De Peeldivisie

Inleiding

Over de Peeldivisie wordt in de literatuur verwarrend geschreven. Op internet wordt er helemaal een warboer aan informatie aangeboden. Die verwarring is best te begrijpen. Het verband was qua omvang en complexiteit van samenstelling een ‘monsterverband’, dat bovendien door wijzigende strategische inzichten enige malen van samen- en taakstelling wijzigde. In wezen was de Peeldivisie slechts een divisie geweest in de periode voordat OLZ Winkelman de scepter zwaaide. Nadien werd het van een eenvoudig duidbare strategische beveiligingseenheid langs de Maas, een monsterverband van allerhande eenheden die geheel oostelijk Noord-Brabant en een fractie noordelijk Limburg moesten verdedigen.

Deze Peeldivisie was begin 1940 geen werkelijke divisie, maar in wezen een groot taakgericht [multitask] verband dat in hoofdzaak verantwoordelijk was voor de voorverdediging van de Peel-Raamstelling. Het gehele noordelijke gedeelte van de Maaslinie, dat voor de Peel-Raamstelling (van Bergsche Maas tot Weert) lag, werd verdedigd door de onderdelen van de Peeldivisie. Deze divisie was altijd al een onderdeel geweest van de strategische beveiliging, en daarom grotendeels al in april 1939 gemobiliseerd. Haar oorspronkelijke onderdelen 27.RI en 30.RI hadden het gros der loopgraven in de Peel-Raamstelling al in 1939 aangelegd. 

In eerste aanleg bestond de Peeldivisie slechts uit zes bataljons [27.RI en 30.RI], maar dit getal was uiteindelijk in april 1940 heimelijk gegroeid naar maar liefst 23 bataljons. Heimelijk, want behalve de commandant en chef-staf van de Peeldivisie en de hoogste bevelhebbers van III.Lk en LD, wist niemand binnen de Brabantse verbanden dat de defensie in de sector Maaslinie – Peel-Raamstelling in het gebied noord van Maasbracht uiteindelijk op de eerste oorlogsdag geheel in handen van de Territoriaal Bevelhebber Brabant [TBB] zou komen. Dat de toen al tot zestien bataljons [inclusief de grensbataljons] gegroeide Peeldivisie er bovendien zeven bataljons bij zou krijgen om die taak naar behoren te kunnen verrichten, wisten ook slechts een handjevol bevelhebbers.

Een strijdmacht van 23 bataljons dus. Ter vergelijking, een volwaardige Veldleger divisie met drie infanterieregimenten had slechts negen bataljons, een volwaardig legerkorps slechts achttien bataljons. Daarom is het ook onjuist om de Peeldivisie – toen zij de grootte van 23 bataljons aannam – als divisie te adresseren. In feite bestond de Peeldivisie vanaf half april 1940 helemaal niet meer en was er een territoriaal legerverband gevormd dat weliswaar door de Peeldivisiestaf werd aangestuurd, maar in hoofdzaak uit Vakken bestond waarin troepen ter sterkte van anderhalf tot twee regimenten waren georganiseerd. Desondanks wordt dit geheel in de literatuur – onder meer het Stafwerk [5] en het werk ‘Mei 1940 – de Strijd op Nederlands grondgebied [52: pg 154] – wel als de Peeldivisie aangeduid. Het zij hier duidelijk gezegd: er was in geen enkel opzicht sprake van een homogene divisie of iets wat maar de schijn van een divisieorganisatie had. Toch zal hier voor het gemak de lijn worden voortgezet de 23 bataljons – zoals zij rond 1600 uur op 10 mei 1940 uiteindelijk allen (voor zover nog niet verslagen aan de Maas) onder kolonel Schmidt’s commando vielen – als de Peeldivisie aan te duiden.

Staf Peeldivisie en Vakorganisatie

[3, 5] De staf Peeldivisie zat in Eindhoven. De divisiecommandant kolonel L.J. Schmidt werd bijgestaan door chef-staf kapitein der Generale Staf B.M.P. van Griethuyzen. Deze was de enige GS officier aanwezig. Daarnaast waren alle belangrijke bureau- en sectiehoofden beroepsofficieren. In totaal waren er naast de commandant 29 officieren werkzaam bij de staf, vele daarvan met zeer specialistische functies. Daarvan waren er elf beroepsofficier. Slechts vijf officieren behoorden tot de operationele staf, waarvan er slechts één reserve officier was. Hoewel de staf een fractie beter bezet was dan van een reguliere veldlegerdivisie, was zij grotesk onder de sterkte die men verwachten mocht bij een verband dat 23 infanteriebataljons en een regiment artillerie moest aansturen. Zelfs voor de aansturing van het verband van zestien bataljons plus artillerieregiment – dus min de zeven bataljons aan de Maaslinie – was de staf qua grootte ruimschoots onvoldoende.

[5] De vakken waren van noord naar zuid als volgt georganiseerd: Vak Schaijk [staf 29.RI] van de Bergsche Maas tot onder Gennep, Vak Erp [staf 41.RI] van Heijen tot aan Afferden, Vak Bakel [staf 27.RI] van Afferden tot noord van Venlo, Vak Asten [staf 30.RI] van Venlo tot Neer en tenslotte Vak Weert [samengestelde staf] van Roermond tot Maasbracht. De diepte van de vakken was zodanig dat in feite drie verdedigingssectoren werden ingesloten, zijnde de directe grenszone, de Maaslinie en de Peel-Raamstelling. Alle Vakstaven lagen achter de Peel-Raamstelling.

Samenstelling divisie

[5] De Peeldivisie was niet in regimenten opgedeeld maar in vakken. Die vakken waren genoemd naar de locatie van de staf in het vak en heetten Schaijk, Erp, Bakel, Asten en Weert. Elk van die vakken was min of meer autonoom en werd door een regimentsstaf of geïmproviseerde staf geleid. Die Vakstaven rapporteerden direct aan de staf Peeldivisie.

[5] Naast de vakken – die in totaal tweeëntwintig bataljons en een regiment artillerie onder zich hadden – had de divisie een zeer beperkt contigent eenheden dat rechtstreeks werd aangestuurd. Dat was het bataljon GBJ, dat ten zuidwesten van Eindhoven de grens bewaakte (over een afstand van bijna 20 km!) en enkele divisie ondersteunende eenheden zoals 4.KMD, een compagnie autotroepen, een verbandplaatsafdeling en twee taakgerichte groepen Politietroepen. Naast de divisiestaf en een divisie verbindingsafdeling van een kleine 200 man, was daarmee de koek voor wat betreft ondersteunende en verzorgende eenheden op.

[5] Vak Schaijk werd geleid door de regimentsstaf van 29.RI [reserve luitenant-kolonel J. Detmar]. en bestond uit vijf bataljons plus een afdeling artillerie [III-20.RA]. Deze bataljons waren I-3.RI, I-6.RI, III-14.RI, II-26.RI en II-29.RI. Ter ondersteuning was er anderhalve compagnie pioniers van 15.C.Pn en 6.C.Pn. Ook vielen de detachementen Politietroepen te Grave en Haps onder de vakcommandant. II-26.RI lag in de Maaslinie en aan de grens. De overige eenheden lagen in de Peel-Raamstelling.

[5] Vak Erp werd gecommandeerd door de regimentsstaf van 41.RI [luitenant-kolonel E. Snoek]. Vier bataljons en een afdeling artillerie [II-20.RA] vormden de gevechtseenheden. De bataljons waren II-2.RI, I-13.RI, II-17.RI en 15.GB. Het geheel werd ondersteund door slechts twee drie groepen pioniers van 5.C.Pn. Twee detachementen Politietroepen te Boxmeer en Veghel werden ook door het Vak gecoördineerd. Alleen 15.GB lag in Maaslinie, de overige eenheden in de Peel-Raamstelling.

[5] Vak Bakel was het thuis voor de regimentsstaf van 27.RI [reserve luitenant-kolonel F.N.F. van der Schrieck]. Het bestond uit vijf bataljons, en opvallenderwijs daarbij geheel 27.RI, inclusief regimentstroepen. Daarnaast I-41.RI en III-26.RI. Bovendien waren de zes stukken 6-veld van de 5e Batterij KRA aan III-27.RI toegevoegd. Eigen artillerie ontbeerde het Vak daarentegen geheel. Wel had men nog twee groepen pioniers, in hoofdzaak van 15.C.Pn en de Politietroepen detachementen Helmond en Wanssum onder zich. III-26.RI en I-41.RI lagen langs de grens en in de Maaslinie. Het homogene regiment 27.RI in de Peel-Raamstelling.

[5] Het Vak Asten werd door de regimentsstaf van 30.RI [luitenant-kolonel G.E.A. Themann] gecommandeerd. Het had twee eigen bataljon [II-30.RI en III-30.RI] en twee vreemde [III-41.RI en 2.GB]. Naast enige pioniers en de drie Politietroepen detachementen Buggenum/Roermond, Someren en Venlo, had men een deel van de regimentstroepen van 30.RI als enige ondersteuning. Artillerie ontbrak geheel. III-41.RI en 2.GB lagen aan de Maas, de andere twee in de Peel-Raamstelling.

[5] Tenslotte het Vak Weert, dat bestond uit slechts twee reguliere bataljons [I-30.RI en II-41.RI] en twee grensbataljons [4.GB en 17.GB] en gecommandeerd werd door een samengestelde staf [luitenant-kolonel C. van de Woude]. Daarnaast de laatste afdeling van 20.RA [I-20.RA]. De verwachtte groep pioniers van 16.C.Pn en twee detachementen Politietroepen [kazematbezettingen bij Nederweert en Roermond] waren evenzo aanwezig. Het was 17.GB dat aan de grens en in de Maaslinie lag.

Schematisch overzicht

In onderstaande tabel worden de eenheden van de Peeldivisie (10 mei 1940: 0355 uur) schematisch weergegeven van noord naar zuid.

 Vak  Peel-Raam stelling   Maaslinie  Aantekening
       
 Schaijk  II-29.RI  II-26.RI  II-29.RI in verbinding met Maas-Waal verdediging
 (res. lt-kol J. Detmar)  III-14.RI  Ptr Groep Haps  
   I-6.RI  Een Sie 15.C.Pn  
   I-3.RI    
   III-20.RA    
   2 Sie 6 C.Pn    
   Ptr Groep Grave     
       
 Erp  II-2.RI  15.GB  
 (lt-kol E. Snoek)  II-17.RI  Ptr Groep Boxmeer   
   I-13.RI  Geniedet. Frets  
   II-20.RA    
   2 Sie 5 C.Pn    
   Ptr Groep Veghel    
       
 Bakel  27.RI  I-41.RI  
 (res lt-kol F.N.F. van der Schrieck)   5-KRA (6)  III-26.RI  
   Peel Bt 6-veld (6)  Ptr Groep Wanssum   
   Ptr Groep Helmond  Een Sie 15 C.Pn  
   Deel Peeldet. Genietroepen     
       
 Asten  30.RI (min I.)  2.GB  
 (lt-kol G.E.A. Themann)  Peel Bt 6-veld (6)  III-41.RI  
   Ptr Groep Someren   Ptr Groep Venlo  Incl. deel Ptr Groep Roermond
   Deel Peeldet. Genietroepen    Een Sie 15 C.Pn  
       
 Weert  I-30.RI  17.GB  
 (res lt-kol C. van de Woude)  4.GB  Ptr Groep Roermond  Min het deel bij Vak Asten
   II-41.RI  Een Sie 16 C.Pn  
   I-20.RA    
   Ptr Groep Nederweert    
   Groep van 16 C.Pn    
       


De verbanden die tot de staf van de Peeldivisie behoorden, zoals de verbindingsafdeling, logistieke en intendante onderdelen en divisietreinen zijn in bovenstaand overzicht niet verwerkt. Nadere gevechts- of gevechtsondersteunende eenheden waren echter niet beschikbaar. Wel is van belang aan te geven dat op 10 mei tevens GBJ (Grensbataljon Jagers) - aan de grens met België en in posities aan het Wilhelminakanaal gelegen - en 2.RHM (tijdelijk) onder bevel van C-Peeldivisie werden gesteld.  

Beschouwing

Als men de eenheden die onder kolonel Schmidt vielen op 10 mei 1940 optelt, komt men tot maar liefst 23 bataljons. Daarvan waren er zes – geheel geconcentreerd in de Vakken Schaijk en Erp – van Veldlegerkwaliteit, twaalf van matige 'hoge regimenten kwaliteit' en vijf waren grensbataljons. Zeven bataljons lagen aan de oostgrens c.q. de Maaslinie [noord naar zuid: II-26.RI, 15.GB, I-41.RI, III-26.RI, 2.GB, III-41.RI, 17.GB] , één bataljon aan de grens achter de Peel-Raamstelling [GBJ]. Vijftien bataljons lagen in de Peel-Raamstelling [n.n.z.: II-29.RI, III-14.RI, I-6.RI, I-3.RI, II-2.RI, II-17.RI, I-13.RI, I, II en III-27.RI, II-30RI, III-30.RI, I-30.RI, 4.GB en II-14.RI].

Wat aan het dispositief direct opvalt, is de verstrooiing van eenheden. Dat werd lang niet alleen veroorzaakt door de diepte van de Vakken versus de breedteopstelling van regimentseenheden of de achterlating van zes bataljons van III.LK, die slechts in de Vakken Schaijk en Erp achterbleven. Want ook daar waar bataljons van eenzelfde regiment in eenzelfde linie lagen, constateert men verspreiding van eenheden.

Die verspreiding was niet slechts Vakoverschrijdend. I-29.RI en III-29.RI behoorden bijvoorbeeld tot een geheel ander hoger verband [Brigade B], terwijl II-29.RI onder Vak Schaijk viel. I-26.RI viel onder de Maas-Waalkanaalstelling [Brigade B], terwijl II-26.RI en III-26.RI onder de respectievelijke Vakken Schaijk en Bakel vielen. 41.RI valt op doordat zijn bataljons over drie Vakken zijn verdeeld [resp. Bakel, Weert en Asten] terwijl de regimentsstaf een vierde Vak [Erp] commandeerde. Een (des)organisatie die onbegrijpelijk is, maar bij meer kwesties rond deze sector in de landsverdediging aan de orde is geweest. Men hoeft slechts de Enqueteverslagen [7] te lezen over de overval op de spoorbrug te Gennep – Vak Schaijk – om te zien welke kwalijke gevolgen de buitengewoon slechte organisatie van de troepen in het zuiden des lands had voor de effectiviteit. 

Een ander opvallende kwestie is natuurlijk het volkomen ontoereikende communicatie, commando en controle model – wat men in de huidige legerorganisatie C3 zou noemen. Een onwerkelijk groot verband van maar liefst 23 bataljons en een regiment artillerie – het equivalent van bijna drie divisies aan infanterie eenheden – bezette een gebied dat maar liefst twee verdedigingslinies bevatte. De sectorbreedte in de Maaslinie was van Grave tot aan Maasbracht 80 km. De te verdedigen breedte in de Peel-Raamstelling besloeg bijna 70 km. In totaal dus een frontbreedte van 150 km, zij het dat grote sectoren in met name het hart van de Peel-Raamstelling nauwelijks voor een tegenstander benaderbaar waren vanwege de bosrijke en moerassige naderingszone. De diepte van de vakken was variërend van zo’n 12 km in het uiterste noorden tot wel 25 km in het centrale en zuidelijke deel. Neemt men een gemiddelde dan was er sprake van een verdedigingsvak voor de 22 bataljons [GBJ lag immers aan de zuidgrens met België] van 80 bij 20 km.

Dat buitengewoon grote verdedigingsvak was verdeeld in bataljonsvakken, zonder onderlinge samenhang. Communicatielijnen – schaars in aantal – waren niet horizontaal maar verticaal georganiseerd, met had dus contact met de achterburen, niet de zijburen. Bovendien waren vrijwel alle communicatielijnen reguliere telefoonlijnen die liepen via het civiele net. Aangezien het gros van de Maaslinie zeer kort op de grens met Duitsland lag, was de kans groot dat vlak na een Duitse overval de verbindingen met de Maaslinie al zouden uitvallen. Aangezien aan de Maaslinie de bataljonsstaven de hoogste autoriteit waren, zou na een verbroken contact met de fronteenheden tussen vakstaven en fronteenheden nagenoeg geen enkel contact meer bestaan. In wezen kwam het er dus op neer dat er geen enkele sprake zou zijn van Command & Control vanuit de vakken of divisie voor de troepen in de Maaslinie.

In de Peel-Raamstelling was het niet veel beter geregeld. Omdat vrijwel niemand op de hoogte was van het feit dat de eenheden die op 9 mei 1940 in de Peel-Raamstelling lagen ook de gehele verdediging zouden vormen, was er niet extra geoefend met aansturing van die over een breed gebied verspreide eenheden. Men verwachtte immers de eigen regimenten achter zich te zullen vinden nadat de strijd zou zijn uitgebroken. De vlak voor de meidagen gearriveerde drie afdelingen oude artillerie – 36 stukken 8-staal met een effectieve dieptewerking van minder dan 5 km – konden met hun infanterieburen geen enkele degelijk voorbereide afstemming zoeken. Maar ook onderling waren de eenheden vooral autonoom georiënteerd. Men zocht nauwelijks naar cross-unit afstemming, terwijl het ijle verbindingsnetwerk spoedig zou leiden tot uitvallen van verbindingen met de vakstaven. Althans, als de tegenstander de verwachte artillerie inzet zou ontplooien.

In die teneur van zwaar ondermaatse Command & Control mogelijkheden ging de staf van de Peeldivisie mee. De staf zat ver achter het front in Eindhoven. Gezien het feit dat men ook over de Maaslinie in wezen het bevel voerde, een onwerkelijk grote afstand. Maar dat was niet het voornaamste. Men had ook met de Vakcommandanten onbetrouwbare verbindingen die via het civiele net verliepen. Bovendien was de divisiestaf met vijf officieren voor operationele taken wel erg dun bezet als men nagaat dat vijf Vakstaven, grenseenheden en afstemming met Franse troepen zou moeten worden geregeld. Gegeven dat men informatie in beperkte mate zou ontvangen via het ijle en kwetsbare verbindingsnetwerk, was dus bij voorbaat al sprake van uiterst precaire voorwaarden voor het aansturen van het grootste verband dat het Nederlandse leger in mei 1940 kende, de Peeldivisie.

Daar kwam nog een opmerkelijke kwestie bij. Want de commandant Peeldivisie – de kolonel Schmidt – was tevens Territoriaal Bevelhebber. Hij was de hoogste in rang in Noord-Brabant als III.LK en de LD zouden zijn geëvacueerd. Nadien zou hij niet langer via de C.III.LK rapporteren, maar rechtstreeks aan de CV. Dat was ook zo door Winkelman bepaald. Kolonel Schmidt zou na het vertrek van de Veldleger eenheden de gehele Nederlandse strijdmacht in Noord-Brabant commanderen, met uitzondering van 3.GB en 6.GB. Daarbij was de kolonel tevens de instructie gegeven om bij aankomst van de verwachte Franse troepen, volledig af te stemmen met de hoogste Franse commandant ter plaatse. De kolonel had er dus een monsterlijke taak bij, die hem – zo kon men wel nagaan – spoedig na Franse aankomst grotendeels zou afhouden van zijn eigenlijke werk. Indachtig de aan kolonel Schmidt toebedeelde taak, was het ongeloofwaardig dat hem niet eens een extra liaisonstaf met Franssprekende officieren was toebedeeld. Curieuzer is echter nog, dat generaal Winkelman de kolonel een onverantwoordelijk zware taak gaf. Daarbij verzuimde de OLZ om de logische beslissing te nemen om hetzij de kolonel tot generaal-majoor te bevorderen, hetzij een bestaande generaal-majoor de taak als TBB te geven. Nog los van het gegeven dat de TBB met 23 bataljons onder zijn commando reeds een strijdmacht ter grootte van twee legerkorpsen commandeerde, was ook het gegeven van belangenbehartiging van Nederland jegens de Franse lokale legerleiding een taak die een opperofficier had moeten dragen. Niet een hoofdofficier.

Er is in de literatuur (terecht) veel kritiek geweest omtrent de vervanging van OLZ en chef-staf landmachtstaf in een periode van grote spanning. De gevolgen echter van de strategiewijziging onder Winkelman worden vaak geroemd. Vermoedelijk in grote mate terecht. Maar als er kanttekeningen te maken vallen in de uitvoering van Winkelman zijn strategische beleid in de periode voor de Duitse inval een feit was, dan dient een kritische aantekening betreffende het beleid in Noord-Brabant bovenaan te staan. En de uitvoerders van dat beleid waren in hoofdzaak de commandant Veldleger en de chef-staf landmachtstaf, ofwel de gebroeders Van Voorst tot Voorst. Het is onbestaanbaar met welke taak kolonel Schmidt werd belast en welke middelen hem verschaft waren die onwerkelijk zware taak naar behoren te kunnen verrichten. 

[De bronnen vindt u hier]