zou kunnen ontkomen. De prestatie van deze selecte groep militairen was daarom buitengewoon.

Tactisch gezien viel er echter geen werkelijke eer te behalen voor de schamele Nederlandse luchtmacht. Het Commando Luchtverdediging, met zijn zeer capabele commandant, luitenant-generaal Best, zal zaken tegen elkaar hebben afgewogen. Generaal Best zal beseft hebben dat 3 ton lichte bommen een vliegveld van 225 hectare groot niet zou uitschakelen. Hij zal zich evenzo zeer bewust zijn geweest van de risico's van de eerste missie die hij zijn mannen opdroeg door in gedateerde en ongeëscorteerde Fokker tweedekkers een overmachtige vijand te trotseren. Enerzijds de wetenschap van de vijandelijke overmacht en kwaliteitsdominantie en de beperkte mogelijkheden der eigen middelen en anderzijds het duidelijke besef dat Waalhaven een strategische zandloper was die snel leegliep ten koste van de kansen van de Nederlanders. Al die overwegingen moet men maar kunnen maken, zal men maar moeten maken! Generaal Best maakte ze en de vliegers voerden ze uit. Beide bombardementen slaagden, maar de kosten waren aanzienlijk geweest. Twee moderne bommenwerpers, twee gedateerde C-X’n en twee D-XXI gingen verloren tijdens de beide missies. Een jachtvlieger en acht man van de BomVA lieten het leven. Het was een pittige prijs geweest.

De RAF valt aan

Het Engelse leger kon aan Nederland geen belangrijke steun leveren. Engeland had relatief [gezien de ambities] een klein paraat leger toen het in mei 1940 geconfronteerd werd met het einde van de Phoney War. Met de grote inspanning die geleverd werd aan de expeditionaire machten in Noorwegen en Frankrijk [bij elkaar zo’n 700,000 man] was al sprake van een onvoldoende verdedigd thuisfront. Bovendien speelde mee dat de vooroorlogse verhouding tussen Nederland en Engeland niet bijzonder goed geweest was, behoudens een professioneel respect dat tussen de beide – met traditie omfloerste – marines bestond. Nederland was strategisch niet van dusdanig belang dat men haar actief wilde bijstaan. Men besefte ook in Engeland dat het Nederlandse grondgebied hen danig parten zou spelen als het door Duitsland bezet zou zijn, maar gezien de uitermate zwakke Nederlandse legermacht zag men geen enkel nut in het bijstaan daarvan. De landmacht inspanning van Engelse kant zou daarom beperkt blijven tot de inzet van twee bataljons voor Hoek van Holland en enkele technische taakgerichte eenheden elders, vooral bedoeld om de Engelse belangen (burgers, diplomaten, papieren) te beschermen en om enkele strategische vernielingen te plegen in Nederlandse havens en olie opslagplaatsen.

De assistentie die Engeland wel gaf, overigens vrijwel geheel uit eigen belang, was die welke verleend werd door de Royal Navy en de Royal Air Force.  Het is weinig Nederlanders bekend dat onze kustwateren vergeven waren van de Britse destroyers en dat de RAF bijzonder veel patrouilles langs onze kuststrook vloog. Daarbij was de RAF [en de BAFF, British Air Force France] zich bewust van het gevaar dat een al te snelle Nederlandse nederlaag zou betekenen. Dat laatste vormde de hoofdaanleiding voor de RAF om een aanzienlijk aantal sorties naar Nederland te doen vliegen waarbij de door de Duitsers bezette vliegvelden doelwit werden.

In die context werd de verkregen informatie uit Nederland dat Waalhaven en Ypenburg bezet waren in de vroege morgen van 10 mei 1940 gelezen als een grote bedreiging. De RAF was bang dat de autonome Nederlandse kansen de strijd langere tijd vol te houden in het geding kwamen. Nog belangrijker voor hen was de mogelijkheid voor de Luftwaffe al zeer vroeg in de tijd enkele vooruitgeschoven bases in te kunnen richten die hen kansen zouden bieden de Engelse luchtmachtbases aan de oostkust te bereiken alsmede de strijd in België actief te kunnen ondersteunen.

[76, 99] Het leidde al vroeg in de morgen tot een opdracht aan 600 Squadron om een strafing mission uit te voeren tegen de op Waalhaven gelande Duitse vliegtuigen. Het Squadron was uitgerust met Blenheim-1F toestellen. Dit waren toestellen analoog aan de Fokker G-1 en Bf-110, bedoeld als lange afstand jagers [jachtkruiser]. Alleen kwalitatief beduidend zwakker dan de G1/Bf-110 en uiterst kwetsbaar. De Blenheims bleken al tijdens de Phoney War in feite alleen geschikt als nachtjager.

Vlak voor de oorlog in het westen uitbrak uitte Air Marshall Charles Portal [Commander-in-Chief Bomber Command] zijn grote zorg over de geplande massale inzet van Blenheims (en Battles) die door hem totaal ongeschikt werden geacht en slechts de levens van kostbare goed opgeleide piloten en vliegers zou kosten. Het was een tevergeefs geuite zorg. Men had niets anders. De RAF moest het in die fase doen met Fairley Battles, Blenheims, Whitley’s, Hampden's, Swordfish’s, Defiants, Gladiators, Beauforts en Hurricanes. De Spitfires werden nauwelijks vrijgegeven en ook de Wellington bommenwerpers was men zuinig op. Met uitzondering van de laatste drie types, was al het vliegend materieel verouderd en slecht bewapend, nauwelijks gepantserd en vooral traag vliegend. (5)

(5) Het is in dit licht opvallend hoeveel en hoe vaak auteurs in Nederland in minderwaardige of enigszins spottende termen spreken over het materieel der Militaire Luchtvaart anno mei 1940. In feite waren de D-XXI, G-1 en T-V toestellen, die weliswaar niet van gelijke kwaliteit waren als hun Duitse equivalenten, stuk voor stuk beter dan wat de RAF ten tonele kon voeren, m.u.v. de Hurricane, Spitfire en Wellington. Hetzelfde geldt voor een vergelijk met de Franse luchtmacht, waar slechts de moderne Dewoitines en Moranes enigszins beter waren dan de moderne Nederlandse jagers. Overigens vergroot men de vaak toch al wanstaltige kwalitatieve vergelijkingen nog door de Duitse toestellen (en piloten) meer kwaliteit toe te dichten dan zij verdienden. Zo was het gros der Bf-109E’s slechts met vier mitrailleurs uitgerust en daarmee niet beter bewapend dan de Nederlandse vliegtuigen en beduidend slechter dat de meeste moderne Franse en Britse jachttoestellen. Desondanks wordt de fout gemaakt de Bf-109E te omschrijven als uitgerust met een (of meer) 20 mm kanonnen. Die waren echter zeldzaam in mei 1940. Slechts de Bf-110 was zeer zwaar bewapend met zowel 20 mm kanonnen als mitrailleurs. Dit toestel bleek echter qua manoeuvreerbaarheid niet beter dan de D-XXI of G-1, laat staan de Hurricane of Spitfire.

De Blenheims waren voor de rol van jachtkruiser uitgerust met vier 7,7 mm mitrailleurs onder de romp en één vrij bedienbaar door de luchtschutter [sommige toestellen hadden ook nog de oorspronkelijke mitrailleur in de neus behouden]. De maximum snelheid van de toestellen lag volledig beladen rond de 380 km/u, maar de kruissnelheid lag beduidend lager met 325 km/u. Alleen de leidende toestellen [flight leaders] hadden een derde man aan boord. De overige 1F’s hadden slechts twee bemanningsleden.

[76, 99] Het op Manston [in het noordoosten van Kent] gelegen 600 Squadron had zes Blenheims-1F beschikbaar [B-Flight]. Het zestal werd aangevoerd door Squadron-Leader [majoor] James Michael Wells zelf. Om 0950 uur [1030 uur GMT (6)] vertrokken de Blenheims richting Rotterdam.

(6) Het Operations Record Book [ORB] geeft dit tijdstip aan [76]. Het lijkt echter niet accuraat. De vliegtijd naar Rotterdam was ongeveer een uur. Dat zou betekend hebben dat de Engelsen rond 1100 uur Nederlandse tijd boven Waalhaven waren. In rapporten van Duitse zijde [500, 514] wordt echter consequent gesproken van een luchtstrijd na het middaguur. Twee Duitse luchtoverwinningen op BlenheimsSüdlich Rotterdam’ worden gesteld op Duitse tijd 1420 en 1435 uur [514]. Dat betekent 1240 en 1255 uur Nederlandse tijd. Ook Götzel [500] spreekt van het middaguur als de RAF aanval met de 1F’s plaatsvond. Mogelijk dat het ORB zich een zomeruur heeft vergist.

Aan Duitse zijde was er sprake van superioriteit in de lucht boven Rotterdam. Tussen 1130 en 1300 uur waren er (tenminste) drie Staffels actief boven Rotterdam: 6./JG26, 1./JG51 en het met Bf-110 uitgeruste 3./ZG1 [76, 99, 514]. De eerste twee raakten al in gevecht met Nederlandse vliegtuigen en om nog maar eens overtuigd te raken dat hun aanwezigheid niet voor niets was, kregen zij een zestal Blenheims op de lunch.

[76, 99] De Bf-110’s patrouilleerden rond 1245-1300 uur boven de haven van Rotterdam toen zij onder zich de vlucht Blenheims ontdekten. Vanaf grotere hoogte werd door het Staffel neergedoken en de jacht op de (nog) niets vermoedende Britten ingezet. Over het havengebied richting Waalhaven ging het toen vlak boven Pernis de hel losbrak. De Blenheims waren geen partij en toen 6./JG27 zich met haar Bf-109’s zich er ook mee ging bemoeien, was de Engelse kans Waalhaven flink aan te pakken verkeken. In enkele minuten tijd werden vijf van de zes Britse toestellen uit de lucht geplukt. Slechts twee Blenheims wisten Waalhaven te bereiken. Beiden pakten Ju-52’s aan, maar eentje werd tijdens die actie zelf van achteren door een Bf-110 in brand geschoten en sloeg bij het vliegveld te pletter. De ander – gevlogen door F/O Hayes – werd ook zwaar beschadigd, maar wist via een zuidelijke route te ontsnappen.

[76, 99] Vijf Britse toestellen klapten tegen de grond na stuk voor stuk volkomen kansloos te zijn vernietigd door de Bf-109’s en Bf-110’s van de Luftwaffe. Ze kwamen neer in de gemeente Piershil, Pernis, Herkingen [Goeree Overflakee] , Waalhaven en bij Hoogvliet. Zeven bemanningsleden – waaronder S/L Wells – kwamen om. Eén man [F/O Hugh Rowe] raakte gewond, in Oud Beijerland in het kantonnement ziekenverblijf opgenomen en daardoor na de capitulatie gevangen genomen door de Duitsers. De officieren P/O Kramer en P/O Haine [noodlanding bij Herkingen] alsmede navigator John Davis [van toestel S/L/ Wells] ontsnapten tijdens de meidagen aan boord van destroyer HMS Hereward naar Engeland, na eerst via omwegen in Den Haag op de ambassade te zijn afgeleverd. Alleen F/O Norman Hayes slaagde erin zijn Blenheim – zwaar beschadigd – naar de thuisbasis terug te vliegen. ‘It was sad news he had to bring home …’

Voor de Duitsers op de grond was het een klein feest geweest. In anderhalf uur tijd hadden zij vijandelijke toestellen van de Nederlandse en Britse luchtmacht door hun collegae in de lucht zien afschieten alsof het eenden waren. Vijf Britse en drie Nederlandse vliegtuigen boven IJsselmonde en nog twee elders. Het gaf de Duitsers op de grond een ‘ … eindrucksvolle Demonstration der deutschen Luftüberlegenheit …’. Dat gevoel was versterkt door het feit dat de Luftwaffe er zelf vrijwel ongeschonden vanaf kwam. Eén, mogelijk twee, Bf-109’s waren slechts neergeschoten.

Veel minder fortuinlijk zou het de Duitsers enkele uren later vergaan. In de vroege middag kreeg 15 Squadron op Alconbury [een zogenaamd auxillary field in Cambridgeshire, tegenwoordig een volwaardige Anglo-Amerikaanse vliegbasis], onderdeel van No. 2 Group van Bomber Command, opdracht om Waalhaven aan te vallen.

Het Squadron was uitgerust met de Blenheim IV type 149 lichte bommenwerper. Een beter toestel dan de 1F’s van 600 Squadron, hoewel nog steeds buitengewoon kwetsbaar. De Mark IV had een maximum snelheid van rond de 400 km/u met een volledige bewapening en ‘payload’, maar de gebruikelijke kruissnelheid lag rond de 275 km/u [maximale kruissnelheid 325 km/u]. Voor nabijverdediging had het toestel drie mitrailleurs. In de rugkoepel een enkel of dubbelopstelling en een voorwaarts schietende vast mitrailleur. Er werd maximaal 450 kg bommen meegevoerd. De bemanning bestond uit drie vliegers.

[76] Rond 1320 uur [ca. 1400 uur GMT] vertrokken acht toestellen vanaf Alconbury onder leiding van S/L Lawrence. Zij kwamen rond 1415 uur boven het doelgebied aan waar toevallig op dat moment vrijwel geen jagerdekking aanwezig was. De Britten slaagden erin de luchthaven te bereiken en dit op vrij lage hoogte te bombarderen met (ieder) vijf 200 lbs [= ca. 90 kg] bommen. De Duitsers schoten met hun lichte FLAK op de aanvallers, maar die raakten slechts licht beschadigd. Alle toestellen keerden behouden terug.

De RAF bemanningen meldde tijdens de debriefing dat 16 Ju-52 werden vernietigd [76]. Dat was wat overdreven. Volgens Duitse gegevens [500] waren op dat moment 32 Ju-52 op het veld aanwezig, grotendeels recent geland. Acht hiervan werden vernietigd, waarvan een deel met de lading aan boord. Zwaarste verlies waren twee (van de zes ingevlogen) stukken PAK van de Fallschirmjäger PAK Kompanie 2 van Hauptmann Götzel, en een 2 cm FLAK kanon dat door een voltreffer vernietigd werd met allebei de bemanningsleden erbij. Er zullen ongetwijfeld nog enkele toestellen aanzienlijke schade hebben opgelopen. Bovendien werd volgens het eigen verslag van Götzel [479] een aanzienlijk aantal Duitsers gedood of gewond. Onder de gewonden was Hauptfeldwebel Hans Kettler van zijn eigen Fallschirmjägerpanzerjägerkompanie alsmede vijf man van een der PAK's die vernietigd was. Een Luftwaffe man aan boord van de Ju-52 waarmee Götzel even daarvoor was aangekomen, was gedood. Net als de twee eerder genoemde mannen van de FLAK [dit zullen vermoedelijk de genoemde twee man zijn die in de gesneuveldentabel in Ysselmonde - 3e fase zijn opgenomen]. Vermoedelijk vielen er nog meer slachtoffers (want Götzel spreekt slechts over zijn directe omgeving), maar daarover is geen bijzonderheid te vinden in de voorhanden bronnen.

Het meest aansprekend was echter het grote nachtbombardement op Waalhaven. Hoewel de eerste bommen feitelijk pas vlak voor het nachtelijke uur vielen en er dus in wezen sprake is van een grotendeels op 11 mei spelende handeling, is het praktisch om toch bij deze belichting van 10 mei deze reeks aanvallen te bespreken.

Helaas ontbreken (nog) de gegevens hoe e.e.a. precies tot stand is gekomen. Er moet een intensief contact zijn geweest tussen de Engelse en Nederlandse staven bij het plan Waalhaven ’s nachts met een aanzienlijke vloot bommenwerpers aan te pakken. Deze contacten verliepen via de Britse ambassade in Den Haag. Rond 1700 uur werd vanuit het AHK verzocht om een Engels bombardement op Waalhaven [hoe de zaken nadien verliepen, wanneer en hoe er is geantwoord, is onderwerp van onderzoek]. In ieder geval was eind van de middag of begin van de avond bekend geworden in Den Haag dat een groot Brits bombardement van Waalhaven zou worden uitgevoerd in de nacht, zoals al bleek uit de bevelen die C-3.GB en C-LD op 10 mei kregen van C-VH. Het bombardement zou volgens eerste berichten om 0220 uur Nederlandse tijd zijn afgelopen, later werd dit bijgesteld tot 0300 uur.

In feite hadden de Britten alle moeite om het bombardement goed te plannen. Een groot deel van No. 3 Group van Bomber Command – uitgerust met Wellington IA en IC middelzware bommenwerpers – werd ingeschakeld. In totaal werden 36 bommenwerpers van 7 squadrons aangewezen het vliegveld aan te vallen tussen 2300 uur en 0300 uur. Het betrof de volgende bommenwerpersquadrons:

Squadron no. Vliegveld Aantal toestellen
9 Honington 6 x Wellington IC
37 Marham 3 x Wellington IA
38 Marham 6 x Wellington IC
75 NZ Feltwell 3 x Wellington IC
99 Newmarket 6 x Wellington IC
115 Marham 6 x Wellington IA
149 Mildenhall 6 x Wellington IA


De tweemotorige Vickers Wellington IC – weinig complimenteus bijgenaamd ‘Wimpy’ [hetgeen betekent ‘sulletje’ of ‘sukkeltje’] - was een vliegtuig dat in ongeveer dezelfde klasse als de Fokker T-V thuishoorde. Hun kwaliteiten en gebreken waren zeer goed vergelijkbaar alleen was de Wellington in staat een beduidend grotere bommenvracht mee te voeren. De Wellington IC had een maximum snelheid van 410 km/u, maar de kruissnelheid lag rond de 300-325 km/u. Het toestel had voor nabijverdediging een staartkoepel met een vierling 7,7 mm opstelling, een neuskoepel met een dubbele 7,7 mm mitrailleur en aan bak- en stuurboord een enkele 7,7 mm mitrailleur. Het toestel kon 2 ton bommen vervoeren. Men had zes man aan boord. De Wellington IA had geen zijwaarts schietende mitrailleurs, een intrekbare buikkoepel met dubbelopstelling en slechts een dubbel opstelling in de staart.

[76] De inzet van alle toestellen op 10 mei werd verricht met aan boord 18 bommen van 200 lb [=1,600 kg per lading]. In totaal zou dus 58 ton bommen worden afgeworpen. Ter vergelijking van het tonnage: op 14 mei werd in totaal 60 ton [sommige bronnen melden 97 ton] afgeworpen door KG.54 op het centrum van Rotterdam door 60 toestellen [473].

[76] De spits werd afgebeten door 9 Squadron dat rond 2300 uur aankwam boven Waalhaven. De eerste Flight van drie toestellen had kennelijk een markerende rol [men had fakkels aan boord]. De drie Wimpy’s vlogen op zeer lage hoogte [1,500 feet ofwel 450 meter] over het veld en wierpen de eerste bommen keurig op het doel. De volgens Flight kwam aanmerkelijk hoger aangevlogen en dropte haar lading vanaf 6,000 feet [ca. 1,750 m]. Allen keerden veilig terug en alleen de eerste drie toestellen hadden lichte schade en één licht gewonde. Spoedig daarna volgden 149 Squadron, 37 Squadron en 75 NZ ['Nieuw-Zeeland'] Squadron. Zij wierpen hun ladingen op de gebouwen en het veld en lieten Waalhaven spoedig fel brandend achter. Nadat 75 NZ Squadron het Rotterdamse rond 1330 uur had verlaten, was het voor het daarna volgende 38 Squadron eenvoudig om bij de maanloze nacht het doel te vinden waarop ook de zes Wimpy’s van deze eenheid het veld van een bommentapijt voorzagen. Zij ondervonden daarbij vooral last van Nederlands luchtafweervuur. De slotserenade rond 0300 uur was voor 99 Squadron dat evenals de voorgangers het veld moeiteloos bereikte en zonder kleerscheuren naar huis keerde. De nachtelijke aanval op het vliegveld was een uitstekende prestatie geweest met keurig navigatiewerk. Althans dat doet de RAF geloven. De lichte Duitse FLAK had de toestellen niet gedeerd zodat alle 36 toestellen terugkeerden op hun basis. Een unicum in de periode mei/juni 1940.

Het is echter mogelijk dat een vlucht van drie Wimpies het doelgebied ruim miste en haar bommen rond de Nieuwe Maas loste, bovenop een sector vlak ten noorden van de Willemsbrug. Er werd althans een bombardement uitgevoerd door enkele vliegtuigen boven de sector rond het nachtelijk uur, waarbij twee Nederlandse militairen zouden zijn omgekomen. Mogelijk was de marinier 3e klas Poleij één van hen. Auteur Aad Wagenaar [Rotterdam - mei 1940, blz 152-153] geeft een specificatie van het betreffende bombardement rond Blaak en de Wijnhaven. Zijn bron is niet bekend. Het zou echter om 37 of 75-N Squadron moeten gaan. De andere formaties vlogen met zes toestellen aan. Het krijgsverslag van III./IR.16 [410] meldde eveneens enkele Britse bommenwerpers die enige bommen noord van de brug lieten vallen. Auteur dezes onderzoekt de kwestie nog.

Nederlandse burgers gaven in naoorlogse verslagen aan dat de bombardementen in de nacht van 10 op 11 mei grote indruk hadden gemaakt. Voor hun gevoel was er de hele nacht door zwaar gebombardeerd op IJsselmonde. Dat was in feite natuurlijk ook zo, maar de effecten waren vrij beperkt geweest. De Luftwaffe had vanzelfsprekend ervoor gezorgd dat de meeste vliegwaardige transporttoestellen van Waalhaven vertrokken waren voordat het duister gevallen was. Zodoende was het veld niet zwaar bezet met vliegtuigen. Militairen waren allang niet meer op het vliegveld gelegerd met uitzondering van enkele kleine taakgerichte detachementen. Bovendien was een aanzienlijk deel van de bommen op de toch al waardeloze gebouwen en de sector rondom het veld gevallen. Daarentegen waren een aantal series midden op het veld terecht gekomen en was dit daardoor voor een aanzienlijk deel onbruikbaar geworden. Desondanks konden er in de vroege morgen van de 11de mei gewoon nog Ju-52’s aankomen en vertrekken. De capaciteit van het veld was aangetast, maar uitgeschakeld was het nog lang niet.

De brug bij Barendrecht

[58] De Barendrechtse hefbrug was een architectonisch en technisch ontzagwekkend kunstwerk. In 1888 was er sprake geweest van de opening van een vaste brug met drie bogen en een gelijkarmige draaibrug. De RTM maakte er gebruik van. In begin jaren dertig was een hef ingebouwd op de plaats van de draaibrug omdat de doorvaartbreedte nodig diende te worden vergroot. Die hef leverde een doorvaart van 50 meter breed en kon tot 40 meter hoog worden geheven. In 1932 werd de vernieuwde brug in gebruik genomen. De lengte van de hef was 67 meter lang, de gehele brug inclusief aanbruggen was ruim 400 meter lang. De brug verbond de Achterzeedijk [waar een tramstation lag] aan de noordzijde met de Boonsweg aan de zuidzijde. De huidige tunnel [A29] onder de Oude Maas te Barendrecht ligt circa 600 meter westelijker dan de oude hefbrug die in 1969 werd gesloopt.

Stafkaart Barendrecht

De gebeurtenissen rond de Barendrechtse brug in mei 1940 worden uitgebreid belicht tijdens de beschrijving van de strijddagen in mei 1940. Dat is niet slechts omdat er een aantal keer werkelijk strijd werd geleverd om deze overgang, maar vooral omdat de strijd op deze locatie een buitengewoon representatief beeld geeft van enerzijds de aanwezige moed en toewijding bij de Nederlandse militairen, maar anderzijds de buitengewoon slecht functionerende bevelvoering binnen het Nederlandse leger. Bevelvoering bij veldcommandanten en bij stafofficieren. De gebeurtenissen tonen aan dat de gemiddelde Nederlandse officier – reservist én carrière officier – totaal geen kaas had gegeten van basale tactische zaken en efficiënt operationeel handelen. Om dat beeld helder te projecteren – ook voor minder in de militaire materie ingevoerde lezers – wordt de Barendrechtse brug een prominent brandpunt in de verslaggeving. Daarbij wordt veel op hoog detailniveau gewerkt, zodat aan duidelijkheid weinig te wensen overblijft.

Net als de brug bij Spijkenisse, wordt de brug bij Barendrecht besproken onder IJsselmonde terwijl dit ook onder Wieldrecht had gekund. Omdat de tegenstander zich echter louter te IJsselmonde bevond en de gebeurtenissen zich inzake Hoogvliet en Barendrecht afspelen, is gekozen de zaken onder IJsselmonde te bespreken.

Zoals in het inleidende deel aangegeven, was de lange brug bij Barendrecht over de Oude Maas merkwaardigerwijs niet bezet met een militaire bewaking of zelfs maar een piket. Er is zelfs geen enkele aanleiding te denken dat er met de brugwachter een afspraak was gemaakt in geval van een oorlogstoestand in contact te treden met de plaatselijke Militaire Autoriteit of een zelfstandig draaiboek af te draaien door bijvoorbeeld uit voorzorg de brug te heffen.

Dit feit is uiterst merkwaardig, te meer als men nagaat dat de staven uitdrukkelijke instructies hadden gekregen zich weerbaar te maken tegen subversieve Vijfde Colonne acties. Bij Waalhaven ziet men bijvoorbeeld het onwerkelijke besluit dat daaruit volgde om een gehele compagnie richting Charlois front te laten nemen om een eventuele Vijfde Colonne actie te kunnen pareren. Bovendien waren de staven geïnformeerd dat de kans op beperkte tactische landingen met parachutisten binnen de Vesting tot de reële mogelijkheden behoorde. Mede daartoe besloot de Groep Kil een aantal onderdelen paraat (en mobiel) gereed te houden als reactie-eenheden. Kennelijk kwam de gedachte niet op dat de prominente brug bij Barendrecht een prachtig doelwit voor saboteurs kon zijn en bovenal een logistiek essentieel object in het gezagsgebied.

Velo fabriek naoorlogs

Velo fabriek anno 1940

 

 

 

 

 

 

 

[101c] De ‘faux pas’, die de non-bezetting van de Barendrechtse brug simpelweg was, zou in de vroege morgen van 10 mei – na intreding van de oorlogstoestand – spoedig worden gecompenseerd. III-34.RI [min 1] behoorde tot de Groepsreserve, waarvan een deel [3-MC-III-34RI en 3-III-34RI] te Maasdam [aan de betonnen weg] parate dienst had gedurende de nacht. Deze Groepsreserve kreeg o.a. opdracht een detachement naar de brug bij Barendrecht te sturen, nadat burgers op het Groepsbureau melding hadden gemaakt van gelande parachutisten bij de brug. Op basis van het bevel van Chef-Staf Groep Kil instrueerde C-III-34.RI [majoor A.C. Houtman] de reserve 1e luitenant H. van Urk [MC sectie commandant] om samen met zijn sectie en een sectie infanterie [onder de sergeant Bot] van 3-III-34.RI de Barendrechtse brug te bezetten en overschrijding door de Duitsers te voorkomen. Een ander prominent deel van het bataljon – 2-III-34RI met ondersteuning van een sectie MC – had voordien opdracht ontvangen zich naar ’s Gravendeel te begeven en daar – na oversteek van de Kil – het Vak Wieldrecht te Amstelwijck te gaan ondersteunen. Een sectie van de 3e Compagnie alsmede een sectie MC diende het pontveer ’s Gravendeel permanent te gaan beveiligen. Daarmee was de Groepsreserve overigens binnen een uur na het uitbreken van de vijandelijkheden al vrijwel volledig ingezet.

[101c] Het detachement onder de 1e luitenant van Urk had slechts één zware mitrailleur [de MC-III-34RI had slechts vijf van de acht Vickers mitrailleurs voorhanden, de overige waren in Rotterdam ter reparatie] met 22 man alsmede de sectie infanterie van 20 man. Dat geheel van 43 man telde slechts de luitenant als enige officier en vijf onderofficieren. De sectie infanterie had organiek bijna het dubbele aantal manschappen moeten tellen. Het toont wederom aan hoe slecht bezet (en bewapend) de hooggenummerde regimenten waren.

[101c] Met twee volgepropte vrachtwagens vertrok de luitenant van Urk richting Barendrecht, waar men spoedig arriveerde [vermoedelijk rond 0700-0800 uur]. Barendrecht was vrij van vijand, waarop de luitenant besloot op het noordelijke landhoofd een vechtwagenversperring aan te leggen. Hij besloot echter niet om aan de noordzijde een sterke verdediging aan te leggen, ondanks het feit dat het noordelijk bruggenhoofd zich daarvoor uitstekend leende. Bovendien kon men dan het naderingsgebied alsmede het industriële complex vlak aan het water uitstekend met de wapens afgrendelen. Men kon op het noordelijk landhoofd achter de dijk de infanterie redelijke vuurdekking bieden en bovendien de beide stenen torens op de brug als mitrailleurposten inrichten. Daartoe werd door de luitenant om onverklaarbare redenen echter niet besloten. Hij opteerde voor verdediging aan de zuidzijde van de brug. Daar werden basaltblokken [vermoedelijk aanwezig voor dijkonderhoud] ter plaatse als een hindernis tegen vechtwagens opgesteld, waarachter met pioniermateriaal een eenvoudige gevechtsdekking werd aangelegd. De enige lichte mitrailleur van de infanterie werd in het verlengde van de brug opgesteld, terwijl de enige zware mitrailleur aan de oostzijde van de brug in een flankerende positie werd neergezet. In de loop van de morgen was de inrichting van de verdediging gereed en meldde de luitenant zich – volgens eigen zeggen – als zodanig bij zijn bataljonscommandant. Daarbij werd tevens de vraag voorgelegd aan de majoor Houtman of de hef in geheven dan wel neergelaten stand diende te worden gehouden. Een en ander geschiedde per ordonnans. Antwoord zou dus enige tijd uitblijven.

De luitenant van Urk werd naoorlogs door zijn minderen gelauwerd om zijn instelling en uitstraling. Dat moge terecht zijn geweest, maar tactisch bakte de luitenant er weinig van. Zijn aandacht ging vooral uit naar vechtwagenhindernissen. Onwezenlijk daar lichte troepen – de te verwachten tegenstander – over dergelijke middelen beslist niet beschikten. Bovendien, welke versperring konden hij en zijn mannen met blote handen aanleggen die een opponent later niet relatief eenvoudig weer kon wegnemen. Opvallend is daarbij dat de luitenant zich bekommerde om eventueel Nederlands verkeer en in dat licht beschouwd de hef in de brug neer hield. Kortom, die vechtwagenversperringen zullen nog weinig hebben voorgesteld anders had hij zich om de stand van de hef minder hoeven bekommeren als hindernis voor Nederlands verkeer. Veel erger was het dat de luitenant besloot de brug niet vooreerst aan de noordzijde te bezetten, maar deze zijde direct aan een mogelijke tegenstander te laten. De luitenant liet slechts een luisterpost – bezet door de sergeant Toppinga van de MC – aan de noordzijde om tijdig waarschuwing van naderend onheil aan het zuiden te kunnen melden. Hoewel uit de geschiedenis rond de Spijkenisserbrug [zie een volgend hoofdstuk] ontleend kan worden dat de opdracht van hogerhand aanleiding was slechts aan één zijde defensie te voeren, is hiervan geen enkele aanwezing te vinden in de bevelen die de luitenant te Barendrecht kreeg. Auteur gaat er dan ook vanuit dat de luitenant 'tactische vrijheid' genoot dit zelf in te vullen.

Een zuiver passieve verdediging dus, die iedere tactische grondregel tart. Des te meer daar de Oude Maas buitengewoon breed was op dit punt [ruim 250 meter, inclusief grienden]. In plaats van zijn MC als enige aan de zuidzijde te laten met een afgrendelende opstelling aan de kop van de brug en zijn infanteriesectie aan de noordzijde stelling te laten nemen en daarbij de hoge brugtorens als mitrailleuropstelling te kiezen, koos de luitenant er dus voor zijn gehele detachement zuid van de brug op te stellen. Daarbij komt het onwerkelijk over nu juist de zware mitrailleur flankerend op te stellen. Aangezien de dijken een diep schootsveld vanaf de zuidzijde van de brug verhinderden, was het meer voor de hand liggend geweest de zware mitrailleur als afsluiting van de brug te gebruiken en juist de lichte mitrailleur als dynamisch wapen te gebruiken om aan de oost- dan wel de westzijde flankerend van de brug vuur te kunnen geven. Tenslotte is het onbegrijpelijk dat – zelfs met de keuze voor verdediging op het zuidelijk landhoofd – de beide zware stenen torens aan de noordzijde volkomen aan een mogelijke tegenstander werden gelaten. Ze werden niet versperd, niet verdedigd en er werd geen springstof aangevraagd om ze te doen vernielen. Dat de luitenant met deze tactische handelingen grote fouten beging, zou al op dezelfde dag worden bewezen. Tenslotte is het typerend voor het gebrek aan het autonome denkproces bij het gros der Nederlandse officieren dat bij de bataljonscommandant een verzoek tot besluit werd neergelegd of de brug geheven dan wel neergelaten moest blijven. Trivialiteiten die we elders ook in overdaad tegenkomen. Als slechts de zuidzijde verdedigd wordt en er sprake is van een hefbrug – zoals in casu het geval – dan dient een hef geheven te worden. Het schootsveld blijft ideaal en de tegenstander heeft geen schijn van kans de brug over te steken. De luitenant vroeg echter om een besluit van zijn bataljonscommandant en overwoog in de tussentijd de hef neer te houden. Slechts een halfbakken afspraak met de brugwachter werd gemaakt in geval van nood op signaal van de luitenant te handelen. Als de brugwachter dan nog in beeld zou zijn …

Aan de noordzijde bleef het nog lange tijd vrij van vijand. Aan Duitse kant was men vooreerst druk doende om voldoende troepen aan de grond te krijgen om het Rotterdamse strijdtoneel te voeden. Pas in de late voormiddag ageerde men richting oosten [op IJsselmonde] en werd de laatste belangrijke hindernis voor de Duitsers weggenomen bij Smitshoek, namelijk 4 Bt LuA.

[411, 422] Het waren eenheden van II./IR.16 [6. en 7./IR.16] ondersteund door een aantal parachutisten [van 10./FJR1] die aldaar de batterijbemanning deden nopen tot terugtrekken. Hoewel de luitenant van Urk het oversteken van de vele auto’s met Nederlandse militairen niet meldde in zijn verslag, kwamen die wel over de brug bij Barendrecht om vervolgens richting Oud-Beijerland door te rijden. Zij konden de luitenant waarschuwen dat er zich Duitsers op hun hielen bevonden. Dat wordt echter nergens vermeld.

[301] In Barendrecht zelf was geen militaire bezetting, maar was wel een noodhospitaal ingericht door de militaire arts van 4.Bt LuA - OvG2 A. Polak [met drie hospitaalsoldaten] - in een gebouw van de Hervormde Kerk. Enkele gewonden van 4.Bt LuA werden daar behandeld. De arts trok niet terug met de batterij richting Oud-Beijerland, maar bleef zijn zorgplicht vervullen in Barendrecht. Daar werd kort na het middaguur contact gekregen met enkele Duitsers die de geneeskundige vertegenwoordiging tot krijgsgevangenen verklaren. Zij mogen hun werk voortzetten en krijgen van de Duitse Arzt Müller (7) assistentie. Nadien werden ook al snel Duitse gewonden opgenomen.

(7) Zekerheid omtrent ‘welke’ Müller dit is heeft auteur niet; er waren er tenminste drie. Zeker is dat de regimentsarts van Fallschirmjäger Regiment 1 Dr. Günther Müller was. Deze was echter vrijwel zeker op 10 mei op het Eiland van Dordrecht. Het kan echter heel goed een arts zijn geweest van 22.ID, waarvan in de loop van de ochtend een aanzienlijk contingent met geneeskundige troepen was geland op Waalhaven. 22.ID had twee artsen met de naam Müller, beide bij 2.(mot.)/Sani.Kp. dat op één peleton na voor het Haagse theater was bedoeld. Het waren Stabsarzt Dr. Herbert Müller (Zugführer) en Oberstabsarzt Dr. Gustav Müller, Kompaniechef van 2./Sani.Kp. Geen der regimentsartsen of bataljonsartsen van IR.16 heette Müller. Er landde in de loop van de ochtend een aanzienlijk contingent troepen dat voor Ockenburg en Ypenburg bedoeld was geweest en bovendien vermoedelijk het peloton dat aan IR.16 ter beschikking was gesteld. Mogelijk dat één der Müllers hierbij zat en zodoende in Barendrecht terecht kwam.

[100c, 192] Rond 1100 uur kregen de 2e en 4e sectie van 1-III-28.RI [onder de sergeant-capitulant D. Duurkoop en dpl sergeant P.H.F. Renon] de opdracht om samen met een sectie MC [onder de reserve 1e luitenant N. van Hartesveldt] naar Barendrecht te vertrekken. Zij zouden daar de brug moeten (helpen) verdedigen. Het geheel kwam onder bevel van de luitenant. De compagnie had eerder – samen met de 2e Compagnie – onderdeel gevormd van de nieuwe reserve van de Groep Kil die bij de Klem [omgeving van Strijen] gevormd was en aldaar paraat had gestaan op gevorderde vrachtauto’s. Het geheel van drie secties was vrijwel op organieke sterkte. Het waren 92 man. De aanleiding voor dit bevel is onzeker, omdat de bronnen hierover zwijgen. De suggestie van auteur is echter dat afstemming tussen de Groepen Spui en Kil aanleiding geweest kan zijn. Rond dezelfde tijd dat bij Groep Spui het initiatief werd genomen tot versterking van de brugbezetting bij Spijkenisse – als gevolg van een melding van de Nederlandse eenheid aldaar dat contact met Duitse verkenners op IJsselmonde tot stand was gekomen – werden de beide secties van 1-III-28RI geïnstrueerd zich naar Barendrecht te begeven. Bewijs van een verband tussen de opdrachten bij Groep Spui en Kil ontbreekt echter bij auteur. Het is dan ook nadrukkelijk een suggestie voor rekening van auteur zelf.

[100c] In vrachtwagens werd naar Barendrecht gereden, waar de leidende wagen met de luitenant pardoes de brug wilde overrijden. De luitenant had kennelijk de logische gedachte dat aan de noordzijde de brug verdedigd zou worden. Hij werd echter door de aanstormende luitenant van Urk – een ranggelijke – terecht gewezen en als roekeloos neergezet. Een weinig verheffende vertoning die voor het front van de manschappen plaatsvond. De vrachtwagens werden haastig uitgeladen en de manschappen werd door luitenant van Urk duidelijk te verstaan gegeven onmiddellijk een dekking op te zoeken. De tegenstander werd inmiddels verwacht.

[100c] Nadien werden de troepen en beide nieuw aangekomen zware mitrailleurs [M.08 Schwarzlose] verdeeld over de opstelling en werd deze verbreed, met name aan de rechterzijde van de brug dat tegenover de bebouwde kom rond Barendrecht lag. Daarmee kwam de totale bezetting op 135 man, inclusief twee officieren [101c].

De Duitse aankomst te Barendrecht

[101c] De Duitse aankomst werd inmiddels ook door de sergeant Toppinga gemeld, volgens de luitenant van Urk ongeveer rond het tijdstip dat de Nederlandse versterking arriveerde [auteur vermoed echter dat het enige tijd later was]. Welke Duitsers het zijn geweest die als eerste aankwamen in Barendrecht is duidelijk uit Duitse bronnen. De eerste eenheden die aankwamen in Barendrecht waren van I./IR.16. Hiervan was nog slechts een zeer beperkt deel geland rond die tijd. Van de eerste landing van dit bataljon – in de tweede golf – landden slechts 6 van de 18 [411, 422] geplande toestellen. Aangezien 16 tot 18 man luchtlandingstroepen aan boord van een Ju-52 gingen, was deze delegatie dus maximaal 108 man sterk.

De eenheden die tegen de 4e Batterij Luchtdoelartillerie bij Smitshoek hadden geageerd waren van II./IR16 [6. en 7./IR.16] [411, 422], ondersteund door enkele parachutisten van 10./FJR1 [422]. Een deel van II./IR.16 alsmede inmiddels gelande onderdelen van I./IR.16, AR.22, Pi.22, Sani.22 en een deel van het voor Ypenburg bedoelde 4./IR65 verzamelden nadien bij Hordijk [411, 422, 500, 501], dat als ‘rally point’ voor de eenheden van 22.(LL)ID was aangewezen. Het zijn de circa 100 gelande manschappen man van I./IR.16 geweest die Barendrecht als eerste bezet c.q. verkend hebben nadat ze te Hordijk opdracht kregen de zuidzijde van IJsselmonde te beveiligen [411].

De later op 10 mei ingevlogen II./FJR2 (8) – bestaande uit drie (incomplete) compagnieën en de bataljonsstaf onder bevel van Hauptmann Erich Pietzonka – werd direct na hun landing [rond 1600 uur] naar Barendrecht gezonden [476]. Zij kregen als taak Barendrecht te beveiligen tegen Nederlandse tegenmaatregelen vanuit de Hoekse Waard nadat I./IR.16 aldaar had vastgesteld dat er aanzienlijke Nederlandse aanwezigheid aan de zuidzijde was waargenomen. Uit het gevechtsverslag van IR.16 [411] blijkt dat tenminste een deel van 3./IR.16 bij Barendrecht is gebleven op 10 mei. Van deze compagnie zou het tweede deel pas op 10 mei rond 1930 uur op Waalhaven landen [411]. Manschappen van I./IR16 waren het ook die gedurende de eerste oorlogsnacht met mobiele piketten de Oude Maas beveiligden. We komen hen wederom tegen bij de acties van 3.GB in de nacht van 10 op 11 mei [bespreking 3.GB op 11 mei] langs de Oude Maas.

(8) De 6e Kompanie werd bij Valkenburg ingezet. Op Waalhaven werden de staf [Cmdt Hptm Erich Pietzonka, adjudant Lt Fritz Knobloch of Olt Semder, NaOfz Lt Werner Ewald], 5e Kp [Olt Hans Thiel], 7e Kp [Olt Horst Zimmermann] en 8e Kp [Olt Joachim Paul] per vliegtuig ingevlogen. Een deel van het bataljon was nog niet ‘sprungfähig’ en vandaar dat het geheel werd ingevlogen. Er zijn bovendien sterke aanwijzingen dat ook deze drie compagnieën niet volledig zijn ingezet of zelfs geland. Zeker is dat een Halbzug van 8./FJR.2 behoorde tot 17./FJR.1, de eenheid die bij Eben-Emael werd ingezet [1661: Maaslinie]

Het is goed kort in te gaan op een onderbouwing van het tijdspad. De mannen van 4e Bt LuA wisten met behulp van in totaal vier vrachtwagens deels te ontsnappen vanuit Smitshoek. Om 1115 uur [301] kwam de luitenant Van de Broek, die met een vrachtwagen meereed bij de Noordzijde [vlakbij de batterijopstelling], in aanraking met een vrachtwagen vol Duitse militairen. Die beschoten de snel wegrijdende Nederlanders, die vervolgens alsnog Barendrecht bereikten. De andere twee vrachtwagen (plus een extra die in Barendrecht werd gevorderd) bereikten ook de brug ten zuiden van Barendrecht. Gevieren trokken zij korte tijd later naar Oud-Beijerland. Curieus is dat men dus om 1115 uur contact had met de tegenstander, vlakbij Barendrecht, maar dat die tegenstander (toen) niet nadrong. Dat is echter congruent met het rapport van IR.16 [411] dat duidelijk meldt dat de eenheden na het opruimen van de Nederlandse opstelling bij Smitshoek zich eerst bij Hordijk verzamelden.

Dat er Duitsers voor 1200 uur in Barendrecht waren is dus onaannemelijk, hoewel er auteurs zijn die anders beweren [30]. De waarnemend batterijcommandant van 4 Bt LuA [reserve 1e luitenant W.R. Janssen] had bovendien nog vrij uitvoerig contact gehad – per telefoon, in het gemeentehuis te Barendrecht [Dorpsstraat] – met de Staf Luchtverdedigingskring Rotterdam / Den Haag en verslag gedaan van de gebeurtenissen bij Smitshoek. Hij kreeg bevel zich te Oud-Beijerland te melden om aldaar zichzelf en zijn manschappen ter beschikking van Groep Spui te stellen. Waarom specifiek Groep Spui is (auteur) niet bekend. De luitenant had voor zijn vertrek naar Oud-Beijerland contact met de batterijarts Dr. Polak. Daarbij werd gezamenlijk besloten dat de arts en zijn assistenten bij de gewonden zouden blijven. Pas nadat hij met zijn vrachtwagens vertrok, kwamen korte tijd later de eerste Duitsers zich in Barendrecht melden. Dit kan onmogelijk voor het middaguur zijn geweest gezien de tijdspanne tussen laatste contact met de Duitsers en de handelingen nadien in Barendrecht zelf.

Die eerste Duitse aanwezigheid in Barendrecht was dus beslist niet voor het middaguur en bovendien niet overdadig. Kort na het middaguur werd contact gemaakt met dr Polak, die tegenover het gemeentehuis in het lokale noodhospitaal zat. Vermoedelijk is men gelijktijdig of vlak daarna naar de Oude Maas doorgereden (met gevorderde auto’s en vrachtwagens). Dat was nog een afstand van een kleine 3 km vanaf de Dorpstraat. Daar heeft dus een aanzienlijk tijd – zeker tot in de avond – een bezetting van vermoedelijk maximaal 100 Duitsers gelegen.

Een bruggenhoofd forceren

[101c] De luitenant van Urk had even na het middaguur een ordonnans naar zijn BC gestuurd met het bericht dat zijn stelling gereed was en de Duitsers inmiddels in Barendrecht gesignaleerd waren. Uren later – volgens de luitenant ruim drie uur later – kreeg hij per ordonnans de opdracht ‘het bruggenhoofd te forceren’. De oorsprong van dit bevel is niet te traceren. Noch BC III-34RI, noch diens plaatsvervanger kapitein Germeraad, noch het stafverslag van Groep Kil meldt een dergelijke opdracht te hebben verleend. Er wordt niet eens gesproken over de Barendrechtse brug met uitzondering van de daarheen gezonden detachementen en de latere actie van 3.GB.

Het bruggenhoofd forceren’ was een opdracht die betekende dat de Nederlanders het vermeende Duitse bruggenhoofd aan de noordzijde dienden weg te nemen, althans van de omgeving van het noordelijk landhoofd dienden te doen verwijderen. Een opdracht die om twee redenen curieus is. De eerste reden is vanzelfsprekend dat indien luitenant van Urk direct de noordzijde als eerste verdediging had ingericht er niets geforceerd had hoeven worden. Hij had dan bovendien de sterkte (c.q. zwakte) van de tegenstander direct kunnen toetsen. Het tweede curieuze element is waarom er niet expliciet aan luitenant van Urk – in eerste instantie reeds – opdracht was gegeven zich aan de noordzijde weerbaar op te stellen. Waarom dan wél een bruggenhoofd forceren dat voordien ‘kennelijk’ – gezien de weinig expliciete order aan Van Urk – zo weinig als serieuze bedreiging was aangemerkt?

RTM hokje nabij Barendrecht

Er dient een voorbehoud te worden gemaakt bij bovenstaande conclusies. De gevechtsrapporten zwijgen allen over de kwestie. Opdrachten die in de vroege ochtend waren gegeven zijn niet letterlijk geciteerd. Onbekend is in welke mate de BC vanuit tactische logica al verwacht had dat de luitenant al voor verdediging aan de noordzijde had gekozen of dat hij zelfs uitdrukkelijk instructies had gegeven zuid van de brug te blijven. Overwegingen en werkelijk bewijsbare onzorgvuldigheden zijn er dus niet om de conclusies op te baseren. Er is sprake van conclusie uit deductie. Desalniettemin lijken de conclusies gerechtvaardigd. Ergens was er in de bevelsketen of bij het autonome handelen door de luitenant iets goed scheef gegaan. En dat had grote gevolgen, zoals de rest van de meidagen zou blijken. Kritiek hierop werd in het Stafwerk - geredigeerd door chef staf Groep Kil (kapitein Calmeijer) zelf - niet gegeven. Is dat zwijgen een verholen verwijzing naar het feit dat de chef-staf zelf niet al te snugger met zijn instructies aan zijn (functioneel) ondergeschikten was omgegaan ....? Het is immers van grote importantie geweest dat de brug bij Barendrecht door passiviteit reeds in de eerste uren van de strijd verloren is gegaan!

[101c] Hoe het ook zij, het voor het middaguur volkomen onbezette Barendrechtse landhoofd diende rond 1600 uur opeens ten koste van mensenlevens te worden geforceerd. Luitenant van Urk had zijn provisorische commandopost ingericht bij het betonnen telefoonhuisje van de RTM vlak ten zuiden van de brug. Dat telefoonhuisje was niet meer dan een vierkante meter groot. Die positie was dichtbij de troepen met een goed overzicht over het gevechtsterrein, maar tegelijkertijd uiterst kwetsbaar en markant in het landschap. De telefoon in het huisje werkte overigens niet meer. Een harde verbinding met artillerie of overige hogere echelons was er dus niet.

[101c] De luitenant kwam tot een aanvalsplan. Dat hield in dat tirailleurs aan weerszijde van de weg over de aanbrug zouden optrekken, daarbij gesteund door drie flankerend geplaatste zware mitrailleurs. Als de tirailleurs bij de hef zouden zijn gekomen zouden twee zware mitrailleurs meegevoerd worden door de bediening de brug op (!). Daar zouden zij dan direct ondersteunend vuur geven over de as van de brug, waarna bij het succesvol oversteken van de brug beide mitrailleurs op de flanken van de voorttrekkende infanterie aan de noordzijde zouden worden opgesteld. Alleen de enkele zware mitrailleur van de MC-III-34.RI zou in haar positie blijven.

Een aanvalsplan dat was gedoemd te mislukken. Het was wederom een voorbeeld van armoedig tactisch denken. Zware mitrailleurs van ruim 40 kg (inclusief affuit) waren niet de wapens voor een dynamisch gevecht, laat staan een stormaanval. Daarvoor had de infanterie bij uitstek de beschikking over lichte mitrailleurs. In plaats van de lichte mitrailleurs in de actie de rol van directe vuurondersteuning te geven en deze verstandig op te stellen en gefaseerd mee te laten optrekken met de infanterie, moest het merendeel van de vuurbasis – gevormd door de drie uit de flank vurende zware mitrailleurs – worden verplaatst tijdens de manoeuvre. Logisch was geweest de drie zware mitrailleurs intensief onderdrukkend vuur te laten afgeven op het noordelijke landhoofd, sowieso aan weerszijde en niet – zoals het geval was – slechts aan de rechterkant. Twee tot drie lichte mitrailleurs zouden vuursteun moeten geven op het lange brugdek. Met dat aantal kon men dan immers te allen tijde met een of twee wapens de overzijde in dekking dwingen terwijl andere wapens zich verplaatsten. Bovendien kon men veel beter inspelen op de eigen sprongen voorwaarts. In het plan van de luitenant was er sprake van verplaatsende zware mitrailleurs die niet konden ondersteunen tijdens die verplaatsing terwijl de infanterie zich stormend naar voren diende te begeven. Met het plan van de luitenant was de missie kansloos. Ze zou door een handvol verdedigers met een mitrailleur aan de noordzijde al tot mislukken gedoemd zijn. Overigens was een aanval van deze aard zonder ondersteuning door mortieren en bijvoorbeeld rookgranaten natuurlijk in de eerste aanleg al geen sinecure.

[100c, 101c] De aanval werd rond 1600 uur ingezet. Een sterkte van bijna twee organieke secties [ca. 55 man] ging voorwaarts. Links vooraan het gros van de sectie van sergeant Renon, linksachter een groep onder de sergeant Verstappen en rechts de sectie onder sergeant Duurkoop. De luitenant zelf bleef voor de vuurleiding achter aan de zuidzijde van de brug, hoewel hij die vuurleiding uitstekend aan de luitenant van Hartesveldt had kunnen overlaten. Met getrokken klewang stond de luitenant de secties de aanbrug op te schreeuwen, waarna hij het schouwspel volgde op afstand. Daarbij zichzelf overigens niet bekommerend om dekking. De eerste meters lieten de Duitsers de Nederlanders komen, maar spoedig sloeg uit beide heftorens automatisch vuur op het wegdek. Dat verlamde de rechtersectie die volledig in dekking ging en bleef. De sectie van sergeant Renon ging echter onvermoeibaar sprongsgewijs voorwaarts ondanks het vuur, waarbij de sergeant zelf vooraan optrad en zijn mannen moedig op sleeptouw nam. De linkersectie bereikte zowaar de hef, waar het moeite had de spoorboom – die gesloten was – te passeren. Sergeant Renon waagde zijn leven door de boom onder vuur handmatig te openen. Maar een paar meter verder was het voorbij. De voorwaartse beweging stokte volledig. Bijna een derde van de aanvallers was inmiddels gewond, één man was gesneuveld. Sergeant Renon lag uiteindelijk vrijwel alleen vooraan terwijl de overige manschappen kruipend terugtrokken. Het Duitse vuur, dat vooral uit de heftoren kwam, was te hevig. Zeker toen ook mortiervuur op de aanvallers begon te vallen. Toen de sergeant zelf geleidelijk terugtrok, ondertussen vuur afgevend op een achttal Duitsers dat zich aan de linkerzijde van de brug had opgesteld, kwam hij bij de basis van het zuidelijke bruggenhoofd een verlaten zware mitrailleur tegen. Deze lag tegen de beschoeiing half in het water, verlaten nadat een van de bemanningsleden gewond was geraakt tijdens de verplaatsing. Samen met de luitenant van Urk werd de mitrailleur gered en even later weer in dienst gesteld.

[31, 100c, 101c] De aanval was desastreus verlopen. De MC-III-34.RI had zes gewonden. De sectie van 3-III-34.RI één gesneuvelde [soldaat Cornelis J. Jansen] en één gewonde. De sergeant Renon zijn sectie had vijf gewonden en die van sergeant Duurkoop één. Bij elkaar 13 gewonden en één dode. De eerste hoge prijs voor tactisch falen in de vroege ochtend was betaald ...

De brug bij Spijkenisse

[58] De hefbrug te Spijkenisse was een jaar later dan die bij Barendrecht gereed gekomen, 1933. Het oorspronkelijke brugdeel dateerde uit 1903. De brug was in eerste instantie voor de RTM gebouwd om de tramverbinding met Rotterdam (die via Waalhaven liep) over de Oude Maas mogelijk te maken. Identiek aan de Barendrechtse brug was er oorspronkelijk een horizontale draaibrug ingebouwd met een inmiddels te smalle doorvaart. De nieuw ingebouwde hef bood een 55 m brede doorvaart en kon tot 44 m hoogte worden geheven. De lange Spijkenisserbrug [inclusief aanbruggen ruim 400 meter] is heden ten dage nog steeds in gebruik, zij het dat zij eind jaren zeventig enkele van de overspanningen van de oude Moerdijk verkeersbrug uit 1936 kreeg. Een curieus detail in het licht van het zuidfront …

Stafkaart Spijkenisse - Hoogvliet

Net als de Barendrechtse brug, had de brug bij Spijkenisse geen militaire bezetting. En net als Barendrecht kende ook Spijkenisse geen detachement binnen haar stadsgrenzen. Er lagen echter wel troepen dichtbij. [102c] Een compagnie van het kantonnementsbataljon Rotterdam [1-III-39.RI] was ter bewaking van het BPM [Bataafsche Petroleum Maatschappij] terrein te Pernis, in de noordwesthoek van IJsselmonde, gestationeerd. Voor de gebeurtenissen rond dit onderdeel wordt verwezen naar een later hoofdstuk.

[1, 101b, 193] Vanuit Groep Spui werd aan de Commandant Vak Hellevoetsluis opdracht gegeven [ca. 0600 uur] om een sectie infanterie en een sectie 11.MC [2 x M.18] van 1-II-34RI vrij te maken en naar de brug bij Spijkenisse te sturen. Dat geheel stond onder bevel van reserve 1e luitenant K. Bolderheij [C. 1e sie 1-II-34.RI]. Rond 0700 uur kwam het geheel in beweging. De afstand tussen Oudenhoorn en Spijkenisse was spoedig overbrugd. Men vond Spijkenisse vrij van Duitsers, de brug in geheven stand. De brugwachter was om 0630 uur [door de nabij gelegen 5e sectie van de IIIe Afdeling Zoeklichten] al geïnstrueerd de hef te hijsen nadat de landing van parachutisten rond Rhoon waargenomen was.

[101b] Luitenant Bolderheij had opdracht de Spijkenisserbrug in eigen hand te houden. In tegenstelling tot zijn ranggelijke bij Barendrecht besloot hij wel de oostzijde te verkennen op vijandelijke aanwezigheid. De sectie van 11.MC werd ter beveiliging van de brug achtergelaten en de sectie infanterie ging Hoogvliet in [wat aan de overzijde van de Oude Maas bij Spijkenisse lag c.q. ligt] en verkende de uitvalswegen. Men deed dit met gevorderde voertuigen. Rond 0830-0900 uur kwam men inderdaad in aanraking met een auto met daarin (vermoedelijk) Duitse parachutisten op de weg tussen Spijkenisse en Portugaal. Een zeer kort vuurgevecht volgde waarop de Duitsers vertrokken.

Het is aardig om te bezien welke Duitsers dit geweest kunnen zijn. Feit is dat er een groep Duitsers bij Rhoon landde van III./FJR1 [luchtfoto’s van parachutes in het veld alsmede een rapport van 2-3.GB laten hieromtrent geen twijfel over]. Dat ging vrijwel zeker om een sectie van 10./FJR1 of 12./FJR1. Van 10./FJR1 wordt door 11./FJR1 gerapporteerd dat ze te laat aankwamen bij het vliegveld Waalhaven om aan de strijd deel te nemen. Maar 10./FJR1 kwam vermoedelijk juist oostelijk van het vliegveld terecht, gegeven ook de latere inzet van die compagnie rond Smitshoek. 12./FJR1 komt zeer sterk in beeld, met name de Werferzug van die eenheid. Er werden door 2-3.GB de volgende ochtend namelijk grote hoeveelheden mortiergranaten gevonden. Nu kan dit ook wijzen op granaten voor de lichte mortieren, maar het is zeer opvallend dat bij de inname van Waalhaven naar verluid geen gebruik van mortieren is gemaakt. Dat terwijl 12./FJR1 daar wel mee was uitgerust. Bovendien heeft 12./FJR1 nauwelijks verliezen geleden bij Waalhaven, slechts één man. De andere compagnies verloren meer manschappen. Het is dus aannemelijk dat er bij Rhoon - flink verwijderd van het doelgebied - een peloton van 12./FJR1 landde.

Reserve kapitein O. Verdoorn, commandant van 39 Reserve Grens Compagnie, kreeg opdracht zich naar Spijkenisse te begeven toen rapport bij Groep Spui binnenkwam dat men bij Hoogvliet met Duitsers in aanraking was gekomen. Vermoedelijk werd deze informatie niet gedeeld met Groep Kil. Zeker is dit niet (uit de bronnen). Korte tijd nadat Groep Spui de brug bij Spijkenisse deed versterken, werd vanuit Groep Kil initiatief genomen om versterking richting Barendrecht te sturen. De bronnen vermelden deze mutatie als een bevel dat voortkwam uit burgermeldingen van gelande parachutisten bij de Barendrechtse brug. Daardoor wordt de schijn gewekt dat de beide Groepen de voorname informatie over parachutistenlandingen niet uitwisselden. Zeker is wel (uit de bronnen [192, 193]) dat Groepen Kil en Spui wel enige informatie uitwisselden in dit stadium. Anderzijds is ook gebleken dat de afstemming tussen de Groepen onvolkomen was, zoals bij Goidschalxoord bleek [zie beschrijving 3.GB].

[198] Commandant Vak Hellevoetsluis [reserve majoor F.J. Goedhart] gaf om 0915 uur opdrachten uit aan twee secties [een sectie van 2-I-39RI en de 2e sectie 3-I-39RI onder dpl sgt A.A. Diederik] om naar de brug te Spijkenisse te vertrekken. Zij zouden zich daar onder bevel moeten stellen van de eveneens [om 0930 uur] naar Spijkenisse gestuurde sectie van 39.RGC onder de kapitein Verdoon. De opdracht was … iedere overgang van de vijand in westelijke richting te doen verijdelen. Een impliciete opdracht om wederom alleen de westzijde van de brug te verdedigen en niet de gehele brug in bezit te houden door de verdediging aan de oostzijde in te richten. We zien daar dus wederom het tactische onbenul van een hoger commando, wat gezien het anno 1940 gehanteerde principe van expliciete bevelsuitgifte in het Nederlandse leger als uiterst kwalijk moet worden geadresseerd.

Hefbrug bij Spijkenisse

[198] Om 1045 uur werd het Vak Hellevoetsluis verwittigd dat de kapitein in Spijkenisse het commando van de luitenant Bolderheij had overgenomen. Heel verstandig bleef de sectie van 34RI aan de oostzijde in positie. Een naar het oosten van Hoogvliet gestuurde patrouille kreeg geen contact meer met de Duitsers waarop het bericht naar de Vakcommandant werd gestuurd dat de vijand zich (kennelijk) had teruggetrokken. Die melding is congruent met de Duitse rapporten die geen enkele suggestie wekken van een bezetting van de westzijde van het Eiland IJsselmonde in deze fase.

[1, 101c, 198, 221] Duitsers lieten zich de gehele 10e mei niet zien bij Hoogvliet. Omdat dit elders binnen Groep Spui wel het geval was [op het eiland Rozenburg waren een klein aantal Ju-52 met luchtlandingstroepen – van IR.65 – geland], werden twee secties [van 2-I-39RI alsmede de sectie van 39.RGC] verplaatst naar het westen. De luitenant Bolderhey kreeg het commando weer overgedragen van de kapitein. Twee infanteriesecties plus twee Vickers mitrailleurgroepen bleven te Spijkenisse als veiligheidsbezetting aanwezig.

Duitsers waren er dus inderdaad niet westelijke van Rhoon op 10 mei. Dat zou pas op 11 mei aan de orde zijn. Geheel actieloos verliep de 10de mei desondanks niet voor de mannen in Spijkenisse. Vooreerst werden ze ingeschakeld bij de vastneming van ongewenste elementen en waren zij ooggetuige van een luchtgevecht boven hun hoofd en het neerstorten van twee vliegtuigen. Wat was er gebeurd?

[76] Het RAF 600 squadron voerde met Blenheim 1F fighter-cruisers een raid uit op Waalhaven, vroeg in de middag van de 10e. Eén van de Blenheims had de vliegbasis gemitrailleerd toen het op de weg terug door een Messerschmitt op de staart werd gezeten. Volgens verslagen van burgers uit Hoogvliet en Spijkenisse wist de Blenheim zijn belager neer te schieten en stortte de Duitser met een grote plons in de Oude Maas vlakbij de brug. Twee maanden later werden delen van het wrak veilig gesteld door de zoon van de brugwachter [76].  De Britse jachtkruiser was echter ook zodanig beschadigd door het Duitse vuur, dat een noodlanding moest worden gemaakt. Het werd een crash landing. Net buiten Hoogvliet stuiterde de Blenheim tegen de grond, waarbij beide bemanningsleden omkwamen. De piloot bleek onthoofd en een onderbeen te missen, de luchtschutter zat dood in zijn koepel.

[76] Bij uitzondering continueren wij het verhaal naar de volgende dag. De bemanning van de Blenheim L1515 BQ-L bestond uit Pilot Officer [gelijk aan 2e luitenant-vlieger] Michael H. Anderson en Leading Aircraft(s)man [gelijk aan soldaat 1e klas] H.C.W. Hawkins. Die namen waren op 10 en 11 mei 1940 niet bekend, kennelijk door de verminking en het wegraken van identificatieplaatjes. Op 11 mei toen de beide lijken geborgen werden, werden zij geregistreerd als twee onbekende militairen van Britse komaf in de rang van Leading Aircraft(s)man.  De gemeentesecretaris van Spijkenisse gaf opdracht de lijken te bergen, hetgeen geschiedde. Op zich curieus, want Hoogvliet was een fusiegemeente met Pernis [sinds 1934] en behoorde tot de gemeente Rotterdam [eveneens sinds 1934]. Kennelijk trad de gemeentesecretaris echter bij ontstentenis van een functioneel gelijke in Hoogvliet op. Er werd besloten de beide Britten in Spijkenisse te begraven. Daarbij werd door de Nederlandse soldaten geassisteerd. Opmerkelijk is dat de luitenant Bolderheij deze gebeurtenis op 10 mei dateert in zijn verslag. [101c]

Het verhaal heeft een bijzonder vervolg. Tot aan 1981 bleven beide vliegers als ‘onbekende Britse vliegers’ op de Algemene Begraafplaats te Spijkenisse begraven. Het was de in deze regio zeer actieve krijgshistoricus Hans Onderwater die samen met Britse archiefdiensten vast kon stellen dat de beide voornoemde RAF vliegers de beide onbekende vliegers waren die in Spijkenisse begraven lagen. Het leverde bovendien direct de identificatie op van twee andere – tot dan toe – onbekende Britse vliegers. Door uitsluiting konden Flying Officer [1e luitenant] Moore en Corporal Isaacs van een andere neergestorte Blenheim eveneens worden geïdentificeerd. Zij waren te Waalhaven neergestort en onherkenbaar gebleven. Het zijn van die gebeurtenissen waarbij krijgshistorici dankbare resultaten boeken door hun onaflatende speurwerk. Hans Onderwater [uit Barendrecht] heeft in zijn werk betreffende de gebeurtenissen rond IJsselmonde buitengewoon veel zaken helder gemaakt. Zaken die ook op deze site als aanvullende informatie hebben gediend en nog zullen dienen.

Pernis

Bij Pernis - of liever gezegd op de Vondelingenplaat - was de BPM installatie met bijbehorende opslagtanks te vinden alsmede de Eerste Petroleumhaven, die in 1929 was uitgegraven. De Tweede Petroleumhaven [tussen de Eerste en de Waalhaven] was nog onder constructie en zou tijdens de oorlog, in 1941, worden opgeleverd.

Het gehele westelijke deel van het eiland IJsselmonde viel onder de gemeente Rotterdam. Vandaag de dag is dat goed voorstelbaar, maar in de jaren dertig toen Rotterdam qua bebouwing ten zuiden van de Nieuwe Maas nog zeer bescheiden van omvang was, was dit een vrij bijzondere situatie. Het was wel de reden waarom het garnizoensbataljon van Rotterdam – III-39RI – de veiligheidsbezetting van de olie-installaties van de BPM ten westen van Pernis leverde.

Het was de kleine 1e compagnie van het garnizoensbataljon dat de bezetting van de locatie oliehaven voor haar rekening nam. De compagnie stond onder bevel van de reserve kapitein D.L. van Rooijen.

[2, 102c] De compagnie was maar 154 man sterk (28 man, ofwel een sectie, onder sterkte), waartoe naast de commandant slechts twee officieren en zeventien onderofficieren behoorden. De eenheid was verdeeld over – in hoofdzaak – vijf posities, vrijwel allen langs de weg die zuidelijk om de haven heen richting BPM terrein liep. De compagnie was zeer vertrouwd met de omgeving. Sinds het november alarm was zij al verantwoordelijk voor de beveiliging van het terrein, waarbij met de particuliere beveiligingsdienst van de BPM werd samengewerkt. De militairen bewaakten het buitenterrein, de BPM bewakingsdienst het binnenterrein. Dat betekende dat er wachtdiensten werden gedraaid die telkens een derde van de compagnie vergden, te weten 15 schildwachten rondom het terrein, 15 man in een wachtlokaal als eerste piket en 15 rustend als achterwacht. Bij de beide toegangspoorten was voorts een onderofficier aanwezig.

kapitein D.L. van Rooijen

[102c] De verdeling van de compagnie was grosso modo als volgt. Er waren drie posities ingericht aan weerszijde en pal naast de weg zuid van de havenkade met front richting Waalhaven. Daar was tevens – in de vroege morgen van 10 mei – een versperring op de weg aangebracht. In die posities lag één gehele sectie met een lichte en later een zware mitrailleur [de laatste kwam pas in de loop van de dag beschikbaar]. Westelijk van de haven in de bocht van de weg naar het noorden waren vijf posities gemaakt. Drie daarvan ten zuiden van de weg, front richting Hoogvliet en de Oude Maas. Deze drie posities werden door telkens een infanteriegroep bezet zodat dit ook een volledige sectie met drie lichte mitrailleurs belaste. Twee posities daarachter lagen voor de hoofdportier locatie, waarin een infanteriegroep lag plus een sectie versterkt door een zware mitrailleur die door de luchtafweerpelotons was afgegeven. Twee kleine groepen lagen voorts aan de Nieuwe Maas zijde, beide bij een veerpont aanlegsteiger. De kleine staf was door de kapitein in een vrachtwagen gehuisvest nadat de vijandelijkheden waren uitgebroken. Zo bleef de staf mobiel. Deze was op het terrein van de BPM gehuisvest, zo lang er geen aanleiding was elders te vertoeven.

Er was dus een breed front gemaakt – in een halve maan vorm – dat nadering vanaf de noordelijke waterzijde [Nieuwe Maas], zijde Oude Maas / Hoogvliet en de zijde Waalhaven / Rhoon afschermde. Een verstandig en evenzo logisch dispositief. Munitie was ter plaatse ruimschoots voorhanden.

Naast deze aanzienlijke delegatie van de infanterie, was er ook nog een vertegenwoordiging van de luchtafweer. [8, 306] Het was 13 Compagnie Luchtdoelmitrailleurs [commandant was reserve kapitein H.O. van Rijswijk, die op weg naar Waalhaven direct sneuvelde in het eerste uur van de strijd] dat het eiland IJsselmonde voorzag van lichte luchtafweer, waarbij alle moderne middelen overigens bij Waalhaven geconcentreerd waren. Van de Compagnie stonden drie pelotons aan drie zijden van de Eerste Petroleumhaven terwijl een vierde peloton aan de noordzijde van de Nieuwe Maas stond. Het waren 52 t/m 55 Pel Lumi, alle vier uitgerust met vier M.25 Spandau mitrailleurs. Het 52e Peloton [dpl sergeant D. Kroon] stond aan de noordzijde van de Nieuwe Maas. Het 53e [dpl sergeant J.R. Eijkman] stond tussen Hoogvliet en de BPM terreinen, het 54e [dpl sergeant J. Sieberk] in de uiterste noordwesthoek naast de installaties en het 55e [dpl sergeant M.C.C. Giltay] aan de oostzijde van de petroleumhaven, ver buiten de perimeter van 1-III-39.RI. Bovendien stonden twee van de vier zoeklichten van 4-IIIe Zoeklichten Afdeling tl tegen de lengteas van de haven aan, terwijl de twee andere zoeklichten daar tegenover stonden [vlak bij Portugaal en vlak bij Hey]. Te Rhoon zat de commandpost van de IIIe Afdeling Zoeklichten en te Pernis (dorp) die van 13e Comp Lumi. Beide locaties waren voor het overige niet bezet door Nederlandse eenheden.

De steunpunten van de infanteriecompagnie waren – met uitzondering van die welke vlak aan de poort lagen – niet telefonisch bereikbaar. De compagniescommandant was echter zeer actief door constant de steunpunten te bezoeken. Hij achtte dat niet alleen noodzakelijk vanwege eventuele rapporten omtrent vijandelijke bewegingen, maar eveneens om de vele indrukken die de mannen van de oorlog om hen heen opdeden, te kunnen opnemen en de gemoederen rustig te houden.

In de lucht was het een helse boel, ook voor de vooral toeschouwende mannen van 1-III-39.RI. Er gebeurde op de grond op de 10e mei in feite niet veel voor de verdedigers van Pernis, maar één opvallende zaak was er wel. In het gevechtsverslag van de C.-1-III-39.RI van 4 juni 1940 wordt vermeld dat op 10 mei rond 1000 uur [NB: het werkelijke tijdstip was vermoedelijk later] een Duitse officier met een mindere zich per auto kwam melden bij de versperring en brutaal de overgave eiste van de positie. De officier en zijn metgezel werden echter ontwapend en afgevoerd naar Vlaardingen.

[1520, pg. 106] De dpl sergeant-vliegtuigmaker R.J. Groenendijk lichtte de zaak toe in gesprekken die hij met historicus Karel Mallan voerde in 1989 en 1990. Hij was gevangene van de Duitsers en werd op zeker moment in een auto gesommeerd. In die auto zat voorin een Hollandse arts en achterin - naar zijn zeggen - twee Duitse officieren. Deze twee hielden met hun pistolen de beide Hollanders onder schot. Groenendijk zat aan de bijrijder zijde en moet een papier met tekst [naar verluidt met "Wir sind Parlementair"] tegen de voorruit drukken. De arts reed en had opdracht naar "Maasbrücke" te rijden. Beide wisten dat ze echter op de weg naar het westen richting olie installaties reden. Daar aangekomen minderde de arts vaart vlak voor een provisorische versperring, waarbij de sergeant Groenendijk snel uit de auto sprong. Hij waarschuwde schreeuwend de wachtposten en deze namen de beide Duitsers aan boord gevangen.

In zijn verslag van januari 1950 voor de commissie Militaire Onderscheidingen laat de kapitein Van Rooijen een vergelijkbare versie horen. Hij spreekt van één Duitse officier, die een Nederlandse soldaat en een burgerchauffeur bij zich had.

Overigens is het met een grote mate van waarschijnlijkheid bekend om welke Duitse officier het hier ging. Dat was de Oberleutnant Hans Lampertsdörfer, de Feindnachrichten Offizier (of 1C) in de staf van Kurt Student.  Hij werd gevangen genomen en naar Vlaardingen overgebracht, nadien in Rotterdam gevangen gezet. Hij werd tot zijn fortuin niet naar Den Haag gestuurd, ontliep daardoor een enkeltje Engeland en kon daarom zijn eenheid na de meistrijd weer opzoeken. [500] De memoires van Student besteden ook aandacht aan de kwestie. Aan Duitse kant werd vastgesteld dat Lampertsdörfer, direct na de landing op Waalhaven, zich van een chauffeur en auto voorzag en richting westen vertrok, naar verluidt om de karige 'Feindnachrichten' te verrijken met eigen waarnemingen. De luitenant dacht kennelijk dat er geen Nederlander meer op IJsselmonde te vinden was.

Lampertsdörfer zelf, kennelijk een flamboyante figuur, boetseerde er een compleet sprookje omheen, dat in augustus 1940 in 'Der Adler' werd geplaatst. Het vertoonde nauwelijks een spoor van de werkelijkheid, maar werd kennelijk niet minder verteerbaar door de fantasierijke pen van deze Duitse officier. De fantast zelf kwam overigens een jaar na Waalhaven (op 9 mei 1941) als Hauptmann om het leven toen hij met een Bf-110 een verkenningsvlucht maakte boven Kreta en werd neergeschoten.

[102c] In de vroege avond charterde de kapitein Van Rooijen een motorboot [ de 'Vrijheidsplaat' van de haven veerdient Spido] met bemanning. Hij legde beslag op het schip om het als verbinding te gebruiken met de noordoever. Een verstandig besluit, zo zou weldra blijken.

De secties zoeklichten en de pelotons luchtdoelmitrailleurs

[306] De pelotons luchtdoelmitrailleurs waren direct vanaf 0400 uur in de weer. Er waren volop doelen voor hen om te beschieten, daar de meeste vliegtuigen laag overkwamen. Daarbij werden vele successen geclaimd, echter zijn deze nauwelijks te bewijzen. De compagniescommandant kapitein van Rijswijk was in de vroege morgen naar Waalhaven gegaan en daarbij op de weg tussen Rhoon en Waalhaven gedood door parachutisten, vermoedelijk van 11./FJR1, die langs de weg waren neergekomen. Zijn commando werd nadien door de reserve 1e luitenant H.A. Jansen waargenomen. Hij verloor in de loop van de ochtend vanuit de commandopost te Pernis contact met al zijn pelotons, daar waar dat uiteraard met de pelotons op Waalhaven [zie verslag IJsselmonde 1e fase] al in de vroege morgen verloren was gegaan. Later werd ook de verbinding met Rotterdam verloren, rond 1130 uur.

[306] Opvallend was dat bij alle vier de pelotons luchtdoelmitrailleurs alsmede die bij Waalhaven lovend over de Spandau mitrailleurs werd gesproken. Alle wapens - op één na - functioneerden lange tijd zonder noemenswaardige haperingen. In dit geval was het de (gezien de vele doelen) beperkte munitievoorraad die de problemen veroorzaakte en spoedig leidde tot rantsoenering. Slechts één mitrailleur weigerde dienst en een ander gaf later problemen. Deze werden beide aan de infanterie afgegeven en in één van de BPM werkplaatsen hersteld. Ze werden nadien bij de infanterie gelaten die hen met gretigheid opstelden [zie opstelling infanterie hierboven].

[306] In de loop van de middag realiseerde de luitenant Jansen zich dat het 55e Peloton in een geisoleerde positie terecht was gekomen, daar het ruim buiten de perimeter van de infanterie opstelling stond opgesteld. Het peloton werd daarom verplaatst naar de noordzijde van de Nieuwe Maas, waar het vlakbij het 52e in positie kwam. Daarmee bleven twee pelotons aan de zuidzijde staan, beide dus binnen de perimeter van de infanteriecompagnie van de kapitein van Rooyen.

[8, 307] In Rhoon zat de commandopost van de 3e Afdeling Zoeklichten onder reserve kapitein C.A. Lamberts. De secties van deze Afdeling waren langs de Nieuwe Maas gepositioneerd. Vanuit de commandopost werden parachutisten waargenomen die ten zuidwesten van Rhoon in de Zegenpolder terecht kwamen. Een patrouille van zes man onder een sergeant werd erop uitgestuurd, maar deze maakte geen gevechtscontact. Vermoedelijk omdat men met enkele geweren en revolvers zich vrijwel weerloos achtte. Deze troepen die ten zuiden van Rhoon landden waren vermoedelijk van 10./FJR1. Zij waren het die volgens het gevechtsverslag van 11./FJR1 te westelijk waren geland om hun taken uit te kunnen voeren en die werden daarom door 11./FJR1 waargenomen. Later werd 10./FJR1 aan de oostzijde van Waalhaven ingezet.

Enkele uren later kwam er een aantal Nederlandse militairen vanuit Waalhaven in het kwartier aan en meldden daar wat ze hadden meegemaakt. Onderwijl was de telefoonverbinding om 0600 uur uitgevallen. De kapitein liet daarop een ordonnans naar Pernis rijden om vandaar telefonisch instructies bij de Luchtverdedigingskring te Rotterdam te bemachtigen. Op een zeker moment kwam er een auto aangereden over de Stationsstraat vanuit de richting Waalhaven, die werd herkend als de auto van (vermoedelijk) kapitein van Rijswijk. De bestuurder werd een stopteken gegeven waarop er ter hoogte van kasteel Rhoon drie Duitsers uitsprongen en vuur uitbrachten op de Nederlanders. Dat werd prompt beantwoord, waarbij een Duitser sneuvelde en een gewond raakte. (9)

(9) De gesneuvelde was vrijwel zeker de 11./FJR1 Obergefreiter Günther Gallash. Deze wordt in de Duitse registratie op 12 mei te Rhoon genoteerd. Overigens werd Oberjäger Herbert Schröder van 11./FJR1 op 11 mei te Hoogvliet geregistreerd als gesneuveld. In beide gevallen gaat het vrijwel zeker om sterfdatum 10 mei. De Duitsers verlieten de omgeving echter en kwamen er pas op 11 en 12 mei in aanzienlijke aantallen terug [I./IR.72]. Het was de Duitse gewoonte niet-geborgen doden waarvan de dood niet zeker was, pas te registreren op de bergingsdatum. Een nadere aanwijzing voor de conclusie dat het vrijwel zeker slachtoffers van gevechten op 10 mei betreft is voorts dat 11./FJR1 als onderdeel van III./FJR1 op 11 en 12 mei op het Eiland van Dordrecht tot inzet kwam, waar zij in de nacht van 10 op 11 mei aankwamen. 11./FJR1 was dus niet meer actief op het eiland IJsselmonde op de registratiedatums.

De gewonde Duitser pakte twee burgers in gijzeling en als zodanig staakten de Nederlanders het vuren. Desondanks werd hij gevangen genomen en naar de inrichting Maasoord gebracht voor behandeling. Beide slachtoffers worden in de documentatie van 11./FJR1 bevestigd als ‘vermoedelijk gesneuveld’ en ‘vermist’. [462] De derde Duitser is ontsnapt.

[307] In de loop van de middag werd waargenomen dat Duitse troepen een boerderij aan de oostzijde van Rhoon in bezit namen. Voordien [1600 uur] kwam een ordonnans op de CP die opdracht gaf namens de Kring om het vervoerbare materieel en kleinere middelen te verzamelen en te Pernis te brengen om aldaar over te steken naar de noordzijde van de Nieuwe Maas. De tocht richting Pernis verliep zonder problemen. Aldaar bleek echter geen scheepsruimte beschikbaar de zwaardere middelen te vervoeren. Die werden dan ook achtergelaten nadat de lichten onklaar waren gemaakt, terwijl wapens en proviand aan boord werden genomen. De burgerwacht van Pernis heeft echter de vervoermiddelen de volgende dag naar 1-III-39RI gereden, alwaar ze werden ingezet om de wegen te versperren tegen eventuele luchtlandingen.

[8, 307] Opvallend waren de belevenissen van specifiek een der secties zoeklichten. Het betrof in hoofdzaak het personeel van de 2e sectie dat ten zuiden van Rotterdam met vier zoeklichten was opgesteld. Ondersteund door enkele leden van de 3e sectie (rondom Waalhaven gepositioneerd) werd in zuidoost Rotterdam de gehele dag een soort stadsguerrilla gevoerd. De manschappen werden daarbij geleid door de fanatieke vaandrig H.M. Hofstede. Zij wisten de gehele ochtend en middag uit handen van de Duitsers te blijven. In de buurt Tuindorp Vreewijk [oost van het Feyenoordstadium, toen een vrijwel open gebied] en vlakbij het Zuiderziekenhuis [aan de Groene Hilledijk] vuurden zij telkens vanuit andere posities op Duits verkeer. In de middag namen zij vaste posities in, in de Christelijke HBS. In de Duitse rapporten [410, 500] werden deze acties als uiterst storend ervaren. Het werd bovendien als curieus ervaren dat de Nederlanders ook op Duitse soldaten schoten die rondom het Zuiderziekenhuis liepen. Enerzijds begrijpelijk, maar anderzijds niet in strijd met de geldende conventies zolang die Duitse troepen zich niet als een geneeskundige formatie hadden getooid.

[307, 410] Het was aan het einde van de middag dat – nadat er door 10./IR16 met de manschappen bij het Afrikaanderplein was afgerekend – ook een einde zou komen aan de acties van de mannen van de 2e sectie zoeklichten. Tussen 1800 en 1900 uur zetten de Duitsers stukken PAK in tegen de Nederlanders in het HBS gebouw. Daarop besloot de vaandrig dat het genoeg was geweest. Maar ze gaven zich niet direct over. De sectie trok zich terug in het sectiekwartier dat enkele tientallen meters achter de HBS zat. Met enkele wachten voor de deur werd een maaltijd gegeten, waarna de vaandrig een ieder vrijliet zich over te geven of zich als militair dan wel als burger uit de voeten te maken. Een deel der manschappen gaf zich over en werd door de Duitsers direct bij de gewondenafhandeling in het Zuiderziekenhuis – inmiddels hoofdhospitaal gemaakt – ingezet. Een ander deel trok burgerkleren aan en ging op in de massa. In strijd met het oorlogsrecht, maar wel begrijpelijk.

[307] De 4e Sectie lag zoals eerder gezegd onder de Petroleumhaven. Het had enige korte vuurcontacten met Duitse verkenningspatrouilles rond Hoogvliet. Daarbij is vermoedelijk één Duitser omgekomen [zie noot 8]. Bovendien slaagde men erin een gevorderde auto en een vrachtwagen, die door de Duitsers werden gebruikt voor verkenningen, terug te veroveren. In de vrachtwagen, ijlings verlaten door de Duitse ‘kapers’, bleken bovendien zes Nederlandse krijgsgevangenen te zitten die aldus werden bevrijd.

[307] De 5e Sectie lag bij Spijkenisse. Zij hebben als enige opmerkelijke actie op hun conto staan dat zij de brugwachter van de brug bij Spijkenisse konden instrueren de hef te hijsen. Dat was evident voordat er sprake was van de aankomst van de sectie onder de luitenant Bolderheij van 34RI bij de Spijkenisserbrug.

[31, 307] De gehele Afdeling had geen enkel dodelijk slachtoffer op 10 mei. Dat is buitengewoon opvallend, daar de 3e sectie midden in de strijd in Waalhaven terecht kwam, de 2e sectie de gehele dag ageerde tegen de Duitsers en de 1e en 4e secties beiden in de periferie van de strijd ook in enkele korte vuurcontacten terecht kwamen met de Duitsers.

[De bronnen vindt u hier]