Bruggenhoofd Willemstad

Inleiding

Willemstad was een oude vesting die daarvan alle sporen droeg. In vele era speelde het een rol in defensieplannen, waarbij over het algemeen doorslaggevend was geweest dat het stadje op een strategisch punt lag ten aanzien van enkele voorname waterwegen. Het vestingstadje lag ten zuiden van de toegang tot het Hollands Diep en ten oosten van het belangrijke Volkenrak. De samenkomst van beide waterwegen – het zogenaamde Hellegat – was een voornaam verdedigingspunt. Het had daarom in de maritieme defensie van quit af aan een voorname rol, maar ook ter land speelde Willemstad een rol in menig verdedigingsplan.

In mei 1940 zou van de oorspronkelijke vestingwerken rondom het stadje nog gebruik worden gemaakt. Willemstad kreeg in het defensieplan van 1939-1940 een voorverdedigingstaak ten bate van de verdediging van het zuidfront Vesting-Holland. Tegenover deze voorverdediging lag het feitelijke zuidfront bij de positie Numansdorp aan de noordzijde van het Hollands Diep.

De bespreking van de gebeurtenissen binnen het Bruggenhoofd Willemstad op 10 mei wordt enigszins bemoeilijkt door de interactie met 3GB dat zich op 10 mei enige tijd binnen het Bruggenhoofd zou bevinden, en daar zelfs enkele uren tot de voornaamste bezetting zou behoren. Daarom worden de gebeurtenissen waar 3GB bij betrokken was onder dit hoofdstuk slechts globaal behandeld, en wordt vooral ingezoemd op het Bruggenhoofd en haar veiligheidsbezetting. Bijzonderheden rond 3GB in en om Willemstad worden bij dit bataljon zelf besproken.

De geschiedenis van de oude vesting

Door de strategische ligging van Willemstad – die overigens in mei 1940 in feite nauwelijks meer aan de orde was – was Willemstad en directe omgeving voorzien van drie forten en het stadje zelf als vesting gebouwd. Vesting Willemstad verloor in 1926 haar rol als officieel verdedigingspunt. De forten en versterkingen verloren daarmee hun status als officiële verdedigingswerken. De mobilisatie van augustus 1939 zou daarin verandering brengen.

Voor de goede orde worden de oude verdedigingswerken om Willemstad kort besproken. Ze kregen vrijwel allemaal namelijk nog enige rol tijdens de mobilisatie en sommige forten zelfs in het verdedigingsplan. De forten – allen vandaag de dag nog in enige vorm te vinden – waren vrijwel allen gebouwd door de Fransen die in reactie op de Engelse landing in Walcheren in 1809 een aanzienlijke hoeveelheid kustversterkingen lieten bouwen.

Willemstad

Vesting Willemstad zelf ontstond tijdens de onafhankelijkheidsoorlog [1584-1648] op initiatief van Prins Willem van Oranje. Deze had in 1583 – een jaar voor zijn dood – opdracht gegeven om het dorpje Ruigenhille tot vestingstadje te laten ombouwen ‘tot bewaernisse van de Brabantsche ende Hollandsche stroom’, waarmee het Hollandsch Diep werd bedoeld. Het geprojecteerde plan – een regelmatige pentagonaal gevormde structuur rondom de haven – is vandaag de dag nog goed zichtbaar in het goed geconserveerde stadje. Twee buitendijkse bastions werden eind van de 16de eeuw aangelegd om geschut te kunnen plaatsen ter bescherming van de ‘zeezijde’. Tijdens de mislukte Franse veldtocht van 1793 werd rond Willemstad zwaar gevochten, met veel schade als gevolg voor het vestingstadje. Eind 19de eeuw werden twee grote kruitmagazijnen gebouwd op de beide bastions. Tijdens WOI was Willemstad een stad in staat van oorlog, met een bezetting van maar liefst 5,000 man in en rondom de stad. In 1926 werd de Vesting officieel afgedankt. Het had inmiddels al haar geschut al verloren. Tijdens de mobilisatie werd echter wederom een militaire bezetting ontvangen, en kreeg het een taak als voorverdediging. De forten en de vesting zelf werden wederom in gebruik genomen, nu echter vooral als legeringlocaties. Het laatste militaire gebruik was in 1943 toen Willemstad opgenomen werd in Stützpunktgruppe XXXIV, een onderdeel van de fameuze Atlantikwall, Hiertoe werden in de wallen aan de waterzijde van de stad diverse geschutsbunkers en onderkomens gebouwd. Vele hiervan zijn nog steeds goed te zien als men het pittoreske oude vestingstadje bezoekt. Tijdens de bevrijding van het westen van Brabant werd Willemstad zwaar geteisterd door Geallieerde artillerie.

Fort de Hel

Fort de Hel. Het was oorspronkelijk Fort Anna genaamd, een aarden versterking uit 1748. De Fransen bouwden in 1811 een stenen fort op dezelfde locatie [Fort l’Enfer], dat na hun vertrek door de Nederlanders werd overgenomen en (vertaald) omgedoopt in ‘De Hel’. De beide vernoemingen naar de Hel refereerden naar het Hellegat waar Haringvliet, Hollands Diep en Volkerak samenkwamen, en waar door de enorme getijdenstromen vele schepen waren vergaan. Het fort onderging nog diverse modificaties en aanpassingen in de 19de eeuw. Tijdens de mobilisatie van 1914-1918 had het fort een bezetting. Het fort ligt vlak buiten Willemstad, aan de Helsedijk, vrijwel naast de huidige rijksweg A29. Het heeft thans een horecabestemming maar ziet er nog vrij herkenbaar uit ten aanzien van mei 1940. 

Het Fort de Ruijter lag aan het Volkenrak, en werd door de Fransen in 1811 gebouwd. Het was een pentagonaal gebouwd fort in de Sabina Henricapolder. Het werd door de Nederlanders diverse malen gemodificeerd en uitgebreid. Curieus genoeg werd het fort in 1913 omgedoopt tot Fort Sabina, nadat bij Vlissingen – dé stad van De Ruyter – een nieuw fort zou worden gebouwd dat naar de admiraal zou worden vernoemd. De bouw daarvan werd echter in 1914 gestaakt. Na WOI werden er nog tot 1924 twee stukken van de kustartillerie [12 cm lang 40] gehandhaafd, maar in 1924 werd het fort als verdedigingswerk afgeschaft. Het zou echter zowel in de oorlog als na de oorlog een defensierol houden, zij het na WOII slechts als munitieopslag. Het Fort ligt op enige afstand ten westen van Fort de Hel.

Het Oranjeoord [versterkt woonhuis] werd in 1754 aangelegd. Het lag bij het plaatsje Heijningen, in een dijk langs de Dintel. Als werkelijk fort heeft het nooit bestaan (hoewel soms als Fort Oranje aangeduid), maar de grote zeshoekige woning was aldaar nog wel aanwezig. Die woning bestaat nog steeds.

Het Fort (aan de) Bovensluis was een authentieke Nederlandse fortificatie uit 1861. Het was in feite een verzameling fortificaties met vooral geschutsopstellingen. Het Fort diende om samen met het Fort de Hel het voorname Fort Sabina te dekken. Het verloor samen met de vesting Willemstad in 1926 haar officiële defensiestatus. Het Fort ligt ten oosten van Willemstad aan het Hollands Diep. Tegenover het Fort aan de Bovensluis lag (bij Numansdorp) het Fort aan de Buitensluis, waar in mei 1940 geschut stond opgesteld.

Het Fort Ooltgensplaat of Prins Frederik – te Goeree Overflakkee – was een oude observatiepost annex verdedigingstoren uit de 14de eeuw dat door de Fransen in 1811 tot een volwaardig fort werd gemaakt. Het Fort lag tegenover De Ruyter [Sabina] en heette onder de Fransen 'Duquesne'. Pikant detail is dat deze Franse admiraal tegen admiraal de Ruyter had gevochten, en daarom de overstaande forten aan weerszijde van het Volkenrak zo genoemd werden. Na de Franse tijd werd het Fort omgedoopt in ‘Prins Frederik’. Het was oorspronkelijk door de Fransen gebouwd als een vierkant met vier bastions [een zogenaamd Donjon, in de hedendaagse stedenbouw weer een populaire figuur]. Vlak voor WOI werden twee betonnen kazematten toegevoegd aan het werk. In 1928 werd het Fort afgevoerd van de vestinglijst. Ook dit Fort heeft tegenwoordig een horecabestemming.

Mobilisatie 1939

Willemstad was direct bij de voormobilisatie een locatie die bezet werd door kwartiermeesters en de staf van het inundatiestation [53]. Op 24 augustus waren daarom de eerste gemobiliseerde militairen al in het stadje aangekomen, en zij werden gekwartierd in de hotels ‘Het wapen van Willemstad’ en ‘Bellevue’. Het inundatiestation werd in eerste instantie ook in het Hotel ‘Bellevue’ ondergebracht.

Willemstad

Willemstad kreeg een voorverdedigingsrol voor het Zuidfront Vesting Holland, meer in het bijzonder Groep Numansdorp [1]. Daarom zou een compagnie infanterie [1-I-39RI min twee secties] in de vesting worden gelegerd. Zij zouden vooral moeten voorkomen dat een tegenstander de haven zonder meer zou kunnen gebruiken voor een oversteek van het Hollands Diep. Ze moesten de vesting ook trachten te verdedigen tot alle inundaties gesteld en voldoende opgekomen waren, en de haven kon worden geblokkeerd.

Zodoende was op 1 september een militaire bezetting in Willemstad aangekomen. In eerste instantie zouden dus slechts de 3e en 4e sectie van 1-I-39RI het stadje bevolken. De 1e sectie werd toegevoegd aan het detachement bij Willemsdorp, samen met twee secties van de MC. De C-MC – de kapitein Isaäcs – werd plaatsvervangend commandant Bruggenhoofd Willemsdorp. De 2e sectie 1-I-39RI moest de drie stukken 7 lang 40 bij Fort Buitensluis [Numansdorp] beveiligen [1].

De eenheden tijdens de mobilisatie

[geheel 53] De vesting Willemstad kwam onder commando van de C-1-I-39RI, de reserve kapitein J.W.N. Meijjes [*1895]. Hij was ambtenaar van de burgerlijke stand in Oud-Alblas. Het hoofd van het inundatiestation was de Hoofdopzichter van Fortificatiën G.J. van Keulen [*1890]. De belangrijkste man op de staf was reserve sergeant-majoor administratie [SMA] G.J.A. Moors [*1892], een oud beroepsmilitair. De 3e en 4e sectie werden aangevoerd door respectievelijk beroepsmilitair vaandrig T.E.J. Magry [*1917] en reserve 1e luitenant H.G. Robeerst [1907], in het dagelijks leven ambtenaar bij het nijverheidsonderwijs. In het lokale gezondheidspunt was de Officier van Gezondheid P.J. Meijst [*1908] de hoogste autoriteit. Hij behoorde eigenlijk tot de Groep Numansdorp.

Na enkele korte kwartieren elders werd in november 1939 de gehele militaire bezetting in Fort Sabina gehuisvest. Zowel dit fort als De Hel werden beiden geschikt gemaakt voor legering en eveneens werden beide locaties van nieuwe telefoonverbindingen voorzien.

Net als elders aan het zuidfront was ook in Willemstad de wijziging van de strategie in april 1940 niet onopgemerkt voorbij gegaan. De compagniestaf en beide secties in Willemstad werden herenigd met hun gedetacheerde secties alsmede de beide secties MC. Hiermee kwam ook een herschikking van de bezetting van het bruggenhoofd aan de orde. De 4e sectie 1-I-39RI vertrok naar het woonhuis bij Oranjeoord te Heijningen. De stafgroep MC [C-MC was kapitein J.C.A. Isaäcs – *1898] met haar beide secties kwam in Fort Sabina. De 2e sectie ging van Fort Buitensluis naar een boerderij bij Fort Bovensluis, even westelijk van het dorpje Tonnekreek. De 1e sectie onder sergeant A.J. Donker [*1908] en de 2e sectie onder vaandrig W.J. vd Griendt [*1917] werden in Sabina ondergebracht.

De bezetting door de compagnie infanterie en de halve MC [twee secties met elk twee zware mitrailleurs M.18] van 1-I-39RI was een veiligheidsbezetting [1. 53, 102], zoals datzelfde gold voor bijvoorbeeld de bezetting van het bruggenhoofd Moerdijk door 3-III-28RI. Vesting Willemstad zou uiteindelijk door 3GB worden verdedigd nadat dit haar taken aan de grens zou hebben verricht. Dat was het gevolg van een order van 9 april 1940. Hoewel dit bevel op 8 mei werd gewijzigd – en II-34RI de finale bezetting van Willemstad zou vormen en 3.GB ten noorden van Hollands Diep zou worden ingedeeld – werd dat bevel weer ingetrokken. Zodoende zou C-3GB het bevel over de vesting Willemstad overnemen in de loop van de eerste oorlogsdag. Nadere gegevens omtrent deze kwestie worden onder de bespreking van 3GB gemeld.

De KMAR was in Willemstad vertegenwoordigd door de wachtmeesters J.M. Mol en H.H. Zeegers.[53] 

Inundatiestation Willemstad

Het inundatiestation werd najaar 1939 in een woning gevestigd aan de Landpoortstraat, vlakbij de Katholieke Kerk te Willemstad. Het station was onderdeel van de Inundatieafdeling 3, waaronder ook Hellevoetsluis, Brielle én Moerdijk vielen. De afdeling werd gecommandeerd door de kapitein A. Burgdorffer, die zijn bureau hield op het stafkwartier Groep Spui [daarvoor op de staf van Commando Zuidfront]. Alle inundatieafdelingen stonden onder bevel van de kolonel der Genie C.W. van Dooden. Deze zat op de staf VH in Den Haag [1].

Het inundatiestation Willemstad had niet alleen de inundaties tot haar taakgebied, maar eveneens legeringszaken en stellingenbouw in de Vesting Willemstad.  Het station werd geleid door de Hoofdopzichter der Fortificatiën G.J. van Keulen [1890], en naast enkele burgerspecialisten waren er een sergeant-capitulant [H. Pothast], een korporaal en zes soldaten. Allen van het Wapen der Genie. Zij hadden in beginsel de taak zorg te dragen – in afstemming met 1-I-39RI – om de diverse sluizen en bruggen te doen bewaken. Bovendien uiteraard het inundatieplan voor te bereiden en des benodigd uit te voeren. Daartoe moesten de waterpeilen op vaste locaties [30 sluizen] tweemaal daags naar de afdeling van kapitein Brugdorffer worden gestuurd. Dat waterpeil moest hoog blijven om voldoende debiet te kunnen garanderen bij het bevel ‘inunderen’.

Deze werkzaamheden werden in de winter nog eens uitgebreid met de zorg voor het ijsvrij houden van vele cruciale punten voor de waterinlaten ten bate van onderwaterzetting van de geprojecteerde inundatiegebieden. Aangezien de nachttemperaturen lange tijd tussen de -10 en -20ºC schommelden was dit een continue proces van hakken, zagen en breken.

De legering van de troepen vergde bijzonder veel van hun tijd en aandacht. Niets was er voorbereid geweest, te meer daar alle vestingwerken al ruim 13 jaar daarvoor waren afgedankt. Daarom moesten de meest basale zaken worden vervaardigd, zoals kribben voor de manschappen, tafels, stoelen, meubilair, etc. Dat werd door de genisten van het station begeleid en beheerd, terwijl burgers en aannemers deze zaken vervaardigden [53, 102]. Overigens had in dit alles ook de SMA Moors van de staf van 1-I-39RI een rol [als feitelijk opdrachtgever], een dubieuze rol zou overigens na de oorlog blijken …(1)

(1) SMA Moors is na de capitulatie onderwerp van onderzoek geweest [102]. Hoewel het onderzoek zich richtte op de vooroorlogse gedragingen van de SMA is gekozen dit in latere fase te bespreken, daar in totaal vier prominente leden van 1-I-39RI justitieel zijn onderzocht tijdens de bezetting. Er is voor gekozen dat later in een gezamenlijke bespreking van de vier zaken uiteen te zetten.

Bovendien werd de stellingbouw door het station ontworpen, aanbesteed en begeleid. De semipermanente veldversterkingen, de prikkeldraadversperringen, de ondermijningen van bruggen en de versperring van wegen werd door hen volledig gecoördineerd. Daarbij werd een ontwerp voor een tankgracht gemaakt, dat in eerste instantie door Generaal Reynders werd afgekeurd, maar onder de nieuwe OLZ uiteindelijk werd goedgekeurd [53]. Daarbij zal de wijziging van strategie onder de nieuwe OLZ een rol hebben gespeeld. Nog op 9 mei vroeg de C-VH in een brief aan de OLZ speciaal om de uitvoering van de tankgracht onverwijld in opdracht te laten geven.

Eind april en begin mei werden de waterpeilen voor de inundatieboezems belangrijk verlaagd. Particulieren hadden geklaagd dat de landbouwbelangen zwaar werden geschaad doordat de peilen zo hoog werden gehouden. Gevoelig als de regering hiervoor was, werd Defensie opdracht gegeven eens goed te kijken of de peilen van de boezems niet omlaag konden. Uiteraard werd een oplossing gevonden die de klagende boeren tevreden stelde, hoewel het militaire belang werd geschaad. Op 2 mei 1940 werd de instructie gegeven dat de waterpeilen beduidend verlaagd moest worden. De nieuwe standaard diende zodanig te worden geïmplementeerd dat bij het bevel ‘inunderen’ de polders en weilanden die voor inundatie in aanmerking zouden komen na twee tot drie dagen drassig zouden zijn. Het betekende niet alleen rondom Willemstad dat op 10 mei vrijwel nergens een werkzame inundatie kon worden gesteld. Alom zouden officieren in de meidagen klagen dat de inundaties nauwelijks opkwamen. Ook hier bleken politieke compromissen ten bate van de civiele zaak tijdens de mobilisatie keihard terug te komen in het gezicht van defensie.

[1, 53, 61] Maar er was nog meer dat aan het station werd opgedragen. De Hoofdopzichter kreeg in maart 1940 opdracht het Fort Ooltgensplaat [ook genaamd Fort Prins Frederik, op Goeree Overflakkee]  – eveneens behorende tot het territoir van zijn bureau – in te richten om politieke gevangenen te kunnen huisvesten. Eind april was een en ander gereed, en op 3 mei 1940 werden prominente politieke gevangenen in het Fort in bewaring gesteld(2).

(2) Het betrof eenentwintig gedetineerden, drie communisten en achttien fascisten. Het waren de communisten Adriaan Fey, Jan van den Hoonaard en Johannes Proost alsmede de fascisten Rost van Tonningen, Feldmeyer, Lalieu, van Olst, Kröller, van Hilten, Thomas, Geelen en van Duinen en negen andere minder prominenten. Menigeen zou tijdens de bezetting nog een voorname rol spelen als collaborateur. Deze groep van eenentwintig gedetineerden was in de meidagen onder bewaking gesteld door 60 man politietroepen onder de ambtenaar voor het gevangeniswezen W.P.C. Molenaar en adjudant Zwetsloot. Op de 14de mei 1940 zou men de groep gedetineerden per motorschuit naar Wilhelminadorp brengen, en van daar naar het Fort Ellewoutsdijk. Hier zaten ook de lokaal geïnterneerde ‘foute elementen’. Daar vandaan zou op de 16de verder worden gereisd naar Sluis. Bizar genoeg werd vervolgens een groep van 115 Joodse geïnterneerden ook aan de zorg van de Nederlanders toevertrouwd. Deze grote groep onder uiteindelijke begeleiding van circa 75 militairen [voornamelijk politietroepen] trok door België en bereikte na enkele perikelen Ambleteuse [bij Boulogne] in Frankrijk. Daar werden de prominenten in een Frans kamp opgesloten, terwijl de Joden elders werden geïnterneerd. De Nederlandse begeleiders bereikten vrijwel allen Engeland, de eenentwintig gedetineerden werden op 26 mei bevrijd door de Duitsers. De communisten werden door de Gestapo gearresteerd, de Joden afgevoerd naar kampen. Vrijwel geen hunner zou de oorlog overleven. Ten aanzien van de 21 gedetineerden zal later in de sectie 'Algemeen' op deze webste een uitgelicht artikel worden geplaatst, dat echter voordien in een gedrukte publicatie voor de Stichting Goeree-Overflakkee in WO2 zal verschijnen.

Curieus is nog de – dezer dagen vermoedelijk als niemendalletje ervaren – aanvraag voor een badlocatie voor het personeel van het detachement Willemstad [53]. Er was namelijk in het gehele bruggenhoofd geen enkele massale badgelegenheid voorhanden voor de kleine driehonderd man! Daarom was er voor militairen een wekelijks varende pendeldienst naar Fort Buitensluis [bij Numansdorp] om de manschappen te laten baden. Op 6 april 1940 ging de staf Commando Zuidfront eindelijk akkoord met de bouw van een badlocatie in Fort Sabina, maar deze mocht niet meer capaciteit hebben dan tien badcellen … 

Zuidfront en Groep Spui

Willemstad viel ten tijde van de mobilisatieperiode van 24 augustus 1939 tot en met 15 april onder het Commando Zuidfront. Dit werd geleid door kolonel J.A.J.M. Schotman [tot 6 februari 1940], daarna kort door kolonel H.C. vd Bijl [tot 20 februari 1940(3)] en vervolgens kolonel G.A. de Brauw. De laatste werd na de opheffing van het Commando Zuidfront op 15 april 1940, commandant Groep Spui. Vanaf 15 april 1940 werd Groep Spui de autoriteit waaronder Vesting Willemstad viel.[1]

(3) Deze merkwaardig korte periode wordt verklaard door de wisseling van het opperbevel. Kolonel van der Bijl volgde generaal-majoor H.F.M. van Voorst tot Voorst op als commandant van de Lichte Divisie. De laatste was namelijk door de nieuwe OLZ als chef-staf landmacht op het AHK geselecteerd.

Verdedigingsplan Willemstad

[geheel: 53, 102] Het verdedigingsplan voor de veiligheidsbezetting [van 29 april 1940] ging uit van gestelde inundaties rondom Willemstad, waarbij drie accessen ter verdediging zouden overblijven. Over die drie accessen zouden drie secties van 1-I-39RI worden verdeeld, elk door een zware mitrailleur ondersteund. De laatste sectie en zware mitrailleur zouden Fort Sabina verdedigen, waarbij de zware mitrailleur richting Hellegat zou dienen te worden opgesteld.

Het rechter acces zou vanuit Heijningen door de sectie onder 1e luitenant Robeerst worden verdedigd. Schootsrichting zuidoost langs de meest zuidelijke dijk, de Oud Heijningse Dijk, alsmede vanuit Oranjeoord door een geweergroep en de zware mitrailleur eveneens een dekking van de dijk. Deze positie had bovendien de nadrukkelijke instructie een voorpost uit te zetten.

Het middelste acces werd gedekt met de sectie van vaandrig Margry en had als schootsrichting de middelste dijk, de Stadtschedijk, eveneens richting zuidoost. Ook hier werden twee steunpunten ingericht en wel te ‘Ken u Zelve’ en iets westelijker kp.22 waar de zware mitrailleur met een geweergroep zou worden geposteerd.

Het linker acces werd beveiligd door de sectie van vaandrig vd Griendt met een zware mitrailleur vanaf het Fort Bovensluis. Het dekte de naderingszone vanuit Tonnekreek.

Stafkaart Willemstad

De sectie op het Fort Sabina werd opgedeeld in drie groepen, die drie verschillende steunpunten dienden in te nemen op de zuidelijke en oostelijke dijken [Zeedijk, dijk naar Fort de Hel]. Een vierde groep werd geformeerd uit de stafgroep van de MC. Deze diende het Fort zelf te beveiligen, terwijl de zware mitrailleur het Hellegat diende te bestrijken. Als neventaak kreeg de sectie – die immers geen frontlijn positie had – de bestrijding van parachutisten binnen het Bruggenhoofd. Het had daartoe een speciale vrachtwagen ter beschikking die op het Fort stond welke aangepast werd om een groep infanterie met wapens in te kunnen vervoeren.

Alle secties kregen de taak de dijken te versperren tegen pantserwagens. Ze dienden daartoe zelf zo zwaar mogelijke versperringen op te werpen met ter plaatse gevorderde middelen en voertuigen. Deze desnoods te verzwaren met lading. Bovendien moest vuren bij slecht zicht worden voorbereid, hetgeen betekende dat voor de zware mitrailleur de wapeninstelling op basis van markante punten in front moest worden uitgerekend en in een staat worden verwerkt. Zodoende zou men dan ‘blind’ afsluitingsvuren kunnen geven. 

Bestrijding van luchtdoelen werd alleen toegestaan indien deze zich zeer laag, zichtbaar en trefbaar aandienden. Als dit niet het geval was diende beschieting nagelaten te worden wegens camouflagedoeleinden.

De CP voor de C-Bruggenhoofd was in Fort de Hel, en voor de C-MC in Fort Sabina.

Buiten de dijken om zou de gehele sector tussen de Dintel en Willemstad worden geïnundeerd. Alleen de zuidelijke dijk in de rechtersector [Zeedijk] alsmede de drie west-oost lopende dijken in het Bruggenhoofd zouden daarna begaanbaar blijven.

Hoewel in deze opstelling nog enige details zouden wijzigen was het op papier een degelijke verdedigingsplan. Alle dijken werden gedekt door tussen de 30-50 man troepen, en door de inundaties zou dat een lastige barrière vormen voor een … ongepantserde vijand. De stelling ontbeerde echter alle vormen van geschut. Mortieren, infanteriegeschut en PAG ontbeerde men ten enenmale. Dat – zo redeneerde men bij Groep Spui – zou door 3GB immers worden meegebracht.

[144, 149] Artilleristische vuursteun kon men echter wel krijgen. Aan de overkant van het Hollands Diep stonden drie afdelingen artillerie paraat voor vuursteun. Twee afdelingen 12-lang-staal [I en II-14RA] en een afdeling 15-lang-staal [26AA]. Deze drie afdelingen stonden elk tegenover een sector bij Willemstad opgesteld, en zouden op basis van voorbereide vuren het Bruggenhoofd kunnen bijstaan. De vuurmonden waren echter sterk verouderd – ze stamden alle 36 uit de jaren tachtig van de vorige eeuw – en hadden een trage vuursnelheid.

[147] Bij een eventuele vijandelijke maritieme operatie kon de batterij kustgeschut met drie stukken 7 lang 40 – die stond opgesteld bij Numansdorp – werkzaam optreden.

[1, 147] Luchtafweer ontbeerde men in het geheel. Alleen de batterij 7 lang 40 had enkele M.18 mitrailleurs die voor luchtdoelbestrijding waren opgesteld. Overige luchtdoelbestrijdingsmiddelen waren volledig afwezig. 

Dislocaties 9 mei 1940

Aan de vooravond van de Duitse inval waren de troepen verdeeld over het bruggenhoofd. Om 2300 uur werd door kolonel de Brauw – commandant Groep Spui – opdracht gegeven de bruggen bij Dintelsas, Stampersgat en Standdaarbuiten te bezetten. Deze dienden te worden beveiligd omdat 3GB via deze routes naar Willemstad zou moeten trekken. Ondertussen moesten de inundaties nog worden gesteld; het bevel daartoe was nog niet gegeven.[53]

Om de opdracht uit te voeren werden vier detachementen gevormd van elk een sectie infanterie met een zware mitrailleur. Zodoende kwam er een detachement bij de sluis te Dintelsas [onder sergeant Donker], de brug bij Dinteloord [vaandrig Magrij], de brug bij Stampersgat [1e luitenant Robeerst] en bij Standdaarbuiten [vaandrig van de Griendt].[53, 102]

Het bevel van 9 mei werd uiterst gedetailleerd door de C-MC vertaald tot een tactisch bevel aan alle eenheden [102]. Daarbij werden de opstellingen der mitrailleurs [lichte en zware] tot in detail beschreven. Bovendien twee curieuze toevoegingen op het bevel. De eerste was dat er geen luchtdoelbestrijding zou plaatsvinden – met andere woorden – daar zou de zware mitrailleur niet toe mogen worden ingezet, en de tweede instructie was ‘hardnekkig standhouden’. Dit laatste was (impliciet) gekoppeld aan de eis dat de overgangen tot het uiterste moesten worden behouden. In feite was dat criterium alleen van toepassing indien 3GB nog niet gepasseerd zou zijn. Dat was immers de reden de bruggen te bezetten. Bovendien moest men patrouilles uitzenden om voorafgaande aan het benaderen van de bruggen de identiteit van naderende personen te kunnen vaststellen.

Ter plaatse moesten alle detachementen wegversperringen organiseren van voorhanden zijnde materialen en voertuigen. Zodanig dat naderende voertuigen niet in directe lijn de bruggen zouden kunnen benaderen. Belangrijk was voorts dat piketten bij de wapens moesten worden uitgezet tijdens duister, en gedurende de periode van twee uur voor zonsopkomst tot een half uur na ondergang de volledige bezetting paraat diende te zijn.

De kapitein Meijjes zou zich bij de draaibrug te Stampersgat bevinden, terwijl de kapitein Isaäcs op zijn CP in Fort Sabina zouden blijven bij zijn staf. Op Fort de Hel zou een tweemans telefoonwacht worden betrokken, net als in Fort Sabina.

Bij de secties was voldoende munitie voorradig, en per sectie zelfs een kist handgranaten no.3. Voor de zware mitrailleurs mag men de voorraad zelfs overdadig noemen. Er waren 16 banden per zware mitrailleur voorhanden plus 24 banden in voorraad in caissons die te Nieuwemolen stonden geparkeerd. Geweer- en pistoolmunitie was opgeslagen in Fort de Hel.

Met dit dispositief werd het oorspronkelijke verdedigingsplan van Willemstad dus geparkeerd. Met uitzondering van enkele beheerders en administratief personeel, waren alle eenheden te velde.

In de nacht van 9 op 10 mei werd het Bruggenhoofd niet in hoge paraatheid gebracht [1, 102]. Het betekende dat alleen de piketten bij de zware wapens stonden, en de rest van de manschappen – op de telefoonwachten na – rustig kon gaan slapen …

10 mei – 3.GB in Willemstad

Op 10 mei in de vroege uren was de gehele bezetting van het Bruggenhoofd Moerdijk verdeeld over de vier bruggen en sluizen, zoals hiervoor uiteengezet. In het stadje waren slechts enkele individuen achtergebleven, zoals de marechaussee, enkele manschappen van het inundatiestation en een handvol ondersteunend personeel. Op Fort de Hel was niet veel meer dan een telefoonwacht, Fort Bovensluis was geheel verlaten en Fort Sabina had haar sectie met enkele stafleden van de MC. Het overige personeel lag met de wapens bij de objecten die hen in de avond van 9 mei waren aangewezen.

1-I-39RI stond rechtstreeks onder Groep Spui, en zodoende had C-I-39RI geen autoriteit over de compagnie. Daarnaast was C-1-I-39RI bekend dat C-3GB het commando over het Bruggenhoofd zou overnemen zodra deze zich binnen de sector zou melden. 1-I-39RI zou nadat 3GB de stellingen zou hebben overgenomen op de nominatie staan te worden verplaatst naar de overkant van het Hollands Diep.

Veel van de manschappen van de secties lagen nog niet eens te slapen, toen de eerste Duitse vliegtuigen overkwamen. Zij waren nog druk in de weer de verordonneerde versperringen te plaatsen en de opstellingen in te richten en te verbeteren.

Op Fort Sabina werd tegen vijf uur telefonisch door Groep Spui gemeld dat de oorlogstoestand was ingetreden [53, 102]. Dat werd door velen al vermoed omdat vele vliegtuigen gezien en gehoord waren, en ook de onmiskenbare geluiden van oorlog doorklonken tot aan Willemstad.

De diverse secties waren nu nog meer dan daarvoor betrokken bij de verbetering van de stellingen bij de bruggen. Spoedig zouden zij de colonnes van 3.GB tegenkomen die per compagnie een andere route hadden gekozen om naar Willemstad te trekken.

3.GB was tussen 0830 en 0900 uur vertrokken richting Willemstad [122]. De 1e en 2e compagnie per auto en vrachtwagen, de 3e en 4e compagnie per fiets. C-3GB, de majoor A.G.C. Reijers, kwam te Dinteloord aan en vernam daar van vaandrig Magrij dat de C-1-I-39RI schriftelijke orders voor hem had, en dat deze te Stampersgat vertoefde. Daarop vertrok de majoor per auto naar Stampersgat.

Te Stampersgat gearriveerd nam de majoor Reijerse een verzegelde envelop van kapitein Meijjes in ontvangst [53, 102, 122]. Hierin kreeg hij de instructies welke hem het bevel over het Bruggenhoofd gaven. Het bataljon zou de voorbereide stellingen innemen, terwijl de eenheid van kapitein Meijjes de door hen bewaakte bruggen achter de laatste wagens van 3.GB zou moeten opblazen. Ook de spoorbrug bij Zevenbergen diende te worden opgeblazen, echter pas als Duitse troepen in zicht kwamen.

Ondertussen waren de diverse marscolonnes van 3GB bij de bruggen vastgelopen op de degelijke versperringen die gezet waren door de manschappen van 1-I-39RI. Op de betreffende locaties werden de versperringen gedeeltelijk verwijderd om de vrachtwagens van 3GB [in feite de vrachtwagens van 4.V Auto Bataljon dat aan 3GB was toegevoegd] te kunnen doorlaten [122, 126]. De colonnes stonden daarom enige tijd geparkeerd langs de weg en in de dorpen.

Te Stampersgat meldde zich ook een sergeant met enige manschappen uit het Bruggenhoofd Moerdijk [53, 122].

Tegen 1100 uur werd aangekomen in Willemstad, en kwartier gemaakt in Hotel Bellevue, alwaar de bevelen voor het Bruggenhoofd nader werden uitgewerkt en uitgegeven. 1-I-39RI zou de vernielingstaken op zich nemen en zich daarna melden te Willemstad. De vier compagnieën van 3GB zouden de voorbereide stellingen innemen, waarbij echter in eerste instantie 4-3GB nog ontbrak omdat deze compagnie nog niet was gearriveerd.

Omstreeks het middaguur kwam een sergeant met manschappen en twee zware mitrailleurs te Willemstad aan [122]. Deze meldde aan de C-3GB zich te hebben ingespannen bij de verdediging van de Moerdijk, en na alle munitie te hebben verschoten zich westelijk te hebben teruggetrokken. De groep werd op bevel van C-3GB toegevoegd aan 2-3GB te Tonnekreek. Het betrof hier vrijwel zeker de sergeant Voskuilen [12MC] die zich separaat van Luitenant Haars [3-III-28RI] naar Willemstad had begeven [100]. De melding dat 'alle munitie bij Moerdijk was verschoten en men daarom westelijk terugtrok' komt uiterst curieus over. Het is bekend dat geen enkele Nederlandse eenheid in de ochtend van 10 mei bij Moerdijk intensief heeft gevuurd, laat staan alle munitie verschoten. De  overdrijving van de sergeant in kwestie is een mogelijke nadere aanwijzing dat de 'instructie' aan sergeant Voskuilen en luitenant Haars bij Moerdijk om terug te trekken op Willemstad door een militaire autoriteit aldaar verzonnen is, en slechts als excuus voor terugtrekking gold [dat blijft echter nadrukkelijk een hypothese van auteur zelf].

Tussen 1200 en 1300 uur werden de compagniescommandanten van 3GB en 1-I-39RI bijeen geroepen om zich voor afstemming en overleg te Bellevue te melden [102]. Onderwijl had C-3GB zich bij Groep Spui gemeld, met de mededeling gearriveerd te zijn en de bevelen te hebben overgenomen.

De bevelen die uitgegeven werden aan de compagnieën waren eenvoudig. De eerste drie compagnieën zouden de drie dijken bezetten, terwijl de vierde compagnie [deze was dus nog onderweg naar Willemstad] zich als reserve bij Fort de Hel zou opstellen. 1-I-39RI zou na haar vernielingstaken te hebben verricht zich in Willemstad melden en nadere orders ontvangen.

Rond 1300 uur kwam echter in dat alles verandering. Commandant Groep Spui meldde zich persoonlijk per telefoon bij C-3GB [102]. Hij meldde dat 3GB vanaf dat moment onder bevelen zou komen te staan van Commandant Groep Spui en dat C-3GB zich bij de staf Groep Spui diende te melden. Hierop meldde C-3GB zich bij staf Groep Spui en kreeg van de chef-staf kapitein Calmeijer opdracht zich te melden te Puttershoek terwijl het bataljon zich diende te laten overzetten naar Numansdorp om zich voor actie gereed te stellen bij Barendrecht.

De gang van zaken rond 3GB wordt vanaf hier losgelaten en verder in detail behandeld onder de bespreking van 3GB zelf.

10 mei – 3GB vertrekt

Om 1830 uur werd C-1-I-39RI het bevel over Willemstad officieel weer teruggegeven. Kapitein Meijjes was onderwijl [rond 1400 uur] door C-3GB geïnformeerd dat zijn eenheid in Willemstad zou blijven en dat de verdediging van het Bruggenhoofd op zijn versterkte compagnie zou terecht komen [53, 102, 122]. Hij werd geïnstrueerd het oorspronkelijke verdedigingsplan weer te activeren. De vernieling van de bruggen werd afgelast, en de eenheden werd opgedragen de posities op de dijken en in de Forten weer in te nemen. Rond 1700 uur werd door de staf van Groep Spui nog eens telefonisch bevestigd dat er geen versterking zou komen. Men had alle troepen en middelen nodig aan de noordzijde van het Hollands Diep. 

De kapiteins Meijjes en Isaäcs beseften terdege dat hun taak zeer zwaar zou zijn. 3GB zou geen ondersteuningswapens achterlaten, en dus bleef het detachement te Willemstad achter met de vier zware mitrailleurs als enige infanterie ondersteuning. Zelfs de uit Moerdijk overgekomen zware mitrailleurs en manschappen werden met 3GB meegenomen. Rond 2030 uur zou kapitein Isaäcs nog contact zoeken met de andere kant om te verzoeken om extra ondersteuning, maar opnieuw werd hij teleurgesteld [102].

Ondertussen was in het stadje een chaos ontstaan omdat al in de vroege morgen de plaatselijke commandant van de burgerwacht – huisarts Schiphorst – de luchtbeschermingsdienst bij elkaar had geroepen en aangedrongen had op onmiddellijke evacuatie van de burgerbevolking. Die evacuatie was vooroorlogs al voorbereid geweest. De bevolking zou per boot naar Oostflakkee worden overgezet, en te Den Bommel worden ondergebracht. De evacuatie zou echter op vrijwillige basis geschieden. Rond 1000 uur werden de burgers door arts Schiphorst per radiobericht opgeroepen zich vrijwillige te melden voor evacuatie. Vrijwel alle burgers gaven gehoor aan die oproep. In de late middag begon de exodus van bewoners, waarbij zieken en bejaarden als eerste vertrokken.

In de middag kwam plotseling ook een groot konvooi vrachtwagens en auto’s aan die toebehoorde aan een van de autocolonnes van Philips uit Eindhoven (4). Dit bedrijf had ruim voor de oorlog al evacuatieplannen voorbereid, waar de OLZ Winkelman nog aan had bijgedragen. Een en ander was al direct bij het bekend worden van de Duitse inval in gang gezet, en zo bereikte via vele omwegen een colonne Willemstad in de hoop dat er daar een veerpont zou varen. De colonne had een speciale machtiging om militaire assistentie te krijgen omdat het geheime zaken vervoerde [waaronder defensie gevoelige opdrachten en bouwvoorschriften alsmede extra personeel voor de vervaardiging van PAG Böhlers dat te Dordrecht geschiedde]. Omdat de veerpont niet voer – er waren al magnetische mijnen door de Duitsers uitgeworpen – werd de Vaartuigendienst Haringvliet Oost ingezet [172]. Deze zou - na de beide veerponten op bevel van C-3GB toch in te hebben gezet - onder leiding van 2e luitenant Drost de Philips colonne slechts gedeeltelijk kunnen overzetten, want tijdens de overvaart naar Numansdorp werden opnieuw Duitse mijnen in het Volkenrak gedropt. Het overgrote deel van de Philips colonne – die dus voorrang kreeg boven de militaire behoefte – werd naar Oltgensplaat overgezet. Ze zouden later via omwegen alsnog in de Vesting Holland aankomen.

(4) Philips was vooroorlogs een prominente multinational met niet minder dan 45,000 medewerkers wereldwijd, waarvan 19,000 in Nederland zelf. Philips had al ruim voor de oorlog [1935] in samenwerking met Defensie - in 1936 zelfs door (toen nog) kapitein en officier der GS Sas (de latere attaché in Duitsland) - een evacuatieplan opgezet voor de essentiële onderdelen van de fabriek. Het ging de militaire staf met name om die technologie die voor de Duitse oorlogsinspanning van belang zou zijn. Luitenant-generaal buiten dienst Winkelman werd aangetrokken als militair deskundig adviseur in 1938. Defensie achtte het van belang dat Philips in oorlogstijd haar inspanningen binnen Vesting Holland zou voortzetten, en gaf daarom volledige medewerking. Bovendien zouden de twee evacuatiecolonnes - in tegenstelling tot andere private bedrijven en personen - stellinggebieden mogen doorkruisen. Enkele officieren waren Philips toegewezen om de transporten te begeleiden en zonder problemen langs militaire posten te dirigeren. Philips wilde bovendien haar hoofdzetel naar de Antillen [Curacao] verplaatsen, waarvoor zij overigens speciale toestemming moest vragen aan de Nederlandse Staat. Die toestemming werd pas gegeven op 26 april 1940, niet toevallig pas bij het ingaan van de Staat van Beleg. In de VS en Engeland had Philips in 1939 bovendien een Trust opgericht, zodat zij ook middels het oorlogsrecht haar eigendommen en belangen in het buitenland niet aan de vijand verbeurd zou zien na bezetting van Nederland. Dat waren verstandige maatregelen. Over de Philips colonne zal t.z.t. een uitgelicht artikel worden geplaatst in de sectie 'Algemeen' op deze website.

Al op 11 mei 1940 kwam een speciale industriële gezant Philips in Eindhoven officieel onder Duits beheer stellen. Hoewel de teleurstelling van de Duitsers in eerste instantie groot was dat veel belangrijke zaken in Eindhoven bleken te zijn vertrokken, zou het overgrote deel van de geëvacueerde zaken elders in Nederland worden teruggevonden. De snelle beslissing van de strijd in ons land had voorkomen dat belangrijke zaken naar Engeland konden worden verscheept. Op 13 mei waren de hoogste bazen van Philips - Anton Philips en Frans Otten - al door de Britse marine naar Engeland overgebracht. Frits Philips - de in 2005 op 100-jarige leeftijd overleden laatste Philips tycoon - bleef achter in Eindhoven en bleef leiding geven aan de fabriek onder Duits beheer.

Frits Philips zijn handelen tijdens de bezetting onder bewind van de Duitsers zou niet zonder kritiek blijven, terwijl daarentegen de buitenlandse activiteiten van Philips prominent ten bate van de Geallieerde zaak kwamen. Tweemaal werden de fabrieken van Philips Eindhoven aangevallen door de Geallieerden, op 6 december 1942 en 30 maart 1943. Beide keren werden zowel de fabrieksgebouwen als omliggende private percelen getroffen. Hierbij vielen meer dan 100 slachtoffers. Ook de Duitsers bombardeerden de fabriek nog een keer, vlak nadat de Amerikanen Eindhoven bevrijd hadden tijdens Market Garden in september 1944. De fabrieken zelf waren trouwens bijkans volledig gestript van alle kostbare industriële zaken door de Duitsers.

[7, 61] Overigens is het beslist niet zo dat Philips werkelijk zuiver spel speelde vooroorlogs. Het wedde duidelijk op twee paarden, had een hechte samenwerking met GS-III enerzijds, maar een even hecht contact met hoge Duitse instanties w.o. de Gestapo en SS anderzijds. Philips had vooroorlogs een eigen politie annex inlichtingendienst die zich bepaald niet louter met economische en/of industriële (contra)spionage bezighield, maar evenzo met politieke en politiek-militaire (contra)spionage. Enkele leden van die Philips dienst waren in dienst van, of in samenwerking met, GS-III, waarbij directeur Otten - die ook niet boven verdenkingen verheven is - zelfs kapitein in speciale dienst bij GS-III was. Otten is door de Enquete Commissie een aantal maal gehoord, maar heeft (uiteraard zou men haast zeggen) niets curieus losgelaten. De heren Willy Geelen, Piet van Duinen en Karel Thomas - allen in dienst van deze private inlichtingendienst van Philips - werden aan de vooravond van de mei oorlog gearresteerd als onderdeel van de 21 'ongewenste elementen' arrestatie [61]. Hun opmerkelijke handelen en intensieve contacten met Duitse, Franse en Britse inlichtingendiensten waren niet onopgemerkt gebleven. Twee van de heren waren tijdens de oorlog daadwerkelijk bewezen collaborateurs. Onder meer omwille van de verdenkingen die jegens Philips rezen, werd naoorlogs het besluit van generaal Winkelman om de Peel-Raamstelling te evacueren - een wens die de directie van Philips nadrukkelijk koesterde en uitdroeg - niet zomaar los gezien van de nauwe vooroorlogse betrokkenheid van Winkelman bij het bedrijf. Onderzoeken naoorlogs hebben echter slechts aanwijzingen opgeleverd, nooit bewijzen. Dat daarbij een rol speelt dat sommige voor de kwestie bijzonder belangrijke archieven wel erg makkelijk verdwenen zijn, zal meespelen als men vast moet stellen dat e.e.a. wel erg schimmig is verlopen voor, tijdens en na de oorlog. Dat ook de Nederlandse overheid baat heeft bij het gesloten houden van sommige beerputten lijkt ook te spreken uit diverse onderzoeken door particulieren alsmede gevoerde rechtzaken waarbij de openbaarheid beperkt werd. Hoewel auteur geen enkele aanleiding heeft de een of de ander te beschuldigen is duidelijk dat aan de Philips zaak zonder meer een stevig luchtje hangt.

In de ochtend – rond 0530 – had het inundatiestation opdracht gekregen van kapitein A. Burgdorffer om de inundaties te gaan stellen [53]. De op het station aanwezige sergeant Pothast nam deze taak direct op zich en overal werden de sluizen open gezet.

In de middag verplaatsten de vier secties van 1-I-39RI met hun toegevoegde mitrailleurgroepen zich wederom naar de eerdere locaties [102]. Fort Sabina werd bezet door de staf MC met een sectie infanterie [sergeant Donker] en een zware mitrailleur. 1e Luitenant Robeerst met zijn sectie en een mitrailleur werd in Zevenhuizen geposteerd. Zij zouden met boerenwagens een versperring stellen op de oostelijke weg. Vaandrig Magrij zou met zijn sectie en een zware mitrailleur de Stadsche Dijk – die uitkwam bij Fort de Hel – afsluiten. De Oostdijk werd vanaf Fort Bovensluis door de sectie vaandrig vd Griendt afgesloten. Hierbij werd ook een Vickers mitrailleur ingedeeld. De CP zou tenslotte worden opgezet in Fort de Hel. Tegen 1800 uur waren alle posities als zodanig bezet. De secties zagen bij het verplaatsen en innemen van de 'nieuwe' posities sommige delen van het hun omringende vlakke land reeds drassig worden.

10 mei – Fort de Hel

Fort de Hel was de gehele dag al bezet geweest door telefoonwachten. In de loop van de middag arriveerde de kapitein Meijjes samen met zijn staf in het Fort. Hij zou zijn CP hier wederom opzetten, nadat deze enige tijd in Bellevue ingericht was geweest.

De Duitsers hadden inmiddels via hun vliegende verkenners duidelijk lucht gekregen van de massale overzettingen bij het Hollands Diep ter hoogte van Willemstad en Numansdorp. Aangezien zij bevreesd waren voor Franse versterking van Vesting Holland, hadden de Luftwaffe verkenners veel aandacht voor deze sector. Uit die berichten zal het besluit gevallen zijn om nog meer magnetische mijnen uit te zetten rond de sector Hellegat – Hellevoetssluis – Numansdorp. Zo geschiedde. Tussen 1930-2030 uur vlogen tenminste drie bommenwerpers over die magnetische mijnen afwierpen m.b.v. parachutes [1, 53, 102, 101, 122, 147]. Dat deze operatie niet alleen gevolgen had voor de vaartuigendienst zou spoedig blijken.

Er kwam bij het inundatiestation [vanuit ontraceerbare bron] bericht binnen dat er parachutisten geland zouden zijn buitendijks bij het Hellegat. Die parachutisten zouden oprukken richting Fort de Hel. De telefonist op Fort de Hel werd door sergeant Pothast van het inundatiestation gemeld dat er parachutisten waren geland en bovendien dat er op het Hellegat rubberboten met Duitsers waren afgezet. Bij Rietgorzen [grienden ten westen van Willemstad] zouden ook parachutisten zijn geland. Er werd gemeld dat de parachutisten richting De Hel zouden optrekken.

Onmiddellijk werd door kapitein Meijjes een melding verzorgd aan Groep Spui [53, 102, 193]. Hij sprak met de chef-staf die hij een beeld schetste van een aangevallen Fort dat hopeloos verloren zou zijn als men er zich zou handhaven. Op basis van dat beeld gaf de chef-staf van Groep Spui aan dat er dan fiat werd gegeven op Fort Sabina terug te trekken. Aldus geschiedde en tegen middernacht kwam het geheel aan te Sabina.

Ondertussen had kapitein Meijjes de sectie van 1e luitenant Robeerst uit Zevenhuizen naar Fort Sabina terug geroepen. De luitenant gehoorzaamde promt en met twee vrachtwagens kwam zijn detachement richting Fort Sabina, waar het SMA Moors onderweg passeerde. Deze bevestigde dat De Hel door de vijand inmiddels wel bezet zou zijn en naar Sabina moest worden gegaan. Tijdens die gebeurtenis kwam een auto met vol schijnende koplampen aangereden. Er werd op geschoten, waarna de lichten doofden. Het bleek een auto van de compagnie te zijn.

Het detachement onder Robreest merkte al spoedig dat de inundatie kwam opzetten. Op een zeker moment kon men de buitendijk [langs het Volkerak] niet meer met de vrachtwagens berijden. Men stapte uit en sopte zich een weg voorwaarts naar het Fort. De mitrailleurkar en caisson van de Vickers stukgroep moest door de manschappen zelf voort worden getrokken door de sompige grond. Toen men aankwam bij het Fort liet de schildwacht de groep al spoedig binnen.[102]

Slotbalans

Het Bruggenhoofd Willemstad werd de eerste dag nauwelijks direct met de oorlogstoestand geconfronteerd. Duitse activiteit merkte men slechts in de lucht, of bestond in de hoofden van enkele bevelvoerders. De perikelen die het Bruggenhoofd wel meekreeg waren die van de chaos die over hen werd uitgegoten door met name de beide Groepen ten noorden van het Hollands Diep.

3GB zou – nadat de oorlogstoestand zou zijn ingetreden – de voor een bataljon voorbereide stellingen in het Bruggenhoofd innemen. Het Bruggenhoofd leende zich uitstekend voor de bezetting door een volwaardig uitgerust infanteriebataljon. Als de inundaties gezet zouden zijn, waren de paar dijkaccessen met enige ondersteuning van PAG prima verdedigbaar. 3GB bezat vier stukken PAG, zware mitrailleurs en zelfs een drietal mortieren. Zodoende zou een goed verdedigbaar Bruggenhoofd zijn ontstaan.

Het zou anders lopen – men zou anders beschikken. Na de overval door de Duitse parachutisten en luchtlandingstroepen was iedere staf in Vesting Holland in rep in roer. Vanaf het eerste moment raakten communicatielijnen overbezet omdat vrijwel iedere bevelvoerder op eigen houtje aan het improviseren sloeg. De commandant Vesting Holland en zijn beide Groepscommandanten in Spui en Kil waren bepaald geen uitzondering. Zodoende kreeg 3GB al in de vroege middag van 10 mei de onwerkelijke opdracht om zich dienstbaar te stellen als stormtroep ten bate van herneming van Waalhaven [hetgeen onder 3GB uiteraard nader wordt beschouwd]. Het bataljon werd de Groep Kil toegeëigend en Groep Spui kreeg daar niets voor terug. Aangezien Groep Spui zich op haar beurt voorbereide op eventuele vijandelijke luchtlandingen, achtte men het ondoenlijk een vervanging voor 3GB naar Willemstad te sturen. Er kon zelfs geen enkel ondersteunend wapen vanaf. Hetzelfde gold voor Groep Kil, dat inderdaad zelf vrijwel geen infanterie ondersteuningswapen bezat en die van het relatief rijkelijk voorziene 3GB gaarne aanvaardde. Willemstad moest het maar doen met artilleriesteun vanuit Numansdorp.

Het was een onwerkelijk besluit vanuit de noordelijke commando’s. Gespeend van iedere realiteitszin. Als de overweging dan kennelijk zodanig was – en men dus geen enkele steun kon of wilde geven – had men moeten volstaan met een voorpost plaatsen in Willemstad, en de overige manschappen terugtrekken. Nu diende men zonder enige krachtig wapen een Bruggenhoofd te verdedigen met slechts geweren en een enkele mitrailleur. Men kan dat met goed fatsoen onverantwoord beleid noemen.

Bij deze incompetentie in de hogere echelons sloot de commandant van 1-I-39RI – tevens Commandant Bruggenhoofd - zich helaas aan. Deze reserve kapitein had al blijk gegeven nauwelijks in staat te zijn de dagelijkse gang van zaken behoorlijk te coördineren. In feite was het de onder hem gestelde kapitein Isaäcs – een beroepsmilitair en commandant van de (halve) MC – die de tactische leiding voerde. Voor de inval werkte deze officier alle noodzakelijke tactische bevelen uit, en ook op de eerste oorlogsdag was hij het die de gangbare zaken regelde. Kapitein Meijjes had vooral toegekeken.

De enige belangrijke handeling die C-1-I-39RI zelf verrichte op 10 mei was een prelude van wat nog komen zou. Op de eerste de beste melding van parachutisten besloot deze officier niet rationeel te handelen en patrouilles uit te sturen ter verificatie van het bericht, maar loog hij in puur primair en panisch handelen zijn superieur van de staf Groep Kil voor door te zeggen dat zijn positie – Fort de Hel – ernstig bedreigd werd door vijandelijke parachutisten en onhoudbaar was. In zijn krijgsverslag loog de kapitein ter eigen indekking dat hij zelfs ‘op telefonisch advies’ van de chef-staf naar Fort Sabina trok. Hij verbloemde dat hij de chef-staf een status voorspiegelde die verre van eerlijk en accuraat was. Dat was nog niet alles. Hij besloot in zijn paniek en voor eigen lijfsbehoud, ook een van de essentiële verdedigingspunten binnen zijn Bruggenhoofd eigenhandig volledig te ontruimen en zich het vrijkomende detachement toe te eigenen voor zelfbehoud. Namelijk verdediging van het Fort Sabina. Daarmee handelde deze kapitein niet alleen irrationeel jegens de vermeende landing van parachutisten, maar bracht hij eveneens de buitenverdediging van zijn Bruggenhoofd direct in gevaar. De andere secties informeerde hij niet, hoewel die nu – uitgaande van een vijandelijke penetratie – ieder moment vijand in de rug konden verwachten.

Het slappe voorbeeld van de Bruggenhoofdcommandant was – zoals gezegd – slechts een voorbode van diens waardeloze optreden dat nog zou volgen.

[De bronnen vindt u hier]