Het Belgische front

Inleiding

Wat heeft net Nederlandse zuidfront te maken met het Belgische front, en dwalen we met een bespreking ervan niet te ver af?

Logische vragen wellicht. Het antwoord erop is even logisch. Het front in België was héél relevant voor het Nederlandse zuidfront. Alvorens op de ontwikkelingen aan het Belgische front in te gaan, kort een uitleg waarom het zo relevant is voor een totaal begrip.

Relevantie Belgisch front

Op vrijdagmorgen 10 mei om 0355 uur Nederlandse tijd – op het moment dat Duitsland de aanval op Nederland opende – verviel de volkenrechterlijke bepaling dat Nederland zich als onzijdige natie strikt neutraal diende op te stellen jegens enig ander (niet neutraal) land of verbond van landen. Nederland was vanaf dat moment vrij een verbond met andere landen te zoeken en deed dit ook vrijwel direct (middels de militaire attachees in de eerste plaats). Daarnaast was de Duitse aanval niet alleen tegen Nederland gericht. België en Luxemburg werden eveneens aangevallen door Duitsland op hetzelfde tijdstip. Frankrijk en Engeland waren al in oorlog met Duitsland sinds september 1939. Zodoende ontstond niet alleen een vrijwel vanzelfsprekend verbond tussen Frankrijk, Engeland, Luxemburg, België en Nederland, maar was eveneens sprake van een groot aaneengesloten front in het noordwesten van Europa.

Dat aaneengesloten front was verwacht. Door alle belligerenten, dus inclusief Duitsland. Het Duitse aanvalsplan hield dan ook rekening met dit verbond én het aaneengesloten front. Duitsland had haar huiswerk gemaakt, had een goed beeld bij de te verwachten tegenmaatregelen van de nieuw verbondene landen en had daar haar strategie (mede) op ingesteld. Frankrijk – als meest prominente der verbonden landen – idem dito. Het had rekening gehouden met een Duitse aanval op het volle noordwestelijke front, en was er vanuit gegaan dat Nederland ook zou worden betrokken. Daarom had het naast het Dyle-plan de variant Dyle-Breda uitgewerkt. Als Nederland zou worden aangevallen, en het land zou zich werkelijk verweren, dan zou de Dyle-Breda defensiestrategie verordonneerd worden.

Eerder werd onder de bespreking van de Belgische defensie het Dyle-Breda plan al uiteengezet. Duidelijk was dat met implementatie van dit plan, het Franse 7e Leger zich met een belangrijk deel van haar hoofdmacht in west Brabant zou gaan ontplooien. De houdbaarheid van die ontplooiing – of eenvoudiger gezegd – van het vasthouden aan de noordelijke beveiliging van de Belgische frontlijn was direct gekoppeld aan de ontwikkeling die zou worden gezien in de centrale frontsector in België.

Het was voor de Fransen – en in grote mate ook voor de Britten – van groot belang dat het Belgische front zeker enkele dagen aan het Albertkanaal – de derde (van de vijf) defensielijnen in België – zou blijven liggen. Het was namelijk essentieel dat de massale Frans-Britse verplaatsingen naar de KW-stelling [Dyle line] geheel tot afronding zouden zijn gekomen alvorens de Duitsers aan de deur zouden kloppen.

Zouden de Fransen en Britten die paar dagen – met ging uit van tenminste vijf dagen – niet krijgen dan was het gevaar groot dat de Franse en Britse troepen in een kwetsbare verplaatsing zouden worden aangevallen en belangrijk aan kracht zouden verliezen, en bovendien dat de KW stelling zou kunnen worden aangevallen voordat deze volledig zou zijn bezet. Als de Belgische dekkingsstelling aan het Albertkanaal zelfs erg vroeg zou vallen, dan kwam de gehele Dyle-Breda variant in gevaar. De Duitsers zouden dan immers in staat kunnen zijn om via noord België veel sneller voor de KW-stelling te staan en daarmee zou het gehele 7e Leger in groot gevaar komen. Uiterst ongewenst dus dat een dergelijk scenario zou ontstaan.

Want stel dát dit scenario zou ontstaan, dan zouden de Fransen wel eens kunnen overwegen het 7e Leger geheel of gedeeltelijk terug te nemen, en het weer als voorname mobiele reserve van het gehele noordelijke Franse leger op te nemen, precies zoals de chef daarvan – de général Georges – zo graag zag gebeuren.

Dit alles toont aan hoe relevant het was hoe het Belgische front zich zou ontwikkelen. Voor Franse steun van de Nederlandse zaak – waar men in Den Haag zo blind vanuit ging – speelde niet het Nederlandse front een hoofdrol, maar het Belgische. Daarom wordt voor iedere dag ook aan de zuidzijde van onze landsgrenzen gekeken … 

10 mei – De status van het noordoost front in België

Menige Nederlandse publicist vergaloppeert zich in (overdreven) negatieve superlatieven inzake de staat en status van het Nederlandse leger in mei 1940, zeker als men dit afzet tegen het Belgische en Franse leger. Men doet het vaak voorkomen alsof Nederland als enige een volmaakt naief en zwak leger met een onvoldoende geoutilleerde en onvoorbereide legerleiding had. Toegegeven, het Belgische leger was in absolute zin ruim tweemaal zo talrijk en had minder grondgebied te verdedigen en het Franse leger was van een onvergelijkbare (kwantitatieve) grootheid. Qua voorbereiding en kwaliteit van de legerleiding alsmede een aantal perifere zaken sprong Nederland echter - in vergelijking tot beide voornoemde landen - niet ver buiten de bandbreedte.

Ook de kwalificatie van diverse omstandigheden waarbinnen het Nederlandse leger haar werk moest verrichten, zoals het beperkte bevel voor verhoogde paraatheid in de nacht van 9 op 10 mei, wordt in Nederland bekritiseerd als zuiver Nederlandse naïviteit. Het geschiedde bij de zuiderburen echter precies zo, of liever gezegd, een graadje of wat erger. In België waren grote delen van het parate leger – ook van de buitenste verdedigingslinies – met zakelijk of zelfs groot verlof op 9 mei. Bij sommige eenheden – inclusief die in de buitenste verdediging – waren 10-15% van de manschappen niet paraat of zelfs afwezig toen het uur U sloeg. Bij de Fransen was het nog veel ernstiger. Dat zal spoedig duidelijk worden ...

De Belgische buitenverdediging – zo duiden we de vooruitgeschoven stellingen gemakshalve maar even aan – was in minder goede staat dan de Nederlandse equivalenten langs de Maas- en Yssellinies. De Belgen hadden nauwelijks permanente versterkingen aangebracht, behalve bij de bruggen. Wel had men op de diverse locaties forten, deels modern - deels gedateerd van aard en bouw, die de Maas dekten. Bovendien had men in verhouding tot Nederland meer troepen achter de rivier liggen. De achter de Maas gelegen eerste werkelijke weerstandslinie [dekkingsstelling] was zeer matig versterkt. Deze haalde zijn sterkte vooral uit de kanalen en rivieren als barrières en aanzienlijke troepenconcentraties erachter. Bovendien was men net als in Nederland op veel locaties lineair opgesteld.

De buitenverdediging had last van overeenkomstige structurele problemen als in Nederland. Stellingen waren onaf, verbindingen waren schaars en kabels lagen bovengronds. Zoals gezegd, permanente veldversterkingen had men [in tegenstelling tot de Nederlanders] nauwelijks, behalve bij de bruggen. Semipermanente veldversterkingen waren ronduit slecht aangelegd, en meestal ongecamoufleerd. Veel groter nadeel – en dat kende de Nederlandse verdedigers langs de Maas en Yssel niet [elders bepaald wel] – was dat veel gewassen een halve meter hoog voor de vooruitgeschoven stelling lagen en dat deze ondanks vele verzoeken niet gemaaid hadden mogen worden. Schootsvelden waren daarom op veel locaties beroerd.

De alarmstellingen en vooruitgeschoven posities waren slechts gedeeltelijk voor de dekkingsstelling geplaatst als extra vertragende factor voor de tegenstander. Lichte eenheden waren in het noordelijke deel gelegerd, en in het oosten – de Ardennenstreek – waren twee divisies aangewezen voor de vooruitgeschoven taak [1e Divisie Ardense Jagers en 1e Cavaleriedivisie]. In de noordoostelijke hoek ten noorden van Luik ontbrak de ruimte om vooruitgeschoven posities te plaatsen. Daar was de dekkingslstelling in feite direct de eerste weerstand.

De gehele dekkingsstelling – de eerste werkelijke weerstandslinie – had een lengte van circa 200 km, en werd bezet door bijna de helft van het Belgische leger: 250,000 man. Vanuit het noordwesten begon de linie achter het antitank kanaal van Antwerpen, volgde het Albertkanaal, daarna de Maas en eindigde bij Namen. De drie zwaartepunten waren Antwerpen, Luik en Namen. De bezetting was van west naar oost het Ve Legerkorps [17e en 13e Divisie], IVe Legerkorps [12e en 15e Divisie], IIe Legerkorps [9e en 6e Divisie], Cavaleriekorps [14e en 1e Divisie], Ie Legerkorps [4e en 7e Divisie], IIIe Legerkorps [3e en 2e Divisie] en VIIe Legerkorps [2e Divisie Ardense Jagers en 8e Divisie]. De uitersten van de linie – Antwerpen en Namen - behoorden ook tot de hoofdweerstand, genaamd weerstandstelling [KW stelling]. Slechts het centrale deel zou dus in geval van een beslissende vijandelijke penetratie wijken naar de vrij strakke diagonale lijn tussen Antwerpen en Waver die onder de KW-stelling viel.

Grote zorg voor de Belgische opperbevelhebber lag vooral in het noordoosten van België. Hier was in feite sprake van het samenvallen van alarmstelling, vooruitgeschoven stelling en dekkingsstelling. Dat werd veroorzaakt door de ligging van het Albertkanaal vlak aan de grens met Nederlands Limburg. Het betekende dat als daar de linie zou worden doorbroken, het Belgische veldleger in feite niets anders kon dan improviserend, middels terugtrekkende gevechten, verdedigen tot aan de hoofdweerstand in de KW-stelling. Een Duitse doorbraak in het noordoosten zou dus in feite direct het failliet van de vooruitgeschoven- en dekkingsstelling betekenen.

De sector direct ten westen van Maastricht was dus de meest kwetsbare. Daar liep het Albertkanaal vlak langs de Limburgse grens, en mondde uit in het Julianakanaal ten zuiden van Maastricht, en enkele kilometers zuidelijker in de Maas tussen Visé en Luik. Er was op sommige locaties sprake van slechts honderd meter afstand tussen een brug over het Albertkanaal en de rijksgrens met Nederland. Hoewel het Nederlandse grondgebied de buffer vormde – en daarmee gedacht werd dat wel enige tijd gemoeid zou zijn met een Duitse verplaatsing door de bult van Nederlands Limburg – was het de Belgische legerleiding duidelijk dat Nederland in Limburg niet veel meer zou doen dan de bruggen opblazen en een symbolische verdediging organiseren. De handvol Nederlandse bataljons in de regio maakten een hardnekkige verdediging niet mogelijk. Afstemming met de noorderburen ten aanzien van tactisch handelen was er niet geweest. Overigens was de Nederlandse weigering Limburg zwaarder te verdedigen wat de Belgen betreft daarin een belangrijke overweging geweest. De Belgische weigering de Nederlandse Peel-Raamstelling op haar grondgebied te verlengen kan dan ook niet los worden gezien van de Nederlandse besluiten om Limburg slechts symbolisch te verdedigen.

De sector ten westen van Maastricht werd verdedigd door de Belgische 7e divisie, een reserve eenheid van de zogenaamde eerste reserve. Het was een overwegend Nederlandstalige divisie welke uit drie reserveregimenten [de Nederlandstalige 18de Linie en 2e Grenadiers en het Franstalige 2e Carabiniersregiment] bestond uit de sector Brussel. De regimenten werden ondersteund door eenheden antitank geschut, een artillerieregiment, een eskadron wielrijder verkenners en divisietroepen. De divisie had een organieke sterkte van 16,500 man. Het verdedigde de sector tussen de brug bij Lanaken in het noorden en de zuidzijde van het fort Eben Emaël, het zogenaamde ‘Gat van Visé’. De bruggen over het Albertkanaal en de Maas zelf werden echter door andere eenheden verdedigd, waarbij pioniers waren ingedeeld voor de vernielingsoperaties. Het gehele vak was 20 km breed. Volgens de Belgische legerstandaard [een bataljon per 300 meter front] was dit ruim een driemaal te kleine verdedigingsmacht.

In de sector waren zes voorname bruggen te vinden. De noordelijke drie werden verdedigd door de Grenswielrijders ('van Limburg') onder kapitein-commandant (1) Henri Giddelo. De zuidelijke drie door het verband van de fortcommandant majoor Jean Jottrand [Eben Emaël]. Alle bruggen waren voorzien van explosieven.

(1) Het Belgische leger kende (kent) een vierde subalterne rang. Na kapitein en voor de eerste hoofdofficiersrang majoor kwam (komt) de rang van kapitein-commandant. Aangegeven in een rangteken van drie sterren en een smalle balk (gelijkend op de toenmalige Nederlandse kolonelsrangtekens, met de streep aan de andere zijde van de sterren).   

Het Fort Eben-Emaël – dat tussen 1932 en 1935 op de zuidelijke helling van de Sint Pietersberg vlak onder Maastricht aan het Albertkanaal was geconstrueerd – werd internationaal erkend als een modern vestingwerk. Het lag uiterst strategisch en had relatief verreikend geschut. Daardoor kon het fort in een radius van 10 km dominant aan de verdediging meewerken, en binnen een radius van 15 km bijdragen aan storende beschieting van iedere vijand. Het zou daarom in de gehele noordelijke Maassector de bruggen kunnen verdedigen.

Het Fort zelf werd organiek bezet door ruim 1,200 manschappen, vrijwel allemaal artilleristen. Van deze bezetting was echter in de regel ongeveer de helft daadwerkelijk in het Fort, terwijl de andere helft als aflossing rustte buiten het Fort in barakken. Het totale oppervlak van het complex besloeg bijna 75 hectare [750,000 m2] waarvan 65 hectare door het Fort zelf werden ingenomen. De diepste delen van het Fort lagen op 60 meter onder de oppervlakte. Intern was er sprake van zeventien betonnen vertrekken en opstellingen die middels een ingenieus gangenstelsel van circa 5 km totale lengte waren verbonden. Aan de oostzijde was het Fort onbenaderbaar, door de steile betonnen wand die aan het water van het Albertkanaal grensde. De artilleristische sterkte van het Fort was aanzienlijk. Het had één dubbelopstelling van 12 cm kanonnen met een bereik van 17,000 meter, en zestien kanonnen van 7,5 cm met een bereik van ruim 10,000 meter.  Voor de eigen (nabij)verdediging beschikte het complex over twaalf antitank kanonnen van 6 cm, over mitrailleurkazematten en een aantal zoeklichten. Grote omissie was echter de luchtafweer. Slechts een handvol WOI mitrailleurs waren opgesteld. Het dak van het fort was voorzien van de koepels, enkele schijnopstellingen, verdedigingswerken voor nabijverdediging, de toegangen, en bestond verder uit een vlak stuk grond dat weinig obstakels kende. Om het Fort heen waren mijnenvelden gelegd die door de mitrailleurkazematten aan de voet van de berghelling werden gedekt. Aan de lage westzijde van het Fort was bovendien een antitank gracht aangelegd.

Het was niet alles goud wat er blonk. Het Fort kende nogal wat mankementen. Vooreerst was dat de mentaliteit van de bezetting. Er was geen sprake van een keurkorps dat het Fort bezette, maar eerder van een matig geoefend detachement. De Fortcommandant was niet gezien bij de manschappen wat het moreel niet ten goede kwam. Technisch gezien waren er van allerlei onopgeloste kwesties. Verbindingen waren onvoldoende afgewerkt, filters en luchtroosters ontbraken nog en bovenal was het vizier van de zware batterij nog niet geïnstalleerd. De stukken van 7,5 cm waren bovendien problematisch in de bediening en vertoonden onopgeloste storingen. Het Fort was zodoende verre van strijdgereed. Het had een Nederlandse positie kunnen betreffen ...

Het Fort Eben-Emaël was voor de Belgische legerleiding reden aan te nemen dat het noordoosten het enige dagen uit kon houden. Hierdoor zou de KW-stelling volledig kunnen worden bemand door de Belgen en de Entente eenheden. Men rekende daarvoor vijf dagen nodig te hebben, en daarom moest het Albertkanaal het zolang zien vol te houden. Hoewel de Belgische hoop weinig realisme etaleerde, waren ook de Duitsers bij voorbaat onder de indruk van het Fort. Men vreesde de strategische ligging zodanig, dat vanaf het eerste aanvalsplan op het westen voor het Fort een speciaal plaatsje was ingeruimd.

Voor overige details van de Belgische defensie wordt verwezen naar de proloog.

De Duitse plannen

De Duitse hoofdmacht die België zou aanvallen werd gevormd door het 4e en 6e Leger. De eerste viel onder Heeresgruppe A en zou richting Namen optrekken, net ten noorden van het zeer sterke Duitse 12e Leger dat door de Ardennen zou trekken en door de Franse linies tussen Namen en Sedan moest stoten. Het 6e Leger – dat onder de Heeresgruppe B sorteerde – zou tussen Eindhoven en Luik richting België optreden. Achter de beide in front ingezette Legers was het 2e Leger strategische reserve.

Het Duitse aanvalsplan wordt bekend geacht. Kort gezegd kwam het erop neer dat een getemporiseerde aanval op België ten noorden van Namen zou worden ontwikkeld. Het was zaak dat niet te traag zou worden opgerukt omdat anders de Entente teveel tijd kreeg zich anticiperend te ontplooien, en niet te snel omdat de Entente anders zou kunnen worden afgeschrikt het centrale front in België te kiezen. Dat laatste met name zou funest zijn voor de geplande omsingeling van de noordelijke troepen van de Entente.

Menig krijgshistoricus maakt nuancefouten bij de beschouwing van de getemporiseerde Duitse aanval door het centrum. Men stelt vaak dat deze aanval bewust traag werd uitgevoerd. Dat is echter een onjuiste voorstelling van zaken. De Duitsers waren geenszins van plan om dagen te doen over de oostelijke sector van België. Men wilde over een gesloten front en met bewaking van de organisatie spoedig tegenover de Dyle-linie liggen. Dat op zich zou al voldoende tijd kosten wisten de Duitse strategen. Men had echter heel nadrukkelijk de ruimte van oost België nodig om het juiste dispositief te kunnen ontwikkelen en daarom was het voor de logistieke gang van zaken van essentieel belang dat de dekkingsstelling van de Belgen zo spoedig mogelijk doorbroken zou worden. Zodoende kon men dan het volledig dispositief van twee legers ontplooien in het noorden en oosten van België. De voortgang daarna zou getemporiseerd worden aan de hand van de vorderingen van het 12e Leger en dan meer in bijzonder de Panzergruppe Kleist. Pas als een doorbraak tussen Dinant en Sedan was bewerkstelligd en de uitbraak richting Calais was ingezet, zou het tempo in het centrale front weer worden opgevoerd.

De Duitsers hadden echter daarbij een groot deel van de offensieve Luftwaffe gereserveerd voor het Belgische front. Met name de tactische eenheden zouden moeten afrekenen met de Franse en Britse pantsers en de logistiek van de Entente volledig op zijn kop zetten. Bovendien werd een belangrijk deel van de Luftwaffe geconcentreerd om directe tactische steun te geven bij de slag om de (Belgische) Maas en Albertkanaal. Ook die belangrijke verzwakking van Luftwaffe inzet elders [die pas op 12 mei zou worden verminderd] toont eens te meer aan dat van temporiseren geen enkele sprake was.

Ten aanzien van het voor Nederland zo belangrijke noordoosten van België was het Duitse plan zelfs zeer gedurfd en vooruitstrevend. Juist de Duitse aanval in het noordoosten van België diende een belangrijke acceleratie te krijgen door de verrassende inname van de Albertkanaalstelling westelijk van Maastricht. Want in die sector (1) dienden zich twee grote pantserdivisies te kunnen ontwikkelen en die hadden daartoe ruimte en wegen nodig. En die wegen waren gekoppeld aan bruggen. De Duitsers waren zich zeer bewust van de Achilleshiel van de Belgische buitendefensie tussen Luik en Maastricht. In de wetenschap dat Nederland niet veel tegenstand kon en wilde bieden in Limburg, was het zaak om de Belgische defensie bij het direct westelijk van de Nederlandse grens gelegen Albertkanaal te verrassen.

(1) De beide tankdivisies wilde men via het noordwesten in positie brengen tegenover de Dyle. De Duitsers waren bevreesd voor de verdediging rond Luik en zochten daarom naar een noordelijke route.

Er werd besloten een commando actie te ontwerpen waarbij men bovenop de doelen zou landen op het moment dat de Duitse aanval op het westen zou worden ingezet. Daarmee zou men in elk geval de verrassing bereiken van een aanval voordat de Belgen zich in oorlog achtten. Die commando's zouden dan spoedig door reguliere legereenheden worden ontzet.

Al in de herfst van 1939 was door Generalleutnantl Kurt Student een speciale groep onder Hauptmann [later Major] Koch samengesteld uit de oorspronkelijke I/FJR1. Deze eenheid kreeg spoedig [november 1939] de taak om de overval op de bruggen bij Kanne, Vroenhoven en Veldwezelt en het Fort Eben Emaël voor te bereiden. Deze doelen krijgen de respectievelijke codenamen Stahl, Eisen, Beton en Granit. De totale aanvalsgroep – die bestond uit circa 440 man gevechtstroepen en genisten – zou met behulp van zweefvliegtuigen bij de doelen landden. Deze toestellen [DFS-230] konden elk acht of negen manschappen vervoeren met hun wapens en springladingen. Er werden er 43 ingezet. Bij het Fort zelf zouden 87 man Sturmpioniere landen, bovenop het dak. Die eenheid kreeg de beschikking over vlammenwerpers en explosieven die waren gevormd in holle ladingen. Deze konden enorme pantsering doen open splijten, en daarmee zou men de weerstandspunten op het Fort van bovenaf kunnen uitschakelen. Enkele groepen zouden wel worden geparachuteerd. Het Luftwaffe contingent van 43 zweefvliegtuigen, 49 Ju-52 transport en 3 He-111 voor bevoorrading was ondergebracht in de KGrzbV5, ondersteund door een Staffel van KGzbV.172. Daarnaast was StG.77 [Geschwader met Ju-87's] gereserveerd voor de directe luchtsteun, waarvoor het uitgebreid oefende. Een groot contingent jagers diende het lokale luchtoverwicht te bewaken om Geallieerde acties tegen de gelande troepen en veroverde bruggen te voorkomen. De Ju-52 zouden bovendien na het afzetten van de eerste golf worden ingezet om even westelijker enkele honderden poppen af te werpen die mogelijke Belgische versterkingen zouden moeten afleiden.

De kwetsbaarheid van de lichte troepen die zouden landen werd ook direct erkend. Daarom werden speciale eenheden van de 4e Panzerdivision, Pionierbattalion 51 en IR.151 ingezet om te zorgen voor een snelle aansluiting met de troepen aan het Albertkanaal.

Het zouden dus de Belgische eenheden bij de bruggen, in het Fort en achter deze sector van het Albertkanaal worden die een verrassende Duitse overval zouden beleven en het behoud van de dekkingsstelling in handen zouden hebben.

10 mei – Uur U aan het Albertkanaal

Het gronddeel van de operatie – dat door de Abwehr eenheid Battalion zum besondere Verwendung 100 moest geschieden – mislukte geheel. Deze eenheid had de Nederlandse bruggen over de Maas bij verrassing moeten nemen. Het bataljon was samengesteld uit Sturmpioniere, een eenheid gemechaniseerde antitankgeschut [Pz I met 4,7 cm PAK], een eenheid FLAK [gemischte FLAK batallion Aldinger], wielrijders en motorrijders.

Een deel van het bataljon was, heimelijk verkleed als Nederlandse militairen, al ruim voor 0355 uur de grens met Nederland overgestoken met als doel de bruggen bij Maastricht en Maaseik verraderlijk te overvallen. Andere groepjes waren zelfs in huizen in Maastricht ondergebracht. Al hun acties mislukten. De Nederlandse bezetting van Maastricht was op tijd alert en blies de bruggen tijdig op. Een lelijke tegenvaller voor met name de 4e Panzerdivision die deze bruggen als prominente oversteekplaats nodig had.

Brug bij Vroenhoven

Bij Roosteren en Maaseik leek het de mannen van Btl.zbV.100 beter te vergaan, maar de aanleunende Belgische verdedigers van de bruggen waren tijdig in staat de bruggen te doen springen. De gehele ‘Handstreich’ tegen de cruciale bruggen rond Maastricht mislukte volledig.

De Belgische eenheden langs het Albertkanaal waren in parate staat vanaf middernacht, hoewel deze paraatheid pas heel geleidelijk tot een werkelijke alert van de eenheden in het veld doorwerkte, zodat pas vlak voor de daadwerkelijke Duitse verschijning van werkelijke paraatheid kon worden gesproken. Daarbij kwam dat van het bataljon Wielrijders er vier van de zes compagnieën op oefening waren bij Leopoldsburg, zo'n 40 km noordwest van Vroenhoven. Ondanks de paraatheid werd men rond 0350 uur Nederlandse tijd verrast toen de zweefvliegtuigen bij de bruggen landden en de Duitse duikbommenwerpers op zoek naar plaatselijke prooi opeens neerdoken. Men bedenke daarbij dat de Duitsers rond Eben-Emael vlak voor het officiële aanvalstijdstip aanvielen en de zweefvliegtuigen geen enkel geluid maakten. Een andere kwestie dan de Nederlandse linies waar de onweerlegbare geluiden van oorlog een ieder wel de eerste verrassing ontnamen.

Bij Vroenhoven landden 11 zweefvliegtuigen die circa 100 man afzetten. De Belgische bezetting raakte geheel in paniek op enkele koele geesten na. Het bombardement door de Ju-87 Stuka's op de barakken van de Wielrijders - zo'n 7 km van de brug nabij Lanaken - doodde niet alleen twintig manschappen, maar ook de kapitein-commandant Giddelo. Desondanks slaagde een sergeant erin de lont van de bruglading aan te steken, maar de eerst aangekomen Duitsers wisten deze spoedig te doven. De brug viel intact in hun handen. De alom aanwezige Belgische infanteristen van het Linie regiment werden lokaal in de pan gehakt. Binnen no-time hadden de handvol Duitsers de brug veilig gesteld en na korte tijd landde [per parachute] enige versterking. De Duitsers hadden een waar huzarenstukje geleverd, waarbij uiteindelijk 150 Belgen sneuvelden tegen slechts een handvol para’s. Tegen het middaguur werden de mannen van Koch vervangen door de infanteristen van 111.IR die via Maastricht de Maas overstaken.

De brug bij Veldwezelt ontving 90 manschappen die ook hier binnen enkele minuten de vernieling van de burg voorkwamen en de bezetting vrijwel volledig uitschakelden. De bijgelegen steunpunten van de Karabiniers werden vernietigend onder de voet gelopen waarbij circa 30 van de 90 verdedigers sneuvelden. Een latere tegenaanval door vier Belgische tanks [T-13] werd door reeds aangevoerd PAK geschut met vernietigend vuur afgeslagen. In de vroege namiddag volgde versterking door sterke grondtroepen. Ongeveer 110 Belgen waren gesneuveld. Slechts 8 para’s kwamen om.

De lading onder de brug bij Kanne werd door een zeer alerte commandant direct bij waarneming van de Duitse zweefvliegtuigen tot ontploffing gebracht. De landing van tien toestellen mislukte bovendien grotendeels en gevolg was dat de Duitsers aanzienlijke verliezen leden en in het defensief werden gedrukt. Desondanks wisten zij zich te handhaven. De Belgen leden ook hier een ongehoord zwaar verlies, 215 doden. Dat hoge verliescijfer kwam vooral tijdens tegenstoten tot stand. De Duitse landingsgroep telde 22 gesneuvelden.

Op het Fort zelf landden negen zweefvliegtuigen. Twee stuks waren vertraagd door kabelbreuk. Een enkele landing verliep ruw en hier en daar sloeg mitrailleurvuur in. Dit leidde tot de uitschakeling van tien man [w.o. twee doden]. Slechts 61 man waren in staat hun taken op te pakken, terwijl de Duitse commandant [Oberleutnant Witzig]  in een van de twee vertraagde toestellen had gezeten en dus ontbrak. Zij hadden te maken met circa 750 verdedigers in het Fort en nog enkele honderden erbuiten. Binnen een kwartier slaagden zij er echter in vrijwel alle aangewezen doelen uit te schakelen met hun holle ladingen. De bezetting zat opgesloten in het fort en kon niets meer uitrichten. De Duitsers waren binnen een half uur volledig de baas op het dak van Eben-Emaël. Na de vertraagde aankomst van de zweefvlieger met Oberleutnant Witzig [rond 0730 uur] werden ook de laatste Belgische bolwerken opgeblazen en was het fort als verdedigingspunt volkomen uitgeschakeld. De 750 man zaten binnenin opgesloten.

LeO 451

De bruggen bij Ternaaien en Klein-Ternaaien waren nog wel opgeblazen, maar voor het overige was de overval boven (Duitse) verwachting goed geslaagd. Twee voorname bruggen over het Albertkanaal waren ferm in handen en binnen enkele uren waren de bruggenhoofden aldaar aanzienlijk verdiept en verbreed. Het fort was goeddeels tot zwijgen gebracht en Belgische tegenmaatregelen waren vruchteloos en ongeorganiseerd. Slechts artillerievuur op het fort, vanuit de nevenforten bij Luik, verstoorde de Duitse rust. De overblijvende Belgische weerstand zou later gebroken kunnen worden als sterke grondeenheden zouden arriveren.

De Belgen, Fransen en Britten waren spoedig op de hoogte van de verrassing bij het Albertkanaal. Zij schrokken zich wezenloos van deze catastrofe, die de gehele strategie in de war dreigde te schoppen. De Belgische 7de Divisie kreeg opdracht de Duitse bruggenhoofden af te grendelen om die met tegenaanvallen te hernemen. Ondertussen zou men met luchtaanvallen trachten de bruggen te vernietigen. Franse LeO-451's, Britse en Belgische Fairley Battles en RAF Blenheims werden erop afgestuurd. Met die luchtaanvallen hadden de Duitsers uiteraard rekening gehouden. Niet alleen waren er diverse FLAK eenheden in de voorste lijn mee opgetrokken, maar de Luftwaffe hield als een 'kloek' de wacht boven de nieuw verworven ‘kinderen’. Met rampzalige gevolgen voor de aanvallende vliegtuigen werden alle Belgische, Franse en Britse luchtaanvallen afgeslagen. Vrijwel alle Geallieerde toestellen werden neergeschoten.

10 mei – Uur U elders

Elders langs de grens werden grenswachten en vooruitgeschoven posten overal moeiteloos aan de kant geschoven. De Duitse machine denderde vrijwel zonder hinder voorwaarts. Het was spoedig duidelijk aan Geallieerde zijde dat op de eerste oorlogsdag de dekkingsstelling al aan een zijden draadje hing.

De verdediging van de Ardennen was vooroorlogs al een strijdpunt geweest tussen de Belgische en Franse opperbevelhebbers. De Belgen wilden slechts twee divisies in de Belgische Ardennen plaatsen, terwijl de Fransen vonden dat de verdediging aldaar zwaarder moest worden aangezet. De Belgen wierpen tegen dat zij daarvoor de strijdkrachten ontbeerden, omdat zij al zo’n zware taak in de voorverdediging hadden. Hierop besloot de Franse opperbevelhebber Gamelin dat zijn 2e en 9e Leger [oorlogsbestemming tussen Namen en Montmedy] vier lichte cavalerie eenheden het gebied zouden insturen zodra een aanval van Duitse kant aan de orde zou zijn. Deze eenheden zouden enkele kilometers achter de beide Belgische divisies een provisorische linie houden die de opnametijd van vijf dagen van de KW-linie zou moeten garanderen.

Ook deze plannen lekten uit, niet in de laatste plaats door de allang gekraakte Franse legercodes. Duitse informatiediensten konden uit berichten exact de Franse plannen opmaken. Drie Duitse legers [15e, 41e en 19e AK] moesten direct voorwaarts stoten om de Franse ontplooiing voor de Dyle te voorkomen. Bovendien zou een speciale eenheid, van twee compagnieën sterk, in de rug van de Ardense Jagers worden afgezet met Fieseler Storch vliegtuigen. Deze eenheid was gevormd door een landmacht eliteregiment: Regiment Grossdeutschland. Dit was waarlijk een elitaire eenheid omdat de manschappen uit geheel Duitsland werden gerekruteerd uit bewezen goede militairen. Het was bovendien een geheel gemotoriseerd regiment. Het grootste deel was ingedeeld onder 10.PD [12e Leger], maar het 3e Bataljon was speciaal geoefend voor de luchtlanding in de rug van de Belgische troepen.

Op 10 mei in de morgen rukten drie Duitse pantserdivisies min of meer naast elkaar op. 1.PD, 2.PD en 10.PD vergezeld van het gemotoriseerde Grossdeutschland. Zij raakten diverse malen in strijd met eenheden van de Ardense Jagers die zich verbeten tegen de gepantserde overmacht verzetten. De Belgen moesten telkens gefaseerd terugtrekken onder de druk van tanks, artillerie en Luftwaffe. De Duitse luchtlanding mislukte volledig. De vliegtuigjes kwamen ver verspreid terecht en van enige verbonden offensieve actie door de gelande militairen kon geen sprake zijn.

Ook de 5.PD en 7.PD zetten zich direct in beweging toen de eerste schoten vielen. Spoedig nam de kleine en vooral met Tsjechische pantsers uitgeruste 7.PD – onder Erwin Rommel – het voortouw en brak telkens met veel geweld door de moedige weerstand van voornamelijk Ardense Jagers. In de late avond was de divisie zo ver doorgedenderd dat het halt moest houden omdat het verband met het aanleunende 5.PD verloren was gegaan.

1.PD versus Ardense Jagers

Niet minder dan vijf Duitse pantserdivisies en ondersteunende eenheden werden door slechts twee lichte Belgische divisies bestreden. Hoewel de Belgen moedig en doortastend optraden was er evident geen houden aan. Slechts hier en daar slaagden lichte Franse eenheden erin tijdig te hulp te komen. Vrijwel overal echter waren deze veel te laat of kwamen helemaal niet opdagen. De reden daarvoor wordt later duidelijk. Uiteindelijk trokken de Belgen terug tussen de rivier Ourthe en Hoyoux. Westelijk van het inmiddels door de Duitsers omtrokken Arlon werd een nieuwe Frans-Belgische weerstand gevormd. De Duitsers hadden een enorme progressie gemaakt.

In Luxemburg was de situatie niet anders. Het land zelf bezat geen leger. Franse mobiele eenheden zouden daarom onmiddellijk na een optredende ‘casus belli’ cruciale wegen en steden in Luxemburg bezetten om te voorkomen dat de Duitsers zomaar door Luxemburg trekkend voor de Maginotlinie zouden komen staan, of noordelijk richting Sedan konden trekken. Twee snelle gemechaniseerde eenheden kregen de taak toegewezen: 3e DLC [lichte cavalerie divisie] en 1e BS [cavalerie brigade]. Deze eenheden beschikten over motorhuzaren en mobiele machinegeweerpelotons.

De Duitsers hadden wederom in gezien dat de Fransen het plan zouden hebben om hen, in het lastig te doortrekken Luxemburg, de pas af te snijden. Het 16e Leger had daarvoor aan het OKH de steun van parachutisten gevraagd om cruciale kruispunten te kunnen innemen die de Fransen de pas zouden afsnijden. Daarop was negatief geantwoord, omdat alle parachutisten in Nederland en België nodig waren. Zodoende werd een alternatief en wellicht nog stoutmoediger plan doorgezet. Een compagnie infanteristen [van 34.ID] zou worden afgezet met licht vliegtuigen [Fieseler Storch]. Zij zouden vijf cruciale kruispunten bezetten, en uitgerust worden met mortieren, pantserbuksen en mitrailleurs. Een infanterieregiment van 34.ID [117.IR] zou naar voren worden gesneld om binnen enkele uren Luxemburg stad in te nemen. De rest van het 23.AK zou spoedig volgen. Zij hadden immers de taak het 12e Leger in de linkerflank te beschermen.

Op 10 mei tegen 0500 landden de eerste van de Duitse toestellen op de Luxemburgse wegen. En in twee opvolgende vluchten werd de rest aangevlogen. In totaal werden vijf punten met 25-30 man bezet. Men wierp versperringen op en nam stelling met de wapens op strategische punten. De veel later naderende Franse speerpunten werden overal afgewezen. Op enkele plaatsen bleef er vuurcontact bestaan, maar in de loop van de dag drongen de voorste eenheden van 23.AK op en weken de Fransen.

De Belgische luchtmacht – toch al bijzonder zwak van kwaliteit met slechts een handvol moderne toestellen – was na de eerste dag een rokende puinhoop. Vrijwel alle moderne toestellen waren binnen enkele uren op de grond vernietigd, en een handvol quasimoderne FIAT jachttoestellen en enkele Fairey Battles lichte bommenwerpers waren al wat resteerde aan slagkracht. De Belgen hadden zich ook wat dat betreft volkomen laten overrompelen.

De Fransen

De Franse bevelstructuur was even inefficiënt als de antagonistische samenwerking tussen de drie hoofdrolspelers groot was. Général Maurice Gamelin [1872] was de bejaarde opperbevelhebber van het Franse Leger. Général Alphonse Georges [1875] – eveneens een man op hoge leeftijd – was de bevelhebber van de voornaamste Franse legermacht – het noordelijke leger. Général Aimé Doumenc [1880] was de chef-staf van de landmacht en dus de operationeel bevelhebber. Alleen Doumenc – aangesteld door Gamelin – en de opperbevelhebber konden met elkaar goed werken. Général Georges mochten zij beiden niet, en dat was wederzijds.

De drie heren bevelhebbers zaten op drie verschillende locaties. Gamelin had zijn Grand Quartier Général [GQG, het algemeen hoofdkwartier] in Parijs [Chateau de Vincennes], Georges koos kwartier in Ferté sous Jouarre – ruim zestig kilometer van Parijs en de chef-staf Doumenc zat tussen beide in, in een kasteel bij Montry. Pikant detail was dat de chef-staf landmacht geen rechtstreekse verbinding met de bevelhebber van de noordelijke legermacht had en alleen direct met Gamelin verbonden was. Een bizarre zaak.

Om het geheel nog verder te karikaturiseren was het bureau van Gamelin verstoken van enige rechtstreekse radioverbinding met de andere hoofdkwartieren. De man geloofde heilig in postduiven en had weinig op met ‘moderniteiten’ als telefoon, radiotelegrafie en telex. In zijn memoires schreef Charles de Gaulle dat hij bij een bezoek aan Gamelin, halverwege mei 1940, getroffen werd door diens hoofdkwartier. Hij waande zich op bezoek in het laboratorium van een verstokte wetenschapper in plaats van bij de opperbevelhebber.

Het hoofdkwartier van de Franse luchtmacht zat op vijftig kilometer afstand van Vincennes, in Saint Jean les Deux Jumeaux. Al met al leverde deze authentieke desorganisatie bij voorbaat operationele problemen op. Het zou spoedig blijken dat een volmaakt onwerkbare situatie was gecreëerd.

De alom verspreide inlichtingenberichten dat oorlog – in de avond van 9 mei 1940 – werkelijk aanstaande was, werd niet zonder meer overal goed verwerkt. In Nederland en België kreeg men op 9 mei via diverse geijkte inlichtingenkanalen door dat het de volgende dag menens zou worden. Dat was in beide landen niet direct aanleiding onmiddellijk geloof te hechten aan die berichten, omdat ze van identieke kanalen kwamen die inmiddels vele malen de Duitse inval hadden aangekondigd zonder dat er werkelijk wat was gebeurd. Maar op 9 mei kwamen ook vanuit andere richtingen [o.a. het Vaticaan] de geluiden van oorlog, letterlijk en figuurlijk, op de staven door. Niet in de laatste plaats van civilisten en militaire posten aan de grenzen. Men zette dat om in een bevel voor hoogste paraatheid in de buitenverdediging.

Bij de Franse staf werden veel van deze berichten ook bezorgd, met name ook door contacten met de Belgen. In Frankrijk werd er echter nog steeds gereserveerd gereageerd op de alarmerende berichten. Gamelin weigerde om zijn leger in de hoogste staat van paraatheid te brengen. Hij achtte de hem aangereikte berichten nog onvoldoende overtuigend.

Het leidde tot een ongekende laksheid in de gehele Franse bevelsketen, waarbij vergelijkingen met de reactie van Hitler en zijn staf op 6 juni 1944 na de Geallieerde landing in Normandië niet misstaan.

De Fransen verhoogden de paraatheid gedurende de avond van 9 mei en opvolgende nacht in twee stappen naar ernstig. De Franse opperbevelhebber Gamelin [1872-1958] – een man op leeftijd – bleef echter gedurende de gehele nacht in bed liggen, en pas toen de Duitse invasie al meer dan een uur in volle gang was [0500 uur Nederlandse tijd] werd ook aan Franse zijde de ernst van de zaak ingezien en werd algemeen alarm afgekondigd. Om 0510 uur ontving de Franse 1ste Legergroep [1e, 2e, 7e en 9e Leger] het algemeen alarmbericht pas. De Franse slag sloeg helemaal toe richting de Britse bondgenoten. Die kregen nota bene om 0515 uur alle voorgaande graduele verhogingen van de paraatheid ineens op hun telex! Daarmee moest het voltallige BEF dus ineens vanuit relatieve rust in volledige paraatheid komen. Als klap of de vuurpijl kwam de Franse opperbevelhebber zelf pas om 0530 uur gekleed zijn werkkamer in, en gaf hij op dat moment pas de opdracht om België en Luxemburg binnen te trekken.

Nodeloos te melden dat om 0400 uur de Franse en Britse eenheden verre van gereed stonden voor de directe afmars naar de oorlogsbestemmingen in België en Nederland. Pas rond 0600 uur waren de eerste Franse voorhoedes – louter snelle verkennings- en verbindingstroepen – de Frans-Belgische grens over. In Luxemburg zou dezelfde vertraging ertoe leiden dat de Duitsers de Fransen te snel af waren. Een tijdige ontplooiing van de snelle Franse eenheden in het front van de Dyle stelling in de sector van de Belgische Ardennen was niet meer haalbaar.

De vertragende effecten van de merkwaardige handelingen aan het Franse hoofdkwartier waren vanzelfsprekend goed voor een vertraging van tenminste een halve dag. Hadden de Fransen – net als de Nederlanders en de Belgen – de eenheden al in de avond van 9 mei in de hoogste (vredes)staat van gereedheid gebracht, dan hadden de onderdelen zich om 0400 uur in de morgen van 10 mei in beweging kunnen zetten en tenminste op kunnen trekken tot aan de Belgische grens. Men was daar echter alles behalve klaar voor, zelfs ondanks de inmiddels afgekondigde alarmen. Want de terughoudendheid te komen tot een hogere staat van gereedheid leverde ook op dat veel mobiele eenheden hun wagenparken nog moesten verzamelen. Een handeling die in de hoogste graad van gereedheid al zou zijn geschied. Nu gebeurde dat pas vanaf 0530 uur. En met welke resultaten?

De mobiele lichte eenheden die voor de Dyle linie zouden worden ingezet voor de vertraging van de Duitse opmars, trokken pas rond 1300 uur over de Belgische grens. Opvallend genoeg waren de voorste eenheden van het 2e Leger en het 9e Leger sneller. Hiervan trokken de eerste verbanden om 0815 uur over de grens. De eenheden van het 3e Leger die Luxemburg moesten bezetten waren zelfs al om 730 uur vertrokken. De Duitsers waren toen echter al op diverse kruispunten in het Groothertogdom geland met hun eerste golf. De eerste delen van de hoofdmacht van het 7e Leger – voor Nederland zo belangrijk – waren ook pas in de middag tot de opmars gekomen. De 1e DLM [gemechaniseerde lichte divisie] was – zonder haar tanks – aan het einde van de ochtend al wel vooruit gegaan. De tanks zouden per trein worden nagezonden [en te Oostmalle, bij Turnhout, uitgeladen worden].

status Legergroep B op 10-11 mei 1940

De Fransen hadden nog een logistiek kunstje in petto. Op het Franse hoofdkwartier had men gemeend dat de Luftwaffe zo sterk was, dat infanterie te voet alleen ’s nachts zou marcheren. Treinen durfde men nauwelijks te gebruiken uit angst dat die door de Luftwaffe zouden worden uitgeschakeld. Het betekende voor het 2e en 9e Leger, die vrijwel geheel te voet waren, dat zij vijf tot zes dagen nodig zouden hebben om in hun posities aan de Dyle te komen. Een bizar contrast als men in ogenschouw neemt dat General Lord John Gort het BEF wel rond de klok liet opmarcheren en dat de Britten daarom al op de derde oorlogsdag hun voorste posities aan de Dyle hadden ingenomen!

Maar het was nog niet alles. Ook de Belgen hadden de merkwaardige kronkel in de bovenpan gehad om grenseenheden massaal versperringen en vernielingen te laten plegen aan hun zuidgrens. Was dit in Nederland vanuit het Nederlandse perspectief al zeer discutabel, vanuit Belgisch perspectief was het volmaakt krankzinnig! De Belgen hadden immers – in weerwil van de absolute neutraliteit – hun landsdefensie deels gebaseerd op Franse en Britse ondersteuning! Een aanzienlijk deel van de KW-stelling alsmede het verlengstuk naar het zuiden, was volmaakt ontbloot van Belgische troepen. Daar zouden de Fransen en Britten immers hun eenheden heen dirigeren. En tijd was een cruciale factor na een Duitse invasie. Welke een gedachte had dan het Belgische opperbevel besmet dat juist de zuidelijke grenzen met versperringen en vernielingen zouden worden geblokkeerd? Het is alleen maar gissen … Fortuinlijk genoeg voor alle partijen had menig Belgische grenspost de taak niet overtuigend opgepakt, maar desondanks werden vele Franse eenheden aanmerkelijk opgehouden in de eerste uren.

De Franse luchtmacht, die net als de Belgische en Nederlandse luchtmachten een vroeg bezoek kreeg van de Luftwaffe, was de dans der vernietiging voor een belangrijk deel ontsprongen. Daarvoor waren enkele belangrijke redenen. Ten eerste hadden de Franse grote vliegvelden en daarop werden de vliegtuigen wijd verspreid en goed gecamoufleerd opgesteld. Daarbij hadden veel vliegtuigen geen vooruitgeschoven bases gekregen (wat de Luftwaffe wél verwacht had). De Britten hadden bovendien diverse bases overgenomen om hun relatief grote BAFF vloot te kunnen plaatsen. Aangezien de Luftwaffe slechts zo'n 1,000 aanvalsvliegtuigen had en deze vele voorname missies moesten vliegen in de eerste uren, waren er nauwelijks toestellen over die meer strategische missies dieper in het vijandelijk gebied konden uitvoeren. Zo werden alle vliegvelden rondom Parijs met rust gelaten. Het betekende dat de Franse verliezen relatief licht waren tijdens de 'first strike' van de Luftwaffe. Het waren echter spoedig de Britse jachtvliegers die de voornaamste tegenstander voor de Luftwaffe bleken. De Fransen bleven zeer terughoudend met hun luchtmacht inzet.

Slotbalans

Ondanks alle waarschuwingen voor het aanstaande Duitse offensief, waren België en Frankrijk alsnog ten dele verrast door de brutaliteit van de aanval. De conservatieve kijk op de oorlog in beide landen was bikkelhard gelogenstraft. De noordelijke Franse luchtmacht had op de grond voorkombare verliezen geleden, de Belgische luchtmacht was virtueel uitgeschakeld. De verrassingsaanval bij Eben Emaël had onmiddellijk een groot deel van het Belgische dispositief in gevaar gebracht en de voorhoedes in de Ardennen waren bikkelhard opzij geschoven door een Duitse pantserspits.

De Fransen waren maar traag wakker geworden en verloren in feite bijna een volle dag door pas ruim na het Duitse aanvalsuur de troepen in paraatheid te brengen. Doordat niet de nacht ervoor reeds de hoogste staat van paraatheid was afgekondigd moest de logistieke trein nog geheel worden gemobiliseerd. Het kostte de Fransen veel tijd om de achterstand in te halen, wat betekende dat de Belgische vooruitgeschoven eenheden alle klappen aan het centrale front moesten opvangen. 

Het front in België stond al na een dag strijd op wankelen. De essentie van het vormen van de formaties volgens het Dyle-Breda plan was dat de dekkingsstelling achter het Albertkanaal en de Maas minstens vier tot vijf dagen kon worden verdedigd. Die positie stond echter vanwege de Duitse penetratie bij Eben Emaël direct onder druk. Zouden de Duitsers erin slagen hier de penetratie te vergroten en daarmee de kordonstelling failleren, dan zou het Belgische leger reeds op de tweede oorlogsdag terug moeten op de KW-stelling. Dat zou het Dyle-Breda plan vrijwel zeker direct tot de oorspronkelijke povere Dyle basis devalueren. Het zou immers ondenkbaar zijn dat terwijl de Franse en Britse hoofdmacht nog in opmars waren naar de hoofdweerstand aan de rivier de Dyle, de kop van het Franse 7e Leger kwetsbaar boven het wankele dispositief in het centrum zou uitsteken. De volgende dag zou beslissend worden voor de haalbaarheid van Dyle-Breda. Als de zaak in de sector van de Belgische 7e Divisie niet kon worden gered, was Dyle-Breda van de baan en zou het 7e Leger tegenorders ontvangen.

In Nederland was men zich dit alles totaal niet bewust. Generaal Winkelman had in de ochtend van 10 mei een relatief lang telefoongesprek gevoerd met Général Gamelin, en deze had hem geïnformeerd dat het Franse plan Dyle-Breda de leidende strategie was geworden. Dat betekende dat een aanzienlijk deel van het op papier sterke 7e Leger in west Brabant zou verschijnen. Gamelin verzekerde Winkelman dat het Franse 7e Leger bij Moerdijk aansluiting zou zoeken met de Nederlandse troepen. Ook zou contact worden gemaakt met de Peeldivisie. Bovendien zou de Franse Brigadier Mittelhauser [brigade-generaal] naar het AHK worden gestuurd als liaison. Berichten die voor Winkelman vermoedelijk als muziek in de oren klonken.

Op het AHK in Den Haag was ook in de loop van de dag van radioberichten bekend dat aan het Albertkanaal en op het Fort Eben-Emaël zwaar gevochten werd. Of men de ernst van die kwestie ten volle tot zich kon laten doordringen, is zeer de vraag. Er is geen enkele aanleiding te denken dat op het AHK ook maar één persoon overwoog dat het plan Dyle-Breda spoedig ‘gedevalueerd’ zou kunnen worden naar de [voor Nederland] povere Dyle basis. Of men over voldoende informatie beschikte en daarmee het strategische gogme überhaupt had om de analyse van de Geallieerde strategie te koppelen aan de beide Franse strategische varianten valt zelfs zeer te betwijfelen. Men had al moeite genoeg de eigen situatie te kunnen overzien. 

[De bronnen vindt u hier