Dordrecht - 1e fase

Inleiding

De beschrijving van gebeurtenissen in het kantonnement Dordrecht, inclusief de compagnie pioniers bij de Zeehaven, wordt voor een beter overzicht in drie delen verzorgd.

In het eerste deel wordt aangevangen met een duidelijk overzicht van de gekantonneerde troepen, de kantonvreemde troepen en een beschrijvingen van de gebeurtenissen in de ochtend van de 10e mei. Een nadere duiding over het veel omvattende wapenvak der genie is in de sectie Uitgelicht gegeven.

Dordrecht stad

Een zaak die voor de verdedigers van Dordrecht overigens bijzonder vervelend moet zijn geweest, was het feit dat de stad en de betwiste omgeving over maar liefst vier stafkaarten verdeeld was. Dordrecht en directe omgeving waren verdeeld over de Stafkaarten 38 en 44 voor het deel zuid / Dordt / noord en de Stafkaarten 37 en 43 voor het deel west van Dordrecht. Gezien de schaarste aan stafkaarten in ons leger is het direct duidelijk dat veel troepen met onvolledig carthografisch overzicht (of totaal gebrek daaraan) hun werk moesten doen. Overigens belet het auteur dezes vandaag de dag ook om een goede stafkaartafbeelding bij dit artikel te plaatsen. De stad zelf was namelijk ook al verdeeld over kaarten 38 en 44 ...

Recapitulatie Nederlandse troepen in Dordt

Voor een goed begrip is het verstandig de ruim 1,600 man Nederlandse troepen in Dordrecht nog eens te duiden. Een ruimere beschouwing vindt men onder de Proloog.

Dordrecht was samen met Rotterdam, Utrecht en Schoonhoven een voornaam centrum voor de technische troepen. Het had het depot voor de Pontonniers en Torpedisten in haar midden. Dat was een belangrijk genieonderdeel in het Nederlandse leger, omdat Nederland nu eenmaal een waterland is.

[170,1] Het depot bestond uit vier opleidingscompagnieën; drie voor de pontonniers en de vierde voor de torpedisten. Het depot werd geleid door luitenant-kolonel J.A. Mussert met diens rechterhand kapitein-adjudant G. van der Mark. De staf- en opleidingsgroep bestond voorts uit 6 andere officieren, 43 onderofficieren en 29 korporaals en soldaten.

De 1ste Depot Compagnie – waarin opgenomen een onderofficiersopleiding – werd gecommandeerd door de reserve kapitein H.J. Siegmund. Het bestond uit maar liefst 3 officieren, 24 onderofficieren, 60 korporaals en 333 soldaten. Deze compagnie was gelegerd in de Betje Wolffstraat in Krispijn in de Openbare Lagere School. Dit was dus aan de rand van het gebied dat grensde aan De Polder.

Jacob Marisstraat

De 2e Compagnie lag ook vlakbij De Polder en werd gecommandeerd door de kapitein D. Crok. Het bestond uit 2 officieren, 15 onderofficieren en 202 korporaals en soldaten. Het lag in de Jacob Marisschool aan de gelijknamige weg. Van de korporaals en manschappen waren er 151 zogenaamde zeemiliciens, zij waren bedoeld voor maritieme diensten. Zij waren veelal in marine uniformen gekleed.

De 3e Compagnie werd door de reserve kapitein H.B. Driessen gecommandeerd en had de reserveofficiersopleiding onder haar vleugels. Het bestond uit 2 officieren, 44 onderofficieren [w.o. 2 beroepsvaandrigs en 23 reserve officieren in opleiding] en 218 korporaals en soldaten. Daarbij had men op 6 mei nog eens 137 verse recruten gekregen. Omdat de onderofficiersopleiding niet geheel door de 1e Compagnie kon worden gedragen waren er 25 korporaals kandidaat onderofficier ingedeeld bij de 3e Compagnie. Het totaal aan manschappen inclusief officieren bedroeg dus 401 man. Ze waren allen gelegerd in de Benthienkazerne die aan de Oude Maas vlakbij bij de Nieuwe Haven lag.

De 4e Compagnie was voor de torpedisten in opleiding. Deze werd gecommandeerd door de reserve kapitein J.M. Zwennes en bestond uit 4 officieren, 29 onderofficieren en 171 korporaals en minderen. Zij hadden ook op 6 mei een contingent verse recruten gekregen en wel 104 man. De compagnie leidde zowel gewone torpedisten als kandidaat (onder)officieren op. Deze compagnie was centraal in de stad ondergebracht in de openbare lagere school aan de Hofstraat.

[170] Het depot had daarmee een grote omvang. Het bestond uit de depot- en opleidingsstaf van 81 man, 1.040 pontonniers en 308 torpedisten. Hiervan waren er 241 nog recruten die pas sinds 6 mei 1940 onder ‘de wapenen’ waren en dus iedere oefening ontbeerden. Het betekende een depot van ruim 1.400 man in totaal.

[1] Daar kwamen nog enkele kleine contingenten bij. Er was een kantonnementsziekenverblijf aan de Vriesestraat waarin 12 man werkzaam waren, waaronder 2 artsen. Het werd geleid door de reserve officier van gezondheid 1e klas Dr. H.J. Ormel, tevens kantonnementsarts. Alle manschappen onder hem waren verbonden aan het wapen der geneeskundige troepen.

[1] Er was een militair magazijn in het kantonnement. Dat viel in feite onder het DMKL [Directie Materieel Koninklijke Landmacht]. Het magazijn ’s Landswerf – gecommandeerd door de sergeant der 1e klasse J.F. Smit – had 1.000 geweren en karabijnen, zes lichte mitrailleurs, enkele tientallen pistolen, een voorraad uitrustingstukken, enkele motoren en vrachtwagens en een kleine hoeveelheid munitie en brandstof. De sergeant had drie onderofficieren en negentien minderen onder zijn gezag. Ook onder het DMKL viel het militaire deel van de munitiewerkplaats bij het particuliere bedrijf NV Metaalwarenmaatschappij Johan de Witt dat was gevestigd aan de Staart in het stadscentrum. Hier werd munitie vervaardigd voor de stukken PAG van de landmacht. Dat deed men in opdracht van Philips uit Eindhoven, die de hoofdopdracht aan Johan de Witt had uitbesteed. Er stonden twee stukken PAG bij de fabriek die bedoeld waren voor diverse proefnemingen. Er waren enkele ernstvuurwerk specialisten [explosieven-experts] gedetacheerd en de majoor voor speciale dienst A. Wilod Versprille vertolkte de militaire supervisie over de productie.

[1, 176, 178] Een onderdeel dat niet onder het kantonnementscommando viel [maar onder de Bataljonscommandant kapitein A. Eekhoff bleef, die op zijn beurt onder de Directie Etappen en Verkeersdienst viel], maar wel in Dordrecht verbleef, was de 3e sectie van de 2e Wegcompagnie van het Bataljon Spoorwegtroepen. Het bestond uit 1 officier [commandant, de reserve 1e luitenant L.J. Leijten], 4 onderofficieren, 5 korporaals en 51 soldaten. In totaal dus 61 man. Deze sectie had drie veiligheidstaken. De eerste was een piketwacht op de spoorbrug over de Oude Maas, de tweede bewaking van het spooremplacement. De derde taak werd vanuit de legering [villa Weizigt, aan het Van Baerleplantsoen] geregeld, en was de bewaking van het station. De eerste twee taken werden door een detachement van een onderofficier met een korporaal en vijftien man verricht. De overige 44 man bleef in de kwartieren en verzorgden een piket bij het station. Zij waren het dichtste bij De Polder gelegerd van alle eenheden. Opvallend detail bij dit onderdeel was de aanwezigheid van drie trucks met materiaal om tussen en naast de rails van de spoorbrug te leggen om daarmee de spoorbrug geschikt te maken voor regulier gemotoriseerd vervoer. Hoewel het onderdeelsverslag [noch sectie, noch bataljonsverslag] de reden daarvoor niet noemt, zal dit met het oog op de terugtrekking van de Lichte Divisie via deze route zo zijn gepland geweest. Zodoende kon men dan verstoppingen van de Dordtse verkeersbrug voorkomen. Nadrukkelijk zij gezegd dat dit een vermoeden van auteur is.

De sectie spoorwegtroepen beschikte dus over materialen om de spoorbrug over de Oude Maas eventueel geschikt te maken voor gewoon vervoer. Want naast vernielings- en wachttaken hadden spoorwegtroepen ook bouwtaken. Zij dienden spoorreparaties te kunnen uitvoeren na vijandelijke aanvallen alsmede te zorgen voor de continuïteit van het spoorbedrijf voor militaire doelstellingen, zoals bediening van wissels en de treinloop in algemene zin. In mei 1940 hadden zij echter vooral ook taken in het berijdbaar maken van spoorbruggen voor gewoon vervoer. Een zaak die voor de grote verwachtte vervoersstromen van het Veldleger van groot belang kon zijn.

[1, 191, 192] Eveneens geen onderdeel van de kantonnementstroepen, maar wel binnen de grenzen van het kantonnement aanwezig, was 14.C.Pn. Deze compagnie pioniers viel onder direct bevel van de Groep Kil, maar was op het Eiland van Dordrecht gelegerd omdat het daar de stellingbouw onder de hoede had gekregen. Commandant was de reserve kapitein W. Mantel. De compagnie was ingekwartierd in de Rijkslandbouwwinterschool aan de Admiraal de Ruyterweg in de winkelhaak met de Zuidendijk, iets ten noordoosten van de Zeehaven. Reguliere sterkte van een compagnie pioniers was tussen de 220-250 man. Om een of andere reden was 14.C.Pn echter kleiner. Het bestond slechts uit een kleine staf met drie secties (van elk ca. 60 man), tezamen ongeveer 220 man. Een deel van deze mannen zal al dan niet tijdelijk in andere hoeken van het brigadevak zijn ondergebracht, omdat zij stellingwerk verrichten voor de brigade. Exacte aantallen ontbreken wat dat betreft helaas.

Uiteindelijk was de totale bezetting van het kantonnement dus bestaande uit ruim 1.700 man. Zij waren echter allen wat men non-combattanten noemde, militairen met specialistische functies die geen gevechtsfunctie hadden en daartoe – gedurende het interbellum – ook niet waren opgeleid. Dat gold evenzo voor de beroeps (onder)officieren. Die waren eveneens uiterst summier geschoold in de wapenvreemde taken en tactiek. Met uitzondering van de recruten die in mei 1940 nog waren opgekomen, waren de manschappen wel in enige mate geoefend met het persoonlijk wapen. In de meeste gevallen was dat de karabijn, voor menige functie echter ook het pistool. De lichte mitrailleur was slechts voor onderofficieren een bekend wapen. Op papier was de gevechtswaarde van de 1.700 man troepen dan ook matig tot slecht.

De ongewapende luchtwachtpost, bezet met vrijwilligers, is niet tot het aantal manschappen gerekend. Hun bureau was in de HBS gevestigd terwijl de uitkijkpost in de Oude Grote Kerk [aan de Voorstraatshaven] zat.

[1, 305] Bij de bruggen lagen twee pelotons luchtdoelmitrailleurs, te weten 85 Pel LuMi onder de sergeant N. Elkerbout en 86 Pel LuMi onder de sergeant Hagedoorn. De pelotons hadden het wat weidse begrip ‘luchtverdedigingspunt Zwijndrecht’ gekregen en vielen onder de kring Rotterdam – ‘s Gravenhage. De pelotons waren ieder met vier Spandau mitrailleurs uitgerust en konden dus slechts tegen laagvliegende toestellen iets betekenen. Het verdedigingspunt stond onder bevel van reserve 1e luitenant A. Goldsteen. De luitenant had 40 man onder zich. De posities waren enigszins versterkt met zandzakken.

Het 85ste stond aan Dordtse kant opgesteld, zuid van de verkeersbrug in de bocht die de weg richting zuiden maakte. Het 86e stond aan Zwijndrechtse zijde noord van de spoorbrug bij het kleine haventje opgesteld. Doordat vele voorname PTT kabels over de bruggen liepen, was het peloton direct op de hoofdkabel aangesloten die hen rechtstreeks met Rotterdam verbond. Overigens liep er óók een kabel over de brug die de verbinding met Engeland was. Saillant detail is dat deze kabel zelfs nog tot (tenminste) 12 mei onontdekt zou blijven door de Duitsers.

Qua bewapening het volgende. Naast het feit dat er een handvol lichte mitrailleurs voorhanden waren (merendeels voor instructiedoeleinden) waren er geen extra zware wapens in Dordrecht. Er waren naast de handvol ichte mitrailleurs bij de onderdelen wel nog zes lichte mitrailleurs in het magazijn 's Landswerf en de twee stukken PAG bij de fabriek Johan de Witt. Zware mitrailleurs [m.u.v. de stukken van de beide pelotons bij de brug] ontbraken volledig, net als mortieren. Men had geen versterkingen gebouwd en kazematten ontbraken geheel binnen het kantonnement (met uitzondering van de kazematten die in de brugpijlers waren gebouwd).

Het kantonnement

De kantonnementscommandant van Dordrecht zou uitgebreid in beeld komen tijdens de strijd. Het is daarom goed zijn organisatie kort nader te bekijken.

Het kantonnement zou in geval van oorlog door de depotstaf onder de depotcommandant worden geleid. Het was geen kleine staf, zoals bijvoorbeeld wel het geval was in Rotterdam, waar kolonel Scharroo in feite slechts twee officieren direct naast zich had. Overste Mussert had een aanzienlijke staf die bovendien ook wapenvreemde officieren in haar midden had.

[1] De overste en zijn chef staf – de kapitein G. van der Mark – waren beide artillerieofficier. Beide dienden bij het korps Pontonniers en Torpedisten in de tijd dat dit nog onder de Artillerie viel.

[1] Toegevoegd officier was de kapitein der infanterie E.J. van der Flier en gasofficier was reserve kapitein der infanterie J. van de Sluis. Twee toegevoegde officieren waren van de genie, beide beroepsmilitair: 2e luitenant G.E. Leertouwer en J.B. Plasschaert. Tevens waren er twee reserve officieren van administratie.

[1, 170] Daarnaast was er een even opvallend als mysterieus contingent van acht sergeant-majoors toegevoegd, allen technici [schipper, timmerman, smid, machinedrijver], een opperschipper 1e klas en een AOO geweermaker. Het is vooralsnog onbekend wat hun functies precies waren. Vermoedelijk waren zij vaktechnische instructeurs aan het depot.

[1] Het kantonnementsbureau was gevestigd aan de Achterhakkers op de hoek met de Sluisweg vlak naast de Sluisbrug. Vlakbij, ook aan de Achterhakkers, lag het magazijn aan de Achterhakkers waar materialen en uitrustingstukken voor de depottroepen lag. Munitie en wapens waren opgeslagen vlak naast de Benthienkazerne in een magazijn dat evenals de kazerne aan de Buiten Walevest lag. Aan de Cornelis de Witstraat lag het magazijn s’Landswerf waar nog meer wapens en munitie beschikbaar waren.

Alleen de Benthienkazerne was een authentiek militair gebouw. Daar lag de 3e Compagnie Pontonniers in, maar was in vredestijd het kwartier waar zowel pontonniers als torpedisten hun opleiding kregen.

Het kantonnementsziekenverblijf – wat vroeger een militair hospitaal was geweest – lag aan de Vriesestraat op de hoek bij de Vriesebrug.

Dordrecht was geen 'Open Stad'

Jan van der Vorm (1929-1999) zaliger heeft buitengewoon veel betekend voor de formulering van de moderne krijgsgeschiedenis van 'zijn' Dordrecht. Zijn onderzoekswerk en intensieve naspeuringen zijn van onschatbare waarde geweest voor historisch werk uit het verleden en - ten aanzien van de gebeurtenissen in en om Dordrecht - ook voor de totstandkoming van deze uitgebreide thematische website, waarin de gebeurtenissen in Dordrecht uiteraard een voorname rol spelen. Jan zou hebben genoten van de door auteur dezes verzamelde parachutistenverslagen en overige nieuw ontsloten bronmateriaal. We zouden er vermoedelijk jaren samen op hebben kunnen studeren in samenhang met al voorhanden bronnen.

Dat gezegd hebbende, ligt er de oneerbiedige taak een correctie op Jan zijn werk te moeten aandragen. Althans, vooral op de titel, die hij aan zijn werk gaf. Van zijn hand is de titel 'Dordt Open Stad' gekomen, zoals ook de gelijknamige website een franchise is van onderhavige familie van websites van de Stichting Kennispunt Mei 1940. Dordt was echter helemaal geen open stad. Het is wellicht goed om dat begrip, dat voortkomt uit de Lex Belli (oorlogsrecht), kort nader te belichten om het even eerder gegeven oordeel nader te duiden.

Een Open Stad was in het oorlogsrecht, dat op 10 mei 1940 gold, nog steeds een valide begrip. Het betekende dat een gemeente zich als zodanig verklaarde, dat aan de vijand en eigen troepen bekendheid gaf en dat er vanuit die gemeente geen enkele vorm van verzet mocht plaatsvinden. In algemene zin was het zelfs zo dat men de desbetreffende gemeente dan ook in het geheel niet met militairen bezette, met uitzondering van militair-medische instellingen.

Die regeling kwam voort uit de Haagse Conventie van 1910, waarin artikel 25 bepaalde dat niet verdedigde steden, dorpen, huizen of gebouwen niet mochten worden aangevallen. In het in 1940 geldende Veldvoorschrift, dat (in theorie) iedere Nederlandse militair hoorde te kennen, bepaalde artikel C.13 precies datzelfde. Het was voorts logisch dat een vijand wetenschap moest kunnen dragen van het open karakter van een stad en daarvan dus verwittigd moest worden. Zoals dat in 1944 met Parijs gebeurde door de toenmalige commandant van Parijs, General von Choltitz, inderdaad de commandant van III./IR.16 in de meidagen van 1940.

Dordrecht had niet alleen een aanzienlijke militaire bezetting, het had tevens een - zij het zeer bescheiden - infanteristisch bezetting voor de beveiliging en verdediging van de logistieke punten in de stad. Daarnaast was er geen enkel directief dat het kantonnement verbood weerstand te bieden of de stad als open te verklaren. Zo werd dan ook nadrukkelijk niet gehandeld. Toen de eerste Duitser landde, werd het vuur geopend. Dordrecht was niet als Open Stad verklaard en gedroeg zich ook niet als Open Stad. Het is dus helaas een mythe dat ze het wel was. Het mag dan inmiddels een soort geuzennaam zijn geworden, die direct verbonden wordt met de strijd in Dordrecht tijdens de meidagen van 1940, maar de titel Dordt Open Stad doet de historische werkelijkheid ernstig geweld aan.

Paraatheid

[1, 170] De paraatheid in het kantonnement van de depottroepen was nog lager dan die van de reguliere eenheden binnen en buiten het kanton. Er waren geen (extra) wachtposten, geen (extra) piketten en het kantonnementsbureau was onbezet. Slechts de wachtposten voor de gebouwen waren er als altijd en er waren bij de legeringsgebouwen de reguliere kazernepiketten.

De beide compagnieën buiten de stad hadden slechts munitievoorraden van circa 250 patronen, bedoeld voor de wachtdienst. Vlak voor de meidagen had de commandant van de 1e Compagnie [de reserve kapitein H.J. Siegmund] echter twee extra kisten [a 1.920 patronen No.1] geweermunitie bemachtigd voor zijn compagnie. Daarmee kon men de compagnie in elk geval voorzien van een eerste adequaat munitierantsoen. Bij de 2e Compagnie [C. was de kapitein D. Crok] was men niet zo vooruitziend geweest en moest men het doen met 250 patronen. Dat betekende net één patroon per man …

De 3e Compagnie [C. was de reserve kapitein H.B. Driessen] had, naast een klein rantsoen patronen voor de wacht, de munitie enkele tientallen meters verderop in het magazijn. Dat was echter vanzelfsprekend stevig afgesloten.

pijlerkazematten Dordtse verkeersbrug

De 4e Compagnie [C. was de reserve kapitein J.M. Zwennes] had eveneens een minimaal munitierantsoen, dat bovendien deels niet op de kazerne was. Men leverde namelijk vanuit deze compagnie een klein wachtdetachement voor de veerhoofden bij Dordrecht en Papendrecht.

[178] De sectie Spoorwegtroepen leverde een wacht die het spoor tussen de spoorbrug en de overweg bij de Dubbeldamse straatweg verzorgde. Deze bestond uit 1 sergeant, 1 korporaal en 15 soldaten. Het gros hiervan was bij de spoorbrug. Zij hadden allen 60 patronen op de man. In de nacht van 9 op 10 mei was er een reguliere wacht aan de poort bij de legering [villa Weizigt], die in de vroege ochtend werd verdubbeld door de commandant [reserve 1e luitenant L.J. Leijten]. Er was ook een wacht in het station. Onbekend is het aantal manschappen dat daarbij was ingedeeld. Een verslag spreekt van 18 man, maar vermoedelijk was het in eerste instantie beduidend minder.

[170, 170c, 305] Over de brugwacht op de verkeersbrug is onduidelijkheid. In principe leverde een speciaal aangewezen detachement, dat bij de 3e Depot Compagnie in de kost was, de wacht voor de verkeersbrug en had zij daartoe 5 onderofficieren en 5 korporaals ter beschikking. Zij werden bijgestaan door 4 manschappen per dienst die wel van de 3e Depot compagnie stamden. De wachtcommandant van de brug was de sergeant L. Kroon, die van 15.RI stamde en bij het DPT was gedetacheerd als detachementwachtcommandant. De detachement onderofficieren en korporaals waren infanteristen. Het brugdetachement had 5 kogels de man beschikbaar en een voorraad van 45 patronen op de brug zelf. Een schamel geheel. Zij werden vóór de Duitse landing nog van twee dozen patronen voorzien door de commandant van 85 Pel LuMi.

[1, 170, 305] Onduidelijkheid is er over het feit of er überhaupt wel een wacht was in de nacht van 9 op 10 mei op de verkeersbrug. Uit het relaas van de sergeant Kroon lijkt het alsof die wacht pas rond 0400 uur vanuit de Benthienkazerne naar de brug is gegaan. Dat was overigens nog circa een uur voor de Duitse landing. Die wacht heeft vermoedelijk uit vijf of zes man bestaan. Onduidelijk is ook waarom de vier kleine mitrailleurkazematten in de brugpijlers (twee richting oost twee richting west) niet bemand waren en helemaal geen onderdeel van het bewakingsplan leken te vormen. Deze posities waren er tenslotte speciaal voor vervaardigd om door brugbewaking te worden gebruikt, hoewel zij evident vanwege hun lage positie niet werkzaam zouden zijn (geweest) tegen een bestorming via de bovenzijde van de brug.

[305] De beide luchtdoelmitrailleur pelotons hadden een stand-by ploeg die vanaf 0315 uur paraat bij de mitrailleurs was terwijl de rest van de manschappen in de legers lag. Opmerkelijk genoeg leek het alsof het steunpunt goed voorzien was van geweermunitie, want men leverde twee dozen aan de brugwacht. Normaliter had men echter slechts 20 patronen per karabijn. Het zal dus zo zijn geweest dat men alhier – mogelijk wegens de geïsoleerde positie – meer geweermunitie had dan elders. De feitelijke reden is in ieder geval (aan auteur) onbekend.

Het bovenstaande geeft aan dat Dordrecht alles behalve klaar was voor een vijandelijke overval. Ook binnen het kantonnement was men bijzonder karig met scherpe munitie onder de compagnieën te verdelen, maar er was tenminste enige munitie decentraal voorhanden. In dat opzicht waren de compagnieën ‘fortuinlijk’ dat de depotstaf kennelijk het bevel van de C-VH niet geheel naleefde, dat munitie achter slot en grendel moest zitten.

Tenslotte was opmerkelijk dat zelfs binnen het kantonnement de respectievelijke compagniescommandanten overal hun kwartieren hadden behalve bij de compagnieën zelf. Zelfs de commandant van de 3e Depot Compagnie, de enige compagnie die nota bene in een werkelijke kazerne was ondergebracht, overnachtte niet bij de eenheid. Ook was het opmerkelijk dat het kantonnementsbureau geen officier van dienst had. Het zou nog tot de nodige verwarring leiden …

Het Duitse aanvalsplan

[450, 452] Dordrecht was voor de Duitsers maar om één reden van wezenlijk belang. Men wilde de beide bruggen over de Oude Maas middels een overval intact in handen krijgen en daaromheen een stevig bruggenhoofd bouwen. Eén peloton zou daartoe westelijk van de bruggen – in Zwijndrecht – worden afgezet en direct de brug nemen, vervolgens de springladingen saboteren en de brug bezetten. Twee pelotons plus een half peloton zware mitrailleurs zouden in De Polder oost van Krispijn landen en direct richting brug doorstoten, waarbij één peloton direct een scherm om de oostelijke brugopgang zou vormen.

De opdracht voor deze overval kreeg de 3e Compagnie van FJR1, onder commando van de in Noorwegen gelauwerde commandant Oberleutnant Freiherr von Brandis (1). De compagnie was uitgerust met twee zware mitrailleurs [sMG Halbzug], die samen met de kleine Stabstrupp [ca. 12 man], de Schwere Waffengruppe [met vermoedelijk twee Panzerbüchsen] en de I.Zug en II.Zug in de Polder zou afspringen. III.Zug – onder Oberfeldwebel Hoffmann – zou in Zwijndrecht springen. Men wilde op een veld westelijk van de brug landen, net ten zuiden van de weg bij het station van Zwijndrecht. Het deel dat in De Polder zou landen bestond uit circa 100-108 man, de III.Zug uit 36 man. 3./FJR1 was vrijwel zeker geheel op de SOLL Stärke van 144 man.(2)

(1) Door sommige auteurs wordt gesteld dat 3./FJR1 zware verliezen leed tijdens de Noorwegen inzet. In feite was 3./FJR1 de enige parachutisteneenheid die in Noorwegen een zeer succesvolle inzet kende, en wel bij de inname van het vliegveld Stavanger-Sola. Daarbij kwamen slechts drie man om en werden er 8 gewond. [501, 609]. De Nederlandse auteurs die van zware verliezen spreken hebben zich vermoedelijk laten leiden door de Leutnant Hohenberger die - als enige - sprak over 18 doden en 30 gewonden. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat er meer slachtoffers vielen dan de 11 waarnaar eerder verwezen werd, zijn de officiële en door recente publicaties gegeven slachtoffersaantallen (11 man) aannemelijker. De 48 slachtoffers van Hohenberger - overwegende dat de 9e Gruppe niet eens tijdig landde - had immers betekend dat de helft der aanvallers zou zijn uitgeschakeld, wat niet zomaar in onderzoeken en verslagen onder het vloerkleed zou zijn geveegd. Zowel de inzake Fallschirmjäger geschiedenis zeer goed ingevoerde auteur K.H. Golla [501] als auteur O. Gonzalez [609] lijken naar deze zaken degelijk onderzoek te hebben verricht. Bovendien blijkt uit alle gevechtsverslagen dat de strijd op het vliegveld Stavanger-Sola kort [35 minuten] en weinig intensief was. Alle reden vooralsnog aan te nemen dat de 3e Kompanie niet zwaar aangetast was door de inzet in Noorwegen, maar uiterst bescheiden verliezen telde.

(2) In de literatuur wordt 3./FJR1 vaak als 'Verstärkte Kompanie' aangeduid. Dat is in feite onjuist. Na Noorwegen waren de Schwere Züge vrijwel allemaal ontdaan van de mortieren van 5 cm en had men daarvoor in de plaats een extra Panzerbuchs [PaBu] en een Halbzug sMG [twee zware mitrailleurs] gekregen. Het heeft er alle schijn van dat de mortieren van 5 cm in een bataljonsstaf eenheid werden ondergebracht. Het feit dat echter een Halbzug sMG was opgenomen, heeft aanleiding gegeven om de compagnieën als versterkt aan te duiden, daar men onterecht dacht dat de Halbzug bovenop de SOLL Stärke kwam. Het kwam echter in de plaats van de Granatwerfergruppe. Zowel 2./FJR1 als 3./FJR1 waren volledig op SOLL Stärke, dat wil zeggen 144 man. Bovendien miste de 3e Kp die in de Polder landde evident haar 3e peloton, zodat ten aanzien van de betreffende compagnie in de Polder spreken van een versterkte eenheid alleen al om die reden een vals beeld wordt geschapen.

[453] III.Zug was organiek verdeeld in drie groepen [7., 8. en 9.Gruppe]. 7.Gruppe [onder de pelotonscommandant Hoffmann] had tot taak de verkeersbrug te nemen en 9.Gruppe de spoorbrug. De 8.Gruppe zou vuurdekking verlenen.

II.Zug had de opdracht na de landing direct de landingszone veilig te stellen in de drie windrichtingen met uitzondering van zuid. Onder die dekking zou I.Zug vooruit stoten richting brug, waarna II.Zug zou volgen. Nadat I.Zug de brug bereikt zou hebben en eventuele weerstand neergeslagen had, zou II.Zug de verdediging rond de opgang van de verkeersbrug op zich nemen in een cirkel van 50 meter. De beide zware mitrailleurs zouden hiertoe assisteren en waren daarom bij II.Zug ingedeeld. III.Zug zou na de aankomst van de rest van de compagnie de verdediging richting westen en noordoosten vormen. Daarna zou men op aansluiting met de overige verbanden van I./FJR1 wachten.

[453] Men was bekend met het gegeven dat er ten zuidoosten en noordwesten van de bruggen een luchtafweerpeloton stond met zware mitrailleurs en men verwachtte een brugwacht. Bovendien, zo blijkt uit het Duitse verslag, anticipeerde men op ondermijnde bruggen, maar dat was een verkeerde gedachte. Overigens slechts in Duits voordeel. Bovendien meldt men dat de aanwezigheid van een (zwak) depotbataljon in Dordrecht werd verwacht. Men was zich echter niet bewust van de locaties waar dit zich bevond. Van de beide legeringsgebouwen [twee compagnieën] in de wijk aangrenzend aan De Polder was men zich niet bewust, hoewel men wel een vermoeden had dat er een legering was in de wijk Krispijn.

Afzethoogte zou 100 meter worden en men zou oost naar west aanvliegen. Het was de bedoeling om exact om 0455 uur te landen.

Nadat de bruggen veilig gesteld zouden zijn, was het zaak dat ook de bruggen noordoostelijk en oostelijk van Dordrecht over de Merwede en Wantij veilig gesteld zouden worden.

De luchtlanding in Zwijndrecht

[305, 453]Met een Kette Ju-52’s [drie toestellen] werd de 36 man sterke III.Zug van Oberfeldwebel Hoffmann ingevlogen richting afzetgebied, west van de bruggen over de Oude Maas tussen Zwijndrecht en Dordrecht. Volgens het rapport van het peloton bereikte men zonder kleerscheuren de afspringlocatie om exact 0455 uur. Boven de bruggen kreeg men vuur uit lichte wapens en mitrailleurs, maar dit trof geen der parachutisten. Zij slaagden erin op het kleine open veld te landen [vlakbij het station Zwijndrecht: weilanden van Thijs Pons en Leen van Noort [1515]], maar één van de wapencontainers – meestal bedoeld voor 3 of 4 parachutisten – werd niet direct gevonden.

De 7e Gruppe – die tot doel had de verkeersburg te nemen – werd door de Oberfeldwebel persoonlijk geleid. De wapencontainer van de Oberjäger Koch en zijn (4 mans) Trupp was degene die men niet kon vinden, zodat de 7e Gruppe met slecht zeven man op weg ging ten zuiden van het spoor, richting autoweg. De beide andere groepen volgden direct daarachter, maar gingen ten noorden van het spoor voorwaarts. Spoedig raakten de beide noordelijke Gruppen bij de spoorlijn naar Rotterdam in vuurgevecht met enkele Nederlandse soldaten.

Dordrecht - bruggen

De beide pelotons luchtdoelmitrailleurs bij de bruggen waren rond 0400 uur al volledig paraat. Bij het 85ste was men al eerder voltallig in de stelling, maar de achterwacht bij het 86e was in Zwijndrecht bij burgers ingekwartierd en pas rond 0400 compleet. Er was spoedig veel activiteit in de lucht, hoewel de bruggen zelf niet werden aangevallen. Bij het 86e - dat op het terrein van de Gebroeders Los was opgesteld [1515] - zat ook 1e luitenant Goldsteen die het vuur geregeld liet openen op laagvliegende toestellen binnen bereik van zijn wapens. De mitrailleurs voldeden uitstekend.

Nadat een aantal vliegtuigen was overgekomen en men constateerde dat even verderop parachutisten werden uitgelaten, stuurde luitenant Goldsteen sergeant Hagedoorn met vier man naar de autoweg om aldaar een piket te vormen tegen mogelijke Duitse agressie richting de bruggen.

De parachutisten kregen te maken met het vuur van die vijf met karabijn bewapende Nederlandse soldaten die naast de spoorbaan net voorbij het spoorviaduct (in het verlengde van het spoor richting Rotterdam) de eerste schoten losten. De Duitsers namen snel een aanvalsformatie aan, waarbij de twee aanwezige lichte mitrailleurs de Nederlanders onder vuur hielden, terwijl de rest zich sprongsgewijs vooruit werkten.

Sergeant Hagedoorn stuurde een soldaat terug naar de luitenant om versterking te halen, waarop een kwartier later de luitenant met nog vier man verscheen [het 86e Pel LuMi bestond uit 20 man plus de luitenant]. Zodoende bleven de mitrailleurs met minimale bezetting achter. Helaas kwam de luitenant niet op het idee een van de mitrailleurs mee te nemen, die immers uitstekend had kunnen worden ingezet voor vuur tegen de gelande parachutisten. Luitenant Goldsteen bleef met zes man aan de rechterkant van het spoor, terwijl sergeant Hagedoorn de linker zijde bezette met twee soldaten. Na enige tijd besloot de sergeant een huis naast het spoor te bezetten, zodat van daaruit een beter schootsveld op de brede toegang tot spoor- en verkeersbrug ontstond en ook de verkeersweg beter zou worden gedekt.

Luchtfoto Dordtrechtse verkeersbrug

Trappen verkeersbrug

 

 

 

 

 

 

 

Voor het zover kwam, was het gevecht echter alweer voorbij. De 8e en 9e Gruppe hadden zich opgesplitst en wisten zodanig handig te manoeuvreren dat de Duitsers aan twee kanten de positie van de luitenant hadden bedreigd die zich daarop besloot over te geven. De luitenant – inmiddels gewond geraakt – werd door de parachutisten meegevoerd en kennelijk gedwongen om de overgave van zijn peloton te commanderen, want hij werd gezien en gehoord terwijl hij zijn peloton tot overgave maande. Alleen de sergeant en een van de soldaten bij hem wisten – door zich als burgers om te kleden – te ontkomen en later Rotterdam te bereiken. De overige manschappen raakten in gevangenschap. Soldaat J.A. Kraak was dodelijk gewond geraakt bij het viaduct naast het spoor. Aan Duitse zijde was de commandant van 9.Gruppe (en plv Zugführer), Feldwebel Heinrich Hissen, gesneuveld, terwijl een Oberjäger en een Gefreiter gewond waren geraakt. Feldwebel Hissen was de enige gesneuvelde van het peloton.

[1515] Onderwijl hadden de Duitse parachutisten meer slachtoffers veroorzaakt. De huisarts Dr. Ekelmans, die mogelijk zijn aanwezigheid bij het strijdgewoel nuttig achtte, reed met zijn auto vanaf de Burgemeester de Bruïnelaan [lange laan die vanuit het noorden haaks op de spoorbaan, vlakbij de bruggen, loopt] richting spoorviaduct, maar werd beschoten door de parachutisten, die ook nog een handgranaat in zijn auto wierpen. De arts overleed kort nadien ter plaatse aan zijn verwondingen. De gebroeders Los, op wiens terrein het 86e Peloton LuMi stond, meenden met hun vrachtauto erop uit te moeten trekken midden tijdens de strijd. Ook zij werden slachtoffer van vuur, van Nederlandse of Duitse kant. In de Dacostastraat - zuid van het viaduct nabij de brug - nam een burger de Duitse opmars waar vanaf het landingsterrein en werd prompt achter zijn raam doodgeschoten.

Inmiddels waren de zeven man met de Oberfeldwebel zonder al te veel problemen al bij de verkeersbrug geraakt, zonder zich iets van het gevecht even noordelijker naast het spoor aan te trekken. Bij de brug aangekomen ontving de groep vuur van de posten midden op de beide bruggen.

Bij de bruggen waren nauwelijks manschappen aanwezig. Een twee- of drietal mannen van de spoorwegtroepen zat op een positie tussen de eerste twee bogen [Zwijndrechtse zijde] waar een bedieningshuisje was. Zij hadden weliswaar 60 kogels de man ter beschikking maar een zeer slecht schootsveld richting verkeersbrug. Bovendien konden de Duitsers zich achter de opstaande randen tegen dit vuur dekken. Op de verkeersbrug was een wachtpiket van slechts vier man aanwezig dat op het laatste moment door de brugwachtcommandant sergeant L. Kroon werd aangevuld [170]. Zij hadden slechts enkele patronen de man beschikbaar. Zij waren het die de kogels afvuurden die Oberfeldwebel Hoffmann als eerste over zich heen hoorde fluiten. Waarom de brugwacht overigens geen gebruik maakte van de kazematten onder de klep, is volstrekt onduidelijk. De mitrailleurkazematten [er zaten er twee aan elke zijde] worden in geen enkel verslag ook maar genoemd en niets wijst erop dat de Nederlanders er ooit gebruik van maakten - hetzelfde geldt overigens voor de Duitsers nadien. Zeker is echter dat de oostelijke zijde die de kazematten bestreken voor de verdediging door de Nederlanders natuurlijk ook geen doel zou hebben gediend. Maar de twee aan westelijke zijde hadden wel een doel kunnen dienen, hoewel helder is dat dit doel bij de eerste bestorming bovenlangs zeer beperkt zou zijn geweest.

De Duitsers realiseerden zich niet dat ze al de gehele schaarse voorraad van het kleine wachtcontingent over hun hoofden hadden horen fluiten. Ze gingen in gedekte tred voorwaarts en slaagden er, zonder enige verdere weerstand tegen te komen, in om het middenstuk van de brug te overschrijden. Pas bij de bocht aan de oostoever kregen zij opeens weer vuur dat hen echter niet kon deren. Het kwam van de vier mitrailleuropstellingen van 85 Pel LuMi, dat echter diagonaal schietend de op brugoprit voortgaande Duitsers slechts in dekking kon dwingen. De vijf man van de brugwacht hadden zich inmiddels via de trap laten zakken en waren via de spoordijk naar elders vertrokken.

Hefbrug over dokhaven

locatie 85 Pel LuMi

Oberfeldwebel Hoffman had onderwijl weer zijn vijf man onder de Oberjäger Koch bij zich gekregen, zodat nu met de volledige Gruppe van twaalf man kon worden geopereerd. Met één lichte mitrailleur voorhanden, werd het Nederlandse vuur beantwoord. Onderwijl gaf de Oberfeldwebel aan twee Oberjäger en drie Gefreiten de opdracht de vier mitrailleurstellingen van nabij aan te vallen met MP’s en granaten. Tegen 0600 uur was de Duitse stoottroep erin geslaagd de gehele verkeersbrug af te lopen en via een westelijke bocht en de ’s Gravendeelse Dijk aan de zuidzijde van de hefbrug bij de Dokhaven te komen en zodoende de mannen van de 85e heel nabij te naderen (2). Terwijl de mannen op de verkeersbrug de Nederlanders in dekking dwongen met hun vuur, dwong de omzichtig oprukkende Stosstrupp met handgranaten de luchtafweer mannen in het nauw. Hoewel de Nederlanders over vier mitrailleurs en vijftien karabijnen beschikten, terwijl de Duitsers over open terrein met slechts vijf man naderden, kon men hen niet op afstand houden. De Nederlanders waren dan ook niet als infanteristen geschoold. Nadat tenslotte twee doden en een dodelijk gewonde waren gevallen, gaf de ene na de andere positie zich over. Weliswaar pas nadat men de wapens onklaar had gemaakt.

(2) Nota bene. Er wordt in de gangbare literatuur en het stafwerk algemeen aangenomen dat 85 Pel LuMi op het kleine stukje land stond direct naast [zuid van] de verkeersbrug en noord van de Dordtse hefbrug. Auteur dezes heeft sterk de indruk dat het peloton echter direct zuid van de hefbrug stond [zie foto] en dus niet ten noorden daarvan. Reden daarvoor is allereerst het feit dat er een huizenrij direct aan de Oude Maas stond, waarnaast een weg [zie foto]. Er resteerde dan nauwelijks ruimte voor een peloton luchtdoelmitrailleurs, die dan bovendien een bijzonder slecht schootsveld zouden hebben gehad. Een tweede reden is dat als men het Duitse verslag neemt dit niet zegt dat de gehele brugoprit werd afgelopen. Tegelijkertijd meldt het verslag van sergeant Elkerbout uitdrukkelijk dat de Duitsers over de hefbrug kwamen. Dat zou dan veel eenvoudiger kunnen worden verklaard doordat dan de stoottroep via de stenen trappen op het kleine stukje land direct zuid van de brug kwam en de hefbrug noord naar zuid overstak [zie foto]. Het voorgaande overwegend is het dan dus veel aannemelijker dat de mitrailleurs direct zuid van de hefbrug stonden in het open terrein, met een uitstekend schootsveld. Die positie zou uitstekend beantwoorden aan alle argumenten. Omdat dit echter nadrukkelijk een conclusie is van auteur dezes zelf, wordt het slechts als optie genoemd.

[31] De soldaten J.J. Bour en J. Wildeboer (3) had de korte verdediging van de opstelling het leven gekost. De spoorbrugwacht had, voor deze zich wegens gebrek aan munitie had teruggetrokken uit het wachthuisje op de spoorbrug, één man verloren. De soldaat W.A. de Leeuw was in het brugwachtershuisje geraakt door Duits vuur en gesneuveld. Daarmee had de strijd het leven gekost aan vier manschappen bij de brug. Later [12 mei] zouden nog één soldaat van 85 Pel LuMi en één van 86 Pel Lumi omkomen als krijgsgevangenen door Nederlands artillerievuur op de school aan de Rijksstraatweg nummer 1.

(3) Sommige bronnen en ook OGS stellen dat ook soldaat G.C. de Lang hierbij sneuvelde, maar dat is uit onderzoek gebleken als onjuist. G.C. de Lang wordt onterecht door OGS bij het 85e Peloton ingedeeld, althans, sneuvelde niet als lid van dit peloton, maar in zijn woonhuis, als burger, op 12 mei, tijdens een geweldadige zoektocht door militairen van de Lichte Divisie. De Lang deed de deur open nadat hierop geweldadig was gebonkt. Zag militairen, smeet de deur boos dicht, waarop de panische soldaten meermaals door de deur schoten en De Lang dodelijk verwonden. Hij is ook als burgerdode door het Diakonesse ziekenhuis op 12 mei geïdentificeerd en niet als militair. Hij was wel oud artillerist, lichting 1922. In mei 1940 dienden alleen als oudste lichting 1925, sommige van 1924 dienden na. Er waren wel vrijwilligers van oudere lichtingen, maar De Lang behoorde daar volgens zijn eigen familiegeschiedenis niet toe.

[452, 453] De Duitsers verloren geen enkele gesneuvelde bij de verovering van de verkeersbrug en slechts één man bij de verovering van de spoorbrug [Fw Hissen]. Ze vonden tot hun genoegen ook geen voorbereiding voor vernieling. Kort nadat zij de laatste Nederlandse weerstand op en rond de brug hadden opgeruimd, kregen zij tegen 07.00 uur contact met twee groepjes van de I.Zug en II.Zug. Oberjäger Januschowski kwam met vier  man van II.Zug bij de brug aan, kort daarop gevolgd door Feldwebel Görtz met zes manschappen van I.Zug. Zij brachten Obefeldwebel Hoffmann enige verlichting, maar ook slecht nieuws …

De luchtlanding in de Polder – het eerste uur

[452] In de Polder werden door negen Ju-52 om 0455 uur twee pelotons parachutisten, een Schwere Waffen Zug [2 of 3 Panzerbuchsen, twee mittlerschwere MG's] en de Kompaniestrupp afgezet. De combinatie van de zware mitrailleurs en de Panzerbuchsen werd ook wel aangeduid als IV.Zug. Het is mogelijk dat er één vliegtuig niet is aangekomen. Bij elkaar landden ca 108 man, allen van 3./FJR1.(4)

(4) Er zijn geen aanwijzingen dat er verliezen waren geleden onderweg noch van significante 'mis-drops'. Het uitgebreide compagniesverslag maakt geen enkele melding van vermiste eenhedenna de afzet. Er waren wel enige militairen in de FJR Ersatz reeds toegewezen aan 3./FJR.1. Enkele hunner sneuvelden op 11 mei, maar waren ingezet bij de Ersatzkompanie Moll [483].

Hoewel de landing verspreid geschiedde, kwamen alle parachutisten min of meer in het doelgebied neer. De lage afsprong - er werd tussen de 100 en 150 meter hoogte afgesprongen - maakte de kans op verspringen kleiner. Er kwam een klein deel direct oost van de Krispijnseweg / noord van de Bosboom Toussaint weg neer, maar het merendeel landde in het centrum van het gebied dat toen de Polder heette. De meest noordwestelijk gelande groep stelde zich met twee mitrailleurs onmiddellijk op bij het kruispunt [Krispijnse weg - Bosboom Toussainstraat] bij de Julianakerk met schootsrichting Bosboom Toussaintstraat en richting zuiden met schootsrichting langs de Krispijnse weg. Een tweede groep zekerde de noordwest hoek bij het kruispunt met de Markettenweg – Hugo de Groot laan richting park en stad, waarbij zij onmiddellijk in vuurcontact kwam met de Nederlanders bij de Villa Weizigt [176, 178, 452].

dispositie eenheden De Polder

[452] Het operatieplan had voorgeschreven dat de verbanden zich allen, met achterlating van een dun scherm, bij de kerk aan de Krispijnse weg zouden verzamelen om vandaar via de Krispijnse weg en daarna min of meer parallel aan het spoor richting brug te trekken. Dat gebeurde niet. Met name II.Zug en de Schwere Zug [IV.Zug] zochten vanuit de open Polder vol overgave het gevecht dat zich ontspon met Nederlandse troepen die vanaf villa Weizigt het vuur openden op de zich ontplooiende parachutisten bij het kruispunt met de Marketten weg.

[178] In het parkje bij Weizigt [Van Baerleplantsoen] was het contingent Spoorwegtroepen zeer paraat. De luitenant Leyten had al voor de Duitse landing de wachten verdubbeld, omdat hij op een of andere manier onraad verwachtte. Dat bleek zeer verstandig. Bovendien beschikten de Spoorwegtroepen over een eigen munitievoorraad die niet zo ongunstig was als elders in de stad. Op het station was een klein verband van circa 10-12 man aanwezig, terwijl er ook nog een (vermoedelijk) viertal manschappen twee wachtposten bezette west van Weizigt [Krispijnse weg] en bij de toegangspoort tot het terrein. In het park zelf waren rond 0445 uur nog circa 40 man aanwezig. Zij waren al vroeg door de wacht gewekt, zodat het gros paraat met wapenuitrusting buiten stond toen de eerste parachutisten vlak ten zuiden van de villa afsprongen. De man waren 60 patronen en drie noodrantsoenen ontvangen.

[178] Het waren deze Spoorwegtroepen die onmiddellijk in actie kwamen toen de Duitse landing in hun ‘achtertuin’ plaatsvond. De luitenant behield een uitstekend overzicht in de plotselinge chaos om hem heen. Hij zorgde voor een eerste verdediging bij de zuidelijke rand van het park en stuurde bijna de helft van zijn manschappen onder de dienstplichtige sergeant J.C. Maas ter versterking van de stationswacht, omdat de luitenant er vanuit ging dat dit het Duitse hoofddoel was. De luitenant zelf bleef met ongeveer een twintigtal manschappen achter die hij zelf in het gevecht leidde. Tijdens het gevecht trachtte de luitenant een aantal maal vanuit zijn bureau in de villa het kantonnementsbureau te pakken te krijgen, maar daar kwam pas na enkele pogingen antwoord … van een aanwezige sergeant administrateur. Officieren waren er nog niet op het bureau!

[178, 452] Er ontspon zich een zeer hevig gevecht. De tegenstander, voornamelijk de circa 50 man van II.Zug en de Schwere Zug aangevoerd door de compagniescommandant Oberleutnant Freiherr von Brandis, ontplooide al snel een breed front, waarbij men, na het eerst via de Krispijnse weg te hebben geprobeerd, trachtte via het oosten om in de flank en rug van het Nederlandse scherm rond de zuidwest vleugel van het park te komen. Een mitrailleur werd aan de oostzijde van het Boonepad opgesteld met schootsrichting west en bestreek zo de gehele lengte van de spoordijk tot aan de tunnel. In de intensieve gevechten die volgden waren het vooral de Duitsers die verliezen leden, omdat zij zich in open en slechts gedeeltelijk bedekt terrein moesten ontplooien. Bij dit intensieve gevecht sneuvelden relatief de meeste parachutisten van het contingent dat van 3./FJR1 zou omkomen. Langs de Krispijnseweg vooraan optrekkend behoorde de Duitse compagniescommandant Oberleutnant Freiherr von Brandis tot één van de eerste slachtoffers.

Duitse luchtfoto de Polder

Het sneuvelen van de Oberleutnant wordt in de literatuur – heel opvallend – toegeschreven aan de manschappen van de Depotcompagnieën en 14.C.Pn, zelfs heel specifiek aan de korporaal J.Y. Grollé [1, blz.31]. Hoe subjectief men dat indertijd heeft vastgesteld, blijkt wel uit de verslagen: compleet giswerk. Onderscheid maken tussen de rangtekens van de Duitse parachutisten kon men beslist niet, waardoor een Feldwebel met zijn drie witte vleugels op de mouw net zo hoog leek als een Oberleutnant. Grollé schoot 'een hoge' neer die bij de militairen rond de Krispijnseweg was. In feite was Von Brandis allang gesneuveld voordat Grollé - met de groep Van der Houwen - in beeld kwam.

Bovendien melden de geijkte Nederlandse publicaties over de Duitse landing dat de eerste weerstand die de parachutisten tegenkwamen van de twee groepen depottroepen (en 14.C.Pn) onder de luitenant van der Houwen en de AOOI Koster kwam. Alle bekende werken [1, 30, 52] gaan hierbij echter lelijk de mist in, vermoedelijk omdat men elkaar klakkeloos kopieerde en nooit alle voorhanden bronnen zorgvuldig evalueerde en chronologisch ordende. Het is een aperte onjuistheid dat de voornoemde korporaal de Oberleutnant ombracht.

Als men de zaken zorgvuldig had gereconstrueerd was men – met auteur dezes – tot de conclusie gekomen dat de bij Villa Weizigt gelegerde troepen – de sectie Spoorwegtroepen – als eerste in vuurgevecht raakten met de Duitsers. Dat is ook logisch, want zij waren gelegerd in het van Baerleplantsoen dat direct uitzag op het landingsterrein. De beide groepen onder luitenant vd Houwen en adjudant Koster raakten pas beduidend later met de Duitsers in aanraking [170a, 170b,191]. Dat volgt niet alleen als een voldongen zaak uit hun eigen verslagen [tijden tussen 0600 en 0700 uur worden daarin genomend], maar eveneens uit de chronologie van Duits handelen. Het Duitse verslag [452] meldt zeer helder dat pas nadat zij in het plantsoen de Nederlanders hadden verjaagd [sic], deze ook in het zuiden begonnen op te treden. Daarbij zijn de drie verschillende verslagen van de korporaal Grollé zelf zonder enige verwijzing naar het doden van de Duitse commandant. Hoe het Stafwerk er bij is gekomen dat hij de specifieke militair was die de Duitse officier doodde is dan ook aan auteur onbekend. Het is vrijwel zeker onjuist. Overigens lijkt het in de context van de gebeurtenissen onbelangrijk en een merkwaardige vorm van onderscheiding waarnaar gestreefd lijkt te worden. Het specifiek toeschrijven van het doden van de Duitse commandant in het gevecht komt auteur dezes dan ook wat gekunsteld over.

Het Duitse verslag van 3./FJR1 meldt voorts dat de Oberleutnant vrijwel direct sneuvelde na de landing en wel bij het begin van de aanval op de spoorwegtroepen in het plantsoen, waar reserve 1e luitenant Leyten met enkele mannen een verdediging had gevormd. Het Duitse verslag [452] zegt letterlijk daarover:

» II. und IV. Zug sammelten sich nicht, wie befohlen, an der Kirche, sondern traten vom Landeplatz zum Angriff gegen den sich im Park verteidigenden Feind an. In dieser Lage fiel der Kp-Chef Oberleutnant Freiherr von Brandis (…) «

Uit dat citaat komen twee zaken volmaakt helder naar voren. De eerste is dat na de landing vrijwel direct door de helft van het gelande verband offensief werd gemaakt tegen de Nederlanders en dat dit offensief tegen het Van Baerleplantsoen – waar Weizigt in lag – was gericht. Daarbij sneuvelde de Oberleutnant. Die sneuvelde dus vrijwel zeker door vuur van de zich verdedigende Spoorwegtroepen. Pas later – na 0600 uur – kwamen de eerste depottroepen in beeld en dat was bovendien in eerste instantie nog zuid van de Bosboom Toussaint straat [170a, 170b]. Nadat de sectie Spoorwegtroepen het plantsoen en de villa had ontruimd, begonnen de Duitsers te ageren tegen de Nederlanders bij het spoor [zie daarvoor later]. Op dat moment kwamen de beide eerder genoemde verbanden van 1e luitenant vd Houwen en de AOOI Koster in beeld. Zij zouden de Duitsers niet alleen van de beide kruispunten verjagen, maar uiteindelijk ook succesvol optreden tegen de parachutisten die zich toen bij het spoor en in het Bos van de Roo hadden genesteld.

Een andere duidelijke aanwijzing over het felle verweer van de Spoorwegtroepen volgt uit een persoonlijk verslag van Gefreiter Arnold Böhnisch, van de 3e Gruppe I.Zug 3./FJR1 [1003: ongedateerd verslag van gevecht in de Polder]. Deze meldt in zijn verslag dat zijn peloton zich aan de zuidwest zijde bevond en verzamelde bij de (Juliana)kerk. Dat is congruent met het verslag van de Kompanie, dat meldde dat de andere twee pelotons zich o.l.v. de Kp commandant vrijwel direct noordwestwaarts begaven in reactie op het vuur vanaf de omgeving station en alleen I.Zug zich bij de kerk verzamelde, conform de instructies. Böhnisch meldt voorts dat vanaf de 'Seite Bahnhof' met afstand het meeste vuur kwam. Alleen zijn Gruppe [onder Oberjäger Hackbart] kreeg bevel bij de kerk te blijven terwijl de rest van I.Zug onder Leutnant Schmelz langs de Krispijnse weg noordwaarts trok, richting Weizigt. Böhnisch werd even later gevangen genomen door de AOOI Koster, vlakbij de Julianakerk. Deze Duitse militair meldt echter in zijn korte verslag tot tweemaal toe dat het heftigste Nederlandse verweer vanaf de kant van het station kwam.

Het is dus zaak het heersende beeld in de geschreven krijgsgeschiedenis nadrukkelijk te corrigeren. Het waren niet de depottroepen die als eerste een effectieve verdediging maakten tegen de Duitsers, maar de Spoorwegtroepen. En daarbij sneuvelden, volgens het Duitse verslag, de meeste parachutisten. Het eerder genoemde verslag van Böhnisch [1003] noemt zelfs een getal. Volgens hem werden in de eerste fase na de landing reeds 18 man neergeschoten, waaronder diverse dodelijk getroffen waren (waarvan één dodelijk gewond door een slechte landing). Böhnisch werd gevangen genomen door AOOI Koster en dus voordat de depottroepen zich massaal in de strijd wierpen. In de officiële (veelal driftig gekopieerde) geschiedschrijving hebben echter de Depottroepen vrijwel alle lof toegezwaaid gekregen. Door de Spoorwegtroepen – en bovendien het onjuiste tactische handelen van de Duitsers door zich in een onnodig gevecht te storten – werd voorkomen dat de 3./FJR1 direct kon uitbreken richting bruggen. Het Duitse gevechtsverslag is er helder in dat de verdedigingen aan de spoorbaan - hoewel door hen abusievelijk aangeduid als gegeven vanuit goed voorbereide stellingen - hen grote parten speelde en pas ruim nadien ook de weerstand aan de zuidzijde begon toe te nemen:

» Der für das Vorgehen geplante Weg der Kp wurde durch flankierendes Feuer aus dem Park und durch zusammengefasstes Feuer von der Bahnüberführung her gesperrt. Die seit langer Zeit hergerichteten feindl. Stellungen im Park waren nach Feindmeldungen nicht bekannt. I. und II. Zug erhielten den Auftrag in breiter Front den Feind in den Parkstellungen anzugreifen, zu werfen und bis zum Bahndamm durchzustossen.

(...) Der Kp-Trupp wurde zur Unterstützung der 1.Gruppe gegen den immer stärker werdenden Druck aus Süden und zur Sicherung der Kp-Funkstelle, wie des Truppenverbandsplatzes an der Kiche als Kampfeinheit angesetzt. «

Hoe ging het verder? Tegen 0545 uur werd de Duitse druk op de twee dozijn verdedigers aan de zuidwest rand van het Bos van de Roo te groot [178]. Zij hadden bij de villa geen mitrailleur ter beschikking (die was meegegaan naar het station), maar slechts karabijnen en pistolen. Geleidelijk aan begonnen de Duitsers de Nederlanders via het oosten en het zuiden in te sluiten [178], waarop de luitenant besloot een terugtrekkende verdediging te voeren richting spoor, om de tunnel onder het spoor door [verlengde van de Krispijnse weg met de Spuiweg] te bezetten zodat de Duitsers de stad via die voor de hand liggende route niet in konden. Vlak voor de luitenant met zijn mannen de villa en het terrein evacueerde, belde hij wederom met het kantonnementsbureau. Chef-Staf kapitein van der Mark was eindelijk gearriveerd en nu kon de luitenant melding doen van zijn besluit en de status van het slagveld ter plaatse [178].

Spoortunnel (Spuitunnel) Krispijn

Nadat de Nederlandse militairen in Dordrecht en omgeving al sinds 0330 uur op vele locaties wakker waren geworden en in veel gevallen buiten stonden en bovendien sinds 0400 uur geconfronteerd werden met luchtaanvallen door Duitse vliegtuigen in de omgeving, was het de officieren van het kantonnement uiteindelijk ook 'gelukt' om tweeënhalf uur na het begin van de Duitse activiteit op het kantonnementsbureau te arriveren. Het was een typerende prelude van een lang en tragisch verhaal voor wat betreft de leiding van het kantonnement Dordrecht …

De burgemeester raakt gewond

[63] Exact te duiden qua tijdstip is het niet, maar gedurende de eerste uren vond de moedige burgemeester van Dordrecht, J. Bleeker, het noodzakelijk zijn bevolking een hart onder de riem te steken door zich midden in het grootste wespennest dat Dordt in die ochtend van 10 mei 1940 kende te wagen. Met een taxi en chauffeur [de heer van Eden] begaf hij zich richting tunnel en Hugo de Grootlaan. Hij werd vlakbij de tunnel gekomen door een burger gewaarschuwd dat het goed mis was aan de andere kant, maar dat deerde de burgemeester niet. Door de tunnel gekomen, zag hij een gewonde op straat liggen, en gaf de taxichauffeur opdracht om die in de auto te nemen. Op het moment dat de taxi zich op de Hugo de Grootlaan richting gewonde begaf werd eerst de voorzijde, vervolgens de linkerzijde van de auto zwaar beschoten met mitrailleurs. Zeker is dat de Duitse mitrailleur aan de oostzijde van het Boonepad een uitstekend uitzicht had op de locatie waar de taxi reed, dus het mag worden aangenomen dat die mitrailleur de linkerzijkant voor de rekening nam. De voorzijde zal beschoten zijn door Duitsers die langs de Krispijnseweg lagen of in de huizen enigszins rechts van het plein. De chauffeur maakte een slingerende beweging, waardoor de auto haaks op de weg naast een vluchtheuvel kwam te staan. De kogels die toen door de achterruit sloegen, misten niet allen doel ...

[63] De burgemeester raakt gewond aan de rechterschouder door de laatste salvo's door de achterzijde van de auto. Daarop besloot de chauffeur dat het tijd werd zich weer in veiliger gebied te gaan begeven en gaf een dot gas zodat de auto weer door de tunnel richting noorden reed. De burgemeester werd nadien verbonden en zou gedurende de oorlogsdagen zich nog bijzonder nuttig maken. Zijn roekeloosheid had hij wonder boven wonder niet met de dood hoeven betalen.

1e Depot Compagnie

[170a]De 1e Depot Compagnie Pontonniers [hierna ’1.DCP’] lag in de school aan de Bosboom Toussaint straat, op een afstand van enige honderden meters westelijk van de Juliana Kerk.

De reserve 1e luitenant J. van der Houwen, officier van achterwacht piket, was ingekwartierd vlakbij de Krispijnseweg. Toen hij rond 0500 uur zijn kwartier verliet en per fiets op weg ging over de Krispijnse weg richting de kazerne, werd hij beschoten door parachutisten die in de Polder waren geland. Bij de kazerne aangekomen bleek nog praktisch geen enkele militair gereed voor actie, want vrijwel een ieder stond buiten of in het gebouw in onderkleding de gebeurtenissen op zich in te laten werken. De luitenant – die als eerste officier ter plaatse was – verordonneerde onmiddellijk dat een ieder zich voor actie gereed moest maken. Enkele wel paraat zijnde manschappen werden verzameld en van 20 patronen de man voorzien.

Met dit eerste contingent militairen trachtte de luitenant de Bosboom Toussaint straat in te trekken, maar mitrailleurvuur verhinderde enige opmars via die route wat pijnlijk duidelijk werd door het sneuvelen van een soldaat. Hierop gaf hij opdracht aan een sergeant om met de manschappen in de huizen noord van de Bosboom Toussaint straat stelling te nemen, zodanig dat de tegenstander niet door de straten zou kunnen optrekken. Zelf ging de luitenant terug naar de kazerne om de compagnie verder te organiseren.

De compagnie had de beschikking over de twee extra kisten karabijnmunitie en daarmee werd een groep korporaals voorzien van voldoende patronen om een offensieve tegenmaatregel te kunnen nemen. Het plan van de luitenant was om via de achterzijde van de school, via de Jacob van Lennepstraat en de H.F. Tollenstraat, bij de Krispijnseweg te geraken. Dan zou men namelijk ten zuiden van de door de Duitsers tegenover de Bosboom Toussaint straat opgestelde mitrailleurs uitkomen. Rond 0630 uur ging men op pad.

2e Depot Compagnie

[170b] De 2e Depot Compagnie Pontonniers [hierna ’2.DCP’] was gelegerd op iets grotere afstand van het landingsterrein dan 1.DCP. Zij hadden kwartier aan de Jacob Marisstraat die via de P.A. de Genestetstraat op de Krijspijnse weg aansloot.

Bij 2.DCP was een wacht van acht man onder de dienstplichtig sergeant P.E. Dankaart paraat. Ondanks het feit dat reeds om 0400 uur dienstdoend piket officier [vaandrig] Blaas, conform zijn eigen instructies aan de sergeant, was gewekt, was deze nadien direct uit het kazernegebouw verdwenen. Zodoende kon het gebeuren dat de wacht pas na 0500 uur opdracht kreeg tot alarm maken en dat deze instructie kwam van de inmiddels gearriveerde 2e luitenant G.A. Brouwer. De kapitein Crok was elders ingekwartierd en rond deze tijd nog niet bij de compagnie. De kapitein was overigens waarnemend depotcommandant sinds overste Mussert tot kantonnementscommandant was aangesteld.

De compagnie zelf ondernam geen directe actie. Men had slechts 150 patronen in de school gehad, en daarvan was een deel reeds voor 0500 uur verschoten door wachtposten door het vuren op de laag overvliegende Ju-52's. Pas toen de kapitein Crok arriveerde bij de compagnie, kreeg de luitenant Brouwer de opdracht munitie te gaan halen. Hij deed dit door de fiets te pakken en binnendoor naar 1.DCP te rijden. Daar had men niets voor hem, waarop hij besloot met enige manschappen van 1.DCP verder op te trekken richting stad. Bij de kruising Brouwersdijk met de Bosboom Toussaint straat kwam echter opeens uit de richting van de stad een militaire personenauto aangereden die prompt door de Duitse mitrailleurs op de Krispijnse weg werd geraakt. De chauffeur sprong gewond uit de auto. De luitenant besloot te trachten de auto te keren en ermee naar het munitiemagazijn te rijden.

Kennelijk zonder dat de Duitsers opnieuw vuur uitbrachten gelukte het de luitenant Brouwer de auto wederom te starten en weg te rijden, zonder dat hij daarbij enige kleerscheuren opliep. Hij bereikte tenslotte de binnenstad en kon munitie laden voor zijn compagnie. Er was inmiddels al veel kostbare tijd verloren gegaan.

14e Compagnie Pioniers

[191] De Compagnie Pioniers van de Groep Kil was in de Rijkslandbouwwinterschool aan de Zuidendijk bij de tunnel onder de Rijksweg gelegerd. Zij lagen daarmee op een prachtige locatie om – in theorie – een zeer effectieve blokkade te leggen op de drie naast elkaar gelegen wegen naar het zuiden [Mijlweg, Rijksweg, Adm. De Ruyterweg].

De commandant van de compagnie was gekwartierd in een huis aan de Jan Luykenstraat, vlakbij de Spuitunnel. Deze vertrok pas richting zijn onderdeel toen de parachutisten reeds aan de grond stonden, waardoor hij op zijn fiets gezeten van enige afstand al flink beschoten werd. Hij had van de Duitse luchtlanding echter wel vanuit zijn kwartier melding kunnen maken aan de chef-staf Groep Kil. Die instrueerde hem passende tegenmaatregelen te nemen.

Toen de kapitein enige tijd later met enig omhaal bij zijn compagnie was aangekomen, besloot hij zijn secties te verdelen in drie taakgerichte groepen. De 1e sectie zond hij via de Rijksweg via een noordelijke route naar het station. De 2e sectie diende via een zuidelijker route naar het station op te trekken en de 3e sectie diende bij het Sportfondsenbad een opstelling te kiezen zodat de grote rotonde aldaar kon worden beheerst.

Ondertussen maakte de kapitein ook contact met de CP te Amstelwijck, waar hij hoorde dat deze aangevallen werd [N.B.: zoals bekend was de C-Vak Wieldrecht al van mening aangevallen te worden voordat dit werkelijk aan de orde was]. Hierop besloot de kapitein om de wegen te blokkeren met zijn voorhanden voertuigen en hierachter enkele achtergebleven manschappen te posteren.

Het eerste uur geëvalueerd

Nadat de Duitsers om even voor 0500 uur grond onder de voeten kregen in de Polder, werden zij vrijwel onmiddellijk door de wachtposten in het park bij Weizigt onder vuur genomen bij het opstellen van mitrailleurs op het bruggetje dat de Markettenweg met de Krispijnse weg verbond.

De Duitse compagniescommandant onderschatte vrijwel zeker de toen ontmoette tegenstand en ging direct tot offensieve tegenactie over. Met tenminste een peloton infanteristen ondersteund door twee zware mitrailleurs en twee PaBu’s trok Oberleutnant von Brandis langs de Krispijnse weg op, waarbij men gebruik maakte van de brede sloot langs de weg om buiten schootsveld te blijven.

De Nederlanders hadden onderwijl met circa twee dozijn man een zuidelijk front gevormd rond de villa Weizigt waarmee men vuur kon uitbrengen op de Krispijnse weg en omgeving. Het leidde spoedig tot een intensief vuurcontact waarbij de stoutmoedig optrekkende parachutisten een aanzienlijke tol betaalden voor hun eerste onderschatting. Daarbij viel vrijwel zeker de compagniescommandant als een der eersten. Meer troepen werden aangetrokken, waarbij de parachutisten trachten om oostelijk om het villaterrein heen te trekken. Een deel der parachutisten trok zelfs verder oostelijk naar de overgang bij de Dubbeldamse weg.

Het effectieve verweer van de sectie Spoorwegtroepen onder de luitenant Leyten zorgde ervoor dat de parachutisten niet via de geplande route naar de brug konden doorstoten. De onderschatting van deze Nederlandse tegenstand leidde ertoe dat de compagnie van de gelande parachutisten zich liet verleiden tot ontplooiing tegenover een tegenstander die hen in feite van hun werkelijke doel afhield.

Ondertussen waren de beide westelijk van het landingsgebied gelegerde compagnieën pontonniers zeer geholpen door de doortastende wijze van optreden van de spoorwegtroepen en het feit dat de Duitsers zich hierdoor lieten afleiden. Zij konden daardoor hun verbanden organiseren en de – vooral bij 2.DCP – vrijwel ontbrekende munitievoorraad middels enkele noodtransporten aanvullen.

De compagnie pioniers bij de Rijksweg had nog geen werkelijk vuurcontact met de tegenstander in het eerste uur na de landing. Zij waren in een zone gelegerd die precies tussen drie landingen inviel en konden het zich als zodanig permitteren dat zij tot de aankomst van de compagniescommandant zich niet weerbaar hadden opgesteld. Spoedig na aankomst van de commandant werden drie secties weggestuurd richting noordoosten, waarbij de achtergebleven groepen taken kregen ter verdediging van de zuidelijke naderingswegen.

Uit de gehele reconstructie van de tijdspanne 0400 – 0600 uur blijkt onomstotelijk dat de geëigende verslagen van de gebeurtenissen in alle tot op heden gepubliceerde werken over deze frontzone opvallend de mist ingaan bij de reconstructie van de gebeurtenissen. Tot op heden is aangenomen dat het de depottroepen – ondersteund door 14.C.Pn – waren die de Duitse parachutisten als eerste aanvielen en verantwoordelijk waren voor de uitschakeling van de drie pelotons van 3./FJR1 in de Polder. Het mag de lezer inmiddels volmaakt helder zijn dat onterecht de sectie Spoorwegtroepen onder de reserve 1e luitenant Leyten de lof heeft moeten ontberen die hen toekomt wegens het zaaien van de zaden die uiteindelijk tot isolatie en uitschakeling van 3./FJR1 zou leiden. Dat vervolgens de andere eenheden bij de ‘oogst’ mochten helpen in de uren nadien, zal uit onderstaande reconstructie duidelijk worden.

De eerste reacties elders

[170c] Bij de Benthien kazerne was de eerste reactie gekomen van het wachtcommando dat bij het contingent wachttroepen hoorde voor de verkeersbrug. Op de brug waren naast sergeant van Delft, een korporaal en (vermoedelijk) twee manschappen alleen sergeant Kroon aangekomen. De overige drie sergeanten en vijf korporaals waren met een auto richting brug gereden, maar waren te laat. Zij konden de verkeersbrug niet meer benaderen, daar deze al onder Duits vuur lag.

[170c] De commandant van 3.DCP – waarvan de manschappen in de Benthien kazerne lagen – had kwartier aan de andere kant van de stad en wel precies naast het open veld in de Polder, waar zijn eigen (!) woning in de Emmastraat was. Pas toen de parachutisten praktisch naast zijn woning landden, wist de reserve kapitein Driessen per fiets via de spoorkruising bij de Dubbeldamse weg het centrum en vervolgens de kazerne te bereiken. Daar moet hij rond 0515 zijn aangekomen, waarbij hij tot zijn genoegen constateerde dat zijn compagnie zich ‘al’ aan het kleden was …

Maar ook zonder de compagniescommandant was er al enig schot gekomen in het gereed maken van de troepen voor de strijd. [170, 170c] Een van de depot stafofficieren – de reserve kapitein van der Sluijs [officier der infanterie en gasofficier] – had niet gewacht op de compagniescommandant en was reeds begonnen de hermetisch gesloten deuren van het munitiedepot van de Oude Kazerne [enkele tientallen meters van de Benthien kazerne] te forceren. In het magazijn was munitie voor de infanteriewapens opgeslagen en enkele duizenden kilo’s trotyl.

[170c] De eerste actie die ontplooid werd vanuit de Benthien kazerne, was er één die aan de reserve 2e luitenant Jan Over in opdracht werd gegeven. Hij verzamelde vier sergeanten [van de SRO] – Hoeksema, Groenewegen, Wiesman en De Vries Lentsch – en 13 manschappen en vertrok met een grote pontonvrachtwagen richting de verkeersbrug om de verdediging aldaar te versterken. Hoewel de afstand hemelsbreed klein was, moest men wegens de naar het zuiden buigende lange oprit van de verkeersbrug, helemaal via de Spuitunnel onder het spoor [Spuiweg] en de Vlietweg bij de oprit geraken. Bij die verplaatsing – die rond 0545 uur de mannen bij de tunnel bracht – werd men op de hoek Vlietweg / Marnixstraat zwaar onder vuur genomen. Daar zaten parachutisten van 3./FJR1, die één van de banden lek schoten waardoor de vrachtwagen kantelde. Eén van de manschappen raakte hierbij gewond aan het hoofd, terwijl de rest zich in de huizen aan de Marnixstraat trachtte te verschuilen. Een vuurgevecht volgde dat enige tijd zou duren.

[170c] Bij de Benthienkazerne werd onderwijl door de kapitein vd Sluis met de C-3.DCP kortgesloten dat de eerste met medeneming van 30 man van de compagnie het postkantoor zou gaan bezetten aan de Bagijnhof, hetgeen vermoedelijk op bevel van de chef-staf kantonnement [kapitein vd Mark] zo geschiedde. Dat postkantoor was het centrale telefoonpunt en werd als van groot belang geacht te worden behouden. Zodoende vertrok een aanzienlijk contingent troepen uit de kazerne.

[170c] Curieus was een volgende gebeurtenis. De compagnie had een groot contingent rekruten [137 man] die pas op 6 mei onder wapens waren gekomen en op 9 mei hun uniformen hadden gekregen. De kapitein overwoog (serieus) om de mannen te ontslaan van de dienst, maar kwam tot bezinning daar hij hen achtte nodig te hebben. Zodoende werden onder leiding van drie kaderleden [vaandrig Lock, vaandrig Wieringa en de SMI Balt] haastig theorielessen gegeven in het basale wapengebruik.

[170c] Er was een contingent zeemiliciens [gekleed als matrozen] bij de compagnie ingedeeld, die voor de bediening en instructie van de vaartuigen (die de pontonniers bezaten) bij de compagnie hoorden. Dit contingent werd geleid door de Opperschipper 1e klas [=AOO] L. Koops. De Opperschipper kreeg als eerste opdracht om met twee boten [KPT.4 en 7] voor het Groothoofd [waar Kil, Noord en Merwede samenkomen] te gaan liggen ter beveiliging en controle. Nadien zou hij echter opdracht krijgen om vier geïdentificeerde Duitse binnenvaartschepen in de omgeving aan de tros te leggen tegenover de Benthienkazerne. De aanwezige boot [KPT.4] werd hiertoe aangewend. Om enigszins op de zaken vooruit te lopen, wordt dit verhaal direct vervolgd. De Opperschipper slaagde erin vier schepen met (civiele) Duitse bemanning op te brengen die op de Noord en de Merwede voeren of afgemeerd lagen. Het waren de Immeculata, Math Stijnes 28, Vulcaan en Rosalia. De mannelijke bemanningsleden werden geïnterneerd, de vrouwelijke aan boord onder bewaking gesteld.

[170d] Bij 4.DCT [Torpedisten] was de reserve 1e luitenant J.K.N. Koning officier van piket. Gedurende de nacht sliep hij in de school bij de compagnie [lagere school aan de Hoffstraat]. Om 0410 uur werd hij gewekt door de activiteiten in de lucht en gaf hij opdracht de compagnie aan te laten treden met uitzondering van de rekruten en verdubbelde de wacht. Die werden in hun kamers opgesloten (!). Aan de ruim 200 man aangetreden personeel werd vervolgens ieder 10 patronen uitgedeeld alsmede enig rantsoen. Daarmee was de munitievoorraad in de school - één kist geweermunitie - uitgeput.

[170d] De compagniescommandant, reserve kapitein J.M. Zwennes, was door de luitenant Koning gewaarschuwd en toen de kapitein zich in de school meldde stonden alle oudere lichtingen aangetreden gereed. De kapitein gaf vrijwel onmiddellijk een veelvoud aan opdrachten uit. De eerste was het zenden van een sectiesterkte [30 man, 4 onderofficieren en de 1e luitenant Koning] ter beveiliging van het Kantonnementsbureau aan de Achterhakkers. Een vrijwel even sterke groep werd naar het station gestuurd onder leiding van de reserve 1e luitenant Smith. Een groep van tien man plus een sergeant werd naar het postkantoor gezonden en een groep van gelijke grote naar Papendrecht overgezet om de daar aanwezige veerwacht te versterken. Daarnaast werden bij drie bruggen [Vriesebrug, St. Jorisbrug en Noorderbrug] staande patrouilles geplaatst en barricades opgeworpen en twee vaste patrouilles gevormd voor patrouillediensten door de binnenstad. Tenslotte werd het eerdere besluit van de luitenant Koning tot verdubbeling van de wachten rond de school gesanctioneerd. Bij het vervaardigen van versperringen assisteerde een groep leerlingen van de MTS die zich middels een hunner leraren [dhr Richter] in de vroege ochtend hadden gemeld bij de C-4.DCT voor vrijwillige arbeid.

Het kantonnementsbureau

Het gebeuren op het kantonnementsbureau is het lastigste te reconstrueren van alle gebeurtenissen in Dordrecht. Dat komt doordat de verslagen grotendeels ontbreken, ook in de persoonsarchieven bij het NA. In feite is van het bureau zelf geen enkel degelijk verslag voorhanden bij de toegankelijke archieven [NIMH, NA]. Wel van enkele stafofficieren die buiten het bureau actief waren. Dat een en ander verband zou kunnen houden met het omstreden optreden van de overste Mussert – en daarmee mogelijk een classificatie ‘geheim’ c.q. ‘vernietigen’ heeft gekregen – wordt beslist niet uitgesloten. Het betekent echter dat er een uitdrukkelijk voorbehoud dient te worden gemaakt bij veel gebeurtenissen die rond het bureau van de kantonnementscommandant plaatsvonden. Aan een omstandige reconstructie kan helaas niet worden ontkomen, waarbij dus de foutenmarge aanzienlijk toeneemt. De lezer is daarvoor bij deze gewaarschuwd.

[170] De tweede luitenant J.B. Plasschaert kwam even na 0500 uur vermoedelijk als eerste bij het bureau aan, maar vond dit gesloten. Hij trof de SMT [sergeant-majoor timmerman] A. van der Vlierden bij het bureau, die hij direct naar de Benthien kazerne stuurde om het depot te openen. Daarna reed de luitenant zelf via de Korte Parallelweg door naar de Maasbruggen waar hij via de Dokweg gereden rond 0530 uur zowaar zonder problemen in contact kwam met de sergeant Elkerbout van 85 Pel Lumi, die hem meldde dat men vanaf Zwijndrechtse kant en vanaf de brug beschoten was. Hierop besefte de luitenant dat de Duitsers de bruggen wilde bezette en spoedde zich terug naar het kantonnementsbureau dat inmiddels ook door de chef-staf kapitein van de Mark was bezet.

[170, 170c] De tweede officier die op het kantonnementsbureau kwam was de reserve kapitein J. van der Sluijs [gasofficier], die echter direct nadien doorreed naar de Benthienkazerne. Daar aangekomen trof hij de SMT van der Vlierden en samen organiseerden zij direct de opening van de munitiedepot in de Oude Kazerne om de compagnieën in Krispijn van munitie te kunnen voorzien. Enige tijd later ging de kapitein naar het postkantoor aan de Bagijnhof, waar spoedig allerlei barricades werden opgeworpen door de manschappen.

[170] De kapitein en chef-staf G. van der Mark is tussen 0545 en 0600 op het bureau aangekomen en vanaf dat moment druk in de weer geweest met de coördinatie van de eerste beveiligingsmaatregelen en vooral ook de distributie van wapens en munitie aan de diverse onderdelen. De algemene situatie was op de staf zeker niet direct bekend, te meer niet daar diverse commandanten reeds eerder tevergeefs hadden getracht contact te krijgen en dit wegens de overal urgent gevraagde aandacht voor de strijd ook niet direct weer probeerden. Het was echter wel bekend – met name door het proactief handelen van de luitenant Plasschaert – dat de Duitsers de bruggen over de Oude Maas bedreigden. Voorts was men tot de conclusie gekomen dat het station en de stad Dordrecht tot doelwit waren van de gelande Duitsers. Met luitenant Leyten had chef-staf van der Mark even na 0600 uur nog contact vanuit Villa Weizicht. Het was een laatste poging van de luitenant voordat hij met zijn manschappen definitief de noordkant van de spoordijk zou opzoeken. Even na 0600 uur had Van der Mark dus in beeld dat de Duitsers de bruggen en het station tot doelwit leken te hebben. Onduidelijk zal het hem echter geweest zijn welke tegenmaatregelen lokale commandanten hadden genomen.

De kantonnementscommandant zelf was nog niet gearriveerd op het bureau. Die was vrijwel vanuit zijn woonhuis [nabij het Oranjepark] direct betrokken geraakt bij lokale gevechtsleiding in de stad in plaats van direct naar zijn bureau te gaan. Daarop wordt later teruggekomen als de overste Mussert in beeld komt.

3./FJR1 verliest het hoofd

[170c, 452] Het was rond 0545 uur dat 3./FJR1 zich met I.Zug [min een Gruppe] en II.Zug volledig tegenover de Nederlandse verdediging rond het park, station en emplacement ontplooide. De Schwere Waffenzug dekte de aanval in de rug richting west en zuid met pantserbuksen en zware mitrailleurs. De compagniesgroep – 12 man met twee lichte mitrailleurs, de verbindingspost (korte golf zender/ontvanger) en de hulpverbandplaats – was daardoor samen met een Gruppe, met drie lichte mitrailleurs, als enige nog bij de Julianakerk in stelling. Zij moesten deze locatie blijven veiligstellen totdat de compagnie zou kunnen uitbreken richting bruggen.

[452] Tot die uitbraak kwam het echter niet. Terwijl twee Gruppen van I.Zug frontaal front bleven maken tegenover de zich nog verdedigende manschappen van luitenant Leyten rond Weizicht, trok II.Zug oostwaarts richting de spoorwegovergang. Toen analoog aan die beweging luitenant Leyten het gros van zijn manschappen opdracht gaf de noordzijde van de spoordijk op te zoeken, zette II.Zug tegen alle instructies in de achtervolging in, waarbij zij met de Gruppen naast elkaar trachten de spoordijk en de spoorwegovergang over te geraken. Daarbij verloren zij aansluiting met I.Zug, maar nog belangrijker, met de compagnie. Twee door Leutnant Schmelz (plv. compagniescommandant) – die bij I.Zug was – nagestuurde ordonnansen raakten gewond en kwamen zodoende niet bij II.Zug aan.

[175] Op het spoorwegemplacement en tegenover het station kwam het wederom tot felle gevechten. De sectie spoorwegtroepen was nagenoeg weer compleet, nadat de meeste manschappen vanuit het park hadden kunnen terugtrekken en slechts enkele wegens verwondingen waren uitgeschakeld of nog in het park laatste weerstand boden. Pas om 0615 uur zouden de Spoorwegtroepen de weerstand rond Weizicht zelf volledig hebben gestaakt.

[170c] Toen de vrachtwagen met pontonniers onder de 1e luitenant Over door de tunnel kwam rijden, werd deze even later door manschappen van I.Zug onder vuur genomen waardoor de wagen kantelde. Met de 17 man [de 18e - de soldaat J. Koole - was gewond geraakt en zou aan zijn verwondingen overlijden terwijl de soldaat S vd Waal een hersenschudding opliep] die uit de vrachtwagen kwamen, raakte de Duitsers zwaar in gevecht. De Nederlanders verscholen zich gedeeltelijk in huizen, terwijl anderen in portieken en achter de vrachtwagen stelling namen. Het waren de parachutisten van 1.Gruppe onder Feldwebel Görtz die met deze mannen in gevecht raakten, waarbij de Duitsers onder het werpen van vele handgranaten steeds dichter naderden, terwijl de Nederlanders slechts karabijnen en pistolen hadden. Daarbij werden aan beide kanten mannen geraakt, maar werden aan Nederlandse kant de luitenant J. Over en de soldaat J. Develing dodelijk getroffen. Bovendien gaven acht man, waaronder drie van de vier sergeanten [sergeant Hoeksma niet] en drie gewonden [soldaten Bruins, van de Ham en Koole] zich over. De zeven man die zich in de huizen bevonden, werden niet ontdekt.

[452] De 1.Gruppe bestond ondertussen door de verliezen die zij had geleden voordien en tijdens dit gevecht ook nog maar uit zeven man inclusief de Feldwebel. Die besloot met zijn gevangenen langs de spoordijk door te stoten naar de brug. Onbekend is het (aan auteur) wat er met de drie gewonden is gebeurd. Zij zijn vermoedelijk achtergelaten, want de beide soldaten Bruins en vd Ham waren zwaar gewond.

[452] De Gruppe van Feldwebel Görtz was onbedoeld door het gevecht los geraakt van I.Zug, waarmee deze laatste eenheid tot een dozijn manschappen was teruggebracht omdat dit peloton ook de meeste doden en gewonden had te betreuren van de eerste gevechten met de Spoorwegtroepen. Dit dozijn werd echter door Leutnant Schmelz aangevuld met alle manschappen van de Stabstrupp die niet tot de verbindingen of hulpverbandplaats behoorden alsmede een Halbzug zware mitrailleurs en een Panzerbuchs Trupp. Zodoende had hij bijna weer een pelotonssterkte, die zich vrijwel geheel in de noordoostelijke terreinhoek tegenover de ingang van villa Weizicht bevonden. Onderwijl was echter het contact met II.Zug – dat zich rond de gashouders en de spoorwegovergang in de Dubbeldamse weg bevond – volledig verloren gegaan en de afstand tot de mitrailleurbeveiligingen langs de Krispijnseweg alsmede de verbindingsgroep in de Julianakerk erg groot geworden. De organisatie bij 3./FJR1 was volkomen zoek en dat zou zijn prijs hebben.

14e Compagnie Pioniers

[191] Zoals vermeld lag de compagnie pioniers van Groep Kil met circa 220 man aan de Mijlweg in de landbouwschool (populair de School aan de Mijl genaamd). Reserve kapitein Mantel - die pas op 26 april 1940 de tot dan toe als commandant functionerende reserve kapitein Van Aalderen had vervangen - had in de vroege ochtend besloten het gros van zijn eenheid taakgericht te verspreiden in de stad. Hij was daartoe aangemoedigd door zijn directe superieur, chef-staf Groep Kil, kapitein Calmeijer, die hem instrueerde ‘aanvallen en vernietigen’. Die instructie volgde op Mantel's melding van waargenomen landingen van Duitse parachutisten in de Polder. Kapitein Mantel vroeg om instructies [192]. Een zaak waar Calmeijer zich in zijn Memoires opmerkelijk laatdunkend over uitlaat [“Ook hier de nodeloze vraag ‘wat moet ik doen’”, 70: blz. 292].

Nodeloos was die vraag echter helemaal niet en bovendien is de spottende toon in Calmeijer zijn Memoires misplaatst en ronduit arrogant te noemen. 14 C.Pn was geen gevechtseenheid en dan geldt in principe dat men slechts een gevecht aangaat als men daartoe uitdrukkelijk wordt geïnstrueerd of als de eigen positie direct bedreigd wordt. Daarbij was 14 C.Pn een eenheid die direct onder de staf van Groep Kil viel. En niet minder belangrijk was dat de compagnie – als enige Nederlandse eenheid – een strategische positie pal aan de drie uitvalswegen van Dordrecht richting zuiden [Mijlweg, Rijksweg, Admiraal de Ruyterweg] had. Wellicht is echter nog wel het meest opmerkelijke aan Calmeijer zijn kanttekening dat hijzelf een uitgesproken exponent van de toenmalige Nederlandse Generale Staf was, welke laatste het (reserve)kader binnen de landmacht zeer welbewust op liet leiden als volgelingen (bevelprincipe) en niet als iniatiefnemers. De Generale Staf achtte de reserve officier niet voldoende geschikt om zelfstandig te beslissen anders dan in het laagst denkbare tactische spectrum. Het vragen om instructies was dus een zaak die zeer te billijken was en Mantel geenszins te verwijten viel, te meer omdat zijn positie zelf (nog) niet werd bedreigd.

[192] Chef-staf Groep Kil kapitein Calmeijer gaf echter het generieke bevel deze positie te verlaten en aan te vallen (sic) richting de Polder. Hij vond het kennelijk niet verstandiger om de strategische uitvalswegen van Dordrecht te doen laten afsluiten door 14.C.Pn. Hij liet daardoor – zonder daar in wezen binnen het kantonnement operationele autoriteit toe te hebben – de enige Nederlandse eenheid in zuidwest Dordrecht uit de rug van de beide schoolcompagnies in Krispijn wegtrekken om naast diezelfde compagnies te gaan optreden, hoewel Calmeijer geen benul had van de opdrachten of acties die deze beide schoolcompagnies als depoteenheden uitvoerden. Calmeijer had binnen het kantonnement van Dordrecht in wezen helemaal niets te vertellen en er is geen enkel spoor van afstemming met het kantonnement te vinden in de bronnen. Opmerkelijk, want zich buiten bemoeienis met het kantonnement houden was een discipline waar hij zich aan het einde van de 10e mei – toen het bataljon Ravelli in beeld zou komen – opeens wel angstvallig aan zou houden. Kennelijk was hij inmiddels gecorrigeerd of had zich zelf gerealiseerd dat hij buiten zijn boekje was gegaan. Dat zou deze zeer ijdele officier overigens nog een aantal maal doen voordat de strijd gestreden zou zijn ...

De feiten waren ontluisterend. Calmeijer blunderde met zijn opdracht aan C-14.C.Pn, maar leidde in zijn Memoires de aandacht af door smalend over de kapitein Mantel te beschrijven. In zijn stafverslag Groep Kil [192] was hij echter aanmerkelijk milder en feitelijker. Dat had hij in zijn Memoires moeten volhouden.

De parachutistenlanding in de Polder zorgde voor een magneeteffect. Het was uiteraard niet bekend wat de Duitsers precies voor ogen hadden en aangezien informatie en centrale leiding ontbraken, werd ad hoc gereageerd door de Nederlanders. De landing in de Polder deed vrijwel alle lokale Nederlandse commandanten denken dat het station en emplacement een voornaam doel van de Duitsers waren. Waarom de Duitsers dat doel zouden willen bezetten, was vanzelfsprekend minder duidelijk. De vraag is in hoeverre men zich dit afvroeg. Desondanks noopte het menig commandant om troepen af te vaardigen richting station. En bij gebrek aan centrale coördinatie, die vanuit het kantonnementskwartier niet kwam, werd door commandanten ter plaatse ad hoc gehandeld.

Zo had op de instructie van chef-staf Calmeijer om aan te vallen, kapitein Mantel twee secties naar het station gestuurd. Maar de kapitein had ook bedacht dat het relatief vlakbij de landbouwschool gelegen verkeersknooppunt (de rotonde bij het Sportfondsenbad) voor eventueel doorgebroken Duitse verbanden vanuit de Polder een vrijwel niet te omzeilen route was. Hij zond daarom ook ter afgrendeling een sectie naar het bad toe (5). Het betekende echter dat op een handvol staftroepen na, de kapitein vanaf dat moment nauwelijks meer de rechtstreekse beschikking over zijn mannen had. En juist zijn eenheid lag zo prominent op de weg die de twee Duitse compagnies van I./FJR1 vanuit Amstelwijk richting brug zouden nemen. In potentie had hij hen met zijn voltallige compagnie dus de voet danig dwars kunnen zitten door de wegen rondom de school te bezetten en met mitrailleurs en tirailleurs af te sluiten. Een prachtig schootsveld richting zuiden zou zijn manschappen daartoe alle gelegenheid hebben geboden. Maar de kapitein wist op het moment van orderuitgifte aan zijn secties [circa 0515 uur] nog helemaal niet dat er ten zuiden van hem, onder Gravenstein en Amstelwijk, een grote Duitse formatie aan het formeren was. Calmeijer droeg die kennis wel, althans, hij was volgens zijn eigen Memoires [70] uitgebreid door de majoor van Hoek op de hoogte gebracht van de aanvallen die Amstelwijk te verduren kreeg. Des te curieuzer was Calmeijer zijn opdracht de ten noorden van Amstelwijk glorende as met de Maasbruggen te ontbloten van haar enige bezettende eenheid!

(5) In zijn gevechtsrapport van 27 mei 1940 tekent kapitein Mantel aan dat hij de 1e en 2e sectie naar het station stuurde en de 3e sectie naar het Sportfondsenbad om de weg richting bruggen te blokkeren. De 3e sectie werd echter door de luitenant Ruige geleid en deze trok zonder omzien naar het Bos van de Roo, wellicht door nadere aanwijzingen door de depottroepen.

Reserve 2e luitenant K.I. Ruige was sectiecommandant [3e sectie, waarvan resteerden ca. 35 man met ieder 30 geweerpatronen en geen mitrailleur] en hij had oorspronkelijk de opdracht gekregen een positie bij het Sportfondsenbad in te nemen. Hij kreeg onderweg van pontonniers van 1.DCP echter de informatie mee dat de Duitsers zich ten zuiden en oosten van het Bos van de Roo hadden opgesteld en dat ten oosten – op het Boonepad – een mitrailleur ernstige hinder gaf. Die aantekening in zijn persoonlijke verslag laat het tijdstip van zijn contact met 1.DCP dus rond 06.00-06.30 uur vastleggen. Daarop werd telefonisch contact gezocht met kapitein Mantel die luitenant Ruige instrueerde de Duitse mitrailleurs onschadelijk te maken.

[191] Luitenant Ruige trok met zijn sectie vervolgens richting Krispijnseweg. Zijn sectie constateerde onderwijl dat er reeds Nederlandse militairen in het Sportfondsenbad zaten. Optrekkend kwam men in de omgeving van de Hugo de Grootlaan in aanraking met twee Duitse parachutisten. Deze waren vrijwel zeker van de kleine groep [Fw Görtz] die uiteindelijk bij de Oude Maasbruggen zou geraken [waar zij volgens Duitse rapporten rond 0700 uur aankwamen]. Zij - de parachutisten - waren even voordien in contact gekomen met de groep Nederlanders onder de reserve 2e luitenant J. Over, wiens lijk door de sectie Ruige inderdaad werd waargenomen. Dat duidt erop dat de pioniers via de Marnixstraat richting Bos van de Roo trok.

Uiteindelijk namen de mannen stelling in de huizen die uitzagen op het Bos van de Roo. Ze kwamen daar alras in vuurgevecht met de inmiddels volkomen in de verdediging gedrukte parachutisten van I.Zug. Daarbij werd een deel van de sectie bij de tunnelingang geposteerd zodat zij de Duitse mitrailleurs aan het einde van het Boonepad konden onderdrukken. Uiteindelijk zou de sectie assisteren bij het nadien opruimen van de Duitse weerstanden [daar wordt later in detail op teruggekomen].

[191] Toen de manschappen zich later met enkele Duitse krijgsgevangenen weer richting de landbouwschool begaven, vonden ze die leeg en verlaten. Karabijnen stonden tegen een muurtje, auto’s waren verdwenen. Via omwonenden en enkele aan de Duitsers ontsnapte militairen van hun compagnie vernamen ze dat de manschappen bij de school gevangen waren genomen en met eigen vrachtwagens afgevoerd waren richting zuiden. Hierop besloot de luitenant met zijn sectie aan de Zuidendijk – kort op het viaduct – stelling te nemen. Enige tijd nadien kreeg hij drie zware mitrailleurs [Vickers] onder de 1e luitenant Verschoor als versterking (van de 3e Compagnie Torpedisten van het detachement Biesbosch). Maar nu wordt er vooruit gelopen op zaken.

Wat had zich voordien bij de school ‘aan de Mijl’ afgespeeld?

[191] Kapitein Mantel had kort nadat hij zijn secties had weggestuurd, vernomen van de majoor van Hoek [C-Vak Wieldrecht] dat Amstelwijk werd aangevallen. Op dat moment dat de majoor dit meldde was die aanval nog niet werkelijk aan de orde, maar kort nadien drongen de beide Duitse compagnies inderdaad door tot in Amstewijk. De afloop van die actie is elders reeds beschreven. [450] De Duitsers draalden niet en zetten kort na de actie bij Amstelwijk de opmars naar de bruggen voort, waar zij de schamele restanten van 3./FJR1 alleen in positie wisten. Radiocontact met de 3./FJR1 verbindingspost in de Julianakerk had de informatie opgeleverd dat 3./FJR1 aldaar afgesneden was van een route naar de bruggen. Het was voor Oberst Bräuer de aanleiding geweest vanaf Amstelwijk zijn hoofdmacht onmiddellijk noordwaarts op te doen trekken om het behoud van de bruggen te verzekeren.

[451, 454] Bij Amstelwijk verenigden 2./FJR1 en 4./FJR1 zich en na enige recuperatie trokken ze na mekaar (4.FJR1 voorop) langs de rijksweg richting Dordrecht. Hun vertrektijd uit Amstelwijk is onzeker, maar zal rond 10.00 uur hebben gelegen. Daarbij ontvingen zij gedurende de gehele opmars sporadisch vuur vanuit het oosten (Zuidendijk, later de Zeehavenlaan). Onderweg werden nog verscheidene kleine groepjes Nederlanders gevangen genomen. Zij behoorden tot uiteengeslagen artillerieverbanden en een enkele infanterist. Kort voor het viaduct over de rijksweg gekomen [viaduct Zeehavenlaan - Mijlweg], ontving de Duitse voorhoede ineens intensief geweervuur.

[191] Kapitein Mantel had zijn twee dozijn manschappen die hem resteerden verdeeld over een front dat vooral zuidwaarts vuur kon uitbrengen. Hij had daarbij een voorpost langs de betonweg uitgezet en een patrouille langs de Mijlweg richting Zeehavenlaan gestuurd als voorwaarschuwing. Bovendien diverse auto’s en vrachtwagens als versperring op de wegen doen plaatsen. Lichtkogels en krijgsrumoer duidden op een naderende Duitse formatie. Ordonnansen werden naar twee van zijn secties gestuurd om ze terug te halen. Hij belde met de chef-staf Groep Kil om te melden dat hij werd aangevallen door Duitse troepen en dringend versterking nodig had. Die kon hij uiteraard niet krijgen. [192] Chef-Staf Calmeijer instrueerde hem stand te houden en zich voor assistentie tot de kantonnementscommandant te wenden. Een overigens in dit geval logische reactie van de chef-staf Groep Kil.

Intussen had Mantel alweer twee van zijn drie uitgezonden secties terug ontvangen en deze direct verdeeld over de locatie rond de school. Daar ontstond spoedig vuurcontact met Duitsers die langs de zuidelijke wegenas begonnen op te dringen. Mogelijk is daarbij een Duitse formatie via de Zeehavenlaan en Zuidendijk in de flank van de pioniers bij de school gekomen. Daarover is onduidelijkheid.

[31, 191] Enkele gewonden en een gesneuvelde [soldaat C.N. Ridenberg] werden door het Duitse vuur veroorzaakt. Intussen hadden de Duitsers de beide rond de Zeehavenlaan opgestelde groepen pioniers al overlopen. Daarbij waren aan Nederlandse kant twee pioniers [de soldaten H. Uithol en P.A. Plooij] gedood en ettelijke anderen gewond geraakt. [454] De Duitsers zelf verloren bij de overmeestering van de pioniers aan de Zeehavenlaan overigens drie manschappen [Fw W. Jurisch, Obj F. Saak en Ogef H. Ritter] van 4./FJR1 en twee gewonden.

Lichtkogels werden door de Duitse voorhoede afgeschoten ter aanvraag van vuursteun. [454] De Duitsers stelden toen twee zware mitrailleurs en vermoedelijk een mortier op en begonnen daarmee het Nederlandse steunpunt rond de school te beschieten. Dat vuur veroorzaakte niet alleen brand, maar eveneens paniek nadat enkele gewonden vielen. Ondertussen werkten de parachutisten zich tot op korte afstand van de gebouwen, waarbij de mitrailleursalvo’s in en rond de posities van de pioniers sloegen en de Nederlanders in dekking dwongen.

De Duitsers waren op zeer korte afstand genaderd en kapitein Mantel achtte het toen noodzaak om zijn positie over te geven. Witte vlaggen werden uitgestoken en een groot deel van de compagnie pioniers werd in krijgsgevangenschap genomen. Ze werden spoedig op hun eigen vrachtwagens en in auto’s geladen en afgevoerd naar het zuiden, begeleid door een handvol Duitsers, terwijl de hoofdmacht van de beide compagnies onverminderd doortrok richting Oude Maasbruggen.

Opmerkelijk is dat er ook verhalen bestaan dat de Duitsers verraderlijk optraden. Zo zouden zij met witte vlaggen tussen Nederlandse soldaten van de vooruitgeschoven posten bij de Zeehavenlaan langs de rijksweg zijn komen aanlopen, waarop kapitein Mantel niet zou hebben durven schieten. Zodoende zouden de Duitsers de positie hebben overrompeld. Curieus is het dat deze voor kapitein Mantel ‘comfortabele’ theorie – hij zou dan immers wederrechterlijk tot overgave zijn gedwongen – niet in zijn eigen verslag van 27 mei 1940 staat vermeld. Wel staat dit in het verslag van (sectiecommandant) reserve 2e luitenant W.A. Bos die bij de CP aanwezig was ten tijde van de overgave. Hij meldt letterlijk (4 juni 1940) [191]:

» Eenige oogenblikken daarna kwamen, door gebrek aan kijkers niet te onderscheiden soldaten in onze richting, waarop gevuurd werd. Er werd door hen echter met witte doeken gezwaaid; het vuren werd daarop gestaakt. Naderbij gekomen bleken het onze reeds ontwapende voorposten te zijn, waartusschen zich Duitsche militairen in Duitsche uniformen bevonden, gewapend met pistool. Doordat deze zich spoedig onder onze militairen gemengd hadden was vuren niet meer mogelijk, zodat de Commandant van 14.CP telefonisch om instructies verzocht. Deze luidden blijkbaar ‘handelen naar eigen inzicht’, want de commandant besloot om niet noodeloos bloed te vergieten, vermoedend dat het toch reeds een verloren zaak was, de wapens neer te leggen. «

Hoe gespannen deze vertelling zich verhoudt met die van kapitein Mantel, wordt duidelijk door het citaat uit diens rapport (27 mei 1940) [191]:

» Het vuren der pioniers belette de nadering van den vijand niet. Wel werden enkele Duitschers op den betonweg neergeschoten. De vooruitgeschoven groep werd door handgranaten tot overgave gebracht. Van die plaats werd met mitrailleurs de langs de weg gelegen groep, waarbij ik mij bevond, in de flank onder vuur genomen. Schutters meer achterwaarts opgesteld werden belemmerd in ’t vuren door de gevangenen. Op de huizen achter de school, waar ook schutters waren opgesteld, lag mortiervuur, waardoor brand ontstond. Het mitrailleurvuur uit de flank op de aan die zijde ongedekte groep, werd gericht over de groep, waarmee de mogelijkheid tot overgave geboden werd. De afstand bedroeg +/- 80 meter. Weerstand of vlucht was uitgesloten. Ik besloot tot overgave.«

Kapitein Mantel lijkt volkomen eerlijk in zijn weergave, en lijkt zijn weinig doortastende optreden niet met excuses in te kleden. Zijn sectiecommandant luitenant Bos meldt echter opzettelijk wederrechterlijk handelen door de Duitsers, doordat zij te midden van witte vlaggen en krijgsgevangenen zouden zijn opgetrokken. Kapitein Mantel noemt echter slechts de krijgsgevangenen die werden meegevoerd, waardoor slechts minder kon worden gevuurd door de Nederlanders, maar geen witte vlaggen.

Beroepsluitenant G. Leertouwer - toegevoegd officier bij de depotstaf - was door toeval in het zuiden van Dordrecht en opgedragen met een twee dozijn man van 1.DCP kapitein Mantel en zijn 14 C.Pn. te versterken. Hij was er met 'zijn' mannen getuige van dat er 25 man over de weg kwamen aangelopen, met witte doeken zwaaiden, en door de Nederlanders op bevel van kapitein Mantel niet beschoten werd. Ondanks het feit dat de Duitsers duidelijk gewapend waren. De luitenant Leertouwer gaf duidelijk in zijn verslag aan dat men overbluft werd. Uiteindelijk handelden de Duitsers zo snel, dat er ook geen weg meer terug was voor de Nederlanders. Zodoende werd een flink contingent militairen overbluft.

Voor de stoottroep rol die de Duitse parachutisten hadden in deze fase, was het alles behalve onbegrijpelijk dat zij de gevangenen meevoerden. Alternatieven waren geweest hen onbewapend vrij te laten, de gevangenen ter plaatse te doden of de offensieve actie af te breken en de gevangenen eerst af te voeren. De parachutisten kozen er dus voor de krijgsgevangenen mee te voeren. Dat dit sec genomen alsnog in strijd is met de letter van de Conventies zou men kunnen aanvoeren. Maar deze praktijk van meegevoerde gevangenen mag men de Duitse stoottroep gezien de omstandigheden nauwelijks euvel duiden. Het is oorlogspraktijk.

[451, 454] Hoe het ook zij, de Duitsers hadden ten koste van vijf eigen slachtoffers een zeventigtal pioniers en ongeveer een dertigtal pontonniers overrompeld die als laatste geregelde obstakel op hun route richting bruggen hadden gelegen. De weg naar de bruggen was nadien zo goed als vrij, hoewel de Duitsers nog flink hun tijd zouden nemen. [454] De voorste gelederen van 4./FJR1 kwamen pas na 14.00 uur bij de verkeersbrug aan, die van 2./FJR1 zelfs nog ruim een uur later. Op zich volkomen logisch, nadat de eenheden vanuit de sector Tweede Tol via gevechten op en rond het landingsterrein, Gravenstein en Amstelwijk uiteindelijk in zuidwest Dordrecht waren geraakt.

Kapitein Mantel werd naoorlogs zijn spreekwoordelijke achternaam uitgeveegd voor zijn lichtzinnige capitulatie en initiatiefloosheid. Hoewel hij zich inderdaad niet uitputte in initiatieven en zijn troepen met weinig gogme positioneerde (terwijl hij een infanterist was), is het onwerkelijk deze officier zo de maat te nemen zoals zijn directe chef Calmeijer deed in zowel het desbetreffende stafwerkdeel als in zijn eigen memoires. Het was Calmeijer zelf die wederom niet uitblonk als operationeel verantwoordelijke, door Mantel in de vroege ochtend een oneigenlijke opdracht te geven (‘val aan’) terwijl dat niet in zijn jurisdictie lag. Bovendien daardoor de strategische wegenas tussen Dordrecht en Moerdijk welbewust ontdeed van haar enige geregelde bezetting. Kapitein Mantel had niet geëxcelleerd, maar zijn chef Calmeijer ook niet. Het is verleidelijk om te denken dat de enige juiste instructie die Calmeijer aan Mantel had moeten geven zou zijn geweest om een egelstelling rond de Zeehaven en nabije wegen te vormen met de ca. 180 man die Mantel ter plaatse beschikbaar had.

De sectie pioniers onder de luitenant Ruige had zich aan de malaise onttrokken. Die komt weer op ons pad als we naar de gebeurtenissen kijken rond het opruimen van 3./FJR1 in de Polder en omgeving.

Het lokale krijgsbeleid in focus

De aandachtig lezer is vermoedelijk opgevallen dat de ad hoc beslissingen die op alle individuele locaties in (en buiten) het kantonnement werden genomen weinig samenhangend waren. Helaas is niet meer vast te stellen of er in die besluiten om troepen naar alle hoeken van de stad te sturen - en naar sommige hoeken heel veel - enige (voorafgestemde) structuur bestond of dat dit werkelijk vrijwel allemaal ad hoc besluiten waren van compagniescommandanten en overige officieren. Er is dus vooralsnog niet vast te stellen of er een draaiboek was en als dat er was, of dat gevolgd werd. Het sterke vermoeden is dat dit draaiboek er niet was, want daarvoor lijken teveel genomen besluiten onlogisch. Maar het blijft nadrukkelijk bij een vermoeden.

Wat eveneens niet goed is vast te stellen – en wat voor een zuivere beschouwing van zaken bezwaarlijk is – is in welke mate bepaalde instructies of bevelen vanuit het kantonnementsbureau werden gegeven. Slechts van een enkele instructie is bekend dat die door de chef-staf Van der Mark werd gegeven. Helaas blijken er in krijgsverslagen maar al te veel (onder)officieren die bepaalde instructies of bevelen op papier aan zichzelf toeschreven, terwijl dat lang niet altijd de werkelijkheid weergaf. Wegens wederom het ontbreken van veel gegevens uit het bureau zelf, kan zelden tot verificatie van gegevens in rapporten van bevelhebbers worden overgegaan.

Desondanks heeft het er alle schijn van dat er geen draaiboek bestond c.q. werd gevolgd voor de eerste maatregelen die door de respectievelijke compagnieën – met name van het Depot zelf – werden genomen. Laat staan dat er samenhang was met de beide prominent aanwezige kantonnement vreemde eenheden: de sectie Spoorwegtroepen en de pioniers van 14.C.Pn.

Zo is het opvallend dat hoewel er een Spoorwegtroepen sectie prominent ter bewaking van station, spoorbrug en emplacement was aangewezen - en daar de aanwezigheid van als algemeen bekend mag worden aangenomen - er toch een compagnie was die onmiddellijk een groot contingent troepen naar het station stuurde. Nog opvallender was het dat een relatief klein object als het postkantoor eerst een sectiesterkte [31 man] van 3.DCP en even later nog een groep [11 man] van 4.DCT kreeg toegestuurd. Deze 42 man bezetting leek wel erg prominent voor een klein postkantoor dat midden in de stad lag. Duidelijk zal hierbij de gedachte aan subversieve actie door vermeende Vijfde Colonnisten een rol hebben gespeeld.

Anderzijds kan men opmerken dat de beide in de stad gelegerde compagnieën [3.DCP en 4.DCT] adequaat op de zaken inspeelden. Beide compagniescommandanten gaven vanuit de optiek van de eerste overval en daarmee gepaard gaande chaos, zinvolle opdrachten die – zeker gezien de verrassende eerste uren – in feite alle lof verdienen. Dat men als tactisch ongeschoolde officieren – ook bij het kantonnement – onvoldoende besefte dat lichte troepen als parachutisten direct met geconcentreerde krachten moeten worden aangevallen, voordat zij een kans krijgen zich in te graven of te versterken, en dat men dit door de versnippering naliet, kan de in Dordrecht verantwoordelijke officieren alleen maar vergeven worden. Men handelde binnen de gegeven situatie, en indachtig de beperkte kennis terzake, over het algemeen naar vermogen.

Opvallende dissonant – het werd al eerder aangehaald – blijft het kantonnementsbureau. Het is onwerkelijk dat in de tijden van spanning [die ook binnen het kantonnement bekend waren] geen officier op het bureau was of daar vlak in de buurt. Dat de beide officieren die vroegtijdig bij het bureau aankwamen direct besloten zich elders dienstbaar te maken, is weliswaar begrijpelijk, echter niet verstandig geweest. Prioriteit boven alles had dienen te zijn tenminste één officier op het bureau beschikbaar en bereikbaar te hebben. Alleen al voor het opmaken van statussen, ontvangen van meldingen en het administreren van inzetten was zulks zeer aan te bevelen geweest. Er werd anders gehandeld, hetgeen alleen maar is uit te leggen vanuit het gebrek aan stafopleiding van de desbetreffende officieren. Aan initiatieven en inzet ontbrak het beiden beslist niet. Daarbij had het in de competentie van de kantonnementstaf zelf gelegen om een officier van piket op het kantoor aanwezig te hebben. Er is geen aanleiding aan te nemen dat die er was.

Hoe goed bedoeld en hoe begrijpelijk alle maatregelen ook waren die in de eerste twee uur van de overval [0400-0600] door de compagniescommandanten werden genomen, werd helaas te vaak gehandeld vanuit het eigen perspectief en vaak zonder enige vorm van afstemming met nevencompagnieën. Daartoe waren in Dordrecht nadrukkelijk wel de mogelijkheden geweest. Men was allen met werkende telefoons met elkaar verbonden en zodoende had afstemming plaats kunnen vinden. Bovendien hebben geen der compagnieën – voor zover kan worden nagegaan – afstemming gezocht middels boodschappers. Merkwaardig, daar men elkaar wél wist te vinden om munitie te verkrijgen.

Voor zover kan worden vastgesteld [en dus met het bekende voorbehoud], heeft het kantonnementsbureau weinig maatregelen van de compagnieën gesanctioneerd. Anders gezegd, men heeft lang geschroomd het algemeen krijgsbeleid ter plaatse ferm in één hand te nemen. Dat gebeurde zeker in de eerste uren niet, waarbij dat ook niet onmiddellijk veranderde nadat de chef-staf wel ten burele was gekomen. Logisch, want die had twee uur informatie achterstand te compenseren ...

Het gevolg was dat hoewel het kantonnement over ruim 1,450 militairen - waarvan circa 1,200 in enige mate geoefend - beschikte, een zeer aanzienlijk deel in de eerste uren verspreid werd over de gehele stad en (integraal gezien) onsamenhangende opdrachten kreeg. Daar men over het algemeen hoogstens in verbanden van 20 tot 30 man opereerde, betekende het dat op vele locaties kleine verbanden actief waren die weliswaar lokale successen boekten, maar die in groter verband en middels gestructureerde tegenmaatregelen vermoedelijk veel meer hadden kunnen bereiken. Te meer daar men jegens de hoofdzaak – de Duitse bezetting van de Maasbruggen – nauwelijks iets ondernam. Alle weerbare troepen werden of ingezet rond het spoor, of ingezet om de binnenstad voor verdediging in te richten of ingezet voor de vele neventaken zoals patrouillelopen, wachtposten en piketten in en buiten het kantonnement, politionele taken of anderszins. Omdat de beide compagnieën (en de kantonnement-vreemde troepen) ten zuiden van het spoor volledig werden geoccupeerd door de Duitse aanwezigheid in en om de Polder, kwamen alle overige kantonnementstaken op de schouders van de twee compagnieën ten noorden van het spoor. En die werden dus verdeeld over al die voornoemde taken die men belangrijk achtte. Ze hadden bovendien aanzienlijke contingenten rekruten die slechts enkele dagen onder de wapenen waren en vrijwel nutteloos waren, zeker als geïmproviseerde gevechtstroepen. Het verdelen van de wel in enige mate geoefende troepen voor kantonnementstaken was dus funest voor de weerbaarheid van het kantonnement ten noorden van de spoordijk. Men had dus – idealiter – andere overwegingen moeten maken en moeten zorgdragen voor het bijeenbrengen van een formatie troepen die in staat had kunnen zijn geweest de bruggen aan te vallen.

Deze conclusie mag men wellicht kritisch bejegenen en relativeren met de gedachte dat de kantonnementseenheden in feite non-combattanten waren en overvallen werden door de gebeurtenissen. Bovendien dat men geleid werd door louter officieren met een non-combattanten achtergrond, zonder hogere krijgsvorming.  Maar als men die verzachtende omstandigheden plaatst tegenover het feit dat men in de eerste uren met 1,450 man kantonnementstroepen en ruim 200 kantonnementsvreemde manschappen was die tegenover slechts zo’n 140 parachutisten stonden, dan kan men zich voorstellen dat de voornoemde kritische conclusie ten aanzien van het lokale krijgsbeleid in de eerste uren, met een 1:12 verhouding in Nederlands voordeel, niet volkomen oneerlijk is.

Het vaak in de literatuur opgetogen beschreven gebeuren van de isolatie en uiteindelijke uitschakeling van de hoofdmacht van de gelande Duitse compagnie in de Polder wordt zelden gerelativeerd met de conclusie dat dit wellicht een aardig lokaal succes was, maar dat de hoofdzaak was dat de Duitsers de bruggen in konden nemen en dat daarop in feite geen tegenmaatregelen waren genomen. Voor die passende tegenmaatregelen waren door alle eerder genomen maatregelen rond 0630 uur ook nauwelijks meer troepen beschikbaar.

Het betekende uiteindelijk dat – hoe men het ook wendt of keert – de foute prioriteiten waren gesteld. Men had de Duitse compagnie aan het spoor en in Krispijn weliswaar afgegrendeld, maar de parachutisten bij de bruggen alle kansen geboden zich uitgebreid ter verdediging in te richten. Bovendien was het Duitse bruggenhoofd rond de Maasbruggen alles behalve geïsoleerd, doordat vrijwel alle Nederlandse troepen als een magneet op de Duitse ‘pocket’ ten zuiden van het station werden aangetrokken. Men zou dus bijna de theorie gaan aanhangen dat de (door de Duitsers onbedoelde) opoffering van de hoofdmacht van 3./FJR1 in de Polder zodanig positief heeft gewerkt op het binden van vrijwel de gehele Nederlandse troepenmacht in Dordrecht, dat daarmee de voorwaarde werd geschapen om de Maasbruggen te behouden en de aansluiting tussen de hoofdmacht van I./FJR1 en de brugbezetting eenvoudig tot stand te doen laten komen in de ochtend van 10 mei.

[De bronnen vindt u hier]