IJsselmonde - 1e fase

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de aanval op het militaire vliegpark Waalhaven behandeld. De landingen in Rotterdam zelf, zoals bij het Feyenoordstadion en de Maasbruggen worden in een tweede deel besproken.

In feite was de sector Rotterdam geen werkelijk onderdeel van het als 'Zuidfront Vesting-Holland' gedefinieerde gezagsgebied. Om twee redenen wordt dat ter bespreking van de gebeurtenissen gediscrimineerd. De eerste reden is dat het Commando Zuidfront – dat in het gezagsgebied oorspronkelijk de dienst uitmaakte – in april 1940 werd opgeheven en in feite het gehele zuiden van Vesting Holland als het zuidfront werd gezien. Het geheel kwam vanaf 20 april onder direct bevel van de Commandant Vesting Holland. De tweede reden voor (beschouwende) uitbreiding van het Zuidfront is dat de Duitse luchtlandingsoperatie ten zuiden van de Maas een integrale operatie was. Het zou dus voor het algemeen begrip onverstandig zijn ten zuiden van de Oude Maas te blijven voor de beschrijving van zaken en gebeurtenissen. Het Eiland Ysselmonde en het gedeelte van Rotterdam langs de Nieuwe Maas wordt daarom betrokken bij de besproken gebeurtenissen.

Er dient te worden opgemerkt dat de strijd in Rotterdam slechts in grote lijnen zal worden beschouwd. Over de strijd aldaar is voldoende geschreven om de details daarvan aan anderen c.q. reeds gepubliceerde werken over te laten. De lezer zal dit auteur niet euvel duiden.

De Duitse plannen

Rotterdam vormde de noordelijke component van de luchtlandingsoperatie die middels inname van, voor de Duitse snelle grondtroepen essentiële, bruggen diende te leiden tot een geslaagde strategische overval en eliminatie van Vesting Holland. De meest noordelijke operatie binnen de sector Rotterdam zou plaatsvinden bij de bruggen over de Nieuwe Maas, waar de Maasbruggen, die het Noordereiland en Rotterdam-Noord verbonden, de laatste sleutel op de schijnbaar massieve fortdeur vormden.

Waalhaven en Noordereiland

De gehele zuidelijke luchtlandingsoperatie – die de essentiële bruggen in Duitse handen moest spelen – zou niet kunnen worden uitgevoerd én afgerond door parachutisten alleen. Die zouden slechts voor de werkelijke overval zorgen en op één na alle doelen moeten veroveren. Daarna zouden luchtlandingstroepen zorgen voor de uitbouw en consolidatie van de veroverde strategische bruggenhoofden. Hiertoe moest een geschikt aanvoerpunt worden geselecteerd. Toen was vastgesteld dat Nederland weliswaar zo vlak als een biljartlaken was, maar de sterk verdichte irrigatiestromen [boezems, afwateringen, sloten, etc.] tussen de velden en weilanden het gebruik van dat vlakke land voor luchtlandingen verhinderden, werd gekozen voor het innemen van het vliegveld Waalhaven. Dit vliegveld zou het logistieke kloppende hart worden van de gehele operatie en daarom was de inname ervan imperatief voor het welslagen van de gehele operatie.

[463, 500, 501, 509] Omdat Waalhaven zo belangrijk was, werd een vrijwel volledig bataljon parachutisten ingedeeld om het vliegveld in te nemen en de verdediging en luchtafweer ‘rasch nieder zu kämpfen’, waarna heel snel erop volgend de eerste golf luchtlandingstroepen zou landen.

Een tweede overval zou plaatsvinden op de Maasbruggen. In het centrum van de Nieuwe Maas lag [ligt] een aanzienlijk eiland, het Noordereiland. Net als het Ile de la Cité in Parijs, lag het eiland min of meer in het hart van de stad als symbolisch centraal punt, feitelijk niet behorend tot noord of zuid Rotterdam. Het eiland werd verbonden door vier bruggen. Aan de zuidzijde over de Koningshaven de Koninginnebrug en een spoorbrug en aan de noordzijde de Willemsbrug en eveneens een spoorbrug. De beide verkeersbruggen waren voor de Duitsers van groot belang. Zij vormden in die tijd vanuit het zuiden de enige bestaande vaste verbindingen met Vesting Holland in het gehele westen des lands [58].

De overval op het centrum van Rotterdam was een hoofdbreker voor de Duitsers geweest [500, 501]. Allerlei scenario’s waren de revue gepasseerd, maar niets leek passend. Voor een conventionele luchtlanding met Junkers of gliders was zoals gezegd buiten Waalhaven om geen landingsgebied te vinden in deze stedelijke omgeving. Parachutisten konden slechts op enige afstand en in een beperkt aantal landen. Uiteindelijk kwam de Luftwaffe met een geïmproviseerde oplossing. Er zou een verband luchtlandingstroepen worden ingevlogen met speciaal aangepaste watervliegtuigen die aan weerszijde van de Willemsbrug en Koninginnebrug op de Nieuwe Maas zouden landen. Omdat inlichtingen omtrent de locatie hadden aangetoond dat er geen teken was dat de bruggen militaire bewaking hadden, werd de slagingskans hoog geacht. Een peloton parachutisten zou bij het Feyenoordstadion worden geparachuteerd en die dienden direct richting Noordereiland te trekken voor de eerste versterking.

[500, 501] De luchtlandingen door parachutisten en de (kleine) compagnie van IR.16 bij de Maasbruggen, zou om 0500 uur beginnen. Vooraf zou de verdediging rondom het vliegveld worden aangepakt door bommenwerpers en jachtvliegtuigen. Doel was Waalhaven precies op X-Zeit [0355 uur NL tijd] aan te vallen vanuit het zuidwesten. Daarbij wilde men de jachtvliegtuigen op het vliegveld uitschakelen, de luchtafweer tot zwijgen brengen alsmede de ‘command and control’ centra van de verdediging vernietigen. De bombardementen [door II./KG4] zouden worden uitgevoerd op lage hoogte, van west naar oost. Daarom zouden deze bommenwerpers noordelijk langs de Waddenzee aanvliegen, en daarna zuidwestelijk afdalen langs de kust naar de Nieuwe Waterweg en als zodanig landinwaarts vanuit het westen de doelen aanvliegen. De bombardementen zouden telkens in golven worden uitgevoerd tot aan de landing van de eerste parachutisten. Daarbij diende het landingsterrein te worden ontzien.

Kort op de parachutistenlanding zou het 3e bataljon van IR.16 worden ingevlogen. Dat diende de eerste eenheden naar Rotterdam te sturen ter versterking van de kleine overvalgroep aldaar. De staf van het 7.Fliegerkorps zou ook nog voor 0600 uur moeten landen.

De aanvallers

[500, 501] De eerste golf aanvallers zou bestaan uit ruim twee pelotons van een compagnie [11./IR16] luchtlandingstroepen van 22 (LL).ID die bij de Maasbruggen zouden landen en een bataljon parachutisten [III./FJR1] die op een peloton na [versterkte III.Zug van 11./FJR1] allen bij Waalhaven zouden landen. Dat 3e peloton zou bij de parkeerplaats van het Feyenoord stadion landen om direct richting bruggen te trekken.

[500, 501] Hierna zouden eerst een stoottroep van twee pelotons van 9./IR16 landen met een peloton pioniers, en kort daarop zouden de overige delen van IR.16 landen; de rest van III./IR.16  als eerste. De kort na de stoottroep landende hoofdmacht van III./IR.16 had bovendien een PAK in haar midden als vooruitgestuurde eenheid van de PVK van 7.FD. In de tweede golf stonden drie compagnieën van II./FJR2 plus bataljonsstaf op de rol. Voorts zouden de divisie eenheden en staf van 7.FD worden afgezet, alsmede enkele regimentsonderdelen van Fallschirmjägerregiment 1. Van 22 (LL).ID zouden bovendien (de resterende delen van) 1./Pi22, 2./Pi22, 1./PzAbw22 en 4./AR22 landen.

[472, 500, 501, 555] Op Waalhaven zou volgens de plannen de enige artillerie aankomen die voor het zuidfront voor de Duitsers ter beschikking zou komen. Per toestel een vuurmond, een paardje, een munitievoorwagen en 5 man. Naast de Fallschirm Geschütz Batterie 7 onder Oberleutnant Bruno Schram [Batterie offizier Leutnant Lösch] met vier stukken Gebirgskanone Skoda 15L/15 van 75 mm [bereik 6,650 m] en zo'n 60 man, zou een batterij berggeschut van de 22.(LL) ID met vier stukken Skoda 75 mm geschut onder Hauptmann Pölchau op Waalhaven landen. Acht stukken berggeschut, getrokken door Hafflinger dwergpaardjes; een weinig indrukwekkende artilleristische vuurkracht.

[500, 501, 556] Aan licht geschut stond er meer op de planning. Naast de beide 14e compagnieën van zowel IR.16 als FJR1 zou de Panzerabwehr [Versuchs] Kompanie 2 van 7.FD onder Hauptmann Hermann Götzel - de latere memoires schrijver van Kurt Student - ingevlogen worden. In totaal betekende dit niet minder dan 36 PAK35/36 antitank vuurmonden. Gezien het feit dat artillerie en mortieren in schaarse mate aanwezig waren, zeer belangrijk vuursteun voor de parachutisten en luchtlandingstroepen. Opgemerkt zij dat uiteindelijk slechts een zeer beperkt deel zou landen omdat de plannen onderweg zouden worden aangepast.

[500, 501, 509] Bijzonder belangrijk waren de verbindingen. De Luftnachrichtenkompanie 7 onder Hauptmann Schleicher had de beschikking over zowel kortegolf zend- en ontvangapparatuur alsmede over enkele zend- en ontvangstinstallaties die in twee Ju-52’s waren ingericht. Daarmee kon over lange afstand worden gecommuniceerd, waarbij de langste afstand vliegend kon worden bereikt. Aan boord van een van deze twee toestellen zou Generalleutnant Kurt Student worden vervoerd, zodat hij tijdens het aanvliegen de eerste ‘Lageberichten’ van de reeds behaalde resultaten vast zou kunnen vernemen. Het was voorts de bedoeling dat ieder theater na landing van de verbindingsafdeling een verbindingsgroep zou ontvangen. De compagnie bestond uit een peloton uitgerust met de lange golfzenders [Fernsprechzug], dat voor de lange afstand en grond-lucht verbindingen verantwoordelijk was, een radio peloton [Funkzug], een parachutistenverbindingspeloton [Fallschirmjäger Nachrichten Zug] dat over vijf vliegtuigen verdeeld was met haar apparatuur en dat verbindingen vanuit de divisie met de bataljons diende te verzorgen en als laatste de Luftlande Nachrichten Zug die vooral bedoeld was voor verbindingen met de Luchtlandingstroepen, zowel in de zuidelijke als noordelijke operatiegebieden. Bovendien zou deze eenheid de verbindingsteams leveren voor de Sanitätskompanie 7 als ook de Transportkompanie 7.

[500, 501] Er stond nog veel meer op de rol om te landen. De divisiestaf van Kurt Student, met een Kradmeldezug [motorordonnansen], een stafkaartenbureau [Kartestelle], stafofficieren en een stafpeloton met beveiligingsgroep. Bovendien kreeg Student de beschikking over een Fliegerkorps Aufklärungsstaffel dat vier Do-17M en vier Henschel 126-B toestellen naar Waalhaven zou overbrengen.Een transportgroep [Transportkompanie 7] met speciale sterke motoren met aanhangers onder leiding van Hauptmann Rosloff. Bovendien had men diverse chauffeurs bij zich die met gebruikmaking van ‘universele sleutels’ gevorderde vrachtwagens en auto’s konden gebruiken. Een peloton motorrijders infanteristen [Kradschützenzug 7] onder Leutnant Geyer, en een deel van de Geneeskundige compagnie [Sanitäts Kompanie 7], waarvan het grootste deel overigens boven het Eiland van Dordrecht zou worden afgezet. Tenslotte een lichte luchtafweereenheid [Flak Batterie 106] met zes stukken 2 cm en vermoedelijk vier of zes FlaMg. Deze eenheid had daarbij een aantal manschappen extra ingedeeld, dat was geoefend op gebruik van 2 cm Scotti mitrailleurs die de Nederlanders in gebruik hadden [dit gegeven is overigens arbitrair; bronnen spreken elkaar tegen of ook voor de 2 cm kanonnen getrainde manschappen aanwezig waren].

De verdedigers

[2, 8] Het vliegpark Waalhaven [commandant reserve majoor-waarnemer J.C.M. Simon Thomas], dat lange tijd ook als burgervliegveld in gebruik was geweest, was een groot veld. Desondanks was er slechts één Jachtvliegtuig Afdeling gestationeerd [3e JaVA, onder kapitein-vlieger-waarnemer H.J. Scholtmeijer], dat sinds begin 1940 operationeel met G-1 Mercury jachtkruisers was uitgerust (voordien met D-21's en opwerking naar G-1). Daarvan waren er elf beschikbaar en hiervan tien werkelijk vlieggereed. Andere gevechtsvliegtuigen waren er niet op het vliegveld. Wel stonden er enkele niet gevechtsgerede G-1 Wasp [354 en 355 in elk geval] en Mercury [de 314 en 319 mogelijk] buiten het veld opgesteld - men denkt tegenwoordig niet meer dan een stuk of vijf - en behoorde een doelsleper (Fokker C-IX no. 664) formeel ook tot de eenheid. Van de geparkeerde G-toestellen stond een deel langs de noordoostzijde van het havenbeken en een deel langs de betonweg naar Pernis. Naast het vliegend personeel was er een contingent van 30 man luchtvaartpersoneel aanwezig. Om spionage te voorkomen had men een 2 meter hoge schutting aan de noord, oost en zuidoost zijde aangebracht. Officier-vliegers waren (buiten de parate alarmgroep) niet op de basis zelf ondergebracht, maar ingekwartierd. Onderofficier-vliegers en boordschutters waren in een barak ondergebracht op het veld. Bij verordonneerde paraatheid was echter een ieder die vliegwaardig was op het vliegveld present.

[8, 301, 304, 306] Het vliegveld had een luchtverdediging van aanzienlijke omvang. Twee batterijen [4e Bt Lua en 77e Bt LuA] met in totaal zeven stukken 7.5 tl [drie maal Vickers, vier maal Skoda] en drie pelotons luchtdoelmitrailleurs [49e – 51e Peloton Luchtdoelmitrailleurs] met in totaal 12 mitrailleurs Spandau M.25 en vier Scotti 20 mm snelvuurkanonnen. De luchtafweer viel onder de Luchtverdedigingskring Rotterdam – Den Haag.

[8, 301, 304, 306] De 4e Bt LuA [reserve 1e luitenant G.J. Backer] stond opgesteld bij Smitshoek, op circa 2,5 km zuidoostelijk van het veld. De 77e Bt LuA [reserve 1e luitenant J.H. Hasewinkel] was op pier no. 7 [tweede pier aan de westzijde] in de Waalhaven geplaatst, noordwestelijk van het vliegveld. 49.PelLuMi stond langs het spoor bij de zuidwest hoek van het veld, terwijl 50.PelLuMi en 51.PelLuMi respectievelijk ten noordwesten en noordoosten naast het vliegveld stonden. De drie pelotons waren onderdeel van 13.CieLuMi dat onder bevel stond van reserve kapitein H.O. van Rijswijk, die echter te Pernis zijn hoofdkwartier had. Vier zoeklichten van IIIe ZlAfd.tl stonden rond het veld opgesteld. Twee aan weerszijde van de centrale as in de haven, en twee aan weerszijde van het werkelijke vliegveld.

Waalhaven vliegveldverdediging

[2, 251] Het 3e Bataljon van het Regiment Jagers [majoor A.J.R. de Vos] vormde de basisbeveiliging. Twee van de drie compagnieën van dit bataljon lagen buiten de basis, terwijl de derde compagnie met de MC op het veld posities had toegewezen gekregen.

De 2e Compagnie [reserve kapitein H.P.L. Lohbeck] lag langs de noord- en oostzijde met twee secties aan beide zijden. Zij hadden als primaire taak het landingsterrein met de wapens te bestrijken. De MC [reserve kapitein J. van der Wal] had een zware mitrailleur bij de noordelijke secties van 2-III.RJ gedetacheerd. Vier zware mitrailleurs stonden langs de oostzijde opgesteld en zeven mitrailleurs langs de zuidelijke zijde. Deze opstelling impliceert duidelijk dat men vuur op korte afstand diende te richten, daar men anders in ‘elkaars vuur’ zou geraken.

De 1e Compagnie [reserve 1e luitenant P.A. Dijkema] lag met drie secties aan de noordzijde van het vliegveld, en dus buiten de 2 meter hoge schutting die om het veld was aangelegd. Twee secties waren front west gericht, richting haven en Hey en de overgebleven sectie front oost ter beveiliging richting gebouwen. De vierde sectie was gedetacheerd bij de basisreserve.

De 3e Compagnie [kapitein J.W. Heemskerk] lag aan de noordoostzijde van Waalhaven langs de weg. Drie secties waren aangewezen de weg naar Rotterdam buitenwaarts te beveiligen tegen benadering vanuit Rotterdam. De vierde sectie was aan de basisreserve afgestaan.

De basisreserve, geformeerd door de twee voornoemde secties, was bij de cp van de bataljonscommandant gelegerd, en in de gebouwen van de basis ondergebracht. Die CP bevond zich vlakbij de Korperweg aan de oostzijde van het vliegveld, naast de hoofdingang. De reserve eenheid vormde een stoottroep tegen parachutistenlandingen, analoog aan de instructies die de luitenant-generaal Best aan de vliegbasisbeveiligingen in het land had gegeven.

[252] Twee pantserwagens [van de 1e Sectie van I Verkenningsgroep] van het type Cardon-Lloyd – zogenaamde Universal Carriers bewapend met een Vickers M.18 ['Luipaard' en 'Poema'] – waren aan de verdediging toegevoegd. Een wagen stond vlakbij de hoofdingang, de ander bij de CP van de bataljonscommandant. Ze stonden onder bevel van reserve 1e luitenant F. des Tombe, maar de wagen bij de CP van de BC werd direct door de BC aangestuurd. De sectie was gedetacheerd vanuit 3.RH waar het bij was ingedeeld. De zelfstandige secties paw waren bedoeld om door vier M.39 DAF paw te worden gevuld als die organiek gereed zouden komen, hetgeen voor de zomer 1940 voorzien was.

[251] De BC – beroepsmilitair majoor de Vos – had een commandopost met een schuilplaats en loopgraaf, beiden opgetrokken uit grond en zandzakken. Bij hem huisde ook de commandant van de MC, die plaatsvervangend bataljonscommandant was (1).

(1) Een opvallende kwestie dat de reserve kapitein Van der Wal als plaatsvervanger van de BC zou optreden. De kapitein Heemskerk, C-3-III.RJ, was beroepsofficier en lijkt volgens de basale logica de meest aangewezen persoon om de BC op te volgen. Het is onduidelijk waarom desondanks een reserve kapitein de rol van plaatsvervangend BC droeg, hoewel de logica gebied te denken dat de C-MC de oudste officier na de BC zal zijn geweest. Zeker is wel dat MC commandanten in het Nederlandse leger opvallend vaak hogere commando's kregen. Dat zij uit de aard van hun functies beter in de kunst der 'verbonden wapenen' waren geoefend is een feit. Toch is het opmerkelijk dat een reserve kapitein de voorkeur kreeg boven een beroepskapitein als het aankwam op een hoger en verantwoordelijk commando.

[2, 250, 251] De veldversterkingen waren nog lang niet gereed. Pas op 20 april waren de troepen op het vliegveld aangekomen. De commandant had toen eerst de tijd genomen de legeringen van de manschappen te regelen, en het stellingwerk op het tweede plan gezet. Zodanig op het tweede plan, dat zijn CC'n verboden was stellingen te graven! Een inspectie op 8 mei vanuit het Commando Luchtverdediging was hem in die zin op een reprimande komen te staan, waarna opeens voortvarend aan het werk was gegaan met de loopgraven en wapenopstellingen. Het terrein had slechts één volledig betonnen kazemat, aan de oostzijde van het veld, waarin een lichte en zware mitrailleur stonden opgesteld. De rest van de opstellingen was opgetrokken uit zand, palen en betonplaten die normaal voor provisorische wegen werden gebruikt. De bouw van twaalf betonnen kazematten stond op de planning. Ze zouden in september 1940 gereed zijn, zo was het streven geweest.

Curieus was vanzelfsprekend de grote 2,2 meter hoge schutting rond het veld. Het betekende dat men als verdedigers vanaf het veld niet erbuiten kon waarnemen, en andersom. Voor de verdedigers – het Duitse aanvalsplan indachtig – buitengewoon onpraktisch. Iedere mitrailleuropstelling aan de binnenzijde van de schutting had ter compensatie een schaduw [achterwacht] aan de zijde van de schutting. Daarnaast was de opstelling van de automatische wapens opvallend. Men zou een opstelling verwachten in een winkelhaak – aan twee zijden dus. Zodoende zou men niet snel in elkaars vuur terecht komen. Er waren echter automatische wapens aan drie zijden van het veld opgesteld met dus het gevaar wél in elkaars opstellingen te schieten. Daar kwam bij dat aan zuidwest en noordwest zijde luchtdoelmitrailleurs stonden opgesteld. Die zouden danig in de vuurlijn van de automatische wapens aan de noord-, oost- en zuidzijde kunnen komen. Al met al een weinig vernuftige opstelling. Men dacht dit echter te kunnen compenseren door de instructie aan de MC te geven dat vuur niet dieper mocht liggen dan 500 meter!

[2, 250, 251] Verbindingen waren schaars, maar deze keer niet alleen wegens het ontbreken van middelen, maar ook vanwege een merkwaardige eigen keuze van de lokale bevelhebber. De C-III.RJ had het onnodig geacht dat zijn verbindingsafdeling eigen verbindingsmiddelen zou gebruiken voor de troepen te velde. De afstanden achtte hij kort genoeg voor fysieke overbrenging van berichten. Zodoende waren de compagnieën niet telefonisch verbonden met de commandopost. Wel was een telefooncentrale in een van de gebouwen vlak bij de hoofdingang in gebruik. Deze had enkele binnenkomende lijnen uit Rotterdam. Ook een rechtstreekse verbinding van de JaVA met de commandant Jachtgroep te Den Haag was aanwezig. De mitrailleurcompagnie had wel een verbinding gemaakt die de oostelijke opstelling van de zware mitrailleurs met de commandopost verbond. Het was de enige gevechtseenheid met een vooraf werkende verbinding en met als enige aanleiding dat de opvolger BC - de C-MC - door de BC geacht werd in de CP van het bataljon te vertoeven ...

[2, 8, 251] De munitievoorraad was opgeslagen bij de munitie van de luchtafweer en ML in een van de hangars. Ook daar kan men niet anders constateren dan dat een merkwaardige naïviteit zich meester had gemaakt van de lokale bevelhebbers. De hangars zouden immers toch een belangrijk doelwit vormen voor een aanvaller. Daarbij was het voor een veld dat men prominent overvalwaardig achtte – en dat deed men nadrukkelijk – logisch geweest de munitieopslag te verspreiden over meerdere locaties. Het was niet gebeurd. Alleen bij de 2e Compagnie was een beperkte voorraad in de mitrailleurnesten aanwezig. Handgranaten, voorhanden en opgeslagen, waren niet uitgereikt omdat de bataljonscommandant zijn troepen te ongeoefend achtte met deze middelen. Zodoende beschikte de meeste eenheden over een kleine munitievoorraad op de man zonder aanvullende rantsoenen bij de compagnieën.

[2, 8, 250, 306] Het commando over de vliegbasis en de daarop aanwezige landmachteenheden berustte bij de reserve majoor-waarnemer J.C.M. Simon Thomas. Onder hem vielen de luchtvaarttroepen, de jachtvliegtuigafdeling en het bataljon Jagers met sectie paw. De luchtverdediging viel niet onder zijn bevel, en werd autonoom aangestuurd door 13 Cie LuMi en de kring Rotterdam-Den Haag. In de praktijk waren beide majoors zeer autonoom te werk gegaan. Majoor de Vos had zich vanaf zijn aankomst op 20 april vooral beziggehouden met de faciliteiten voor legering en kwartier, en zijn troepen als zodanig aangewend om dat doel te dienen. Op 8 mei was de eerder genoemde inspectie vanuit het commando luchtverdediging gekomen waarbij beide majoors stevig door de benen hadden gekregen wegens het in de wind slaan van een verordonnering vanuit de burelen van luitenant-generaal Best waarin instructies werden gegeven over opstellingen van troepen en de prioriteit die bij stellingbouw diende te liggen. Bovendien de zeer duidelijke waarschuwing voor parachutistenlandingen. Beide hoofdofficieren hadden zich echter vooral met hun eigen besognes beziggehouden. Het kwam hen op een reprimande te staan. Op de kwestie van de efficiency van de bevelvoering wordt later teruggekomen.

[2, 251] De C-Vliegpark had zijn kantoor in een van de barakken naast de hoofdingang. Zijn CP was echter aan de oostzijde van het park, in een betonversterkte schuilplaats. De C-III-RJ had zijn CP ook aan de oostzijde van het vliegpark, in een uitgegraven versterkte loopgraaf. De C-1-III had zijn CP bij zijn middelste sectie, C-2-III bij de hoofdingang [restaurant], C-3-III in het restaurant ‘Groot Rotterdam’ en C-MC-III bij de CP van C-III omdat hij opvolger BC was. Dat laatste was om meerdere reden een merkwaardige keuze. Een opvolger commandant die in dezelfde (kwetsbare) CP zit als de BC kon immers eenvoudig tegelijkertijd worden uitgeschakeld. Bovendien stond de MC aan de binnenkant van de hoge schutting opgesteld en zat de commandant aan de buitenkant. Leiding geven aan zijn eigen onderdeel kon de C-MC dus niet. Zijn commando had hij echter niet overgegeven, zodat de sectiecommandanten op eigen benen zouden staan bij een vijandelijke overval.

Met andere woorden, het was bij Waalhaven niet anders dan elders. Een defensie die wederom door de vermeende wijsheid van (lokale) bevelhebbers allerlei extra obstructies en tekortkomingen kende. Men was voordat er ook maar één Duitser geland was, reeds flink in het nadeel.

Tenslotte is het relevant om weer te geven welke mate van voorbereiding en alertheid vanuit het Commando Luchtverdediging was uitgegaan. Om dat volledig te illustreren wordt hieronder de telex geciteerd die luitenant-generaal Best op 8 mei om 1530 uur liet uitgaan naar (o.a.) de C-VH:

Tot nader order wordt het volgende bepaald:

  1. Van 3.15 tot 8.00 voor alle luchtdoelbestrijdingsmiddelen en bewakingstroepen van vliegvelden en landingsterreinen hoogste graad van strijdvaardigheid. Gedurende deze uren alle jachtvliegtuigen en vliegtuigen van 2-rom 1-1 LVR gereed om op te stijgen.
  2. Van 8.00 tot 20.30 uur verhoogde graad van strijdvaardigheid, hetgeen voor de bewakingstroepen omvat, dat alle automatische wapens bezet zijn door het wachthebbend gedeelte, het piket gekleed rust en het overige deel volledig rust. Van de beschikbare bemanningen van jachtvliegtuigen en bemanningen van 2-rom 1-1 LVR 50 procent gereed om op te stijgen. Voor de overige vliegtuigbemanningen  volledige rust.
  3. Van 20.30 uur tot 3.15 uur verhoogde graad van strijdvaardigheid, hetgeen voor de bewakingstroepen omdat dat 50 procent van de automatische wapens zijn bezet door het wachthebbend gedeelte, het piket gekleed rust en de rest volledig rust.
  4. Tot nader order moeten alle vliegvelden verduisterd zijn.

Dit telex bericht liet er geen misverstand over bestaan dat de luchtverdediging en basisverdediging om 0315 uur in de hoogste graad van strijdvaardigheid dienden te verkeren. Dat was dus ruim voor het tijdstip dat de Duitse aanval begon.

Het Duitse aanvalsplan voor Waalhaven

[462, 463] Er zouden in totaal vier compagnieën parachutisten plus de bataljonsstaf landen voor de inname van Waalhaven en de zuivering van de omgeving. Slechts één peloton – het 3e van 11./FJR1 – kreeg een taak in Rotterdam, en werd daarom vlakbij het Feyenoord stadion afgezet.

III./KGzbV1 zou de parachutisten afzetten met haar 53 toestellen. Op de versterkte Zug na, die bij Feyenoord zou landen, zouden de vier compagnieën en de staf worden afgezet in een halve cirkel rondom het vliegveld. Aan de westzijde een compagnie, aan de zuidzijde een compagnie en twee compagnieën plus de staf oost van het vliegveld. Het gehele III./FJR1 bestond uit circa 575 man.

[501, 521] Voor de afzet van een deel van 11./IR.16 bij de Maasbruggen waren 12 (2) He-59D watervliegtuigen ingezet, die speciaal waren omgebouwd om vijf tot zes manschappen plus een rubberboot en handwapens te kunnen vervoeren. Zij vervoerden twee pelotons van de 11e Kompanie, de Kompanietrupp, commandant Oberleutnant Schrader en een vijftal pioniers van 2./PiBtl22. Bij elkaar zo’n 80 man. De twaalf He-59D drijvervliegtuigen vielen onder de speciale verbandaanduiding KGrzbV108 [He-59D’s onder Hauptmann Schwilden], en opereerden vanaf Bad Zwischenahn. Dit was een vliegtuigbasis met zowel een landbasis als een waterbasis gelegen westelijk van Oldenburg. Op het grote meer waren de He-59's langere tijd voor de invasie gestationeerd geweest en hadden de twee pelotons van 11./IR.16 lange tijd geoefend in het snel in- en uitladen van de vliegtuigen.

(2) In veel Nederlandse publicaties wordt gesteld dat het twaalf He-59D toestellen betrof, maar volgens de luchtwachtdienst Rotterdam waren het er 15. De luchtwachtdienst noteerde dat er twaalf vlak na elkaar landden, en drie kort daarop. Hoewel auteur dezes lange tijd dacht dat 15 toestellen daarom een aannemelijk aantal was, blijkt dat na nader onderzoek niet het geval. Een visser - de heer Georg Logemann - die het vertrek van de toestellen vanaf Bad Zwischenahn waarnam, vertelt van het vertrek van 12 toestellen vanaf het meer [521]. De Staffelstärke van KGzbV108 wordt ook op 12 vliegtuigen gesteld, een sterkte van de standaard 9+3 regel in de Luftwaffe. Aangezien op de luchtwachtdienst na alle overige bronnen spreken over 12 toestellen, en er geen werkelijke aanleiding overblijft van 15 te blijven uitgaan, dient 12 toestellen te worden gehandhaafd.

Taak van de parachutisten die rond Waalhaven zouden landen was om direct de verdediging uit te schakelen en de luchtverdediging tot zwijgen te brengen om daarmee de veilige landing van de luchtlandingstroepen te faciliteren. Als die missie zou zijn volbracht, zouden ad hoc besluiten worden genomen omtrent de nadere inzet.

[500, 501] Het was de bedoeling dat de eerste luchtlandingstroepen [III./IR.16 min 11./IR.16] spoedig na de afsprong van de parachutisten [0500 uur] zou worden afgezet, en dat dit bataljon direct daarna via Charlois naar het Noordereiland zou doorstoten. Twee pelotons van 9./IR.16 zouden met enkele pioniers in de eerste kleine groep landen en onverwijld – dat wil zeggen zonder enige omhaal – vooruit oprukken naar Rotterdam. Daarna zou de rest van 9./IR.16, 12./IR.16 en de bataljons- en regimentsstaf landen, samen met één stuk PAK [Einzelstück onder Uffz Kusch] van de Panzerversuchskompanie van 7.FD [479]. Die troepen moesten zich direct naar het Noordereiland begeven.

De aanval – de 3e JaVA

[256] Op 10 mei, al vlak na middernacht, zaten de commandant van de vliegbasis [reserve majoor-waarnemer J.C.M. Simon-Thomas] en zijn adjudant [reserve 1e luitenant-waarnemer P.G. Tiemstra] in de commandopost net buiten het vliegkamp aan de radio gekluisterd nadat de majoor van het commando Luchtverdediging had gehoord dat de zaken zeer ernstig begonnen te worden. Men constateerde met enige opluchting dat de Luchtwachtdiensten alleen melding maakten van vliegtuigen die in westelijke richting vlogen, waarvan een aanzienlijk deel via de Waddenzee. Daarop concludeerde men dat Engeland heel wat te wachten stond (3).

(3) Curieus in deze is of deze vaststelling van zaken – een massale aanval op Engeland wat door het commando Luchtverdediging ook als serieuze optie werd gezien – op enige wijze met Engeland is gedeeld. Strikt gezien was Nederland neutraal en zou men deze informatie niet mogen delen met de Engelsen. Vermoedelijk is dat dan ook niet gebeurd. Het wordt echter nader onderzocht.

3e JaVA

[253, 1520] Even daarvoor had de commandant van de luchtvaarteenheden [C-3.II-1 Lv.R ofwel de 3e Afdeling, IIe Groep, 1e Luchtvaartregiment - de kapitein-vlieger-waarnemer H.J. Scholtmeijer] opdracht gekregen van het commando Luchtverdediging om reeds om 0215 uur de tien inzetbare jachtkruisers [G-1 Mercury] van het 3e JaVA vlieggereed te hebben. Om die tijd was het grondpersoneel inderdaad op haar posten en werd het vliegend personeel door de kapitein gebrieft. Zij zouden bij het ochtendgloren moeten opstijgen om de neutraliteitsschenders aan te pakken.

[59] KG4 [Kampfgeschwader 4, gedoopt tot ‘General Wever’ (4)] werd ingezet om de eerste aanvalsgolf van de Luftwaffe vorm te geven. Zij waren op weg gegaan om Waalhaven, Bergen, Schiphol, Ypenburg, Gilze-Rijen en Welschap [Eindhoven] aan te vallen.

(4) KG.4 bestond uit een stafeenheid met 8 He-111P en met twee reguliere Gruppen met elk 36 He-111H en 111P. De derde Gruppe was een extra grote eenheid, wat was ontstaan door de omwerking van deze eenheid van He-111P naar Ju-88A. Deze Gruppe had 23 He-111P en 37 Ju-88. Een totaal van 140 toestellen. Van het KG was echter een groot deel niet inzetbaar in de morgen van 10 mei. Respectievelijk 7, 24, 18 en 12 He-111 en 21 Ju-88 waren inzetbaar. Dat waren dus 82 van de 140 organiek aanwezige toestellen. De overige toestellen waren in onderhoud of werden hersteld wegens schade, terwijl sommige toestellen wegens ernstige schade duurzaam verloren waren gegaan door de strijd in Noorwegen waar het KG prominent was ingezet. De inzet tegen Waalhaven gebeurde door II./KG4 met 24 toestellen en drie toestellen van Stab/KG4. Omdat er te weinig He-111 in de Gruppe beschikbaar waren, waren vermoedelijk zes Ju-88 van III./KG.4 toegevoegd. Deze laatste zijn waarschijnlijk ook met 250 kg beladen geweest.

[59] De toestellen van KG.4 vlogen deels noordelijk van Nederland richting westen. Zij vlogen (waarneembaar) ten noorden van de Waddeneilanden richting westen, waarbij tussen Terschelling en Ameland een Staffel zich los maakte dat over het IJsselmeer richting Gooi vloog en met een plotselingen westelijke manoeuvre Schiphol vanuit het oosten aanviel. De rest van het verband was doorgevlogen naar het Westen om geleidelijk aan zuid-zuidwestelijk langs de Nederlandse kust af te zakken. Ter hoogte van respectievelijk Bergen aan Zee, Katwijk aan Zee, en Hoek van Holland vloog telkens een verband naar het oosten, waardoor de respectievelijke doelen aan de kust telkens vanuit zee werden aangevlogen. Zo ook Waalhaven.

Vlak voor 0400 uur (5a) kwamen voor iedereen op de grond onverwachts twee (5b) bommenwerpers zeer laag aangevlogen vanuit zee, met richting oost. De beide He-111P's [van het Geschwader Stabsstaffel] lieten 50 of 100 kg bommen vallen boven de zuidelijke sector van het veld, bovenop de locatie van het 49e Pel.LuMi. en de mitrailleurs van de MC-III-RJ, en mitrailleerden de opstellingen vervolgens. Deze aanval, die opmerkelijk genoeg de luchtverdediging totaal bij verrassing overviel, was aanleiding voor dienstdoend commandant op de commandopost reserve 1e luitenant Van Oorschot om onmiddellijk het opstijgen van het squadron te bevelen. Helaas bleek de chauffeur van de wagen die de vliegers naar de toestellen moest brengen niet te vinden. Zodoende rende een ieder over het veld naar de G-1’s, met alle gevaren van dien.

(5a) In het in 2014 verschenen "Waalhaven - bevlogen verhalen" [1520] wordt op pg. 34 (zonder bronverwijzing) gesteld dat reeds om 03.35 uur vanuit het westen de eerste He-111 van het verband van Oberst Fiebig mitraillerend en bombarderend overkwamen. Dit is of een kennelijke fout door de auteurs of uitgever of een geheel nieuw inzicht. Als dit laatste aan de orde is dan worden deze gegevens door auteur dezes bestreden en als fout van de auteurs (Gerdessen / Mallan (p.m.)) gezien. Er is beslist aanleiding om te denken dat de He-111 kort voor het aanvalstijdstop van 03.55 uur aanvlogen, maar dan gaat het om enige minuten hoogstens. Het lijkt echter uitgesloten dat dit Duitse eskader reeds 20 minuten voor het overvalstijdstip offensief optrad, te meer daar het toen nog donker was en talloze mensen en eenheden duidelijk de eerste aanval waarnamen. Het is ook niet congruent met andere bronnen en het algehele aanvalsplan dat uitging van de overval uit de lucht op exact het aanvalsuur, 03.55 uur. Uit het gegeven dat de auteurs de eerste opstijgende G-1's (Sonderman, de derde G-1 die opsteeg) al in contact met Ju-52's brengen, wordt duidelijk dat zij meerdere analytische fouten maakten. Want als de eerste He-111's door de eerste G-1 werden neergehaald en de volgende G-1 direct na het bombardement van de eerste golf opstijgen, gebeurde dat allemaal voor het officiële overvalstijdstip. Het is werkelijk uitgesloten dat er Ju-52 voor 03.55 uur boven het Zuidfront verkeerden. Deze kwamen niet voor 04.30 uur in de sector.

(5b) Er is aanleiding te denken dat een derde bommenwerper hoger meevloog en het gehele eskader naar Waalhaven toe leidde, vermoedelijk gecommandeerd door Oberst Fiebig. Er zijn verslagen die melden dat er een toestel voor de vloot uitvloog en 'een witte streep' trok. Dat kan ter indicatie zijn geweest voor de volgende Ketten. Ondersteunend voor die bewering lijkt allereerst het totaal aantal vliegtuigen [27 stuks] en het feit dat men normaliter in Ketten van drie toestellen vloog. Bovendien enkele meldingen van een enkel vliegtuig dat (kennelijk) voor de twee aanvallers uitvloog.

[Bespreking G-1's: 8, 33, 253, 1520] In totaal slaagden acht van de tien gevechtsgerede G-1’s om binnen een kwartier na het vallen van de eerste bommen het luchtruim te kiezen. Daarbij was het succes van de eerste twee G-1’s het meest aansprekend, omdat zij erin slaagden de beide door hen aangevallen verbanden volledig uit te schakelen. De eerste die opsteeg was reserve 1e luitenant-vlieger P. Noomen [no. 312, met dpl korporaal H. de Vries als boordschutter]. Deze piloot wist de beide [zie voetnoot 5b] He-111P’s die het vliegveld hadden aangevallen allebei neer te schieten. In het eerste toestel [5J+DA] zat niemand minder dan de KG Kommandeur Oberst M. Fiebig. Het toestel kwam in de St. Annapolder bij Rockanje neer waarbij Oberfeldwebel E. Frotscher omkwam. De andere manschappen werden gevangen genomen. Oberst Fiebig zou later die ochtend weer worden bevrijd door zijn landgenoten. De tweede He-111, ook van het stafsquadron, maakte een noodlanding bij het dorpje IJsselmonde, na door Noomen te zijn beschoten. Ook deze manschappen werden gevangen genomen en ook zij werden die ochtend nog bevrijd. De 312 was echter zelf door het verweer van de Duitse boordschutters in de rechtertank geraakt, zodat de motor moest worden uitgezet [1520]. Noomen maakte een gedwongen landing op Waalhaven. Het zou vandaar niet weer kunnen opstijgen door de Duitse bezetting van het vliegveld nadien.

G-1 330 bij Zevenbergen (1)

De tweede G-1 [no. 309 volgens bron 1520] met reserve 1e luitenant vlieger J.P. Kuipers en dpl sergeant J.R. Venema] steeg beduidend later op dan de eerste, vermoedelijk minstens een kwartier later zelfs. Hij viel een Kette He-111’s aan, die onderdeel vormde van de tweede golf vliegtuigen die de hangars en gebouwen rond Waalhaven met lichte bommen had aangevallen voordat de G-1 kon opstijgen. Deze He-111's waren verantwoordelijk voor de felle branden in de hangars en de fabriek van Koolhoven, die onder meer de munitievoorraad van de Nederlanders onmiddellijk verloren deed gaan. Vlieger Kuipers slaagde erin alle drie de He-111’s aan te pakken. Twee maakten een noodlanding [33, 1520], waarvan een bij Pernis, en de derde was zo zwaar beschadigd dat het mogelijk onderweg terug naar Duitsland een noodlanding heeft moeten maken. Ook Kuipers moest echter na het luchtgevecht wegens motorschade een noodlanding maken op Waalhaven, waarbij hij het toestel in de noordoost hoek parkeerde. Luitenant Kuipers gaf zich echter niet gewonnen. Hij zou later de Nieuwe Maas oversteken. Ook de boordschutter Venema bereikte de overkant en zou op 12 of op 13 mei omkomen in Rotterdam. De toedracht van zijn sneuvelen is tot op heden een mysterie [31], hoewel aanwijzingen wijzen op het sneuvelen bij een aanval op Overschie.

Na de tweede G-1 waren nog drie anderen kort na elkaar vertrokken, hoewel het intussen ruim na 04.00 uur was geworden en Waalhaven al in lichterlaaien stond. Dat waren de no. 311 [reserve 2e luitenant-vlieger G. Sonderman / dpl sergeant H. Holwerda], no. 328 [reserve sergeant vlieger H.F. Souffree met dpl sergeant J.C. de Man] en de no. 329 [reserve 1e luitenant-vlieger K.W. Woudenberg met dpl sergeant J.A. Pouw]. Al deze toestellen raakten in luchtgevechten met Duitse toestellen die inmiddels de lucht domineerden.

De 311 schoot bij Goidschalxoord een Ju-52 van III./KGzbV1 neer, en in elk geval een Bf-109D van 10.(N)/JG2 die bij Charlois een noodlanding moest maken. Een tweede Bf-109 stortte in de Waalhaven en wordt in de literatuur ook aan de no. 311 toegeschreven.

De 328 ging als vijfde G-1 de lucht in, nadat de vlieger zijn boordschutter onder dwang van zijn wapen had laten instijgen [1520, pg. 36]. Het toestel kwam ten zuidoosten van de basis in gevecht. Zuid van Waalhaven schoot het een Bf-109 neer, die echter mogelijk dezelfde was die in de Waalhaven verdween (en aan de 311 wordt toegerekend), omdat het toestel nooit werd gevonden. Het tweede toestel dat werd aangeschoten werd dat wel. Na het (vermeend) afschieten van de Duitse jager, achtervolgde de G-1 een He-111 over het Eiland van Dordt [100] en schoot dit toestel ter hoogte van het Hollands Diep neer [waargenomen door 2-I-28RI]. De He-111P [5J+DN] kwam bij Zevenbergschen Hoek neer. De G-1 kwam hierna in de lucht samen met de 311, met wie op het strand van Oostvoorne zou worden geland door brandstofgebrek.

De G-1 no 329 van luitenant Woudenberg was ook pas ruim na het eerste bombardement opgestegen en ook Woudenberg moest eerst op zoek naar zijn schuilende en door het bombardement geshockeerde luchtschutter [1520, pg. 34]. Na te zijn opgestegen en op hoogte patriouillerend slaagde de no. 329 [253] erin een Ju-87B van IV/LG1 te beschieten, die vlak ten zuiden van de Waalhaven richting oosten vloog en door de G-1 werd ingehaald. Vervolgens werd teruggevlogen naar de sector Waalhaven, waar een formatie van enige Ju-52 werd onderschept en beshoten. Er werd teruggeschoten vanuit de ramen in het toestel. Het ging hier vrijwel zeker om de formatie Ju-52 die III./FJR.1 aan boord had. Naar verluidt is daarbij de rechter Ju-52 neergeschoten, hoewel alleen bekend is dat de rechter motor in brand werd geschoten [1520, pg. 35]. Hierna volgde een treffen met een Bf-110, die zou zijn neergestort na door de 329 te zijn beschoten. Dat is onbevestigd. Hierna was de munitie op. Toen het bericht werd ontvangen dat men niet meer moest landen - het vliegveld was onderwijl doelwit van de para's geworden - week men uit naar de kust en zou met twee andere G-1's bij Oostvoorne landen op het strand.

Alle drie de laatstgenoemde toestellen - de 311, 328 en 329 - kwamen dus tenslotte op het strand van Oostvoorne terecht, waarbij zij verlaten werden door het personeel na te zijn gecamoufleerd. Deze drie licht beschadigde G-1’s zouden op 12 mei in brand worden geschoten door de Luftwaffe, ondanks verwoede pogingen van de vliegers munitie en brandstof te bemachtigen en de kostbare jachtkruisers weer inzetbaar te maken. Toen beide middelen uiteindelijk na drie dagen organiseren (!) waren verzameld, bleken de toestellen ontdekt door een Duits vliegtuig en alle drie in brand te zijn geschoten. Het soms verkondigde spookverhaal van ontbrekende aanzetslingers wordt door een der vlieger [luitenant Woudenberg] als onzin bestempeld. Die waren aan boord bij de vliegtuigen.

G-1 330 bij Zevenbergen (2)

De laatste groep toestellen die wist te starten werd gevormd door de no. 315 [reserve 1e luitenant-vlieger A. van Oorschot met dpl sergeant W.P. Wesly], de no. 309 [reserve 2e luitenant-vlieger J. van der Jagt zonder staartschutter] en de no. 330 [sergeant-majoor-vlieger J.J. Buwalda met dpl. Sergeant J. Wagener (6)].

(6) Deze sortie wordt soms gerelateerd aan G-1 no. 334, wat onjuist is en overigens ontsproten is vanuit de geschreven verklaring uit augustus 1946 van vlieger Buwalda zelf. Waarnemer J. Wagener wordt in de literatuur regelmatig als 'Wagner' aangeduid. Dat is onjuist en vermoedelijk een gevolg van een eenmalige schrijffout die door overname door andere auteurs epidemische effecten heeft gehad. De naam van de waarnemer is volgens de registratie bij de vm sectie luchtmachthistorie (NIMH) Wagener. Deze dienstplichtig onderofficier ontvluchtte capitulerend Nederland, nam dienst in Nederlands Indië en opereerde bij de Luchtvaartafdeling van het KNIL vanuit Indonesië en Australië. Als luitenant-vlieger-waarnemer beëindigde hij de oorlog. Hij bleef in Australië wonen. Vermoedelijk mede daarom bleef zijn fout vermelde naam in vele naoorlogse publicaties Wagner.

Wagener kreeg overigens nog niet eens een Vliegerkruis, terwijl hij een veelvoud meer presteerde dan het gros dat wel een dergelijke onderscheiding kreeg in mei 1940. Het toont de grote mate van willekeur in de onderscheidingstoekenning in Nederland aan. Een treurige zaak, waarbij veel koene vaderlanders onterecht in de schaduw stonden van veel minder gelouterde maar meer gelauwerde lieden.

De 315 steeg ruim na het eerste bombardement op. Het raakte in enkele luchtgevechten betrokken maar zonder zelf succes te boeken. Eerst werd een He-111 beschoten, die echter niet neerstortte ondanks een lange achtervolging naar het oosten. Op de terugweg werd de formatie Ju-52 ontwaard die boven Moerdijk zijn parachutisten dropte, maar een aantal vloog door naar Waalhaven. Dit was een formatie van drie Ju-52 die behoorde tot de Gruppe, die delen van III./FJR.1 boven IJsselmonde dropte. Wederom slaagde vlieger Van Oorschot er niet in een toestel neer te schieten. Intussen waren de eerste luchtlandingsformaties al op Waalhaven geland en mitrailleerde de 315 vanuit de lucht enige geparkeerde Ju-52’s. Na de mitrailleurs te hebben leeggeschoten zocht de piloot richting noorden naar een geschikt vliegveld. Dit leidde uiteindelijk tot een landing op de Kooy bij Den Helder, waarbij enige schade werd opgelopen in de uitloop. Na herstel werd het toestel naar het 4e JaVA te Bergen overgevlogen. Het bleef in de strijd en we zullen het toestel op 13 mei nog tegenkomen.

De 309 [het registratienummer in kwestie is onzeker] kende een dubbel tragisch lot. Vlieger Johannis van der Jagt vormde een koppel met boordschutter dpl sergeant S. de Vos op de G-1 no. 334, maar De Vos werd tijdens de spurt naar het toestel dodelijk getroffen in zijn rug. Zijn lichaam werd later aangetroffen op het vliegveld. De 334 werd zwaar beschadigd door de eerste luchtaanval. Van der Jagt kreeg toen het enige nog beschikbare vliegtuig, wat mogelijk de 309 was. Een nieuwe staartschutter kreeg hij echter niet en enkele door de vlieger benaderde personen van het grondpersoneel voelden niets voor die rol [1520, pg. 37]. Het leidde tot een scramble zonder staartschutter, waargenomen vanuit de 330. Naar verluidt heeft het toestel van Van der Jagt vervolgens aan diverse luchtgevechten een bijdrage geleverd en mogelijk met succes. Een en ander is echter niet voor het nageslacht vastgelegd, wat ontstond door het tragische lot van Van der Jagt, die als enige piloot van deze JaVA op 10 mei 1940 het leven zou laten. De G-1 stortte namelijk op zeker moment brandend in de Nieuwe Waterweg bij Vlaardingen-Oost (t.h.v. de toenmalige Nieuwe Matex fabriek), zonder dat de piloot zich had kunnen bevrijden van het toestel.

[99, 261] De 330 achtervolgde een Duitse bommenwerper He-111P [5J+ST van 9/KG4, Leutnant Hans-Werner Paas] die bij Goudswaard (Hoekse Waard west) een noodlanding moest maken nadat het door een eerdere luchtafweerbeschieting nabij Rotterdam een kapotte motor had opgelopen en door de 330 tenslotte in brand werd geschoten. De vierkoppige bemanning - met twee gewonden - werd gevangen genomen door manschappen van 13.C.Pn. De 330 schoot hierna bij Westmaas een Do-17 Z verkenningstoestel [QU+KH, van Aufkl.St (F)/7.FlDiv] neer, die een noodlanding in polder het Oudeland (nabij Maasdam) maakte. Alle vier bemanningsleden [Olt Langhuth, Lt Sähloff, Uffz Rogall en Strietz] kwamen levend uit het toestel. Langhuth was de commandant van de eenheid en qualitate qua opgenomen in de gevechtsstaf van generaal Kurt Student. Manschappen van de bij Cillaarshoek gelegerde 3e sectie XIe Afdeling Zoeklichten worden op de Duitsers afgestuurd, maar die verdedigen zich met een mitrailleur uit de Dornier. Twee Nederlanders werden gedood [sld Pieter Jan Remijn en dpl sergeant Willem Jansma van der Ploeg jr.]. Daarna overmeesterden de Duitsers de chauffeur van de Nederlanders en reden met de auto eerst naar de Barendrechtse brug - die zij geheven vonden - en vervolgens trachten zij tevergeefds richting Kil te komen. Nabij Puttershoek, waar de staf Groep Kil verkeerde, stapten ze uit de vrachtauto. Vanuit het stafkwartier Groep Kil was inmiddels een sergeant [Th. Wennekendonk] met enkele manschappen gestuurd om met deze Duitsers af te rekenen en zij slaagden erin ze gevangen namen. Die gevangenen zouden naderhand - kort na de strijd - hun beklag doen bij de Duitse militaire autoriteiten over hun behandeling, met name tijdens hun detentie. Hermann Göring zelf zorgde voor een krijgsrechtelijk onderzoek en proces, waarbij zelfs chef-staf Calmeijer van Groep Kil nog een verhoor voor zijn kiezen zou krijgen. Terug nu naar de G-1 330.

[99] De 330 verkeerde nog steeds boven West-Brabant. Na het neerschieten van de Do-17 Z raakte de G-1 in een luchtgevecht met Bf-109’s van 3./JG51. De luchtschutter wist twee Bf-109's te raken, waarbij één naar verluidt na thuiskomst zou zijn afgeschreven. De G-1 werd zelf echter aan beide motoren zwaar beschadigd. Eén motor viel uit en tenslotte werd een noodlanding gemaakt west van Zevenbergen. Volgens een Duitse inventaris van de bij BA/MA gearchiveerde luchtoverwinningsclaims was de Staffelkapitän van 3./JG51 Oberleutnant Richard Lepla de succesvolle Duitse piloot in deze [514]. In elk geval overleefden de beide G-1 inzittenden de noodlanding, namen zij de boordmitrailleur mee en raakten zij in zeer korte tijd via Willemstad en een tocht dwars door de Hoekse Waard bij 4.Bat LuA te Smitshoek, waar zij wederom aan de strijd zouden deelnemen. We zien hen nog terug.

G-1 330 bij Zevenbergen (3)

Van de elf op Waalhaven aanwezige G-1 Mercury [tien vlieggereed], waren er acht opgestegen. De 302 en 334 werden op de grond vernield voor hun eerste scramble, twee werden tijdens de luchtstrijd geëlimineerd. Van de acht opgestegen G-1's hadden zes toestellen de strijd met goede gevolgen aangevangen. Ze waren erin geslaagd elf zekere overwinningen te boeken en vijf mogelijke. Zes He-111P, 1 Ju-52, 1 Ju-87B, 1 Ju-88 [gecrasht in Duitsland, Münster], 1 Do-17Z en een Bf-109D werden bevestigd door meerdere bronnen en getuigen. Drie BF-109’s, een Ju-52 en een He-111 werden mogelijk ook nog neergeschoten. Vrijwel zeker is dat twee Bf-109’s [neergekomen bij Spijkenisse en Hoekse Waard] in de vroege ochtend werden neergeschoten en niet konden worden toegewezen aan een ‘dader’. Van der Jagt heeft uiteraard geen claims kunnen indienen, zodat zijn resultaten onbekend zullen blijven. Een He-111P wordt door de Duitse onderzoeker Dr. Weiss [422] in die vroege ochtend geboekt als zijnde neergeschoten ‘zes kilometer ten zuiden van Dordrecht’ terwijl Dr. Weiss ook de He-111P bij Zevenbergschen Hoek apart erkent. Bovendien werden volgens dr Weiss in totaal vier Ju-52 door de G-1's neergeschoten en nog eens vier noodlandingen door Ju-52 gemaakt op Waalhaven wegens de G-1 jachttoestellen. Auteur vermoedt echter dat ook de luchtafweer een rol speelde bij die gevallen.

In elk geval verkocht de 3e JaVA de huid duur, maar gingen op één na alle elf G-1’s voor de verdere strijd verloren. Onzekerheid bestaat over de 309 (of dat dit een ander registratienummer was, zoals de 335), terwijl zeker is dat de 302 en 334 op Waalhaven verloren gingen. De 319 is in handen van de Duitsers gevallen en op zeker na de meidagen gefotografeerd. Het toestel was op 10 mei mogelijk op Waalhaven. Van de overige toestellen is het lot besproken. In feite zijn maar twee G-1’s werkelijk door luchtgevechten verloren gegaan. Dat waren de 309 en de 330 (de eerste met bekend voorbehoud). De rest viel, behoudens de op de Kooy terecht gekomen 315, in Duitse handen door landing op Waalhaven, werd later vernield door bombardementen of werd op de locatie van hun noodgedwongen landing later door de Luftwaffe in brand geschoten.

Opvallend is dat de Duitse claimlijsten drie neergeschoten G-1’s claimen. Twee daarvan bij Rotterdam, beiden door 11.(N)/JG16 [die met de Bf-109D vlogen] en de 330 die bij Zevenbergen een noodlanding maakte.

Wat natuurlijk aan het optreden van de 3e JaVA zonder meer opvallend mag heten, is het feit dat de eenheid niet eerder de lucht in werd gestuurd, of tenminste een patrouille werd gescrambled terwijl andere vliegers in de toestellen – die al warmgedraaid waren – gereed stonden. Het was immers volmaakt duidelijk uit de meldingen van de Luchtwachtdienst dat het luchtruim vergeven was van de neutraliteitsschenders. Waar kapitein Scholtmeijer op wachtte is daarom een onduidelijk verhaal. In zijn eigen verslag verklaart hij het helaas niet en het was geen zaak van onderzoek voor de commissie (7) die zich concentreerde op de gebeurtenissen op de grond. Wellicht was de reden dat Scholtmeijer helemaal niet zelf paraat in de commandopost was, maar zijn plaatsvervangen luitenant Noomen. Overigens was zelfs die niet paraat, want deze lag, naar eigen zeggen [1520, pg 159], "op een brits in de commandopost gewekt door vallende bommen". Deze was het die de alarmvlucht de lucht in stuurde (nadat de eerste bommenwerpers aanvielen) en vervolgens opdracht tot de algehele scramble gaf. Dit is bezwaarlijk een parate eenheid te noemen. Men hield reactief een vlucht G-1's gereed voor een spoedige scramble na opdracht daartoe, maar een parate JaVA was absoluut geen sprake van. Het gevolg was dat van de parate vlucht er slechts één opsteeg en de overige G-1's ruim na de eerste luchtaanval pas konden vertrekken, een aantal zelfs pas rond 04:30 uur. Het feit dat de Duitse vliegers alleen vliegvelddefensie en hangars mochten aanvallen met bommen en alleen mitrailleurs mochten inzetten voor vliegtuigen op het veld - het vliegkamp wilde men immers intact laten voor de eigen luchtlanding - was de zegen voor het 3e JaVA. Was men zoals bij andere vliegvelden immers niet aangemerkt als landingsterrein, dan waren vermoedelijk veel meer G-1's eenvoudig op de grond uitgeschakeld. De Duitse aanval met louter bommenwerpers was dus een groot voordeel voor de weinig alerte JaVA geweest.

Daarnaast was opvallend dat voor het vervoer van 22 vliegers slechts één auto beschikbaar was. Was er dan niemand op het idee gekomen dat een vijandelijke overval plotseling zou komen? Die conclusie lijkt slecht houdbaar. Op 8 mei was de inspectie [door luitenant- kolonel V.E. Wilmar, chef-staf Commando Luchtverdediging] van het vliegveld geweest, waarbij de overste de beide verantwoordelijke hoofdofficieren [C-Vliegpark en C-III-RJ] nog eens duidelijk had gewezen op de grote kans van een plotselinge overval in de vroege ochtenduren. Men mag het dus vreemd noemen dat er geen betere maatregelen waren genomen voor zover men al niet had mogen veronderstellen dat het verantwoord was geweest de vliegers al eerder 'on first alert' in de toestellen te commanderen.

(7) Spoedig na de capitulatie werd door luitenant-generaal Best een commissie van onderzoek ingesteld naar de gebeurtenissen op vliegbasis Waalhaven. Dat kwam naar aanleiding van de alarmerende berichten over het functioneren van de bataljonscommandant van III-RJ. Hoewel vanuit het commando luchtverdediging aanleiding mocht worden gezien het geheel te beschouwen, werd het onderzoek vooral gericht op de majoor de Vos. Op het onderzoek en de conclusies wordt later teruggekomen.[250]

De batterijen zware luchtafweer

[301] Bij Smitshoek stond de 4e Bt LuA opgesteld, met drie stukken 7.5 tl no.1 [Vickers]. De batterij stond onder bevel van reserve 1e luitenant G.J. Backer. Het was een opvallend grote batterij, met maar liefst vijf officieren en 134 minderen. De gebeurtenissen rond deze batterij zijn om meerdere redenen buitengewoon interessant. Een en ander zal in twee delen worden behandeld.

1e luitenant Backer - C.4 Bt LuA

De batterij was opgesteld vlakbij een boerderij [toentertijd Charloische Lagedijk 534], grofweg in de winkelhaak tussen die dijk en de Voordijk [dijk tussen Smitshoek en Barendrecht]. Er werden door de batterijmanschappen (zelf) in de winter en het voorjaar enkele faciliteiten gebouwd, zoals barakken, een kantine en eetzaal en een commandopost met administratiekantoor.

De batterij had geen nachtbezetting, hoewel men samenwerkte met 2-III-Zl Afd.tl. Wel was er een batterijofficier die de nachtdienst verrichte, en in de bewuste nacht was dit 2e luitenant van den Broek. Om 0215 uur werd deze gewekt door de sergeant de Kam met de mededeling dat de radiomeldingen m.b.t. luchtruimpenetraties overweldigend waren. Hierop werd de batterij op bevel van de luitenant bemand, en de vuurleiding onder spanning gezet. Hoewel men vuurgereed was, kon men wegens ontbreken van zoeklichtassistentie geen vuur uitbrengen. Duidelijk werd een overkomend vliegtuig gesignaleerd, maar het kon niet worden beschoten wegens de duisternis.

Een half uur later werd de batterij weer verlaten. De reden waarom dit geschiedde is niet helder, want het was een merkwaardig besluit. Men was slechts zeer kort verwijderd van het ochtendgloren en het had in de reden gelegen de batterij bemand te houden gezien alle activiteit in de lucht. Bovendien gold het bevel van C-Lvd van 8 mei nog immer dat tussen 0315 en 0800 uur alle luchtverdedigingsorganen in de hoogste graad van strijdvaardigheid dienden te verkeren. De luitenant besliste anders en zond de batterijbemanning weer naar de kwartieren. Niet voor lang. Vlak voor 0400 uur was de batterijofficier ooggetuige van de eerste bomaanval op Waalhaven, waarop de batterij wederom werd gealarmeerd. Nadat de vuurleiding opnieuw onder spanning was gezet en de stukken bemand waren, deed zich opeens een kortsluiting voor in de schakelkast [deze zat tussen het motoraggregaat en de vuurleiding zelf]. De kabel van de hoofdstroom naar de vuurleiding verbrandde door de sluiting, en hierdoor viel de overbrenging naar de vuurleiding en de stukken alsmede de telefooncentrale uit (8).

(8) Kapitein Hoogterp verrichte naoorlogs onderzoek naar de luchtverdediging tijdens de meidagen. Zijn werkstuk is algemeen bekend geworden onder 'Strijd om ons luchtruim' uit 1950. Gedurende onderzoeking door Hoogterp in 1946 verklaarde deze dat hij had vastgesteld - uit verklaringen - dat het geval met de kortsluiting zeker om sabotage ging. Er zou met een scherp voorwerp zijn ingesneden op de isolatie van de hoofdkabel. Ook werden diverse anonieme brieven aan hem toegestuurd dat er door het kader zeer weinig overtuigend was opgetreden. Hoogterp stelt in zijn verklaring zonder bron vast dat de hoofdleiding was doorgesneden. Eveneens dat het slecht functioneren van de mitrailleurs naar sabotages riekte. Opvallend genoeg stelt hij tegelijkertijd dat anonieme brieven, aan hem geadresseerd als onderzoeker, na de oorlog opvallend vaak over 4 Bt LuA gingen, maar alleen het kader van slecht functioneren beschuldigden. Over de vermeende sabotage werd in die brieven niets gemeld. Andere auteurs hebben dit weinig gesubstantieerde verhaal van Hoogterp overgenomen. Auteur dezes hecht er geen waarde aan. Er is geen enkele bekende ondersteunende bron voor het verhaal. Bovendien was de malfunctie van de mitrailleurs een veel voorkomende zaak en er is in verslagen geen aanleiding te denken dat het kader in algemene zin opvallend ondermaats heeft gepresteerd. De kans dat het kortsluitingsgeval een zuiver toevallige technisch mankement betreft lijkt dan ook veel groter.

Er werd direct iemand op pad gestuurd om een vervangende kabel te halen in het kamp. Ook probeerde men de schakelkast in het elektrische circuit te omzeilen, hetgeen niet mocht baten. De batterij bleef zodoende zonder vuurleiding en telefooncentrale. Onderwijl waren de eerste bommenwerpers en jachttoestellen in beeld gekomen die op de vliegbasis Waalhaven neerdoken. Even later kwamen uit het zuidoosten formaties zeer laag vliegende Ju-52 die eveneens met bestemming Waalhaven overvlogen. De lage hoogte maakte de stukken vrijwel waardeloos [minimum hoogte/afstand voor de 7,5 cm stukken was 1,000 meter] tegen deze doelen. Bovendien gaven de zware mitrailleurs [2 stuks M.25 Spandau] nauwelijks een teken van leven. Na enkele vuurstoten weigerden de wapens verder automatische vuur af te geven.

Om ongeveer 0420 uur kwamen 1e luitenant Backer en diens plaatsvervanger reserve 1e luitenant W.R. Janssen in de batterij, waarbij de BtC zich direct om de vuurleidingkwestie bekommerde. Luitenant Janssen nam de leiding in het park annex barakkenkamp vlakbij de batterij over en bewapende de reserve bezetting alsmede de ondersteunende manschappen. De reserve 1e luitenant Binkhorst, die om ongeveer 0430 uur in de batterij kwam, trachtte de mitrailleurs te herstellen. Ondanks zijn technische kennis van de wapens slaagde hij er niet in deze aan de praat te krijgen. Een bekend fenomeen dat typerend was voor de mate van versletenheid van deze alom aan de luchtafweer gedistribueerde wapens.

Ondertussen gaf de BtC opdracht tot het afgeven van stukkenvuur. Dat hield in dat zonder vuurleiding werd geschoten. Voor een door centrale vuurleiding geleide batterij die met pyrotechnische munitie schiet, die op een vooraf ingesteld moment tot detonatie komt, een kwalijke zaak. Het betekende dat hoogte, snelheid, koers en meteorologische omstandigheden per vuurmond moesten worden geschat en ingesteld. Enige tijd trachtte de BtC middels waarneming door de stereoscoop enig beeld te ontwikkelen bij de gegevens van de overvliegende vijandelijke vliegtuigen en die gegevens per megafoon door te geven aan de stukken, maar dat systeem faalde door de enorme geluidsproductie van de overvliegende toestellen en de inmiddels door de klappen van de vuurmonden verdoofde manschappen. Het stukkenvuur had door gebrek aan accuratesse geen enkele uitwerking.

Even voor 0500 uur, terwijl de batterij stukkenvuur afgaf, begon de parachutistenlanding rondom Waalhaven. Hoewel de batterij op aanzienlijke afstand van het veld was opgesteld, kwam een lading parachutisten [de eerste Kette van drie Ju-52’s liet de Fallschirmjäger vlakbij Smitshoek springen, de rest werd westelijker afgezet] niet ver ten westen van de batterij neer. Opeens dook vrijwel tegelijkertijd een Duitse bommenwerper richting de batterijopstelling en liet vier bommen vallen. Even later gevolgd door een tweede toestel. De beide series vlogen ruim over de opstelling en kwamen op de Voordijk, op en naast enkele huizen, neer. Drie huizen werden zwaar beschadigd door de bommen. Een vrouw kwam om, twee kinderen raakten gewond.

Vlak na deze vuurdoop kwam er een andere veel gevaarlijker uitdaging. De vlakbij de batterij gelande parachutisten. Het gebied ten noordwesten van de batterijopstelling was het meest voorname landingsgebied van de Duitse parachutisten die Waalhaven tot doel hadden. Zoals gezegd waren enkele Fallschirmjäger aan de zuidoost kant van de polder geland en vormden plotseling een bedreiging voor de batterij. Hierop werd door het kader accuraat gereageerd. Uit de reservebezetting werden patrouilles geformeerd die met karabijnen bewapend de gehele sector noord, west en zuid afkamden naar parachutisten. Daarbij werden vijf parachutisten gevangenen genomen. Er wordt later teruggekeerd naar deze batterij.

[304] De 77 Bt LuA stond veel dichter bij het vliegveld. Het was op de tweede pier [westelijk vanaf het vliegveld] geplaatst en had een prachtig open schootsveld. De batterij bestond uit vier stukken 7.5 tl no.2, type Skoda 75 mm, zonder halfautomatische vuurleiding zoals de Vickers 7.5 tl batterijen wel hadden. Er was wel een vuurleiding, maar die was niet met de stukken verbonden. Er waren twee M.25 Spandau mitrailleurs in de batterij. De enige officier [op 92 man totaal] was reserve 1e luitenant J.H. Hasewinkel, de batterijcommandant. De stukken waren onbeschermd met uitzondering van één der vuurmonden die een soort aarden omwalling had. De overige stukken stonden open en bloot op de pier. De batterij was een typisch voorbeeld van een crisis onderdeel. Het geheel bestond pas twee maanden. De stukken waren zeer recent afgeleverd. Haastig bijeen gebrachte manschappen, volkomen onbekend met de vuurmonden, die met onvolledig materieel dienst moesten doen. Het gros der manschappen was pas enkele maanden bij de luchtdoelartillerie. Wegens ontbreken van de halfautomatische vuurleiding, dienden de metingen van de doelen aan de stuksbemanningen te worden doorgeschreeuwd [zoals dat bij 4 Bt LuA gebeurde na de storing in de vuurleiding] wat onder vuur vrijwel ondoenlijk zou zijn. Nog los van de vertraging die ontstond voor de verwerking naar de richtmiddelen en de tempering van de granaten, hetgeen door onervaren en half geoefende manschappen gebeuren moest.

De batterij was met een 51 man sterke ploeg vol bezet voordat de eerste Duitse bommenwerpers uit het westen naderden. Vol bezet wil zeggen dat een volledige dienstdoende bezetting aanwezig was, maar dat een aanzienlijk deel van de overige manschappen elders vertoefde. Een deel hunner was in één van de hangars op het vliegveld gekwartierd. Markant was dat op 9 mei door de BtC nog een voorraad van 1,290 schoten voor de M.25 mitrailleurs was ‘geleend’ van 51 Pel LuMi. Voordien was er geen munitie voor de Spandau’s geweest; het eigen initiatief van de BtC was dus lovenswaardig en precies op tijd geweest!

Passief bleef de batterij toen de eerste He-111’s over vlogen en de luchthaven met bommen bestookten. Vervolgens werd direct het aggregaat opgestart en kwam de batterij ‘onder stroom’, waarbij bleek dat de verlichting van de hoogtemeter niet werkte, wat in het begin door de schemering nadelig was. Het volgende op middelgrote hoogte vliegende hoofdeskader bommenwerpers werd vervolgens wel onder vuur genomen, waarbij de gemeten gegevens spoedig per megafoon werden rondgeroepen door de BtC. Door de hevige explosies van detonerende bommen en de boven de sector vliegende luchtvloot, die inmiddels ook in gevecht was gekomen met G-1’s, kwamen de instructies nauwelijks door. Extra lastig was dat de springpunten van de granaten niet konden worden waargenomen daar de zon nog maar weinig licht prijsgaf en de granaten tegen de nog vrijwel donkere hogere luchtlagen detoneerden. Het betekende dat geen enkele uitwerking werd waargenomen en dus niet op zicht kon worden gecorrigeerd.

Na verloop van tijd deed zich een vervelende verstoring voor bij de tempeertoestellen, waar alle stuksbemanningen last van kregen. De granaten die in voorraad waren, waren ingevet tegen oxidatie. De tempeertoestellen, waarin de granaten werden voorbereid voor afvuren [scherp gesteld en tijdsontsteker ingesteld], kregen daar in toenemende mate last van. De fijne mechanismen liepen vast door het dikke vet, en moesten regelmatig worden schoongemaakt en met dunne olie gesmeerd. Het leidde telkens tot vertraging of het tijdelijk uitvallen van stukken. Daarbij kwam dat een van de stukscommandanten zijn stuk bij iedere nadering van vliegtuigen verliet en in dekking ging. Ondanks maatregelen tegen deze stukscommandant en bemanning, bleef dit tafereel zich herhalen waardoor vaak met slechts drie van de vier stukken kon worden gevuurd.

Om 0500 uur was de batterij ooggetuige van de massale parachutistenlanding. Vanuit hun open positie op de pier zag men de gehele landing – zo’n 500 man – voor de ogen ontwikkelen. De landing van – gevoelsmatig – oneindig veel vijandelijke militairen ten oosten, zuiden en zuidwesten van de opstelling deed de manschappen verstarren in hun positie. In de wetenschap dat men slechts beschikte over 20 kogels voor de karabijnen en nauwelijks enige munitie voor de mitrailleurs, kregen vele manschappen het korte tijd flink op de heupen. Er ontstond enige tijd paniek. De BtC en zijn batterijofficier [vaandrig M.H.H. Koenig – in 1943 door de Duitsers gefusilleerd te Utrecht] renden door de batterij en riepen de diverse stukscommandanten en hun manschappen met straffe stem tot de orde. Het hielp en spoedig was de orde hersteld.

Intussen was er voor de stukken luchtdoelartillerie slechts mogelijkheid tot incidenteel stukkenvuur. De vliegtuigen in de nabijheid vlogen allen zeer laag en onder het plafond waarop de munitie kon worden gebruikt. Er werd zo nu en dan stukkenvuur gegeven, en met de M.25’s werden korte vuurstoten gegeven op Ju-52’s die kort bij de batterij vlogen. De BtC stuurde onderwijl een patrouille onder een onderofficier [sergeant P.M. Westerhof] naar de toegang van de pier, waar dit groepje als voorpost moest dienen. De batterij zelf was ondertussen ontdekt, waarop een viertal bommen naar de batterij werd afgegooid. Deze projectielen vielen allen naast de pier in de haven.

Spoedig besloot de BtC om zijn gehele batterijbemanning te mobiliseren voor verdediging van de pier. De beide mitrailleurs werden met de enkele banden munitie die over waren verdeeld over twee locaties op de pier terwijl een belangrijk deel van de manschappen naar de toegang van de pier trok. Voordeel dat werd geboden was de opstaande stenen kadezijde, die bescherming bood tegen kogels van de inmiddels aandringende parachutisten. Het zou spoedig tot een intensief vuurcontact komen.

De lichte luchtafweer

[306] Drie pelotons lichte luchtafweer waren rond het vliegveld van Waalhaven opgesteld. Het waren 50 Pel LuMi [noordwest hoek bij betonweg naar Pernis], 49 Pel LuMi [zuidwest hoek, vlakbij de Reedijk en 51 Pel LuMi [noordoost hoek, vlakbij de hoofdingang]. De laatste twee hadden de beschikking over elk twee stukken van 2 cm Scotti en vier M.25 zware mitrailleurs. Het 50e Pel LuMi had vier M.25 mitrailleurs en géén 2 cm stukken.

Deze onderdelen behoorden toe aan de 13e Compagnie Luchtdoel Mitrailleurs. Dat bestond uit acht pelotons luchtdoelmitrailleurs, 49 t/m 56 Pel LuMi. Hiervan stond 56 Pel LuMi aan de overkant van de Nieuwe Maas [bij de Rotterdamse Lloyd] tegenover de Waalhaven, terwijl 52 Pel LuMi tegenover Pernis aan de noordzijde van de Nieuwe Waterweg stond opgesteld. Beide pelotons hadden vier M.25’s. Bij Pernis, de belangrijke oliehaven, stonden de overige drie pelotons, 53 t/m 55 Pel LuMi, alle met slechts vier M.25 mitrailleurs elk. Het geheel [staf plus acht pelotons] bestond uit 149 man, met drie officieren onder hen. Reserve kapitein H.O. van Rijswijk was de commandant. Zijn stafkwartier was in Pernis.

De stukken 2 cm bij Waalhaven beschikten slechts over 100 schoten bij de beide opstellingen. De rest van de munitie was in een hangar opgeslagen waar ook de munitie voor infanterie en JaVA was te vinden. De bediening van de Scotti stukken had slechts theoretische vorming op de stukken gekregen, want de wapens waren pas enkele weken voor de inval aangekomen.

49 Pel LuMi [sergeant J.P.A. Koks] kwam direct in actie toen de eerste twee He-111’s plotseling op Waalhaven kwamen aangevlogen. Vanaf dat moment werd het voor het peloton niet meer rustig, en bleef men ruim een uur in actie. Daarbij was de munitie voor de 2.tl spoedig verschoten, en vielen na verloop van tijd drie van de vier Spandau’s uit. Voor de ogen van de bediening zette een van de bommen van de eerste aanvalsvliegtuigen een G-1 op zijn neus. Toen om 0500 uur de parachutisten ten zuiden en zuidwesten van de opstelling begonnen te landen, was nog slechts het vuren met één mitrailleur mogelijk. Bovendien ontnamen bomen ten westen van de opstelling het zicht op de landing richting Rhoon. Het duurde niet lang of de opstelling werd door de parachutisten omsingeld. Er volgde een kort vuurgevecht, waarbij een viertal manschappen van het peloton gewond raakten. De patronen voor de karabijnen waren echter spoedig verschoten waarop om 0530 uur overgave volgde.

Een bijzonder staartje zat nog aan het verhaal. De C-13 Cie LuMi, de kapitein van Rijswijk, achtte het merkwaardig genoeg noodzakelijk om – nota bene als commandant over acht pelotons luchtdoelmitrailleurs – zelf naar het bedreigde Waalhaven te rijden en daar de pelotons te gaan bezoeken. De motivatie achter zijn besluit is onbekend, mogelijk wilde de kapitein de mannen zelf een hart onder de riem steken in de wetenschap dat er geen officier bij zijn drie pelotons op Waalhaven aanwezig was. In elk geval kwam de kapitein aan net na de landing van de parachutisten ten zuiden van de weg naar Pernis. Zijn aanwezigheid is geen der pelotonscommandanten opgevallen, maar toen hij per auto vlakbij de opstelling van 49 Pel LuMi was gekomen en parachutisten ontwaarde, stapte hij uit zijn auto met getrokken pistool en werd prompt gedood door vuur van de Fallschirmjäger. Hoewel aan de moed van de kapitein niets dient te worden afgedaan, was hij de zoveelste bevelhebber die meende zijn commandopost te moeten verlaten, onverantwoorde risico’s te moeten nemen en dat roekeloze gedrag met de dood te bekopen. Hij liet daardoor zijn pelotons achter zonder commandant, mede vanwege het feit dat één van de twee andere officieren op de commandopost, de luitenant Hoeksema, al eerder die vroege ochtend langs de pelotons was gegaan voor een inspectie. Die inspectie was nota bene al op bevel van de kapitein geschied! De dood van de compagniescommandant liet acht pelotons luchtdoelmitrailleurs [waarvan drie bij Waalhaven] achter met 149 man onder slechts één officier …

50 Pel Lumi [sergeant T.J. van den Linden] kreeg, voor de Duitse aanval gestalte kreeg, bezoek van de reserve 1e luitenant E. Hoeksema die dus op bevel van de C-13 Cie LuMi op inspectie langs de diverse pelotons was gestuurd. De luitenant vond het peloton strijdvaardig en gereed en was net op weg gegaan van dit peloton voor een kort ritje naar 51 Pel LuMi, toen de twee bommenwerpers verschenen die de zuidzijde van het vliegveld onder handen namen. Direct hierop werd met de vier mitrailleurs het vuur geopend op de aanvallers, maar alle vier vertoonden haperingen. Hierop werden nieuwe banden ingevoerd, die – mogelijk door een betere smering – de storingen deden verdwijnen. Zonder merkbare resultaten werden vliegtuigen en later de landende parachutisten beschoten. Die parachutisten kwamen ook ten zuidwesten van de opstelling, vlakbij de betonweg aan de grond. De mitrailleurs werden op deze tegenstanders ingesteld en de overige manschappen pakten de karabijnen. De pelotonscommandant waagde zich op een zeker moment buiten een wapenopstelling, die enige beschutting had geboden, en werd daarbij door de long geschoten. Kort hierop gaven de resterende mannen zich over aan de inmiddels in aanzienlijke getallen opgerukte Duitsers. De sergeant overleefde zijn verwonding.

Karl-Lothar Schulz

Vlak nadat 51 Pel LuMi [commandant de vaandrig S.D.F.C. van der Kloet] met mitrailleurs en Scotti’s het vuur had geopend op de eerste Duitse aanvallers, kwam de auto met de luitenant Hoeksema aangeracet vanuit het westen achterlangs de schutting bij de haven. De luitenant stormde uit de auto en nam direct het commando van de sectie 2.tl over. Korporaal de Vos met enkele manschappen [van de 4e Sectie 1-III-RJ] verzorgden munitieaanvoer vanaf de vlakbij gelegen hangar waar de centrale opslag was. Helaas raakte tegen 0430 de munitievoorraad buiten bereik doordat inmiddels alle hangars in lichterlaaie stonden. Er werd verstandig gedoseerd vuur gegeven, zodat nog lange tijd kon worden doorgevuurd, ook nadat de Fallschirmjäger omlaag waren gekomen. De parachutisten bereikten uiteindelijk ook de noordoost hoek van het veld, waar het peloton nog enige tijd van de beschutting van de omheining kon profiteren. De enigszins uit elkaar gelegen opstellingen, waarvan rond 0600 uur twee mitrailleurs zonder munitie waren komen zitten, werd van twee zijden door de parachutisten ingesloten. De luitenant Hoeksema gaf zich spoedig over met zijn tien man en de beide stukken 2.tl. Desondanks bleven de vier mitrailleuropstellingen zich verzetten en waren handgranaten nodig om ook deze mannen – die inmiddels de laatste patronen verschoten hadden – tot overgave te dwingen. Door de laatste schotenwisselingen en geworpen handgranaten sneuvelden uiteindelijk twee van de moedige laatste verdedigers van het peloton, de soldaten Dees en Nooteboom. Korporaal Boers was dodelijk gewond geraakt en overleed nog dezelfde dag.

Luitenant Hoeksema maakte nog wat mee na zijn gevangenneming. Hij werd direct met zijn manschappen afgevoerd naar een barak op het vliegveld, maar daarbij door een Duitse officier in een geconfisqueerde auto [met witte vlag!] aangehouden en gesommeerd in te stappen. De luitenant mocht de Duitse officier vergezellen bij een rit richting Heyplaat. Langs het havenspoor stopte de auto, op gepaste afstand van Pier 7 waar 77 Bt LuA in positie stond. De Duitse officier vroeg of de luitenant hem inlichtingen kon geven over de Nederlandse opstelling, wat de luitenant niet kon. Hierop werd langs de havenspoorlijn doorgereden richting Pier 7. Op het punt waar de eerste pier werd bereikt lagen enkele parachutisten in het veld, waarvan er één door een buikschot uitgeschakeld was. De Duitse officier wisselde daar wat uit met deze Duitse voorposten, waarop hij terugkeerde naar de auto en er werd omgedraaid om weer richting Waalhaven te rijden. Het zal de aanleiding zijn geweest voor de ontwikkeling van de latere Duitse actie tegen 77 Bt LuA. Wie de Duitse officier in kwestie was, blijft vooralsnog onbekend. Het is vrijwel zeker de Kommandeur van III./FJR1, Hauptman Karl-Lothar Schulz, geweest; een man met weinig gevoel voor militaire ethiek. Het is bepaald niet uitgesloten dat deze officier dezelfde is die later de vliegbasis commandant, majoor Simon Thomas, per auto met witte vlag zou vervoeren naar diverse locaties. Zeker is het dat Hauptmann Schulz een dag later in Dordrecht in elk geval opzichtig het oorlogsrecht met voeten zou treden.

De vliegbasis verdediging

[251, 256] Al sinds de verhoogde paraatheid op 7 mei werden de compagnieën om 0145 uur gewekt en in de stellingen gebracht zodat deze om 0315 uur volledig paraat waren bemand [het bevel van C-Lvd van 8 mei gold daarenboven zelfs prevalerend: dagelijks tussen 0315 en 0800 uur diende de vliegveldbewaking in de hoogste staat van paraatheid te zijn]. Dat gebeurde ook in de ochtend van 10 mei, zodat om 0315 uur vrijwel alle manschappen die niet van dienst waren vrijgesteld of wegens ondersteuningsfuncties in stand-by mochten blijven, de barakken [centraal oost naast de schutting] en andere kwartieren hadden verlaten. Opvallend was echter dat de munitie bij lang niet alle onderdelen op gewenste paraatheidwaarde was, zodat sommige mitrailleurschutters slechts over enkele trommels voor de Lewis beschikten, terwijl bij de 2e Compagnie de reguliere 12 trommels per wapen wel voorhanden waren. Bijkomend probleem was dat de enige munitieopslag in een van de hangars was gestald en niet lokaal bij de compagnieën. De handgranaten waren niet gedistribueerd. De majoor de Vos had zijn bataljon onvoldoende geoefend geacht.

Luchtfoto Waalhaven ochtend 10 mei 1940

[251] Majoor de Vos kreeg volgens zijn zeggen rond 0300 uur bericht dat in café-restaurant Groot Rotterdam [gelegen aan de Charloise Hooge Dijk, de dijk tussen Waalhaven en Charlois waaraan 3-III-RJ met drie secties was gelegen] een tiental burgers waren ‘binnengedrongen’. In het etablissement in kwestie was de CP van de kapitein Heemskerk zijn 3e Compagnie gehuisvest. Het café had bij sommige mensen de schimmige idee doen ontstaan van een broeinest van NSB’ers. Die emotie kennende achtte de majoor het zinvol een groep van de reserve onder de 1e luitenant Schnellen naar dit café te sturen. Een curieus besluit, daar het café immers reeds door drie secties van 3-III-RJ was omgeven die daar vlakbij opstelling hadden, en evident door de staf van de compagnie bezet zou worden daar het de aangewezen commandopost vormde. Het vermeende verdachte bezoek werd overigens door C-3-III zelf niet opgemerkt. Majoor de Vos zal het belangrijk hebben gevonden dat de drie secties van 3-III in hun stellingen bleven en zich niet hoefden te bekommeren om insluipers.

[251, 256] Na het wegsturen van het dozijn manschappen naar het cafe toog de majoor naar de basiscommandant die hij met enige anderen in zijn (vredes)commandopost trof. Daar werden de laatste nieuwsberichten uitgewisseld aan elkaar. Het gezelschap was daar getuige van de eerste twee bommenwerpers die uit het westen kwamen aanvliegen en de overzijde van het vliegveld bombardeerden. Vanaf dat moment was het volmaakt duidelijk dat het oorlog was, en ging ieder zijns weegs. Men zou mekaar niet meer weerzien.

Waalhaven

[256] De vliegbasiscommandant en zijn luitenant-adjudant [reserve 1e luitenant-waarnemer P.G. Tiemstra] gingen terug in de vredescommandopost waar de luitenant onmiddellijk de kleine staf, geleid door reserve 2e luitenant H.F. Thijssen en bestaande uit enkele onderofficieren en manschappen, naar de oorlogscommandopost net buiten het kamp stuurde. De C-Vliegpark en zijn adjudant volgden spoedig daarna. Zijn verwittigden Den Haag van het gebeuren waarna ze hun externe telefoonlijnen verloren. De bommen hadden hun werk gedaan.

De tweede golf bommen trof de oostzijde van het vliegveld en de fabriek van Koolhoven. Waarna de spoedig volgende nieuwe bommenwerpers de oostzijde en noordoostzijde troffen, waarbij ook de barakken en hangars vlam vatten. Daarmee voltrok zich voor de verdediging de sanctie voor bijzonder slechte anticipatie op een oorlogstoestand. De telefoonlijnen naar buiten vielen uit, omdat de telefooncentrale werd uitgeschakeld. De gehele munitievoorraad voor alle wapens werd waardeloos omdat de hangar waar de enige (!) opslag was geregeld in vlammen opging. Enkele manschappen van de 1e Compagnie en 51 Pel LuMi hadden nog juist voor de bommen op de hangars vielen enige voorraad weten veilig te stellen, maar het was een druppel op de gloeiende plaat. Bovendien gingen de vliegtuigen in de hangars volkomen verloren. Hetzelfde gold voor alle vliegtuigen in aanbouw bij Koolhoven [zie in de sectie Uitgelicht het verslag over Frits Koolhoven].

[251] Majoor de Vos was teruggesneld naar zijn CP, die net buiten het kamp was en vlak naast de sector lag die met bommen werd aangevallen. Net voordat die bommen in enige series naar beneden kwamen, was de majoor in zijn loopgraaf. Hij vond daar de C-MC, de C-Verb.A en de oorspronkelijke commandant van 1-III [reserve kapitein van Mechelen] die echter wegens gezondheidsredenen geen acterend C-1-III was. Van leiding geven aan de eenheden kon geen sprake zijn. De majoor had er zelfstandig voor gekozen verbindingen niet te laten aanleggen, en zijn onderdelen waren niet in de buurt. Bovendien – zo zou hem spoedig blijken – waren de beide secties van de reserve vrijwel geheel verdwenen nadat de bommenregen op de oost- en noordoostzijde van het veld omlaag was gekomen, waarbinnen zich hun kwartieren bevonden.

[251] 1-III had zijn drie secties gelegerd in opstellingen ter linkerzijde, centrum en rechterzijde van de smalle perimeter tussen de noordelijke schutting en de haven. De beide linkersecties waren front west gericht, terwijl de rechter sectie front oost was ingesteld. Een groepswacht was uit de compagnie ter beschikking gesteld om wachtdienst bij de hoofdingang te vervullen.

Waalhaven - vernielde Ju-52

De opstelling van de compagnie was een toonbeeld van weinig tactisch vernuft. De eenheid dekte in feite niets. Omdat links van de opstelling nog een peloton LuMi was opgesteld, en aan de achterzijde de bekende hoge schutting stond, had men slechts een functie in de eigen nabij verdediging en zou men een eventuele maritieme aanval kunnen bestrijden. Een aanleiding voor dit laatste zou er begrijpelijkerwijs niet snel komen. Zicht op wat er op het vliegveld gebeurde had men ook al niet, want naast een onpraktisch effect vanuit verdedigingsoogpunt ook een weinig geruststellend effect had op de manschappen. De linkersectie zat op het uiterste van de schutting en kon eventueel nog na enige verplaatsing bijdragen aan de verdediging van het veld. De beide ter rechterzijde daarvan opgestelde secties waren werkeloos.

[251] Van C-1-III ging hoegenaamd niets uit. De luitenant had zijn provisorisch ingegraven CP bij de middelste (3e) sectie en kwam daar niet uit. Op eigen initiatief waren een aantal lichte mitrailleurschutters de opstellingen uitgegaan en werd met behulp van de geweeropzet [door een helper] de M.20 geschikt gemaakt voor gericht vuur op luchtdoelen. Hoewel hiermee een daad werd gesteld, betekende het dat de toch al niet florissante munitievoorraad danig kromp voor het cruciale tijdstip van 0500 uur. Toen nam men waar dat er enige parachutisten werden uitgeworpen. De omvang van de landing was hun niet bekend want een zicht op het veld en de zuidoostzijde van de basis had men immers niet. Hoewel uit het toenemende geweld van lichte vuurwapens wel duidelijk was dat er ‘iets substantieels’ gaande was. De opstellingen werden ondertussen een paar keer door mitraillerende Bf-109's onder vuur genomen. De luitenant verroerde zich vervolgens ook niet toen hem parachutisten werden gemeld en zodoende bleven de drie secties geïsoleerd achter de schutting zitten. Onderwijl had menige opstelling zijn munitie verschoten en hadden al een aantal manschappen van met name de 2e sectie zich richting Hey begeven. Sommigen hunner werden onderweg door parachutisten gevangen genomen, anderen zouden later nog zelfs de overkant van de Waterweg bereiken. Tegen 0600 uur was het voorbij. Duitse parachutisten hadden zich gerealiseerd dat er zich nog verdedigers noordelijk van de schutting bevonden en door een aanzienlijk aantal para's werden deze van beide zijden ingesloten. Hoewel sommige manschappen zich nog kort verdedigden, waren enkele handgranaten voldoende om de restanten van de drie secties op te rollen. Er waren in de stelling geen verliezen geleden. Enig resultaat van hun aanwezigheid voor de verdediging was navenant verwaarloosbaar geweest.

[251] C-2-III lag samen met de MC-III op het vliegveld zelf, en dus binnen de omheining. De kapitein Lohbeck was in de noordoost hoek van het veld in zijn CP. Zijn 1e en 2e sectie lagen aan de noordzijde van het veld met zes lichte mitrailleurs, versterkt in de noordoostelijke hoek met een stuk van de MC [van de 4e sectie]. Vlakbij de CP stond een Vickers Cardon Lloyd [met reserve 1e luitenant Des Tombe] opgesteld. Zuidoostelijk langs de schutting lagen de beide ander sectie van 2-III ten zuiden van de gebouwen met achter zich vier stukken van de MC [1e sectie plus stuk 4e sectie], waarvan de beide rechterstukken in de enige betonnen kazemat zaten. Aan de zuidzijde van het vliegveld, front noord, stonden tenslotte zeven zware mitrailleurs van de MC [2e en 3e sectie plus stuk 4e sectie]. Alle lichte mitrailleuropstellingen aan de oostzijde van het veld hadden een zogenaamde spiegel bestaande uit twee geweerschutters, die aan de andere zijde van de opstelling zaten als rugdekking.

Curieus aan de opstelling van de beide compagnieën was dat de automatische wapens langs drie zijden van het veld waren opgesteld. De zware mitrailleurs hadden ter voorkoming van het beschieten van tegenover hen liggende eigen troepen de strikte opdracht vuur op maximaal 500 meter te richten. De absurditeit van deze instructie wordt pas duidelijk als men zich bedenkt dat de zware mitrailleurs vooral werden opgesteld ter bestrijding van luchtlandingen op het veld. Omdat vliegtuigen uit de aard der zaak hoog boven het veld zouden landen en taxiën en het uitladen van militairen eveneens op menshoogte geschieden zou, zou bij strikte handhaving van de 500 meter regel geen mitrailleurschutter op vliegtuigen of uitstappende militairen hebben kunnen vuren. Het was een toonbeeld van incompetentie van de verantwoordelijk officieren voor de wapenopstelling. Een kwestie die ook in Valkenburg nadrukkelijk zou spelen diezelfde morgen …

[251] Tijdens het bombardement kregen de secties MC te maken met wapenuitval door inslaande bommen, waarbij vier doden [voltreffer bij stuk 4e sectie bij hoofdingang] en ook enige gewonden vielen. De lichte mitrailleurs die al snel op de overvliegende Ju-52 begonnen te schieten, kregen alom last van storingen, hoewel de meeste konden worden opgelost. Veel ernstiger was dat veel munitie werd verschoten op vliegtuigen, terwijl bij de derde bombardementsgolf alle voorraad in de geraakte hanger onbereikbaar werd. Het was dankzij de C-2-III – die vlakbij zijn CP had – dat terwijl de hangar al brandde nog enkele kisten patronen naar buiten konden worden gesleept. Maar daarna was het levensgevaarlijk geworden de munitieopslag te benaderen. C-2-III was wel de enige commandant van III-RJ geweest die ervoor zorg had gedragen dat zijn compagnie over veel munitie in de stellingen beschikte. Hij liet daarom de 9 kisten patronen op een vrachtwagen laden om deze elders te laten distribueren.

[251] De reserve 1e luitenant H.A. Feenstra was wachtcommandant in de nacht van 9 op 10 mei geweest, en bevond zich daartoe in het wachtgebouw bij de hoofdingang. Nadat het bombardement was begonnen stuurde hij een soldaat weg om zijn helm en klewang te gaan halen. Toen de soldaat terugkwam lagen de luitenant en korporaal Bouten vlakbij elkaar dood buiten het wachtgebouw. Een bom was beiden fataal geworden.

[31, 251] Op bijna diezelfde locatie vond de tragedie plaats van de tactische reserve van de BC. Bij gebrek aan accommodatie was deze halve compagnie gehuisvest in gebouwen bij de hoofdingang, samen met de wacht. Zij betaalden het hoogste offer van de bommen, want naast luitenant Feenstra en korporaal Bouten die vlak naast het wachtgebouw omkwamen, sneuvelden maar liefst negen man van 2-III, acht man van 1-III en twee man van 3-III bij de bommenregen op deze sector. Vier hunner waren overleden aan verwondingen. Deze 21 man waren met afstand het zwaarste enkelvoudige verlies van de strijd om Waalhaven.

[251] Het bombardement en de daaropvolgende felle branden dwong C-2-III tenslotte ook de restauratie te verlaten, en elders een CP in te richten. Hij koos ervoor dit vlakbij de opstelling van 51 Pel LuMi te doen, wat een weinig gelukkige keuze was in relatie tot zijn compagnie en de MC, die op het veld stonden. Hij speelde dan ook geen enkele rol meer toen de parachutisten eenmaal geland waren. Desalniettemin had C-2-III zich onbevreesd en doortastend getoond.

Waalhaven zuidwest

[251, 462, 500, 501] De landing van de parachutisten begon rond 0500 uur, waarbij de eerste compagnieën terecht kwamen in de polder tussen Waalhaven en Charlois, merendeels op respectabele afstand van het veld. Daarna kwamen echter ook enkele ladingen ten zuiden van het veld en zelfs ten zuidwesten (9). Het duurde enige tijd voordat deze parachutisten zich hadden verzameld en de wapens hadden uitgeladen. Maar daarna ging het snel. Ten zuiden van het veld ontmoetten zij nauwelijks tegenstand, waardoor zij het veld uitstekend en zonder al teveel hinder konden omvatten aan westelijke en zuidelijke kant. Daarbij werden zij geholpen door de bomen en struiken aan de westzijde, die hen aan het zicht van de verdedigers onttrok. Nadien wisten de Fallschirmjäger door de begroeiing ten westen van het veld te komen, en de weerstand aan Nederlandse zijde vanaf die kant snel op te rollen. Zwaarder viel het hen de opstellingen in de zuidoost hoek op te rollen.

(9) Er wordt in diverse publicaties en verslagen over de landing bij Waalhaven gesproken over landingen van parachutisten op het veld, waarbij een voornaam deel in de brandende gebouwen of in de haven terecht zou zijn gekomen. Aan Nederlandse kant begrijpelijk dat dit zo werd ervaren, maar het betrof vrijwel zeker de dropping van een serie dummy's ['Attrappen'], die in de laatste fase op het vliegveld werden gedropt om de verdediging af te leiden. Dat gebeurde - zo blijkt ook uit de meeste verslagen die deze gebeurtenis benoemen - pas in de laatste fase toen de eigenlijke parachutisten al tot ontwikkeling rondom het veld waren gekomen. Opvallend is eveneens dat Nederlandse rapporten van die op het veld landende parachutisten aangeven hoeveel er wel niet werden gedood. Die gedachte is wederom verklaarbaar uit het feit dat de stropoppen na de landing evident niet meer opstonden. Van de eigenlijke parachutisten is vrijwel zeker dat allen ruim buiten [d.w.z. oost, zuidoost en zuid van] het veld terecht kwamen, en slechts een klein deel dichter op het veld [zuidoost zijde] landde. Het is vrijwel uitgesloten dat er werkelijke parachutisten in de brandende gebouwen of de haven vielen. Ook uit de verliesrapporten en lijsten blijkt nergens dat verbrandde lijken of verdronken manschappen werden geidentificeerd, zoals dit elders [vooral Ypenburg] wel nadrukkelijk aan de orde was. Dit laatste is vanzelfsprekend slechts van omstandige aard, echter toch van enig belang om vast te stellen dat de rapporten van verbrandde en verdronken parachutisten vrijwel zeker slechts wijzen op de gedropte dummy's. Overigens werden elders, ook in België, ook zgn 'Attrappen' afgeworpen. Het was niet een specifiek voor Waalhaven toegepaste tactiek.

[251] De manschappen van de 2e compagnie van III-RJ hadden merendeels, in hun simpele opstellingen, al eerder het wapen moeten neerleggen. Ook deze compagnie had nauwelijks kansen gehad. Zij waren aan de noordzijde van het veld spoedig zonder munitie komen te zitten, nadat zij op de landende Ju-52 geschoten hadden. Sommige manschappen waren naar het oosten geweken, anderen lieten zich gevangen nemen. De C-2-III was zelf met enige manschappen in de buurt van de hoofdingang in stelling gegaan, nadat de gebouwen en hangars in vlammen waren opgegaan. Van daaruit wist men nog enige tijd weerstand te bieden.

[251, 420, 462, 500, 501] De kazematten [op één na met zand, hout en betonplaten versterkte veldversterkingen] der zware mitrailleurs van de 1e sectie MC [versterkt met één stuk van de 4e sectie] waren in staat nog lange tijd door te vuren op het vliegveld. Inmiddels waren de eerste luchtlandingstroepen [9./IR.16 en Stab-III./IR.16] in aantocht, en werden de eerst landende zes Ju-52 zwaar beschoten door de zware en lichte mitrailleurs aan de oostkant van het veld. Hierop ontstond aan de kant van de parachutisten een duidelijk impuls om deze weerstanden snel op te ruimen. Er waren echter aan de achterzijde van de kazematten manschappen van de reservebediening met karabijnen opgesteld, die de kazematten moesten beschermen aan hun blinde zijde. Bovendien was een prikkeldraadversperring aangebracht, zodat de Duitsers niet eenvoudig konden naderen. Nadat de parachutisten langs de schutting trokken, wisten zij echter de achterwachten methodisch uit te schakelen. Nadat ze daarin geslaagd waren, klommen enkele Fallschirmjäger op de kazematten en trachtten zij liggend handgranaten in de sleuven te gooien. Dat mislukte vrijwel steeds, maar voor de schietsleuven detonerende granaten verwondden wel enkele manschappen. Bovendien werd men zich gewaar dat de tegenstander nu wel erg dichtbij was. Desondanks bleven de drie opstellingen zich zeer dapper verweren. De parachutisten waren er echter op een gegeven moment in geslaagd de kranig leiding gevende reserve 1e luitenant K.J. Dijkshoorn [C-1e sie MC] in zijn kazemat gevangen te nemen, net als de basiscommandant. Samen met enkele van zijn mannen werden de basiscommandant en de luitenant naast de kazemat geposteerd, en constateerde spoedig dat de manschappen in de kazemat voor de CP van luitenant Dijkshoorn [direct ten zuiden van de bebouwing] op het punt stonden te worden gedood door de inmiddels alom aanwezige parachutisten. Toen stapte de luitenant naar voren, en schreeuwde de mannen in zijn laatste nog weerstand biedende stelling op zich over te geven omdat ze kansloos waren. De luitenant had daarin – getuige vele verslagen – gelijk en spaarde zo de levens van een tiental man. Zijn sectie had zeer goed weerstand geboden, en wonder boven wonder slechts gewonden en geen gesneuvelden. Daarmee was de verdediging op het vliegveld zelf volledig opgeruimd.

[252] Reserve 1e luitenant F. des Tombe had het bevel over een tiental manschappen die de twee kleine pantserwagens type Cardon Lloyd bedienden. Deze mini pantserwagens, die voor het gevecht in feite volkomen ongeschikt waren, waren als compensatie voor ontbrekende werkelijk gevechtspantserwagens ingedeeld. Ze waren flinterdun bepantserd, werden door twee man bediend en hadden een voorwaarts schietende M.18 Vickers mitrailleur als enige bewapening. Bij de hangar stond één wagen, met zicht op het veld. Bij de hoofdingang, vlak naast de legering van de reserve secties, stond de tweede.

De pantserwagen bij de hoofdingang raakte direct onklaar door de tweede serie bommen die rond deze sector viel. Een bomscherf sloeg dwars door het pantser in de stuurinrichting en maakte de wagen daardoor onbestuurbaar. Luitenant Des Tombe zelf zat in de wagen die bij de hangar stond, en kon enige tijd met de mitrailleur op laagvliegende Ju-52 vuren. Daarna verplaatsten zij zich wegens de brand in de hangar, maar gedurende de verplaatsing was de mitrailleur dusdanig vervuild geraakt door stof en zand dat deze diende te worden gedemonteerd en schoongemaakt. Dit werd door de luitenant en zijn korporaal-chauffeur gedaan. Hierna wilde de luitenant een gunstiger opstelling kiezen, maar toen de wagen werd gestart sloegen vlammen uit de uitlaat. Vermoedelijk was er sprake van een vastgelopen motor. De wagen werd verlaten terwijl de luitenant de Vickers meenam en een patroonband om de schouders meedroeg.

[251, 252] De luitenant kwam spoedig daarna in aanraking met de parachutisten die onder Charlois geland waren. Nadat hij zich aansloot bij een groepje infanteristen en mitraillisten, waaronder ook de arts en reserve officier van Gezondheid 2e klasse J.C. Burg alsmede een of twee onderofficieren [w.o. sergeant Hartmann van de vrijwillige motordienst], werd stelling genomen vlakbij de kruising Korpersweg / Charloise Hooge Dijk. De arts, die tot dat moment de leiding over het groepjes had gehad [en nadrukkelijk meldde géén rode kruisband om te hebben gehad] gaf het bevel over aan luitenant Des Tombe en verdween richting vliegveld. Na vanuit die positie met de zware mitrailleur en de bij de infanteristen aanwezige lichte mitrailleur op Duitsers te hebben geschoten, werd het groepje door parachutisten aangevallen met handgranaten. Daarop raakten enkele manschappen gewond, waaronder de sergeant Hartmann en werd één man gedood en een tweede dodelijk gewond [beiden van MC-III]. Hierop maakte de luitenant zich met enige manschappen uit de voeten langs de dijk richting Charlois. Na enige honderden meters te hebben afgelegd bracht hij vervolgens de mitrailleur in stelling met front Waalhaven. Inmiddels was bij hem ook een vaandrig aangesloten. Na enige tijd werden zij – opgevallen als zij waren door hun vuur op Duitse doelen – door parachutisten omsingeld, ontwapend en gevangen genomen.

[251] 3-III-RJ had – zoals gemeld – reeds in de vroege morgen stelling genomen langs de Charloise Hooge Dijk richting Rotterdam, parallel aan de oostelijke zijde van het havenbekken, langs het spoor. Het bombardement van het vliegveld maakte grote indruk op de manschappen terwijl ook enkele bommen vlakbij de opstellingen terecht kwamen. Prikkende jachtvliegtuigen kozen ook deze compagnie uit voor enkele ‘strafes’ en naar verloop van tijd slopen enkele mannen er tussenuit, spoedig gevolgd door vrijwel de gehele twee secties die de zuidelijke positie bezetten.

[251] De CC [kapitein Heemskerk] was al vroeg op zijn CP aangekomen en had daar niets van de insluipers gemerkt waarop een groep van de reserve was afgestuurd door de BC. De kapitein excelleerde niet in het bewaken van de orde en tucht in zijn compagnie. Tegen 0530 uur was het gros van zijn compagnie zonder zijn medeweten al richting Charlois teruggetrokken, toen de commandant van de 1e sectie [de meest noordelijke sectie onder reserve 1e luitenant G.J. Hofland] de kapitein kwam melden dat terugtrekken wellicht het verstandigste was omdat de twee secties ten zuiden van hem al terugtrokken. De kapitein gaf daarop bevel om de compagnie aan de zuidzijde van Charlois opnieuw op te stellen met front zuid. De luitenant was even later met zijn sectie enige honderden meters richting Charlois getrokken, en maakte daar front zuid. Na enige minuten kwam ineens majoor de Vos – samen met zijn hoornblazer – en beval de luitenant met hem mee terug te trekken naar Rotterdam. C-3-III verzamelde zijn belangrijke papieren, vernielde wat er te vernielen was en vertrok met zijn staf ook naar de zuidelijke grens van Rotterdam om aldaar aangekomen te constateren dat vrijwel geen van zijn manschappen te vinden was. Dat was logisch, daar majoor de Vos hem voor was geweest. 3-III had uiteindelijk geen enkele gevechtsaanraking met de gelande Duitsers gehad.

Waalhaven - vernielde Ju-52

Zo waren binnen een uur na de eerste parachutistenlanding de drie compagnieën van III-RJ opgerold, zonder dat zij op enige locatie een georganiseerde of werkelijk hardnekkig weerstand hadden geboden. Dat gold niet voor MC-III-RJ. Deze compagnie werd geleid door doortastend optredende officieren en onderofficieren en deze motiveerden hun manschappen om hardnekkig de verdediging vol te houden. Hoewel een tweetal stukken al direct door het bombardement was uitgevallen, gaven alle mitrailleurnesten blijk van weerbarstigheid. De Duitsers hadden de grootste moeite de in alle haast gebouwde veldversterkingen tot overgave te dwingen. Dat het uiteindelijk toch zover kwam, was vooral te wijten aan het feit dat de infanterie heel snel de verdediging had opgegeven, en de MC opstellingen daardoor in de rug slechts door enkele eigen manschappen gedekt waren. Die konden het met hun karabijnen echter niet lang bolwerken tegen honderden uitstekend bewapende parachutisten. Uiteindelijk was het de MC die de eerste golf [zes stuks] landende Ju-52 nog enige tijd kon beschieten waardoor de Duitse luchtlanding in eerste instantie aanzienlijke hinder ondervond. Desondanks konden de eerst gelande manschappen van 9./IR.16 – ondanks enige verliezen – de parachutisten direct assisteren bij het oprollen van de laatste weerstand. Het was volmaakt logisch dat de uiteindelijk geïsoleerd vechtende MC daarbij de wapens spoedig moest strekken. Zes man van de MC hadden het leven gelaten.

[31, 251] Een bomvoltreffer had vier man van de 4e sectie die bij de noordelijke verdedigingslinie waren ingedeeld gedood [Korporaal Dors; de soldaten Snijder, Vink en Engelen]. Twee man van de reservebezetting die de achterwacht hadden gevormd sneuvelden bij een provisorische weerstand aan de Korperweg onder luitenant Des Tombe [Sergeant Visser en soldaat Stiphout]. De MC kon echter met opgeheven hoofd terugzien op de uitvoering van haar taak.

De majoors

[geheel: 250, 251] De BC majoor de Vos was ondertussen niet stil blijven zitten. Het inferno om hem heen maakte diepe indruk op hem. Na zijn commandopost te hebben bereikt, stond hij nog enige tijd met enkele officieren naar het luchtbombardement en de vurende luchtafweer te kijken. Hij nam waar dat parachutisten ten zuidoosten van de luchthaven daalden, en wilde daarop de beide reserve secties daarheen sturen, maar constateerde dat hiervan geen soldaat meer te vinden was. Dat klopte, want deze manschappen waren zwaar getroffen door het bombardement, en de overlevenden die konden lopen waren noordwaarts langs de Charloise Hooge Dijk of dwars door het land richting Rotterdam gevlucht. Op dat moment ontstond een kwestie die de hoofdzaak van onderzoek werd voor de speciale onderzoekscommissie die enkele dagen na de capitulatie werd gevormd.

Majoor de Vos merkt zelf in zijn verklaringen op dat na het constateren van de afwezigheid van de reserve het in de reden lag om dan maar met een of twee secties van 3-III een zuidelijke afgrendeling van de Duitse landingszone op te bouwen. Hij meende dat het verstandig was zelf die secties te gaan halen. Die lagen, zo was hem uiteraard bekend, aan de weg naar Charlois. Zodoende vertrok de BC met zijn hoornblazer naar de 3e compagnie, en bij die stellingen aangekomen constateerde hij dat er niemand meer was. Daarop besloot de majoor [het was 0515-0530 uur] dan maar verder te gaan naar Rotterdam en te assisteren bij de verdediging van Rotterdam zuid. Het voorgaande is zijn eigen verslaggeving en dus niet noodzakelijkerwijs de werkelijke gang van zaken.

Interessant is het verslag van reserve 1e luitenant R.C. Broek, de commandant van de verbindingsafdeling van III-RJ, die in de CP van de majoor was toen de laatste besloot ‘de 3e compagnie te gaan halen’. De luitenant merkte op dat de majoor helemaal niet van plan was versterking te gaan halen, maar opdracht gaf tot terugtrekken. Volgens de luitenant voegde de majoor hem toe ‘Broek, volgen, we trekken terug’. Dat verslag van de luitenant lijkt meer te stroken met de gebeurtenissen dan de verklaring van de majoor zelf. Bij bespreking van het commissieonderzoek wordt dit uitgebreid besproken.

De BC was dus al om 0530 uur onderweg naar Rotterdam, en kwam langs de verlaten posities van 3-III. Onderweg stuitte hij nog op de luitenant Hofland die met zijn sectie aan de zuidrand van Charlois een verdedigende stelling had geïmproviseerd. De luitenant kreeg het bevel de majoor te volgen richting Rotterdam.

Waalhaven noordwest

De vliegbasiscommandant majoor Simon-Thomas en zijn adjudant luitenant Tiemstra waren naar de gevechtscommandopost gegaan toen het bombardement al in volle gang was. Daar kon men spoedig niets meer doen, omdat de verbindingen nog tijdens het bombardement werden verbroken doordat een bom de telefooncentrale op het kamp had vernield. Zonder enige verbinding was alles in handen van de verdedigers van het veld zelf. Tegen 0600 uur werd de commandopost door parachutisten omsingeld. Er restte de officieren niets anders dan de overgave. Direct werd de majoor door de parachutisten ingezet om de mitrailleurnesten op het vliegveld tot overgave te bewegen. Bij een aantal opstellingen had dit succes, en gaven de mannen zich over nadat ze de majoor in gezelschap van Duitsers hoorden roepen dat de wapens gestrekt moesten worden.

Nadat de gehele verdediging op en rond het vliegveld de strijd had moeten opgeven, hadden de Duitsers nog een nieuwe missie in petto voor majoor Simon-Thomas. Hij zou ook moeten assisteren bij het tot overgave dwingen van de beide luchtdoelbatterijen die bij de Pier nummer 7 en Smitshoek nog in actie waren. De majoor liet zich voor deze schendingen van het oorlogsrecht – ingegeven door ‘een Hauptmann’ – helaas zonder overtuigend protest misbruiken.

Duidelijk was dat er van beide bevelhebbers buitengewoon weinig leiding was uitgegaan hetgeen analoog was aan hun beider weinig verheffende bevelvoering in de periode voor de 10de mei. Voor de basiscommandant gold dat zijn primaire taak er na de uitschakeling van Waalhaven als vliegbasis in wezen opzat. Daarmee was de bevelvoerende taak vooral verlegd naar de commandant van het infanteriebataljon. Die had echter aan alle kanten gefaald in zijn taak en ruimschoots voordat zijn troepen de strijd op het vliegveld staakten zich onzichtbaar en onbereikbaar gemaakt voor zijn eenheden in de strijd. Deze wanprestatie was zo overduidelijk, dat direct na de meidagen met grote prioriteit een onderzoek naar de bataljonscommandant – en de verdediging van Waalhaven als geheel – werd ingesteld.

De Duitse perceptie

[420, 500, 501] Toen Generalleutnant Student in zijn speciale Ju-52 [deze was met één van de twee beschikbare lange golf verbindingstoestellen uitgerust waarmee de generaal rechtstreekse verbinding met de Luftwaffe in Duitsland kon houden] met de laatste toestellen der eerste luchtlandingsgolf meevloog, zag hij tot zijn genoegen vanuit de lucht dat de bruggen bij Moerdijk en Dordrecht nog intact waren. Hoewel hij onderweg al bericht had verwacht van de gelande troepen, was het bijzonder stil gebleven. De aanblik van intacte bruggen stelde de generaal echter gerust. Vlak voordat de wielen van zijn toestel de grond bij Waalhaven raakten [ca. 0700 uur], ontving hij het verheugende bericht van Hauptman Schultz dat Waalhaven genomen was.

Om 0500 uur landden de eerste parachutisten in de polders zuid van Charlois en in het kwartier daarna kwam het gehele 3e Bataljon veilig beneden. Verliezen leed men nauwelijks tijdens de landingen. Er waren in eerste instantie meer ‘Sprungverletzungen’ dan slachtoffers door Nederlands vuur. De landing was niet geheel volgens plan verlopen. De intentie was geweest dat men rondom het vliegveld zou landen in een halve cirkel, waarbij het gros der eenheden ten oosten en ten zuiden zou landen. Die opzet gelukte niet doordat enkele ladingen te dicht op Charlois werden afgezet en daardoor was de halve cirkel pas bereikt toen de eenheden zich herschikten op het landingsterrein. Desondanks kon men snel de beoogde resultaten bereiken. Men ervoer de tegenstand als zeer zwak.

Waalhaven - veldgraven

Hoewel, zoals gezegd, enige eenheden erg dicht tegen Rotterdam waren gedropt, konden de 9e, 10e en 11e Kompanie (10) zich redelijk snel formeren. De 11e Kompanie [min een peloton] was het dichtste bij het veld geland en had daardoor deels de kans niet de Waffenbehalter te bereiken. Zij gingen direct in actie met alleen het pistool en de op de man meegevoerde handgranaten. Handig werd gebruik gemaakt van de schutting en de bosjes aan de zuidwest zijde van het vliegveld. Een deel der parachutisten werkte zich naar de noordoost zijde [11.Kp onder Oberleutnant K. Becker] terwijl een ander deel de zuidoostzijde bereikte [9.Kp, Oberleutnant O. Gessner]. De 10e Kp [Hauptmann Dunz] - deels zeer sterk naar het oosten afgezet - werd naar de noordzijde gestuurd om richting Rotterdam een beveiliging te vormen. Zodoende had men de Nederlandse vliegveldverdediging omtrokken. Bij de hoofdingang was vrijwel geen Nederlander meer te bekennen. Men splitste zich op in een noordelijk opererende groep en een zuidoostelijk opererende. De noordelijke pakte de Nederlandse stellingen noord van de schutting aan en vormde een beveiliging richting stad. De naar het zuiden trekkende groep was na enige strijd langs de schutting in staat om samen met de uit het zuidoosten komende parachutisten methodisch de mitrailleurnesten uit te manoeuvreren. Gedurende deze actie begon de eerste golf Ju-52 met drie compagnieën van III./IR.16 en bataljonsstaf te landen [0545 uur], waarbij 9./IR16 in de eerste toestellen zaten en - na onder vuur te zijn uitgestegen - kon assisteren bij de uitschakeling van de Nederlandse verdediging. Doordat de luchtlandingstroepen veel vuur ontvingen van de nog intact zijnde mitrailleurnesten, werd haast gemaakt met de opruiming van de laatste Nederlandse weerstand en geen methode geschuwd dat resultaat te bereiken. De Nederlandse infanterie was al grotendeels gevangengenomen, en nadat de lokale Nederlandse commandant in handen was gevallen kon men één voor één de mitrailleuropstellingen tot overgave dwingen. Om 0630 uur had men de vliegveld verdediging volkomen uitgeschakeld.

(10) De status van 12.Kp [Hauptmann W. Schmidt] is auteur onbekend. In de literatuur wordt deze compagnie geheel niet benoemd. Het is mogelijk dat juist deze compagnie degene was die geheel oost van het veld landde. De eenheid heeft opvallend weinig gesneuvelden (één gesneuvelde, Gefreiter Otto Janick die op Waalhaven omkwam op 10 mei) en lijkt daarom aan de strijd nauwelijks te hebben deelgenomen.

[32, 462, 500, 501] Het aantal Duitse slachtoffers was veel lager dan vooraf verwacht en beslist veel lager dan de vele Nederlandse krijgsverslagen willen doen geloven. Het exacte aantal slachtoffers is niet bekend, omdat de allocatie van de gesneuvelden meestal slechts als ‘Rotterdam’ is aangegeven. Van veertien Fallschirmjäger is geindiceerd dat zij op Waalhaven omkwamen, maar daarbij zijn er enkele die later die dag tijdens bombardementen sneuvelden. Enige manschappen van III./IR16 zijn ook op Waalhaven omgekomen tijdens de strijd in de vroege morgen, maar ook voor hen geldt dat zij allen als in ‘Rotterdam’ gesneuveld werden aangemerkt. De landing van met name de eerste zes toestellen ondervond nog veel weerstand van de Nederlandse mitrailleurnesten. In die eerste toestellen zaten twee pelotons van 9./IR16 en even later volgde de bataljonsstaf met BC Oberstleutnant von Choltitz. Zes man van 9./IR16 kwamen op 10 mei om [tenminste één man - Gefreiter Kastner - sneuvelde in Charlois [510]]en twee man van Stab-III./IR.16, beide in Rotterdam-Zuid. Deze vijf resterende manschappen kunnen dus op Waalhaven zijn gesneuveld, hoewel de kans beduidend groter is dat ze in Rotterdam zuid [Afrikaander Plein] of op het Noordereiland omkwamen. Al met al was het lichte Duitse verlies aan manschappen in verhouding met de buitengewoon matige weerstand die een volledig bataljon infanterie had geboden op Waalhaven. De bij gelegenheid sterk overdrijvende Nederlandse rapporten over 'slachtingen' onder parachutisten en luchtlandingstroepen kunnen op die aspecten gerust en met overtuiging naar het land der fabelen worden verwezen.

De luchtafweer batterijen – een vervolg

[304] Nadat het vliegveld even na 0600 uur vrijwel geheel van alle weerstand was ontdaan door de parachutisten, was hen duidelijk geworden dat er ten noorden van Waalhaven nog steeds werd geschoten op vliegtuigen van de Luftwaffe. Het was vrijwel zeker Hauptmann Schultz die een intacte auto [het zou gaan om de privé auto van de luitenant-vlieger A. Noomen, 1520 blz. 163] organiseerde, dwong luitenant Hoeksema [van 13 Cie LuMi] hem te vergezellen en richting pier no. 7 reed. Op gepaste afstand van de pier stelde de Hauptmann vast dat de (vooraf hem reeds bekende) Nederlandse batterij nog volop bezet was en door zijn eenheid uitgeschakeld diende te worden.

Gefreiter Wildvang

[513] In zijn tamelijk dik aangezette egodocument [‘So nahmen wir Waalhaven’] schrijft Hauptmann Karl Lothar Schulz dat op het moment dat hij wat aan de Skoda batterij wilde gaan doen, een Bf-109 op het vliegveld landde en vlak bij ‘zijn’ auto tot stilstand kwam. Hij zou hierop de piloot verzocht hebben de Skoda batterij een aantal maal aan te vallen met diens boordwapens. Het kan zo zijn gebeurd.

De manschappen bij de batterij hadden ondertussen maatregelen genomen tegen de opduikende parachutisten, die duidelijk als niet-Nederlands werden herkend. De BtC stuurde een deel van de batterij onder de vaandrig M.H.H. König (11) naar de toegang van de pier, vlakbij het spoor. Zelf wilde hij met een ander deel om het spoor heentrekken en zo de aanvaller in de flank aanpakken. Ondertussen werd er met één der vier stukken een aantal maal op het vliegveld geschoten zonder waarneembaar effect (vermoedelijk kwamen de granaten niet tot ontploffing, omdat men geen gewone schokbuizen had).

(11) De vaandrig König zou later als krijgsgevangene terechtkomen – met de meeste officieren – in een gebouw naast de school in Rijsoord waar op 15 mei de capitulatie zou worden getekend. Op een of andere manier had de vaandrig de beschikking over een filmcamera. Hij maakte filmbeelden van de aankomst van generaal Winkelman, waargenomen door meerdere officieren. Het is auteur onbekend of deze beelden de geijkte beelden zijn die in het Nationaal Archief aanwezig zijn en nog met enige regelmaat vertoond worden.

De manschappen bij de toegang tot de kade, hadden constant vuurcontact met de op hen toe kruipende parachutisten, die steeds meer machinegeweren in stelling brachten, handig beruik makend van het spoor voor dekking. De kade bood de verdedigers enige bescherming in de vorm van de opstaande rand. Maar even later verscheen een Bf-109 die eerst laag over de batterij vloog om vervolgens te klimmen en hierna vurend uit vier boordmitrailleurs tot vijf keer toe een beschieting uit te voeren op het opstellingsgebied van de eerste twee stukken. Hoewel hierbij geen enkele dode viel – ondanks het feit dat er vrijwel geen enkele dekking mogelijk was – maakte het gebeuren wel diepe indruk op de mannen.

Ondertussen ging het vuurgevecht tussen de Duitsers en de Nederlanders vlakbij het havenspoor gewoon door. De Nederlanders die zich op diverse locaties langs het spoor en op de landkop van de kade staande hielden, hadden slechts nog één werkende mitrailleur. De Duitsers slopen naderbij en gebruikten machinegeweren en handgranaten om de Nederlanders in dekking te houden, maar die bleven desondanks terugvuren. Er waren inmiddels een vijftal gewonden gevallen waaronder twee zwaargewonden [dpl sergeant P.M. Westerhof en soldaat K.W. Meulmeester, die later aan zijn verwondingen overleed]. Soldaat Meulmeester zou later het enige dodelijke slachtoffer blijken van de batterij. Tragisch detail: op 13 mei sneuvelde dienst broer, marinier der 1e klasse A.J. Meulmeester, in Rotterdam bij de stormaanval over de Willemsbrug.

Waalhaven

Opeens verscheen er een groepje militairen, waarbij in het midden de majoor Simon Thomas liep die met een witte doek zwaaide. Deze riep de Nederlanders toe het vuur te staken. Na enige aarzeling besloot men zich over te geven. Onmiddellijk stormden de Duitsers de batterij in en verzamelden met harde hand de gevangenen. Gewonden werden direct afgevoerd. De Duitsers hadden de majoor wederom misbruikt om Nederlandse troepen tot de overgave te bewegen.

[301] Bij 4 Bt LuA bleef het enige tijd rustig nadat men enkele parachutisten gevangen had genomen. De Duitsers waren vooreerst geïnteresseerd om Waalhaven in te nemen en hadden zich dus richting vliegveld begeven. Wel werd vanuit de batterij opstelling zo nu en dan vuurcontact gemaakt met Duitsers die kennelijk een buitenpost hadden gevormd bij de landingszone. De luitenant Janssen had opdracht gegeven om bij het belangrijke kruispunt [Charloise Lage Dijk / Smithoeksche Weg / Bakkersdijk] enige huizen te bezetten die uitkeken richting Rotterdam, en de weg te barricaderen. Daarachter had men posten uitgezet. Tijdens de diverse vuurgevechten raakte de batterijcommandant gewond aan zijn arm en vertrok deze naar het Zuiderzee Ziekenhuis [Rotterdam] om zich te laten verbinden.

[99, 261, 301] In de loop van de ochtend kwam ineens de sergeant-majoor-vlieger Buwalda samen met sergeant Wagener aangelopen bij de Batterij. Deze waren na te zijn neergeschoten met hun G-1 bij Zevenbergen via Willemstad, Numansdorp en Barendrecht [waar zij door luitenant van Urk van MC-III-34RI waren tegengehouden] weer te IJsselmonde gekomen. Ze waren vanaf Willemstad met een luxe auto meegereden, die werd bestuurd door de zich vrijwillig hiervoor opwerpende heer W.Z. Tak - een potige boer die wel wat in actie zag en na de oorlog een Kruis van Verdienste voor zijn assistentie zou krijgen. Boven Barendrecht aangekomen stuurde Buwalda de burge, die zijn zoontje bij zich had, weg. Na contact te hebben gemaakt met enige militairen vernamen ze dat Waalhaven onbereikbaar was en stelde ze zich ter beschikking van de luitenant Janssen, die wegens de verwonding van de BtC het commando had overgenomen. De sergeant-majoor had de mitrailleur [NB: vrijwel zeker een snelschietende Browning FN M.36 No.4 van 7,9 mm met een vuursnelheid van ca. 1,500 sch/min] van de waarnemer bij zich en stelde deze provisorisch op bij de wegbarricade, waar hij op verzoek van de luitenant het commando op zich nam. Hij richtte daar een blokkade van het kruispunt in, stelde de militairen op en regelde een patrouilledienst.

[99, 261, 301] Majoor Simon Thomas – die het inmiddels fysiek zwaar had wegens een hartkwaal en de hoogspanning waaronder hij gedwongen werd te handelen door de Duitsers – was door Hauptmann Schultz ondertussen gesommeerd om mee te rijden in de open auto van de luitenant Van Oorschot. Schulz beoogde om het inmiddels beproefde concept van intimidatie van volhardende verdedigers te herhalen bij Smitshoek. Het was de Duitsers op Waalhaven ondertussen namelijk duidelijk geworden dat daar nog een aanzienlijke Nederlandse bezetting lag en die diende te worden opgeruimd.

[99, 261] Het was na 1100 uur dat de bezetting van de kruispuntbarricade ineens een auto aan zag komen. SM Buwalda hoorde de opwinding en kwam kijken. Men zag een man staan op de bijrijdersplaats [een bron spreekt van 'op het spatbord gezeten'] die een grote witte doek zwaaiend boven het hoofd hield. De sergeant-majoor beval de manschappen de wapens te laten rusten en de auto naderbij te laten komen. Vlak voor de opstelling stopte de wagen en herkende men de majoor Simon Thomas, waarop de sergeant-majoor hem salueerde en vroeg of hij het goed maakte. De majoor bevestigde dat het naar omstandigheden goed ging en, wijzend op de Duitsers in de auto, voegde hij eraan toe dat de 'heren' wilden onderhandelen. De sergeant-majoor herkende een Hauptmann en drie andere parachutisten. De Hauptmann meldde Buwalda dat deze de strijd moest staken. Daarop antwoordde de vlieger dat hem dit niet mogelijk was daar hij niet mocht onderhandelen en geen aanleiding tot overgave zag. Bovendien verzocht hij of de majoor aan Nederlandse kant mocht komen. Die repliek werd beantwoord met de wapens. De Duitsers grepen hun pistolen en pistoolmitrailleurs en openden het vuur op de Nederlanders. Die beantwoordden dit vuur onmiddellijk waardoor één of twee van de Duitsers werden getroffen, maar ook de majoor Simon-Thomas viel getroffen neer. Onduidelijk was of de majoor door Nederlands of Duits vuur werd geraakt. De Duitsers reden snel weg van de scene, waarop de Nederlanders de majoor konden bereiken. Die werd op een provisorische brancard gelegd en achter de barricade gebracht in een schuurtje. Daar stierf de majoor enige momenten later aan zijn verwondingen.

Het is onduidelijk wat er precies is gebeurd. Er wordt in Nederlandse verslagen gesproken van moedwillig doden door de Duitsers van de majoor. Het ligt echter even goed in de reden te denken dat de majoor door Nederlandse kogels werd geraakt in het korte maar hevige vuurgevecht of dat de Duitse kogels die hem troffen niet sec voor hem bedoeld waren.

Het staat ook niet vast dat het gebeuren hier Hauptmann Schultz zelf betrof, hoewel het daar wel alle schijn van heeft. [513] Hij benoemt de zaak wel in zijn jubelverhaal over de strijd, maar stelt daarin dat hij de majoor slechts onder erewoord stuurde en dat deze door Hollandse kogels viel. De kans dat Schulz bij deze actie zelf aanwezig was, gezien de vele berichten van een Duitse Hauptmann, is echter aanzienlijk. En dat Hauptmann Schultz een man met weinig moraalbesef was ... had hij al bewezen in de uren daarvoor [en zou hij de volgende dagen opnieuw bewijzen]. Deze officier deinsde niet terug voor wederrechterlijk handelen en ook niet het misbruiken van een aan hem seniore officier van de tegenpartij. Dat is echter geen garantie te denken dat hij moedwillig op de dood van de majoor uit was. Feit is wel dat dit risico willens en wetens door de Hauptmann werd genomen en hij daarvoor verantwoordelijk was. De oorzaak doet echter niets af aan de tragedie van de dood van majoor Simon-Thomas.

Jaap Nederveen - 4 Bt LuA

Han Lansdorp - 4 Bt LuA

De Hauptmann was niet alleen gekomen. De Duitsers hadden zich in het terrein westelijk van Smitshoek naar de positie van de Nederlanders toegewerkt en daarbij waren zij erin geslaagd al vrij dichtbij te komen. Daarbij waren ook aanzienlijke delen van II./IR.16 betrokken [6. en 7./IR.16], die inmiddels geland waren. Nadat de auto was weggereden, ontstond spoedig een kat- en muisspel waarbij de Nederlanders met hun schaarse munitie verstandig gedoseerd de vijand moesten beantwoorden. Onderwijl besloten de sergeant-majoor en de luitenant Janssen dat met de minimale munitievoorraad slechts een snelle terugtocht een goede oplossing kon bieden. Er werden bevelen gegeven aan de batterij om alle voertuigen snel gereed te maken. Men maakte de stukken onklaar, en stapte in de auto’s om de Bakkersdijk af te rijden richting Barendrecht, waarna men de weg vervolgde naar Oud-Beijerland. Daarmee was de luchtafweer op IJsselmonde teruggebracht tot de drie pelotons met Spandau mitrailleurs bij Pernis. 4 Bt LuA had twee doden die tijdens een patrouille waren gevallen [de soldaten H. Lansdorp en J. Nederveen] aan de Lageweg en vijf gewonden, onder wie de BtC [31].

Gefreiter Wildvang

Aan Duitse kant werd in elk geval één militair gedood bij de acties rondom de batterij. Het was Gefreiter Johannes Wildvang [divisiestaf 7.FD], die tijdelijk aan de Charloise Lagedijk werd begraven. Volgens een Duitse rapport moet ook een tweede parachutist zijn omgekomen. Het is onbekend wie dit was. [32, 68].

[99] Sergeant-majoor Buwalda, die een zeer opvallende rol speelde in de strijd rond Waalhaven, mocht naoorlogs een Bronzen Leeuw in ontvangst nemen. Sergeant Wagener wist naar Engeland te ontsnappen en nam dienst bij de luchtvaartafdeling van het KNIL. Hij overleefde de oorlog en ging in Australië wonen.

De slachtoffers van de strijd

[31] Op en rond Waalhaven – inclusief de buitenzijde van Charlois – kwamen in de ochtend en vroege middag van 10 mei 1940 in totaal 54 Nederlandse militairen om het leven.

Er sneuvelden dertig man van III-RJ. Van de luchtafweer vielen vijf man. Dertien man van de ML, inclusief de vliegbasiscommandant, G-1 piloot van der Jagt en luchtschutter Venema. Drie man van het vrijwilligers korps Luchtwachtdienst en drie man van vreemde onderdelen [vermoedelijk gedetacheerden].

Het aantal burgerslachtoffers is auteur niet bekend. Slechts de dood van een vrouw in een der huizen in Smitshoek is bekend, maar vrijwel zeker vielen er meer doden onder burgers.

[32] Aan Duitse kant was het aantal slachtoffers geringer. Er zijn met zekerheid 14 gesneuvelden toe te wijzen aan de verovering van het vliegveld en de beide luchtdoelbatterijen.

Er sneuvelden zes man van 9./FJR1, drie man van 10./FJR1, één man van 11./FJR1, één van 12./FJR1, één man van de divisiestaf en twee man van de staf van III./FJR1, allen bij de verovering van het vliegveld en omgeving. Veertien parachutisten dus.

Van 9./IR16, het enige onderdeel dat landde terwijl de strijd nog gaande was, verloren zes man het leven op 10 mei. Gezien het feit echter dat deze compagnie direct naar Rotterdam Zuid werd gestuurd en daar aan hevige gevechten deelnam die voor de Duitsers verliesrijk waren, is de kans dat een voornaam deel van de 9./IR16 slachtoffers op Waalhaven viel klein. Men moet zelfs rekening houden met het feit dat er geen slachtoffers in hun gelederen vielen op Waalhaven. Hetzelfde geldt voor twee man van de staf III./IR16 die ook landden tijdens de laatste gevechten op de grond. Twee man sneuvelden van deze staf, waarvan één man zeker in Rotterdam Zuid. In theorie zou het aantal slachtoffers dus maximaal op 20 komen voor de luchtlandingstroepen en parachutisten samen. Een alleszins licht verlies gezien de omvang en stoutmoedigheid van de gehele operatie.

Waalhaven zuid

Er dient opgemerkt te worden dat mogelijk meer Duitse gesneuvelden tijdens de strijd om het vliegveld en directe omgeving vielen, maar in tegenstelling tot voorgaande opgesomde gesneuvelden niet als toevoeging ‘Waalhaven’ hebben gekregen. De cijfers refereren dus aan het minimaal aantal zeker toe te wijzen slachtoffers. Dat getal staat dus op veertien man.

Later op de dag vielen er op het vliegveld nog enkele slachtoffers onder de Duitsers, waarvan in elk geval drie man van de Fallschirmjäger [of daarbij ingedeelde onderdelen]. Alle drie waren zij behorend tot Flak van 1./le.Flak.Abt 106. Deze drie man waren echter vrijwel zeker het slachtoffer van de Britse luchtaanvallen op de vliegbasis waarbij door de Blenheim toestellen ook de Flak posities werden aangevallen. Een verslag van de PVK (Panzerabwehrversuchskompanie) van 7.FD maakt melding van het vallen van enkele Flak mensen bij een Blenheim aanval [479/480].

De slachtoffers aan Duitse kant die aan de Luftwaffe zijn gerelateerd zijn buiten beschouwing gelaten. De verloren gegane vliegtuigen van de Luftwaffe werden reeds besproken bij de gebeurtenissen rond het 3e JaVA. Daarbij is geen kennis van de hoeveelheid toestellen die reeds tijdens de strijd op de grond werden vernietigd. Dat waren er in elk geval wel enkele, zoals ook uit getuigenverslagen blijkt van Duitse en Nederlandse militairen die vlak na de strijd op het veld het gevechtstoneel beschreven.

De commissie van onderzoek en een rechtszaak

[geheel: 250] Al tijdens de meidagen werd op het commando Luchtverdediging en het AHK geschrokken gereageerd op de snelle val van Waalhaven. Nadat op 10 mei vier vliegvelden overvallen waren door parachutisten en luchtlandingstroepen, waarvan drie spoedig heroverd werden, bleef het verlies van Waalhaven de Nederlanders danig parten spelen. In feite was het zelfs zo dat een voornaam deel van de strategie bepaald werd door Waalhaven. OLZ Winkelman liet de herneming van de cruciale Moerdijkbruggen over aan de Fransen, in wie hij het volste vertrouwen had. Hij kon zich daarmee concentreren op de herneming van Waalhaven wat een strategische prioriteit kreeg tezamen met de versterking van de verdediging rondom Den Haag in anticipatie op een nieuwe luchtlanding. Alle andere strijdtonelen werden ondergeschikt aan Waalhaven en Den Haag, wat onder meer getypeerd werd door het op 11 mei detacheren van de C-Lvd bij de staf van het op 10 mei zeer belangrijk geworden commando Vesting Holland en het ter beschikking stellen van de gehele luchtverdediging aan datzelfde commando.

Er bleef op de diverse staven evident veel kennis, die wij heden dragen, onbekend tijdens de meidagen. Men schatte weinig zaken in op de juiste waarde, hetgeen voor een belangrijk deel heel begrijpelijk dient te worden geacht. Wat men beslist wél op waarde wist te schatten, was de importantie van Waalhaven als aanvoerhaven en melkkoe voor de Duitse luchtlandingsoperatie bij Rotterdam en (dus) voor het zuidfront als geheel. Het was dan ook om die reden dat de herneming van het vliegveld, of de totale uitschakeling ervan voor Duitse gebruik, absolute prioriteit kreeg.

Uiteindelijk mocht die prioriteitstelling niet baten en zouden vele elementen van de strijd rondom het zuidfront onderworpen worden aan grondige onderzoeken, veel zelfs al tijdens de oorlog en soms al vlak na de capitulatie geïnitieerd. Deze onderzoek(ingen) zullen op deze website vrijwel allemaal aan de orde komen. Thans is er ruimte en relevantie het onderzoek te beschouwen dat op 22 mei 1940 al in opdracht werd gegeven door luitenant-generaal P.W. Best – Commandant Luchtverdediging. Het betreft het onderzoek waarin de aangestelde commissie opdracht kreeg na te gaan op welke wijze, waarop en onder welke omstandigheden het vliegpark Waalhaven in de ochtend van 10 mei 1940 in Duitse handen geraakte.

De aangestelde commissie bestond uit drie officieren. Voorzitter was de luitenant-kolonel C.C. Grosjean [Hoofd Sectie Artillerie op de Staf Luchtverdediging] en de beide leden waren de kapitein der GS A. Baretta [Hoofd Sectie Luchtvaart op de Staf Luchtverdediging] en reserve-kapitein voor Algemene Dienst Mr. A. van Os [Hoofd Juridisch Bureau op de Staf Luchtverdediging].

De Commissie ondervroeg c.q. liet verklaringen opmaken door de kolonel der GS en Chef-Staf Commando Luchtverdediging Wilmar, de reserve 1e luitenant-waarnemer Tiemstra [adjudant C-Vliegpark Waalhaven] en de reserve 2e luitenant Thijssen [staf C-Vliegpark Waalhaven]. Daarnaast de Jager officieren majoor de Vos, kapitein van Heemskerk, reserve kapiteins Van der Wal en Lohbeck, en de reserve luitenants Dikma, Hofland, Dijkshoorn, Des Tombe [huzaar] en Broek en tenslotte de reserve sergeant R. van Wolde [2-III.RJ].

In feite werden daarmee – met uitzondering van de gesneuvelde commandant vliegpark – alle verantwoordelijke officieren gehoord.

Hoewel de commissie een brede opdracht had gekregen versmalde men die opdracht kennelijk zelf tot de infanteristische inzet. De luchtverdediging werd in het gehele eindrapport niet besproken. Men kwam tot de korte slotsom dat ‘zowel bij de voorbereiding der beveiliging van het Vliegpark als bij de daadwerkelijke verdediging een groot aantal zeer ernstige en toerekenbare fouten en verzuimen zijn begaan’.

Tot deze conclusie kwam men vooral – als het de voorbereidingen van de verdediging betreft – door de instructiebrief van 22 april 1940 van de C-Lvd gericht aan [o.a.] de commandanten vliegpark als maatstaf te nemen voor de mate waarin vliegparkcommandanten [en hun onderbevelhebbers verantwoordelijk voor de grondverdediging] op de hoogte hadden moeten zijn van de vereiste maatregelen tegen overvallingen vanuit de lucht alsmede de manier waarop men die maatregelen diende toe te passen.

Men concludeerde inzake Waalhaven dat de beveiliging van het vliegterrein zelf conform instructie was geschied [MC ter bestrijding van landende vliegtuigen, tirailleurs ter dekking van MC en ter beveiliging tegen onverhoopt gelande infanterie op het veld] en ook dat de troepen voorts een mobiele eenheid hadden voor ageren tegen parachutistenlandingen [waar de instructie op beperkte landingen had gerekend] alsmede de buitenbeveiliging tegen subversieve acties door derden. Men hekelde echter uitdrukkelijk de tactische opstelling van de beide buiten het vliegveld opgestelde compagnieën, de opstelling van de reserve en de tweede pantserwagen alsmede de locatie van de CP. Men achtte die ‘zo ongunstig mogelijk gekozen’. 1-III-RJ achtte men zodanig opgesteld dat zij ‘ieder uitzicht’ ontbeerde en 3-III-RJ zover van de eigenlijke basis verwijderd dat zij nooit bij de verdediging van het vliegveld zou kunnen bijdragen.

Deze opstellingen van de beide compagnieën werden geacht in strijd te zijn met de kunde van (tactische) zaken, zelfs met het verweer van de BC [majoor de Vos] dat zij tegen de infiltratie van derden [lees: Vijfde Colonne] waren opgesteld. Men stelde dat Rotterdam via meerdere wegen dan alleen de Charloise Hooge Dijk verbonden was met Waalhaven [wat feitelijk juist was]. Bovendien concludeerde de commissie dat de BC willens en wetens tegen de adviezen van zijn compagniescommandanten was ingegaan om de buitenzijde van de schutting beter te beveiligen. Dat de BC ter beveiliging van die schutting bij 39RI om een extra compagnie voor zijn positie had gevraagd, legde de Commissie terzijde met de (logische) conclusie dat dan in de tussentijd een andere oplossing had moeten worden gevonden door de BC.

De opstelling van de reserve open en bloot naast de hoofdingang hekelde men ook zeer. Men stelde ‘(dat) het voor de hand (lag) dat bij een bombardement of een beschieting van enige betekenis uit vliegtuigen deze mensen elders dekking zouden zoeken en zouden worden verstrooid’.

Ten aanzien van de positie van de CP oordeelde men even meedogenloos. ‘Het is bezwaarlijk om een redelijk motief te vinden voor deze keuze. Enig overzicht over het veld was er van uit die post niet zodat het geven van leiding bij de verdediging van het veld zelf hierdoor reeds zeer bezwaarlijk, zo niet onmogelijk was. De verbindingsafdeling die van voldoende materieel was voorzien, was werkeloos gelaten.(…) Het was dus uitgesloten (dat) (…) bijvoorbeeld 3-III-RJ wier CP zich op ruim 1 km afstand bevond, spoedig zou kunnen worden aangetrokken.(…) Handgranaten waren – hoewel voorhanden – niet aan de troep uitgereikt’

Over de gevoerde verdediging was men, deels mild, lovend. 2-III-RJ en MC-III-RJ alsmede de daarvoor verantwoordelijke officieren werden gehonoreerd voor hun uitgevoerde taken en toewijding. Dat oordeel viel ook 1-III-RJ [sic] en de pantserwagen onder luitenant Des Tombe ten deel. Over 3-III-RJ was men zeer negatief kritisch. Deze compagnie had zich niet gekweten van haar taken en haar commandant had verzuimd hierin een positief sturende rol op zich te nemen.

Waalhaven -Koolhoven

Het ‘piece de resistance’ van het rapport was evenwel het functioneren van de BC.  Deze werd verweten zijn positie vroegtijdig te hebben verlaten enwel juist op het moment dat de parachutistenlandingen begonnen. Dat de majoor de Vos in zijn eigen verklaring stelde dat hij dit deed om zelfstandig 3-III aan te trekken voor de verdediging, pareert men met de verklaring van de aanwezige luitenant Broek die ‘Broek, volgen, we trekken terug’ van de majoor kreeg te horen – of althans – beweert dit te hebben gehoord, alsmede dat de luitenant Hofland – C-1e sie 3-III – bij de buitenrand van Charlois de majoor trof die hem toevoegde ‘wij trekken terug tot een enigszins belangrijk punt’. Daarbij oordeelt men dat de majoor ten tijde van zijn vertrek uit de CP nog minstens twee manschappen en een officier [luitenant Broek] ter beschikking had gehad om 3-III te doen aantrekken.

De commissie concludeert terzake de kwestie met de BC bikkelhard: ‘Dit alles (…) heeft de Commissie tot de overtuiging gebracht dat hij [Majoor de Vos] eenvoudig zijn strijdende troepen in de steek heeft gelaten en zijn taak, de verdediging van Waalhaven, zonder noodzaak heeft opgegeven.’

In de opsomming van conclusies – als ware het een gerechtelijk dictum – biedt de volgende [hier en daar ingekorte] conclusies:

- Er was veel te laat begonnen met de afdoende inrichting van de verdediging van het vliegpark volgens de daaromtrent gegeven instructies;
- Er was ook na het inspectiebezoek op 8 mei door kolonel Wilmar onvoldoende besef ontstaan bij de beide hoofdofficieren over de ernst van de situatie, hoewel men voor de kwaliteit van de buitenverdediging gewaarschuwd was;
- De verdediging van het vliegveld zelf – de binnenwaartse beveiliging – achtte men niet volmaakt maar wel doelmatig;
- De opstellingen van de CP, de reserve, 3-III en 1-III werd onaanvaardbaar beschouwd;
- Dat het onjuist was dat er geen enkele telefonische of optische verbindingen tot stand waren gebracht;
- Dat het spoedig vallen van het vliegpark als zodanig aan voornoemde punten te wijten was;
- Dat de majoor de Vos, en op zijn voorbeeld en/of last, de kapiteins Heemskerk en Van der Wal gedurende de strijd zonder noodzaak de verdediging van het vliegveld hebben opgegeven en in de richting van Rotterdam zijn teruggetrokken;
- Dat in het algemeen kan worden gezegd van de andere officieren en de onderofficieren en manschappen dat zij ten volle hun plicht hebben vervuld.

Die conclusies logen er niet om en waren gegeven de korte tijd tussen de feitelijke gebeurtenissen en de onderzoeken opvallend accuraat. Het was een hard oordeel over de bevelhebbers. Het zou nog een stevig staartje krijgen voor majoor de Vos, hoewel daarvoor ter materialisatie tien jaar nodig bleek.

Op 4 april 1950 sprak het Hoog Militair Gerechtshof de majoor vrij van het hem ten laste gelegde. Aan hem was [kort en goed gezegd] ten laste gelegd dat hij zijn commandopost opzettelijk buiten noodzaak had verlaten en zich ontijdig van het strijdtoneel had doen scheiden en zich daarmee bewust aan zijn (ver)plicht(ingen) had onttrokken. Subsidiair werd hem ten laste gelegd ook in tweede instantie opzettelijk zijn plicht te hebben verzuimd door niet met de in Rotterdam Zuid verzamelde troepen terug ten strijde te trekken richting Waalhaven, maar zich passief defensief in te richten aan het Afrikanerplein.

De majoor werd vrijgesproken bij ontstentenis van wettig en overtuigend bewijs. Men hechtte in die zin waarde aan de verdediging van de majoor dat het hem ten laste gelegde niet voldoende met bewijs was ondersteund waardoor de verklaring van de majoor niet terzijde kon worden gelegd althans niet als onwaar of onbetrouwbaar kon worden afgewezen. Majoor de Vos beweerde in zijn verklaring – kort en goed gezegd -  dat hij zich slechts ter aantrekking van 3-III uit zijn CP had begeven en vervolgens aldaar gekomen geconstateerd had dat deze troepen reeds waren vertrokken. Daarmee concludeerde hij dat Waalhaven onverdedigbaar was geworden te meer daar het inmiddels gevallen leek te zijn. Voorts ontkende de majoor ten stelligste hetgeen de luitenant Broek beweerde te hebben gezegd. Belangrijk was voorts dat het Hof zich baseerde op het artikel 73 van het infanteriereglement waarin een bevelvoerder beleidsvrijheid wordt geschonken te beslissen bij welk onderdeel hij naar eigen goeddunken het beste de strijd kan leiden. Daarmee werd de bewering dat de majoor naar 3-III wilde trekken – een bewering die niet kon worden weerlegd omdat deze compagnie ten tijde van de aankomst van de majoor reeds was vertrokken – juridisch verdedigbaar.

Met een onbeschadigd blazoen kwam majoor de Vos er niet vanaf. Maar (militair) strafrechtelijk waren de grieven tegen hem niet bestand gebleken tegen de juridische toets.

Analyse van de verdediging

De verdediging van het vliegveld Waalhaven noopt tot een grondige analyse (door auteur) van de gebeurtenissen. Het verlies van dit vliegveld betekende in feite een levensgevaarlijke slagaderlijke bloeding voor de gehele Nederlandse defensie die haar niet alleen verzwakte door de relatieve zware wissel die het zuidfront op de legerleiding en het leger als geheel legde, maar het beheersen van het vliegveld door de tegenstander was bovendien een strategische achilleshiel die het succes of het falen van de gehele landsdefensie als inzet kende.

Het onderzoeksrapport na de strijd had weliswaar op punten beslist gescoord en was zoals gezegd opvallend accuraat t.a.v. een aantal zaken. Het had echter uitdrukkelijk de sfeer van ‘Barbertje moet hangen’, en Barbertje was in dit geval majoor de Vos. Daar kan men beslist aanleiding voor vinden, maar anderzijds discrimineerde men toch wel een aantal zaken. Er waren meer Barbertjes ...

Allereerst valt op het ontbreken van een infanterieofficier bij de commissie van onderzoek. Het waren drie officieren van de Staf Commando Luchtverdediging die het onderzoek verrichten en deze uitten geen enkele kritiek op de Commandant Vliegpark, de Commandant van het 3e JaVA of de bevelhebbers van de diverse luchtafweer eenheden, laat staan op hun eigen staforganisatie in den Haag. Deze eenzijdige 'bemensing' en benadering was een opvallende zaak. Want ook de voornoemde functionarissen en organisaties speelden een rol bij de verdediging van Waalhaven, en de C-Vliegbasis was zelfs hoofdverantwoordelijke voor de verdediging geweest. De kool en de geit werden – wat deze onderdelen betreft - nadrukkelijk gespaard. Onterecht, zo acht auteur.

Het opzichtig falen van de verdediging van Waalhaven was namelijk veel meer geweest dan het falen van de BC. In feite kan men stellen dat niemand zijn zaakjes voor elkaar had; ook de Staf van het Commando Luchtverdediging zelf niet!

Waalhaven - vernielde Ju-52

Het begon al met de opstelling van de luchtafweereenheden en hun middelen. De opstelling van 77 Bt LuA was een buitengewoon merkwaardige. Open en bloot op een pier waar men geen kant op kon en een verbod had op ingraven. Bovendien had deze batterij een niet werkende vuurleiding, had ze geen munitie voor de mitrailleurs ontvangen, had ze slechts één officier en waren de manschappen nog nauwelijks geoefend met de vuurmonden. Het was – zoals eerder gezegd – een in crisistijd opgestelde batterij. Maar hoe kon het bestaan dat met zeven pelotons Luchtdoelmitrailleurs om hen heen, deze batterij zelf – door verstandig handelen en eigen initiatief van de BtC – mitrailleurmunitie bij één der nevenpelotons moest lenen?

Bij 4 Bt LuA had men juist vijf officieren in de batterij, een overdaad. Kennelijk was het onmogelijk daarvan eentje te detacheren bij het qua officieren zwaar onderbezetten onderdeel enkele kilometers verderop, dat echter viel onder dezelfde kring.

Even merkwaardig is het feit dat bij 4 Bt LuA de batterijofficier de manschappen en de batterij deed uittreden even voordat de batterij – conform geldende instructie van C-Lvd – om 0315 volledig strijdvaardig diende te zijn. Wat was daar aan de hand geweest?

Als men een analyse maakt van de gebeurtenissen bij de diverse batterijen luchtdoelartillerie in het land, was er een grote discrepantie tussen de instructies van hogerhand en de individuele afwegingen van de batterij commandanten. Immers, ook bij bijvoorbeeld 19 Bt LuA bij Moerdijk zag men een batterijcommandant die zich opzichtig onttrok aan de ook voor hem geldende instructies. Bij 4 Bt LuA een gelijkende zaak, waarbij de instructies gewoonweg aan de laars werden gelapt.

Het 3e JaVA vertrok pas – in een tijdspanne van maar liefst 15 minuten – van Waalhaven toen het vliegveld al was aangevallen. De lucht was daarvoor vergeven van neutraliteitsschenders, de motoren waren – conform instructie uit Den Haag – warmgedraaid, maar de piloten waren nog ver van de toestellen verwijderd toen de eerste bommen insloegen. De over het veld verspreidde toestellen [conform instructie] moesten door één auto met chauffeur worden bereikt met aan boord telkens enkele vliegtuigbemanningen. Wat was dat voor desorganisatie? Men kan grote vraagtekens stellen bij het feit dat men niet uit voorzorg de vliegers al bij de toestellen paraat had en hen met een lichtsignaal al dan niet in bepaalde verbanden de lucht in te sturen. Het gevolg was dat de JaVA niet als verband kon opstijgen, niet als verband kon opereren en dat drie toestellen op de grond verloren gingen. Tegenover die kritiek op de commandovoering staat de lof die voor de vliegers geldt. Zij kweten zich buitengewoon van hun taak en waren zeer succesvol. De tragiek van de ontwikkelingen rond de Nederlandse vliegvelden in het westen des lands werd de JaVA echter fataal. Het verloor op één na al haar vliegtuigen voor verdere inzet.

De lichte luchtafweer rond het vliegveld deed wat het kon. De schutters van de 2.tl waren ongeoefend met hun stukken, die zeer kort voor 10 mei waren aangekomen. Ze hadden elk slechts 100 granaten voor hun stukken, en aangezien men ongeoefend was, kon men nauwelijks iets uitrichten. Voor de mitrailleurschutters gold de malheur die elders ook gold; de zeer matige, vaak versleten Spandau mitrailleurs.

Opvallend ten aanzien van C-13e Cie LuMi was eveneens het optreden van deze bevelvoerder zonder enige organisatie en zonder enig overleg. De commandant van deze grote compagnie luchtdoelmitrailleurs, die over de beide locaties Waalhaven en Pernis het bevel voerde, besloot al in de vroege morgen zijn adjudant langs de pelotons te sturen om die te inspecteren. Een begrijpelijk besluit, van alle dag zou men kunnen zeggen. Waarom de commandant daarom een uur later besloot zelf óók naar de pelotons bij Waalhaven te gaan is onbegrijpelijk. Totaal onbeschermd en ontgeëscorteerd reed de man een oorlogsgebied in, terwijl hij daar hoegenaamd niets te zoeken had. Zijn plaats was op zijn stafkwartier, waar naast de Waalhaven pelotons, ook de Pernis pelotons zijn zorg behoeften. Hij overwoog anders en liet zijn gehele compagnie achter onder de zorg van één jonge officier. Zijn adjudant werd bij Waalhaven gevangen genomen, hijzelf sneuvelde.

De vliegpark commandant werd nadrukkelijk gespaard in de eindrapportage van de Commissie. Dat is zeer opvallend. Allereerst kan men grote vraagtekens stellen bij het feit dat een gekend hartpatiënt – wat de majoor was volgens de annalen – een dergelijk zeer verantwoordelijk commando kreeg. Bovendien acteerde deze commandant in de periode tussen 22 april en 10 mei 1940 bepaald niet overtuigend.

Majoor de Vos, zijn directe rechterhand als het aankwam op de verdediging, beweerde bij hoog en bij laag nooit de instructie van 22 april 1940 in handen te hebben gehad en hier slechts globaal over gehoord te hebben. In die instructie stond een duidelijke verwijzing naar de aard van het verlangde dispositief van de verdedigingsonderdelen bij de vliegparken. De MC diende op het veld zelf richting landingsterrein te worden opgesteld. Daarbij diende zij één compagnie infanterie ter ondersteuning en beveiliging te krijgen. De beide andere compagnieën dienden voor de verdediging buiten het veld, waarbij zij ook voor de veldverdediging beschikbaar moesten blijven in het geval dit opportuun zou kunnen worden. Een tactische reserve diende ter beschikking van de BC te worden ingericht voor bestrijding van kleinschalige ‘commando-achtige’ parachutistenlandingen buiten het veld. De instructie benadrukte dat ernstig rekening moest worden gehouden met substantiële inzet van luchtlandingstroepen op het vliegveld en in daartoe geschikte sectoren daar omheen, alsmede met parachutistenlandingen op kleinere schaal. Deze instructie meende majoor de Vos voor het eerst te hebben gehoord – in concreto – bij het bezoek van de kolonel Wilmar op 8 mei 1940. Hoewel dat niet kan worden uitgesloten, lijkt het onbestaanbaar dat dit ook zo was. Waarom zou de C-Vliegpark een dergelijke instructie, die de commandant per schrift had bereikt, niet gewoon aan de majoor hebben laten lezen? Het is aannemelijk dat majoor de Vos in deze ‘profiteerde’ van de dood van de Vliegparkcommandant en daarom deze bewering deed. Overigens was een opvallend detail dat de majoor op 8 mei het bezoek van de kolonel Wilmar maar tijdelijk had bijgewoond. Zijn adjudant was namelijk van zijn paard gevallen en dat had de majoor - zo stelt hij in zijn verklaring - genoopt langere tijd elders te vertoeven ....

Anderzijds ging van de Vliegparkcommandant weinig uit. Hoewel hij ook functioneel meerdere was van de C-III-RJ, liet hij de verdedigingszaken volledig over aan de BC. Kennelijk maakte de C-Vliegpark zich geen zorgen over het feit dat er geen gevechtsonderkomens en loopgraven werden gemaakt voor de basisbeveiliging. Het bezoek van de chef-staf Luchtverdediging was ervoor nodig geweest om de boel wakker te schudden. Een andere kwestie die de C-Vliegpark beslist na te dragen valt is het feit dat hij – al dan niet in overleg met de BC – kennelijk op enig moment besloten had om alle munitie, voor alle onderdelen, centraal op te slaan in een hangar, in de wetenschap dat een vijandelijke aanval op het vliegveld de gebouwen en opstellingen vanzelfsprekend als doelwit zou hebben.

Men kan zich in goede moede afvragen waarom C-Lvd niet direct aan zijn instructie van 22 april 1940 een aantal officieren koppelde die de uitvoering van die instructie moesten bewaken. Het betrof in hoofdzaak slechts de vliegparken Ypenburg, Valkenburg, Bergen, Schiphol en Waalhaven. Dat had de C-Lvd vijf officieren gekost maximaal, terwijl hij ervoor had kunnen kiezen om bijvoorbeeld Schiphol en Bergen alsmede Ypenburg en Valkenburg gekoppeld door telkens één officier te laten monitoren. Het had hem dan drie officieren gekost. Nu liet hij zijn instructies – die nadrukkelijk ruimte voor interpretatie boden en een zekere kennis van luchtlandingstroepen tactiek bij veldcommandanten aanwezig achtten – over aan infanterie officieren die zich in de specifieke materie van vliegbasisbeveiliging nimmer hadden kunnen bekwamen. Een dergelijke gang van zaken had voor een dusdanig belangrijke verdedigingskwestie veel leed kunnen voorkomen. Niet alleen bij Waalhaven!

Tijdens de strijd was de rol van de C-Vliegpark – gezien de ontwikkelingen – vanzelfsprekend snel uitgespeeld. Zijn squadron was ‘ge-scrambled’, zijn gebouwen stonden in lichterlaaie en de verdediging door het bataljon Jagers was de verantwoordelijkheid van de BC-III-RJ. In die zin kan de man niet worden beoordeeld. Dat kan hij wel in de wijze waarop hij zich beschikbaar stelde aan de Hauptmann die hem tot driemaal toe misbruikte om zijn troepen te doen overgeven. De eerste gelegenheid was op het vliegveld zelf, waar echter verzachtend dient te gelden dat het behoud van levens in die fase van de strijd de majoor [en de luitenant Dijkshoorn die identiek werd ingeschakeld] niet kwalijk kan worden genomen. Anders was dit voor zijn inzet tegenover de beide luchtdoelbatterijen. De majoor had daarbij moeten weigeren zich te laten misbruiken. Volgens het oorlogsrecht mag een gevangen genomen officier worden verzocht zich aldus in te spannen, maar dient diens weigering onherroepelijk te worden gerespecteerd. Er is geen enkele verklaring die gewag maakt van het nadrukkelijk protest van de majoor, ook niet van dwang onder druk van wapenen. Hoewel niet vaststaat dat hij niet sterk heeft geprotesteerd, en niet vaststaat dat hij niet onder dwang van wapenen handelde, mag men voorzichtig concluderen dat de majoor zich niet bijzonder standvastig heeft opgesteld. Hij had als verantwoord officier en bevelhebber moeten weten en beseffen dat zijn autoriteit iedere verdediger zou kunnen overhalen tot capitulatie en dat dit de Nederlandse zaak ernstig kon schaden. Hoewel niemand de autoriteit heeft de majoor na te dragen dat hij zichzelf des benodigd volledig had moeten offeren voor de kwijting aan zijn taak en het gestand doen van zijn functie, had een bevelvoerder die normaliter minderen wél uitdrukkelijk verzoekt desnoods het hoogste offer te brengen om zijn bevelen uit te voeren, zelf ook die uiterste consequentie moeten nemen indachtig de verdediging [‘tot het uiterste’] van zijn vliegpark. Het zij gezegd: dit is een gedurfde uitspraak vanuit een vredige omstandigheid, maar men bedenke dat een hoge beroepsofficier zich terdege bewust dient te zijn van de verantwoordelijkheden én de risico's van zijn vak. Menig officier is in de meidagen deze uiterste consequentie niet uit de weg gegaan en heeft het offer gebracht dat ook majoor Simon-Thomas had kunnen brengen.

Tot zover de luchtverdediging. Waarmee duidelijk mag zijn dat de Commissie van onderzoek wel heel makkelijk over bepaalde zaken was heengestapt ten aanzien van onderdelen en bevelvoerders die uit eigen bron ontsproten waren. Het Commando Luchtverdediging had – zo kan men toch wel stellen – zelf ook niet bijster goed op de winkel gepast. Bovendien had men in het rapport verzuimd om de onwerkelijke bouw van de schutting - vermeend bedoeld om spionage tegen te gaan - een voorname rol toe te dichten in de verwijten die enige partij konden worden gemaakt.

De kritiek die de Commissie dan ook had op de infanterie, in casu III-RJ, was dan ook gegeven met een flinke portie boter op het hoofd. Immers, als men vanuit Den Haag had meegekeken met de ontwikkeling van de diverse vliegparkverdedigingen, dan had mijn tijdig kunnen ingrijpen. Zo had men bij Waalhaven de inderdaad merkwaardige opstelling van de beide ‘buiten compagnieën’ direct kunnen bekritiseren en wijzigen. Men had zich daar echter in feite weinig aan gelegen laten liggen, want ook het bezoek van kolonel Wilmar op 8 mei had geen harde kritiek op de opstelling der troepen opgeleverd. Hij had slechts geadviseerd [volgens zijn eigen verklaring van 22 mei 1940] aan de achterzijde van de oostelijke schutting enkele kleine weerstanddetachementen op te stellen en de reserve met handgranaten uit te rusten. Uit het handelen van majoor de Vos en de voornoemde verklaring van de kolonel Wilmar blijkt dat de kolonel op de opstellingen van de beide compagnieën op zichzelf hoogstens milde kritiek heeft geleverd en hoogstens een gedeeltelijke herschikking heeft voorgesteld. Een fractie dus van de harde kritiek die de Commissie wel wenste te uiten op de opstelling die de BC zelfstandig had gekozen en waarmee deze had gemeend te voldoen aan de eisen gesteld aan zijn dispositief. Wel was de kolonel volmaakt helder geweest in het feit dat hij eiste dat onverwijld met de versterking van gekozen posities moest worden gestart.

Het feit dat majoor de Vos geen veldversterkingen had laten aanleggen was hem zo mogelijk het zwaarste aan te rekenen. Hij gaf daarvoor ook geen enkele verklaring. Zijn aandacht had in eerste instantie gelegen bij secundaire zaken als voedsel en huisvesting. Kwesties die in feite een stafaangelegenheid waren. De stellingen, de oefening voor het gebruik van de beschikbare handgranaten, de opslag en distributie van munitie en de verstandige evaluatie van zijn troepenopstelling en allocatie van commandoposten waren voor de majoor geen urgente(re) zaken gebleken. In nog sterkere zin: zijn onderdelen was verboden te graven! Daarbij was ook zijn handelen ten aanzien van de verbindingen opvallend afwijkend te noemen. Daar waar in den lande bevelvoerders steen en been klaagden over gebrek aan verbindingsmiddelen, was deze commandant in bezit daarvan, maar achtte het gebruik ervan onnodig!

De opstelling van de beide compagnieën buiten het veld was miserabel. Het ontbrak de majoor kennelijk aan het meest basale inzicht. Waarom hij een volledig leger Vijfde Colonisten verwachtte langs de beide wegen leidend naar Rotterdam en Rhoon is een raadsel, maar hij stelde wel zes secties op om deze wegen te beveiligen. De helft van zijn totale eenheid en 75% van zijn eenheden die als buitenverdediging beschikbaar waren. Zaken en overwegingen die nauwelijks te bevatten zijn, zeker niet als men nagaat dat majoor de Vos een 49-jarige beroepsmilitair was van het Wapen der Infanterie, met meer dan 30 dienstjaren. Men zou dus verwachten dat een verstandiger opstelling der troepen voor een rondom verdediging voor hem geen grote opgave had moeten betekenen.

Tijdens de strijd faalde de bataljonscommandant bovendien hopeloos. Hoewel men in 1950 op juridische gronden deze officier niet veroordeelbaar achtte wegens ontbreken van overtuigend bewijs inzake het ten laste gelegde, mag men zijn handelen zonder meer volstrekt laakbaar achten. Het heeft er alle schijn van dat de majoor erin slaagde een versie van het gebeuren te geven en succesvol te verdedigen waarbij het tegendeel van zijn bewering kennelijk niet overtuigend werd gegeven door de beide luitenants die hem afwijkende opmerkingen hadden horen maken, telkens aan hen gericht. Feit is echter dat de majoor volkomen onnodig zijn commandopost verliet, in een vroeg stadium van de strijd, vervolgens rechtstreeks naar Charlois vertrok en onderwijl de door hem verzamelde troepen [dit waren uiteindelijk meer dan 100 man] niet inzette om zijn vliegbasis te ontzetten, maar om een passieve verdediging in Rotterdam Zuid op te bouwen. De vijand moest maar naar hem toe komen. De majoor kwam ermee weg, zoals duidelijk werd in de bespreking van het oordeel van het Militaire Hof in 1950, maar zijn handelen was zeker laakbaar. Het is immers veel logischer aan te nemen dat de majoor inderdaad wilde terugtrekken, en aangezien de Charloise Hooge Dijk vanuit zijn positie de enige logische route was om terug te trekken, hij ook die route koos. Dat op die weg toevallig drie secties van 3-III hadden moeten liggen zal handig zijn uitgekomen voor het latere verweer. Deze korte analyse van zijn handelen is weliswaar arbitrair - het staat immers niet vast - maar het komt vrijwel zeker een ieder die alle verslagen en rapporten bestudeert desondanks als verreweg het meest plausibele antwoord over.

Bijzonder is het dat de Commissie van onderzoek ook het handelen van 1-III-RJ als voldoende bestempelde. Wellicht had men op dat moment de inzichten nog niet dat aldaar de optredende compagniescommandant excelleerde door passiviteit. De luitenant kwam zijn schuilplaats niet uit en gaf geen nadere orders, ook niet toen hem parachutisten werden gemeld. Redelijk en logisch was het geweest zich niet alleen te verplaatsen, maar zich ook voor te bereiden op actieve teweerstelling. Beide zaken gebeurden geenszins en de drie secties ten noorden van de schutting werden, zonder dat er ook maar één slachtoffer viel, gevangen genomen. De compagniescommandant faalde ook hier in het anticiperen op de dynamiek van het gevecht en zorgde er zo voor dat zijn 100 soldaten geen enkele waarde voor de verdediging boden.

Hetzelfde gold beslist voor de CC van 3-III die zich totaal niet inspande om zijn compagnie aan te wenden voor een zuidwaartse verdediging dan wel een offensieve verdediging tegen de landende parachutisten. Het feit dat ook deze CC zich opsloot in zijn CP, terwijl hij geen verbinding had met zijn secties, leidde ertoe dat voordat er weer een frisse neus werd gehaald reeds twee van zijn drie secties richting Charlois waren vertrokken. Twee falende sectiecommandanten, die niet door een actieve CC konden worden gecorrigeerd. Slechts één sectiecommandant - nota bene de meest noordelijk gestationeerde - kwam de CC waarschuwen, maar kreeg zonder dat de CC het gerapporteerde verifieerde, direct opdracht tot de terugtocht. Er was geen enkele sprake van kundig of adequaat optreden bij de CC, die in de dramatische wanprestatie van het gros van het officierenkorps rond Waalhaven deelde.

Zoals de Commissie terecht vaststelde gaf de eigenlijke vliegveldverdediging wel thuis. Met name de MC onderscheidde zich door haar hardnekkige weerstand die zij volhield ondanks het feit dat de infanterie ontbrak voor afdoende rugdekking. Ook toonden op het vliegveld zelf een aantal officieren dat er goed gepresteerd kon worden. De luitenants Dijkshoorn en Des Tombes en de kapitein Lohbeck toonden zich kranige leiders, die het gevaar niet schuwden en met de manschappen samen tot aanpakken kwamen.

De analyse van de verdediging biedt een totaalbeeld dat tot droefheid stemt. Naast de gebreken waar het gehele leger met te kampen had, faalde de lokale leiding bij Waalhaven vrijwel over de gehele linie, maar dient de hogere legerleiding – in casu het Commando Luchtverdediging – ook een deel van de verantwoordelijkheid te dragen. In zijn overigens weinig verheffende egodocument over de strijd stelt Hauptmann Schultz, de commandant van III./FJR1, het volgende vast:

»Der moralische Eindruck auf den Feind war so groß dass sein Widerstandswille schon halb gebrochen war.«

Schultz overdreef in zijn egodocument veel zaken, maar hier was hij vermoedelijk accuraat. De schok van de oorlog kwam voor vele mannen op de grond bij Waalhaven als een ware overval. Net als elders was de verdediging binnen enkele minuten een chaos en waren slechts enkele (onder)officieren in staat hier of daar lokaal een tijdelijk effectieve verdediging te organiseren. Waalhaven ontrok zich niet aan de misère die ook bij Moerdijk, Willemsdorp en Amstelwijck tot eenzelfde spoedig Duits succes had geleid. Hoewel Hauptmann Schultz in zijn beschrijving blufte door te stellen dat het vliegpark in een half uur was veiliggesteld, was het een feit dat om 0630 uur de gehele Nederlandse verdediging was verdwenen. Ze waren gedood, gewond, gevangen genomen of ze waren gevlucht. In totaal waren 800 man verslagen door 500 man en het had de aanvallers veel minder moeite en slachtoffers gekost dan verwacht.

[De bronnen vindt u hier]