Maasbruggen Rotterdam - 2e fase

Recapitulatie eerste fase

De eerste fase van de strijd rond de Maasbruggen laat zich eenvoudig typeren als ‘de overval en de eerste tegenmaatregelen’.

Die eerste fase was geen doorslaand succes voor de Duitse aanvallers geweest. Zij hadden zich weliswaar meester gemaakt van de Maasbruggen en korte tijd een klein ‘bruggenhoofd’ (1) op de noordoever gehad, maar daarna liep niet veel meer volgens planning. De aansluiting vanuit Rotterdam Zuid had op zich laten wachten en kwam beduidend later dan verwacht (en gehoopt) tot stand. Bovendien waren de Nederlandse tegenmaatregelen daardoor voor de overvallers niet te pareren geweest.

(1) In feite is het spreken van een bruggenhoofd enigszins eufemistisch. Er was in aanvang sprake van een bezetting van een tamelijk groot gebied ten noorden van de Nieuwe Maas door hoogstens enkele tientallen Duitsers. Dat zou men dus eigenlijk niet als bruggenhoofd moeten aanmerken, maar meer als een penetratie. Gemakshalve wordt dit echter wel als bruggenhoofd aangeduid, te meer daar het daartoe uiteindelijk zou leiden en het in bronnen vaak zo werd gedaan.

Bruggenhoofd Maasbruggen 0800 uur

De weerstand die door 2-III-39RI en een weerbaar groepje van de 2e Compagnie Intendancetroepen rond het Afrikaanderplein was geboden in de eerste uren van de strijd, was heel belangrijk gebleken om de aansluiting tussen de op Waalhaven gelande troepen en het Noordereiland voldoende te vertragen om de Duitsers stevige bezetting van een bruggenhoofd op de noordoever te ontzeggen.

De relatief snelle Nederlandse ontplooiing rond het noordelijke landhoofd van de Maasbruggen was zodanig effectief gebleken, dat de kleine Duitse bezetting aldaar zich wel moest concentreren op consolidatie. De enkele tientallen Duitse militairen die het ‘bruggenhoofd’ bezet hielden konden niet anders dan zich concentreren rond de landhoofden, in afwachting van mogelijke versterking.

Deze eerste fase zou achteraf bezien een cruciale fase blijken te zijn. In deze vroege uren van de strijd waren de posities van de belligerenten nog niet goed verdedigd en niet sterk bezet. De partij die het snelste zou handelen en het eerst zijn troepen tactisch verstandig ontplooid zou hebben, maakte de beste kansen op succes.

Het Duitse bruggenhoofd onder druk – de westzijde

Nadat het Duitse bruggenhoofd in wezen omvat en afgegrendeld werd door de diverse Nederlandse verbanden, ontstond een langdurig proces waarbij de Nederlanders op een vrij ongestructureerde wijze zouden trachten de Duitsers uit hun noordelijke bruggenhoofd te werpen en – uiteindelijk – te trachten de Maasbruggen te heroveren. Het eerste deel van de Nederlandse ambitie zou de rest van die eerste oorlogsdag duren.

Na 0800 uur kwam het Duitse bruggenhoofd noord van de Nieuwe Maas onder snel toenemende druk te staan. De versterkingen aan de zuidzijde waren nog niet gearriveerd terwijl de Nederlandse troepen merkbaar in aantal groeiden. Na de geïmproviseerde ontplooiing van voornamelijk de Genietroepen, aangevuld met kleinere eenheden van het depot luchtstrijdkrachten en de MC-III-39RI alsmede enkele tientallen mariniers, brak het moment aan voor de Nederlanders om werkelijk tactisch te gaan opereren. Dat had nog heel wat voeten in aarde, zo zou blijken. Om de gebeurtenissen voor de lezer volgbaar te houden, worden de ontwikkelingen van west naar oost geschetst.

Willemsplein - Rotterdam

[102c] Aan de rechterzijde van het Nederlands dispositief [west van de bruggen dus], bevonden zich aan de uiterste rechterkant de manschappen van twee sectie MC-III-39RI. Het waren de 2e en 3e sectie, beiden met twee zware mitrailleurs. De 2e sectie werd – bij ontstentenis van de werkelijke sectiecommandant [sergeant de Cloe] – aangevoerd door de dienstplichtig sergeant W.J.L. Hermans. Nadat de sectie van kapitein van Rhyn bevel had gekregen bij het Willemsplein een goede positie in te nemen, besloot sergeant Hermans dat een stuk op de Spido ponton zou worden geplaatst. Aangezien deze ponton was voorzien van een reling van bijna een meter hoog, moest het stuk verhoogd worden opgesteld, waartoe enkele houten kisten uit het ruim van de ponton werden gebruikt. Het tweede stuk werd in stelling gebracht voor een aanleg opening in de reling, waardoor het open en bloot moest worden bediend. Er werd in eerste instantie consequent vuur gegeven over de Boompjes en richting het gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank, waar een groot contingent Duitsers [voornamelijk parachutisten] stelling in had genomen. Toen de Hr.Ms. Z-5 op kwam stomen richting de Maasbruggen werd contact gemaakt met de brug (door middel van schreeuwen en gebaren) en geduid op de sterke Duitse aanwezigheid in en rond het gebouw van de Nationale Levensverzekeringbank. De Z-5 opende daarop het vuur op dit gebouw en de Willemsbrug.

[102c] De 2e sectie MC onder de reserve 2e luitenant K.H. Groensmit bracht de beide stukken oostelijker in stelling. Het eerste stuk onder leiding van de luitenant zelf trachtte op de Boompjes in stelling te komen, het tweede stuk onder de dienstplichtig sergeant W. Bosveld kwam aan de noordelijke oprit van de brug over de Scheepmakershaven - in het verlengde van de Rederijstraat - in stelling. Daarbij werd de mitrailleur op de kar vuurgereed gemaakt, zodat over de (licht verhoogde) brug vuur richting Boompjes kon worden gegeven. In eerste instantie werd direct Duits mitrailleurvuur ontvangen, maar nadat men al schietend met de mitrailleur (op de kar) de hoek om reed en zodoende over de volle lengte van de Rederijstraat de kogels kon spreiden, doken de Duitsers in dekking achter de reclamezuil op de Boompjes. Door op de daken van het pand van de Rotterdamse Bank te klimmen wist men de Duitsers weer achter de reclamezuil vandaan te krijgen, waarbij enkele Duitsers werden geraakt en bleven liggen. De resterende Duitsers gingen op de loop. Het eerste stuk kwam zoals eerder gezegd op de Boompjes zelf in stelling, op de meest westelijk punt waar de Terwenakker en de Boompjes elkaar kruisten. Hierna verplaatste de luitenant Groensmit het stuk richting kadezijde en werd met losliggend materiaal op de kade een provisorische positie gemaakt. Daarbij kwam men in vuurgevecht met enkele Duitse posities, waaronder een mitrailleurnest op de Boompjes zelf. Na verloop van tijd werd ook vanuit het Noordereiland vuur ontvangen – en beantwoord. In het pand Rhea aan de Maaskade – vrijwel recht tegenover de Spidoponton en herkenbaar door de grote letters 'Rhea' op het dak – was een Duitse mitrailleurspost ingericht. Na enige tijd wisten deze Duitsers een bundel vuur in de opstelling te krijgen, die voor de Nederlanders rampzalige gevolgen had. [102c, 31] Twee man werden op slag gedood [schutter Cornelis Barendregt – onderscheiden met het B.K. – en Johannes van Klaveren] en twee man [Daniël van Dam – longschot – en Leendert Rietveld – hoofdschot] dodelijk gewond. Hierna werd het stuk verlaten en keerden de overlevenden terug langs de Leuvehaven.

Aan Nederlandse kant kon men duidelijk merken dat de Duitse vuurkracht rond 1000 uur was toegenomen. Steeds meer vuurpunten werden waargenomen vanaf het Noordereiland, waarvan er eentje verantwoordelijk was geweest voor de uitschakeling van de zware mitrailleuropstelling van MC-III-39RI op de Boompjes zelf. Aan Nederlandse kant groeide de aanwezigheid van nieuwe troepen eveneens. Het begon hoe langer hoe meer een kat- en muisspel te worden, een intensief stratengevecht waarin alle partijen het overzicht zouden ontberen en waarbij een steeds duidelijkere zone door beide partijen met meerdere vuurorganen kon worden bestreden. Dat resulteerde in wezen in een pat-stelling.

[258] Twee detachementen kwamen in het geweer om de huizen aan de Boompjes in bezit te krijgen. Allereerst was daar een groep onder de sergeant der mariniers Karstanje en ten tweede een verband onder de 1e luitenant P.M. Kautz [officier van 1-II-DGT, met 22 man] dat onderweg aansluiting vond bij een verband van circa 20 man onder respectievelijk de 2e luitenant J.D.A. Strijers van 2-III-DGT, waarbij reeds aangesloten de 2e luitenant der mariniers T. Jonkman.

De laatste was al sinds de vroege uren ad hoc in actie rond het Duitse bruggenhoofd, nadat hij direct uit zijn kwartier ter plaatse was aangekomen. Luitenant Kautz had een verkenningsopdracht gekregen van de kantonnementsstaf. Luitenant Strijers was los geraakt van het verband van de compagniescommandant kapitein de Bats en aan de Wijnhaven in vuurgevecht geraakt met Duitse militairen. [258] Het verband van de luitenant Strijers was met bootjes overgestoken (van de Wijnhaven naar de zuidzijde) en de huizen aan de Rederijstraat (westzijde) ingegaan. Onderweg, tijdens de oversteek van de haven, werden ze beschoten vanaf de kade van de Wijnhaven. Volgens hun verslag door Duitsers, maar de kans dat er nog Duitsers op die locatie zaten om die tijd is vrijwel uit te sluiten. Er zal Duits vuur vanuit het Maashotel en belendend pand zijn gekomen.

Boompjes - Willemsbrug

[258] Na de overkant veilig te hebben bereikt, drong men de huizen binnen en klomen de militairen een voor een via zolderramen het dak op. Via het dak kwam men aan de voorzijde, en keek uit op de Boompjes. Daar kwam men ook met de luitenant Jonkman in aanraking. Het Duitse mitrailleurnest aldaar was intussen uitgeschakeld, waarbij de drie Duitse doden het macabere beeld van de strijd voor alle omstanders duidelijk uitbeeldden. Een beeld overigens dat vrijwel alle veteranen van de strijd - aan beide zijden - zich herinneren.

[258] Luitenant Kautz had rond 1000 uur opdracht gekregen om zijn verkenning van de Maasbruggen uit te gaan voeren en resultaten terug te melden aan de Veemarkt. Aan de luitenant werden 2 onderofficieren [sergeant der 1e klasse C. van der Velden en sergeant Bekius] van 1-II-DGT en twintig man van 4-III-DGT en 5-III-DGT toegewezen. Via de Wijnhaven en de Scheepmakershaven – die met bootjes werden overgestoken - kwam men ter plaatse aan. De verbanden van de luitenant Kautz en Strijers vermengden zich op de daken ter hoogte van de Rederijstraat met elkaar. Terwijl door luitenant Kautz een groep onder de sergeant der 1e klasse van der Velde als flankdekking was achtergelaten op het dak in de hoek Boompjes - Grote Draaisteeg, trokken de andere militairen oostwaarts over de daken richting Maasbruggen. Onderweg werd de soldaat J. Vermolen [van 5-III-DGT] in de buikstreek getroffen door Duitse kogels [31, 258]. Hij zou later die dag aan die verwonding in een ziekenhuis te Crooswijk overlijden. Nadien werd via de daktoegang afgezakt, via een gevonden telefoon melding gemaakt aan het kantonnementsbureau van de vorderingen en bevindingen, en vervolgens aan de Boompjes getracht de bruggen te bereiken. Dat mislukte door fel Duits vuur. Hierop trokken beide verbanden wederom de huizen aan de Boompjes in. Intussen waren diverse militairen als posten in de huizen achtergelaten en het verband zodoende danig geslonken in omvang. Luitenant Strijers trachtte rond 1300 uur met enkele militairen het Maashotel in te trekken, maar ondervond dat dit door Duitse militairen bezet was en trok zich schielijk terug in de panden ernaast. Met een intacte telefoon werd dit voorval aan de C-Kant gerapporteerd.

[265] Ergens tussen 1000 en 1100 uur werd door de CMM besloten dat de afgrendeling weliswaar tot stand was gekomen, maar het tijd werd voor offensieve actie om de gehele noordzijde van de Nieuwe Maas weer onder Nederlandse controle te brengen. Daartoe werd een verband samengesteld van twee secties mariniers [vrijwel allen mariniers der 3e klasse en enkele kaderleden] en een sectie zeemiliciens van het Marinedepot, bij elkaar circa 70 man. Het geheel werd onder bevel van de kapitein der mariniers W. Schuiling gebracht. De opdracht die luitenant-kolonel Lugt de kapitein meegaf was om met zijn kleine compagnie de gehele noordwest zijde van het Duitse bruggenhoofd te zuiveren en het noordelijke landhoofd vast in handen te nemen.

[84, 265] Aangekomen aan de Scheepmakershaven werd een tactisch plan opgesteld. De sectie van sergeant (d.M.) van Espen zou over de Boompjes trachten zuiverend op te treden, terwijl de sectie van sergeant (d.M.) Karstanje via de daken zou trachten de Duitse weerstand bij het landhoofd van de Willemsbrug uit te schakelen. Daar bevond zich een mitrailleurnest, enkele schuttersputjes en een onbekend aantal Duitsers dat zich onder de brug en achter een vrachtwagen op het landhoofd ophield. Sergeant-instructeur T.C. Karstanje werkte zich met zijn mannen via de huizen aan de Scheepsmakershaven op de daken vlak naast het Maashotel. Terwijl zij zich oostwaarts vooruitwerkten sloeg ineens vuur uit het Witte Huis voor hun voeten in. De mariniers doken weg en werkten zich – voor zover dekking onvoldoende was – naar binnen bij enkele huizen. Sergeant Karstanje wist een telefoon te vinden en het Oostplein te bereiken. Hij verzocht hen de manschappen in het Witte Huis te informeren dat zij Nederlanders waren. Onderwijl had een der mariniers echter een rood-wit-blauwe vlag gevonden en zwaaide daarmee uit het raam. Een schielijke kijk om de hoek leverde geen vuur op, waarna de sectie hun weg voorzichtig vervolgde. Of er werkelijk uit het Witte Huis op hen geschoten is, zal altijd een raadsel blijven. Verslagen meldden dat het Duitsers in de Wijnhaven waren. Maar dat was in wezen onbestaanbaar, nog los van het feit dat ze dan wegens de grote hoek nooit op de daken hadden kunnen vuren. Nederlandse militairen zaten rond het middaguur immers rondom het Witte Huis en naastgelegen panden, het Beursstation en op diverse locaties in panden die uitkeken op de Wijnhaven. Duits vuur uit het Maashotel lijkt echter wel tot de reële mogelijkheden te behoren. In elk geval hield het vuren op nadat de kades aan de Wijnhaven vanuit het Witte Huis met enige salvo’s van lichte mitrailleurs waren besproeid.

[31, 84, 265] Ondertussen was de andere sectie mariniers onder de sergeant-instructeur C.J.J. van Espen naar de Boompjes getrokken. Het was de bedoeling om te trachten de kade stormsgewijs schoon te vegen. Een overmoedig plan, in de wetenschap dat de overzijde van het water vergeven was van Duitse vuurpunten die een redelijk schootsveld op de Boompjes hadden. Nadat de sectie gereed was voor de stormloop, gaf de sergeant het signaal: ‘Kom op jongens, het is voor Hare Majesteit’. Het ging enige tientallen meters goed, maar zoals gebruikelijk bij de Duitsers liet men de tegenstander die open optrok tot dichtbij naderen. Ook in dit geval. Vlakbij het Maashotel openen de Duitsers bij het landhoofd het vuur.  De moedig vooraan optrekkende sergeant van Espen werd door één der eerste kogels onder de helm in het hoofd geraakt en viel dood op de straat neer. De rest van de mariniers vluchtte – al dan niet gewond – de huizen in.

[84, 258, 265] De klauterpartij van sergeant Karstanje en zijn moedige mariniers – overigens gegidst door een burger die de weg over de daken feilloos wist – werd door vele Nederlanders gadegeslagen. Vanuit het Witte Huis keek men gespannen toe. Net als vanaf de andere hoge gebouwen en de positie aan de Rederijstraat. Uiteindelijk kwam men op het dak van het Maashotel. Dat hotel was een in Rotterdam alom bekend hotel, een luxe verblijfplaats (hoewel voor de oorlog als hotel afgedankt), en qua positie slechts enige tientallen meters verwijderd van het gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank dat door de Duitsers tot vesting was omgebouwd. Via het dak bereikten de mannen – de sergeant inmiddels voorop – de zolder van het hotel. Eén voor één, uiterst behoedzaam, werkten de manschappen zich naar binnen. Eén van de twee mitrailleurs bleef op het dak om eventueel vuur te kunnen geven op de Boompjes. Vervolgens werd het hotel efficiënt, kamer voor kamer, doorzocht. Zo volgden meerdere etages, totdat stemmen worden gehoord. Enkele mariniers stormden met het geweer in de aanslag naar binnen en vonden daar … een viertal kaartende burgers. Die hadden geen kant op gekund toen de Duitse overval zich ontwikkelde, waren door de Duitsers met rust gelaten en hadden zich in de kamer opgesloten. Ze informeerden de mariniers dat er enkele Nederlanders vast werden gehouden in het gebouw en dat er vele Duitsers beneden zaten. Maar beneden gekomen werd geen Duitser meer aangetroffen. Wel vonden de mannen inderdaad enkele politieagenten en de soldaat van de stationswacht van het Maasstation, die bij de Duitse landing gevangen was genomen. Aan de voorzijde van het hotel bleek echter een aanzienlijke concentratie Duitsers aanwezig. In het hotel werden Duitse bevelen gehoord waardoor duidelijk bleek dat de tegenstander vlakbij was. Sergeant Karstanje beval de tweede mitrailleurbemanning in het gebouw naast het hotel [een filiaal van de belastingdienst] een gunstige positie in te nemen, zodat zij het landhoofd van de brug konden beschieten. Enige minuten later liet sergeant Karstanje het vuur openen en brak een ware hel los. De Duitsers waren even van hun stuk, leden verliezen, maar beantwoorden het vuur spoedig.

[31, 84, 258, 265] Enkele Duitsers werden geraakt door het vuur en vielen, door vele mannen waargenomen rond het landhoofd. Anderen zaten te goed verscholen in de schuttersputjes, die gegraven waren in het landhoofd, onder de brug zaten of die achter de vrachtwagen schuilden. De Duitsers kregen bij hun verweer ondersteuning van vermoedelijk twee 8 cm mortieren op het Noordereiland. Een pand tussen het hotel en het gebouw van de levensverzekering raakt zelfs korte tijd in brand door mortierinslagen. Een marinier werd gedood door een mortierinslag [marinier der 3e klasse H.W. van Winkel]. Na enige tijd temperde het vuur aan beide zijden. Doelen waren niet meer zichtbaar. De mariniers versterkten hun posities en de Duitsers bleven wijselijk uit beeld. Tegen het einde van de middag zou de groep van de luitenants Strijers en de daarbij aangesloten luitenant der mariniers Jonkman ook in het Maashotel binnen komen. Zij hadden intussen besloten een nieuwe poging te wagen het hotel in te gaan, en troffen tot hun verbazing de mariniers binnen. Het dozijn manschappen werd verdeeld over de etages. [265] Luitenant Jonkman nam ter plaatse het bevel over. Hij werd ingelicht omtrent de situatie en maakte hiervan notities. Het was inmiddels avond geworden. De luitenant besloot zijn notities per ordonnans naar de kapitein Schuiling te sturen. De marinier der 3e klasse A. Poleij werd opgedragen de kapitein te vinden en het bericht over te brengen. Hij zou nooit aankomen. Marinier Poleij bleef vermist en is niet teruggevonden. Mogelijk werd zijn lichaam onvindbaar door de vernietiging van de Boompjes en omgeving in de dagen nadien. Het is mogelijk dat hij gedood werd door een Wellington bombardement van de Wijnhaven en omgeving, dat tegen het nachtelijk uur plaats schijnt te hebben gevonden. Hij was in elk geval de derde mariniersdode van de eerste oorlogsdag.

Het Witte Huis

Het meest markante gebouw van Rotterdam was zonder enige twijfel het Witte Huis. Het is thans nog steeds een begrip in de Maasstad. Tijdens de strijd in mei 1940 was het een voornaam object midden in het strijdperk. De littekens van de strijd – in mei 1940 velen – zijn deels vandaag de dag nog te zien. Ook na de meidagen vormde de vooroorlogse wolkenkrabber nog een markant onderwerp, met name in de papieren strijd tussen de voormalige CMM – kolonel der mariniers von Frytag Drabbe – en de kantonnementscommandant kolonel Scharroo. Want beide ‘partijen’ claimden hun eigen militairen als eerste in het gebouw te hebben gekregen. Dat de strijd ‘op het genante af’ werd gevoerd, zullen enkele citaten duidelijk maken.

Witte huis - jaren dertig

Het Witte Huis was in die dagen een markante ‘wolkenkrabber’, die nog enige tijd het hoogste kantoorgebouw van Europa was geweest. Opgeleverd in 1898 was het in art-nouveau stijl gebouwde Witte Huis het eerste met een lift uitgeruste kantoor van Nederland. Met zijn 43 meter hoogte torende het hoog uit boven de rest van de omgeving. Het had tien etages en een ruime zolder, dat middels het puntige dak en de torentjes op de hoek erg opvallend was. De witte tegels op de buitenmuren maakten het gebouw nog statiger. Het wanstaltige stalen frame met reclamebord [‘Van Nelle’] op het gebouw toonde aan dat ook anno 1940 het gevoel voor esthetiek al regelmatig door de commercie werd bedreigd.

Door de beperkte fundatietechniek eind 19e eeuw was het bovendien extreem stevig gebouwd. Los van de ruim 1,000 heipalen die onder de basis werden ingebracht, werden buitengewoon dikke muren – tot wel 140 cm dik cement - aangebracht. Later verschenen meer hoge gebouwen rondom het Witte Huis, maar zelfs in mei 1940 was het gebouw nog markant hoger dan de rest. Het is nog steeds te bewonderen in Rotterdam, hoewel het wegvalt door de hoogbouw die Rotterdam vandaag de dag ‘rijk’ is.

In de meidagen van 1940 was het bezit van het Witte Huis van groot belang voor beide partijen. Het bood immers op de hogere etages een schitterend schootsveld naar alle richtingen. Degene die dit gebouw in handen had, kon vuur geven over de Maasbruggen, richting Oude Haven, Spaanse Kade, Bolwerk, Scheepmakershaven en Boompjes. Kortom, het bezit van het gebouw betekende beheersing van de sector. Enkele Duitsers hadden enige tijd in het Witte Huis gezeten, maar waren al vertrokken voordat de eerste Nederlanders het gebouw binnendrongen. Wie deze eerste Nederlanders waren, zal mogelijk altijd een strijdpunt blijven. De bronnen zijn namelijk niet eensluidend. Overigens geldt hetzelfde – met eenzelfde onderliggende animositeit – over de (kortstondige) Nederlandse herovering van het Maashotel (dat kort na de Nederlandse herovering afbrandde).

[258, 265] Er waren twee verbanden die onafhankelijk van elkaar de opdracht hadden gekregen het Witte Huis te bezetten en het tot een egelstelling om te bouwen. Een egelstelling [= weerstand naar alle zijden], omdat de etages hoger dan de vijfde laag boven andere belendende bebouwing uitkwamen en zodoende de etages zes tot en met tien (en de zolder) naar alle vier de richtingen schootsveld boden. Met name de zesde etage was een uitgelezen positie. Hier boden de dikke muren immers nog bescherming tegen mitrailleurvuur. Men kon alle kanten op kijken en vuren. Als eerste kreeg cadet-vaandrig F.C. de Boer van 1-II-DGT opdracht van kapitein Duhoux om met een sectie genietroepen het gebouw tot vesting uit te bouwen. Enige tijd later ontving op het Oostplein de sergeant-majoor der mariniers Sinke opdracht met een geweergroep (en een lichte mitrailleurbediening) het Witte Huis te versterken. Dat gebeurde op verzoek van de Kantonnementsstaf aan de staf CMM.

Haringvliet - oostelijk gezicht vanuit Witte Huis

Maasbruggen - Zuid vanuit Witte Huis

 

 

 

 

 

 

 

De animositeit tussen de CMM en de C-Kant ontstond n.a.v. het latere rapport van de kolonel Scharroo dat werd opgemaakt korte tijd na de meidagen. Daarin meldde Scharroo [259] - tot grote irritatie van Frytag Drabbe - dat de groep mariniers onder SM Sinke ter versterking van de (landmacht) bezetting van het Witte Huis werd gestuurd. Dat bericht van Scharroo was overigens congruent met het gevechtsrapport van de Afdelingscommandant van de mariniers, luitenant-kolonel Lugt. [265] Die zei in diens rapport: ‘Twee groepen onder de Sergeant-Majoor Sinke krijgen opdracht de bezetting van het witte Huis (eigen landmacht) te versterken’. Daarmee lijkt op operationeel niveau over de volgorde van opdrachtverstrekking geen dispuut. De genie kreeg eerder dan de mariniers opdracht tot bezetting van het Witte Huis. Het is dus zaak vast te stellen wie eerder ter plaatse was.

[258] Het rapport van de vaandrig de Boer is buitengewoon kort. Het stelt dat men in het Witte Huis geraakte, dat even later de kapitein van der Sluys daar ook arriveerde en dat hij versterking kreeg van mariniers. Dat laat over de volgtijdigheid van gebeurtenissen geen onduidelijkheid over. Kapitein van der Sluys – officier van Speciale Dienst in de Depotstaf – had van kolonel Scharroo de opdracht gekregen verkenningen uit te voeren en kwam tijdens uitvoering van die opdracht in het Witte Huis terecht. Toen hij op de zesde etage een schets stond te maken van de door hem verkende vijandelijke posities, raakte hij gewond [schot door linker schouder] en werd door vaandrig de Boer van een noodverband voorzien. De kapitein was maar zeer kort in het Witte Huis en meldde [in zijn drie verslagen] niets over mariniers. Dat sluit op zich overigens niet uit dat die er wél al waren. Mogelijk vond hij hun aanwezigheid onbelangrijk.

[265] Hoe keken de mariniers er tegenaan? In zijn rapport stelt luitenant-kolonel van der Lugt slechts dat zijn mariniers ter ondersteuning van de landmacht naar het Witte Huis werden gestuurd. Niets over de volgorde van aankomst. In het oude maar veelal accurate ‘de Zwarte Duivels’ [84] stelt auteur Bert Honselaar dat blijkt ‘dat ook de cadet-vaandrig De Boer met zijn Geniesoldaten is aangekomen’. Waarmee Honselaar de suggestie wekt dat die er dus al waren toen de mariniers onder SM Sinke aankwamen. Auteur Honselaar heeft veel onderzoek naar de mariniersbelevenissen gedaan en de kwestie van het Witte Huis zal zeker ook zijn aandacht hebben getrokken. In het werk ‘De helden van de Willemsbrug’ van auteur Wim Hornman wordt de situatie in het Witte Huis ook uitvoerig beschreven en is er sprake van aankomst van SM Sinke terwijl de genie al in het Witte Huis is. Het boek is weliswaar geen leidende bron, omdat het een vrije verteltrant hanteert, maar Hornman heeft vele betrokkenen zelf gesproken. Als de genie er later was gekomen dan was dit vermoedelijk wel expliciet zo benoemd. Het is slechts het vinnige dictum van kolonel der mariniers von Frytag Drabbe dat de mariniers als eerste in het Witte Huis claimt [264]. Wat zal zijn bron zijn geweest? Het is duidelijk dat met de bronnen voorhanden er vooralsnog geen eensluidend antwoord kan worden gegeven op de vraag welk onderdeel als eerste in het Witte Huis aankwam. Toch lijkt juist deze discussie 'onder professoren' één van de hoofdaanleidingen te zijn geweest het Witte Huis als een voornaam exponent van het heldhaftige Mariniersoptreden te bestempelen.

Witte huis - anno 2007

Nu kan de lezer denken ‘is dit geen spijkers op laag water zoeken’? Het antwoord daarop is in wezen ‘ja’. Echter, de strijd aan de Nieuwe Maas in Rotterdam is er een die – zoals eerder aangegeven – nadien opnieuw werd gevoerd, maar toen met de insteek wie met de eer mocht gaan strijken. Daarin werd (soms groot) onrecht gedaan aan bepaalde militairen en onderdelen en werden anderen juist onterecht opgehemeld. Dat alles om het blazoen van een vaandel te sieren, niet om de juiste wijze van krijgshistorische verantwoording te bieden. Bovendien had die papieren strijd ook gevolgen voor de naoorlogse bejegening en beoordeling van menig officier. De strijd in Rotterdam heeft – vooral wegens de prestigestrijd onder de wapenen en vaandels – heel veel onderzoeksinspanning gevergd van de militaire historici [van Hilten, Nierstrasz, etc.] naoorlogs. Voor wat betreft de stijl van rapporteren en debatteren in de rapporten die de heren historici moesten bestuderen is respect op te brengen voor de onderzoeksresultaten. De prestigestrijd maakte de accurate geschiedschrijving namelijk buitengewoon bezwaarlijk. Een treurige zaak, met een uitkomst die onvoldoende recht deed aan de werkelijke feiten en de werkelijke strijders. Vandaar dat op sommige slakken zout wordt gelegd, om een zo helder en eerlijk mogelijk (!) plaatje te krijgen.

Er wordt nu teruggekeerd naar de strijd.

[258, 265] Rond 0830 uur kreeg een detachement ter grootte van een sectie onder de cadet-vaandrig F.C. de Boer [1-III-DGT] van kolonel Scharroo opdracht om naar het Witte Huis op te trekken en dit in bezit te nemen. Van daaruit diende men de Duitsers te bestrijden. De eenheid wist – zich steeds dekkend tegen het felle Duitse vuur – uiteindelijk het Witte Huis te bereiken en dit via de brandtrappen binnen te komen. Op verzoek van de kantonnementscommandant was ook een verband mariniers onder de sergeant-majoor Sinke naar het Witte Huis gestuurd door de CMM. De beide - uiteindelijk verenigde - eenheden zouden samen dit gebouw tot een egelstelling ombouwen. Mitrailleurschutters op de bovenste etages, geweerschutters lager. Alle kanten op kon vuur worden gegeven, waarmee het Witte Huis meer werd dan het symbool voor het Nederlandse verzet tegen de Duitse luchtlanding in het hart van Rotterdam. Het was werkelijk een voornaam bolwerk op deze locatie en binnen dit strijdperk.

[258] De genisten onder de vaandrig de Boer vonden enkele uitrustingstukken van Duitsers in het Witte Huis. Dat was niet onverwacht, want in de vroege morgen was menig Nederlands verband beschoten vanuit het Witte Huis, althans dat meende men. Achteraf is gebleken dat men vermoedelijk vaker vanaf andere locaties beschoten werd. Desalniettemin werden uitrustingstukken en munitieresten aangetroffen. De Duitsers hadden het gebouw echter ontruimd. Daar lijken twee logische verklaringen voor mogelijk. De eerste kan zijn dat er slechts enkele militairen in het gebouw zaten en zij geïsoleerd waren geraakt toen door het optreden van de mariniers (en nadien de genie) de Duitse posities rond de Koningsbrug [Vierleeuwenbrug] en het Bolwerk werden opgeruimd. Het is echter aannemelijker dat overwogen is dat het gebouw van de Nationale Verzekeringsbank een betere positie bood voor hardnekkige verdediging [410], daar dit gebouw – dat direct tegenover het landhoofd van de Willemsbrug lag – bezitten het beheersen van de Willemsbrug betekende. Een Nederlandse heroveringspoging van de brug zou vanuit het gebouw van de Nationale Verzekeringbank te allen tijde kunnen worden gepareerd. Dit laatste is waarschijnlijk de reden waarom het verderop staande Witte Huis al in een vroeg stadium verlaten werd. Het was overigens ook een teken dat de Duitsers met de weinige mannen en middelen sterk improviseren moesten. Zij waren echter zo verstandig concentratie van mensen en middelen na te streven in plaats van een te ambitieuze grotere perimeter te willen verdedigen.

[258] Vaandrig de Boer besloot dat de mitrailleurs op de bovenste etages van de gewone bouwlagen moesten worden opgesteld [de zesde en zevende etage]. Geweerschutters werden verdeeld over de lagere etages. [84, 265] Na enige tijd verschenen de mariniers van de sergeant-majoor Sinke ten tonele. Ook zij kwamen via de brandtrappen aan de ‘luwe’ zijde binnen. Hierna verdeelde men de wapens opnieuw, en werden enkele geweerschutters aan de mitrailleurbedieningen toegevoegd. Opeens verscheen de 2e luitenant der mariniers E.H.J. Menger ten tonele. Deze was na vele omzwervingen en bijdrage aan de ‘dakgevechten’ tenslotte in het Witte Huis gekomen, en kreeg van de beide detachementcommandanten prompt het commando overgedragen. De sergeant-majoor Sinke zal dit met meer plezier hebben gedaan dan de vaandrig de Boer. Desondanks zal het vermoedelijk deze bevelsovername door mariniersofficier Menger zijn geweest die Von Frytag Drabbe later tot zijn eigen perceptie van de gebeurtenissen heeft gedreven.

[258, 265] Spoedig namen de manschappen in het Witte Huis diverse doelen onder vuur. Daarbij werd naar alle kanten front gemaakt en vrijwel zeker ook een aantal maal op eigen militairen geschoten. Later aankomende verbanden meldden vanuit het Witte Huis te zijn beschoten (hoewel men dit voor Duits vuur hield). Sergeant Karstanje die met twee groepen mariniers de huizendaken aan de Boompjes beklom, werd volgens militairen in diens verband ook vanuit het Witte Huis beschoten. Door met een Nederlandse vlag te zwaaien stopte het vuur vanuit de wolkenkrabber en kon de sergeant zijn weg vervolgen. Het zal niet beperkt zijn gebleven tot deze twee incidenten. De situatie was onoverzichtelijk en dat eiste ook toen al zijn tol.

Vanuit het Witte Huis, en met nog immer militairen elders op de daken, kon een redelijk goed vuur worden afgegeven op de Willemsbrug. Bezwaarlijk bleef het dat door de hoek tussen Witte Huis en brug, de stalen profielen van de brug het afgeven van een werkelijk effectief enfilerend vuur voorkwamen. Dat bleek ook wel, want het lukte de Duitsers een aantal keren om met snel rijdende motoren twee of drie man per keer over de brug te rijden, hoewel na verloop van tijd het aantal Duitse slachtoffers van die ritten toenam. Zodoende kwamen enkele tientallen manschappen van 9./IR16 aan de noordzijde terecht [410, 463]. Dat onvolmaakte schootsveld veranderde in Nederlands voordeel toen ook het Hotel Weimar van een Nederlandse bezetting werd voorzien en vanaf die positie op de Spaanse kade een flankerend vuur op de Willemsbrug kon worden gegeven. Vanaf dat moment was er voor de Duitsers geen doorkomen meer aan.

De Koninklijke Marine valt aan

[geheel: 10, 84] Er werd al melding gemaakt van de 268 ton kleine Hr.Ms. Z-5 [Commandant Ltz1 W. van Lier] die opstoomde tijdens de gevechten. Zoals in de eerste fase besproken hadden de oorlogsbodems Z-5 en de twee hulpmijnenvegers (de 310 ton HMV.1 'Walrus' en de 372 ton HMV 'Alkmaar', beide met 2 x 12,7 mm watergekoelde mitrailleurs)  de opdracht gekregen te assisteren bij de Maasbruggen.

Nadat de trossen bij de Parkkade weer waren losgegooid, werd behoedzaam opgestoomd richting de Willemsbrug. De exacte tijd van aankomst aldaar is niet bekend, maar vrijwel zeker was dit even na 0800 uur. Ter hoogte van de Willemskade werd contact gemaakt met Hollandse soldaten die informatie toeschreeuwden. Ter hoogte van de westzijde van de Boompjes werd het vuur geopend op Duitse posities op de Willemsbrug en op enkele afgemeerde watervliegtuigen, alsmede richting Maaskade en Boompjes (met de beide mitrailleurs). Enkele watervliegtuigen werden vernietigd door dit vuur. Hierbij kon slechts gebruik worden gemaakt van het 7,5 cm kanon op het verhoogde voordek en de beide 12,7 mm mitrailleurs; het stuk op het achterschip kon onvoldoende baksen (wegens de opbouw en de lengterichting van het schip dat pal oost als koers aanhield) om aan het vuur deel te nemen. De Duitsers vuurden terug met mitrailleurs vanaf de Maaskade en het Prinsenhoofd en daarbij werd de brug van de Z-5 zodanig geraakt dat drie man gewond raakten, waaronder de Oudste Officier [Ltz2 A.G. van der Land]. Nadat de gewonden op de brug gevallen waren en het de kapitein onduidelijk was of de Maasbruggen beschadigd mochten worden, besloot de kapitein eerst de gewonden te doen ontschepen en informatie in te winnen. Zodoende werd – achteruit varend – afgezakt tot aan de Parkkade, waar de drie gewonden (die allen zouden herstellen) werden ontscheept.

Aangemeerd aan de Parkkade werd contact gemaakt met de C-Kant en de Chef Marinestaf. Deze laatste verzekerde de commandant van de Z-5 dat de Maasbruggen niet vernield mochten worden. Onderwijl kwam de TM-51 [Commandant Ltz2 J. van Staveren] vanaf de Waalhaven aangevaren en meerde naast de Z-5 af. Kort krijgsberaad werd gehouden, waarna beide schepen na 0900 uur weer losmaakten van de wal.

Torpedoboot Z-5

Het zal rond 0930 uur zijn geweest dat de Z-5, nu samen met de TM-51, wederom in de richting Noordereiland opstoomde, met de beide hulpmijnenvegers in hun kielzog. Op een afstand van circa 400 meter werden Duitse verbanden op de landhoofden rond de Willemsbrug beschoten en vuur gegeven op het Prinsenhoofd. [259, 264] Volgens (naoorlogse) verklaringen van de CMM en C-Kant werd door de Z-5 eveneens vuur uitgebracht op de Hefbrug, de spoorbrug over de Koningshaven, en zou daarbij het mechanisme zijn geraakt waardoor de brug niet langer kon bewegen. Die beschieting is niet in de marineannalen bevestigd. Overigens was die hefbrug in de ochtend op bevel van de Duitsers door de brugwachter geheven [410].

Tijdens deze nieuwe beschieting van de Duitse posities kregen de beide schepen echter te maken met vuur van Duitse PAK. Er was intussen een 3,7 cm PAK aangekomen vanuit Waalhaven en snel in positie gebracht bij de Willemsbrug. Hoewel de granaten nauwelijks uitwerking hadden op de voorop varende Z-5, was het vuur niet zonder risico voor de vrijwel ongepantserde schepen.

Daarbij kwam dat enkele Luftwaffe vliegtuigen zich plotseling op de beide schepen stortten. Een viertal bommen werd door een (vermoedelijk) Ju-88 afgeworpen, die weliswaar doel misten, maar bij de TM-51 door een bijna treffer zodanig veel schade aanrichtten, dat het gevecht door deze boot moest worden afgebroken. Matroos der 1e klasse Adriaan van Vegten was bovendien dodelijk gewond geraakt door mitrailleurvuur vanaf het Prinsenhoofd en de roerganger door een granaatscherf in het been ernstig gewond geraakt. Nadat de TM-51 bij Gusto terug was gekomen van de strijd, zou blijken dat de boot doorzeefd was [meer dan 300 gaten werden geteld] door mitrailleurkogels en granaatscherven, de hydraulische richtinstallatie van de snelvuurkanonnen was uitgeschakeld, een der Hispano Suiza stukken muurvast zat en er schade aan de motoren was. Desondanks zou men erin slagen de boot weer zodanig op te kalefateren dat ze enkele dagen later het ruime sop richting Engeland zou kunnen kiezen.

[31, 34] De Z-5 kwam vrijwel geheel ongeschonden door de luchtaanval, echter de matroos [kanonnier] der 2e klasse Leendert van der Struis [postuum B.K.] werd door een neerduikend vliegtuig dodelijk verwond achter het onbeschutte 7,5 cm kanon. Tragisch op zich al, zij het nóg tragischer omdat een dag later ook zijn vader, stoker der 1e klasse Pieter van der Struis aan boord van de loodsboot 19, op de Nieuwe Waterweg [t.h.v. Vlaardingen] omkwam toen dat schip ten onder ging.

[10] De Z-5 bleef nog korte tijd ter plaatse en bleef in duel met Duitse militairen rond de noordzijde van de Willemsbrug waarvan enkele per motor trachtten de Willemsbrug richting Bolwerk te passeren. Op de brug werd door de Z-5 slechts met de zware mitrailleurs gevuurd, terwijl de huizen op, en de schepen langs de Maaskade met het kanon onderhanden werden genomen. Daarbij bleef men net zolang vuren totdat op de commandobrug werd gemeld dat de 7,5 cm munitievoorraad was opgebruikt. Uiteindelijk zou blijken dat deze melding onterecht was en de vrij kort daarvoor aan boord gekomen chef-konstabel onbekend was met het feit dat aan boord van de Z-boten een gescheiden munitiecompartiment was aangelegd. Zodoende bleek later te Hoek van Holland aangekomen in werkelijkheid pas de helft van de voorraad te zijn verschoten en het achterste magazijn nog vol te zijn. In elk geval trok de Z-5 zich achterwaarts manoeuvrerend terug. Ze had inmiddels nog een zwaar gewonde aan boord, naast de al vermelde dodelijk gewonde kanonnier.

Vermeldenswaardig is dat voor deze actie alle bemanningsleden met het Bronzen Kruis zouden worden onderscheiden en beide kapiteins met de MWO der 4e klasse.

Tussenbalans

Er gebeurde veel, heel veel op die eerste oorlogsdag. Daarom is het goed voor het overzicht kort te recapituleren hoe de noordwestzijde van het Duitse bruggenhoofd zich in de loop van de dag ontwikkeld had.

Gedurende de ochtend en het begin van de middag slaagden de Nederlanders erin de Duitsers verder terug te dringen rondom het landhoofd van de Willemsbrug. Dat was niet alleen het gevolg van de toegenomen Nederlandse druk op de Duitse posities langs de Boompjes, maar ook een gevolg van het Duitse bevel tot consolidatie.

Dietrich von Choltitz

[410] Toen Oberstleutnant von Choltitz vanaf het middaguur toch probeerde om aanzienlijke versterkingen naar de noordoever te laten oversteken, werd al snel geconstateerd dat het doorzetten van die handelingen veel te veel levens zou kosten. In het begin wisten diverse motoren nog twee of drie man per keer over te brengen, maar na enige tijd raakten de Nederlanders ingeschoten op de telkens overstekende Duitsers. De moed van de Duitse motorrijders kon niet op tegen de steeds maar toenemende effectiviteit van de Nederlandse vuurpunten. Toen na verloop van tijd de Willemsbrug vanaf drie zijden door Hollandse mitrailleurs werd beheerst, achtte de Duitse commandant het welletjes. Er werd bevel gegeven zich te concentreren rond het noordelijke landhoofd. Daarbij wilde men het gebouw van de Nationale Verzekeringsbank tegen iedere prijs behouden. [410, 463] Zodoende vond in dat gebouw een concentratie plaats van manschappen van 9./IR16, de restanten van de Zug van Leutnant Gotthöde van 11/IR.16 en 12 man van de Zug van Oberleutnant Kerfin van 11./FJR1. In de avond leverde een telling [463] op dat er 53 man in het gebouw waren, inclusief enkele gewonden. Rond de brugopgang, aan de onderzijde en ingegraven in het talud van de opgang, waren nog enkele manschappen van 9./IR16 die de posities bemanden. In het kleinere gebouw naast het Nationale Verzekeringskantoor, zaten nog enkele manschappen, waaronder ook nog enige parachutisten.

Het ontruimen van het Maashotel door de Duitsers vlak voor de aankomst van de sectie Karstanje hield vrijwel zeker verband met een opdracht te consolideren rond het noordelijk landhoofd van de Willemsbrug. Het rapport van III./IR16 [410] spreekt naar aanleiding van het gevechtsterrein in de loop van de middag van de onmogelijkheid versterkingen aan te voeren, of zelfs maar berichten fysiek over te brengen.

» Ein weiteres Vortrieben des Brückenkopfes ist nunmehr ausgeslossen. Es kommt vielmehr darauf an, die erreichte Linie zu halten und im übrigen die wichtigen Maasbrücken vor Feindeinwirkung ze bewahren. (…) Meldung und Verbindungsaufname mit dem Bataillon, dass auf der Insel seinen Gefechtsstand hat, is zur Zeit ausgeschlossen. Auch die Teile unmittelbar am Brückeneingang, sowie auf der Eisenbahnbrücke, können sich kaum rühren, ohne strärkstem Beschuss ausgesetzt zu sein

Radio’s bleken overigens ook niet te werken, wat tot grote frustratie aan Duitse kant geconstateerd werd. Zodoende zou men nog enige tijd – tot in de avonduren – trachtten boodschappen fysiek over te brengen en met motoren alsnog versterkingen proberen over te brengen. Het zou vooral leiden tot nog meer slachtoffers.

Aan de noordwestzijde van het Duitse bruggenhoofd was dus sprake geweest van aanzienlijk terreinverlies. De Duitsers hadden met uitzondering van het gebouw van de Nationale Verzekeringsbank en het gebouw ernaast, geen enkel gebouw meer in bezit op de noordwestoever. Daarentegen hadden de Nederlanders hun posities uitgebreid en bezit genomen van de Boompjes. Daarbij waren relatief weinig slachtoffers aan Nederlandse kant gevallen, maar werd door fel Duitse mitrailleur- en mortiervuur vanaf het Noordereiland het bezit van de panden aan de Boompjes geen eenvoudige zaak. Het is thans tijd om te kijken hoe zich de situatie rond het Beurstation, de Spaanse Kade en de Oosterkade zich ontwikkelde in de loop van de morgen en middag van de tiende mei.

3e Bewakingscompagnie

Voor een goed overzicht wordt kort teruggegaan naar de ochtend van 10 mei vlak voor de Duitse aanval. Het Station Beurs, beter bekend als het Beursstation in de volksmond, was ten tijde van de Duitse overval op Nederland zwak bezet geweest. Een klein detachement van de 3e Bewakingscompagnie van de Etappen Verkeersdienst was aangewezen voor de bewakingstaken van spoorweg locaties.

[275] De 3e Bewakingscompagnie [C. kapitein J.W. Bernhardi] had pas op 8 mei haar posities toegewezen gekregen na haastig te zijn geformeerd. De kapitein GS J.J. Jurrissen gaf pas op die dag opdracht tot het bezetten en bewaken van een aantal strategische posities op stations binnen de Vesting Holland. Van de eenheid werden detachementen gestuurd naar het centraal station te Leiden, twee stations in Den Haag, het station te Schiedam en een detachement naar Rotterdam Delftse Poort en Rotterdam Maasstation. Rotterdam kreeg een sterkte van twee secties [min een groep] toegewezen, die op 9 mei 1940 aankwamen. Die sterkte kwam neer op een officier [commandant, reserve 1e luitenant S. de Vlieger], 4 sergeanten, 5 korporaals en 45 manschappen [secundaire bronnen spreken van 46 manschappen].

Binnen de sector Rotterdam kregen de manschappen in het bevel de volgende taken en locaties toegewezen [275]:
- 2 secties min twee groepen op station Delftse Poort [Rotterdam Centraal]
- Tweemans post op de spoorbrug (naast de Willemsbrug)
- Tweemans post op de hefbrug (over Nieuwe Maas)
- Eenmans post bij onderstation Feyenoord, locomotiefdepot Feyenoord en tractiedepot Rotterdam DP
- Een geweergroep (acht man plus OO) bij Rotterdam Maasstation
- Een aantal kleine patrouilles voor objectbewakingen elders in de stad.
De opstellingen werden gewijzigd aangenomen, zodat op de stations Delftse Poort, Beurs en Maas gedurende de nachtelijke uren een wacht van een onderofficier, een korporaal en acht man paraat zou zijn. Bij het laatste station bleek uiteindelijk op 10 mei slechts zes man aanwezig. Bovendien was de wachtpost bij de spoorbrug niet werkelijk op de brug, maar tussen station en brug geplaatst. De overige posten ingenomen hebbende betekende dat telkens de helft van de sterkte paraat was en de andere helft in ruste.

[275] Toen de Duitse aanval een feit bleek werden twee aflossingsgroepen gereed gemaakt in hotel Elim [aan de Schiedamse dijk] – waar het gehele detachement tijdelijk onderdak had – en richting de beide stations Beurs en Maas gestuurd. Hoewel het kleine detachement van het Maasstation al spoedig was uitgeschakeld (deels gevangen genomen en deels gevlucht) was de groep op het Beursstation – bestaande uit een sergeant, een korporaal en tien manschappen (inclusief de spoorbrugwacht) – in vuurcontact gekomen met de Duitsers die met twee mitrailleurs trachten om het spoorviaduct onder controle te krijgen en het hooggelegen station te nemen. Die Duitsers stuitten echter op de vastberaden wacht, die niet wenste te wijken. Volgens het Nederlandse rapport viel er één Duitser, maar die vaststelling blijkt te bescheiden. Onder de Nederlanders waren door het felle Duitse mitrailleurvuur inmiddels overigens vier slachtoffers gevallen, waarvan één [soldaat Johannes Reuvers] dodelijk en één man [soldaat Willem Timmers] zwaar gewond door twee schoten in de buik en één in het been. Soldaat Timmers zou aan zijn verwondingen later eveneens overlijden.

[410] Aan Duitse zijde werd echter ook geleden tijdens het gevecht. De eerste offensieve actie over het viaduct richting station was door de Feldwebel Rellmann van 11./IR.16 geleid, die met enkele manschappen optrok. Rellmann zelf werd echter door het Nederlandse vuur al snel getroffen en raakte zwaar gewond (maar zou overleven). Dat lot deelde hij met zijn gehele groep (vermoedelijk drie of vier man), waarvan niemand ongeschonden bleef. De Gefreiter Heinrich Kröger sneuvelde. Een latere poging waarbij Oberleutnant Schreiber, Leutnant Schwiebert en Unteroffizier Meinert betrokken waren, leidde tot de verwonding van Leutnant Schwiebert. Deze officier zou tot aan de 14e mei gewond blijven liggen en de kreunende Duitser zijn die in vele verslagen voorkwam. Op de 14e mei zou hij sterven aan zijn verwonding. Een tragische kwestie.

[275] Met de versterking van een kleine twintig man inclusief luitenant de Vlieger werden zowel boven als beneden (aan de trappen) posities ingenomen om het station rondom te verdedigen. Een afgeslagen Duitse patrouille werd gevolgd door een nieuwe Duitse poging om het station te bezetten. Ook die werd afgeslagen, waarna de Duitsers het wel geloofden. Zij lieten een mitrailleurpost achter en concentreerden zich op andere doelen. Die mitrailleurpost zou echter menig Nederlands verband nog danig parten spelen, maar was vanuit het Beursstation nauwelijks te bestrijden omdat de Duitsers zich tussen de stalen profielen hadden verscholen. De bewakingsmanschappen op het station konden zich echter nauwelijks roeren zonder van alle kanten beschoten te worden. De Duitsers hadden vrijwel alle hoge gebouwen met geweer- en mitrailleurschutters bezet en bestreken zo het station en omgeving vanuit meerdere posities. Daar enkele kleine formaties mariniers al volop in actie waren rondom het station, was het geweer- en mitrailleurvuur niet van de lucht.

[258, 275] Na enige tijd verscheen de halve compagnie genisten [2-III-DGT] onder de reserve kapitein de Bats bij het Beursstation, die eerst een kort vuurgevecht met enkele reeds bezijden het station opererende mariniers voerde voordat het misverstand kon worden opgehelderd en de kapitein het stationsgebouw inkwam. De luitenant stelde de kapitein op de hoogte van de Duitse posities voor zover bekend en stelde zich onder de kapitein. Kapitein de Bats liet een deel van zijn compagnie op het station posities nemen, maar instrueerde anderen om de gebouwen in de omgeving te gaan zuiveren van Duitse schutters.

[275] De chaos was nog compleet toen een uitgezonden groep soldaten onder de dienstplichtig sergeant Adrianus van Dijk (3e Bew.Cie) met munitie naar de Wijnhaven werd gestuurd. Nadat twee van de drie soldaten onder hem terugkeerden, meldden zij het sneuvelen van de sergeant onderweg. Net op dat moment stak een Duitse patrouille van zes man de straat over, maar werd teruggewezen door Nederlands vuur. Eén Duitser bleef op straat liggen.

[275] In de vroege middag kwamen 30 man marinetroepen van het detachement van Luitenant ter Zee Douw van der Krap [commandant van de in onderhoud zijnde Hr.Ms. Balder] het Beursstation versterken. Onderwijl was het Duitse bruggenhoofd aanzienlijk ingekrompen. Het markante punt dat het station vormde bleef echter prominent in de vuurlinie liggen. Dat kwam vooral doordat het in het verlengde van menig Duits vuurpunt op de bruggen en op de kop van het Noordereiland lag.

De SROGN in Rotterdam

[277] Een opmerkelijke kwestie is de aankomst van een compagnie van de SROGN [School voor Reserve Officieren van Gezondheid]. Deze compagnie – aangeduid als de 5e Depot Compagnie der Geneeskundige Troepen [C. reserve kapitein C.L. Wieringa] – was oorspronkelijk gelegerd te Utrecht, op de Hojel kazerne. Op 7 mei 1940 kreeg de compagnie opdracht om zich voor te bereiden om met exact 100 man onder leiding van de sergeant H.J. van Munster en met ondersteuning van de SMI E. Scheffer naar Oud-Beijerland te gaan. Aldaar bevond zich een groot militair hospitaal, dat dienst zou doen als een der meest prominent militaire hospitaals voor het zuidfront Vesting Holland. Alle honderd man – op drie soldaten na – waren korporaal adspirant officier, ofwel reserve officieren in opleiding.

[277] Op 10 mei was de compagnie nog niet verplaatst. Men trad na alarm aan op de appelplaats en werd aldaar ter plaatse voorzien van Rode Kruis armbanden. Opmerkelijk genoeg voldeden die niet aan de vereisten der Verdragen. Ze waren niet voorzien van een uniek nummer en belangrijker nog, de mannen waren geen van allen (met uitzondering van de sergeant-commandant) voorzien van een Rode Kruis identiteitspas, wat verplicht was. Mogelijk minstens zo opmerkelijk was dat de manschappen geen volledige uitrusting (m.u.v. helm en uniform) meekregen – zo misten vele hun gasmasker – en … werden geen persoonlijke wapens uitgereikt. Slechts sergeant van Munster had een revolver! De gehele compagnie ging dus ongewapend op pad. Want men diende alsnog Oud-Beijerland te bereiken, zo was geïnstrueerd.

[277] Op het station van Utrecht stond een dieselelektrische trein gereed om de compagnie naar het westen te brengen. Aan boord was tevens een delegatie van twaalf geneeskundigen die naar het stafkwartier Oostfront moesten en bij Gouda zouden uitstappen. Een lid van de Tweede Kamer was eveneens voor die route aangesloten. Kort na 1000 uur vertrok de trein en een twintig minuten later werd Gouda bereikt, waar de kleine delegatie uitstapte. Direct daarna werd vertrokken richting Rotterdam, waar men – volgens de rapporten – om 1115 uur aankwam op … het Maasstation! Midden in de gevechten kwam alsof het niets was gewoon de trein aanrijden op het Maasstation. Vanuit de wagons konden de manschappen Duitse drijvervliegtuigen zien dobberen naast de bruggen. Waren de mannen enige tijd eerder aangekomen, dan waren ze een door de Duitsers beheerst station binnengereden. Want tot zeker 0800 uur hadden luchtlandingstroepen de boel nog beheerst, tot de genie aan was gekomen en hen had doen terugtrekken. Het was ook de genie die met enige verbazing de trein had zien binnenkomen en daar de ongewapende geneeskundige troepen uit zag komen.

[277] Op het station werd de compagnie door een 2e luitenant der Genie gewaarschuwd dat het station verlaten levensgevaarlijk zou zijn als dat niet met het nodige beleid zou gebeuren. Via het emplacement moesten de ongewapende hospiks zich onder wagons doorwerken om zo naar het noorden weg te komen van het gevechtsterrein. Via het Haringvliet en de Nieuwe Haven trachtte de compagnie bij het Oostplein te komen. Maar het gebied lag nog onder vuur van Duitse schutters. Bij een van de door de mariniers opgehaalde bruggen over het Haringvliet, weigerde men de brug ineens te laten zakken, bang als men was dat de Duitsers ineens een stormaanval zouden plaatsen. Dat de Duitsers daar allang niet meer toe in staat waren en dat die angst sowieso overdreven was, deed daar kennelijk niets aan af. De mariniers waren bereid de brug tot een meter hoogte te laten zakken. Zodoende moesten de hospikken man voor man op de brug springen en na deze te zijn overgestoken richting Oostplein doorlopen. Plotseling werd echter vuur ontvangen uit zuidelijke richting. De korporaal adspirant officier Dirk van Toor werd daarbij dodelijk in de buik getroffen. Hoewel de korporaal nog naar het Oostplein werd vervoerd en aldaar door een arts behandeld, overleed hij korte tijd later aan zijn verwondingen.

[277] De compagnie had zich – onder achterlating van twee man voor de zorg van korporaal van Toor – richting ziekenhuis Coolsingel begeven. Voor de gelegenheid wordt de tijdlijn direct voortgezet, want een goede aanleiding de compagnie later opnieuw te bespreken is er niet. In het Coolsingel ziekenhuis aangekomen bleek geen emplooi voor de geneeskundige eenheid. Sergeant van Munster begon direct te lobbyen voor een functie en een onderkomen voor zijn manschappen. Maar dat viel niet mee in de chaos waarin Rotterdam evident verkeerde! Het Kantonnementsbureau gaf de raad het militair hospitaal te benaderen. Ook de hoogste militair geneesheer van het militaire hospitaal [reserve dirigerend officier van gezondheid 2e klas – gelijk aan de rang van luitenant-kolonel – Dr. Beijerman] had echter geen werk voor de compagnie. Het Rode Kruis [in de Doelen] werd benaderd, maar die waren inmiddels gevuld met geïnterneerden. Het Kantonnementsbureau had nadien geen oplossing en al helemaal geen tijd ernaar te zoeken. Advies was opnieuw het militair hospitaal met de zaak te belasten. Aldaar werd eindelijk een deeloplossing geboden. De suggestie dat dr. Böhmer (chef arts van het Depot Genietroepen) hulp kon gebruiken kon worden omgezet in 20 manschappen, maar … dan moest de sergeant zelf voor onderdak zorgen anders was de hulp niet gewenst. Om een lang verhaal kort te maken, wist sergeant van Munster tenslotte zijn manschappen bij allerlei commando’s onder te brengen waar nog enige geneeskundige assistentie kon worden gebruikt. Uiteindelijk was hij om ongeveer 2200 uur op 10 mei uitgeorganiseerd. Hij had de dag vechtend tegen de militaire bureaucratie doorgebracht. De rest van de meidagen zou voor hemzelf nauwelijks anders blijken te zijn …

[De bronnen vindt u hier]