Kantonnement Dordrecht

De kantonnementstroepen

Het kantonnement Dordrecht was een aanzienlijk kanton in de militaire keten, omdat in de oudste stad van [de provincie] Holland het depot voor de Pontonniers en Torpedisten was gehuisvest. De commandant van dit depot was tevens benoemd tot kantonnementscommandant. De man in functie was de beroeps Luitenant-Kolonel J.A. Mussert. Hij was de broer van de leider van de NSB, Anton Mussert. Aangezien de overste een voorname rol zal spelen in de gebeurtenissen in de meidagen wordt later in dit hoofdstuk bij uitzondering op de persoon nader ingegaan.

Het Depot Pontonniers en Torpedisten bestond uit een staf en vier opleidingscompagnieën, waarvan de eerste drie gevormd door Pontonniers en de laatste door Torpedisten. Dit technische dienstvak huisvestte relatief veel “minder geschikte” dienstplichtigen - ofwel dienstplichtigen die voor gevechtsfuncties minder geschikt geacht werden. De diensttijd voor het dienstvak was slechts het minimum van vijf-en-halve maand, terwijl de technische kennis die benodigd was voor uitoefening van de (oorlogs)taak bijzonder lastig in die korte eerste oefeningperiode was bij te brengen. Het resultaat was dat de depottroepen amper in militaire basisvaardigheden werden geschoold. Veel verder dan basisexercitie en een enkele wapenles kwam men wat dat betreft niet. De opleiding tot Torpedist bracht echter nog wel de kennis van explosieven en bewaking met zich mee, en in die zin werden zij “meer militair” geschoold dan de 'halve civilisten' die bij de Pontonniers terecht zouden komen. Een deel van de troepen [circa 20%] was op 9 mei pas drie dagen onder de wapenen; zij waren van de lichting 40-I.

De samenstelling van de vier compagnieën was als volgt.

De staf – tevens Kantonnementsstaf en Garnizoensstaf – bestond inclusief overste Mussert en diens officier-adjudant Kapitein G. vd Mark uit 9 officieren, 43 onderofficieren en 29 minderen. Hiertoe werd gemakshalve tevens gerekend het Hoofd Industrieel Controle Bureau Rayon F, de reserve Majoor [SD] Ir. W. den Boer.

De 1ste Compagnie [Pontonniers, C. reserve kapitein H.J. Siegmund] bestond uit 3 officieren, 24 onderofficieren, 60 korporaals en 333 soldaten. De compagnie was gelegerd in de Betje Wolffstraat [aan de Bosboom Toussaintstraat, wijk Krispijn], in de Openbare Lagere School. Onderdeel van deze compagnie was de onderofficiersopleiding voor het dienstvak. Op 9 mei 1940 waren zojuist 60 man voor deze opleiding geslaagd.

De 2e Compagnie [Pontonniers, C. Kapitein D. Crok] bestond uit 2 officieren, 15 onderofficieren en 202 minderen. De compagnie was gelegerd in de Jacob Maritsschool, een gebouw van de Gereformeerde Gemeente aan de Jacob Maritsstraat [wijk Krispijn].

Benthienkazerne

De 3e Compagnie [Pontonniers, C. reserve Kapitein E.H. Driessen] had 2 officieren, 44 onderofficieren – waaronder 2 vaandrigs en 23 reserve-officieren in opleiding, 218 minderen en 137 recruten [lichting 6 mei]. Onder de minderen waren 25 korporaals die de opleiding voor onderofficier volgden. Het totaal bedroeg 401 man. De compagnie was gelegerd in de Bethienkazerne. Die kazerne lag vlak aan de Oude Maas bij de Nieuwe Haven.

Admiraal de Ruyterweg

De Compagnie Torpedisten [C. reserve Kapitein Zwennes] had 4 officieren, 29 onderofficieren, 171 minderen alsmede 104 recruten. De compagnie was gelegerd in een gebouw van de Openbare Lagere School aan de Hofstraat, in het centrum van Dordrecht.

Onder het kantonnement viel voorts een militair magazijn, Magazijn ’s Landswerf [C. Sergeant der 1e klas J.F. Smit]. In dit kleine magazijn waren opgeslagen 1.000 geweren en karabijnen, zes lichte mitrailleurs, enkele tientallen pistolen, uitrustingstukken, enkele vrachtwagens en motoren, en voorts een beperkte hoeveelheid brandstof en munitie. Het werd beheerd door een viertal onderofficieren en negentien korporaals en manschappen.

Er was een bijzonder object binnen het kantonnement waarvan de militaire directie gemakshalve tot de kantonnementssterkte wordt gerekend, hoewel men in feite onder het DMKL [Directie Materieel Koninklijke Landmacht] viel. Dit was de munitiewerkplaats te NV Metaalwarenmaatschappij Johan de Witt aan De Staart [centrum]. Deze voerde in opdracht van de NV Artillerie Inrichtingen een order uit voor vervaardiging van pantsergranaten voor de Böhler PAG stukken. Hiertoe waren dan ook twee stukken PAG aanwezig op deze locatie. Daarnaast werd de directie gevormd door reserve Majoor [SD] A. Wilod Versprille

Voorts was er het Kantonnementsziekenverblijf, gevestigd op de hoek van de Vriesestraat bij de brug [C. reserve officier van gezondheid 1e klas Dr. H.J. Ormel, kantonnementsarts]. Dit was bezet door slechts 12 man, waaronder twee artsen. Allen waren non-combattanten.

Tenslotte werd uit het Depot een permanente piketwacht gevormd die de gewone verkeersbrug over de Oude Maas diende te bewaken. Deze wacht werd gecommandeerd door een onderofficier en korporaal van de infanterie, en aangevuld door depottroepen van het kantonnement. Deze wacht bestond uit 24 man, inclusief de twee infanteristen. De verkeersbrug was bij de bouw voorzien van twee speciale mitrailleurkazematten die vlak naast elkaar - als een soort Middeleeuwse 'gemakjes' - als uitbouw onder de klep van de brug waren gebouwd in de pijler en bedoeld waren om voor nabijverdediging te dienen. Het oostelijk landhoofd kon worden bestreken, echter onder brugniveau. Er is echter geen enkele aanwijzing dat er mitrailleurs in de kazematten voorhanden waren of dat deze beide constructies zelfs maar actief dienst deden voor de brugwacht. Die brugwacht was namelijk in twee provisorische posten op de beide bruggen ondergebracht in geval van wachtdiensten.

Het totaal aan kader en manschappen voor het kantonnement komt zodoende op:

Eenheid Manschappen
1e Cie Depot 420 man
2e Cie Depot 219 man
3e Cie Depot 401 man
4e Cie Depot [Torp] 308 man
Magazijn Landswerf 23 man
Mun.Fab. Joh de Witt 2 man
Kanton.Ziekenverblijf 12 man
Brugwacht 12 man
Staf kantonnement [incl depot] 81 man

Onder het kantonnementscommando vielen dus in totaal 1.478 man. Een aantal manschappen was op 9 mei 1940 met bijzonder- of zakenverlof. Enkele hiervan wisten gedurende de strijd alsnog aansluiting bij hun onderdelen te vinden.

Kantonnement-vreemde troepen

Naast de kantonnementstroepen waren er nog vier onderdelen die niet genoemd zijn, niet onder het kantonnement vielen, maar wel een locatie binnen het kantonnement bezetten.

Het eerste onderdeel was 14.C.Pn, onder de reserve kapitein W. Mantel, dat reeds onder de Groep Kil [waaronder zij rechtstreeks ressorteerden] behandeld werd. Zij waren gelegerd bij het Bosch Blasse juist noordoostelijk van de Zeehaven. Deze eenheid bestond uit circa 220 man, die vooral werden ingeschakeld voor pionierswerk voor de gehele Groep Kil. De kans is groot dat van hen een deel elders in het brigadevak was gelegerd (wegens stellingwerk), maar daarover is geen nadere informatie beschikbaar.

Daarnaast was er een speciale eenheid in en bij het station te Dordrecht gelegerd [alsmede bij de spoorbrug over de Oude Maas] dat ressorteerde onder de Directeur Etappen- en Verkeersdienst. Dit was de 3e sectie van de 2e Wegcompagnie van het Bataljon spoorwegtroepen. Dit was een zeer grote sectie [feitelijke sterkte gelijk aan twee infanteriesecties] onder commando van reserve 1e Luitenant [der Spoorwegtroepen] L.J. Leijten. Hij had vier onderofficieren en 56 minderen onder zijn bevel. De geoefendheid van dit onderdeel wordt in de literatuur als zeer matig aangeduid.

Tenslotte was er nog het Luchtverdedigingspunt [LvdP] Zwijndrecht. Hoewel feitelijk slechts met een peloton aan de Dordtse zijde gepositioneerd, gemakshalve geheel benoemd alhier. Dit Luchtverdedigingspunt werd gevormd door de beide aanwezige Pelotons Luchtdoel Mitrailleurs 85 en 86. Beide onderdelen waren uitgerust met vier [vermoedelijk] M.25 Spandau mitrailleurs [Dossiers melden dat de M.25 als bewapening gold; wellicht was men echter (ook) met M.18 Vickers uitgerust, want hierop duiden enkele foto’s die van de locatie werden gemaakt tijdens de strijd].

85 PelLuMi [C. reserve 1e luitenant A. Goldsteen, tevens LvdP commandant] stond opgesteld aan de oostelijke oever van de Oude Maas, net ten zuiden van de (verkeers)brugoprit. 86 PelLuMi [C. sgt Hagendoorn] stond opgesteld aan de Zwijndrechtse zijde, aan de westoever van de Oude Maas pal ten noorden van de kleine haven. De C-LvdP had zijn CP bij 86 PelLuMi. Samen hadden deze twee peloton 41 man. Het LvdP viel niet onder het kantonnement maar onder de Luchtverdedigingskring Rotterdam-’s Gravenhage. Het punt was via de PTT lijnen te Zwijndrecht met Rotterdam verbonden.

In de gemeentelijke HBS te Dordrecht was tenslotte een luchtwachtpost gestationeerd, bemand door gemilitariseerde burgervrijwilligers. De uitkijkpost was in de Oude Grote Kerk gevestigd.

Resumerend wordt vastgesteld dat het Kantonnement Dordrecht 1.468 man onder de wapenen had. Daarnaast waren er 97 man van andere commando’s, plus de circa 220 man van 14.C.Pn die reeds bij de sterkte van Groep Kil waren geteld.

Overste Mussert

Overste Mussert speelt een zeer opvallende rol in de gebeurtenissen in en om Dordrecht. Vanwege dit feit is het zinvol in deze proloog reeds kennis te maken met deze markante en curieuze persoonlijkheid.

Overste Joseph [Jo] Adrianus Mussert [1880-1940] was al officier sinds 1904, toen hij als 2e luitenant der Artillerie in de sterkte werd opgenomen. In 1918 trad hij als kapitein toe tot het technische dienstvak Pontonniers en Torpedisten. Tot het jaar 1927 viel het technische dienstvak van Pontonniers en Torpedisten onder de Artillerie, waarna het verhuisde naar de Genie. Mussert was wegens zijn gebleken technische inzicht en interesse naar deze technische discipline verhuisd. Hij floreerde daar, en kreeg respect en aanzien vanwege zijn vakmatige kennis en kunde.

De overduidelijke link tussen overste Mussert en de NSB, waarvan zijn broer de leider was, was vooroorlogs een kwestie van enige zorg geweest, maar kennelijk onvoldoende om hem met (buitengewoon) verlof of vervroegd leeftijdontslag te sturen. Officieren was het sinds 1933 verboden lid te zijn van partijen als de NSB. Dat nam niet weg dat symphatie voor dergelijke bewegingen ook zonder lidmaatschap schadelijk kon zijn voor het functioneren. De overste zijn broer was niet alleen leider van de meest succesvolle fascistische beweging in het land, maar bovendien was zijn vrouw ook lid geweest van de NSB, en had zij aan dat lidmaatschap vermoedelijk [op overste Mussert zijn aandringen] puur uit loyaliteit aan haar man een einde gemaakt. Mussert zijn kinderen waren verbonden aan de Jeugdstorm, het jongerenverband van de NSB. Maar dit alles was niet de enige zorg.

In 1934 was Mussert onder behandeling van artsen gekomen vanwege ernstige gezondheidsklachten, die wezen op een aandoening aan de hersenen. Onderzoeken volgden en hij werd datzelfde jaar geopereerd aan een hersentumor. Uit zijn medische rapporten spreken enkele kwalijke gedragsstoornissen. Onduidelijk werd in welke mate deze te maken hadden met de gezondheidstoestand van de man. In elk geval bleef zijn persoonlijk dossier besmet met allerhande aanmerkingen op zijn persoonlijkheid, ook na de (geslaagde) operatie. Aanmerkingen die in die fase nauwelijks met zijn politieke engagement te maken zullen hebben gehad.

Zijn behandelend arts, die Mussert na 1934 nog jarenlang periodiek observeerde, getuigde begin 1940 nog dat de man “(…) niet vrij (was) van een zekere mate van zelfoverschatting (…)”, maar vooral “(…) (dat) het aannemelijk (is) dat hij bij naar zijn mening ongerechtvaardigde tegenstand, eventueel met voorbijzien van de werkelijkheid, hardnekkig aan zijn eigen inzichten zou vast houden.

In 1937 werd Mussert bevorderd tot overste en werd hij hoofd van het bureau “Bruggen en Veren” in Den Haag, wat viel onder de Directie Etappen- en Verkeersdienst [Dir EVD]. Een belangrijke (strategische) functie, zeker met de strategie van Reynders en Winkelman in het achterhoofd.

Op 5 maart 1940 ontving Mussert een brief van de Dir.EVD [Kolonel van de Generale Staf H.H. van Thoden van Velzen], waarin Mussert geinformeerd werd dat hij van zijn functie ontheven werd omdat hem “de eigenschappen ontbraken deze succesvol in te vullen”. Een curieuze conclusie nadat de overste de functie kennelijk in de drie jaar ervoor wel kundig en naar tevredenheid had ingevuld. De brief verwijst duidelijk naar de erkenning van zijn vakkennis, maar onderstreept dat de persoonlijkheid van Mussert hem (kennelijk) ongeschikt maakte voor de functie.

Hierna werd Mussert aangesteld als commandant van het Depot Pontonniers en Torpedisten, tevens garnizoenscommandant en daarnaast kantonnementscommandant te Dordrecht. Een aanstelling die weinig kwaad leek te kunnen doen. Dordrecht was immers geen kantonnement in de (verwachtte) frontlinie, en op deze wijze kon men van de gedegen vakkennis van de overste gebruik blijven maken. De kantonnementsfunctie – die alleen bestond vanwege de aanzienlijke militaire depotonderdelen in de stad – hield voorts niet veel meer in dan dat hij militair gezag voerde over de stad Dordrecht en haar primaire militaire belangen. Het was alles behalve een functie die de ervaring van een gedegen veldofficier vroeg.

Het is ondanks de vrij heldere inhoud van voornoemde brief onduidelijk in welke mate Mussert in maart 1940 daadwerkelijk om zijn persoonlijkheid aan de kant werd geschoven. Het lijkt immers veel aannemelijker dat de nieuwe OLZ, die in maart 1940 [“toevalligerwijs” ook het moment dat Mussert na drie jaar uit zijn functie werd gezet …] effectief aan de slag ging, Mussert met zijn politieke achtergrond niet langer wenste te handhaven op de strategische positie die hij innam bij het bureau “Bruggen en Veren”. Immers, Winkelman koos voor een strategie waarbij het 3e Legerkorps en de Lichte Divisie Noord-Brabant zouden evacueren daags na een Duitse inval. Hoewel dit bevel slechts binnen zeer beperkte kring kenbaar zou zijn gemaakt voor mei 1940 – en al helemaal niet in Duitse handen mocht geraken – lijkt het onwaarschijnlijk dat het Hoofd van het bureau Bruggen en Veren niet tenminste gedeeltelijk in die plannen werd gekend. In elk geval was hij sleutelfiguur in de logistieke operatie die cruciaal was voor de evacuatie van de troepen uit het zuiden. Het is daarom veel waarschijnlijker dat Winkelman Mussert heeft laten vervangen omwille van diens politieke “kwetsbaarheid” en niet zozeer vanwege persoonlijke ongeschiktheid. De angst dat de delicate kennis van de massale evacuatie van het Veldleger uit het zuiden vroegtijdig zou uitlekken lijkt geen verwaarloosbare factor als het aankomt op een aannemelijke verklaring voor de plotselinge mutatie ...

Overigens zij voorts opgemerkt dat – enigszins vooruitlopend op de gebeurtenissen van de volgende dagen – vele militaire verslagen van allerhande individuën rondom de overste met recht en reden als “tendentieus in het nadeel” van de overste kunnen worden aangemerkt. Dat deze vaststelling van zaken [er worden vele feitelijke – verifieerbare – onjuistheden aan de gedragingen van de overste opgehangen] wellicht ook al gold voor de wat mysterieuze brief die de Dir-EVD aan Mussert verzond, kan niet door de auteur worden vastgesteld. Wel geeft deze vaststelling van zaken aanleiding om de gebeurtenissen rondom overste Mussert in de dagen van mei 1940 met de nodige voorbehouden te benaderen.

Tenslotte zij opgemerkt dat voor de Leider van de NSB gold dat ondanks dat hij pro-Duits gezind was, hij niet a-priori als landverrader [ten aanzien van de hier besproken episode] kan worden gekenmerkt. Ir. Anton Adriaan Mussert [1894-1946] was een overtuigd nationalist [hetgeen hij o.a. in 1925 bewees met de successen van het door hem opgerichtte Nationaal Comite], en ging het Nederlandse lot dan ook aan het hart. Als Leider van de NSB had hij weliswaar vooroorlogs verklaard een Duitse inval “met de armen over elkaar” aan te zullen zien, maar actieve collaboratie valt niet onder een dergelijke demonstratieve passieve houding. Hij had zich zelfs persoonlijk voor mei 1940 beijverd een inval in Nederland te voorkomen. Of deze wat ambivalente moraal ook zijn broer eigen was, is onbekend. Er is in ieder geval geen bewijs te vinden dat overste Mussert vooroorlogs zich op een wijze heeft gepresenteerd die feitelijk aanleiding kan geven hem van subversieve acties te verdenken.

Op overste Mussert wordt uitgebreid teruggekomen tijdens de beschouwing van de gebeurtenissen in mei 1940, en in een analyse van de strijd.