De Fransen

Inleiding

Al op 10 mei 1940 werden de eerste werkelijke contacten gelegd met Franse grondtroepen, hoewel het wezenlijke contact in feite pas in de eerste oorlogsnacht zou worden gelegd. Die oorlogsnacht wordt in dit geval ook besproken, omdat het tamelijk zinloos lijkt om de gebeurtenissen in Breda in twee delen te bespreken.

Het is uiteraard van groot belang om deze contacten en de daaraan gekoppelde ontwikkelingen goed en vrij uitgebreid te beschrijven. Want hoewel de strijd op het zuidfront Vesting Holland uiteindelijk zou uitdraaien op een vrijwel puur Nederlandse aangelegenheid, werd het Nederlandse handelen grotendeels ingegeven in anticipatie op voorname Franse assistentie.

Het is vooreerst interessant en van belang voor de latere ontwikkeling om in deze fase een blik te werpen op de hoogste militaire autoriteit in Noord-Brabant na vertrek van de generaal Nijnatten, die om 1600 uur op 10 mei het bevel officieel aan de Territoriaal Commandant, de kolonel Schmidt, overdroeg.

Kolonel Schmidt

Kolonel Leonard Johannes Schmidt was in 1883 geboren. Hij werd beroepsofficier bij het Wapen der Infanterie. In 1906 werd hij als 2e luitenant aangesteld. In 1929 werd hij majoor, in 1934 overste om in februari 1937 tot kolonel te worden bevorderd. Voordat hij als commandant Peeldivisie werd aangesteld, zat hij in de staf van het Oostfront Vesting-Holland.

Kolonel Schmidt was een gedreven mens, maar tegelijk een zeer emotioneel en in sommige opzichten ‘primair’ mens. Een persoon van zwart/wit denken, die in zijn drie verhoren voor de Enquête Commissie voor het Regeringsbeleid bepaald geen onderscheidende verklaringen aflegde.

Zijn verslaggeving van de gebeurtenissen is op punten zo ver bezijden de feiten en vaak zo gechargeerd of aangezet, dat ze slechts in beperkte mate als bron voor geschiedschrijving van waarde is. Zijn consequent spreken van ‘moffen’ in plaats van ‘Duitsers’ was een toonbeeld van zijn emotionele en weinig tactische aard. Hoe begrijpelijk wellicht dergelijke aanduidingen ook zijn, ze sieren de hoge (voormalige) bevelhebber niet. Het beeld dat uit de antwoorden van de kolonel naar voren komt, past goed bij het oordeel dat zijn handelen tijdens de dagen in mei 1940 typeert: gedreven en toegewijd, maar niet erg geschikt als hogere bevelhebber.

Ter verdediging van de kolonel moet worden aangetekend dat zijn bitterheid jegens zijn taak als TC en zijn kritiek op zijn toenmalige superieuren – zoals uit zijn memoires en verhoren overduidelijk naar voren komt – verklaarbaar is. Het AHK heeft opzichtig gefaald de kolonel voldoende te instrueren en zijn staf te outilleren voor de te verwachten liaisontaak met de Fransen en Belgen. De kolonel werd volkomen in het diepe gegooid en moest het allemaal maar zelf uitzoeken. Dat terwijl de kolonel een bepaald niet onaanzienlijk deel van het Veldleger onder zijn hoede kreeg. Een zaak die generaal Winkelman en zijn chef-staf bepaald zeer verwijtbaar is.

De kolonel werd naoorlogs niet gunstig beoordeeld voor zijn bevelvoering. Na de oorlog werd hem enige vorm van erkenning ontzegd. Hem viel noch onderscheiding noch titulaire bevordering ten deel. Hoewel hij in zijn verhoren ontkende daar, voor hem persoonlijk, wroeging over te voelen, doet zijn soms heftige emotionele verweer en drammerigheid bepaald anders denken.

Kolonel Schmidt was echter de eerste twee dagen van de strijd de spin in het web als het aankwam op zowel de Nederlandse militaire ontwikkelingen in Brabant als de eerste interacties met de Fransen.

Het Territoriaal Commando

Kolonel Schmidt was de commandant van het taakgerichte verband dat als de Peeldivisie werd aangeduid. De Peeldivisie was de eenheid die oorspronkelijk was gecreëerd als verzameling troepen met taken in de voorverdediging maar nadat bekend was geworden dat III.LK zou worden geëvacueerd uit Noord-Brabant op de eerste oorlogsavond, kreeg de Peeldivisie een andere taak. Deze divisie, die met een allegaartje aan eenheden was gevuld, zou de verdediging van de Peel-Raamstelling moeten verzorgen.  

De Peeldivisie was organisatorisch een onvolwaardige divisie. Het was eigenlijk niets meer dan een grote verzameling bataljons, zonder divisietroepen, zonder pantserafweergeschut, zonder (moderne) divisieartillerie of luchtafweergeschut en zonder verbindingsmiddelen. De eenheid was een toonbeeld van onverantwoord politiek en militair beleid. De commandant Peeldivisie – een kolonel dus – had namelijk maar liefst 20 bataljons infanterie en een regiment artillerie onder zijn bevel, bij elkaar ruim 14,000 man. Een hoeveelheid eenheden die allereerst een opperofficier als commandant had moeten hebben, en ten tweede – zeker overwegende het gebrek aan verbindingsmiddelen – een voor een dergelijk verband met een dergelijke taakstelling volwaardige staf.

Die volwaardige staf ontbrak nadrukkelijk. Ze bestond uit 30 officieren, waarvan slechts ongeveer de helft voor de stafsecties en gevechtsdiensten bedoeld was. Bovendien waren er slechts 10 beroepsofficier, en alleen de chef-staf was een officier van de Generale Staf. In vergelijking met andere divisies weliswaar een grotere staf [een normale divisiestaf had circa 20 officieren]. Men droeg echter verantwoording voor de gehele provincie Noord-Brabant, twee verdedigingslinies, twee grenssectoren en interactie met de Belgen en Fransen, alsmede in beginsel 23 bataljons en een regiment artillerie [tegen een normale divisie maximaal negen bataljons, een of twee regimenten artillerie plus divisietroepen]. Het zal de lezer volmaakt helder zijn dat er sprake was van onderbezetting gezien het enorme taakgebied, de hoeveelheid onderdelen en de taakstellingen. Het had in de reden gelegen dat tenminste een taakgerichte liaisonstaf aan de TC staf zou zijn toegevoegd met een aanzienlijk aantal Frans sprekende stafofficieren en een toebedeelde ordonnansendienst. Zodoende hadden bij Franse verbanden Nederlandse liaisonofficieren kunnen worden geplaatst en had kolonel Schmidt zich niet hoeven toeleggen op persoonlijke afstemming met de Fransen.

Bovenal had het in de reden gelegen om een opperofficier aan te stellen als TC in Noord-Brabant. Niet alleen vanwege het feit dat het troepencontingent in de sector beduidend boven de sterkte van een divisie uitkwam, maar vooral omdat dit in de te verwachten contacten met de Fransen een beduidend betere figuur zou slaan. Winkelman had het allemaal niet noodzakelijk geacht.

In maart 1940 was kolonel Schmidt door de OLZ persoonlijk ingelicht over de nieuwe strategie waarbij Noord-Brabant grotendeels door Nederlandse troepen zou worden ontruimd op de eerste avond van de eerste oorlogsdag. Daarbij kreeg de kolonel te horen dat iedere regimentvak door slechts een bataljon verdedigd zou blijven en dat de Peel-Raamstelling onder bevel van hem - de commandant Peeldivisie - kwam. Deze zou tevens TC Noord-Brabant worden nadat de C.III.LK zijn stafkwartier zou verplaatsen ten noorden van de Maas. Slechts de chef-staf [kapitein der Generale Staf B.M.P. van Griethuyzen] van Schmidt mocht deze kennis naast hemzelf dragen. Absolute geheimhouding was het devies. Kolonel Schmidt had volgens eigen zeggen de avond na deze ontmoeting met de nieuwe OLZ overwogen zijn ontslag in te dienen. Volgens zijn memoires was het zijn vrouw die hem op die schreden deed terugkeren.

Kolonel Schmidt had in de nacht van 9 op 10 mei in eerste aanleg alert opgetreden. Toen de zaken nog overzichtelijk waren was hij het die zijn grenseenheden aan de oostgrens opdracht had gegeven vernielingen en versperringen reeds voor 0355 uur uit te voeren, met uitzonderingen van de zwaardere bruggen die onder embargo vielen van een vernielingsbevel uit Den Haag. Daarmee heeft de kolonel beslist bijgedragen aan de op zichzelf geslaagde verdediging van de Maaslinie in het noordelijke deel. Nadat de Duitsers echter de grens over waren verloor de kolonel al snel het overzicht. Vanaf dat moment wordt zijn handelen het best getypeerd door kernwoorden als ‘impulsief’, ‘zonder overleg’ en ‘gebrek aan juiste prioriteitstelling’.

Kolonel Schmidt had oorspronkelijk zijn hoofdkwartier in Eindhoven, zo’n 15 kilometer achter de Peel-Raamstelling. Hij werd verrast door de plotselinge berichten van de Duitse penetratie in de stelling bij Mill, maar spoedig (onterecht) gerustgesteld door de berichten van ontsporing van de Duitse trein en de vermeend geslaagde tegenaanval van de huzaren motorrijders. Zo kon het gebeuren dat de kolonel het verhaal met het AHK deelde dat de linie bij Mill was hersteld, hetgeen zou leiden tot een legerbericht met die (onjuiste) mededeling.

Ondertussen had de kolonel al tweemaal zijn hoofdkwartier verplaatst. Eerst van Eindhoven naar Helmond [richting Peel-Raamstelling], vervolgens van Helmond naar Vught. Dus van vlak achter de Peel-Raamstelling in het Vak Asten, naar 30 km achter het Vak Schaik. Dat verhuizen kostte de kolonel en zijn staf ongeveer de gehele dag, zodat het maar goed was dat C.III.LK en zijn staf zich wél bezig hielden met de toestand te Mill. Zij deden dit overigens vooral vanuit ‘eigen belang’. Immers, een Duitse doorbraak bij Mill zou voor de inmiddels naar het noorden verplaatsende Veldleger eenheden catastrofaal zijn.

Men kan zich echter afvragen wat er gebeurd zou zijn indien de staf van III.LK zich niet met de gang van zaken had bemoeid bij Mill, en op adequaat handelen van de C.Peeldivisie had vertrouwd. De linie viel namelijk onder de C.Peeldivisie, en niet onder C.III.LK. Rechtstreeks ingrijpen in de bevelstructuur van kolonel Schmidt was formeel onjuist. Zou men dit echter hebben nagelaten dan waren de Huzaren Motorrijders niet bij Mill opgedoken. Dat zou mogelijk de uiteindelijke Duitse doorbraak hebben bespoedigd.

Feit is dat kolonel Schmidt zich het grootste deel van de dag alleen maar met verhuizen bezighield. Zijn staf idem dito. Van enige leiding kon dan ook geen sprake zijn. Het enige werkelijk voorname dat in deze periode door de TC werd geïnitieerd was een verbinding leggen met de Belgische troepen. Daartoe werd reserve-kapitein M.W. Boässon [stafofficier voor O&O, ontwikkeling en ontspanning] naar Hasselt gestuurd. Tragisch genoeg werd deze officier – enkele kilometers over de grens – door de Belgen met brug en al opgeblazen toen hij het Schelde-Maaskanaal in de buurt van Lommel overstak. De verbinding met de Belgen kwam er daardoor niet.

Hoe slecht het AHK zich op de zaken had voorbereid bleek ook deze dag op bijzonder duidelijke wijze. Er was zelfs niet het meest basale draaiboek hoe met de Belgen en Fransen zou worden gelieerd en afgestemd. Opvallend was al geweest dat grenseenheden en Peeldivisie geen specifiek Franssprekende officieren in hun staven hadden. Maar op 10 mei bleek ook dat de TC geen draaiboek kreeg vanuit Den Haag. Hierdoor kreeg de bijzonder kleine staf van kolonel Schmidt er een flinke taak bij. Naast het dirigeren van de direct onder bevel zijnde eenheden [twintig bataljons en een regiment artillerie] moest men een afstemming met de Belgen en Fransen bewerkstelligen. Toen kolonel Schmidt zich in de middag van 10 mei telefonisch bij het AHK meldde met de vraag om instructies kreeg hij het vlakke antwoord dat hij dat zelf diende in te vullen.

Inmiddels in Vught, werden de berichten van het front er niet rooskleuriger op. Er kwam melding van een zware Duitse druk op de verdediging bij Mill. Voorts kwam opeens bericht dat bij Weert contact met de tegenstander was gemaakt en dat deze wellicht zuidelijk om de linie zou trekken. Dat was vastgesteld uit verkenningen en berichten van burgers. Dat laatste was voor de kolonel vermoedelijk nog alarmerender dan het eerste. Schmidt - sterke aanhanger van de strategie van generaal Reynders - was in maart 1940 al beducht geweest voor zijn open zuidvleugel toen hij hoorde dat de Lichte Divisie ook van haar taken [het dekken van de open zuidgrens] was ontheven. Alles overwegende besloot de kolonel dat hij het niet kon riskeren dat zijn gehele legermacht omsingeld of in de flanken uitgemanoeuvreerd zou worden. Een terechte overweging. Hij gaf om 2030 uur het bevel uit dat om middernacht de gehele Peel-Raamstelling zou worden ontruimd. Daar waar contact met de tegenstander was, moesten belangrijke dekkende elementen achterblijven. Ordonnansen werden naar alle vakken gestuurd om het evacuatiebevel over te brengen. Alle eenheden werden geïnstrueerd [d.w.z.: voor alle eenheden waren bevelen gereed gemaakt] dat achter de Zuid-Willemsvaart zou worden teruggetrokken. Dat betekende voor het uiterste zuiden geen verschil, maar voor de eenheden noordelijk een aanzienlijke terugtocht. Daar kwam bij dat er geen voorbereide stelling was, geen scherm troepen de stellingen al bezette en dat dus ieder vak moest worden bezet om later achter de Zuid Willemsvaart een aaneengesloten kordonstelling te kunnen bewerkstelligen.

Kon kolonel Schmidt anders? Men kan dat eigenlijk niet anders dan met ‘neen’ beantwoorden. Schmidt miste reserves en kon dus niet zorgen dat het kanaal al vast in de rug van de terugtrekkende eenheden bezet werd of dat kleine contingenten reeds naar alle bruggen gestuurd konden worden.  Er was bovendien geen enkele vorm van voorbereide stellingen of zelfs maar versperringen in de rug van de Peel-Raamstelling. Indachtig de inmiddels bekend geworden opmars van de Fransen naar het noorden besloot de kolonel daarom een vertragend gevecht te organiseren dat hem tijd zou kunnen winnen om de Franse krachten naar het front te kunnen dirigeren. Grootste uitdaging zou zijn om de troepen in de Peel-Raamstelling allemaal te bereiken en succesvol te kunnen terugnemen op de nieuwe provisorische linie. En op dat punt maakte de kolonel met zijn staf wel een belangrijke en onvergefelijke fout.

Het vak dat bedoeld was voor de beide bataljons die bij Mill vol in gevecht waren, werd niet voor de zekerheid met andere troepen bezet. Dat was wél opportuun geweest. Schmidt beschikte over voldoende inlichtingen dat de linie bij Mill op doorbreken stond, het was zelfs een van de aanleidingen geweest de Peel-Raamstelling te evacueren. Dan was de analyse dat de daar vechtende eenheden onmogelijk in enige samenhang zouden kunnen terugtrekken zelfs voor een leek te maken. De sector tussen Heeswijk-Dinter en Den Dungen [onder Den Bosch] was voor deze twee bataljons het aangewezen stellingdeel. Gelukkig was dit niet de meest voorname sector, maar er was wel één brug over het kanaal die niet zou worden vernield als de beide bataljons niet zouden kunnen terugtrekken. Die conclusie werd op een of andere wijze niet getrokken op de staf. Althans, men nam geen enkele maatregel ter ondervanging van dit vermoedelijke gegeven. Er werd zelfs geen militair naar de brug bij Heeswijk gestuurd.

Naast het feit dat de kolonel de bevelen aan de bataljons in de stellingen uit liet geven om klokslag 2400 uur de linie te evacueren, kreeg het Regiment Huzaren Motorrijders het bevel zich direct los te maken van de vijand. Zij moesten zich naar Den Bosch begeven. Dat bevel leidde ertoe dat het huzarenpeloton onder de luitenant Peterse in de avond van 10 mei bij het spoor te Mill geen huzaar meer aantrof.

Naast de huzaren waren ook de artilleristen van III-20RA door een ordonnans bereikt en op de hoogte gesteld. Het was daarom dat de afdelingscommandant zijn batterijcommandanten had geïnstrueerd na het afgeven van het stormvuur op de Langenboomseweg, de afvuurpistolen af te schroeven en te vertrekken. Juist omdat de stukken zouden achterblijven besloten enkele officieren en manschappen – op eigen gezag – achter te blijven en de munitie op te schieten. De meesten hunner bereikten nog veilig de eigen troepen. De troepen in het voorterrein, die daadwerkelijk in volle strijd met de Duitse bataljons waren, werden niet bereikt. Slechts enkele verbanden die waren gevlucht uit de stellingen konden door de artilleristen worden gewaarschuwd. Het gros van beide bataljons bleef volkomen in het ongewisse.

Kolonel Schmidt was ondertussen [ca. 2130 uur] opnieuw begonnen met verhuizen, de vierde keer binnen een etmaal. Deze keer werd Tilburg het doel. In het postkantoor bij het station werd het stafkwartier ingericht.

Breda

Voor kolonel Schmidt stonden nog wat zaken op de rol. Hij was zich zeer bewust van zijn onverwachte sleutelrol in de afstemming tussen het in aantocht zijnde Franse leger en het bewaken van de (gezamenlijke) belangen in Noord-Brabant. Zijn keuze voor een provisorische verdediging aan de Zuid-Willemsvaart was de vrucht van die afweging. In Tilburg aangekomen in de late avond, werd hem net na middernacht melding gemaakt van de aankomst van een Franse eenheid.

De bewuste Franse eenheid was de Groupement Lestoquoi, samengesteld uit 2.GRCA, een gemotoriseerde legerkorps verkenningseenheid, en 5.GRDI, een gemotoriseerde infanterieverkenningseenheid. Dit verband beschikte over AMD-178 Panhard pantserwagens en een peloton Hotchkiss H-35 tanks. Voorts over gemotoriseerde infanterie en huzaren, een peloton 2,5 cm antitankgeschut en enkele mortieren. Commandant van de eenheid was Lieutenant-Colonel Lestoquoi. Deze gemotoriseerde eenheden hadden een tweeledige taak. Zij moesten contact maken met de Nederlandse bevelhebber(s) en een voorverdediging vormen voor de in aantocht zijnde hoofdmacht.

De Fransen waren bij Zundert op de Nederlandse grensversperringen gestuit. Dat leidde tot buitengewone ergernis, te meer omdat de Belgen eerder aan de Frans-Belgische grens ‘eenzelfde kunstje hadden geflikt’. Op weg naar de grens had de Franse overste een Belgische liaison officier opgepikt in de veronderstelling dat de Nederlanders en Fransen wel eens een taalbarrière te overbruggen zouden kunnen hebben. Die Belgische liaison, 1e luitenant Hautecler van het 33e Linieregiment, was de commandant van het Belgische grensdetachement [125 man] in de sector Wuustwezel, onder Breda.

Via een in Nederland opgepikte jongeman werd een kopgroep van officieren met de Belgische liaison via binnenwegen naar de kazerne van de Marechaussee gebracht, waar ze zich rond middernacht bij de kapitein F.J.J.F.M. van der Kroon meldden. Deze kon hen informeren omtrent het (hem bekende) vijandbeeld, wat de Fransen deed schrikken. De kapitein was echter niet op de hoogte van de hoedanigheid en locatie van de eigen bevelhebbers in het gebied – overigens ook niet van de doorbraak bij Mill. Uiteindelijk keerde de delegatie daarom terug naar de colonne aan de grens. Daar werd een andere burger opgepikt die hen opnieuw naar Breda wist te leiden. Daar zocht men naar het stadhuis, en na enig oponthoud kwam men ruimschoots na middernacht op het stadhuis aan. Daar trof men de delegatie bestuurders die bijeen was in de crisissituatie die aan de orde was.

Men trof er onder andere het hoofd van de burgerwacht, de generaal-majoor buiten dienst J.C. Hardeman. Na enige uitwisseling tussen de Fransen en de aanwezige Nederlanders, gelukte het om contact te maken met Tilburg. Kolonel Schmidt werd verzocht zich op het stadhuis in Breda te vervoegen om met de Fransen te overleggen (1).

(1) Er bestaat ook een andere versie van dit eerste contact. De kolonel zou op weg zijn gegaan naar Etten omdat zich daar Fransen zouden bevinden. Hij zou onderweg bij Tilburg door een ordonnans zijn onderschept en naar Breda zijn gebracht.

Voor kolonel Schmidt kreeg een en ander een onverwachte uitwerking. Lieutenant-Colonel Lestoquoi meldde hem dat de Fransen kwamen om te verdedigen. Hij stelde voorts dat zijn beide eenheden een opstelling zouden kiezen achter het Wilhelminakanaal tussen Tilburg en Oosterhout. Schmidt werd verzocht tussen Tilburg en de Belgische grens zich op te stellen, en aan de zuidzijde zou de Belgische 18e Divisie bij Turnhout daar weer op aansluiten. Dit was analoog aan de instructie die het 7e Leger had gekregen. Dat zou zich niet verder dan Tilburg tot ontwikkeling doen brengen.

Nadat een en ander zo was afgesproken vertrok de Franse delegatie. Lestoqoui had aan de ontmoeting en de algemene indruk van de organisatie ter plaatse een weinig verheffende indruk van de Nederlanders over gehouden. Hij toonde zich tegenover zijn Belgische liaison en zijn officieren negatief over de te verwachten samenwerking met de Nederlanders.

Kolonel Schmidt reed rond 0430 uur terug naar Tilburg, en kreeg de volgende verrassing toen hij aldaar aan was gekomen [circa 0530 uur]. Colonel Dario, de commandant van het 6e Regiment Cuirassiers [6.RC] van de 1ste Gemechaniseerde Divisie [1.DLM], meldde zich bij hem. Deze had de verrassende mededeling dat zijn 6.RC en een tweede onderdeel, 4e Regiment Dragon Portés [4.RDP], zich in de lijn Tilburg – Turnhout zou opstellen. Dit verband had de beschikking over 45 AMD-178 Panhard pantserwagens en 22 AMR-35 tanks. Ook colonel Dario meldde aan zijn Hollandse evenknie dat er geen sprake kon zijn van een oostelijker opstelling dan de lijn Tilburg. Hij meldde wel bereid te zijn verkenningseenheden richting Den Bosch en Moerdijk uit te zenden. De colonel toonde zich voorts zeer onplezierig verrast met de status van de Nederlandse verdediging.

Het betekende dat het in gang gezette scenario van voortgezette verdediging achter de Zuid-Willemsvaart in ieder geval niet op Franse steun hoefde te rekenen. Althans niet in de vorm van toegezegde troepen. Voor kolonel Schmidt aanleiding de commandant van de voorste eenheid van de Franse hoofdmacht, général de brigade Picard van 1.DLM, te gaan opzoeken in Oostmalle. Colonel Dario had diens hoofdkwartier aan Schmidt geduid. Kolonel Schmidt ging direct op weg.