Hoek van Holland

Inleiding

In de Proloog wordt de Positie Hoek van Holland uitgebreid besproken qua samenstelling, sterkte en bewapening. Dat wordt hier niet herhaald.

stafkaart Hoek van Holland

Hoek van Holland behoorde tot de uiterste zuidelijke grens van het Westfront Vesting-Holland. In die zin behoort het dan ook niet tot het Zuidfront Vesting-Holland, maar omdat de Hoek en Rozenburg een aanzienlijk contingent luchtlandingstroepen en enkele kleinere verbanden parachutisten te verwerken kreeg en omdat de Britse landmacht participatie aan de Nederlandse strijd in Hoek van Holland aan land kwam, is het interessant de gebeurtenissen binnen de Positie te betrekken bij de besprekingen.

De oorlog begon met afgeworpen mijnen

Met de gehele Positie in volle paraatheid begon de 10de mei met het waarnemen van vliegtuigen en de talloze meldingen over de radio van het overvliegen van het Nederlands territoir door Duitse vliegtuigen. De Positiecommandant zat in de commandopostbunker van Batterij V. Van daaruit was men verbonden met de telefooncentrale in het Fort dat op zijn beurt als centraal communicatiepunt functioneerde voor alle verbonden eenheden.

[13, 223] Toen nog voor 0400 uur Duitse watervliegtuigen zich voor de kust leken te verzamelen, was de gehele bezetting van de Positie in gespannen afwachting van de dingen die komen gingen. Het sein ‘oorlog’ was nog niet gekomen, dus de wapens zwegen nog daar men (kennelijk) de schending van de neutraliteit onvoldoende reden vond het vuur te openen. Wellicht dacht men nog met Nederlandse Fokkers T-8W te maken te hebben.

Het was echter een Staffel He-115 watervliegtuigen [vergelijkbaar qua uiterlijk en grootte met de Fokker T-8W] van een der Küstenfliegergruppen die vanuit de Duitse Waddeneilanden [Borkum en Nordeney] opereerden. Deze watervliegtuigen waren in gebruik om onder andere magnetische mijnen te droppen. Het gebruikte type Luftminen [LM/B] was 945 kg zwaar en werd met een parachute laag boven het wateroppervlak afgeworpen, waarna zo'n mijn naar de bodem zonk. Dergelijke mijnen kwamen tot ontploffing door verstoring van het aardmagnetisch veld, ter detectie waarvan een mechanisme verbonden was met de ontsteking. 

Een zestal He-115 vloog aan boven de vaargeul van de Waterweg, waar als enige maritiem object nog enige navigatielichten brandden. Dat maakte de oriëntatie voor de Duitse vliegtuigen op dat vroege uur mogelijk. Op een hoogte van circa 150 meter vlogen de toestellen één voor één aan en wierpen hun mijnen met parachutes af. Net buitengaats vielen [vermoedelijk] zes magnetische mijnen in en nabij de vaargeul. Volgens het verslag van de marinestaf [223] vielen er twee net ten zuiden, twee op een der lichtlijnen [grens vaargeul Waterwegtoegang] en twee benoorden de vaargeul. Door waarneming werden de posities van deze mijnen min of meer vastgelegd.

[13, 223] De Positiecommandant [hierna 'PC'] KLTZ J. van Leeuwen gaf direct via tussenkomst van het Fort opdracht aan de kustartilleriebatterij VI om met de stukken 7 lang 40 het vuur op de vliegtuigen te openen. Tegen de tijd dat de order was verwerkt en de stukken ingesteld, konden nog slechts twee schoten na worden gegeven, voordat de vliegtuigen uit het schootsveld van de batterij verdwenen. Nadien ging een aantal He-115’s over tot enkele scheervluchten waarbij de boordschutters met hun MG.15 enkele Nederlandse posities en de semafoor onder vuur namen. Enkele Nederlandse posities beantwoorden het vuur met geweren en mitrailleurs. Voor de luchtafweerbatterij vlogen de Duitse toestellen te laag. Aan Nederlandse kant vielen geen slachtoffers, maar ook geen der watervliegtuigen werd neergehaald.

Enkel uren na de mijnlegoperatie ontploften de twee mijnen ten zuiden van de lichtenlijn spontaan. Een kwestie die typerend was voor de instabiele ontstekingsmechanismen van de Duitse magnetische mijnen. Zodoende resteerden nog vier mijnen, welke echter niet in de werkelijke vaargeul lagen. Loodsen werd meegedeeld dat zij kort op de rode tonnenlijn varend veilig zouden kunnen passeren.

[223] Maatregelen werden genomen om de magnetische mijnen op te blazen. De marine had geen mijnenvegers in gebruik die magnetische mijnen konden opruimen. Een buitengewoon kwalijke zaak, daar magnetische mijnen al tijdens de vorige wereldoorlog veelvuldig waren gebruikt. Zodoende werd geïmproviseerd. Een onbemande stalen prauw werd losgelaten in een zodanige positie dat het met de stroom over de ingecalculeerde locatie der mijnen zou drijven. Dit sorteerde echter geen effect. Een aantal afgegeven schoten met stalen granaten door de beide koepels 24 lang 30 van het Fort sorteerde ook geen effect (wat volmaakt logisch lijkt). Zodoende bleven de vier afgeworpen mijnen voor alle stalen schepen die niet gedemagnetiseerd waren [middels een Degaussing sweep of een ingebouwde Degauss installatie] een loerend gevaar.

Parachutisten in beeld

[13, 91, 102b] Even voor 0500 uur kwamen plotseling enkele Ju-52 transport toestellen uit noordoostelijke richting laag aangevlogen. Deze lieten parachutisten uit op enige kilometers ten oosten van Hoek van Holland, vlakbij het Staalduinse Bos [ook wel Staelduinsche Bos].

[476, 501] Het waren parachutisten van 3./FJR2 die voor Ockenburg bedoeld waren geweest. De formatie van 12 Ju-52 [van IV/KGzbV1 volgens bron 476] met de compagnie aan boord was in de nadering van Ockenburg verstoord door aanvallende Fokker D-XXI’s waardoor de gehele formatie uiteen geslagen was. Daarbij waren slechts enkele vliegtuigen werkelijk boven Ockenburg terecht gekomen. [476] De III.Zug kwam tussen Wassenaar en Valkenburg neer, de II.Zug alsmede de Kompaniestrupp bij Hoek van Holland en alleen de I.Zug kwam op of bij Ockenburg neer.

[476] Het was compagniescommandant Oberleutnant Arnold von Roon [bekend naoorlogs publicist over de parachutistengeschiedenis] die met II.Zug [onder Leutnant Hauber] en zijn Kp Trupp neerkwam bij de Polder Staalduinen. In totaal een sterkte van 71 man [volgens het verslag van Oberleutnant van Roon]. (1)

(1) Het sterke vermoeden bestaat dat het slechts rond de 40-50 parachutisten waren die met Oberleutnant Arnold von Roon bij Hoek van Holland afsprongen. Hij zou uiteindelijk met circa 70 man bij Ockenburg aankomen in de avond van 10 mei. Onderweg heeft hij enkele andere verkeerd afgezette groepjes opgepikt, bijvoorbeeld die welke tussen Monster en ’s Gravenzande waren geland. Uit waarnemeningen op de grond alsmede op basis van deductie (vanuit het feit dat de formatie Von Roon zich met twee kleine vrachtwagens en drie personenauto’s vanuit Heenweg richting ’s Gravenzande zou begeven) - en bovendien in overweging nemende dat verslagen van FJR2 spreken van slechts een peloton dat bij Hoek van Holland neerkwam - kan men bijna met stelligheid concluderen dat het inderdaad hoogstens een man of 40-50 kunnen zijn geweest die bij Hoek van Holland neerkwamen. De rest zal (dus) aanwas zijn geweest die onderweg naar Ockenburg werd opgenomen.

Overigens zijn alle verslagen en naoorlogse publicaties van Arnold van Roon weinig accuraat geschreven. Hoe langer na de oorlog, hoe meer aangedikt en uit proporties getrokken zijn oorlogsbelevenissen werden ...

Deze parachutisten waren zich maar al te snel bewust dat ze ver van hun doelgebied waren afgezet. In afwachting van wat als eerste Nederlandse reactie komen ging, verzamelden zij hun wapens en trokken naar het Staalduinse Bos. Dit half negentiende eeuwse (aangelegde) bos strekte zich over een vrij smalle strook van 2 km uit langs de oost-west aangelegde hoge dijkweg [Maasdijk] die van de kust [en van daar naar Den Haag] naar Maassluis liep [tegenwoordig de N220]. Het is vandaag de dag nog grotendeels op diezelfde locatie te vinden.

[13, 102b, 223] Als gevolg van de waargenomen landing van parachutisten ten oosten van de Positie werd direct door de PC opdracht gegeven aan de C-II-39.RI [Res. majoor G. Witkamp] om een stevig landfront op te bouwen. Dat betekende aanvankelijk slechts dat de hoofdmacht van 1-II-39.RI [C. res. kapitein A. Kok] front diende te wijzigen van zeezijde naar de noordzijde van het landfront. Toen echter in de loop van de ochtend Ju-52’s van de tweede luchtlandingsgolf [later in detail besproken] her en der rondom de Positie troepen aan de grond brachten werd het dispositief van de gehele Positie omgezet van front zeezijde naar front landzijde. Als zodanig zou spoedig een egelformatie ontstaan, omdat zowel de troepen aan de noordzijde van de Waterweg als aan de zuidzijde zich in alle landrichtingen ter verdediging dienden op te stellen.

Een herzien verdedigingsplan

[102b, 220] De aanpassing van de Positiedefensie zou betekenen dat in de loop van de ochtend de secties zware mitrailleurs aan de noordzijde het noord- en noordoostfront kwamen versterken, er twee secties mortieren [van 39 Cie.Mr.] werden verplaatst ter ondersteuning van dezelfde sector en aanvankelijk twee, later drie secties van het volledig aan de kust gelegen 15ResGC [C. Res 1e luitenant De Jong] aan de C-II-39.RI werden beschikbaar gesteld voor defensieve maatregelen. Zodoende ontstond een frontlengte [van de kust via de Nieuwlandse Dijk naar de exportslachterij aan de Zekkenweg] van zes kilometer lengte.

[102b] Rond 0600 uur werd de nieuwe frontlijn gevormd. Vanuit de duinen zette een verband van 1-II-39RI zich met twee secties in beweging langs de Nieuwlandse Dijk. Die secties bezetten enkele tientallen meters ten oosten van de Hilwoning [tegenwoordig kruising Nieuwlandse Dijk en Nieuwlandse Molenpad] twee vakken op zo’n 500 meter ten westen van het Staalduinse Bos. Een derde sectie van de 2e compagnie nam stelling in een aanleunde positie.

Positie Hoek van Holland

[102b, 220] 2-II-39.RI [C. Res. kapitein J.C. Vermeulen] met twee secties van 15ResGC nam posities in aan de Zekkenweg ter hoogte van de kruising met de Haakweg. 

[102b] Twee secties mortieren werden bij de elektriciteitscentrale in stelling gebracht. Twee secties zware mitrailleurs eveneens. Een tweede stuk 6-veld - van batterij 6-veld 39.RI - werd bij het reeds opgestelde stuk aan de Nieuwlandseweg geplaatst, nabij de Pannenbuurt. 

[13, 91, 102b, 223] Onderwijl was er op bevel van de PC een patrouille uitgestuurd naar het Staalduinse Bos. Deze kleine patrouille werd geleid door een onderofficier van de regimentverkenningstroepen, sergeant Van Zevenbergen. De patrouille bleef echter op grote afstand van het Bos en had dan ook slechts te melden dat er geen vijand was waargenomen. De PC stuurde daarnaast een peloton van ca. 25 mariniers onder de 1e luitenant der mariniers Van Hamel naar de slachterij Vianda om nadat de batterij aldaar was beveiligd met een groep een patrouilletocht naar het Staalduinse Bos te maken. Rond 0630 uur ondernam men die tocht. De marinierspatrouille stelde vast – hoe dat is onbekend – dat zich circa 60-80 man in het bos schuilhielden. Daarvan zonden zij om 0800 uur bericht aan de PC. Voordien had deze op basis van waarnemingen en meldingen al een bericht aan C-Westfront gestuurd dat zich 100 Duitse parachutisten in het Staalduinse Bos hadden ingegraven.

[91, 223] Aan de zuidwest zijde van het bos nam de groep mariniers stelling in afwachting van infanterieversterking vanuit de Positie. Die zou echter niet komen. Een andere vorm van Nederlandse ondersteuning kwam er spoedig wel. Want de PC had aan de commandant van de kustartillerie [Res. luitenant-kolonel M. de Bloeme] opdracht gegeven met zijn batterijen vuur af te geven op de zuidwest zijde van het Staalduinse Bos. Daartoe konden echter slechts de beide batterijen te Rozenburg assistentie verlenen zodat de af te geven vuren in opdracht werden gegeven bij de Afdelingscommandant [Res. majoor W.T.H. Zegers] aldaar. Na enige tijd werd er een storend vuur gelegd op de zuidwestelijke zijde van het bos. Dat vuur lag echter voor de mariniers buitengewoon kort op hun provisorische stelling zodat zij zich een paar honderd meter terugtrokken. Na het middaguur, toen infanteriesteun verder uit leek te blijven, trok men terug op de batterij bij Vianda.

Maar ondertussen was er al het een en ander gebeurd dat de situatie nog verder wijzigde.

Luchtlandingstroepen rond de positie

Het fiasco van de luchtlandingsoperatie rond de residentie was in de Positie niet bekend. Men kreeg echter wel te maken met enige neveneffecten daarvan.

[33, 91] Tussen 1000 en 1100 uur kwamen er drie Ju-52’s aan de grond in de directe omgeving. De eerste landde zuid van Monster, de tweede op het eiland Rozenburg en de derde vlakbij de Hilwoning.

[102b] Dit laatste toestel landde in de polder na eerst flink te zijn beschoten met twee lichte mitrailleurs van de kleine 4e sectie [C., sergeant-capitulant J. de Vries] van 1-II-39.RI die daarvoor bij de Hilwoning was aangekomen en juist op weg was gegaan naar het Staalduinse Bos. De Ju-52 was samen met twee andere toestellen over komen vliegen. Toen het vliegtuig terugkeerde, werd het opnieuw onder vuur genomen door meerdere Nederlandse vuurorganen, werden treffers waargenomen, maar landde het toestel desondanks schijnbaar zonder moeite in het veld. Daarop ging een patrouille o.l.v. de marinier der 1e klas L. Kruysdijk [deze was als ordonnans naar de Hilwoning gestuurd], marine stoker Baars en enige manschappen van de infanteriecompagnie naar het vliegtuig toe. Onderwijl was het onder vuur genomen door de mortieren bij de Elektriciteitscentrale, waarop het toestel vlam vatte. De aan boord zijnde Duitsers hadden vlakbij het vliegtuig dekking gezocht. Zij vuurden echter nauwelijks op de Nederlandse patrouille.

Stekelvarken S-7 Hoek van Holland

[102b] Toen de Nederlanders dichtbij de opstelling der Duitsers waren gekomen werd door de laatste met een witte doek gezwaaid. Zij gaven zich over aan de patrouille. Er bleken twee Duitsers te zijn gesneuveld en verbrand in het toestel achtergebleven [vrijwel zeker waren dit Unteroffizier Adolf Rosenbohm en Obergefreiter Clemens Buhrmann [32]]. Een derde man was zwaar gewond. Nog enkele Duitsers hadden schotwonden. Allen waren van 7./IR65 [32, 33], met uitzondering van drie Luftwaffe manschappen. Aan boord waren 17 man [inclusief bemanning] alsmede 20 fietsen [die geheel verbrand waren]. Mogelijk zaten in de twee andere doorgevlogen toestellen - die het gelande toestel in de lucht nog vergezeld hadden - ook manschappen van 7./IR65 (2). Hiervan kwam een gedeelte namelijk op Waalhaven terecht, terwijl het voor de residentie [Ockenburg] bedoeld was geweest.

(2) Deze toewijzing aan 7./IR65 lijkt accuraat, net als latere toewijzingen van andere vliegtuigen die rond deze tijd in de omgeving kwamen te landen, die onderdelen van 2./IR65 en 3./IR65 aan boord hadden. Volgens het landingsschema van 12 april 1940 [436] was een vlucht door IV./KGzbV1 gepland van Loddenheide met aan boord eenheden van 1./, 2./, en 3./IR65 alsmede 7./IR65. Vertrektijd was X-Zeit plus 257 minuten. Dat was volgens Nederlandse tijd 0812 uur vertrektijd. Een verslag van IV./KGzbV1 meldt dat rond 0820 uur was vertrokken vanuit Duitsland. De melding van het neerkomen van het vliegtuig met aan boord manschappen van 7./IR65 wordt tussen 1000 en 1030 Nederlandse tijd gegeven. Dat lijkt dus goed mogelijk, zeker als overwogen wordt dat het toestel enige tijd doelloos rondvloog en uiteindelijk een stuk zuidelijker neerkwam dan Den Haag, waar het gepland was te landen. Anderzijds bleken ook toestellen van deze formatie pas tussen 1100 en 1200 uur Nederlandse tijd te landen rond Hoek van Holland. Een kwestie die met de Duitse verslagen in de hand niet (voldoende) verklaard kan worden, maar die ongetwijfeld te maken had met de chaos die de tweede lichting luchtlandingstroepen trof. Desondanks is de landing van de eenheden van 2./IR65 en 3./IR65 rond Hoek van Holland volkomen zeker.  

Volgens het verslag van de Marinestaf [223] was onder de gevangen genomen Duitsers een Hauptmann. Daarvan heeft auteur dezes verder geen nadere gegevens. Het zou dan vermoedelijk om een compagniescommandant zijn gegaan of een Staffelkapitän van de Ju-52 formatie. Hauptmann Wolfram Fünfhausen was de commandant van 7./IR.65. Hij is echter rond Den Haag krijgsgevangen gemaakt. Hauptmann Beermann was commandant van 2./IR.65. Hij komt op krijgsgevangeninventarissen niet voor, maar dat is voor de Hoek van Holland gevangenen niet ongewoon daar die niet werden afgevoerd naar Den Haag. 

Het verslag van de Marinestaf verhaalt voorts dat deze Hauptmann de plannen voor de luchtlandingstroepen bij zich had en dat die prijsgaven dat het doel van de luchtlandingen Hoek van Holland was. Auteur is het onbekend uit welke dikke duim dat verhaal is gezogen, maar iemand zijn duim is gebruikt. Want Hoek van Holland kwam als landingslocatie in geen Duits plan voor. Het zet het vermelden van een gevangen Hauptmann ook in een dubieus daglicht. Te meer daar geen der krijgsverslagen over het geval een Duitse officier meldt.

[13, 91, 102b] Enige tijd nadien kwamen er nog 11 Ju-52 rond Hoek van Holland aan de grond, allen tussen 1129 uur en 1150 uur. Twee kwamen er op Rozenburg neer, met manschappen van 2./IR65. twee in de Nieuwlandse Polder ten zuiden van het Staalduinse Bos, met wederom manschappen van 2./IR65. Vijf toestellen ten oosten daarvan in de Oranjepolder. Ook die hadden manschappen van 2./IR65 aan boord [op één na, met mannen van 3./IR65], waarmee een groot deel van die 2e compagnie terechtkwam bij Hoek van Holland in plaats van Ypenburg, waarvoor het bedoeld was geweest. Nog twee Ju-52 kwamen ten zuiden van het Staalduinse Bos met manschappen van 3./IR.65 in de polder Lange Bonnen aan de grond. Op drie na konden de Ju-52 die in de polders oost van Hoek van Holland geland waren, weer vertrekken [91]. Die achtergebleven drie toestellen zouden later door de Nederlanders in brand worden gestoken. De landingen in Rozenburg worden later behandeld; die rond het Staalduinse Bos worden hieronder nader bekijken.

In totaal kwamen er ten zuiden en oosten van het Staalduinse Bos dus negen Ju-52 neer, met circa 14 man luchtlandingstroepen per toestel aan boord. Een sterkte van vermoedelijk 120-130 man.

[91, 400-404] De manschappen die waren geland begaven zich maar ten dele naar het Staalduinse Bos. Een grote groep – door de Duitse bronnen als Gruppe Martin aangeduid – werd aangevoerd door Oberleutnant Martin, de commandant van 3./IR.65. Deze mannen namen in eerste instantie stelling aan de westzijde van de Oranjepolder.

[476] De parachutisten die onder Oberleutnant von Roon in het Staalduinse Bos zaten, waren daar ondertussen niet passief in de verdediging blijven zitten. Von Roon had geen zin op krachtige Nederlandse aanvallen te wachten, en achtte het zijn taak om aansluiting te zoeken met Ockenburg en dwars door het Westland naar Loosduinen te vertrekken. Hemelsbreed een afstand van exact 10 km. Met de route die von Roon zou kiezen een beduidend grotere afstand.

Nadat het Staalduinse Bos door de beide batterijen te Rozenburg enige tijd was beschoten, besloot Oberleutnant von Roon autoverkeer aan te houden en de voertuigen te gebruiken om naar Ockenburg te komen. Zij merkten de Nederlandse patrouille in de vroege ochtend op, die vanuit Vianda richting het Bos was getrokken, maar gingen daarmee het gevecht niet aan. Na de artilleriebeschieting was de Nederlandse patrouille verdwenen. De beschieting zelf had de parachutisten totaal niet gedeerd. Toen voldoende auto’s waren gevorderd [naar verluid waren er vijf auto’s betrokken, waarvan twee vrachtwagens], vertrokken de parachutisten richting noorden. Het Staalduinse Bos was daardoor enige tijd (zo goed als) van Duitsers verlaten.

De Jagers komen in het geweer

[222] Te ’s Gravenzande lag II-Regiment Jagers [hierna II-RJ]. Van dit bataljon kreeg in de vroege morgen [0500 uur] C-3-II.RJ [reserve kapitein I. Barends] de opdracht een sterke patrouille richting Staalduinse Bos te sturen. De compagnie lag op dat moment aan de Naaldwijkseweg, net iets meer dan een kilometer van het Bos verwijderd. Voordien had men al een viertal rijwiel patrouilles die kant op gestuurd om een status op te nemen. De rest van de compagnie diende zich aan de oost- en zuidoostzijde van het dorp ter verdediging voor te bereiden op eventuele vijandelijke acties. De patrouilles kwamen ondertussen terug met meldingen dat zij geen vijand gezien hadden.

[222] Op het kruispunt Naaldwijkse weg en Woutersweg lagen een sectie infanterie [C. luitenant van Lieshout] plus een zware mitrailleur van de MC. Aanleunend de 4e sectie van de 1e Compagnie. De compagniescommandogroep was ook op korte afstand van het bewuste kruispunt aanwezig.

[222] Het ca 1,5 km zuidoostelijker gelegen kruispunt Maasdijk-Heenweg was doelgebied voor een andere sectie van 3-II-RJ, onder de reserve 2e luitenant Redeker [24 man] versterkt met een stuk van de sectie MC van de reserve 1e luitenant W.A. Semeijns de Vries van Doesburgh. Dit kruispunt [thans in het gehucht Heenweg] lag pal tegenover het Staalduinse Bos. Rond 0530 uur benaderde de sectie de hoge Maasdijk, toen het aan de noordelijke voet daarvan ineens overvallen werd door een hagel van vuur en handgranaten. Ze waren gestuit op de parachutisten onder Von Roon, die zich net van auto’s hadden voorzien en gereed waren geweest voor vertrek.

Fort Maasmond anno 1940

[222] Luitenant Redeker trad buitengewoon zwak op en trok zelf met de helft van zijn formatie terug om zich bij zijn compagniescommandant terug te melden met het bericht van het contact, terwijl de luitenant van Doesburgh van de MC sectie achter bleef met een deel der manschappen en in een zwaar gevecht raakte. Handgranaten vlogen over en weer. De Jagers hadden zelf één granaat per man, die zij spoedig kwijt waren, maar door de Duitsers toegeworpen granaten werden snel teruggeworpen zodat ze vooral aan Duitse zijde explodeerden. Hierbij raakte een der MC manschappen een hand kwijt toen een teruggeworpen granaat vlak na het verlaten van zijn hand explodeerde. Buitengewoon sluw bleken de parachutisten echter. Zij wisten niet hoeveel tegenstand zij hadden en wierpen daarom handgranaten over de locatie waar zij ze van teruggeworpen hadden gekregen (een techniek die ingeslepen was in de opleiding!) en toen die niet terugkwamen konden zij de locatie en sterkte van de Nederlanders inschatten. Het duurde niet lang of de parachutisten stormden onder luid gekrijs en vurend uit de wapenen over de dijk. Aan weerszijde van de dijk rolden de Duitsers naar beneden, om met korte vuurstoten de Nederlanders uit te schakelen of te verjagen. Enkele Nederlanders werden gedood, sommige raakten (zwaar) gewond, eentje werd gevangen genomen en enkele – waaronder de luitenant – wisten te ontsnappen. De gesneuvelden waren de soldaten C.J. de Snaijer en E. Noordam alsmede de korporaal R. Hulsker [31]. De soldaat Datema werd krijgsgevangen gemaakt [222]. De Duitsers hadden geen verliezen geleden, hoewel wel één hunner gevangen werd genomen in de vroege middag (en te Naaldwijk bij het regimentscommando RJ werd afgeleverd) [32].

[222] Na de confrontatie met de Jagers probeerde de groep onder Oberleutnant von Roon via de Maasdijk en de Wouterseweg door ’s Gravenzande te rijden. Een gevangen genomen Nederlandse soldaat [dit was niet soldaat Datema] werd voorop de eerste wagen gezet, met een mitrailleur naast hem op het dak. Hierna reed de autocolonne de Maasdijk in westelijke richting af en draaide de Wouterseweg op, recht op de positie van de Jagers af die het kruispunt noordwaarts bij de Naaldwijkse weg bezet hielden. Ter hoogte van het café ‘Jan de Pet’ werd door de Nederlanders het vuur geopend. De Duitsers beantwoorden het vuur en sprongen uit de auto’s aan weerszijde de berm en de polders in. Ze waren de even eerder toegeëigende voertuigen alweer kwijt.

[222] Enige tijd later werd opdracht gegeven de door de Duitsers op de Wouterseweg achtergelaten auto’s en vrachtauto’s binnen eigen stelling te brengen. Het betrof een wagen van de reinigingsdienst [met een hakenkruisvlag op de voorzijde], twee vrachtwagens en (tenminste) twee luxe auto’s, waaronder de auto van een huisarts uit ’s Gravenzande. Sergeant IJ. Heringa (dpl.) en vier manschappen brachten de vrachtwagens en de wagen van de reinigingsdienst in veiligheid. De auto van de arts wilde niet meer starten. In en op de auto’s zat een flinke buit. Twee gevulde munitiekarren, enkele lichte mitrailleurs, een aantal kijkers, kaarten en enkele uitrustingstukken. Het vuurgevecht eiste tenminste twee doden aan Nederlandse kant. De soldaat A. Roos van 3-II en soldaat A.M. Rotteveel van de MC-II kwamen om bij het vuurgevecht rond het café [31]. Drie militairen van de staf-RJ zijn ook geregistreerd [31] als gesneuveld op deze locatie en wel de sergeant-capitulant E.A. Versteeg en de soldaten E. Michels en J.P.N. Kraak. Hun aanwezigheid kan niet goed worden verklaard, wat de mogelijkheid open laat dat zij op een ander moment (tijdens de eerste oorlogsdag) op deze locatie omkwamen (3).

(3) Curieus genoeg kwam ook de commandant van 48 Cie PAG - kapitein A.A. Schwing - om bij Jan de Pet. De omstandigheden onder welke zijn sneuvelen plaatsvond is auteur dezes onbekend. Het vermoeden bestaat vooralsnog dat het een sneuvelen later op de ochtend of begin van de middag betrof, toen II./RJ en 48.C.Pag. tot samenwerking kwamen in de omgeving van Naaldwijk. Volgens verslagen kwam de kapitein 'in de loop van de morgen' naar het kruispunt nabij Jan de Pet en werd hij op enig moment door Duits vuur dodelijk getroffen. Van inzet van PAG is niets bekend op deze locatie.

Aan Duitse zijde sneuvelde niemand volgens de officiële registraties, hoewel een dode door henzelf aan de strijd rond ’s Gravenzande wordt toegerekend (4). [32, 476]

(4) Er is een ongeidentificeerde parachutist in deze sector geregistreerd. Dat zou de man kunnen zijn die in het Duitse verslag wordt aangeduid als de 'eerste gevallene'. In het boek 'Oorlog rond Hoek van Holland' [91] wordt op pg 40 abusievelijk de Obergefreiter Albert Fölsch aangeduid als een bij de Hoek gesneuvelde parachutist. Fölsch was echter seiner aan boord van een Ju-88 van 9./KG.4 en stierf bij de crash van zijn toestel [32,33] 5J+IT in het IJsselmeer na de eerste aanval op Schiphol. De databank van Weltkriegsopfer bevestigt zijn registratie als zodanig.

Wat was hier aan de hand?

De Nederlandse krijgsverslagen en de geschreven historie tot op heden gaan ten aanzien van één aspect allemaal mank bij de beschrijving van de gebeurtenissen rond de Maasdijk en het Staalduinse Bos in die ochtend van 10 mei 1940. Men ging er namelijk vanuit constant met vooral parachutisten te vechten, die op meerdere locaties zaten.

In feite had men tot drie maal toe contact met dezelfde groep rond Oberleutnant von Roon. De eerste keer zat deze groep nog in het Staalduinse Bos, toen zij werd verkend door de mariniers. Na de beschieting door de kustbatterijen besloot Von Roon dat afwachten tot er een krachtige Nederlandse tegenaanval kwam zinloos was en daarom besloot hij uit te breken en de tocht naar Ockenburg te aanvaarden. Nog voor vertrek stuitte een deel van zijn parachutisten op de Nederlandse Jagers bij het kruispunt Maasdijk-Heenweg. Nadat de Nederlanders daar waren verdreven, koos Von Roon er vermoedelijk bewust voor niet de Heenweg richting Naaldwijkse weg af te rijden, maar om de iets westelijker gelegen parallel aan de Heenweg liggende Wouterseweg te nemen. Daar kwam zijn kleine konvooi vervolgens in aanraking met andere Jagers, die het dorp ter verdediging hadden ingericht. Na daar uit de auto’s te zijn gejaagd, trokken de parachutisten door de polders richting Monster. Daar laten we hen gaan, want deze formatie zou in de avond Ockenburg bereiken, waar ze inmiddels 70 man sterk was geworden doordat ze onderweg met andere verkeerd gedropte parachutisten waren herenigd. De bespreking in detail van die avontuurlijke reis valt werkelijk buiten de orde van de bespreking van het Zuidfront.

Deze aanzienlijke groep parachutisten zou voor Generalleutnant Hans von Sponeck een onverwachte maar dankbare versterking vormen in de late avond van 10 mei. De generaal was immers bij Ockenburg met slechts één peloton parachutisten van 3./FJR2 en vooral divisietroepen neergekomen in de vroege ochtend van 10 mei. Het gros van de voor hem bedoelde luchtlandingseenheden van I./IR.65 was in het Westland en bij Hoek van Holland neergestreken, voor zover ze al waren vertrokken uit Duitsland.

In de middag en vroege avond hadden diverse Nederlandse formaties opnieuw gevechtsaanraking met de Duitsers, vooral rond en in het Staalduinse Bos. Onterecht ging men er vanuit – ook in de diverse historische boeken hierover – dat het dezelfde Duitsers betrof als die men in de uren tussen 0530 en 0700 rond de Maasdijk, Wouterseweg en de Heenweg had getroffen. Het waren echter de in aantal de parachutisten aanmerkelijk overtreffende luchtlandingstroepen van 2./ en 3./IR.65 die zich in het Staalduinse Bos ophielden in de middag en avond van 10 mei.

Nieuwe marsorders II-RJ

[222] Nadat de vroege ochtend de Jagers onverwacht alom in actie had gebracht tegen parachutisten, kreeg het bataljon al bijna even vroeg in de morgen nieuwe marsorders. Wat was het geval?

[13, 222] De massale luchtlandingen aan het zuidfront hadden in Den Haag direct geleid tot een noodmaatregel van formaat. De gehele strategische reserve [hoofdmacht van 1.LK] werd door de OLZ ter beschikking gesteld aan C-VH. Deze gaf op zijn beurt aan C-1.LK [generaal-majoor N.T. Carstens] opdracht één bataljon infanterie onverwijld beschikbaar te stellen aan C-Kant Rotterdam. Die opdracht werd aan majoor van Wijk [C-II.RJ] overgebracht als uitverkoren eenheid. Om 0600 uur werd telefonisch het bevel ontvangen [van C-1e Divisie, kolonel W.F.K. Bischoff van Heemskerck] dat het gehele bataljon zich naar Rotterdam diende te begeven. Zoals te doen gebruikelijk werd daarbij een gedicteerde opdracht ontvangen [222]:

» II.RJ versterkt met een sectie 48.C.Mr. begeeft zich met te vorderen auto’s naar Rotterdam over Naaldwijk-Wateringen-Delft-Overschie. C-II-RJ meldt zich te Rotterdam bij den Garn.C.. «

Een curieuze marsopdracht. Waarom diende het bataljon immers uitgerekend een marsroute te volgen waarvan op dat moment bij zowel C-I.LK als C-1.Div bekend was dat het laatste traject buitengewoon bezwaarlijk te vervolmaken was wegens de Duitse landingen bij Ypenburg en Delft? Waarom werd het bataljon niet geïnstrueerd om de kortste en vooral meest veilige route te kiezen door Maassluis en Vlaardingen het westen van Rotterdam te benaderen? Vragen die niet beantwoord kunnen worden.

[222] C-II.RJ besloot in elk geval een andere dan de opgegeven route te kiezen, althans als het aankwam op het eerste deel, dat hij immers kon overzien qua status. De gevechtsaanraking bij de Maasdijk forceerde hem om niet rechtstreeks naar Naaldwijk te gaan, maar via Monster Naaldwijk te benaderen, en van daaruit via Wateringen, Delft en Overschie Rotterdam te bereiken. Zoals de oplettende lezer zal ervaren ontbreekt het aan logica. Monster ligt ten noorden van ’s Gravenzande (waar het bataljon lag). Naaldwijk ten oosten van ’s Gravenzande. Het lijkt dus onlogisch eerst noordwaarts te trekken om tenslotte weer zuidoostwaarts te zakken. Kwestie was echter dat het noodzakelijke gebruik van verharde en goed begaanbare wegen in het Westland deze omslachtige route vereisten en dat deze wegen niet voorhanden waren. Desondanks blijkt dat C-II.RJ niet geïnformeerd werd dat de Duitsers ook in de regio Wateringen – Delft – Overschie in grote aantallen geland waren. Een buitengewoon kwalijk gevolg van de waardeloze informatie die C-II.RJ van staf I.LK q.q. staf 1.Div kreeg. En hoe vaak hebben we deze ondermaatse informatieverschaffing vanuit verantwoordelijke staven inmiddels niet gezien?

[222] Geluk bij een ongeluk was dat C-RJ een stokje stak voor de kansloze mars van II-RJ. De Regimentscommandant [overste H.D. Scherpenhuyzen] was ondertussen namelijk ook al een bataljon uit Loosduinen kwijt voor de bestrijding van de Duitse luchtlandingstroepen rond Ockenburg. III-RJ was gebonden aan Waalhaven en dus was het zaak dat – gezien de veelvuldig gemelde landingen van parachutisten in het Westland – II-RJ niet eveneens zou worden verplaatst uit het gebied. Die overweging van C-RJ werd echter pas om 1000 uur gedeeld met C-II.RJ. Die laatste had zich tot die tijd de hersens gebroken hoe hij enerzijds zijn troepen, die in gevechtscontact waren met de vijand, voldoende ondersteund kon losmaken van zijn bataljon en anderzijds zijn hoofdmacht marsgereed kon krijgen. De verlossing, die om 1000 uur telefonisch kwam, was dus zeer welkom. Onderwijl was echter al een aanzienlijk deel van het bataljon te Naaldwijk aangekomen. Hoe verkeerd zo’n georganiseerde mars toch nog kon gaan, bleek wel toen de gehele paardentrein rechtstreeks naar Delft was gereden en zich dus, zonder instructie daartoe van het bataljon, had losgemaakt. Bovendien was een sectie van de MC inmiddels op bevel van C-1.Div naar Terheijden gestuurd.

[222] C-II.RJ maakte vervolgens op bevel van C-RJ van het toch al aanzienlijk bezette Naaldwijk (5) de uitvalsbasis van het bataljon, terwijl het gros van de gevechtseenheden zich nog in de omgeving van de Maasdijk bevond.

(5) Hier waren op dat moment nog (deels) aanwezig II-2.RA en geheel 48.C.Mr, 48.C.Pag en 48 bt 6-veld. Bovendien was aldaar de staf van het RJ aanwezig.

Het was in het bijzonder 3-II-RJ - ondersteund door onderdelen van de MC en van beide andere compagnieën - dat nog steeds zeer actief met haar secties rondom de Maasdijk betrokken was bij een schoonveeg operatie. Kapitein Barends meldde rond het middaguur nog aan de BC dat hij zich in een uiterst gunstige positie bevond om het gebied vijandvrij te vechten.

Acties in de middag

In de vroege middag was 3-II-RJ samen met een sectie zware mitrailleurs nog volop bezig met het opruimen van gesignaleerde vijand rondom de Maasdijk. Zij waren zich uiteraard niet bewust van het feit dat die vijand juist de ambitie had zich te verwijderen en heelhuids te Loosduinen te geraken. Zonder dat de Nederlanders het doorhadden (!) waren de parachutisten in het begin van de middag erin geslaagd ongezien het gebied te verlaten.

[222] 1-II-RJ was tot steun van 3-II-RJ al vanaf de vroege morgen aangeleund en deels ook in de strijd betrokken geraakt. Om 1345 uur kreeg de compagnie opdracht zich naar Naaldwijk te begeven. De stellingen langs de Maasdijk en Naaldwijkseweg werden ontruimd. Nadat men zonder problemen in Naaldwijk aankwam, kreeg de compagnie opdracht enkele uitvalswegen te bezetten.

[222] 2-II-RJ kreeg om 1345 uur opdracht om de drie Ju-52 die bij de Oranjepolder waren geland te vernielen. Reserve kapitein D.J. Karres liet daartoe twee secties voorwaarts gaan langs de Heenweg richting Maasdijk. Deze kwamen wederom – zoals ook in de morgen het geval was – onder vuur te liggen van Duitsers die dit strategische kruispunt opnieuw hadden bezet. Bovendien ontvingen de beide secties mortier- en mitrailleurvuur vanaf de Oranjesluizen. Op die locatie zat de Gruppe Martin, terwijl in het bos, en vermoedelijk aan de noordzijde daarvan, ook een paar dozijn luchtlandingstroepen zat. Na een langdurig vuurgevecht, waarbij de Nederlanders niets bereikten (maar wel twee slachtoffers te betreuren hadden), trok men om 1600 uur terug naar het noorden. Dat men inmiddels niet meer met parachutisten maar met luchtlandingstroepen van doen had, ontging de Nederlanders. Overigens is dat laatste een detail dat in het licht van die dagen niet zo heel belangrijk zal zijn geweest.

[222] 3-II-RJ had zoals gemeld de taak behouden om de parachutisten rond café Jan de Pet te bestrijden. Om 1345 uur kreeg de compagnie opdracht zich los te maken van de vijand en terug te keren op Naaldwijk. Die operatie nam zoveel tijd in beslag dat de compagnie pas om 1630 uur in Naaldwijk weer zo goed als compleet was. Nadien zou men opdracht krijgen een dozijn gevangen Jagers in het politiebureau van Monster te bevrijden. Met de compagnie aldaar aangekomen (het was reeds avond) bleken die al te zijn bevrijd. De vastgezette Jagers waren daar gevangen genomen door Duitse parachutisten. De parachutisten van Von Roon - zoals uit diens smakelijke verslag in het Mitteilungsblatt des BDF's (mei/juni 1984) bleek. Terwijl de door alle avonturen van die ochtend dorstig geworden Von Roon een smakelijk biertje stond te bestellen in een lokaal etablissement - waarvoor hij uiteraard ruimhartig de waard vergoedde - werden de parachutisten beschoten. 'Der Ronni' - zoals Von Roon amicaal voor kameraden bekend stond - had zijn mannen aangespoord direct deze weerstand te breken, wat geschiedde. Omdat gevangenen ballast waren, had Von Roon deze keurig opgesloten in het lokale politiebureau. Dat de para's onderwijl snel richting duinen doortrokken, was de overige Nederlanders in Monster ontgaan. Niemand aan Nederlandse kant die besefte dat ze wederom met de spookformatie van Oberleutnant von Roon te maken hadden gehad. Hij was intussen goed voor een vierde gemelde groep parachutisten, hoewel het telkens slechts om zijn peloton met stafgroep ging.

[222] Tot werkelijk intensief contact met de Duitsers kwam het niet meer voor II-RJ. Om 2330 uur zou het bataljon opdracht ontvangen zich beschikbaar te stellen aan de PC Hoek van Holland. Aldaar was men namelijk in de veronderstelling dat men massaal door luchtlandingstroepen en parachutisten was omsingeld en dat deze ambitie hadden de Positie in te nemen. Dat het in de praktijk slechts nog om een 130 man luchtlandingstroepen ging, die zich bovendien uiterst passief concentreerden in en om het Staalduinse Bos, ontging het lokaal commando. Niet heel opvallend natuurlijk, als de lezer alleen het peloton Von Roon al goed weet voor vier meldingen rondom de Positie. In elk geval achtte de Positiecommandant zijn 1,700 beschikbare manschappen kennelijk onvoldoende om de gelande Duitsers te bestrijden en werd zijn overtuigende smeekbede voor versterking beantwoord door II.RJ ter beschikking te stellen.

De Positie in de middag

[geheel: 102b] Om 1300 kreeg C-2-II.39.RI opdracht het Staalduinse Bos te zuiveren. Een opdracht waarvan men wederom zich afvragen kan hoe die zich verhield met de ‘intelligence’ die men inmiddels van het gevechtsterrein had verkregen.

De PC gaf aan de BC de bewuste opdracht het Staalduinse Bos te zuiveren. Feit is dat beide officieren zich een beeld hadden gevormd van 100-150 Duitsers in dat bos en de directe omgeving. Dat beeld was accuraat, hoewel men zich niet bewust was van de samenstelling van die groep. Een omgeving ‘zuiveren’ die door een groter vijandelijk verband bezet wordt dan het zuiverende verband zelf telt, is echter ongebruikelijk en - in letterlijke zin - onwijs. Een zuivering voert men uit van een gebied waar de vijand goeddeels is weggetrokken dan wel verslagen en men placht dit te doen met een groter aaneengesloten opererend verband. In dit geval was er eerder gewoon sprake van een aanvalsactie. En hoewel men ervoor kan kiezen een aanval uit te voeren met een kleiner verband dan de tegenstander geacht wordt te hebben, was dat in de gegeven situatie onlogisch. Het was echter een gevolg van de oprekking van een dispositief waarbij concentraties niet meer bestonden en waarbij men trachtte iedere hoek van het front met een zeker verband bezet te houden. Zodoende kon men zelfs uit zo'n 750 man gevechtstroepen geen behoorlijke slagkracht meer vrijmaken en moest een relatief klein verband een ambitieuze actie opzetten.

Een bijzondere anekdote mag hier wel vermeld worden. C-2-II-39.RI – kapitein Vermeulen – was opvallend genoeg net als collega CC kapitein Smeele [3-II], vooroorlogs welhaast een ziener gebleken. Hij had binnen zijn compagnie buitengewoon veel aandacht besteed aan de bestrijding van parachutisten. Daartoe had hij te allen tijde een sectie geheel stand-by, met de wapens op de man, als er weer sprake was geweest van de hoogste alarmfase. Bovendien – heel opvallend – had hij een vrachtwagen laten voorzien van stalen platen die als provisorische pantserplaten dienst deden. Die vrachtwagen stond ter beschikking van zijn parate sectie om direct op gemelde parachutisten af te kunnen gaan. De PC was na verloop van tijd achter deze 'eigengereide' praktijken gekomen en had ze onmiddellijk doen staken. Maar ‘beschaafd eigenwijs’ als de kapitein was, had hij een inspectie van de C.VH-Westfront gebruikt om de kolonel de Groot op zijn initiatief te wijzen en deze had hem gemachtigd de sectie vooral als zodanig te blijven inzetten. In de ochtend van 10 mei had de staf van het regiment [39.RI] de bewuste vrachtwagen echter beladen met goederen en weigerde die weer beschikbaar te stellen. Dat terwijl bij uitstek die regimentstaf geen rol had in die fase van de strijd …

Rond 1300 uur werd door C.2-II-39.RI van de chef-staf van de Positie [kapitein Kronig] bevel ontvangen zich te kwijten aan zuivering van het Staalduinse Bos. Zijn verband was alles behalve homogeen. Hij beschikte over in totaal een 140 man, waarvan echter een voornaam deel van 15.ResGC en de 1e Compagnie. Die formatie – onder achterlating van een klein contingent voor beveiliging – werd in drie provisorische secties opgedeeld. Eén sectie kwam onder de reserve 1e luitenant M. Dubbeld [1-II-39.RI], de tweede onder reserve 2e luitenant R. van den Akker [Staf II-39.RI, Gasofficier] en de derde onder de reserve 1e C. luitenant Deijs [2-II-39.RI]. Aan de sectie van de luitenant Van den Akker werd sergeant de Pous toegevoegd, omdat de bataljon gasofficier alles behalve een geoefend veldofficier was. Kapitein Vermeulen voerde zelf de formatie aan.

De aanval op het Staalduinse Bos

[geheel: 102b] De gelegenheidsformatie onder C-2-II-39.RI trok rond 1530 uur via de Zekkenweg [parallel aan het spoor] naar een gereedstellingsgebied aan de Haakweg pal west van het bos. Aldaar werden de drie secties naast elkaar opgesteld, met een kleinere beveiligingsgroep voor de positie rechtsachter [onder een aan auteur dezes onbekende commandant]. Zodoende werd in de eerste fase de geijkte 2+2 gevechtsformatie van het Nederlandse leger weer gevormd. Iedere sectie kreeg een derde deel van het bos (west naar oost) toegewezen, en diende dat individueel te zuiveren nadat de westelijke bosrand was bereikt. De middelste en rechter sectie zouden voorop gaan, de linker sectie en beveiligende groep in tweede lijn, waarbij de linker sectie terrein moest goedmaken nadat de bosrand zou zijn bereikt. Voorafgaand aan de actie zou eerst een korte barrage door de beide batterijen 12 lang 40 vanuit Rozenburg worden afgegeven.

De voorwaartse beweging werd ingezet toen de stukken van 12 cm zwegen. Naast elkaar trokken de secties op in oostelijke richting, waarbij echter de middelste sectie [luitenant Van den Akker] spoedig verband met de linker sectie [luitenant Deijs] verloor. Vrijwel het gehele bos kon men doorkruisen zonder dat op tegenstand werd gestuit. Echter op een paar honderd meter van het boswachtershuis (uiterste zuidoosthoek van het bos) nam kapitein Vermeulen met zijn kijker een grote groep Duitsers bij het gebouw waar (6), die op hun beurt de Nederlanders nog niet zagen. In plaats van gebruik te maken van hun heimelijke nadering besloot de kapitein één lichte mitrailleur op het bospad te doen plaatsen en een trommel te laten leegschieten op de Duitsers. Die stoven alle kanten uit na deze welkome voorwaarschuwing. De Duitsers vuurden niet terug, zoals zij immers gewoon waren tegenstanders te laten naderen en deze niet reeds - zoals de Nederlanders plachten te doen - op 150 of 200 meter afstand te beschieten. Kapitein Vermeulen gaf opdracht aan de rechter sectie om voorwaarts te gaan. Men raakte tot aan de open plek west van de boswachterswoning, binnen een afstand van 100 meter van de vermoedde Duitse positie. Toen brak de hel los. De Duitsers hadden de Nederlanders rustig dichtbij laten komen en vuurden toen van alle kanten vanaf enkele tientallen meters op de twee secties. Hierbij werd de mitrailleurschutter die eerder op de Duitsers vuurde, soldaat A. Kraster, gedood.

(6) Daar de kapitein was ingelicht dat een compagnie Jagers vanuit het noorden zou ageren tegen de Duitsers in het bos, was er nog enige tijd sprake van dat men Nederlanders verwachtte tegen te komen. Die compagnie Jagers – 2-II-RJ – bereikte zoals bekend de overkant van de Maasdijk niet eens.

Het koste de compagniescommandant alle moeite de discipline te bewaren, maar de troep hield zich goed. Er werd teruggeschoten op de Duitsers. Onderwijl was contact verloren met de middelste sectie, die beduidend op de rechter sectie was achtergebleven. Daardoor was de rechter sectie gevaarlijk geïsoleerd geraakt. Kapitein Vermeulen liet enkele manschappen de directe omtrek verkennen en ging zelf ook – samen met de sectiecommandant luitenant Dubbeld – op verkenning uit. Onverstandig uiteraard, maar passend in de toenmalige traditie dat bevelhebbers zelf verantwoordelijkheid moesten nemen. Beide officieren werden echter onverhoopt beschoten door een Duitser met een MP, waarbij zij zich slechts met grote moeite aan de kogelregen konden onttrekken. De officieren wisten zich weer bij de voorste sectie te voegen. Daar stonden zij open en bloot op de weg te overleggen hoe verder te handelen toen de kapitein Vermeulen door een sluipschutter in de rechterborst getroffen werd. De gewonde kapitein werd door twee soldaten gauw van het pad getrokken. Maar doordat de kapitein was uitgeschakeld, bloedde ook de actie volkomen dood. Dat was zij al eerder bij de linker sectie, die zich inmiddels in front en op haar linker flank [kruispunt Heenweg - Maasdijk] bedreigd wist. De middelste sectie begon ondertussen deels al terug te trekken. Luitenant Dubbeld - die het commando had overgenomen - onderkende spoedig dat wegens het verloren contact met de middelste en linker sectie, omsingeling door de tegenstander een kwestie van tijd was. De sectie trok zich daarop terug naar de uitvalsbasis, waarbij tijdens een sprong over een sloot de korporaal L. Vermeulen door een Duits mitrailleursalvo werd gedood. Voor de kapitein werd een kar geregeld zodat deze daarop gelegen mee terugkwam met de troep. Hij werd nadien afgevoerd en zou vanzelfsprekend de meidagen niet meer terugkeren naar zijn eenheid.

De compagnie [lees: het samengestelde verband onder C-2-II-39.RI] kwam na de mislukte actie weer samen langs de Haakweg. Daar bleek echter de sectie van de luitenant Deijs onvindbaar. Die sectie – de linker, die het noordelijke deel van het bos was ingetrokken – was zoals vermeld op Duitse weerstand gestuit aan de noordzijde van het bos en het inmiddels beruchte kruispunt Maasdijk / Heenweg en was daarop via de Maasdijk terug naar Hoek van Holland getrokken.

De resultaten van de ‘zuiveringsactie’ waren nihil geweest. Althans, de Duitsers waren niet verjaagd en hadden slechts één (7) dodelijk slachtoffer [Obergefreiter Hans Böhnel, 2./IR65]. Aan Nederlandse kant waren vier man gesneuveld. Naast de reeds genoemde twee militairen, waren de soldaten D. Boer en D. Bravenboer dodelijk gewond geraakt tijdens de actie. Beiden overleden nog dezelfde dag. En uiteraard was de zwaar gewonde compagniescommandant van 2-II-39.RI uitgeschakeld.

(7) Er viel nog een Duits slachtoffer, hoewel onzeker is of dit ook op de eerste dag was. Het was Obergefreifer Josef Lücke van 3./IR.65. Hij overleed aan zijn verwondingen op 25 mei 1940.

De Nederlandse tegenactie was nog niet helemaal ten einde, want er was nog een nabrander. Een motorordonnans, die met de compagnie van kapitein Vermeulen was opgetrokken, werd in het bos eerst van zijn motor geschoten, maar kwam daar zonder kwetsuur vanaf. Hij kon even later de motor weer aan de praat krijgen en bereikte de BC met het nieuws dat de aanval was mislukt en vastgelopen. De dienstplichtig sergeant A. Smit, werkzaam bij de staf II-39.RI, kreeg daarom even voor 1900 uur bevel van de BC om zich naar de sectie mariniers onder de 2e luitenant der mariniers Scharroo te begeven, die zich ophield bij Vianda. Hij diende daar met een aantal vrijwilligers en enkele blikken brandstof naar het bos te gaan en dit in brand te steken. Bij aankomst bij Vianda vertrouwde Scharroo de opdracht niet erg en nam eerst contact op met de BC. Deze bevestigde de opdracht waarna de sergeant met vijf mariniers en enkele blikken benzine naar het bos verdween. Zij sprenkelde de benzine over een aanzienlijk perceel uit en staken het aan. Het jonge loof wilde echter niet duurzaam vlam vatte, zodat ook deze creatieve tegenactie mislukte.

Zodoende was een slecht opgezette aanvalsactie geëindigd in een totale mislukking. Aan moed had het de aanvallers bepaald niet ontbroken. Aan gogme wel. Het is bijna niet uit te leggen dat infanteriegeschut, zware mitrailleurs en mortieren - voorhanden op korte afstand - niet werden gebruikt bij de aanval op het Staalduinse bos. Waarom werd met de overdaad aan geschut ter plaatse niet eerst een langdurige barrage op de Duitse posities gelegd? Waarom geen mortieren meegevoerd met de aanvallers? Waarom viel men niet vanuit twee hoeken aan, in plaats van de fantasieloze en voorspelbare 2+2 formatie vanuit het westen? Allemaal vragen die opkomen als men de aanvalsactie bestudeert. Uit alles blijkt dat de deelnemende militairen moedig optraden, niet versaagden bij de eerste kogels die hen om de oren vlogen of de eerste doden die vielen. Het was echter het totale gebrek aan oefening en kunde, het onbekende met de veldmanoeuvre en gevechtstactiek, dat telkens weer leidde tot het geijkte eindresultaat: doel niet bereikt.

17 Bt LuA

[226] Als enige luchtafweermiddel – naast enkele zware mitrailleurs binnen de Positie die als zodanig waren ingedeeld – was er de 17e Batterij Luchtdoelartillerie met drie stukken Vickers 7,5 cm en twee M.25 zware mitrailleurs. De Batterij stond opgesteld in een lage duinensector ten noorden van het Fort. Commandant was de reserve 1e luitenant G.B.R. de Graaff.

[226] De batterij was volledig paraat, met opgestarte generator en volle bezetting om klokslag 0300 uur. Korte tijd later nam men de formatie van KG.4, bestaande uit 11 He-111’s, waar die de eerste aanval op Waalhaven zou uitvoeren. Enige tijd later kwamen laag overgevlogen kleine formaties Ju-52. Al deze doelen vlogen zodanig laag dat zij voor de 7,5 cm stukken vaak geen geschikt doelwit vormden. De vuurgeleide stukken Vickers hadden immers een minimale schootsafstand van 1,000 m nodig voordat de ontsteking van de granaten scherp was gesteld. Desondanks werd gedurende de gehele dag levendig gevuurd op de talloze doelen die zich steeds boven de Hoek bevonden. De batterij verschoot circa 350 granaten op de eerste oorlogsdag.

Bevestigde neergeschoten vliegtuigen waren er niet. Er zijn de batterij voor 10 mei dan ook geen ‘kills’ toegewezen.

De eerste Britten arriveren

In de late middag kwam vrij onverwacht een Britse destroyer HMS Wild Swan aanmeren in de Hoek. Die geallieerde steun werd met enthousiasme ontvangen, maar dat enthousiasme zou spoedig getemperd worden door de houding en de missie van de nieuwe vrienden.

[604] Aan boord van de Wild Swan zaten twee vernielingsploegen. De ene was bedoeld voor haveninstallaties, de andere voor de olieinstallaties. Die laatste voerden een missie uit onder de obscure naam XD Ops A. Het was een detachement van de Kent Fortress Royal Engineers [hierna KFRE]. Deze totale eenheid was niet veel groter dan anderhalve compagniessterkte en bestond uit technische troepen gespecialiseerd in het vernielen van industriële complexen, vooral olie installaties. In London was men namelijk buitengewoon bezorgd om de grote hoeveelheden bruikbare brandstoffen in Noorwegen, Nederland, België en Frankrijk. Men besefte dat één van de achilleshielen van het Duitse rijk de ontbrekende eigen olievelden was en dat Duitsland vooral afhankelijk was van haar beperkte voorraad synthetische brandstoffen én veroveringen. Speciaal ter voorkoming van succesvolle veroveringen van olievoorraden en raffinaderijen was het KFRE opgericht. Deze eenheid kreeg dan ook de taak commando (vernielings)operaties uit te voeren op bevriend terrein.

Buitengewoon en curieus was het feit dat deze operaties – die geheel onder auspiciën van de Britse Marine werden uitgevoerd – de soevereiniteit van de bevriende naties schoffeerden. De diverse task forces waren namelijk voorzien van expliciete opdrachten om de vernielingsopdrachten zelfstandig uit te voeren en niet om deze te coördineren met de militaire autoriteiten in de landen waar geopereerd zou worden. Het was een typerende houding van superioriteit van het Britse Koninkrijk dat dergelijke acties zonder enige gene in opdracht werden gegeven.

[604] De aan boord van de HMS Wild Swan aanwezige formatie sappeurs, genisten en marinetroepen die in Hoek van Holland uitstapte was 95 man groot en stond onder bevel van Commander J.A.C. Hill [RN]. De bij dat verband aangesloten taakgerichte eenheid KFRE, die voor Pernis was bedoeld, bestond uit vier officieren en 40 minderen. Zij waren in vier groepen van tien man plus een officier opgedeeld en stonden onder bevel van Captain Tommy Goodwin.

[604] Nog maar kort aan de wal werd aan de Britten assistentie gevraagd zich te bemoeien met een scheepslading goud van de Nederlandse bank. Dat vonden de Britten wel een interessante ‘side show’ en zodoende vertrokken Captain T. Goodwin en 2nd Lieutenant P. Baker richting Lekhaven om zich te melden voor afstemming. Daar stond hen een feestelijke ontvangst te wachten, want ze werden onmiddellijk gearresteerd door de Nederlandse militairen die hen zagen aankomen. Goodwin was Zuid-Afrikaan, en dacht er namelijk goed aan te doen in Zuid-Afrikaans – verwant aan het Nederlands – de Nederlanders te woord te staan. Die dachten op hun beurt direct met franc tirreurs van doen te hebben. Nog tijdens een debat over het opgeven van hun pistolen, werd ook Commander Hill als gevangene aangevoerd! Voor de Britten begon het hele geval hilarische vormen aan te nemen. Het was diep in de nacht van 10 op 11 mei voordat – na een goede borrel – de Nederlanders eindelijk overtuigd waren van de Britse nationaliteit van hun ‘gevangenen’.

[91] De HMS Wild Swan vertrok korte tijd nadat het de Britse ‘party’ had afgezet. De Britse kapitein  vroeg nog aan de PC of hij Waalhaven nog moest beschieten. Dat werd hem niet toegestaan. Ieder moment zou het kunnen worden hernomen … Waar die wijsheid vandaan kwam, zal wel altijd een raadsel blijven. Maar de gunners kregen toch nog prooi. De destroyer mocht wel een paar lagen afgeven op het Staalduinse Bos. Zo geschiedde, waarna de destroyer weer vertrok.

Nabeschouwing Hoek van Holland

De Positie Hoek van Holland was vooral een maritieme positie. Het werd dan ook door een marine officier gecommandeerd, had vier kustbatterijen en een beperkt landmacht contingent voor de noodzakelijke beveiliging van de positie. In het verdedigingsplan was maar marginaal rekening gehouden met een mogelijk landfront. Een kwestie die zeer begrijpelijk was.

De Positie was bezet met circa 1,700 man, waarvan een 750 man aan landstrijdkrachten en de overige verdeeld over kustartillerie, fortartillerie, luchtdoelartillerie en marinetroepen. De vuurkracht van de Positie zeewaarts was niet onaanzienlijk, hoewel het een werkelijke groot opgezette maritieme aanval nauwelijks had kunnen weerstaan.

Maritieme acties – met uitzondering van drijvervliegtuigen die mijnen uitwierpen – werden niet ondervonden. De geheel onverwachte verschijning van Duitse luchtlandingstroepen en parachutisten rondom de Positie bracht de positiecommandant dan ook in een lastig parket. Zodoende werd in de vroege ochtend van 10 mei aan alle kanten geïmproviseerd en werd haastig een landfront gevormd.

Zoals overal in het westen was het ook in Hoek van Holland chaos troef. Het aantal valse of onzuivere berichten overtrof het aantal betrouwbare een veelvoud. Hoewel de directe omgeving van de Positie – inclusief Rozenburg – nooit meer dan circa 250 man aan vijandelijke troepen ontving, was men de gehele dag ten noorden van de Waterweg totaal niet in staat ook maar één werkzame tegenactie te ontwikkelen.

Ook de gebeurtenissen in en rond Hoek van Holland toonden aan dat het Nederlandse leger haar officieren een beroerde opleiding had gegeven; beroeps en reserve officieren. Men versnipperde de krachten consequent, toog ten strijde met rudimentaire strijdplannen, maakte ruimschoots onvoldoende gebruik van voorhanden ondersteunende wapens en men ontbeerde de meest basale tactische manoeuvrekennis voor eenheden te velde. Het gevolg was dat onnodige verliezen werden geleden en de zwak bewapende en geïsoleerde tegenstander nauwelijks voor uitdagingen kwam te staan. Met uitzondering van een enkel klein succesje, waarbij een bescheiden contingent volkomen ingesloten luchtlandingstroepen gevangen werd genomen, faalden alle tegenmaatregelen opzichtig.

Van de circa 200-220 Duitsers die rond het Staalduinse Bos geland waren, waren er in de loop van de dag een veertig tot vijftigtal (de gelande parachutisten) verdwenen richting noorden. Zij waren erin geslaagd langs enkele duizenden Nederlandse militairen te glippen die zij tussen landing en hun einddoel tegenkwamen, daarbij welgeteld één parachutist verloren hebbende. Tegen middernacht bereikten zij Ockenburg waar ze aansluiting vonden bij hun oorspronkelijke verband.

Een goed dozijn Duitsers werd gevangen genomen en vier sneuvelden toen een enkele Ju-52 midden tussen de Nederlandse troepen landde. In de strijd nadien tussen enkele dozijnen luchtlandingstroepen in het Staalduinse Bos en aanvallende Nederlandse verbanden op het kruispunt te noorden van het bos en in het bos zelf, sneuvelden één, mogelijk twee Duitse luchtlandingsmilitairen op die eerste dag. Het was het enige 'succes' van die dag ten noorden van de Waterweg. De resterende circa 130 man luchtlandingstroepen die aan het eind van de ochtend vlakbij het Staalduinse Bos waren geland, bleken voor de zwakke Nederlandse aanvallen immuun.

De Positie Hoek van Holland deelde onmiskenbaar in de malaise op het Zuidfront op de eerste oorlogsdag. Opnieuw was het collectieve falen van het Nederlandse kader - als het aankwam op tactiek en veldmanoeuvres - buitengewoon opvallend. Iedere actie, iedere manoeuvre die werd opgezet, faalde hopeloos. Twintig jaar verwaarlozing van de opleiding van officieren – beroeps en reserve – betaalde zich uit in onnodige verliezen en een totaal gebrek aan efficiëntie. In de Positie Hoek van Holland waren ten noorden van de Waterweg een 1,400 militairen gelegerd. Zij kregen een belangrijk deel van de dag steun van circa 500 man van het vlakbij gelegen bataljon Jagers. Bij elkaar 1,900 man. De PC wist het zover te krijgen dat de maximale strijdkracht die in een enkelvoudige actie werd ingezet, slechts een 130-140 man sterkte had. Met een Jagerbataljon in ’s Gravendeel en een klein bataljon plus een compagnie infanterie - voorzien van mortieren en veldgeschut - in Hoek van Holland, bleek men niet in staat één behoorlijke aanvalsactie op touw te zetten. Men wist precies één Duitser [mogelijk twee] – gedurende de gehele dag – te doden tijdens een vijftal gevechtsacties. Dat was een buitengewoon droevig resultaat en vrijwel geheel te schrijven op het conto van armoedig beleid.

Zoals kapitein Calmeijer zo terecht opmerkte in zijn Memoires, was het Nederlandse leger een leger dat vrijwel alleen maar defensief kon denken, maar vooral ook vrijwel alleen maar defensief kon handelen. De PC van Hoek van Holland maakte zich op 10 mei drukker om het bewaken van het defensieve landfront van zijn positie dan uit zijn 1,400 man sterke strijdmacht ten noorden van de Waterweg een stevige aanvalsformatie vrij te maken. En wie zijn nek niet uitsteekt, zal zelden aansprekende resultaten behalen. Dat ging volledig op voor de Positie Hoek van Holland op 10 mei 1940 …

Rozenburg


Inleiding

Het gebied dat tegenwoordig als Rozenburg wordt aangeduid is een gedeeltelijk kunstmatig schiereiland met vooral petrochemische installaties. In 1940 was het gebied tussen Brielle en Hoek van Holland een uitgestrekt duingebied, met grote delen waar het wassende water nog bij kon komen. Het kustgebied dat daarvan bezet was door de Nederlandse troepen heette de Beer. Aan de oostzijde van dat duingebied lag de Scheurpolder en daar weer naast lag de Noordbank Polder.

Het gebied was omzoomd door water. Ten westen de zee, ten noorden de Nieuwe Waterweg, ten zuiden de Brielsche Maas en ten oosten het verbindingskanaal tussen beide waterwegen. Ten oosten van het verbindingskanaal lag het feitelijke eiland van Rozenburg dat aan de oostzijde door de Botlek werd afgesneden van het vaste land van het eiland IJsselmonde. Hoewel in de literatuur steeds wordt gesproken van landingen op Rozenburg, was in feite ook sprake van landingen in de polders oost van het duingebied de Beer. Dat gebied was niet erg groot. Het was van kust tot kanaal 5 km lang, en van Waterweg tot Brielsche Maas op zijn smalst 1,5 km en op zijn breedst (kuststrook) 4 km breed.

Het bewuste gebied tussen de Beer en het verbindingskanaal was nauwelijks bewoond. Op het gehele eiland Rozenburg woonden slechts 2,700 mensen. Het gros daarvan woonde in de kern Rozenburg, centraal op het oostelijke deel van het eiland gelegen. Het gebied ten westen van het kanaal had slechts een zeer kleine woonkern, met enkele tientallen bewoners.

Verdediging

De samenstelling en sterkte van de verdediging is al gememoreerd in de proloog. Een korte recapitulatie met enkele specifieke aanvullingen volgt hieronder.

[102b] Voor de verdediging van kust en land was de 3e Compagnie van II-39.RI [C. Res. kapitein B.J.A. Smeele] verantwoordelijk. Die compagnie was klein en werd nog beduidend kleiner nadat op 29 februari 1940 de in Duitsland woonachtige en/of werkzame militairen met klein verlof werden gestuurd. Van de 155 man van de compagnie waren maar liefst 65 man Duitslandgangers. Met de resterende circa 90 man diende men een gebied ter grootte van 5 bij 5 km te verdedigen. Hiervan waren 60 man aangewezen voor 11 kustverdedigingspunten en 30 man paraat in het onderkomen van de compagnie voor patrouillediensten. De compagnie was gelegerd in de zogenaamde Volkskeet aan de noordwestzijde van de Scheurpolder.

12 cm lang 40

Naast de compagnie waren er de beide batterijen 12 lang 40 kustartillerie. Batterij VII [ca 120 man] en Batterij VIII [ca 115 man] waren in het duingebied gepositioneerd. De manschappen waren grotendeels in boerderijen gelegerd.

Aan de oostzijde van Rozenburg was het militair gezien luw gebied. Er was één mobiel zoeklicht [150 cm spiegel] van een sectie zoeklichten [5e sectie III Zl.Afd] dat in de Blankenburgpolder stond opgesteld als ondersteuning voor de luchtafweer rond de Waterweg en Pernis. De bediening ervan stond onder bevel van de SMA J. van der Kooij. De kleine sectie manschappen – die zoeklicht en dynamowagen bediende – was in een boerderij vlakbij de opstelling ondergebracht.

De ochtend van de 10e mei

[102b] De compagnie was al om 0200 uur paraat conform de geldende instructies. Men was getuige van de beschieting van Duitse watervliegtuigen en het overvliegen van He-111 bommenwerpers die richting Waalhaven vlogen.

[8] Als eerste werkelijke belevenis kwam de doodstrijd van een der Douglas vliegtuigen van Ypenburg. De no. 381 [res. 1e luitenant-vlieger P.T. Bierema, 1e luitenant-waarnemer W. Faber] probeerde een noodlanding te maken op het strand bij de Beer. De pogingen daartoe mislukten, waarop het toestel probeerde weg te komen, maar besprongen werd door drie Bf-110’s. Het werd neergeschoten en stortte voor de kust van Rozenburg in zee waarbij beide luitenants omkwamen [31].

[8, 102b] Een tweede Douglas had meer geluk. Het was no. 384 [res. sergeant-vlieger D. Lub, res. sergeant-luchtschutter F. Vijn] die kort na het drama met de 381 er wel in slaagde bij kp. 122 ½ [ten westen van de Vogelplaat] zijn toestel [van west naar oost landend] heel aan de grond te zetten. Maar tijdens het uitlopen kwam het toestel tegen een laag duin in een neusstand terecht. Langzaam zakte het terug om uiteindelijk met een klap terug in horizontale stand te komen. De voorzijde was zwaar beschadigd. De bemanning hield behalve wat schaafwonden en builen, niets aan de landing over en meldde zich enige tijd later bij de kapitein Smeele van 3-II-39.RI.

[10] Een derde incident met een Nederlands vliegtuig voltrok zich tussen 1030 en 1045 uur. Het betrof de Fokker T-8W R.2, die oorspronkelijk bedoeld was om de ministers van Buitenlandse Zaken [Eelco N. van Kleffens] en Koloniën [Charles J.I.M. Welter] alsmede twee hoge officieren [generaal-majoor J.W. van Oorschot en luitenant-kolonel J.G.W. Zeegers (8)] samen met de Fokkers T-8W R1 en R3 naar Engeland over te brengen vanuit Scheveningen. Daartoe waren de R1 en R3 al aangekomen, terwijl de R2 wegens een eerdere patrouillevlucht nog moest bijtanken. Met de R3 vertrokken de ministers (alsmede de echtgenote van Van Kleffens) tenslotte, terwijl de R1 wegens kogelschade terug moest keren naar haar basis. Toen de R2 bij Scheveningen aankwam, waren de ministers al vertrokken naar Engeland en de beide hoge militairen niet (meer) aanwezig. Daarop vloog de R2 terug naar de Braasemermeer, waar haar basis was. Onderweg bleek het luchtruim echter vergeven van Duitse jagers, waarop het toestel richting zuiden vloog. Onderweg werd het nog beschoten door de Luftwaffe waarbij schade aan de linker motor ontstond. Het toestel verloor bovendien veel olie, waarop officier-vlieger 2e klas L.A.H Rombeek (9) besloot het toestel op de Nieuwe Waterweg te doen landen. Rond 1045 uur landde het aldus vlakbij de schutsluis in het verbindingskanaal en schoof de kant op bij de Afgedamde Scheur, ten oosten van de Noordbankpolder. De bemanning kwam er zonder kleerscheuren vanaf en zou later het toestel in brand steken. Daar komen we hieronder nog op terug.

(8) De beide officieren waren aangewezen om de Nederlandse militaire liaisonstaf te vormen bij de Britse staf. Generaal-majoor (titulair) b.d. J.W. van Oorschot was het hoofd van die liaisongroep en luitenant-kolonel J.G.W. Zegers - van de staf Inspecteur ML - was zijn rechterhand. De beide heren zouden uiteindelijk op 12 mei op een Britse destroyer te Hoek van Holland inschepen en arriveerden die late avond reeds in Londen. Daar werden zij door de reeds als liaison ad interim functionerende LTZ1 A. Booy - marine attaché te Londen - versterkt.

Curieus is dat overste Zegers kort na aankomst door de inmiddels te Londen gearriveerde Minister van Defensie Dijxhoorn oneervol ontslagen werd wegens vermeende sympathieën voor de NSB, welke uit enkele publicaties van de overste zouden zijn gebleken. Hij had daarin enkele nationalistische opinies geuit. Een typische overreactie van deze weinig geslaagde Nederlandse Minister van Defensie, want hoewel Zegers zich weliswaar met bepaalde ideeën van de NSB wel kon verenigen, was onder het beroepsofficierenkorps een gelijke trend waarneembaar. Om een sprekend voorbeeld te noemen; kapitein Calmeijer sympathiseerde sterk met de Nederlandse Unie tijdens de oorlog en voor de oorlog was hij reeds actief geweest voor de andere extreem nationalistische partij in de Tweede Kamer, de VNH. Dat werd hem geen moment euvel geduid. Zegers werd echter door de Engelsen prompt geinterneerd en werd pas in september 1944 op voorspraak van ZKH Prins Bernhard vrijgelaten.

Generaal-majoor van Oorschot - die zijn titulaire pensioneringsrang mocht blijven voeren toen hij weer in actieve dienst kwam tijdens de latere fase van de mobilisatie - had een carrieregeschiedenis bij de GS-III, de inlichtingen sectie van het hoofdkwartier (voordien landmachtstaf). Hij had lange tijd aan het hoofd van de (kleinschalige) inlichtingendienst gestaan. Het dramatische Venlo incident kostte hem echter de kop. Hij werd door luitenant-generaal H.A.C. Fabius opgevolgd. In Londen zou de generaal spoedig weer in het inlichtingenwerk opgaan. Hij was met een Engelse vrouw getrouwd, wat wellicht bij zijn aanstelling als liaison in Londen een grotere rol speelde dan zijn pijnlijke verleden bij het Venlo incident. 

(9) Officier-vlieger der 2e klas [landmacht equivalent: kapitein] L.A.H. Rombeek was als waarnemer - toen reeds in de rang van officier vlieger der 2e klas - betrokken geweest bij het roemruchte bombardement van de muiters op het pantserschip (pre-Dreadnought) HrMs 'De Zeven Provinciën' in februari 1933 in de Nederlands-Indische wateren. Een Dornier vliegboot van de MLD gooide toen - vermoedelijk per ongeluk - een bom op het dek van de Nederlandse oorlogsbodem, waarbij 19 muiters sneuvelden en 11 zwaar gewond raakten. De muiterij was daarna direct gebroken. De opzet van de 'rake bom' is nog altijd in dispuut onder historici. Vooraanstaande historici menen dat er sprake was van een onbedoelde treffer omdat de actie als pressiemiddel was bedoeld en niet om het eigen schip te beschadigen. Voor die theorie lijkt veel steun. Desondanks zijn er aanleidingen te denken dat wel degelijk opzet in het spel was en dat zelfs de bedoeling was geweest de brug te raken. Rombeek zijn eigen verslag over het gebeuren suggereert opzet. Een maritiem historisch leerstuk waarover de gemoederen nog steeds verhit kunnen raken.   

Dat waren de gebeurtenissen rond Nederlandse vliegtuigen. Maar men kreeg ook te maken met Duitse toestellen. En die zouden voor veel meer opschudding zorgen.

Contacten met luchtlandingstroepen

[13, 91, 102b] Rond 1000 uur in de ochtend was er een Ju-52 op Rozenburg geland en wel in de Nieuwe Droespolder, ten zuidwesten van het dorp Rozenburg bij het gehucht Heul. Enige tijd later (volgens sommige bronnen tegen 1100 uur, volgens andere rond 1130 uur) kwamen twee Ju-52 neer in de Noordbankpolder, ten westen van het verbindingskanaal. Deze laatste twee hadden manschappen van 2./IR.65 aan boord. Eerst zal het curieuze verhaal rond de Junkers in de Nieuwe Droespolder beschreven worden. Daarbij is ook gebruik gemaakt van een inventarisatie van lokale burgerverslagen van Rozenburg, betreffende het vliegtuig dat ten westen van het dorp geland was.

In Rozenburg was er sinds kort voor de oorlog een nieuwe burgemeester aangesteld, oud reserve 1e luitenant der artillerie jonkheer Just de la Paisiere (10). Deze daadkrachtige burgemeester kreeg van enkele burgers melding van de landing (en het weder opstijgen) van de Junkers en het feit dat het toestel militairen had uitgeladen. [102b] Hij belde daarop met de kapitein Smeele, die hem echter meldde dat hij reeds troepen had ingezet voor landingen in de Noordbankpolder en niemand kon missen. De burgemeester wond zich daarover op, maar de kapitein Smeele had naast zijn kustverdedigingstaken met de paar uitgezonden militairen werkelijk het maximale uit zijn kleine formatie gehaald. Vervolgens belde de burgemeester met de Positie Hoek van Holland en kreeg na enige tijd de chef staf [KLTZ J.J. Logger] aan de lijn, die hem meldde dat er geen troepen gemist konden worden, omdat de Positie doelwit was geworden van aanzienlijke parachutistenlandingen. De chef-staf overdreef natuurlijk en had in feite aan het verzoek van de burgemeester moeten voldoen, te meer daar het achterland (Rozenburg) óók tot het gezagsgebied van de Positie behoorde. Dat vond de burgemeester ook en deze dreigde dan ook zelfstandig de Burgerwacht in te zetten. Een kwestie die volgens het landoorlogsrecht en de wetten van het Militair Gezag lastig houdbaar was. Slechts het Militaire Gezag mocht de Burgerwacht activeren en diende er dan zorg voor te dragen dat die – alvorens te worden ingezet – geheel als Nederlands militair gekleed en herkenbaar was.

(10) Als men het ambt van burgemeester aanvaardde, werd men ontslagen als reserve officier. De burgemeester was in mei 1940 normaliter geactiveerd reservist geweest met zijn 41 levensjaren.

De burgemeester van Rozenburg had geen enkel vertrouwen in de lokale legerleiding en verwachte geen response. Hij riep vervolgens de leider van de Burgerwacht [de heer Jacob Mol] bij zich. En nadat hij deze zodanig had toegesproken dat diens grote weerstand werd gebroken, werd het kleine vendel te Rozenburg snel gemobiliseerd. Ondertussen arriveerde er enkele soldaten en een sergeant in het dorp. Zij kwamen van de zoeklichten sectie en hadden opdracht het postkantoor te bewaken.

De Duitse groep in de polder had zich inmiddels naar de Graspolderdijk begeven. Ze maakten contact met diverse burgers en vroegen constant naar de weg richting Den Haag. Geen burger kon hen verder helpen en het werd de Duitsers spoedig duidelijk dat ze ver van hun doel geland waren. Uiteindelijk zochten zij een schuur op waar zij zich in het hooi lieten vallen. Hun aanwezigheid werd echter te Rozenburg op het gemeentehuis gemeld.

De burgerwacht Rozenburg beschikte over 44 geweren en twee kisten met patronen. Uniformen bezat men niet. Als herkenningsteken kregen de gearriveerde leden een oranje armband om, en werden ze uitgerust met een M.95 geweer en twintig patronen de man. Dat ze hiermee uitgerust en opererend flagrant in strijd met het oorlogsrecht handelden was hen vermoedelijk onbekend. De burgemeester was hiervan echter volledig op de hoogte. Hij overwoog echter dat het gevaar voor zijn gemeenschap zwaarder woog dan het oorlogsrecht.

De groep Burgerwachten vertrok richting de Zanddijk waar de Duitsers als laatste gezien waren. Ze splitsten zich op in twee groepen en gingen behoedzaam voorwaarts langs twee routes. Een groep westwaarts parallel aan de Waterweg [Vinkseweg] en een andere groep zuidwaarts langs de Zandweg.

Inmiddels was het al ver in de middag geworden. De groep onder leiding van de heer Mol stelde vast dat de Duitsers zich nog steeds in de schuur bevonden. Hij stuurde een man per motor voorzien van een grote witte lap richting de Duitsers om hun overgave te sommeren. Die wensten zich echter niet over te geven, ook niet toen hen verteld werd dat een compagnie Nederlandse militairen onderweg was om hen te doden. De Duitsers wilden zich alleen aan echte militairen overgeven en hadden daar volkenrechtelijk volkomen gelijk in.

Tegen de avond kwam er een vrachtwagen aan met militairen. [102b] Het waren elf manschappen onder de reserve kapitein van Loon, de fortcommandant van Maasmond. Hij was in de middag met vijftig man ter versterking naar kapitein Smeele gestuurd. De laatste had de fortcommandant opgedragen de burgemeester van Rozenburg te benaderen voor informatie omtrent een vliegtuiglading Duitsers. De telefoongesprekken hadden dus toch zin gehad, zij het met vertraging opvolging gekregen. Even later arriveerde nog een kleine delegatie van een andere kant (onbekend is aan auteur welke troepen dit waren).

[102b] Het was een marinier 1e klas [W. Bouwer] die met twee andere mariniers en een vijftal zeemiliciens verrassend over de dijk sprong en vlakbij de Duitsers opsprong en de verbaasde Duitsers de handen in de lucht deed steken. De in totaal veertien Duitsers werden ontwapend. Ze hadden een lichte mitrailleur, geweren en handgranaten bij zich alsmede een groepsmunitiewagen [iedere Gruppe had zo’n verrijdbare houten kar, die ook achter een motor kon worden gehangen] met daarin twaalf kisten munitie. Gelukkig voor de Nederlanders waren ze niet erg krijgslustig, want anders had deze overmoedige sprong in het Duitse 'nest' kwalijke gevolgen kunnen hebben.

De Duitsers werden gedurende de nacht afgevoerd naar Fort Maasmond en daar gevangen gezet. Het is auteur niet bekend of de inzet van de Burgerwacht nog tot Duitse protesten dan wel repercussies heeft geleid.

Er wordt nu teruggekeerd naar de vroege ochtend.

[102b] Kapitein Smeele had slechts een 90 man onder zich, waarvan er 30 waren aangewezen voor patrouillediensten en de rest zoals gezegd vaste posities aan de waterzijde bezette. Vooroorlogs had de kapitein zijn BC trachten te overtuigen dat volgens hem het grote gevaar niet lag in maritieme landingen, maar in parachutistenlandingen. Een unieke visie in de Nederlandse krijgsmacht, want het gros der reserve officieren wist niets meer dan in de kranten was verschenen over de strijd in Noorwegen en Denemarken, en deed met die ‘kennis’ hoegenaamd niets. Kapitein Smeele trachtte zijn BC echter te overtuigen dat hij minder man aan de kust en meer manschappen als dynamische eenheid wilde concentreren. Tevergeefs. Hij moest het daarom met 30 man doen voor bewakingsdiensten en patrouillegang.

[102b] Kapitein Smeele smeekte direct in de ochtend van de tiende mei bij de BC en de PC om versterking. Van de BC kreeg hij nul op het rekest, maar van de PC kreeg hij rond 0830 uur een sergeant der mariniers en twaalf mariniers als versterking. Enkele mariniers die ter assistentie van de kustverdediging al aanwezig waren, werden ook door de kapitein ingezet.

Met mariniers en gewone infanteristen werden enkele patrouillegangen gemaakt over de dijken. Deze patrouilles leverden slechts rapporten op over overvliegende Duitse toestellen en berichten van algemene strekking.

[102b] Rond 1100 uur [sic] kwam op het bureau van de kapitein echter de boodschap binnen van gelande vliegtuigen op Rozenburg. Daarop werden direct drie sterke patrouilles gevormd, en premies uitgeloofd voor gevangen Duitsers.

[102b] Eén van die patrouilles werd geleid door de reserve 2e luitenant W.L.M. Theunissen. De patrouille bestond uit de luitenant, 16 infanteristen van 3-II-39.RI, en een marinier [schutter Lewis]. Ze hadden één lichte mitrailleur ter beschikking. Per vrachtwagen vertrok de groep naar de polder Afgedamde Scheur. Aldaar aangekomen werd uitgestapt en te voet verder gegaan aan weerszijde van de dijk. Eén van de twee gelande Ju-52 stond er nog en was half in een sloot terecht gekomen. Ernaast stonden drie bemanningsleden van de Luftwaffe, die zich na een mitrailleursalvo overgaven aan de Nederlanders. Ze werden door een soldaat te voet afgevoerd naar de Volkskeet. Kort daarop werd de patrouille echter beschoten, waarop zij zich haastig weer achter de dijk [Schulpendijk] begaven.

[102b] De resterende Duitsers – ongeveer een twintigtal – hadden zich grotendeels aan de noordzijde van de Polder, richting Waterweg begeven, waar zij belangstelling leken te hebben voor de daar gestrande Fokker T-VIIIw no. R2. [10] De bemanning van dit toestel [officier-vlieger Rombeek, sergeant-vlieger G.H. Bakker en korporaal-telegrafist K. Luijendijk] werd echter door een VLD vaartuig op de Waterweg opgepikt. De manschappen aan boord van het vaartuig namen de Duitsers onder vuur, en dat leverde een intensief vuurgevecht op. Onderwijl stak de korporaal-telegrafist de Fokker aan en vluchtte daarna aan boord van het vaartuig. Snel vertrok de boot naar de noordoever vanwaar de drie vliegers zich spoedig bij de PC te Hoek van Holland meldden.

De Duitsers werden echter door het mitrailleurvuur van de marinier - dat op de gestrandde Ju-52 werd gelegd - gewaarschuwd en kwamen teruggerend naar het toestel. Zij zagen aldaar de Nederlandse luitenant met een vijftal manschappen staan en openden het vuur. De Nederlanders vluchtten naar de westzijde van de dijk om aan het vuur te ontkomen. [102b] Twee man waren echter geraakt, waarvan soldaat L.W. de Winter spoedig overleed en de ander zijn arm zou verliezen. Een deel van de patrouille vluchtte inmiddels weg, de luitenant met circa acht man achterlatend. De Duitsers zaten kort daarop vlakbij de restanten van de patrouille, op het erf en in een boerderij.

[102b] Die boerderij ontving vervolgens een aantal schoten van Batterij VIII, die dekkend lagen. Door wie het vuur was aangevraagd is een raadsel, maar kapitein Smeele liet het onmiddellijk staken toen hij er zich bewust van werd. Er lagen immers eigen troepen nabij.

[102b] Op een zeker moment bleek een Duitser vlakbij de patrouille Nederlanders te zijn gekomen. Deze riep ineens ‘nicht schiessen’. Daarop verhief de luitenant zich en beval de Duitser zich over te geven. Hierop werd wederom gevuurd, door beide partijen. De luitenant werd daarbij in de hartstreek getroffen en viel dood neer. Zijn onvoorzichtigheid was hem fataal geworden. De paar resterende Nederlanders bleven desondanks fanatiek doorschieten op de boerderij. Alleen de marinier ging er met de lichte mitrailleur vandoor. Hij werd door de anderen nog teruggeroepen, maar gaf geen krimp meer en verdween. Hij zou zich even later bij kapitein Smeele melden met de melding dat de patrouille door de Duitsers was uitgeschakeld en de luitenant gesneuveld. Voor de kapitein een klap in het gezicht.

[102b] Ondertussen waren de overgebleven zes tot zeven Nederlanders moedig door gegaan met de Duitsers beschieten. Inmiddels was de Duitser die kort aan de dijk had gelegen en aanleiding had gegeven tot het incident dat uiteindelijk de luitenant het leven kostte, gevangen genomen. Hij werd van zijn uitrusting ontdaan en staand op de dijk gezet. Hierna riep de soldaat J. Lakerveld ‘Kommen Sie heraus’ in de richting van de boerderij. Het Duitse vuur minderde en even later kwamen één voor één de Duitsers de dijk over met de handen in de lucht. Als laatste kwam een Duitse onderofficier over de dijk, die direct zijn ongenoegen kenbaar maakte dat hij zich aan slechts een handvol Nederlanders had overgegeven. Hij commandeerde min of meer de Nederlanders de gewonden te laten verzorgen. Die zouden later door de Nederlanders inderdaad worden weggehaald.

[102b] De verliezen aan Nederlandse kant waren gevoelig. De luitenant Theunissen en de soldaat de Winter waren gesneuveld en drie man waren gewond geraakt. Aan Duitse kant waren twee gewonden. De buit was echter groots. Er werden uit het vliegtuig en van de Duitsers zelf zeven mitrailleurs, twee MP’s, 15 geweren en 25,000 patronen buit gemaakt. Ook werd bijna 1,000 liter brandstof uit het vliegtuig gehaald. De Duitsers – 21 man inclusief de drie Luftwaffe mannen – werden naar Fort Maasmond afgevoerd.

[102b] Terug naar de marinier, die zich zo zonderling aan het gevecht had onttrokken. Hij meldde zich zoals gezegd bij kapitein Smeele met de mededeling dat de patrouille was uitgeschakeld. Hij verzon erbij dat er 150-200 Duitsers tegenover de patrouille hadden gelegen. Die ernstige overdrijving had tot gevolg dat de kapitein nog meer troepen uit het zeefront naar het landfront verplaatste en bij de PC dringend versterking aanvroeg wegens het feit dat hem ruim een compagnie Duitsers tegenover lag. In feite waren echter alle Duitsers door de Nederlanders al uitgeschakeld of geisoleerd. Het gevolg was echter dat de commandant van Fort Maasmond [reserve kapitein van Loon] met zo’n 50 man artilleristen overkwam en direct naar de oostzijde van de Beer werd gedirigeerd. Die groep kreeg twee lichte en een zware mitrailleur uit het zeefront als versterking. In eerste instantie kreeg de kapitein van Loon opdracht te assisteren bij de uitschakeling van de Duitsers rond de boerderij, maar daar aangekomen bleken die zich al te hebben overgeven. Daarna werd de kapitein richting Rozenburg gestuurd met het eerder besproken resultaat.

[102b] Nadat de beide concentraties Duitsers waren opgeruimd door de Nederlanders, bleven patrouilles het eiland Rozenburg doorkruisen. Maar het grote gevaar leek geweken, zodat de rust terugkeerde en geruststellende mededelingen aan de PC konden worden gezonden. Daarop werd besloten dat de Fortcommandant met zijn troep terug kon keren wat in de late avond geschiedde.

[De bronnen vindt u hier]