Vak Wieldrecht - 1e fase

Vak Wieldrecht Midden en Oost

Hieronder volgt de bespreking van Vak Wieldrecht Midden en Oost, ofwel de militaire bezetting van het gehele Eiland van Dordt zonder het bruggenhoofd bij Willemsdorp en zonder het kantonnement Dordrecht. De landing van 3/FJR1 komt niet aan de orde in deze sectie. Daarvoor wordt verwezen naar het Kantonnement Dordrecht.

[1, 100a] Het vak Wieldrecht als geheel werd gecommandeerd door de C.I-28RI, de reserve majoor C.W.E. van Hoek. De majoor had zijn commandopost in Amstelwijk, bij de villa Amstelwijck. Zijn cp was direct verbonden met de Groep Kil in Puttershoek middels een PTT kabel en een zinker. De verbindingen tussen beide bevelcentra waren daarom voor Nederlandse begrippen excellent te noemen.

Amstelwijck

De majoor had rechtstreeks bevel over twee compagnieën infanterie [2e en 3e compagnie van I-28RI], twee secties MC met ieder twee Vickers machinegeweren, en een sectie mortieren van 28 cie Mr, met twee stuks mortieren van 8. De staf en bijbehorende ondersteuning bestond uit 82 man [192]. Onder rechtstreeks bevel van majoor van Hoek stonden zodoende een kleine 500 man.

Formeel stond echter het vak Wieldrecht-West – ofwel bruggenhoofd Willemsdorp – ook onder zijn bevelen. Deze eenheid werd echter in de praktijk meestal autonoom aangestuurd vanuit Puttershoek, de staf Groep Kil.[1, 100a, 192]

Daarnaast was 14.C.Pn ook in het vak Wieldrecht aanwezig. Deze pioniers hadden echter taken in de stellingvoorbereiding van heel groep Kil en vielen dan ook rechtstreeks onder Puttershoek, en niet onder bevel van C.I-28RI. Deze eenheid wordt vanwege haar legeringslocatie onder het Kantonnement Dordrecht behandeld. 

Artillerie

[geheel: 1, 140, 141, 146, 192] Deze twee artillerieverbanden aanwezig. Deze vielen onder het commando van de Groep Artillerie Commandant [Gr.AC, luitenant-kolonel T. Ziedses des Plantes], die op het Eiland van Dordrecht vertegenwoordigd werd door de Artillerie Groep Prinsenheuvel [AGP], waar de majoor W.C. Th. Haarman het bevel over voerde. De majoor was ingekwartierd in Dubbeldam, ver weg van zijn cp te villa Amstelwijck.

Deze artilleriestaf was gevestigd bij de cp van de majoor van Hoek in Amstelwijk. Onder bevelen had men III-14RA [met twaalf stukken 12-lang-staal] en I-17RA [met acht stukken 7-veld]. De beide afdelingen bestonden uit maar liefst (ca.) 600 man in totaal. De kleine staf werd gevormd door de voornoemde majoor Haarman, de reserve 1e luitenant J.F. Schouten [adjudant, III-14RA], reserve 1e luitenant C.J. van Oort [vermoedelijk van I-17RA], en de wachtmeesters Makkink [I-17RA] en Krebber [III-14RA], aangevuld met enkele manschappen.

III-14RA [C. reserve kapitein J. Mulder] had drie batterijen, die stonden opgesteld langs de Zeedijk [vooruitgeschoven stelling]. De rechterbatterij [C. reserve kapitein W.J. Dethmers] stond aan de Blinde Weg, de middelste batterij [C. reserve kapitein J. Barkmeijer] stond ten zuidwesten van de kruising Schenkeldijk – Oude Veerweg – Zeedijk, en de linker batterij [C. reserve kapitein H. Sasburg] west van de Schenkeldijk. De batterijen waren in de week voor de Duitse inval verplaatst vanuit de normaalstelling aan de Zuidendijk. Er waren een normaal-, reserve- en een vooruitgeschoven stelling voorbereid. Op 10 mei stond men dus in de vooruitgeschoven stelling. Deze opstelling was in een open weiland [koolzaad]. De geschutsopstellingen zelf waren slechts voorzien van rembeddingen en aarden wallen tegen scherfwerking. Camouflage was slechts provisorisch mogelijk gezien de opstelling in het open veld.

De cp III-14RA was nog steeds gelegen aan de Zuidendijk, vlakbij de kruising met de Schenkeldijk. De kwartieren der manschappen lagen daar ten noordoosten van, bij de Oudendijk en de Dubbeldamse weg, ofwel ver weg van de vuurmonden zelf.

III-14RA had een hoofdschootsrichting richting Moerdijkbruggen zuidfront. Ze kon echter het gehele linker vakdeel [centrale en oostelijke deel] bestrijken met haar stukken zonder dat er een wijziging in de opstelling noodzakelijk was.

stafkaart Eiland van Dordt

I-17RA [C. reserve kapitein J. Tenge], dat slechts de beschikking had over twee batterijen 7-veld, en waarvan de overige afdelingen in Zeeland waren gelegerd, was zuidelijker in het vak gepositioneerd. Haar beide batterijen waren in de Beerpolder opgesteld, achter de Nieuwe Beerdijk. Op de kruising met de Vloekweg was een afdelingswacht geplaatst bestaande uit een officier, een onderofficier en acht manschappen. De beide batterijbureaus waren in Tweede Tol [t.h.v. kp.49] gevestigd. Het stafkwartier was zelfs te Gravestein [even ten zuiden van Wieldrecht] ingericht, op ruim 4 km van de batterijen.

De vuurmonden der beide batterijen stonden in open weide, zonder voorbereide vuurmondopstellingen. Onbekend is of er artilleriemunitie bij de vuurmonden aanwezig was.

1-I-17RA [C. reserve kapitein G.W. Krabbenbos] was op vier locaties ingekwartierd. In de boerderijen Rustenburg, de Jong en Schoonderwoerd waren de stuksbemanningen en paarden ondergebracht. De trein was bij boerderij Overkerk gelegerd. Deze locaties waren allen ongeveer 3 km ten noorden van de batterijopstelling. Het batterijbureau zat in een lokaal van de openbare school vlakbij de straatweg in Tweede Tol.

2-I-17RA [C. kapitein J.W. Baretta] was bij Tweede Tol gelegerd, in een barakkenkamp zuid van de Zeedijk tussen nieuwe rijksweg en spoorbaan in [Google Earth coordinaten: 51.45.45.73 N - 4.38.52.30 O]. Het stafkwartier was gevestigd in een schoolgebouw vlakbij de legering van de manschappen.

I-17RA had als hoofdschootsrichting het linker vakdeel van het bruggenhoofd Moerdijk. Door haar opstelling kon de afdeling echter het gehele vak Moerdijk bijstaan indien dit noodzakelijk was zonder dat daartoe een aanpassing van de geschutsopstellingen noodzakelijk was.

Voor de beide afdelingen waren vuren uitgerekend en ingemeten tussen de as Moerdijkbruggen – station Lage Zwaluwe en het dorp Lage Zwaluwe. Aangezien III-14RA kort voor 10 mei een stellingwisseling onderging, is het echter aannemelijk dat de nieuwe vuren wel waren uitgerekend, maar dat de stukken in de nieuwe opstelling nog niet waren ingemeten. Dat laatste gebeurde in de regel door militairen van de triangulaire dienst. Uit de bronnen blijkt dat de vooruitgeschoven stelling die in de week voor de Duitse inval werd ingenomen slechts door piketten was verkend. Het suggereert dat inmeten van de batterij nog niet was geschied. De wetenschap hiervan is echter slechts interessant voor de statistiek.

Infanterie

[100a] De compagnie 2-I-28RI [C. kapitein C.P. de Vries] was gelegerd in de zuidoostelijke hoek van het Eiland van Dordrecht. De sector zuid van de Zeedijk en de Nieuwe Merwede [noordelijke tak van het oostelijke deel van het Hollands Diep]. Zij was versterkt met een sectie van de 3e compagnie plus twee stukken Vickers van de MC. De compagnie had de beschikking over de piramide schuilplaatsen langs de Nieuwe Merwede. De cp was gevestigd in de boerderij ‘Jong Dordrecht’ vlakbij de Noorder Elsdijk. De munitie voor de compagnie was aldaar ook centraal opgeslagen. Vanuit de cp was een telefoonverbinding met de C-I-28RI te villa Amstelwijck.

Villa Amstelwijk anno 2008

De compagnie 3-I-28RI [C. reserve kapitein N. Bollé] was geplaatst in het oosten van het Eiland van Dordrecht tussen Dubbeldam en Kop van ’t Land. De compagnie was versterkt met een sectie zware mitrailleurs [twee Vickers] en een sectie mortieren [twee stuks]. Een sectie was gedetacheerd bij de 2e compagnie. Vlakbij Bovenhoek was de cp gevestigd. De compagnie had tot taak de oostelijke zijde van het front richting Biesbosch te verdedigen en had daartoe enkele piramide kazematten langs de oever van de Nieuwe Merwede ter beschikking. De cp was telefonisch verbonden met de majoor Van Hoek te villa Amstelwijck.

De Duitsers

[geheel: 450, 451, 452, 454, 470, 500, 501] Het Duitse aanvalsplan voorzag in een landing van I./FJR1 [zonder 1./FJR1] inclusief bataljonsstaf en regimentsstaf bij Tweede Tol en Dordrecht, waarbij slechts een Zug [van de 3e compagnie] rechtstreeks bij haar doel – de bruggen tussen Zwijndrecht en Dordrecht over de Oude Maas – zou landen. Bataljonscommandant was Hauptmann Erich Walther, bijgestaan door zijn adjudant Oberleutnant Zuber. Ordonnanzoffizier was Leutnant Graf von der Schulenberg en de Nachrichtenoffizier Oberleutnant Gerhold. Bataljonsarts de Stabsarzt Albers.

Het was de opzet om met de compagniestaf, een zware mitrailleurgroep, de Schwere Zug en twee pelotons [I. en II. Zug] van 3./FJR1 in De Polder – oostelijk van Krispijn, zuidelijk van het station Dordrecht – af te springen en deze eenheid zo spoedig mogelijk, ter versterking van het reeds uit haar midden in Zwijndrecht afgesprongen peloton, naar de bruggen bij Dordrecht te sturen. Voor een grotere landing zo vlakbij de stad was geen ruimte.

De 2e en 4e compagnie alsmede de bataljonstaf zouden tussen Tweede Tol en Wieldrecht landen. Ook de regimentsstaf zou daar worden afgezet [door het Stabstaffel van KGzbV1]. De Wieldrechtse Polder zou als voornaamste landingsterrein dienen, en daarmee zou men midden tussen de Nederlandse legeringslocaties landen. De 1e compagnie ontbrak wegens de zware verliezen in Noorwegen; die eenheid kon ook niet tijdig worden vervangen.

Het aanvalsplan was als volgt. 3./FJR1 [Oberleuntant Freiherr von Brandis] zou direct naar de bruggen over de Oude Maas doorstoten. Daartoe zou een peloton in Zwijndrecht worden afgezet dat aan de westzijde diende op te trekken tegen de verdedigers van de bruggen, terwijl de andere pelotons zo spoedig mogelijk vanuit de Polder naar de oostzijde van de bruggen dienden op te rukken. 2./FJR1 [Hauptmann Gröschke] – een versterkte compagnie bestaande uit vier in plaats van drie pelotons – kreeg als taak alle Nederlandse posities aan weerszijde van de autoweg tussen Dordrecht en Tweede Tol op te ruimen. Deze compagnie zou daarom in de polder oost van Wieldrecht worden afgezet. 4./FJR1 [Hauptmann Gericke] zou ten oosten van de 2e compagnie dalen, en vooralsnog zorgen voor beveiliging van een in Tweede Tol in te richten regiment commandopost alsmede beveiliging van de landingszone. Daarna zou de compagnie als reserve functioneren.

Enige tijd na de afzet van I./FJR1 zou het springende deel van de Santitätskompanie van 7.FD landen. Dit waren ongeveer 36 man, omdat deze vlucht in 3 Ju-52 werd overgebracht volgens een verslag van hospitaalsoldaat Koch. Het andere deel van deze compagnie [1.FJR San. 7.FD] werd ingevlogen op Waalhaven. Het kan een van de aanleidingen zijn voor de vele Nederlandse rapporten van latere landingen.

Voor de dropping van deze eenheden, bij elkaar zo’n 450 man, werd dus II/KGzbV1 [onder Major Drewes] ingezet [422, 430]. Deze Gruppe bestond uit 53 vliegtuigen, inclusief drie staftoestellen.

De landing van het bataljon midden op het Eiland was logistiek interessant. Het landde immers precies tussen de beide hoofddoelen [Moerdijkbruggen en bruggen over de Oude Maas]. Het tactische doel van de eenheid was beperkt. Vooreerst diende één van haar compagnieën de bruggen over de Oude Maas intact te nemen en te beveiligen. De overige compagnieën zouden daar waar noodzakelijk worden ingezet. Belangrijkste taak was de veroverde bruggen bij Moerdijk en Dordrecht te beveiligen, alsmede een beveiligde perimeter op te zetten bij de bruggen en langs de hoofdweg. Aldus was I./FJR1 - met uitzondering van 3./FJR1 en de afwezige 1./FJR1 [450, 501] - dan ook als regimentsreserve aangewezen. Overigens niet vreemd nu juist deze eenheid numeriek het zwakste was van de drie bataljons wegens inzet in Noorwegen en daarmee gepaard gaande verliezen en ontbrekende vervangingen.

De vooravond van de aanval

Het vak Wieldrecht viel onder dezelfde richtlijnen als de troepen bij Willemsdorp. Alleen indien de hoogste graad van strijdvaardigheid verordonneerd was, werd de munitie ontsloten en beschikbaar voor de eenheden. In de overige graden was deze centraal per compagnie / batterij opgeslagen. Zo ook op 10 mei 0400 uur, omdat zoals bekend het zuidfront niet in de hoogste graad van strijdvaardigheid was gebracht.

Vak Wieldrecht Midden en Oost had geen bijzondere objecten te beveiligen. De eenheden onder majoor van Hoek hadden in theorie slechts de beveiliging van de gehele zuidoost en oostzijde van het Eiland van Dordrecht voor hun rekening te nemen. Daarom waren de beide compagnieën infanterie met hun ondersteuning gelegerd in het oosten en zuidoosten van het vak. Meer dan een telefoonwacht had men niet paraat.[100a, 146]

De commandopost te Amstelwijck, waar de staf van de bataljon/vakcommandant huisde [gezamenlijk met de AGP], was wel voorzien van enkele wachtpiketten ofwel enkelwachtposten. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze wachtposten zónder munitie op wacht stonden [141]. Daarnaast was er een telefoonwacht. Er stonden in het vak twee Vickers stukgroepen op de Rijksweg opgesteld, beiden van de 3e sectie van MC-I-28RI. Een stuk bij het tunneltje te Tweede Tol, en een stuk onder Amstelwijck.

Luchtafweer, in welke vorm dan ook, had men niet. Er was ook geen luchtwachtpost in de directe omgeving [wel in Dordrecht].

Bij de artillerie eenheden was er eveneens sprake van centraal opgeslagen handwapenmunitie, met uitzondering van de wachtposten. De beide artillerie eenheden hadden daarbij een zeer beperkt handwapen munitierantsoen. Voor de karabijnschutters waren er 20 patronen de man, voor de mitrailleurs twee trommels per wapen.[140, 141]

Op de stafbureaus van de batterijen en afdelingen waren telefoonwachten en zo ook op de staf van de AGP te Amstelwijck [140, 141, 146]. Bij III-14RA was reserve 1e luitenant J.W. Rutten telefoonwacht, bij I-17RA vermoedelijk de reserve 1e luitenant-adjudant H. Richie. Dit laatste is echter onzeker.

I-17RA had een wachtdetachement van negen man o.l.v. een officier bij de stukken. Voorts is aannemelijk dat ook bij de kwartieren van beide batterijen telefoonwachten waren ingesteld. Daarvan blijkt niets uit de verslagen, maar het betrof in feite routine dat telefoonwachten waren ingesteld tijdens de Staat van Beleg, waarin ons land sinds eind april verkeerde. Er kan worden aangenomen dat de telefoons dus rond de klok bezet waren.

[140] III-14RA had bij twee van de drie batterijen de twee licht mitrailleurs bij de stukken opgesteld. Volgens instructie moest dit ook als zodanig. De beide mitrailleurs van de 3e batterij waren om onduidelijke reden wel bij de kwartieren opgeslagen, hetgeen wellicht te maken had met verplaatsing van de stukken die recent was ingezet of met wapeninstructie. Bij elk der batterijen waren twee dubbelwachten opgesteld. Deze wachten waren van munitie voorzien. Voor de lichte mitrailleurs waren precies twee trommels per wapen beschikbaar. Zeker is ook dat tenminste een rantsoen artilleriemunitie bij de batterijen was opgeslagen.

Duitse kennis van de verdediging

Dordrecht vormde een uitzondering op de overigens vrij grondige Duitse voorbereiding van de operatie. In Rotterdam waren Duitse spionnen actief geweest, hetgeen niet opvallend is gezien de bedrijvigheid van deze handelsstad en het feit dat vele Duitse bedrijven redenen hadden aldaar te vertoeven. Duitsers vielen daar niet specifiek op. Waalhaven en omgeving was uit den treure verkend, en eveneens was de Duitsers bekend – tot in detail – welke eenheden hier lagen, waar de stellingen zich bevonden en waar veldversterkingen waren aangelegd.

Voor Moerdijk gold evenzo dat deze stelling tot in detail in kaart was gebracht. Dat was vooral vanuit de lucht gedaan. Logisch want het open terrein aan weerszijde van de brug leende zich bij uitstek voor grondige luchtverkenning. Iedere onregelmatigheid in het terrein was op een luchtfoto te zien, en de vele kazematten waren opvallende objecten. Overigens blijkt duidelijk uit Duitse verslagen dat de piramide kazematten abusievelijk als weerstandbiedende versterkingen werden aangezien [451]. Het toont eens te meer aan dat de grondverkenningen in dit gebied zeer beperkt zijn gebleven.

Uit de Duitse gevechtsverslagen spreekt bijzonder veel onwetendheid omtrent legeringen en posities van de Nederlanders in en om Dordrecht (1). Datzelfde kan men concluderen voor twee andere opmerkelijke gevallen van onbekendheid aan Duitse zijde. [450] De eerste was dat het vak commandocentrum in villa Amstelwijck hen onbekend was [de vier kazematten in het park waren wél verkend!]. Veel opmerkelijker is dat de Duitsers niets wisten van de vier grote compagnieën depottroepen in Dordrecht. Ze hadden wel de wetenschap van aanwezigheid van enige kleine militaire opleidingsonderdelen, maar de aanwezigheid van ruim 1,000 man was hen volkomen ontgaan [450, 500, 501]. Dat er twee voorname legeringlocaties aan de Polder waren gesitueerd was uit de aard der zaak dus vermoedelijk ook onbekend.

(1) Er bestaat een verslag van de heer Adriaan Visser, die in de meidagen met zijn familie in de boerderij op het oude landgoed woonde. Naast enkele opmerkelijke details die in dit verslag worden gemeld, meldt deze burger ook dat een geblesseerde Fallschirmjäger in het bezit was van kaarten waarop zelfs de stand van de gordijnen [als heimelijk teken] stond ingetekend van de woningen die als kwartier voor de NL militairen waren aangemerkt. Het is een verslag dat vol met suggesties en verregaande conclusies staat omtrent o.m. talloze Duitse misdaden, waaronder het dekken achter burgers (wat overigens op steunbewijs kan rekenen). Opmerkelijk is voorts dat de schrijver stelt dat de Nederlandse militairen in eerste instantie in het Engels werden aangesproken. Dat is beslist niet uitgesloten, maar in geen van de vele krijgsverslagen wordt dit herhaald. De Duitse KTB's en bijbehorende gevechtsrapporten maken melding van de grote onbekendheid met de omgeving en vooral de aard en omvang van de Nederlandse militaire bezetting van Gravesteijn en Amstelwijck. Die verslagen zijn leidend geweest voor het schrijven van het op deze website beschrevene. Auteur dezes vindt het echter van belang te melden dat het verslag van de heer Visser daar dus enkele elementen aan toevoegt.

Aan de Duitsers wel bekend waren de verkende artillerieposities, het barakkenkamp ten zuidoosten van Tweede Tol en de kazematten op het Eiland van Dordrecht en daaraan verbond men de conclusie dat er ook legeringsplaatsen moesten zijn. Enkele legeringsplaatsen, zoals die van de artillerie van met name 17RA, waren tot in detail bekend. Ze waren dan ook vanaf de wegen goed waarneembaar. Reden ook om 2./FJR1 specifiek de taak te geven die posities direct op te zoeken en uit te schakelen.

De beperkte bekendheid van de Nederlandse sterkte en exacte legeringlocaties toont eens te meer aan dat de Duitsers in Dordrecht vrijwel zeker geen actieve spionnen aan het werk hadden gehad. Eveneens dat er geen hoge militairen – zoals bijvoorbeeld overste Mussert – voorafgaande aan de Duitse inval informatie hadden doorgespeeld aan de Duitsers. Men mag er vanuit gaan dat de Duitse spionage op en rond het Eiland van Dordt zich vooral tot luchtverkenning en luchtfotografie heeft beperkt. Verhalen omtrent verraad en V-mannen in de sector in en rond Dordrecht – die alom bestaan – kunnen dan ook gevoeglijk naar het land der fabelen worden verstuurd.

De luchtlanding

[450, 451, 454] Even na 0430 uur kwam II/KGzbV1 aangevlogen in het doelgebied. Uit de Duitse gevechtsverslagen blijkt dat men rechtstreeks aanvloog en vanuit het oosten aanvliegend direct boven het doelgebied werd afgezet. Er zal voor diverse toestellen echter gegolden hebben dat zij geleidelijk aan daalden naar de juiste hoogte en toen pas tot afzet kwamen.

Tweede Tol anno 2008

In deze sectie wordt slechts ingegaan op de landing bij Tweede Tol en Wieldrecht, omdat 3./FJR1 in het hoofdstuk Dordrecht besproken wordt. Tussen Tweede Tol en Wieldrecht landden rond 0445 uur de twee aldaar geplande compagnieën [2e en 4e] samen met de bataljonsstaf en de regimentsstaf. De meest voorname landingen vonden plaats in de polders tussen Tweede Tol en Amstelwijck, met een uitloper rond de Zuidendijk. De regimentsstaf kwam neer vlakbij Tweede Tol zelf.

Vlekkeloos verliep een en ander bepaald niet. Met uitzondering van 3./FJR1 werd vrijwel geen der eenheden op de geplande locatie gedropt [450]. Allen kwamen veel oostelijker of zuidoostelijker terecht dan bedoeld. Een groep van drie toestellen was om een of andere reden van het verband los gekomen, en had het peloton van Oberleutnant Eckleben - van 4./FJR1 - niet bij Dordrecht maar bij Delft afgezet [454]. Zij raakten aldaar op de derde oorlogsdag mogelijk in krijgsgevangenschap en waren voor het theater rond Dordrecht in elk geval verloren. Het 2e en 3e peloton van 2./FJR1 werd tussen Tweede Tol en Willemsdorp afgezet. Een toestel dat een deel [12 man] van het 1e peloton van 2./FJR1 vervoerde kreeg motorpech en keerde naar Duitsland terug [451]. Zo ontbrak ook van die eenheid een Gruppe [op 12 mei zou deze Gruppe via Waalhaven alsnog aansluiten]. Tenslotte werd een deel van de bataljonsstaf met bataljonscommandant [Hauptmann Erich Walther] en circa 24 man in het gebied van II./FJR1, net ten noorden van Willemsdorp, gedropt. Zij konden pas na enige tijd Tweede Tol bereiken [450]. Tegelijkertijd landde er van 6./FJR1 – dat bij Willemsdorp had moeten landen – een verband ter grootte van een Zug in de sector van I./FJR1 [450]. Het is vermoedelijk dit verband geweest dat later per autobus in Willemsdorp verscheen en daar de strijd besliste.

Al met al toont deze verspreide landing aan dat de vliegende Duitse verbanden – ondanks de hoge mate van aandacht voor het georganiseerd starten en groepsgewijs naar het doel vliegen – danig door elkaar waren geraakt. En dat terwijl de zuidelijke transportvloot nauwelijks door afweervuur werd gehinderd en KGzbV1 met afstand het best geoefende en meest ervaren transportverband was.

[8, 302] De landing werd niet door Nederlandse luchtafweer gehinderd, want die was in het gebied niet aanwezig en bovendien vloog het verband boven het Eiland van Dordrecht op zo’n lage hoogte [er werd op een hoogte van 100-150 meter gedropt] dat zware luchtafweer [6 Bt LuA was de enige batterij in de omgeving, bij Strijen] niet eens in staat zou zijn geweest vuur uit te brengen. Slechts sporadisch afweervuur van enkele zware mitrailleurs en vrij kansloos geweervuur viel enkele aanvliegende Ju-52 ten deel. Er werd door alle eenheden slechts één gewonde parachutist gemeld die aan boord een schotwond opliep [en direct mee terugvloog naar Duitsland]. Toestellen gingen er bij het aanvliegen van de eerste golf vermoedelijk niet verloren [450].

De landing bij de Zuidendijk en Rustenburg – die niet als zodanig gepland was - was voor de Nederlanders in eerste instantie het meest bedreigend. De parachutisten kwamen virtueel bovenop de drie batterijen van III-14RA terecht en konden deze door slechts enkele manschappen bewaakte stukken direct veroveren. De stukken werden deels door de parachutisten onklaar gemaakt of in het water gegooid. Ook de legering van de batterijmanschappen lag aan de rand van de Duitse landingszone, en wel aan de noordzijde.

De meest rechtse Duitse eenheid was geland in de buurt [grens Nieuwe Polder / Louisa Polder] van 2-I-28RI dat aan de Noorder Elsdijk lag. Ten noordoosten van de landingszone hadden de parachutisten te maken met de 3e compagnie van I-28RI.

Tunnel Tweede Tol

De enige parate weerstand die de parachutisten direct ontmoetten waren de twee MC stukgroepen die onder Tweede Tol [bij de tunnel] en onder Amstelwijck op de weg stonden opgesteld [100a]. Deze beide Vickers mitrailleurs van de 3e sectie MC-I-28RI waren opgesteld tegen luchtlandingen, en konden direct vuur uitbrengen op de Duitsers. Deze gebeurtenissen zullen dan ook als eerste worden behandeld.

3e sectie MC-I-28RI

[100a] Deze sectie was al kortstondig aan de orde bij de bespreking van de gebeurtenissen te Willemsdorp. Zoals bekend waren de 1e en 3e sectie opgesteld tegen luchtlandingen op de Nieuwe Rijksweg. De 1e sectie met haar ene stuk stond bij het tunneltje in Willemsdorp, de beide stukken der 3e sectie waren geplaatst bij Tweede Tol [ten zuiden van viaduct Rijksweg], en op een punt tussen de kruising Kildijk – Amstelwijk en villa Amstelwijck. De 1e luitenant M. Trouwborst was de commandant van het geheel en bevond zich in eerste aanleg bij het middelste stuk.

Zoals besproken onder Willemsdorp, begaf de luitenant zich spoedig na de eerste aanvallen door de Luftwaffe op gronddoelen, naar het stuk bij Willemsdorp waarvan hij al snel terugkeerde en zich begaf naar het stuk te Amstelwijk. Onderwijl kwamen de eerste Fallschirmjäger omlaag.

Intussen instrueerde de luitenant het tweede stuk weer op het lage affuit te plaatsen nadat de landingen van parachutisten zouden zijn afgelopen. Aangekomen bij het derde stuk constateerde de luitenant dat dit in storing was geraakt en liet het stuk repareren. Nadien werd gevuurd op de flanken van de positie waar een deel der Duitse parachutisten was neergekomen. Spoedig bleek echter dat de positie ongunstig was. De luitenant besloot tot verplaatsing en bracht het stuk en bemanning per vrachtwagen over naar de kruising tussen de Rijksweg en de Bierweg. Vlakbij de meest noordoostelijke kazemat in park Amstelwijk werd het stuk opgesteld. Die locatie was op steenworp afstand van de Villa Amstelwijck, en had een schootsveld in noordelijke, zuidelijke en oostelijke richting.

Vanaf deze positie werd lange tijd vuurcontact onderhouden met alom opdringende parachutisten, met name die welke uit de Wieldrechtse Polder en de sector bij de Zuidendijk kwamen. Munitie aanvoer geschiedde vanaf de cp van I-28RI.

Op een gegeven moment kwam uit de richting van Tweede Tol een kleine bestelbus aanrijden die door de mitrailleur beschoten werd (2). Een Duitse parachutist sprong aan de bijrijderkant van de auto, in de berm. De tweede man aan boord van de wagen - de chauffeur - wordt in geen enkel verslag meer genoemd, maar uit een burgerverslag blijkt dit een Nederlandse kaasboer te zijn geweest. Bovendien zouden nog drie Duitsers aan de wagen hebben gehangen. Door de Nederlandse militairen aan de oostkant van het park Amstelwijck en de mitrailleurbediening werd in het Duits geroepen dat de parachutist te voorschijn moest komen. Daarop kwam geen enkele reactie. Toen werd een handgranaat gehaald (!) bij de commandopost en deze werd naar de greppel geworpen waar de Duitser zich verschool. Hierna gaf deze militair zich over. Hij werd naar de cp geleid [een van de kazematten], kort ondervraagd door de majoor van Hoek en in de kelder van de villa Amstelwijck opgesloten.

(2) Een verslag van een burger - de heer Jacob Bollaart - vertelt meer over dit voorval:

» Plotseling verscheen er bij ons groepje een gewonde burger. Het was een kaashandelaar en vertelde met veel moeite het volgende: 'Ik was met mijn bestelauto vol zuivelproducten op weg naar Antwerpen. Even ten zuiden van waar hij zich nu bevond [AG: Amstelwijk], bij een hobbel in de weg [AG: Tweede Tol] werd ik staande gehouden door vreemd uitziende militairen. Ik moest terstond op de betonweg draaien en tegelijkertijd sprongen vier soldaten, die Duitser bleken, op de treeplank. Na enkele minuten rijden ontving de auto hevig vuur. Een van de Duitsers liet los en viel. Zelf werd ik getroffen aan mijn kin. De koppeling van de auto begaf het. De overige Duitsers sprongen onmiddellijk van mijn wagen, die ik bij zijn uitloop nog kon draaien. De cremekleurige gesloten bestelwagen met 'Goudsche Kaas' erop geschilderd stond nu roerloos bij de straatovergang Reeweg, vlabij de hoekkazemat van het park 

Kort hierop werd de zware mitrailleur - wegens het waarnemen van Duitsers west van het park - door de majoor opgedragen zich in de noordwesthoek van het villacomplex op te stellen, vlaknaast de noordwestelijke kazemat op het terrein [die als CP functioneerde]. Zodoende werd de stuksgroep samen met de luitenant deelgenoot van de latere gevechten rondom de cp te Amstelwijck. Bij die gevechten zouden de stukscommandant en zijn opvolger beiden zwaar gewond raken en een der manschappen licht gewond.

De eerste gevechten in het centrale deel van het Eiland

Een heel duidelijke reconstructie van de gevechten tussen Amstelwijck en Willemsdorp is helaas niet te maken. Duitse gevechtsberichten zijn vaak te onduidelijk en Nederlandse rapporten te non-specifiek om een en ander met grote mate van zekerheid te reconstrueren. Daarom wordt met enig voorbehoud beschreven.

In de gehele centrale sector landden tussen 0430 en 0500 uur (wegens alle misdrops) twee zeer incomplete compagnieën plus een incomplete bataljonsstaf alsmede de regimentstaf [450, 451, 454]. Bij elkaar een 275 man (dat later tot een 350 zou aangroeien nadat de zuidelijk gedropte eenheden teruggekeerd waren). In datzelfde gebied bevonden zich aan Nederlandse zijde vooral artillerie verbanden, die op enkele piketten na, heerlijk in een diepe slaap hadden gelegen. Dat zij al enige tijd wakker waren wegens de geluiden van oorlog om hen heen, deed niets af aan het feit dat de diverse verbanden totaal onvoorbereid waren op oorlog. De wijsheid van de Commandant Vesting Holland en zijn staf dit deel van de landsverdediging niet te alarmeren gekoppeld aan de wellicht nog naïevere instructie munitie niet bij de onderdelen op te slaan, zorgde ervoor dat het gros van de artillerie eenheden in deze sector volmaakt weerloos was.

Voor de Duitse compagnieën was het de bedoeling geweest westelijker te landen dan zij deden. Het voordeel voor hen was nu dat zij bovenop de Nederlandse batterij stellingen neerkwamen en deze onmiddellijk duurzaam konden uitschakelen. Bovendien konden zij diverse batterijbezettingen in hun kwartieren verrassen. Op vrijwel alle locaties, meestal boerderijen, liep dit uit op (vrijwel) verzetloze gevangenneming.

De helft van 2./FJR1 en tweederde van 4./FJR1 alsmede een deel van de bataljonsstaf kwam terecht in de ruimte tussen de Zeedijk en de Zuidendijk, ter hoogte van Rustenburg [451, 454]. Zij kwamen daarbij in de rug van III-14RA en tussen de kwartieren bij Rustenburg en Zuidwijk. De gevechten die daarop volgden worden later besproken.

Tweede Tol

Tweede Tol

 

 

 

 

 

 

 

De manschappen [met paarden] van 1-I-17RA lagen in vier boerderijen: Rustenburg, De Jong, Schoonderwoerd en Overkerk [141]. De staftroep was aan de Rijksstraatweg gelokaliseerd waar op verschillende locaties diensten waren ingekwartierd. De staf zelf zat in de Openbare School. In het barakkenkamp bij Tweede Tol [bij het spoor] waren ook manschappen ondergebracht.

[141] Langs de Zeedijk [deze liep van de Kil oever in noordoostelijke richting naar Kop van 't Land] rond Tweede Tol ontwikkelde zich gevechten. Een van de meest felle was de confrontatie van parachutisten [III.Zug] met de staf van 1-I-17RA die zich onder kapitein Baretta in de Openbare School hadden verschanst. Enkele patrouilles die de kapitein had uitgestuurd stuitten op zware tegenstand van de gelande Duitsers langs de Zeedijk. Nadien liet de kapitein zijn manschappen – een verzameling van vooral staftroepen van 1-I-17RA en 2-I-17RA – een front vormen rondom de commandopost. Men dekte zich in huizen en nam de langs de Zeedijk oprukkende Duitsers onder vuur. Deze dekten zich en plaatsten een mitrailleur op een zodanige locatie dat de Nederlanders zich nauwelijks konden vertonen.

barakkenkamp Tweede Tol heden

barakkenkamp Tweede Tol heden

 

 

 

 

 

 

 

 

Na enige tijd lukte het de Duitsers, zeker niet talrijker dan de Nederlanders, de woning waarin de kapitein zich bevond te omsingelen. Nadat aan Nederlandse zijde de munitie vrijwel op was en een handgranaat naar binnen werd gegooid, besloot de kapitein de positie over te geven.

[451] Bij het barakkenkamp tussen het spoor en de rijksweg [pal ten zuiden van de Wieldrechtse Zeedijk], kwamen de I en II.Zug 2./FJR1 [en enkele manschappen van de bataljonsstaf] in gevechtsaanraking. Zij waren in de sector van II./FJR1 geland en marcheerden noordwaarts langs de rijksweg om zich te herenigen met hun onderdeel, waardoor zij  haast automatisch in aanraking kwamen met de kleine bezetting van het barakkenkamp langs de rijksweg. Onder verlies van een Oberjäger namen de ruim zestig parachutisten het nauwelijks verdedigde kamp in korte tijd in. Ze namen 21 gevangenen.

Aan Duitse zijde vielen rond Tweede Tol drie doden [Oberjäger Biehl, Oberjäger Morawitz, Jäger Gross] en zeven gewonden, allen van 2./FJR1 [451]. Aan Nederlandse zijde vielen ook enkele slachtoffers, maar een aanzienlijk deel der manschappen had richting Kil weten ontsnappen [141].

De commandopost te Amstelwijk

[geheel: 1, 100a, 101, 146] De commandopost van het Vak Wieldrecht was in gevestigd bij de villa Amstelwijck, die gelegen was aan de westzijde van de nieuwe rijksweg. Uit documentatie van de staf Groep Kil blijkt dat de sterkte te Amstelwijk uit 82 officieren en minderen zou hebben bestaan. Door aanwas van van elders [staf I-17RA] gevluchte manschappen zou dit spoedig aangroeien tot rond de 100 man. Te Gravenstein was het artilleriecommando gevestigd, op een steenworp afstand van Amstelwijk.

Zoals gebruikelijk in ons leger anno 1940 waren officieren met commando’s te velde zelden bij hun troepen of gevechtsposten gekwartierd. Dat was niet anders bij de commandopost te Amstelwijck waar slechts een officier van de wacht aanwezig was op het bureau van de majoor van Hoek alsmede (vrijwel zeker) op het bureau van de AGP. Het gros der manschappen en onderofficieren was nabij Smitshoek ingekwartierd.

De majoor van Hoek had zijn kwartier te Dordrecht [Hugo de Grootlaan 40], en de majoor Haarman te Dubbeldam. Beiden waren om 0400 uur dus niet op hun respectievelijke bureaus aanwezig.

Majoor Haarman werd wakker en spoedde zich vergezeld van [aan de AGP] toegevoegd officier reserve 1e luitenant C.J. van Oort naar Amstelwijck. Voordat beide officieren aankwamen waren de landingen van Duitse parachutisten reeds in volle gang, zodat men omstreeks 0500 uur te Amstelwijck moet zijn aangekomen.

De majoor van Hoek werd na 0400 uur zelf wakker van de geluiden in de lucht. Zijn auto met chauffeur kwam hem vanaf Amstelwijk ophalen terwijl de Duitse landingen al waren begonnen, waardoor de majoor rond 0500 uur op zijn cp aangekomen moet zijn [zijn eerste telefoongesprek voerde hij om 0455 uur].

Majoor van Hoek zocht eerst verbinding met zijn onderdelen, en vervolgens met de Groep Kil. Hij had eerst contact met kapitein de Vries [2-I-28RI], kapitein Bolle [3-I-28RI] en daarna met chef-staf kapitein Calmeijer van Groep Kil. Zijn cp werd ingericht in een van de kazematten [de noordwestelijke schuilplaats - vanaf de villa de meest linkse kazemat, vlak aan de sloot] waar een telefoonverbinding mogelijk was. Van daaruit meldde de majoor omstreeks 0530 uur [nogal prematuur] tegenover Groep Kil dat zijn commandopost omsingeld was. Hij verzocht om assistentie door Groep Kil. Dat werd hem beloofd. Chef-staf Groep Kil gaf hierop reserve-kapitein W. van Daalen van 2-III-34RI opdracht om, met een zware mitrailleur als ondersteuning, bij Wieldrecht over te steken en richting Amstelwijk op te rukken.

Vanuit Groep Kil werd nog eenmaal na 0800 uur contact opgenomen. De majoor werd gewaarschuwd voor in boerenkleding gelande Duitse parachutisten. Daarop moest bij twijfel gevuurd worden. Deze alom verbreide berichten zullen aanleiding geweest zijn voor het beschieten van heel wat burgers die – ondanks de uitgebroken oorlog – in de vroege ochtend rustig op weg gingen naar hun werk. Enkele hunner konden het niet navertellen …

Alle manschappen rond de cp, tussen de 80 en 90 man inclusief officieren, bevonden zich op enkele hospikken en wachtposten na, in de tuin voor het villapark, in en rond de kazematten. Een van de kazematten werd door Officier van Gezondheid van Hattum ingericht als noodhospitaal. In de villa zelf werd een ruimte aanwend voor verzorging en verpleging van gewonden.

2-III-34RI

[1, 100a, 101, 146] 2-III-34RI, dat voor de door Groep Kil bevolen inzet uit slechts twee secties plus een toegevoegde zware mitrailleur bestond [ca. 70 man], kreeg direct na het telefoongesprek tussen de majoor van Hoek en de kapitein Calmeijer van Groep Kil, opdracht zich per veer naar Wieldrecht te begeven. Daar moest het – zoals gezegd – majoor van Hoek bijstaan en hierna onder diens bevelen blijven. Deze halve compagnie stond onder bevel van de compagniescommandant zelf, de reserve kapitein W. van Daalen.

Omdat de eenheid als tactisch mobiel verband door de Groep Kil met vrachtwagens was uitgerust, kon direct worden vertrokken naar ’s Gravendeel waar men per veer werd overgezet naar Wieldrecht. Van daaruit trok men oostwaarts en kwam in het zuidelijke deel van Amstelwijk terecht. Kapitein van Daalen ontmoette daar de majoor Haarman [C-AGP] met een deel van zijn staf, en zonder te verifiëren welke majoor de kapitein tegenover zich had, nam deze aan dat dit de vakcommandant was. De majoor gaf de kapitein inlichtingen rond de hem bekende landingsplaatsen der Duitsers en vertrok naar de commandopost te Amstelwijk. Haarman zelf was juist op weg geweest om zich met zijn staf bij Amstelwijk aan te sluiten.

Wat er exact tussen de kapitein en de staf van AGP is gewisseld is niet na te gaan, omdat de verslagen dit helaas niet melden. Duidelijk is wel dat kapitein van Daalen zijn opdracht vergeten was, of dat hem expliciete instructies zijn gegeven door majoor Haarman om zich offensief weerbaar te maken. In ieder geval trok de kapitein met zijn verband niet richting Amstelwijk, maar langs de Oude Rijksweg naar het zuiden richting Tweede Tol.

Rijksstraatweg

[450] Ondertussen was aan Duitse zijde opdracht gegeven aan 2./FJR1 - dat zich bij Tweede Tol bevond - om zich te vermeesteren van de omgeving van de rijksweg richting Dordrecht, en zou daartoe langs de oude rijksweg optrekken. 4./FJR1 moest langs de nieuwe betonweg noordwaarts trekken. Deze opdrachten waren door de regimentscommandant Oberst Bräuer zelf gegeven toen hem duidelijk was geworden dat 3./FJR1 bij de Polder was afgesneden van de route richting de Oude Maas.

[451] 2./FJR1 trok langs de Oude Rijksstraatweg noordwaarts, toen het voorste peloton [II.Zug, onder Leutnant Graf von Blücher] tussen Gravestein en de Kilweg plotseling vuurcontact kreeg met de 1e sectie van 2-III-34RI die vooruitgeschoven naar het zuiden optrok. De Duitse voorhoede ging daarbij in dekking en zo kon het gebeuren dat de op enige afstand volgende III.Zug zich onbewust was van het gevaar. Zij werden even later door de ene zware mitrailleur van de Nederlanders onder vuur genomen. De Duitsers hervonden hun positieven echter snel. Spoedig formeerden de beide pelotons enkele stoottroepen en vormden een halve boog rondom de voorste Nederlandse sectie. Door het uitvallen van de Nederlandse zware mitrailleur, die vanuit het achterveld de vooruitgeschoven sectie dekte, konden de Duitsers de vooruitgeschoven Nederlandse sectie eenvoudig overmeesteren. Aldaar was de lichte mitrailleur inmiddels ook uitgevallen, en dus was men zo goed als weerloos tegen het aanstormende Duitse geweld.(3) 

(3) Curieus is het verslag van kapitein van Daalen - overigens niet alleen op dit punt. Hij meldt dat hij zeker weet uit Gravenstein door eigen troepen te zijn beschoten. Hoe hij hiertoe kwam is wellicht te begrijpen, maar vermoedelijk niet juist. Zoals hierboven geschets trok 2./FJR1 in twee groepen voorwaarts langs de oude rijksweg en 4./FJR1 langs de nieuwe rijksweg. Bovendien splitsten de twee pelotons van 2./FJR1 zich in een poging de Nederlanders te omsingelen. Dat de in het achterveld zijnde van Daalen dit niet waarnam en zodoende dacht door Nederlanders te worden beschoten is dus wel verklaarbaar. Maar zijn kleine compagnie was juist de laatste Nederlanders die op Gravenstein waren bij hun vertrek van daaruit tegengekomen. Er is slechts een kleine mogelijkheid dat zich op dat moment reeds een kleine groep vluchtelingen van I-17.RA in deze omgeving bevond, die later door parachutisten zou worden verslagen. Een andere mogelijkheid is dat vanuit Amstelwijk op de formatie werd geschoten. In diverse verslagen van de manschappen te Amstelwijk wordt immers gesteld dat men op gelegenheidsdoeken west van het park schoot. Tot 2./FJR1 zich daar langzaam ontwikkelde waren die er niet, althans niet van Duitse zijde. Dan is het verslag van Van Daalen onzuiver geweest, want vuur geven vanaf park Amstelwijk dwars over landgoed Gravestein was niet mogelijk.  

De achterste Nederlandse sectie trok hierop terug richting Reeweg, maar werd door de snelle Duitsers achterhaald en wederom dreigde omsingeling. Na een kort vuurgevecht werd ook deze sectie gevangen genomen.

[451, 32] Aan Duitse zijde sneuvelden twee manschappen [Obergefreiter Paul Fischer en Gefreiter Fritz Schäfer] tijdens de actie en raakten vier man gewond. Aan Nederlandse zijde was het verlies aan doden even hoog. [31, 100a] Twee manschappen van de 1e sectie waren gesneuveld [korporaal-fourier van Taarling en soldaat Slotboom]. Daarnaast waren er twee zwaar gewonden en zes licht gewonden.

Tijdens de ontwapening van de Nederlanders van de 2e sectie, die zich op dezelfde hoogte als Park Amstelwijck hadden laten overmeesteren, ontvingen de manschappen van de II.Zug 2./FJR1 storend vuur uit de richting van park Amstelwijk [451]. Het was dit vuur dat hen noopte ook tegen deze Nederlandse positie op te treden.

Bestorming van Park Amstelwijck

Leutnant Graf von Blücher

[100a, 146, 451] Het was de Duitsers dus al tijdens de omtrekking van de positie van 2-2-III-34RI opgevallen dat zij ook vuur uit het oosten ontvingen. Nadat de compagnie zich langs de Oude Rijksstraatweg en ten noorden van Gravenstein hergroepeerde, viel wederom storend vuur in de gelederen vanuit het oosten. Hauptmann Gröschke besloot hierop actie te nemen. Het 3e peloton onder Feldwebel Himmrich kreeg opdracht als voorhoede verder noordwaarts op te trekken. Het 2e peloton onder Leutant von Blücher diende de weerstand ten oosten van de Oude Rijksstraatweg op te ruimen.

[454] Ondertussen was 4./FJR1 ook tegen de weerstand van de Nederlanders bij park Amstelwijk opgelopen. De compagnie was met wagens en karren op weg gegaan naar het noorden toen zij ter hoogte van Gravenstein ineens door zwaar mitrailleurvuur vanaf het kruispunt Amstelwijk-Bierweg in dekking werden gedwongen [op dat moment stond de zware mitrailleur nog bij de meest noordoostelijke van de vier kazematten in park Amstelwijk]. De mitrailleurs werden afgeladen en langs de nieuwe betonweg in stelling gebracht. Zodoende ontstond een vuurduel met de Nederlanders, terwijl enkele Duitse mitrailleurgroepen trachtten zich voorwaarts te werken langs de oostzijde van de weg alsmede de zuidzijde van het park achter de villa. Ongetwijfeld zullen de drie eerder van de bestelauto gesprongen Duitsers - welke vermoedelijk van 4./FJR.1 waren - zich ook in de vuurgevechten hebben gemeld.

Nederlandse militairen in het park zagen onderwijl twee parachutisten richting westen, waarop werd gevuurd. Die parachutisten verdwenen. Als gevolg van deze waarneming werd de zware mitrailleur vanuit de noordoost hoek verplaatst naar de kazemat die als commandopost fungeerde.

[451] Een deel van het 2e peloton van 2./FJR1 verplaatste zich over de Koekebakkerskil naar het perceel ten westen van park Amstelwijk, daarbij gebruik makend van een kano die in het water lag. Het perceel west van het park, wat vooral als paardenstal voor de artillerie in gebruik was, vond 2e Zug 2./FJR1 op een wachtpost na zo goed als verlaten van militairen [auteur dezes heeft geen informatie hoeveel bewakers er bij deze stallen waren], en stak men zonder al te veel moeite over. Van daaruit zou een stoottroep richting de villa en de 'bunkerstellung' trekken. Leutnant von Blücher had een stoottroep gevormd van drie manschappen met hemzelf als aanvoerder. De stoottroep staks de toegangsweg richting villapark over, en na te zijn beschoten, zocht men een route naar een gunstige entree richting kazematcomplex.   

Hierbij stelde de luitenant vast dat er inderdaad een voorbereid weerstandsnest in het park lag met schuilkazematten. Hij besloot daarop enige manschappen versterking aan te trekken.

Amstelwijck

Amstelwijk

 

 

 

 

 

 

 

[451] Onder toeziend oog van de ook over de Koekebakkerskil gekomen Hauptmann Gröschke, ging Leutnant von Blücher met Feldwebel Möller, Gefreiten Rieken, Rinser en Bannert alsmede Jäger Günther in de richting van de zuidwestzijde van het park ter hoogte van de villa. Een gunstige toegang gevonden hebbende, bestormde men met veel gekrijs de Nederlandse posities die onder de bomen verscholen lagen. De locatie waar men toegang kreeg is rond de huidige entree van het erf, exact in de zuidwesthoek van het nu zwaar begroeide 'park' waar de kazematten nog immer als stille getuigen staan.

[100a, 451] Toen ontstond een enorm donder en geweld. Terwijl twee Duitsers achterbleven om dekkingsvuur te geven, stormden de overige drie onder leiding van de luitenant voorwaarts en wierpen handgranaten en rookgranaten, terwijl ze uit pistolen, geweren en MP’s het vuur openden op alles wat bewoog. In twee kazematten werden steelgranaten geworpen, die hun uitwerking niet misten. Schreeuwend en schietend overrompelden de vijf Duitsers een circa 75 Nederlanders in het park. Tijdens de actie raakte Feldwebel Möller al snel zwaar gewond, maar hij bleef schieten, terwijl ook Leutnant von Blücher een schampschot kreeg. De luitenant liet zich er echter niet door afschrikken en samen met de vier overgebleven Duitsers schakelde hij positie na positie uit.  

[100a, 451, 454] Aan Nederlandse zijde was men totaal overrompeld. Hoewel het vuurgevecht voorafgaande aan de bestorming bij de even oostelijk gelegen wegenkruising zelfs aanleiding had gegeven vanuit het park op de Duitsers te vuren, had men zich kennelijk niet voorbereid op een Duitse aanval van die zijde. Vuurcontact was wel onderhouden met de Duitsers ten zuidoosten van het park, die met zware mitrailleurs en geweren terugvuurden. Deze constante beschieting was voor veel Nederlanders aanleiding geweest in de kazematten te schuilen. Toen plotseling onder dekking van rookgranaten Leutnant von Blücher en zijn stoottroep het park in kwamen stormen, en wild schreeuwend en schietend hun granaten aftrokken en in de kazematten wierpen, was het effect dan ook vernietigend. De eveneens vanaf de zuidzijde het park genaderde voorste eenheden van 4./FJR1 lieten zich inmiddels ook niet onbetuigd.

[31, 100a, 146] Maar liefst twaalf Nederlanders werden gedood in en rond het park en van de vele gewonden [ca. 25 man] zouden er later nog twee overlijden. Niet al deze slachtoffers waren het gevolg van de bestorming. [451] De licht gewonde Von Blücher en zijn manschappen kregen ondertussen versterking van enige manschappen van zijn peloton, die samen met de kp-chef Gröschke het terrein betraden. De Nederlanders hadden zich echter goeddeels al overgeven. [100a] Majoor van Hoek was met enkele van zijn stafofficieren volkomen verrast in zijn kazemat en door een detonatie van een granaat kort buiten bewustzijn geraakt [volgens zijn eigen zeggen ...]. Even later bevond hij zich in Duits gezelschap en constateerde dat de strijd ter plaatste voorbij was.

Amstelwijck

Amstelwijck

 

 

 

 

 

 

 

En toen was er – ondanks de moed waarmee de Duitse parachutisten zich van de commandopost hadden vermeesterd – toch mogelijk weer een dissonant aan Duitse zijde. Hauptmann Gröschke zette naar verluid een pistool of PM in de rug van majoor van Hoek en sommeerde deze dat ook de villa Amstelwijck, van waaruit men nog weerstand verwachtte, zich moest overgeven. De majoor voldeed aan het verzoek. Deze gang van zaken wordt echter alleen in het rapport van de majoor zelf beschreven [100a] en niet ondersteund door andere getuigenverslagen. Er dient dus een nadrukkelijk voorbehoud te blijven bestaan bij deze voorstelling van zaken.

Amstelwijck

Rijksstraatweg

 

 

 

 

 

 

 

[450, 451. 454] De Duitsers lieten er hierna geen gras over groeien. De beide compagnieën werden weer voorwaarts gestuurd naar de bruggen, terwijl de Nederlandse gevangenen werden afgevoerd naar het zuiden. Naast de twaalf doden en circa 25 gewonden, waren er vermoedelijk nog zo’n 50-60 man krijgsgevangen gemaakt. Daarvan ook een aanzienlijk aantal mannen van I-17RA die hun toevlucht voor de Duitse aanval in park Amstelwijck hadden gezocht na opgejaagd te zijn door de beide oprukkende Duitse compagnies. De gevangenen werden afgevoerd naar het barakkenkamp bij Tweede Tol. Aan Duitse kant vielen bij de inname van het Park Amstelwijck vier doden, allen van 4./FJR1 dat langs de betonweg en later aan de randen van het park constant vuurcontact onderhield met park Amstelwijck. De Oberjägers Butzke en Thormann alsmede de Gefreiten Utpatel en Schreck waren gedood. Minstens zeven gewonden waren gevallen, waarvan vijf van 4./FJR1.

[100a] De Duitse officier van gezondheid die samen met de compagniescommandant in het park was gearriveerd liet direct – met vooral hulp van de beide Nederlandse artsen [van Hattum en van Loon alsmede paardenarts Bol] en hospikken – de villa ombouwen tot een geimproviseerd veldhospitaal. Een grote rode kruisvlag werd op het dak gelegd. Om 1100 uur was de villa een volledig in bedrijf zijnd veldhospitaal waar medische verzorging voor Duitse en Nederlandse gewonden plaatsvond. Samen met een noodhospitaal in Tweede Tol vormde villa Amstelwijck op de 10e mei lange tijd de meest voorname pleisterplaats voor de gewonden van beide zijden.

Amstelwijck

Majoor van Hoek had bepaald niet uitgeblonken als bevelhebber. Tussen 0530 en 0930 uur was deze officier zijn kazemat nauwelijks uitgekomen, had op geen enkel moment de leiding over de troep op zich genomen en had tot laat in de morgen verzuimd munitie te laten halen. Enige instructie aan zijn compagnieën elders voor het geval zijn verbindingen verbroken zouden worden, was niet gegeven. Toen de Duitsers van 4./FJR1 hun vuur op het park begonnen te leggen vanaf de betonweg, waren vrijwel alle Nederlandse verdedigers de kazematten in gekropen of in de villa gaan schuilen. Gewonden die inmiddels waren gevallen werden verzorgd, maar voor het overige was men in dekking. Aarzelend werd zo nu en dan een schot gelost op de vermoede Duitse posities. Majoor van Hoek, die na een uur slechts nog met Groep Kil verbinding had, grossierde echter in initiatiefloosheid. Hij deed niets om zijn troepen in een ordentelijke staat van verdediging te brengen, en daarom was het niet zo heel verwonderlijk dat exact zes Duitsers [450, 451] in staat waren een honderdtal verdedigers te overmeesteren.

Leutnant von Blücher werd voor zijn moedige optreden onderscheiden met het Ritterkreuz. De luitenant – die de overige gevechtsdagen zich opnieuw zou onderscheiden als een doortastend en moedig officier – zou in Kreta, samen met zijn beide broers die tegen die tijd ook parachutisten waren geworden, omkomen tijdens de strijd.

3-I-28RI

[100a] De kapitein Bollé was commandant van de 3e compagnie van I-28RI, dat versterkt met een sectie met twee Vickers mitrailleurs en twee mortieren het oostelijke deel van het Eiland bezette. Een sectie van de compagnie was echter gedetacheerd bij de 2e compagnie dat het zuidoostelijke deel van het Eiland bezet hield.

Kapitein Bollé had zijn commandopost in Bovenhoek. De kapitein liet even na 0400 uur de compagnie alarmeren en de lichte en zware mitrailleurs opstellen tegen luchtdoelen. Munitie werd direct gedistribueerd.

[100a] Om 0455 uur kwam verbinding tot stand met de commandopost van C-I-28RI. Ook kapitein Bollé kreeg een overdreven paniekerige majoor van Hoek aan de telefoon die de compagniescommandant opdracht gaf met zijn compagnie naar Amstelwijk te komen om zijn omsingelde CP te ontzetten.

De majoor van Hoek, die enige minuten later dezelfde paniek aan de westkant van de Kil zou etaleren jegens de chef-staf van Groep Kil [1], toonde hiermee een buitengewoon kwalijk gebrek aan leiderskwaliteiten. Allereerst wist de majoor om 0455 uur niets van de vijandelijke plannen noch van diens dispositief. Het van alle kanten dirigeren van troepen naar zijn positie was daarbij volkomen in strijd met de taak van zijn bataljon. Dat moest immers de buitengrenzen van het Eiland verdedigen tegen vijandelijk offensieven tegen het zuidfront van Vesting Holland. Daarbij staat onomstotelijk vast dat om 0455 uur de Duitsers nog helemaal niet in de directe omgeving van Amstelwijk waren. Een van de redenen waarom zowel van Hoek als majoor Haarman, en enkele andere officieren, tot na 0500 uur gewoon de CP te Amstelwijck konden bereiken. Ook een uur later kon de halve compagnie van kapitein van Daalen nog eenvoudig Amstelwijk in komen. Majoor van Hoek achtte het echter kennelijk verantwoord om de zwak bezette oostzijde van het Eiland totaal van troepen te ontbloten om zijn CP te ‘ontzetten’. Het betekende dat aan de oostzijde van het Eiland van Dordt op dat moment geen man overbleef om de gehele sector tussen Dordrecht en de Aloise Polder, zuid van Kop van ’t Land, te bezetten. Daarbij had de majoor ondertussen heel weinig aandacht gehad om de circa 75 man soldaten om hem heen in enige georganiseerde staat van verdediging te brengen. Dat ontbreken van lokaal beleid verhoudt zich zeer slecht tot het impulsief aantrekken van verbanden van elders die daarmee hun primaire verdedigingstaken verlaten moesten. Kennelijk was de majoor de mening toegedaan dat de gehele Duitse luchtlanding gericht was tegen zijn CP. Het laat zich slechts verklaren als onverantwoord en paniekerig beleid!

Op basis van de instructie van majoor van Hoek werd een deel van de sectie onder reserve 1e luitenant K.K.A. van Vals door kapitein Bollé per vrachtauto naar Amstelwijk vooruit gestuurd. Hij verzamelde de rest van zijn compagnie om per fiets te volgen. Men reed de Zuidendijk af en kwam daar in contact met enkele manschappen van III-14RA. Daar werd Kapitein Bollé door een militair geïnformeerd dat de commandopost te Amstelwijk was gevallen. Hij achtte zich daarom niet langer gebonden naar Amstelwijk op te trekken, hoewel op dat moment de kansen daartoe ook niet aanwezig waren. Zijn vooruitgestuurde sectie zou even later terugkeren nadat ze bij het spoor voor Duitse aanwezigheid waren gewaarschuwd.

Vanaf dat punt wordt het interessant om III-14RA in detail te gaan volgen.

III-14RA

[140] De afdeling III-14RA onder de kapitein Mulder had zijn drie batterijen, met enkele wachtposten bezet, aan de Zeedijk/Grafelijke weg. Dat was de zogenaamde vooruitgeschoven opstelling. De commandopost was aan de Zuidendijk gevestigd terwijl de meeste manschappen ten noordoosten daarvan in Dubbeldam waren ingekwartierd. In de vroege morgen van 10 mei waren de batterijcommandanten [de reserve kapiteins Dethmers, Barkmeijer en Sasburg] ieder individueel tot het aantreden van hun manschappen gekomen. Het verzamelgebied voor de staf was te Dordwijk. De meeste militairen kwamen direct vanuit hun kwartieren in actie.

Munitie werd daar waar mogelijk direct uitgedeeld; bij de 1e batterij werd het zelfs uit Dordrecht gehaald. Beschikbaar bij de batterijen waren slechts maximaal 20 patronen per karabijn. Iedere batterij beschikte over twee lichte mitrailleurs, maar alleen die van de 3e batterij waren in de barakken. De andere twee batterijen hadden de lichte mitrailleurs bij de batterijen, zoals de officiële instructie gold. Bij de mitrailleurs waren twee trommels [97 patronen] per wapen beschikbaar …

[140, 450, 451, 454] De Duitsers waren midden in het stellingenterrein van III-14RA neergekomen. Het waren parachutisten van de 4e compagnie. Direct links daarvan [tussen Overkerk en Tweede Tol] kwamen twee pelotons van 2./FJR1 neer alsmede regiments- en bataljonsstaf. In hun midden landde bovendien een peloton van 6./FJR1. Bij de landing werd één parachutist [Gefreiter August Braun] van 4./FJR1 door vuur van de wachten bij de batterijen gedood [32, 454]. Drie pelotons [1e, 2e en 4e Zug] van 4./FJR1 verzamelden echter spoedig de (meeste) wapens en stelden zich teweer tegen de zwakke Nederlandse contingenten. Terwijl het merendeel van de gelande parachutisten spoedig naar het westen trok, werd een twaalftal manschappen onder Feldwebel Hilger achtergelaten op het kruispunt van de Schenkeldijk met de Zeedijk [die later door Oberleutnant Richter en enkele manschappen werden versterkt]. Die werden voorzien van een tweetal zware mitrailleurs en twee Panzerbüchsen. De Duitsers zorgden er voor vertrek voor dat ze acht van de twaalf 12-lang staal vuurmonden onklaar maakten. Een aantal stukken werd een sloot in geduwd. Daarna trokken de drie pelotons van 4./FJR1 langs de Zeedijk richting Tweede Tol, waar ze spoedig het artillerie barakkenkamp langs de nieuwe rijksweg als verzamelpunt en commandopost zouden inrichten. Langs de betonweg werden enkele gebouwen spoedig door groepjes Duitsers bezet. Deze konden de polders, rijksweg, spoorbaan en polders uitstekend dekken.

De staf van III-14RA had zich onderwijl goeddeels verzameld op de commandopost die in de school vlakbij de begraafplaats aan de Zuidendijk was gevestigd. Kapitein Mulder en zijn staf – adjudant reserve 2e luitenant A. van der Veen-Meerstadt, commandant verbindingafdeling reserve 1e luitenant Z.W. Houttuyn-Bloemendaal, vuurregelingsofficier reserve 1e luitenant J.H.A.K. Gualthérie-van Weezel en verplegingsofficier reserve 1e luitenant J.W. Rutten – alsmede de C-2e Batterij [kapitein Barkmeijer] besloten dat de in het stellinggebied gelande Duitsers door meerdere naast elkaar opererende verbanden uit de stelling gejaagd moesten worden. [1, 140] De chef-staf Groep Kil werd door de kapitein [0635 uur] op de hoogte gesteld van de status van zijn afdeling en de voorgenomen tegenmaatregelen. Die wetenschap werd door de chef staf Groep Kil kennelijk niet met de commandant Vak Wieldrecht gedeeld. Die zou namelijk om 0830 uur - toen kapitein de Vries van 2-I-28RI hem telefonisch vroeg wat de status van de batterijen van III-14RA was - laten weten van niets te weten aangaande die status! [100a]

[140] De batterijcommandant van 2-III-14RA had zelfstandig al opdracht gegeven om voorwaarts te gaan en met een kleiner verband zijn batterij te hernemen. Kapitein Barkmeijer, die op het stafbureau bij de bespreking was geweest, kreeg ondersteuning voor die opdracht van de afdelingscommandant. Tegelijkertijd werd besloten met enkele detachementen onder de stafofficieren en C.1-III-14RA ook voorwaarts te gaan. Dit zou geschieden over een breed front. Zo zouden de stafofficieren met manschappen langs de Zuidendijk naar het westen trekken en vervolgens langs het spoor zuidwaarts. De 2e Batterij zou langs de Schenkeldijk trekken, en bleek onderweg spoedig gevolgd door een detachement met de bevelvoerder van de 1e Batterij dat op een open vrachtwagen achterop kwam rijden. Kapitein Barkmeijer liet de wagen stoppen en de manschappen te voet verder gaan, terwijl hijzelf met enkele manschappen verder zuidwaarts over de Schenkeldijk reed. Maar na enkele honderden meters werd de wagen zo beschoten dat werd gestopt en dekking gezocht achter de dijk. Men was in aanraking gekomen met de Duitse bezetting bij de kruising Zeedijk – Schenkeldijk.

Kruising Schenkeldijk - Zeedijk - Oude Veerweg

Kapitein Barkmeijer liet zijn manschappen aan de oostzijde van de dijk dekken terwijl hij de rest van de troepen langs de oostzijde naar zijn vooruitgeschoven positie dirigeerde. Eenmaal verenigd sloop men – voortdurende vurend over de dijk richting kruispunt – verder voorwaarts tot op circa honderd meter voor de kruising. De Duitsers hadden zich echter stevig achter de Zeedijk genesteld en aangezien ook vuur aan de oostzijde landde, had men kennelijk ook zuidoostelijk van het kruispunt positie genomen. Het leverde aan Nederlandse zijde direct enkele gewonden op, waaronder de luitenant Rutten die met kapitein Barkmeijer was mee opgetrokken.

[140] Men hield krijgsraad en besloot men met een tweetal groepen het kruispunt te verkennen. De eerste groep zou onderdrukkend vuur geven op de vermoede Duitse posities, een tweede groep onder reserve 1e luitenant J.C.S. Koch zou het kruispunt rechtstreeks benaderen. De luitenant Koch zijn groep kreeg echter een regen aan handgranaten naar het hoofd geslingerd, en dook in dekking, waarna men terugkroop. Hierop ging een vijftal manschappen onder de kapitein Barkmeijer op weg om door de polder te trachten in de rechterflank te komen van de Duitsers die ten zuidoosten van het kruispunt zaten. Nadat men de sloot naast de Schenkeldijk was overgesprongen ontving men spoedig vuur vanaf de Zeedijk. Na enkele tientallen meters werd de kapitein door twee schoten geveld, en raakte geïmmobiliseerd. Een hem te hulp schietende soldaat [G. Westerdijk] werd bij het oprichten voor de ogen van de kapitein door de linkerborst geschoten en viel dood neer. Hierop wist de kapitein, zich bewust van het gevaar, zich om te rollen en in een greppel dekking te vinden. De vier anderen militairen kropen ongedeerd terug naar de uitgangspositie aan de Schenkeldijk.

[140] De batterijofficier van de 1e Batterij – de reserve 1e luitenant A.H.H. Robbé Groskamp – had ondertussen met de bij hem zijnde groep van vijf manschappen getracht op de Duitse linkerflank te komen. Hij bereikt de opstelling van de 1e batterij in het open veld, maar werd opeens door Duits mitrailleurvuur overvallen. Hierbij raakte de luitenant zelf gewond, terwijl een naast hem opgetrokken soldaat [J.H. van Elten] werd gedood. De luitenant raakte later in krijgsgevangenschap en werd op het kruispunt vastgehouden. Hij was - volgens zijn naoorlogs rapport - getuige van het latere mortiervuur op de kruising, wat volgens hem afkomstig was van een door de Nederlanders buit gemaakte Duitse mortier. Vermoedelijk waren het echter de beide mortieren van de sectie mortieren van 28RI die aan de Zuidendijk terecht waren gekomen met kapitein Bollé. Helaas was het vrijwel zeker ook hun vuur dat later in Nederlandse gelederen zou landen [luitenant Julius zijn verband van 2-I-28RI].

Ondertussen had langs de Schenkeldijk ook kapitein Dethmers, de commandant van de 1e Batterij, gemeend nog een poging te moeten doen het kruispunt in te nemen. Overmoedig trok de kapitein met enkele manschappen voorwaarts. Opnieuw was het Duitse vuur debet aan een mislukking. De kapitein raakte zwaar gewond [en overleed enkele weken later aan deze verwondingen].

Daarmee waren de acties langs de Schenkeldijk door de artilleristen, ter herovering van hun opstellingen, voorbij. Nadat vrijwel alle officieren waren uitgeschakeld, en de vijandelijke opstelling onneembaar leek, trok men terug op de Zuidendijk.

[140] Langs de Zuidendijk kwamen zoals gezegd ook tegenmaatregelen tot ontwikkeling. Direct na het krijgsberaad in het stafkwartier, was de commandant van de verbindingsafdeling [luitenant Houttuyn-Bloemendaal] met zijn manschappen richting spoordijk gegaan en vlakbij het spoor gekomen ontdekte de luitenant een groepje Duitsers dat aan de westzijde van het talud liep. Deze staken hun handen omhoog, waarop de luitenant zijn manschappen instrueerde niet te vuren. Toch vertrouwde hij het niet en liet zijn manschappen achter hem zich dekken. De Duitsers waren ondertussen aan de westzijde van het talud ook in dekking gegaan en bleken spoedig dicht naar de overzijde van de Nederlanders te zijn gekropen. Alleen de luitenant waagde zich naar voren, en toen één van de Duitsers zich met zijn geweer boven de rails uit vertoonde legde de luitenant aan. Maar de parachutist schoot eerder en raakte de luitenant in zijn rechterarm. Hierop volgde een kort maar hevig vuurgevecht waarbij de luitenant door eigen vuur nogmaals gewond raakte. De luitenant liet zijn manschappen terugtrekken en werd even later door een vrachtwagen met infanteristen weer oostwaarts vervoerd. Deze vrachtwagen – die in verslagen slechts als ‘een vrachtwagen met infanteristen uit Dubbeldam’ wordt gemeld – was vrijwel zeker de sectie van 3-I-28RI onder luitenant van Vals dat door kapitein Bollé vooruit was gestuurd richting Amstelwijk. Nadat de vrachtwagen weer oostwaarts was gereden met de gewonde luitenant aan boord, trokken ook de verbindingsmanschappen terug.

[140] Enige tijd later trok de afdelingscommandant kapitein Mulder met luitenant Van der Veen-Meerstadt en minderen van de staf alsmede enkele manschappen van de 3e Batterij langs de Zuidendijk richting Wieldrecht, met dezelfde bedoeling vervolgens langs het spoor via het westen de afdelingsopstelling te bereiken. Tot aan de spoordijk liep ook bij hen alles voorspoedig. Aan de spoordijk zat ondertussen een goed gepositioneerde beveiliging van 2./FJR1 of een van de Duitse stafeenheden, die tussen Overkerk en Tweede Tol waren geland. Dit Nederlandse verband trok niet zo omzichtig op als de verbindingsafdeling enige tijd eerder had gedaan. Men stak het spoor over met het gehele verband. Aan de westzijde trok men langs het spoor zuidwaarts, achter elkaar lopend, waarbij er geen spits was aangewezen als beveiliging. Daardoor kon het gebeuren dat de Duitsers hen tot op enkele tientallen meters lieten naderen, waarna een mitrailleur het vuur opende op de voorste manschappen. Hierbij vielen enkele gewonden en één dode [soldaat Pennings] [140, 31]. De luitenant, die samen met de twee soldaten, een wachtmeester en enige korporaals alsmede de afdelingscommandant tot de spits behoorde, raakte gewond aan een van de benen. De wachtmeester [Frings, longschot] en de korporaals [vd Weege, vd Bendt] werden ook met schotwonden uitgeschakeld. Kapitein Mulder wist zich echter ongedeerd met zijn overige manschappen terug te trekken en even later de Duitsers uit het huis waar was gevuurd te verdrijven. Daarop trokken de Nederlanders weer terug langs de Zuidendijk. De gewonde luitenant werd in een boerderij vlakbij ondergebracht en enige tijd later – samen met de wachtmeester Frings – door hospikken opgehaald en naar Dordrecht gebracht.

[100a] De kapitein Sasburg, commandant van de 3e Batterij, kreeg volgens zijn eigen zeggen geen toestemming tot offensieve actie in de ochtend van 10 mei. Dat is wel mogelijk. Het kan zo zijn dat de afdelingscommandant deze batterij opdracht gaf de uitgangspositie te beveiligen terwijl de andere twee batterijen tegenmaatregelen namen. Dit werd echter in het verslag van kapitein Mulder niet als zodanig gemeld. In elk geval liet kapitein Sasburg manschappen huizen langs de Zuidendijk bezetten. Van daaruit ontving men enig vuur uit de polder [mogelijk waren dit contacten met de later gelande Sanitäter - een tijdsaanduiding is moeilijk te krijgen]. De eerste dag bleef de batterij voorts passief.

Opvallend aan het optreden van de afdeling III-14RA, in de morgen van 10 mei, zijn een aantal zaken.

Allereerst valt de daadkracht op waarmee de officieren van deze afdeling – met uitzondering van die van de derde batterij – zich teweer stelden. Men nam direct tegenmaatregelen toen werd geconstateerd dat de Duitsers de batterijen bezet hadden. De officieren toonden stuk voor stuk moed en daadkracht.

Direct valt daarmee een tweede punt op. De officieren bleken de basale regels van de krijgskunst niet of nauwelijks te verstaan en stelden - haast structureel - vooral zichzelf massaal bloot aan de evidente risico’s van tegenacties. Een kwestie die symptomatisch was voor het Nederlandse leger anno 1940.

Dat de tegenstander het ‘mir nach’ principe voor veldofficieren ook nadrukkelijk huldigde en gedurende de oorlog lange tijd ook zou volhouden, kende één belangrijk verschil met de Nederlandse toepassing: de Duitsers zorgden eerst voor een verstandig uitgangspunt voor een aanval, terwijl de Nederlanders (vaak) moedig maar onbezonnen en vooral ongeorganiseerd aanvielen. Het organiseren van een vuurbasis, het voorts verstandig ontplooien van offensieve verbanden en het gelijktijdig en in samenwerking optreden van die verbanden ontbrak er ten enenmale aan. Het betekende voor een tegenstander dat het pareren van een Nederlandse offensieve actie vaak een eenvoudige zaak was.

Het feit dat er sprake was van een artillerie eenheid die als infanterie eenheid diende op te treden werkt uiteraard verzachtend voor het oordeel. De opleiding van Nederlandse militairen gedurende het interbellum was voor infanterieofficieren al ver beneden peil. Ondersteunende wapenvakken - hoewel technisch in hun militaire specialisme vaak wél kundig opgeleid - ontbeerden meestal zelfs de meest basale vorming in infanteristische veldmanoeuvres. Deze omissie in de opleiding bleek een kwalijke zaak.

Het resultaat was voor III-14RA dat in de eerste drie uur na de Duitse landing zes officieren waren uitgeschakeld. Eén batterijcommandant was gedood, vijf officieren werden gewond. Aangezien het Nederlandse leger een sterke afhankelijkheid van haar officieren kende, betekende dit direct een gevoelige aderlating. Bovendien was men de vuurmonden kwijt. Desondanks zou de afdeling nog van zich doen spreken, zij het niet langer als homogeen geheel.  

2-I-28RI

[100a] De tweede compagnie van het bataljon dat het Eiland moest verdedigen was gelegerd in de zuidoosthoek. De kwartieren waren in drie boerderijen gevestigd: ‘Jong Dordrecht’, ‘de Peppel’ en ‘de Biesbosch’, allen in de omgeving van de Noorder Els weg.

De compagnie bestond uit vier eigen secties en een sectie van 3-I-28RI alsmede een sectie van de MC. Slechts twee officieren telde de compagnie [C-2-I-28RI reserve kapitein C.P. de Vries en de C-1e sectie reserve 2e luitenant J. Julius], alsmede één vaandrig [C.A.J. Marijs]. De overige twee secties werden door onderofficieren [SMI J. vd Velden en sergeant Hillebrand] geleid. De sectie MC werd door vaandrig R. Pool gecommandeerd.

Louisa Polder

In de vroege ochtend werd men gealarmeerd door de Duitse vliegtuigen boven de stellingen. Luitenant Julius - die het bevel voerde over de twee secties infanterie en de sectie MC op locatie 'De Peppel' - deed direct de manschappen aankleden en aantreden, deelde de munitie uit en liet de onder zijn bevelen zijnde secties naar de zuidelijke stellingen afmarcheren, toen kapitein de Vries aankwam en dit bevel ongedaan maakte [100a]. De kapitein stelde terecht vast dat er voorlopig alleen maar parachutisten landden en dat een provisorisch front noord verstandiger zou zijn. Zodoende werd een sectie langs de Noorder Elsweg gedirigeerd met front noord en de twee secties onder de luitenant zouden nog verder noordwaarts trekken richting Zeedijk, onder achterlating van een drietal kleine groepen. Eén bij het kwartier en twee als scherm langs de Merwede in de eigenlijk stelling. Daarmee was de eenheid onder de luitenant nog ruim één sectie infanterie en de sectie MC sterk.

Ondertussen nam men een Nederlandse G-1 waar die op lage hoogte een Duits toestel najoeg en naar beneden haalde. Vrijwel zeker was dat de G-1 no. 328 van sergeant-vlieger H.F. Souffree [en boordschutter sergeant J.C. de Man] die de He-111 met registratie 5J+DN van 5./KG4 boven de Biesbosch neerschoot [8]. Het Duitse toestel crashlandde bij Zevenbergschen Hoek [zie bespreking 6.GB]. Hierbij kwam Oberfeldwebel Ganss om het leven en werden Oberleutnant Rolf Ganzert, Oberfeldwebel Emil Tischer en Hauptgefreiter Heinz Dertinger krijgsgevangen [en later naar Engeland vervoerd][33].  Even daarvoor had de G-1 no. 328 al een Bf-109E neergeschoten. Het Nederlandse toestel zou even later zonder brandstof op het strand van Oostvoorne landen. Zonder aanzetslinger kon men het later, wel weer voorzien van brandstof, niet aan de praat krijgen en werd het toestel, samen met twee andere daar gelande G-1’s, uiteindelijk door Bf-110’s op het strand vernield.[8]

[100a] Luitenant Julius was ondertussen via de Elzingenweg onderweg gegaan naar de Zeedijk, en nam ter hoogte van de Zuid Buitenpolderse Kade waar dat op ongeveer 750 meter schuin links voor hem op de Schenkeldijk een vrachtwagen met zo’n 20 infanteristen werd verlaten. Hij kon niet vaststellen of dit Nederlanders waren. Dit waren echter vrijwel zeker de manschappen van 1-III-14RA die met een vrachtwagen achterop de manschappen van 2-III-14RA kwamen op de Schenkeldijk [140]. Omdat de luitenant dit echter niet kon vaststellen werd behoedzaam verder opgetrokken. Nadat vuur werd ontvangen, staakte men de opmars. Begrijpelijk, maar betreurenswaardig. Het vuur dat men hoorde en ontving was immers het gevolg van de artilleristen van III-14RA die op het kruispunt aanvielen waar de luitenant naar op weg was. Zijn verband had de aanval van de artilleristen een onverwacht positieve wending kunnen geven. De luitenant wist echter van geen Nederlandse actie, anders had hij vermoedelijk besloten wel voorwaarts te gaan. De afstand was echter te groot om onderscheidelijk waar te kunnen nemen.

[100a] Kapitein de Vries had om 0800 uur contact met de Vakcommandant en vernam van hem het inmiddels bekende spookverhaal dat de commandopost in Amstelwijk reeds omsingeld was en dat massa’s parachutisten waren geland. Een verdere status kon de Vakcommandant hem niet geven. Een motorordonnans [korporaal oorlogsvrijwilliger J.T.J. Tibboel] meldde zich bij de kapitein en stelde zich ter beschikking van de commandant. Achterop deze motor toog de kapitein toen naar zijn voorste eenheid, het verband onder luitenant Julius. Die was inmiddels vlakbij de Zeedijk aangekomen. Bij de luitenant trof hij een soldaat van III-14RA; een van de wachtposten bij de batterijen die had weten te ontsnappen. Die meldde de kapitein dat de batterijen waren bezet door de Duitsers. Dat bericht vertrouwde de officier niet. Hij gaf luitenant Julius het bevel in dekking te gaan, waarop de kapitein terug zou gaan voor telefonische informatie bij de CP in Amstelwijk.

Kruising Schenkeldijk - Zeedijk - Oude Veerweg

Kruising Schenkeldijk - Zeedijk - Oude Veerweg

[100a] De kapitein zocht en kreeg contact met de vakcommandant en vroeg daar naar de status van de batterijen van III-14RA. Hem werd gemeld dat er niets bekend was van die status. Wel werd gemeld dat iedere verdachte persoon beschoten diende te worden, omdat Duitsers in overalls en als boeren verkleed geland waren [analoog naar de informatie vanuit staf Groep Kil aan de Vakcommandant even daarvoor [1]]. De kapitein nam met de vage mededeling over de status van III-14RA geen genoegen en meldde dat als hij om 0915 uur geen bericht had gekregen omtrent die status, dat hij zou aanvallen op de batterijen. En zo geschiedde.

De compagniescommandant vertrok van zijn commandopost naar het verband van de vaandrig Marijs. Die had twee secties onder zich en kreeg opdracht om 0915 uur via de Noorder Els weg en langs de Oude Veerweg op te treden tegen de Duitse bezetting van de batterijen. Een groep onder de sergeant Hillebrand werd vooruit gestuurd naar de Zuid Buitenpolderse Kade. Om een en ander met het rechter verband te coördineren werd de ordonnans Tibboel naar luitenant Julius gestuurd om deze te instrueren dat hij langs de Zeedijk a-cheval westwaarts [richting kruispunt] moest optreden, eveneens om 0915 uur.

Kruising Schenkeldijk - Zeedijk - Oude Veerweg

Kruising Schenkeldijk - Zeedijk - Oude Veerweg

[100a] Kapitein de Vries trok met het verband van de vaandrig Marijs mee voorwaarts. Op een zeker moment zag men een twaalftal manschappen bij de kruising Zeedijk – Oude Veerweg. In eerste instantie opende de Nederlanders daarop het vuur, maar de kapitein liet dit staken omdat hij vermoedde dat dit wel eens de vooruit gestuurde groep onder sergeant Hillebrand kon zijn [die echter nog niet eens bij de Zuid Buitenpolderse Kade was geraakt]. Daarop vroeg de kapitein, die inmiddels met de manschappen in de bolling in de dijk [waar de Noorder Els weg de Oude Veerweg kruist] was aangekomen, vrijwilligers om te verifiëren of er Duitsers of Nederlanders op het kruispunt lagen. Daarop kwam niemand naar voren, waarop de kapitein besloot het zelf op te knappen. Zich dekkend sloop hij langs de oostzijde van de Oude Veerweg naar de Zeedijk en riep vlakbij het kruispunt aangekomen dat de overkant zich bekend moest maken. Daarop werd in het Duits geantwoord, waarna de kapitein snel terug kwam rennen en zijn mannen toeriep ‘schiet, het is de mof’. Net toen hij zich met een sprong weer achter de dijk wilde begeven werd zijn rechterhand door een mitrailleurkogel doorschoten. De mannen vuurden daarna op de Duitsers, maar die konden zich uitstekend dekken. De kapitein gaf het bevel ter plaatse over aan de vaandrig Marijs en trok zich terug om verbonden te worden.

Schootsveld Zeedijk zuid

Schootsveld Zeedijk noord

[100a] Luitenant Julius, die langs de Zeedijk optrok met zijn verband - dat de mitrailleurs gewoon op karren meevoerde - kreeg na enige honderden meters vuur vanaf hetzelfde kruispunt. Hierop dekte zijn manschappen zich en liet de luitenant de lichte mitrailleurs alsmede de zware mitrailleurs opstellen. Dat laatste ging zeer bezwaarlijk op het schuine talud, zodat de mitrailleur in de berm moest worden opgesteld. Dekking kon men nauwelijks vinden omdat de dijk zich in de lengterichting van de positie van de tegenstander bevond, en slechts door vlak land werd omzoomd. Voor de Duitsers, die zich achter zowel een in lengte- als dwarsrichting liggende dijk konden dekken, was de positie ideaal om op de Nederlanders te vuren. Spoedig vielen dan ook de eerste slachtoffers. De voorste lichte mitrailleurschutter [soldaat P.H. Fluiter] sneuvelde terwijl hij zijn mitrailleur in het open veld opstelde en ook de zware mitrailleurschutter [MC soldaat K.M. Wolleswinkel] werd gedood door een kogel in het hart. Dienstplichtig sergeant C. Bos [2e sectie] werd door meerdere kogels getroffen en stierf nog tijdens het voortrazende vuurgevecht. De afstandmeter van de MC [soldaat A.A. Bezemer] en een soldaat van de 2e sectie [Th.T.E. de Jong] werden beide dodelijk getroffen. Twee zwaar gewonden vielen nog [waarvan de dienstplichtig sergeant C.P. Baak later zou overlijden] en als klap op de vuurpijl begon (mogelijk) een Duits 5,4 cm mortier (4) op de manschappen langs de dijk te vuren. Ondertussen werden nieuwe parachutistenlandingen waargenomen [het betrof hier de landing van Sanitäter, regimentstroepen die in een tweede kleine golf rond 1000 uur neerkwamen [470]]. Zij kwamen in het gebied net noord van de Zeedijk en west van het kruispunt terecht, in een sterkte van ongeveer 60 man. Toen een twintigtal van deze manschappen ook twee machinegeweren op de Nederlanders richten werd de situatie voor luitenant Julius uiterst precair. Hierop besloot de luitenant de actie af te blazen en terug te trekken. Vijf doden, twee ernstig gewonden en een aantal licht gewonden was een gevoelig verlies.[100a, 31]

(4) Het vuur wordt in verslagen als van de Duitsers afkomstig gemeld. Het is echter de stellige indruk van auteur dezes dat het in werkelijkheid eigen mortiervuur was. Er waren ter plaatse beslist geen 8 cm mortieren aan Duitse zijde aanwezig. Mortiervuur van Duitse zijde kan dus slechts op 5,4 cm mortieren betrekking hebben gehad. Duitse verslagen melden echter dat dit wapen niet aldaar voorhanden was. De aan Nederlandse zijde aanwezige sectie 8 cm mortieren onder de compagnie van de kapitein Boddé waren bij de artilleristen van III-14RA opgesteld. Zij hebben (zoals uit verslagen blijkt) rond dezelfde tijd gevuurd vanaf posities achter de Zuidendijk richting zuiden. Diverse locaties waar Duitsers vermoed werden, werden rond deze tijd beschoten. Plotseling lag het vuur op en naast de Zeedijk waarlangs een deel van de Nederlandse secties optrok. Dat vuur wordt omschreven als hevig, wat ook al niet past bij de lichte ladingen van de 5,4 cm granaten van deze Duitse mortieren. Bovendien, als de Duitsers inderdaad een mortier hadden gehad, dan is het uiterst vreemd dat zij dit pas na ongeveer twee uur vuurcontact met de Nederlanders op deze locatie in hebben gezet en nadien bovendien niet opnieuw. Niet onbelangrijk in deze is dat de Duitse verslagen wel spreken van machinegeweren en Panzerbüchsen maar niet van mortieren bij de oostfront groepen. Er is echter geen onomstotelijk bewijs te vinden van het beschieten van eigen troepen door de Nederlandse mortieristen, maar het lijkt wel zeer aannemelijk. Wegens ontbreken van bewijs wordt het echter als voetnoot gemeld.

Oude Veerweg en kruising

[100a] Bij de Oude Veerweg werd ook enige tijd vuurcontact met de Duitsers onderhouden, maar ondertussen waren ook daar aan Nederlandse kant slachtoffers gevallen. De korporaals G. Born en J. Wagenaar [Staf I-28.RI, overleden kort na verwondingen] en de soldaat S.J.K. Ham [Ordonnans Staf I-28.RI] kwamen om langs de Oude Veerweg.  De tijdens het gevecht zwaar gewonde soldaat J.B.A. Kraan zou later aan zijn verwondingen bezwijken. Ook hier zag men nieuwe parachutisten landen, die zich met het gevecht gingen bemoeien. De vaandrig Marijs hield krijgsraad met zijn sergeanten en besloot terug te trekken op de kwartieren. Zodoende maakte dit verband zich eveneens los van het kruispunt. Het kruispunt waar een klein aantal Duitsers drie Nederlandse aanvallen, uitgevoerd met meer dan tweehonderd man sterkte in totaal, had weten af te slaan.

De actie van de kapitein de Vries om zelfstandig contact te maken met een hem onbekende opponent, was uiteraard bijzonder onverstandig. De kapitein maakte naoorlogs zijn verontschuldigingen voor deze roekeloze actie. Hij meende dat het (inderdaad) onverstandig was geweest, maar dat de troep een voorbeeld nodig had. Welnu, het typeerde de aard van de bevelhebber dat hij zo moedig was. Maar net als bij de diverse artillerieofficieren bleek dat die moed vaak aan roekeloosheid grensde met ook bij 2-I-28RI – dat toch al niet grossierde in officieren – tot gevolg dat de compagniescommandant uitviel. Het verzoeken om vrijwilligers voor een risicovolle actie is een zeer aanvaardbare zaak. Maar als daarop geen vrijwilligers komen dient een bevelvoerend officier 'vrijwilligers aan te wijzen'. Het daarentegen zelf dan maar - als zelfstandig bevelvoerder - de risicovolle opdracht uitvoeren was een hoogst onwijze daad.

Overigens kan men ook bij deze actie weer constateren dat zelfs door infanteristen bijzonder onverstandig werd opgetreden. Het had in de reden gelegen dat de kapitein een verkenningsgroep had samengesteld die eerst de vijandelijke aanwezigheid zou hebben moeten vaststellen, te meer daar derden hem niet (betrouwbaar) konden informeren. Die verkenning had inderdaad idealiter via de beide gevolgde routes kunnen geschieden. Op basis van de resultaten had hij dan een aanvalsplan kunnen uitwerken dat zou zijn gebaseerd op een verkende vijandelijke positie. De kapitein koos er echter voor zijn volledige eenheid in te zetten, en dat zonder enige kennis van de vijandelijke positie. Zo kon het zijn dat de luitenant Julius via een levensgevaarlijke route - de lange vrijwel open Zeedijk - richting een sterke vijandelijke positie moest trekken. Zou de kapitein het kruispunt vooraf hebben laten verkennen, dan zou hij vermoedelijk hebben geconcludeerd dat de V-vormige kade zuid van het kruispunt hem een uitstekende gedekte toenadering zou hebben geboden om de Duitse positie te omvatten en van zeer korte afstand te bestrijden.

[De bronnen vindt u hier]