Dordrecht - 3e fase

De actie der Torpedisten langs het spoor

In het noordelijk stadsdeel werd de sector rond de bruggen afgegrendeld en zo goed mogelijk bezet door contingenten depottroepen, ondersteund door de niet overvloedig aanwezige automatische wapens. Het noorden en oosten van de stad werd vooral door 4.DCT verdedigd. Langs het spoor was ook een afweer opgebouwd, waarbij het station een zwaartepunt vormde. De aankomst van de Torpedisten uit het Biesbosch detachement had een noodzakelijke versterking geboden, in het bijzonder qua zware mitrailleurs. Zoals beschreven werd het aangekomen detachement verdeeld over de posities in de stad.

[150] 2e Luitenant C.P. Beernink – een in Dordrecht wonende reservist – had van het kantonnementscommando opdracht gekregen met 44 man (w.o. vier onderofficieren) en vier Vickers zware mitrailleurs naar het station te gaan en van daaruit te trachten de, voor de Nederlandse verdediging in het noordelijke stadsdeel zeer hinderlijke, Duitse mitrailleurs op de spoor- en verkeersbrug uit te schakelen. De opdracht die de luitenant had gekregen was om de Duitse automatische wapens uit te schakelen, onder achterlating van een zware mitrailleur op het station, ter versterking van de depottroepen aldaar.

Dordrecht stad

[150] Er werden vijf groepen geformeerd. De eerste met één mitrailleur bleef achter op het station, onder een korporaal. Drie mitrailleurgroepen werden geformeerd met ieder zo’n zeven man plus onderofficier. Voor het vervoer van de mitrailleur werd gebruik gemaakt van vijf man. Drie man met het wapen en de in de kamer ingevoerde band – men moest immers direct vuurgereed zijn – en twee man voor de affuit. Daarbij hadden de andere twee man in de groep de munitiekisten bij zich met tenslotte een sergeant als groepscommandant. De laatste groep die geformeerd werd was een karabijngroep, die als verkenningsteam voor de drie mitrailleurgroepen uit zou gaan. Een wijze maatregel van de luitenant Beernink, die lang niet altijd tijdens de Meidagen door bevelhebbers werd toegepast.

[150] Het brede spooremplacement leidde in vrijwel rechte lijn tot de spoorbrug. De flauwe bocht naar het noorden – die vanaf het station gezien begon ter hoogte van de Marinixstraat – bood tot dat men voorbij het tunneltje onder het spoor door was gekomen nog gezichtsdekking, maar voorbij dat punt hadden de torpedisten zo’n 450 meter over het emplacement af te leggen dat volkomen open was. Enige dekking werd hier en daar door geparkeerde wagons geboden, maar voor het overige was slechts de mogelijkheid daar om dekking aan de beide zijden van het schuine talud te vinden. Althans, als men het voornaamste doel – de spoorbrug – in beeld en schootsveld wilde houden. Zodoende trokken twee mitrailleurgroepen langs het sterk schuin aflopende talud op, met één groep links en één rechts van het spoor en de derde op zo’n honderd meter achter de flankgroepen in het midden, dekkend achter wagons. Vóór hen de verkennende groep, waarbij de luitenant zich had aangesloten. In deze ruitformatie trok men op tot aan de flauwe bocht, waarna de mitrailleurgroepen stopten tot zij van de luitenant een teken tot oprukken zouden krijgen.

[150] In de flauwe bocht in het spoor, stond een lange trein. De verkenners beklommen de eerste wagon aan de oostzijde en liepen zo gedekt door de gehele trein tot zij ter hoogte van de Marnixstraat uit de eerste wagon aan de westzijde klommen en dekking namen onder de wagon. Ze waren zodanig echter nog steeds op een 450 meter van de brug. Luitenant Beernink gaf van daaruit het teken aan de mitrailleurgroepen op te trekken.

[150] Nadat de rechter en linker mitrailleurgroep bijna waren aangesloten, werd plotseling vanuit de rechterflank op de mitrailleurgroep aan die zijde van het spoor geschoten. Het is mogelijk dat het hier enige geïsoleerde Duitse militairen betrof die in de omgeving van de Korte Parallelweg [EMF terrein] of de Havenstraat zaten, omdat die sector gedurende de eerste oorlogsdag nog niet volledig onder Nederlandse controle was gebracht. Maar de kans is veel groter dat het hier Nederlandse posities betrof, die de aanvallende mitraillisten voor Duitsers hielden, die uit de omgeving van de Polder oprukten richting brug. De verslagen maken helaas niet duidelijk uit welke richting het vuur ‘vanuit de rechterflank’ kwam. In elk geval werd door luitenant Beernink opgedragen aan de rechter mitrailleurgroep dekking te zoeken, zodanig dat de spoorbrug kon worden beschoten. De linker en middengroep moesten verder optrekken, waarbij de rechter mitrailleur vuurdekking kon geven. Maar spoedig ontving ook de linkergroep vuur in de flank. Dat was vrijwel zeker wel Duits vuur, want voorbij de Marnixstraat kregen de ingegraven Duitse manschappen langs de verkeerswegoprit de linkergroep in zicht. Op datzelfde moment kwam vanaf de spoorbrug mitrailleurvuur te liggen op het spooremplacement, dat spoedig leidde tot drie gewonde manschappen in de verkenningsgroep. Aan Nederlandse kant gaven de flankmitrailleurs een vrijwel continuevuur af op de spoorbrug, wat voor de Duitsers aanleiding was een aantal posities aldaar te ontruimen. Het waren echter de open en bloot liggende Nederlandse teams die slachtoffers kregen. Met name de rechter mitrailleurgroep kreeg vuur in de positie, waarbij twee man zwaar gewond raakten. Desondanks bleef de mitrailleur door vuren. Het consequent vanuit de flank gegeven vuur op de beide buitenste mitrailleurgroepen was echter een belemmering om voorwaarts te gaan. Er was voorts geen infanterie om onder dekking van de mitrailleurs terreinwinst te boeken. Zodoende besloot de luitenant om de mitrailleurgroepen tot aan de tunnel te laten terugtrekken, onderwijl vuurcontact met de Duitsers onderhoudend middels de met slechts karabijnen uitgeruste verkenningsgroep. De rechtergroep liet de mitrailleur en een der zwaar gewonden achter. [170] Op rechtstreeks bevel van kapitein G. van der Mark (de mitraillisten van de rechtergroep waren noordwaarts de stad in gegaan na het terugtrekkingsbevel) zijn daarop de sergeant H.T. Hiemstra met twee korporaals [M. Baaij en M. Vos] erop uit gestuurd de gewonde en de mitrailleur in veiligheid te stellen, wat zonder verdere kleerscheuren gelukte.

Zwijndrechtse Bruggen

De actie eindigde met drie licht gewonden en twee zwaargewonden. Beide zwaargewonden zouden nog dezelfde dag in het ziekenhuis overlijden [de dpl soldaten R.A. Loen en C. de Waal] [31]. Aan Duitse zijde werd de actie niet eens benoemd. Er werd slechts opgemerkt dat de gehele middag Nederlands mitrailleurvuur op het bruggenhoofd lag en alle Nederlandse tegenacties eenvoudig werden afgewezen. Hoewel het verslag van de luitenant Beernink memoreert dat een Duitse lichte mitrailleur uit het vakwerk van de spoorbrug werd geschoten, is daarvan geen enkele verwijzing in het Duitse verslag van 3./FJR1. Want het was de inmiddels met tien man versterkte 3e Zug van 3./FJR1, die de Nederlanders had teruggewezen. Zij hadden geen verliezen in de middag en avond van 10 mei [453].

[150] Het was nog niet klaar voor luitenant Beernink. Direct nadat hij twee mitrailleurgroepen en zijn verkenners succesvol had teruggetrokken (zoals gezegd was de rechtergroep noordwaarts het talud af gegaan en dus niet meer aangesloten) besloot hij met twee mitrailleurs via de zuidzijde van het spoor om de met name hardnekkig geachte Duitse weerstand langs de Korte Parallelweg te bestrijden. Daarom had de luitenant een verkenner aangewezen, dpl korporaal J. Pols, die langs de (noordelijke) Weeskinderendijk twee posities moest verkennen om de wapens op te stellen. De luitenant had geconstateerd dat Duits vuur uit de omgeving van de EMF (fabriek langs de Korte Parallelweg) was gekomen en wilde dat op korte afstand effectief kunnen bestrijden. Die waarneming is curieus, zoals al eerder aangehaald. [170] Want bij de EMF fabriek zaten enkele Nederlandse posten, waaronder de torpedist A.J. Klink, die daar met enige anderen door de luitenant Plasschaert was geposteerd als waarnemer met een M.20 mitrailleur om eventueel lonende doelen te kunnen bestrijden. Het is heel goed mogelijk dat zijn lichte mitrailleur door de luitenant Beernink als een Duits vuurpunt werd verkend. De kans is namelijk minimaal dat er Duitse schutters in de EMF of op het Victoriaterrein zaten. Het is daarmee bijzonder aannemelijk dat de Nederlanders op elkaar hebben geschoten en de beide zwaar gewonden (die overleden op de 10e mei) door eigen vuur veroorzaakt zijn. Een tragische edoch aannemelijke conclusie.

[150] Men bedenke dat op dat moment de 2e en 4e Kompanie parachutisten nog in opmars waren naar de brug en dat de omgeving Weeskinderendijk daardoor tot circa 1430 uur nog niet door Duitsers was bezet. Zij zaten daarentegen wel op de oprit van de spoorbrug, van waaruit zij de weg konden beschieten. De Nederlanders gingen – nadat de verkenning was afgerond – door de achtertuinen van de huizen aan de Weeskinderendijk naar de twee verkende posities toe. Daarbij nam men waar dat enkele Duitse militairen westwaarts vluchtten. Een der mitrailleurs werd vervolgens in een tuin opgesteld, waarbij het over de open ruimte (toenmalige Spoorweghaven – thans rangeerterrein – en spooremplacement) uitstekend de hoge gebouwen aan de Korte Parallelweg kon beschieten. De ander werd zo opgesteld dat men richting verkeersbrug vuur uit kon brengen. Maar nadat het vuur was geopend kregen de torpedisten een hagel van vuur van voren en vanuit de linker flank over zich heen, waardoor ze snel de positie in de tuin met wapen en al verlieten. Het is goed mogelijk dat men inmiddels ook Duitsers van het arriverende 4./FJR1 op de linkerflank als tegenstander trof. Het vuur was zo sterk dat de positie onhoudbaar was. De luitenant liet zijn manschappen weer een stuk oostwaarts terugtrekken om nieuwe posities te kiezen langs het spoor in de nieuwbouwhuizen in de omgeving Vlietweg [helaas kan een exacte positie uit de verslagen niet worden opgemaakt, slechts dat het nieuwbouw betrof parallel en zuid aan het spoor].

Opvallend is het stafwerk in deze. Daarin wordt beschreven [1: blz. 44, 45] dat tijdens de actie een groep van circa 30 man over de verkeersbrug kwam, op korte afstand onder vuur werden genomen en vrijwel vernietigd. Die notitie over zware Duitse verliezen moet maar even vergeten moet worden. Er viel aan Duitse kant vrijwel zeker slechts één dodelijk slachtoffer [Gefreiter Fritz Schäfer, 2./FJR1 met annotatie ‘Maasbruggen, 10 mei’, maar met vermoeden bij Wieldrecht te zijn gesneuveld; verliezen 3./FJR1 en 4./FJR1 waren in deze fase nul [451, 453, 454]; vrijwel alle slachtoffers zijn met naam en sneuvellocatie bekend en in de Duitse verslagen met eerlijkheid vermeld. De bron van de passage in het stafwerk is auteur dezes onbekend. Echter, een afdeling van circa 30 man kan inderdaad duiden op het feit dat de afdelingen van 2./FJR1, die naar de westzijde van de bruggen togen na de aansluiting te hebben gevonden, inmiddels waren aangekomen. Voordien waren dergelijke verplaatsingen immers onmogelijk, wegens het gegeven dat slechts zo’n 40-45 man het gehele bruggenhoofd bezet hielden. Het lijkt – voorzichtig gesteld – een aanwijzing dat inderdaad de tweede actie van de sectie van luitenant Beernink aan het einde van de middag plaatsvond. Op het moment dus dat de Duitsers aansluiting hadden gekregen en het zware vuur uit de linker flank op de beide mitrailleurs vermoedelijk (mede) van deze versterking afkomstig was.

[150] Laat op de avond werd de formatie torpedisten – inmiddels weer verzameld inclusief de groep van het station – door de majoor den Boer geïnstrueerd een afsluitende positie in te nemen aan de zuidzijde van de tunnel onder het spoor, zodanig dat de tunnel en de Hugo de Grootlaan konden worden bestreken. Uiteindelijk koos men positie bij de villa Weizigt. Bij de beschrijvingen op 11 mei en later – alsmede bij een typerende schets van de kwaliteit van de lokale bevelvoering in Dordrecht – zal de daadkrachtige luitenant Beernink nog vaker voorbij komen. 

Het Duitse bruggenhoofd versterkt

De belangrijkste gebeurtenis in de late middag was de aansluiting die de hoofdmachten van 2./FJR1 en 4./FJR1 maakten met het bruggenhoofd van 3./FJR1 aan de Oude Maas. Hoewel de beide compagnieën zich niet zonder behoedzaamheid langs de smalle corridor – die de hoofdwegen richting brug vormde – naar het noorden wisten te werken, bleken de Nederlanders niet in staat het de parachutisten werkelijk lastig te maken. Deze episode kan echter niet worden besproken zonder dat een klein mysterie wordt geduid. Want hoewel de pioniers bij de school aan de Mijlweg al uren geleden waren verslagen, deden de Duitsers er desondanks nog lange tijd over om aansluiting te vinden bij de bruggen. Want die aansluiting vond pas plaats rond 1500 uur Nederlandse tijd!

De beide Duitse verslagen terzake – die van 2./FJR1 en 4./FJR1 – duiden niet op wat hen nu zo lange tijd ophield. De 4e Kompanie, uitgerust met middelzware mitrailleurs en enkele mortieren, had de spits. Zij waren het geweest die de pioniers hadden uitgeschakeld. De afstand vanaf de school aan de Mijlweg en de opgang naar de brug was echter niet meer dan 400 meter. Toch deed men er uren over dat laatste traject af te leggen. 4./FJR1 zegt slechts in haar verslag dat zij constant tegenstand bleven ondervinden. Het volgende letterlijke citaat komt uit hun gevechtsverslag [454], beginnend bij de episode waar men zojuist de school aan de Mijl heeft bereikt:

»  Auch das weitere Vordringen der Kp wurde immer wieder durch Schützen und MG, die immer nur schwer zu erkennen waren, gestört. Jedes einzelne Feidnest musste einzeln bekämpft werden. Hierbij leisteten die sMG und schweren Granatwerfer wertvolle Arbeit. Nur unter dieser Unterstützung gelang es endlich der Kompanie, mit der 3.Kompanie Verbindung aufzunehmen. Aber auch die letzten Meter mussten erkämpft werden, bis es entgültig gelang, auch mit der Nord-Sicherung der 3.Kp Fühlung zu bekommen, da die Zugänge und die Brücken selbst unter dauerndem feindlichen MG Feuer lagen. Dessen ungeachtet schlug sich die Kompanie mit dem durch die Gruppe Hilger geschwächten Zug an der Spitze durch und übernahm sofort die Sicherung der Brücke nach Süden. Bei diesem Vordringen wurden weitere 120 Gefangene gemacht. Um 1600 Uhr wurde vom der 4.Kp der Brückenkopf an der etwa 1 km lange Autobahnbrücke gebildet und sofort die Verteidigungsstellung ausgebaut. « 

Heel veel woorden waarin in wezen ten aanzien van wat er nu plaatsvond in die laatste halve kilometer voor de brug niets meer wordt genoemd dan dat men gedurende het proces van oprukken nog 120 gevangenen nam. De Duitse verslagen hebben stuk voor stuk de neiging de ‘vijandelijke’ verliezen aan te dikken, zoals dat bij de Nederlandse verslagen idem dito geschiedde. Voor het overige blijken de verslagen op meetpunten (zaken die verifieerbaar zijn) buitengewoon accuraat. Als wordt aangenomen dat 120 gevangenen wellicht overdadig is, kan toch wel worden aangenomen dat een aanzienlijk contingent gevangenen werkelijk werd gemaakt. Het waren niet de pioniers, want hun aantal – 250 stuks volgens het Duitse verslag – was als gevangene al gemeld. De reden voor het grote tijdsverloop tussen de overval op de pioniers en de aansluiting bij de brug moet dus gevonden worden in een serie confrontaties met Nederlandse troepen, die aanleiding vormden tot aanzienlijke gevangennemingen. Het verslag van het achteropkomende 2./FJR1 [451] geeft terzake niet veel meer prijs wat bruikbaar is:

»  Die einzige Vormarschstrasse ist jetzt die Autobahn nach Dortrecht. Durch schweres MG- und Schützenfeuer aus der rechten Flanke kam der Vormarsch wieder ins Stocken. Erst nach Niederkämpfen des Gegners und Durchkammen des Geländes konnte der Vormarsch weiter durchgeführt werden. «

Omdat 2.Kp achter 4.Kp optrad, was de beschieting in de flanken vermoedelijk een verwijzing naar de strijd die met de pioniers werd gevoerd. Hoewel Nederlands verslagen niet veel blijk geven van eigen verweer, gaf het verslag van 4.Kp, dat die strijd voerde, aan dat er drie doden en ettelijke gewonden onder hen vielen, wat een indicaties is dat er toch wel enige strijd gevoerd was voordat de pioniers waren overwonnen. Slechts het doorkammen (zuiveren) van het gebied, wat dan gezien moet hebben op de Glazenstraat en vermoedelijk de 's Gravendeelsche Dijk, kan een verwijzing zijn naar de aanleiding waarom men uren verloor op die laatste 500 meter. Maar daarmee is nog niet geduid welke tegenstand men nu ondervond en vooral wie men gevangen nam.

Die tegenstand moet zijn gekomen van depottroepen van 1.DCP of 2.DCP, in het bijzonder vanuit de bezetting van het Sportfondsenbad. Zoals eerder besproken wellicht door de opstelling van twee mitrailleurs van de torpedistenluitenant Beernink, die zich tenslotte aan de noordzijde van de Weeskinderendijk ophield en daar zwaar vanuit de linkerflank werd beschoten. Dat zal dan echter de laatste fase van de aansluiting van 4./FJR1 met de brugbezetting zijn geweest. Het is alles overwegende interessant te kijken welke Nederlandse verbanden zich in de late ochtend en vroege middag langs de opmarsroute van de beide Duitse compagnieën bevonden.

[170a, 170b] De bezetting van het zuidoosten van Dordrecht was ondergeschikt aan de acties die de beide in het zuiden van Dordrecht ondergebrachte depotcompagnieën ontwikkelden tegen de landingstroepen in de Polder en omgeving. Uiteindelijk werd die verdediging geregeld tussen beide compagnieën. Het was 2.DCP dat hoofdzakelijk de westelijke en zuidelijke verdediging van Krispijn voor haar rekening diende te nemen.

[170b] De eerste formatie die naar de Zuidendijk trok, was een groep onder de dienstplichtig sergeant P.E. Dankaart [2.CDP]. Deze was al in de vroege morgen met ongeveer twee dozijn manschappen richting de westzijde van de Zuidendijk vertrokken met als doel de wijk bij die toegang te blokkeren. De groep bleef daar tot aan de middag van 11 mei en heeft aldaar – later gehalveerd door nieuwe orders – de positie niet verlaten. Zij hebben in elk geval bijgedragen aan de beschieting van de beide Duitse compagnieën, en zich tegelijkertijd kunnen onttrekken aan zowel de gevangenneming van de pioniers als de latere (11 mei) kwestie van de colonne Nederlandse krijgsgevangenen, die langs de weg richting het viaduct bij de Zeehavenlaan trok. In beide gevallen heeft men – aldus het verslag van de sergeant zelf – aan de beschieting van de Duitse formaties een bijdrage geleverd. Van zuiveringen door Duitsers in de middag van 10 mei van de westpunt van Krispijn geen enkel bericht in de terzake beschrijvende Nederlandse verslagen [sergeant Dankaart, verslag 5 juni 1949]:

»  Aan de Zuiderdijk [sic] leverden wij een urenlang gevecht met de vijand. Deze trok nml. tiraillerend in de richting van de grote Verkeersbrug en Spoorbrug. Daarbij zijn aan de Zuiderdijk enige huizen in brand geschoten. Ook moet ik nog vermelden, dat er enige vrachtauto's langs die weg trokken vol met Nederlandse militairen. Uit of op die auto's werd met de Nederlandse driekleur gezwaaid. Bij het zwaaien der vlaggen werd dan geschreeuwd: 'niet schieten'. (...) Na de capitulatie is mij deze zaak duidelijk geworden. Er zouden namelijk 60 of 70 Nederlandse militairen vermoedelijk wielrijders [sic] welke in een school gelegerd waren, zich hebben overgegeven aan een paar Duitsers. «

[170b] Een ander contingent troepen kwam in de loop van de morgen (en middag) terecht in het Sportfondsenbad, dat toentertijd in het open terrein oost van de brugoprit lag in de driehoek van wegen (Weeskinderendijk en Hugo de Grootlaan). Van daaruit had men een excellent schootsveld richting brugoprit, wat ertoe leidde dat men de gehele dag vuur ontving, maar ook vuur kon afgeven. Voor de Duitsers vormde die bezetting van het bad een buitengewoon storende zaak. In eerste instantie waren er in het bad enkele ongeregelde verbanden ter grootte van een 25-30 man, waarbij AOOI Steeds en AOOI J.H. van het Hoofd de tweekoppige leiding vormden. Maar uiteindelijk kwam, zoals eerder besproken, de reserve majoor der speciale diensten W. den Boer via omwegen ook terecht bij de locatie en nam het bevel aldaar over. Nadat de vanuit 2.DCP mislukte actie tegen de brug leidde tot terugtrekking van die aanvalsgroep (onder de reserve 1e luitenant G.A. Brouwer, die bij de actie gewond raakte), kwamen daarvan ook enige mannen in het badhuis terecht. Daarmee was een aanzienlijke bezetting van die locatie ontstaan, voordat de beide Duitse compagnieën langs de autowegen noordwaarts trokken. Deze bezetting kreeg het gedurende de dag steeds zwaarder. Hun positie was bekend bij de Duitsers en de vuurmogelijkheden beperkt. Met enige regelmaat ontvingen zij effectief Duits vuur, dat ook tot slachtoffers leidde. Uiteindelijk werd de locatie zo intensief beschoten, vermoedelijk ook met lichte artillerie [in Zwijndrecht stonden twee stukken Skoda 7,5 cm geschut vanaf de avond van 10 mei] of mortieren, dat zelfs een flink gat in een van de muren werd geschoten. Daarop toog het gros van de bezetting naar de kelder van het gebouw. Gedurende de nacht werd de locatie zelfs geheel verlaten. Men had meerdere gewonden en vier doden te betreuren. De gesneuvelden waren de dienstplichtigen sergeant C.P. de Nijs [2.DCP], de sergeant C. Harringa [2.DCP], de korporaal Z. Hazewindus en de soldaat K.H.C. Mercier [beiden 1.DCP] [31]. De strijd die zij gevoerd hadden, leidde echter niet tot gevangenneming van hun verband. De Duitsers waagden zich niet zo dicht op de wijk, gevangen als zij zich wisten in de trechter van wegen op die locatie.

[191] Een ander verband dat in west Dordrecht in beeld komt, is de sectie van 14.C.Pn dat het fiasco van de gevangenneming van de rest van de compagnie pioniers had ontlopen, omdat de sectie tot en met de vroege middag betrokken was geweest bij de strijd met de in de Polder gelande parachutisten. De reserve 1e luitenant K.I. Ruige had zich uiteindelijk in de loop van de middag weer richting de school aan de Mijlweg begeven en constateerde aldaar – na verslag van achtergebleven soldaten en burgers – dat wat het lot van kapitein Mantel en de rest van de compagnie was geweest. De luitenant nam stelling op korte afstand van de school en richtte een commandopost in, in de huizen achter de Zuidendijk. Aldaar kreeg hij versterking van de torpedistenluitenant Verschoor met drie zware mitrailleurs, die op diverse locaties stelling namen te versterking van het zuidwestelijke front. De exacte tijdsduiding bij deze gebeurtenis ontbreekt, maar het is vrijwel uitgesloten dat de luitenant Ruige zijn opstelling innam voordat de beide Duitse compagnieën zich langs de weg voorwaarts bewogen. Want 4./FJR1 was immers vanzelfsprekend al goeddeels voorbij getrokken ten tijde van het wegvoeren van de gevangen genomen pioniers en 2./FJR1 volgde kort op hen, terwijl luitenant Ruige nog met zijn sectie getuige was geweest van de gevangenneming van de Duitse parachutisten bij Weizigt, en daar zelfs aan had bijgedragen. Gezien het feit dat aansluiting op de brugbezetting rond 1430-1500 uur plaatsvond, lijkt het alleszins redelijk om aan te nemen dat luitenant Ruige de beide Duitse compagnieën niet in beeld heeft gekregen. 

Naar welke 120 gevangenen de Duitse verslaggever dan dus verwijst is blijft dan ook een raadsel. Dat de Duitsers zich van alle kanten beschoten achten is wel te begrijpen. Er zullen naast de reconstrueerbare aanwezige Nederlandse verbanden zonder enige twijfel enkele niet traceerbare kleine groepjes Nederlandse militairen zijn geweest die her en der verspreid over de sector waren en al dan niet in lastig waarneembare posities lagen. De Nederlandse verslaglegging van de gebeurtenissen is zo summier en zo geconcentreerd op hoofdpunten, dat bijzaken als patrouilletochten of verspreidde groepjes militairen de vastlegging op papier gemist hebben. Desalniettemin blijft overeind dat de Duitse vertraging op 10 mei na de gevangenneming van 14.C.Pn tegen het middaguur (of kort daarna) niet te verklaren is. Zuiveringen zullen hebben plaatsgevonden langs de Glazenstraat en de ’s Gravendeelsedijk. Maar in Krispijn kan dit haast niet aan de orde zijn geweest. Toch deden de Duitsers er circa drie uur over van de school aan de Mijlweg tot aan de brug te geraken. Het enige wat als oorzaak nog kan worden gesuggereerd is dat zij wellicht enige momenten namen om te hergroeperen. Hun verband was immers behoorlijk opgerekt. Een goede verklaring, met onderbouwing, kan auteur dezes echter niet aanvoeren.

Wat wel duidelijk is, is dat de Nederlandse krijgskansen in Dordrecht met de aansluiting van circa 175 man aan parachutisten op de ongeveer 40-45 man sterke brugbezetting, ineens vrijwel verdwenen waren. De ijle Duitse bezetting van het relatief grote bruggenhoofd (van oprit tot oprit was dit twee kilometer lang) was kwetsbaar geweest voor een goed opgezette tegenaanval, zeker als die bijvoorbeeld over twee assen was vormgegeven, wat de beperkt aanwezige Duitse automatische wapens evident enorm aan relatieve vuurkracht had ontnomen. Na aansluiting van de versterking van de resterende hoofdmacht van I./FJR1 waren de Nederlandse kansen een succesvolle tegenactie te ontwikkelen tegen het bruggenhoofd, vrijwel nihil. Als er dus op 10 mei een beslissend kantelpunt in de krijgskansen betreffende Dordrecht moet worden aangewezen, dan was dit op het moment dat de beide compagnieën uit het zuiden aansluiting vonden op het bruggenhoofd. De Nederlanders hadden – mede door zwak optreden van kapitein Mantel der pioniers – de kans gemist om de zuidwest zijde van de stad af te sluiten en het lokale beleid had onvoldoende beseft hoe voornaam die afsluiting in tactisch opzicht voor de stadsverdediging zou zijn geweest.  

De acties tegen de bruggen geanalyseerd

De acties die de sectiegrootte torpedisten onder luitenant Beernink ondernamen op de eerste oorlogsdag, waren de enige werkelijke acties tegen de Duitse bezetting rond de bruggen, die niet reeds in hun prille voorbereiding doodgebloed waren. De missie van de luitenant Beernink was daarbij niet eens geweest om de brug te hernemen, maar slechts deze van zijn stekende bezetting te ontdoen. Desondanks was de sectie torpedisten de enige die werkelijk in een uitgebreide vuuruitwisseling met de brugbezetting kwam tijdens een offensieve actie. Alle andere acties, zoals die vanaf de Hugo de Grootlaan in de ochtend en vanuit het centrum door de groep van luitenant Over in de zeer vroege ochtend, waren reeds in de kiem gesmoord door Duits handelen. 

Overste Mussert was de gehele eerste oorlogsdag – voor zover valt na te gaan – bezig geweest om middels noodmaatregelen de totaal onverwachte overval op ‘zijn’ Dordrecht te pareren. Hoewel publicaties over de strijd in de stad de overste afschilderen als afwezig, volslagen incompetent of zelfs verraderlijk handelend, was daar in feite geen sprake van. Het grote bezwaar dat men wel herkent als de diverse individuele gebeurtenissen op een rij worden gezet en geanalyseerd, is dat buitengewoon vaak door plaatselijke bevelhebbers ad hoc werd opgetreden. Veel van dat ad hoc handelen werd door de gebeurtenissen ingegeven en was geen weloverwogen (hoger) beleid. Dat was in de ochtend van de eerste oorlogsdag positief geweest, met name rond de afgrendeling van het landingsterrein van de hoofdmacht van 3./FJR1. Daarbij werden de Nederlandse verbanden in feite gestuurd door een (noodzakelijke en afgedwongen) reactie op Duits handelen. Die afgrendeling kende vroeg in de middag een fortuinlijk einde. Luitenant van der Houwen nam een ongelofelijk groot risico door met een dozijn manschappen het park Weizicht te zuiveren, en had ontzettend veel geluk dat de Duitsers vrijwel geen munitie meer hadden en zich daarom overgaven. Anders had een slachting kunnen volgen en zouden de eigen initiatieven van lokale officieren helemaal niet zo positief in de boeken zijn verdwenen. Nadien – vanaf de vroege middag – moesten de Nederlanders zelf initiatieven gaan ontplooien tegen onbekende of, voor de Nederlanders, minder gunstig gelegen Duitse posities. Die Nederlanders handelingen gingen in feite in alle gevallen volkomen de mist in.

De kanteling die men daarin kan herkennen is even opmerkelijk als belangrijk. In heel Nederland kon men constateren dat het de meeste Nederlandse troepen niet aan moed en inzet ontbrak. Daar waar zij door doortastend kader werden geleid werden zelfs soms opvallende prestaties opgetekend. Maar veelal betrof het defensieve acties, waarbij men in feite het initiatief aan de tegenstander moest laten. Daar waar Nederlanders offensief moesten opereren, waren de successen zeer beperkt. Zelfs zo beperkt, dat ze vandaag de dag bij vrijwel alle in de Meidagengeschiedenis geïnteresseerden zo kunnen worden gereproduceerd. In Dordrecht had men vanaf het oprollen van de hoofdmacht van 3./FJR1 de taak zelf initiatief te ontplooien. En dat ging op ieder terrein en op alle locaties mis.

Overste Mussert en zijn staf waren de gehele dag bezig om de defensie van de stad te organiseren. Daarbij werd – het zal op 11 mei nader worden besproken – de nadruk gelegd op defensieve maatregelen. Het was de kantonnementscommandant en zijn staf geenszins duidelijk wat het operationele doelwit voor de Duitsers was. Men werd daarin vanuit Den Haag (C-VH) ook niet gesteund, want daar giste men ook naar de Duitse opzet. Het mag vandaag de dag onwerkelijk lijken, maar op de eerste oorlogsdag was het in Den Haag helemaal niet zeker dat de in het zuiden van de Vesting ontwikkelende Duitse operatie in wezen een voorbereiding was voor een grote landoperatie die vanuit Moerdijk zou moeten worden gevoed en waarvoor het bezit van de bruggen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam noodzakelijk was. Zodoende werd vanuit de staf C-VH ook niet aan de C-Kant Dordrecht medegedeeld dat de bruggen over de Oude Maas het Duitse doelwit waren en hij die met alle middelen diende aan te grijpen.

Zo kon het bestaan dat de kantonnementsstaf er vanuit ging dat de Duitse ambitie vooral was om Dordrecht als stad te bezetten omdat dit een belangrijk spoorwegknooppunt was en daarom een gewenst strategisch bezit. Men dacht dat de bezetting van de bruggen geen hoofddoel was en zag die bezetting zeker niet in de context van andere gebeurtenissen elders, mede bij gebrek aan informatie. Zo is bijvoorbeeld bekend uit het verslag van de vaandrig Marijs (die bij de Tongplaat stelling genomen had) dat de overste Mussert hem in de nacht van 10 op 11 mei zou bellen met een vraag omtrent de status van de bruggen bij Moerdijk [100a]. Voor de Duitsers bestond er echter met de geringe strijdkracht geen intentie de gehele stad te bezetten. Het enige voor hen boeiende secundaire doelwit was de spoorbrug over het Wantij, maar die was slechts bereikbaar als men in Dordrecht zelf nauwelijks weerstand zou ondervinden. Zelfs die perceptie was echter bij de kantonnementsstaf niet geland, want er werd geen groot verband naar de bewuste spoorbrug toe gestuurd, maar slechts een staande patrouille van 4.DCT. Wel liet de kantonnementsstaf alle uitvalswegen bezetten en bracht het ook de oostelijke stadszijde in staat van verdediging. Het trachtte voorts de gehele spoorbaan te doen laten bezetten en het stadsdeel west af te grendelen en in staat van verdediging te brengen. Dat laatste werd middels mandatering van de kapitein Siegmund [1.DCP] als bevelhebber Dordrecht zuid in de ochtend gedelegeerd. Belangrijke potentiële doelwitten voor Duitse aanvallen of sabotage waren volgens de kantonnementsstaf (analoog aan de instructies die men tijdens het interbellum daartoe kreeg) het postkantoor, het kantonnementsbureau en het veerpunt in het noorden van de stad. Ze werden bezet door contingenten depottroepen. In het zuiden van de stad wilde men de beide depotcompagnieën samen met de pioniers van Ruige en de toegezonden Biesbosche torpedisten met hun zware mitrailleurs gebruiken om het zuidwesten van de stad af te sluiten. Allemaal zaken die – hoewel door omstandigheden vaak niet of onvolkomen tot wasdom gekomen – duiden op een na te streven defensieve visie. Daarbij was herkenbaar dat men veel opdrachten met veel te veel troepen uit deed voeren, zoals overal elders in het land, zelfs door veldcommandanten, evenzo werd gedaan. Men verspreidde de eenheden in plaats van belangrijke formaties juist te concentreren. Daarin was de kantonnementscommandant beslist geen uitzondering, eerder een herkenbare trendvolger.

Gevolg van dit alles was dat de op papier in aantal tamelijk sterke kantonnementstroepen geen ‘operationele’ reserve ter beschikking hielden. In en voor zover er verbanden ‘vacant’ waren, waren deze in essentie ongeschikt voor complexe offensieve operaties, zoals het hernemen van de Oude Maasbruggen. Daarbij beschikte het kantonnement nauwelijks over automatische wapens, laat staan enig ander ondersteunend wapen. De twee stukken voorhanden PAG hadden slechts pantsermunitie, wat deze wapens zo goed als waardeloos maakte in de stedelijke omgeving tegen ‘zachte’ doelen. Dat werd bepaaldelijk niet onderschat op het kantonnementsbureau, waar gesmeekt werd om gevechtstroepen en automatische wapens bij aanleunende onderdelen (Groep Kil en Groep Merwede) alsmede bij de C-VH. Mussert spande zich buitengewoon in om versterkingen los te krijgen om de waarde van zijn verdediging belangrijk te doen toenemen en een goed opgezette offensieve actie tegen de bruggen te kunnen uitvoeren. Onderwijl al zijn ondercommandanten inprentend dat er overal moest worden standgehouden.

Daarnaast erkende Mussert snel dat zijn stad in tweeën was gesplitst, door de Duitse beheersing van het zuidoosten (tot even voorbij het middaguur) en de bezetting van de bruggen. Hij wees daarom al vroeg in de morgen kapitein Crok aan als zijn vertegenwoordiger in het zuiden van Dordrecht, en toen die vast bleek te zitten in het centrum, de andere depotcompagnie commandant in Krispijn, de kapitein Siegmund. Al die inspanningen – alom geregistreerd bij zowel staf C-VH alsmede Groep Kil – duiden in geen enkel opzicht op een saboterende kantonnementscommandant of een commandant, die op hoofdlijnen doelloos en visieloos optrad. Wel wordt duidelijk, uit de vele omstandige bronnen, dat het pleiten om meer troepen en offensieve ondersteuning van elders door Mussert nu niet bepaald beheerst werd geuit. Hoewel de onderzoeker te maken krijgt met eenzijdige weergave van die contacten met de overste, spreekt uit veel verslagen – zoals met name die van Groep Kil – dat er sprake was van emotionele smeekbedes, ook wel getypeerd als ‘warhoofdig’ of ‘opgewonden’ . Naoorlogs verklaarde kapitein Calmeijer voor de Enquête Commissie, in ‘zijn’ stafwerk over het Zuidfront en in zijn Memoires dat overste Mussert een warhoofd en opgewonden standje was. Die typeringen passen wel bij karaktereigenschappen, die bronnen vanuit minder verdachte hoek óók over de eigenschappen van overste Mussert melden, zoals het boekverslag van burgemeester Bleeker. Die gaf heel uitdrukkelijk aan Mussert nooit op subversief handelen te hebben betrapt, de man als uiterst serieus te hebben ervaren, maar zijn optreden toch wel eens te hebben genoteerd als ‘niet soepel en tactvol’. Voorts was de burgemeester opgevallen dat er weinig leiding van de overste uitging, althans dat zijn relatie met de onder hem sorterende officieren ronduit slecht was [63]. De vraag is - ja de hamvraag is - of die slechte relatie met zijn officieren slechts Mussert verwijtbaar was. Hij werd immers vanaf het eerste moment gewantrouwd. Uit deductie valt vast te stellen dat de overste zich echter inderdaad als leidinggevende niet goed heeft gedragen. Er was in Dordrecht, ook na de tumultueuze ochtend van de eerste oorlogsdag, sprake van onduidelijkheid in het beleid. Niet zo zeer wie het beleid vertegenwoordigde, maar wel wat het beleid inhield. Daarbij dient te worden aangetekend dat het vast staat dat die onduidelijkheid – die elders evenzo alom aanwezig was vanuit lokale hogere bevelhebbers – naoorlogs ten aanzien van overste Mussert onwerkelijk is uitvergroot. Desalniettemin wás die onduidelijkheid er ontegenzeglijk en mag dit voor een juiste en complete analyse niet worden gebagatelliseerd.

Dat de kantonnementstaf uiteindelijk niet tot een omvangrijke actie kwam aangaande de herneming van de bruggen, had vooral met twee zaken te maken. Allereerst de operationele noodzaak die zij - als kantonnementsstaf - voelden vooral de stad zelf tegen verder doordringen van de gelande Duitsers te beveiligen, en ten tweede met het feit dat men geschikte troepen en vooral zwaardere wapens miste om een vruchtbare actie op te zetten. Toch kwamen enkele acties van de grond. Daarvan was echter maar ‘anderhalve’ actie vanuit het kantonnementsbureau ingezet. De actie die vanuit 3.DCP werd ingezet door de groep van luitenant Over, was er één op initiatief van de brugwacht en die compagnie zelf. De actie onder de luitenant de Brouwer vanuit 2.DCP, die strandde langs de Hugo de Grootlaan, was een beperkte actie, zij het met ca. 60 man, die op bevel van chef-staf kapitein Van der Mark was ontwikkeld. De inzet van de Biesbosche torpedisten was op instructie van de kantonnementsstaf uitgevoerd, maar in wezen geen opdracht tot herneming van de bruggen geweest, maar ter bestrijding van de Duitse vuurpunten op de bruggen, die het noordoostelijk stadsdeel beschoten. Hoewel diverse naoorlogse verslagen der officieren de actie wél ter herneming van de brug adresseren, was hiervan geen sprake, zo bleek uit de opzet en de instructies aan luitenant Beernink. Logisch ook, want met 40 mitraillisten herneemt men geen brug. Daarvoor zijn uitvoerende tirailleurs immers noodzakelijk.

Doordat van het kantonnementsbureau op enkele flarden na – die vooral zien op de latere gevechtsdagen – geen verslagen bewaard zijn gebleven en uit de summiere gegevens van betrokken officieren geen enkele (betrouwbare) feitelijke reconstructie valt te maken van de besprekingen en overwegingen op het bureau op die eerste oorlogsdag, kunnen de zaken slechts door deductie worden gereconstrueerd. En met die summiere informatie lijkt het erop dat het kantonnementsbureau geen werkelijke voorbereidingen heeft getroffen op de eerste oorlogsdag om met de eigen depottroepen een substantiële aanval op de Oude Maasbruggen te plegen.

Naoorlogs is het Mussert euvel geduid, dat hij zich niet direct, dan wel spoedig, met een aanzienlijk verband op de bruggen gestort heeft. Wat daarbij direct opvalt is dat de Groep Kil, met wie op 10 mei door overste Mussert een aantal keer telefonisch contact bestond, zich helemaal niet welbewust toonde van het feit dat de Oude Maasbruggen op 10 mei reeds bezet waren. Dat ondanks het feit dat zowel Mussert zelf als zijn chef-staf een aantal maal nadrukkelijk aangaven in hun smeekbeden voor ondersteuning, dat Dordrecht verloren zou zijn zonder versterkingen. Dat duidde toch vooral op een precaire situatie. Nog in de nacht van 10 op 11 mei werd majoor Ravelli – die met zijn bataljon op de tweede oorlogsdag ter beschikking van C-Kant Dordrecht werd gesteld – door chef-staf Groep Kil kapitein Calmeijer gemeld dat van de situatie ten noorden van de zuidelijke stadsgrens hoegenaamd niets bekend was. Het is uiterst merkwaardig dat ondanks dat er meerdere contacten tussen de adjudant van Mussert en de overste zelf enerzijds en Groep Kil anderzijds, bij de staf van de Groep geen enkele informatie bleek te zijn over de status in Dordrecht. Dat zal enerzijds beslist aan de informatiebeperking vanuit Dordrecht richting Groep Kil hebben gelegen, maar evenzo aan de kennelijk ondermaatse onderzoeksdrift van die laatste staf. Overste Mussert en zijn staf beseften echter terdege dat de bruggen in Duitse handen waren en ook dat het noodzakelijk was dat bruggenhoofd af te grendelen en af te sluiten. Maar men zag het verlies van de stad veel meer als een risico, dan het verlies van de bruggen. Ook kapitein Calmeijer, die sterk de neiging had naoorlogs zijn gelijk te halen zonder op enig moment in de verleiding te komen zijn eigen (gebrek aan) handelen kritisch te wegen, gaf in zijn verslagen voor de Enquete Commissie en Memoires aan dat hij door de smeekbedes vanuit Dordrecht terdege besefte dat de stad Dordrecht als toegang naar het westen des lands niet verloren mocht gaan. Niet de bruggen speelden door zijn hoofd, maar de stad. Opvallend is het dan dat in het stafwerk door diezelfde Calmeijer gesuggereerd wordt [1: blz 46] dat Mussert zich niet al teveel gelegen liet om de bruggen te hernemen. Die suggesties had Calmeijer ten tijde van zijn verhoor voor de Enquete Commissie in elk geval nog niet gevormd en waren - naar men dan mag aannemen - daarvoor dus ook niet prominent aanwezig geweest. Overigens neemt dat niet weg dat Calmeijer zijn overweging terzake in het stafwerk natuurlijk wel relevant was. Al was het maar vanuit een objectieve analyse van de gebeurtenissen.

Feit blijft dat de kantonnementsstaf op 10 mei zich concentreerde op het behoud en de defensie van de stad en daarbij de ter beschikking staande troepen tactisch onverstandig gebruikte. Zodanig onverstandig, dat er voor het formeren van een breed opgezette aanval op de bruggen geen troepen resteerden. Dat is een zaak die, ondanks de vele verzachtende omstandigheden die terzake kunnen worden aangevoerd, overste Mussert verwijtbaar is te stellen. Hoewel in het Nederlandse leger officieren de reflex kenden zich eerst om hun verdediging en het onderlinge verband te bekommeren (analoog aan het contemporaine geijkte Franse principe) en pas daarna na te gaan denken over eventueel op te zetten offensieve reacties, had het zelfs een gering opgeleidde tacticus op 10 mei in de loop van de dag toch duidelijk moeten worden dat de Duitsers het vooral op de bruggen hadden voorzien. In elk geval vormden de door de Duitsers bezette hoge bruggen voor het behoud van de stad sowieso een groot gevaar. De passiviteit die overste Mussert toonde door hierop geen overtuigende maatregelen te nemen in de loop van de dag, kan hem met recht kritisch voor de voeten worden geworpen.

Dat Nederlandse officieren anno 1940 zich totaal niet bewust waren van het feit dat men lichte troepen, zoals luchtlandingstroepen of parachutisten, direct moest aanvallen en niet de kans moest bieden om zich ‘te settelen’, was een kwestie die in de opleiding en bijscholing van het Nederlandse kader volledig ontbrak. Men was opgeleid in de traditionele oorlogsvoering en had geen weet van dergelijke grondbeginselen. Men mag die kennis vandaag de dag als ‘logica’ bestempelen; zij was het in mei 1940 niet.

Eén en ander had grote gevolgen. Want tot 1600-1700 uur op de eerste oorlogsdag, was de bezetting van de beide bruggen over de Oude Maas door Duitse parachutisten dunnetjes geweest. Slechts het versterkte derde peloton [in totaal circa 45 man] van de overigens in de Polder uitgeschakeld 3./FJR1 hield, zonder veel moeite, de bruggen in bezit. Sterker nog, het waren de tien man die vanuit de hoofdmacht uit de Polder doorgebroken waren, die met slechts een groepsversterking van de 3e Zug de gehele oost en zuidzijde van de brug verdedigden tot aan de late middag van 10 mei [453]. Rond de 20 man dus. Op de brug zelf en vooral ten westen daarvan (Zijndrecht) waren de resterende twee Gruppen van 3.Zug ontplooid. Hoewel de Duitsers over slechts drie of vier lichte mitrailleurs beschikten, alsmede enkele van de Nederlandse zware mitrailleurs van de beide gevangen genomen pelotons luchtdoelmitrailleurs, was hun verdedigende vermogen kwantitatief dus bijzonder beperkt. Desondanks wisten zij met zeer actieve vuurpunten de zwakke Nederlandse acties tegen hun posities eenvoudig af te wijzen. Zelfs zo eenvoudig, dat geen Nederlands verband ook maar in de buurt van de bruggen kwam. Na 1500 uur was de Nederlandse kans voorbij. De aangesloten formatie bestaande uit een aanzienlijk deel van 2./FJR1 en 4./FJR1 bezette het bruggenhoofd toen zodanig sterk, dat een Nederlandse tegenactie zonder intensieve steun van zware wapens in wezen kansloos zou zijn. Dat was echter vanzelfsprekend geen wetenschap voor de Nederlanders.

Krispijn in de middag en avond

[170, 170a, 170b] In de ochtend waren de beide depotcompagnieën in Krispijn, daarbij ondersteund door de bekende overige eenheden, vrijwel geheel geoccupeerd met de in de Polder gelande Duitsers. Kort na de middag was de Duitse hoofdmacht van 3./FJR1 in Nederlandse handen gevallen. Daarna werden de terreinen in het oostelijke deel van de wijk en aangrenzend gebied door aanzienlijke verbanden gezuiverd, waarbij nog een aantal laatste gevangenen werden gemaakt. Enkele groepjes pontonniers bleven ook nadien in posities rond het landingsterrein actief, zonder dat zij zich in feite ‘onder orders’ daar bevonden. Er werd bijzonder weinig beleid gemaakt door de (in de vroege ochtend door de C-Kant aangewezen) commandant van Dordrecht-Zuid, de kapitein Siegmund. Deze toonde zich volslagen ongeschikt voor die positie, maar wegens het in het noorden van de stad ‘ingesloten’ zijn van kapitein Crok, was de kapitein Siegmund – commandant van 1.DCP – de oudste commandant in het stadsdeel. De majoor voor speciale diensten Den Boer werd – merkwaardig genoeg, als oud artillerist – niet aangesteld in die functie, maar functioneel ondergeschikt gemaakt aan de kapitein.

[170a, 170b] De meeste losse verbanden pontonniers die overal in de wijk actief waren en die niet onder (geldige) orders meer waren, kozen er vroeger of later voor terug te gaan naar hun respectievelijke onderkomens, de beide scholen in de wijk. Aldaar bleek al spoedig dat er niet direct nieuwe bevelen voorhanden waren. Reserve- kapitein H.J. Siegmund had 2.DCP verantwoordelijk gemaakt om het zuiden en westen van de stad te beveiligen, maar taalde er niet naar de uitvoering daarvan te verifiëren. De troepen die bij de Betje Wolffstraat [1.DCP] terugkwamen, werden grotendeels ingezet om de school zelf te verdedigen. In eerste instantie kreeg de luitenant van der Molen die opdracht, maar nadat de AOOI Koster terug ‘op het nest’ was gekomen in de vroege avond, werd hem opgedragen de verdediging te leiden. Hij deed dit vooral door de school van extra passieve bescherming te voorzien.

[170a] Merkwaardig genoeg melden verslagen dat de school constant onder vuur lag. Hoe dat mogelijk is, lijkt niet zo eenvoudig verklaarbaar. Hoewel het gebouw aan het verlengde [Frans Lebretlaan] lag van de Zuidendijk en dus in schootsveld lag vanaf de Rijksweg, moesten Duitsers niet alleen excellente schutters zijn om over die 750 meter afstand iets te raken, maar bovendien lagen er aanzienlijke Nederlandse contingenten – circa 80 man met drie zware en een lichte mitrailleur(s) – vlakbij het punt waar vandaan die Duitsers dan zouden moeten hebben geschoten. Dat kan als optie wel worden uitgesloten. Te meer daar uit Duitse verslagen bekend is – het zal op 11 mei uitputtend worden behandeld bij de bespreking rond het bataljon Ravelli – dat zij helemaal niet in het verlengde van de Frans Lebretlaan lagen. Wat wel goed mogelijk is, is dat men uitlopers van Duits vuur op het Sportfondsenbad te verwerken kreeg. Dat vuur moet dan wel erg hoog hebben gelegen [de afstand bad - school was nog zo'n 300 m], maar de school stond in een rechte lijn vanaf de Duitse posities op en om de verkeersbrug en het Sportfondsenbad. Maar de beschietingen van het gebouw leidden ertoe dat men aan het kantonnementsbureau melding maakte van Duitse sluipschutters in de wijk en het feit dat men dus niet zinvol kon opereren vanuit de bedreigde omgeving Bosboom Toussaint. Die melding zou weer leiden tot de op 11 mei te bespreken totaal overbodige – edoch uitgevoerde – opdracht aan de (gedurende de nacht in Dordrecht arriverende) Wielrijders om met een compagnie Krispijn van Duitsers te zuiveren. Duitsers die er dus niet waren …

[170a] In de late avond kreeg de kapitein Siegmund van de Groep Kil te horen dat hij gedurende de nacht contact moest maken met twee compagnieën infanterie die door de Groep Kil naar Dordrecht waren gestuurd in de richting van de verkeersbrug. De kapitein informeerde op zijn beurt de luitenant Ruige, die op zijn instructie met zijn sectie en de torpedisten van het Biesbosch detachement, vlakbij de rijksweg positie had gekozen. De luitenant zou aan de kapitein de aankomst van de troepen melden. Daarop zou dan de samenwerking c.q. afstemming tot stand komen met die nieuwe troepen. Helaas meldt het verslag van de kapitein Siegmund niet of hij het kantonnementsbureau verwittigde van deze aankondiging.

[170a, 170b] 2.DCP werd door de kapitein Siegmund opgedragen zich in te spannen de eigen school en het zuidwesten van Dordrecht te verdedigen. Daartoe zond de compagnie – onbekend is wie coördineerde en wie waarheen werd gezonden – enige kleine groepjes militairen naar de Patersweg. Helaas ontbreken alle verdere gegevens in de archieven over deze opdrachten en de ervaringen der deelnemers. Zoals reeds besproken was de kapitein Crok, commandant van 2.DCP en plaatsvervangend depotcommandant, in de ochtend vast komen te zitten in het noorden van de stad. Bovendien was de reserve 2e luitenant Brouwer gewond geraakt tijdens de uitvoering van de opdracht van het kantonnement om de verkeersbrug te hernemen. Daarmee waren de enige twee officieren bij 2.DCP in de loop van de ochtend uit beeld geraakt. Een aanzienlijk deel van het overige kader zat 'vast' in het Sportfondsenbad. Slechts reserve vaandrig H.J. Blaar schijnt in de school te hebben gezeten, maar bewijs daarvan ontbreekt.

[170a] Het is bijzonder opvallend hoe volkomen initiatiefloos de kapitein Siegmund bleef. Zijn eigen compagnie bestond uit ruim 400 man, de 2e Compagnie uit ruim 200. Nadat de lastige taak om met de laatste restanten van 3./FJR1 af te rekenen was afgerond, werd geen enkele nieuwe opdracht geformuleerd voor de compagnieën. Hoewel deze beiden niet meer op volle sterkte waren wegens gewonden, gesneuvelden en enige verspreide verbanden, waren er nog enkele honderden manschappen voorhanden. Daarmee werd niets ondernomen. Er werd zelfs aan manschappen en sommige kaderleden toestemming verleend te gaan slapen …

Zodoende werd met de in Krispijn beschikbare troepenmacht gedurende de avond en de nacht niets ondernomen.

De krijgsgevangen parachutisten

In totaal werden er circa 75 parachutisten krijgsgevangen gemaakt in en om Krispijn. Het exacte aantal is niet bekend, maar het zal om en nabij dit aantal zijn geweest. Een aanzienlijk deel hunner was gewond. Volgens het stafwerk twaalf man, [1] welke spoedig na gevangenneming overgedragen werden aan de medische dienst. De meeste van gevangenen kwamen in de school aan de Betje Wolfstraat terecht.

Opvallend genoeg zijn ook over de afvoer van de Duitse krijgsgevangenen de verslagen van 1.DCP uiterst onnauwkeurig. Er is dus niet met primaire bronnen vast te stellen hoe laat deze grote groep uiteindelijk naar de binnenstad is afgevoerd. Dát zij zijn afgevoerd is echter zeker. Uit het verslag van de C-3.DCP reserve kapitein H.B. Driessen [170c] blijkt dat hij opdracht kreeg de gevangenen op te halen bij 1.DCP. Hij wees daarvoor SMI C. Balt aan met als rechterhand dpl sergeant Van der Ven en enig manschappen. Volgens het verslag keerden deze na enige tijd terug met ca. zestig gevangen parachutisten, waaronder twee officieren. Daarvan was er één gewond, die later naar het ziekenhuis werd gebracht. De andere – dit moet Oberarzt Dr. Noack zijn geweest (1) – werd in het ziekenzaaltje ondergebracht en bewaakt door de sergeant Nicolai [107c].

(1) Oberarzt Rudolf Noack - in Duitse verslagen ook wel als 'Nowak' aangeduid - was de compagniesarts van 3./FJR1 en behoorde mogelijk tot de ca. 1,200 militairen die op 14 mei in de avond via IJmuiden naar Engeland werd overgebracht. 'Mogelijk', want de officiële krijgsgevangenlijst duidt de arts in de Nieuwe Frederikkazerne en zijn verschijning op die lijst doet de logische vraag oproepen hoe de krijgsgevangenen op 11 mei via Gorinchem in Den Haag terecht kwamen. Het feit dat de arts in krijgsgevangenschap werd gehouden was overigens in strijd met de krijgsregelen. Gezien de aard van de gevechten, het gegeven dat de gevechten niet waren beëindigd en het gegeven dat al spoedig vele Duitse gewonden behandeld werden in ziekenhuizen in Dordrecht, had deze arts door de Nederlanders in de gelegenheid moeten worden gesteld de Duitse gewonden te verzorgen.

De andere officier was vrijwel zeker Leutnant Schmelz, de plaatsvervangend compagniescommandant na het sneuvelen van Oberleutnant Freiherr von Brandis. Zijn verwonding en opname in het ziekenhuis redde hem van afvoer naar Engeland. Hij werd na de capitulatie in vrijheid gesteld en schreef het compagniesverslag voor 3./FJR1.

De manschappen en onderofficieren werden onder gebracht in een lege aak. Ze werden daar onder leiding van de reserve vaandrig D. J. Lock en enige manschappen van 3.DCP bewaakt. In de vroege ochtend van 11 mei zouden zij allen worden afgevoerd naar Gorinchem. Zij zouden uiteindelijk grotendeels naar Engeland worden afgevoerd volgens E.H. Brongers zijn onderzoekingen. Brongers lijkt zich terecht te baseren op de verslagen [153] van reserve generaal-majoor Dames [C.Brigade G, vanaf 11 mei commandant Groep Merwede] - die meldde dat de gevangenen uit Dordrecht naar Wijk bij Duurstede werden doorgevoerd - en van een sectiecommandant van 2-I-29.RI [reserve 2e luitenant De Vries Feijens] die spreekt over het vervoer van circa 200 krijgsgevangenen die vanuit Wijk bij Duurstede door een deel van zijn sectie naar Den Haag werden gebracht. De compagniesarts van 3./FJR.1, Oberarzt Noack, stond inderdaad op een krijgsgevangenenlijst van de Nieuwe Frederikkazerne. Hij werd voorts geindiceerd als naar IJmuiden en vervolgens naar Engeland vervoerd. Het vermoeden bestaat dat de overige manschappen van 3./FJR.1 en de gevangenen uit de Biesbosch [zie 11 mei, Keizersveer] eveneens naar Engeland werden vervoerd. Daarover is echter geen zekerheid te geven omdat de namen van de gevangen manschappen van 3./FJR.1 niet bekend zijn.    

De medische dienstverlening in Dordrecht

[1, 170] De zieken- en gewondenzorg in Dordrecht was redelijk goed voor elkaar. Hoewel men natuurlijk niet was voorbereid op veel lokaal vallende slachtoffers, had men wel een kantonnementsziekenhuis (Vriesestraat) en arrangementen in de lokale ziekenhuizen. Er was immers wel rekening gehouden met de behandeling van gewonden die aan het zuidfront zouden vallen. Dordrecht was immers de eerste grote stad die dichtbij de kritische zuidfrontsector Moerdijk lag.

Reeweg Oost

De chef van de militaire medische voorzieningen [tevens kantonnementsarts] was de reserve officier van gezondheid 1e klas dr. H.J. Ormel. Hij was er uiteraard niet op voorbereid dat direct op de eerste oorlogsdag de werkdruk hoog zou liggen. Want hoewel er een aanzienlijk aantal bedden was, was het personeel mondjesmaat aanwezig. Minstens zo belangrijk was dat er geen militaire ziekenauto’s voorhanden waren. Er moest daarom allerhande burgermaterieel worden gecharterd [1]. Dat geschiedde in de vorm van drie ziekenauto’s van de GGD [Gemeentelijke Geneeskundige Dienst], vijftien vrachtauto’s en drie personenauto’s [met verf voorzien van witte vlakken met rode kruizen] alsmede de (qua samenstelling onbekende) transportcolonne van het Rode Kruis. Leden van de EHBO en ziekenhuispersoneel werden ingeschakeld bij de gewondenverzorging. Maar burgers melden zich alom vrijwillig, waarbij ook vele artsen.

Er werden een aantal nieuwe ziekenhuizen en aanverwante verzorgingsplaatsen gevorderd en ingericht. Het Diaconessehuis, het Gemeentelijk Ziekenhuis [Reeweg-Oost], het particuliere ziekenhuis daar tegenover en de MTS aan de Oranjelaan werden ingeschakeld bij de gewondenzorg. Aan de Reeweg-Oost zou uiteindelijk ook een noodhospitaal worden ingericht in de Ambachtsschool. Het betekende dat op 11 mei – volgens gegevens van de kantonnementsarts – 670 bedden beschikbaar waren. Aan beddegoed was geen gebrek, nadat burgers massaal vrijwillig ‘linnen’ afstonden en de aanwezigheid van de militaire apotheek in Dordrecht bood het fortuin dat daardoor medicatie en verband in relatieve overvloed aanwezig was.

Oranjelaan

Spoedig zou met de Duitsers een uitstekende samenwerking ontstaan die binnen de kaders van het internationaal oorlogsrecht meer dan voortreffelijk verliep. Zodanig, dat Duitse verslagen van de strijd in bladen en overige propaganda deze ridderlijke opstelling der beide belligerenten sterk zouden uitlichten. Dat menig Duitse militaire medicus van die samenwerking in milde vorm misbruik maakte door bewust informatie omtrent de toestand en versterkingen in Dordrecht in te winnen, vermeldden de Duitse bladen uiteraard niet. Overigens zouden Nederlandse militaire artsen zich bij gelegenheid niet anders hebben gedragen, zo lijkt althans aannemelijk.

Duitse versterking van elders

In de avond kreeg de brugbezetting nog meer versterking. Twee stukken Skoda berggeschut van 7,5 cm kwamen ter beschikking en werden in Zwijndrecht opgesteld. Deze stukken waren van de Fallschirmjäger Geschutzbatterie c.q. Fallschirmjäger Artillerie Abteilung 7, geleid door Oberleutnant Schramm. Deze luitenant trok zelf met de andere twee stukken in de latere avond door naar Willemsdorp, daarbij vergezeld door een peloton pioniers. Oberleutnant Schram raakte toen gewond doordat zijn chauffeur met hoge vaart bovenop een Nederlandse versperring reed, die in het donker onzichtbaar was. Zijn chauffeur [Feldwebel Kurt Schulze] kwam daarbij om [1003, brief Schram aan wijlen Jan van der Vorm]. De beide stukken in Zwijndrecht beschoten onder andere de kerktoren in Dordrecht, die enige malen werd getroffen. Mogelijk beschoot de halve batterij ook het Sportfondsenbad, waarvan in de avond een stuk van de westelijke muur naar beneden kwam. Helaas ontbreken gedetailleerde verslagen van deze halve batterij. Duidelijk is echter, ook uit burgerverslagen, dat zij actief waren.

[411] Rond 1700 of 1800 uur kwam in Zwijndrecht bovendien 7./IR.16 aan dat met twee pelotons van 1./Pi22 daarheen was gestuurd om de weg Zwijndrecht-Rijsoord veilig te stellen. Om 2000 uur werden beide verbanden aan Hauptmann Walther beschikbaar gesteld. Oorspronkelijk was voorzien dat geheel I./IR.16 plus een peloton van 2./Pi.22 de brugbezetting van I./FJR1 zou overnemen. Het zou naast de brugbezetting en beveiliging van Zwjndrecht zorg moeten dragen voor het uitschakelen van Nederlandse troepen en het versperren van de beide bruggen ten oosten van Dordrecht. Maar doordat de luchttransporten sterk vertraagd waren, 2./Pi.22 zwaar aangeslagen was door misdrops (twee groepen te Delft) en verliezen in Rotterdam, en de tegenstand te Ysselmonde zwaarder was dan verwacht, werden de plannen gewijzigd. De infanteristen werden goeddeels aan de Zwijndrechtse kant ingeschakeld, deels echter ook aan de Dordtse zijde van de brug. De meeste pioniers werden in de late avond naar Willemsdorp gestuurd, zoals reeds bovenvermeld. Ze zouden daar 7./FJR1 en 8./FJR1 assisteren bij de versterkingen ten zuiden van de Moerdijkbruggen. Daartoe voerden zij onder meer handige wagentjes mee met daarin diverse soorten mijnen.

Gesneuvelden Dordrecht 10 mei

De Nederlandse gesneuvelden in Dordrecht stad op 10 mei 1940:

 Naam  Rang  Onderdeel  Locatie
       
Bour, J.J. Sld 85 PelLuMi Dokhaven
Lang, G.C. de Sld 85 PelLuMi Dokhaven
Wildeboer, J Sld 85 PelLuMi Dokhaven
       
Leeuw, W.A. de Sld 3.s 2.Cie Spw Tr    Spoorbrug
       
Ridenberg, C.N.A. Sld 14 C.Pn Glazenstraat
Plooij, P.A. Sld 14 C.Pn Zeehavenlaan
Uithol, H. Sld 14 C.Pn Zeehavenlaan
       
Dijk, M. van  Dpl kpl  1.DCP  Bosboom Toussaint str. 
Voren, E.L. van Stoker 2e kl  2.DCP Bosboom Toussaint str.
Zeeuw, T. de  Sld  2.DCP  Bos van de Roo 
       
Develing, J.  Sld  3.DCP  Marnixstraat/Vlietweg 
Koole, J. Sld 3.DCP Marnixstraat/van Baerleweg
Over, J. Res. 2e Lt      3.DCP Marnixstraat/Vlietweg
       
Haringa, C. Dpl sgt 2.DCP Sportfondsenbad e.o.
Hazewindus, Z.     Dpl kpl  1.DCP  Sportfondsenbad e.o. 
Mercier, K.H.J.  Sld  1.DCP  Sportfondsenbad e.o. 
Nijs, C.P. de  Dpl sgt  2.DCP  Sportfondsenbad e.o. 
       
Loen, R.A. Sld 3.Cie Torp Havenstraat/Rozenhof
Waal, C. de Sld 3.Cie Torp Havenstraat/Rozenhof
       
Bruijn, C.B. de Sld 4.DCT Wilgenboschlaan/Kolenhopen     
Oome, C.M. Sld 2.Cie Torp Wilgenboschlaan/Kolenhopen


De Duitse gesneuvelden in Dordrecht op 10 mei 1940:

 Naam  Rang    Onderdeel      Locatie  Opm.
         
Schäfer, F. Gefreiter 2./Fjr1 Dordrecht vm bij Wieldrecht  
         
Bertrams, H. Oberjäger (=Uffz.)    3./Fjr1 De Polder e.o.  
Böttcher, E. Gefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Brandis, H. Freiherr von    Oberleutnant 3./Fjr1 De Polder e.o. Kp Führer
Dreger, M. Gefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Ebele, F. Obergefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Hennl, A. Gefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Hissen, H. Feldwebel 3./Fjr1 Oude Maas bruggen Spoorbrug
Kiesow, W. Oberjäger 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Kleist, R. Gefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Müller, A. Gefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Sauerbeck, W. Obergefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Seiffert, W. Obergefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Unger, O. Jäger 3./Fjr1 De Polder e.o.  
Wuthe, W. Obergefreiter 3./Fjr1 De Polder e.o.  
         
Jurisch, W. Feldwebel 4./Fjr1 Mijlweg, Zeehavenlaan     
Ritter, H. Obergefreiter 4./Fjr1 Mijlweg, Zeehavenlaan  
Saack, F. Oberjäger 4./Fjr1 Mijlweg, Zeehavenlaan  

 
[De bronnen vindt u hier