Algemene sterkteverhoudingen

Inleiding

Sterkte van legers vergelijken op basis van mankracht, materieel, wapens, wapensystemen, etc. is in veel opzichten puur een statistisch gegeven. Het zegt in feite niet zo heel veel over de werkelijke mogelijkheden van legers, zolang de verhoudingen niet grotesk verschillen. Dat zou niet alleen in mei 1940 worden bewezen door de Duitse strijdkrachten tijdens de Westfeldzug, maar was daarvoor – in de moderne geschiedenis – al bewezen door de bijzonder moedige Finnen in de winteroorlog met de Sovjet Unie [november 1939 - maart 1940]. 

Desalniettemin is een sterktevergelijking wel van enig belang. Het ijkt de ‘vertrekpunten’ van belligerenten in een oorlog, en juist daarom kan aan tactiek en strategie, alsmede zaken als moraal, moreel en vernuft een waarde worden gehangen. Een materieel inferieure belligerent die desondanks een strijd of oorlog weet te winnen zal dan immers zijn materieel tekort hebben gecompenseerd door bijvoorbeeld een onderscheidenlijke krijgskunst of een beter moreel. Dat soms fortuin ook een (grote) rol speelt is voor zeer weinige historici een aantrekkelijke factor gebleken. Daar straalt immers geen heroïek of onderscheidelijkheid vanaf. Voor 'geluk' krijg je geen punten, hoewel Napoleon Bonaparte er naar verluid prat op ging slechts generaals te willen hebben die bewezen hadden dat zij 'onder gelukkig gesternte' opereerden.

In ieder geval is er heel vaak behoefte aan statistiek. Men wil graag voeling hebben met de cijfertjes. Statistiek als ijkpunt moet echter niet verworden tot statistiek als doorslaggevend waardeoordeel. Het mag slechts indicatief zijn.

In deze sectie wordt de landmachtstatistiek gegeven voor de belligerenten, waarbij wordt afgesloten met een bespreking van andere factoren die van belang waren voor het onderscheid tussen de strijdende partijen.

Manschappen

[503] Das Heer had op 9 mei 1940 de beschikking over 135 volledig bezette divisies, en vele overvolle depots waarin de vijfde tot en met de zevende Welle divisies werden gevormd. Voor de inzet tegen het westen waren 115 divisies plus vele zelfstandige onderdelen beschikbaar, ofwel ongeveer 2,5 miljoen manschappen. Met de talloze ondersteunende eenheden erbij, werd op papier een maximale strijdmacht van 3 tot 3,1 miljoen man inzetbaar geacht voor de aanval op het Westen, waarvan overigens maar een beperkt deel tijdens Fall Gelb in actie zou komen. Tot de ondersteunende eenheden - die in het kielzog van de gevechtstroepen optrokken - behoorde een aanzienlijk contingent non-coms, met name zogenaamde bouwtroepen [Bautruppen], meestal behorende tot de Organisation Todt.

[503] In totaal beschikte de Duitse landmacht over iets meer dan 4 miljoen man die werkelijk onder de wapenen waren. Daarbij werden ook de Landwehr manschappen gerekend die nog niet in gemobiliseerde divisies actief waren [circa 10% was opgenomen in de divisies van Zweite Welle en hoger], de Ersatz en Ergänzung eenheden, alsmede de zogenaamde Bautruppen. Die laatste niet te onderschatten eenheid - hierboven al even aangehaald - bestond uit gemilitariseerde bouweenheden die de fronttroepen nareisden om onmiddellijk herstellingen te kunnen verrichten aan de infrastructuur. Het leeuwendeel behoorde toe aan de Organization Todt, genoemd naar de Minister van Bewapening en Munitie Dr. Fritz Todt. De organisatie was een paraplu boven vrijwel alle constructieorganisaties in Duitsland, inclusief de Reichs Arbeitsdienst [RAD]. De OT was een waar schaduwleger, dat zich totaal onderwierp aan militaire bouw- en reconstructieprojecten waarbij het naast grootschalige vestingwerken vooral veel herstelwerkzaamheden in de rug van het actieve leger voor haar rekening nam. Doordat de organisatie met grote eenheden toegevoegd was aan het leger, is het van belang te weten dat deze eenheden weliswaar tot de legersterkte werden gerekend maar volstrekt non-combattant waren.

De SS Verfügungstruppen beschikte aan de vooravond van mei 1940 over circa 100,000 man in actieve landmachteenheden of in opleidingscentra.

Bij elkaar geven Duitse bronnen een sterkte aan van 4,3 miljoen manschappen die op enige wijze aan Das Heer waren verbonden. Men mag dit getal met een korrel zout nemen. Slechts een kopgroep van ongeveer 500,000-600,000 man waren zeer goed geoefende (en uitgeruste) manschappen. De massa daarachter van circa 2,5 miljoen was niet bijzonder goed geoefend en uitgerust. De overige groep die de 4,3 miljoen volmaakte mag men min of meer tot weinig waardevol c.q. weinig relevant rekenen.

De Luftwaffe had bijna 1 miljoen man. Daarbij was maar een relatief klein deel onderdeel van werkelijk strijdende kern; de meeste hunner vormden de enorme contingenten verzorgende en ondersteunende manschappen op de vliegvelden en overige faciliteiten.

De Kriegsmarine was verreweg het kleinste onderdeel van de Wehrmacht. Het had 180,000 man aan zich verbonden.

De Duitse tegenstanders hadden op papier een sterker potentieel. Om te beginnen de meest voorname tegenstander, Frankrijk.

Het Franse mobilisatie- en reservistenysteem was tamelijk complex. De sterktecijfers die worden gegeven in de literatuur zijn dan ook bepaald divergerend van aard. Op papier moest Frankrijk in staat zijn 5,5 miljoen man op de been te kunnen brengen. Dat cijfer is echter beslist een overdreven voorstelling van zaken. Het gaat uit van de beschikbaarheid van 100% van de reservetroepen vanaf de vroegste lichting. Het Franse mobilisatiesysteem ging uit van de oproepbaarheid van niet minder dan 30 lichtingen, ofwel in 1939 werd de mobilisabele lichting 1909 ook opgeroepen. Hoewel de lichtingen tot en met 1918 vanzelfsprekend waren samengesteld uit dienstgeschikte overlevenden van WOI, is het duidelijk dat door allerlei omstandigheden de opkomst van oudere lichtingen in 1939 incompleet was wegens ongeschiktheid, ziekte, overlijden, immigratie, etc. Voor de oudste lichtingen gold dit argument in zeer sterke mate. De eenheden waren daarom verre van op sterkte, hetgeen een sterke invloed heeft gehad op het papieren getal van 5,5 miljoen manschappen. Bovendien kende men lichtingen die niet of nauwelijks geoefend waren en waren er militie-achtige eenheden die niet veel meer waren dan veredelde burgerwachten.

[603] In september 1939 bedroeg de werkelijke opkomst 2,7 miljoen man. Hiervan was ruim 300,000 man in de kolonies. Bovendien behoorde tot dit contingent [peildatum 28 augustus 1939] 126,000 man van de marine en 110,000 man van de luchtmacht. In Frankrijk had de landmacht dus bij het begin van de Schemeroorlog in totaal circa 2,2 miljoen man op de been.

Algemeen wordt aangenomen dat op 10 mei 1940 niet 5,5 miljoen maar maximaal 4,2 miljoen in enige vorm - feitelijk of oproepbaar - deel uitmaakten van het Franse leger. Daarvan was dan ook nog eens een deel in de koloniën, vooral in Noord-Afrika. Overigens behoorde tegelijkertijd een flink contingent koloniale troepen tot de Franse legermacht, en deze waren beslist niet van slechte kwaliteit zoals soms wel eens wordt gesuggereerd. De luchtmacht en marine werd tot het getal van 4,2 miljoen manschappen gerekend. Van de Franse marine en luchtmacht is het (auteur) niet exact bekend hoeveel manschappen onder de wapenen waren op 10 mei; 28 augustus 1939 was dat gezamelijke contingent goed voor 236,000 man. Het zal op 10 mei 1940 vermoedelijk aanmerkelijk hoger hebben gelegen, te meer daar de luchtmacht gedurende de schemeroorlog aanzienlijk werd uitgebreid. Aan de vooravond van de strijd was 2,8 miljoen man van het theoretisch potentieel van 4,2 miljoen man ingedeeld in gevechtseenheden. Het overige deel was nog niet actief onder de wapenen. Daarmee was dus slechts de helft van de 5,5 miljoen man die sommige bronnen als het maximaal potentieel aanmerken op enige wijze onder de wapenen.

Het Franse noordoostelijke leger, dat het leeuwendeel van de strijdgerede troepen omvatte, bestond in eerste instantie uit bijna 2,2 miljoen man. Hiervan was een aanzienlijk deel van de hoogste en een-na-hoogste klasse. Het werd tijdens de strijd nog een aantal maal versterkt of bijgestaan vanuit het zuiden.

De Britten hadden aan de vooravond van de Duitse inval in het westen een leger van circa 1,5 miljoen man. Hiervan was overigens een aanzienlijk deel in opleiding of in de koloniën. Een kern van circa 900,000 was goed tot redelijk geoefend. Hiervan zouden er in eerste instantie 450,000 in het BEF terecht komen. Tijdens de strijd liep de expeditionaire macht op naar 600,000 man.

[600] De Belgen hadden op papier een leger met (relatief) een aanzienlijke sterkte. Het wordt in de literatuur op 650,000 man gemeld, maar accuraat lijkt een aantal van rond de 600,000 man. 

Het Nederlandse leger tenslotte, in buitenlandse literatuur [600] soms op een opmerkelijke grootte van 400,000 manschappen gesteld [vermoedelijk wegens bijtelling van burgerwachten en KNIL], was niet groter dan 280,000 man. Voor een land dat vrijwel een gelijk bevolkingsaantal als België had, een zeer klein leger.

Alle sterktecijfers opgeteld betekent het dat 3 miljoen Duitsers het moesten opnemen tegen bijna 4 miljoen tegenstanders. Die laatste zouden gedurende de strijd het aantal tot ongeveer 4,2 miljoen kunnen opvoeren. Versterking met manschappen was voor de Duitsers niet mogelijk. In de 3 miljoen zat al een contingent troepen dat als reserve was opgenomen. Het was daarmee het werkelijk maximale potentieel.

Infanteriewapens

Er wordt in de Nederlandse literatuur nogal eens overdreven over de Duitse infanteriewapens [handvuurwapens en machinegeweren]. Die zouden naar verluid een enorm verschil hebben gemaakt tegenover de (vermeend) archaïsche Nederlandse infanteriewapens. Het is een vrij bizarre tendens geweest om de verschillen in de arsenalen tot grote proporties op te blazen. Het past(e) vermoedelijk goed in het ophangen van een snel verlies aan zaken die ‘goed verklaarbaar leken’. Het is in ieder geval een vergelijking die teruggebracht dient te worden tot werkelijke proporties.

Het overgrote deel van de Duitse infanteristen was uitgerust met de Mauser geweren en karabijnen van het type 98. Een wapen uit dezelfde periode als de Nederlandse Steyr/Hembrug, de Belgische Mauser, de Franse Fusil Bethier en de Britse Lee Enfield. Deze wapens deden allen weinig voor elkaar onder. Slechts onderscheid in kaliber en gebruikte munitie was werkelijk enige factor van onderscheid. Het waren allen repeteergeweren [grendelgeweren], met prima accuratesse en trefzekerheid te gebruiken.

De Duitsers hadden wel een beperkt voordeel. De pistoolmitrailleur was bij hun onderofficieren [waarvan het Duitse leger er beduidend meer had dan de Geallieerde legers] in vrij algemeen gebruik. Bovendien waren soms specifieke stoottroepen voorzien van extra pistoolmitrailleurs. De soms mythische waarde die aan deze wapens werd opgehangen is onwerkelijk. Het gaf de Duitsers slechts een voordeel in ‘close combat’ situaties. Echter een zeer beperkt voordeel dat binnen de juiste proporties dient te blijven.

De Duitse standaard mitrailleur MG.34 was wel een beduidend machtiger wapen dan de lichte en zware mitrailleurs van de overige belligerenten. Dat kwam vooral door de enorm hoge vuursnelheid, die het dubbele was van die van de tegenstanders. De Duitsers hadden meer mitrailleurs dan de Nederlanders, maar die verhoudingen lagen jegens de Franse, Britse en Belgische legers aanmerkelijk minder scheef. De MG.34 met een middelzwaar of zwaar affuit werd als middelzware of zware mitrailleur gebruikt en was superieur aan alle Geallieerde tegenstrevers gedurende de gehele oorlog. In mei en juni 1940 was echter een groot deel van de hogere Welle divisies nog geheel of gedeeltelijk met de WOI sMG.08 - de watergekoelde zware mitrailleur - uitgerust. Dat wordt vaak vergeten als men vergelijkingen maakt.

De vuurkracht van de Duitse mitrailleurs zou overigens gedurende de gehele oorlog op eenzelfde niveau van overmacht blijven. De Sovjet, Amerikaanse en Britse lichte en zware mitrailleurs zouden nooit een vuursnelheid bereiken van boven de 550 tot 600 kogels per minuut. Een groot verschil - dat ook al in WOI werd vastgesteld - was vooral de wijze van operationeel gebruik van de mitrailleur. Daarin waren de Duitsers meesters, onder meer door een buitengewoon goede opleiding van de mitrailleurbediening en hun kader.

De Duitse infanterist was over het algemeen uitgerust met meer handgranaten dan de tegenstanders in mei 1940. Er werd ook zeer frequent en effectief gebruik van gemaakt. De handgranaat was in feite niet weg te denken uit het beeld van de Duitse infanterist in ‘close quarter’ gevechten. Daarentegen waren de Duitse handgranaten niet bijzonder werkzaam. Ze hadden over het algemeen een lage scherfwerking. In vergelijking met bijvoorbeeld de Nederlandse verdedigingshandgranaat - een gesegmenteerde scherfgranaat - was de Duitse steelgranaat bepaald minder effectief.

Ook het gebruik van lichte ondersteuningswapens zoals de mortier en de lichte infanterievuurmonden was aan Duitse zijde een onderscheidelijk element. De Duitsers hadden een overmacht aan mortieren in de eerste lijn eenheden en zij maakten er veel en effectief gebruik van. Dat gold ook voor de bekende lichte vuurmonden PAK.36 en l.IG18. Die beide wapens waren in mei en juni 1940 van groot belang voor de directe vuursteun van de infanterie.

Hoewel duidelijk is dat de Duitse infanterist prima was uitgerust en goede ondersteuningswapens had, was het verschil met de tegenstanders lang niet zo grotesk als menige beschrijving in de literatuur doet vermoeden. Bovendien was ook in het Duitse leger de infanterieondersteuning en uitrusting in de laagste Welle eenheden het best, en sterk afnemend naar de hogere lichtingen toe.

Artillerie

Op artilleristisch vlak was er een groot verschil tussen de belligerenten. Daarbij wordt geduid op vuurmonden die werkelijk als artillerievuurmonden waren ingedeeld, en dus geen antitankgeschut of infanteriegeschut.

Duitsland bezat relatief weinig artillerie aan de vooravond van Fall Gelb. Dat was niet het enige. De Duitse artillerie excelleerde ook niet in bereik noch in tractie. De artillerie was in mei/juni 1940 het zwakke punt in de Duitse bewapening en zou dit gedurende de gehele oorlog blijven. De grote achterstand van 1940 zou zelfs aanmerkelijk groeien in de jaren erna.

Het Duitse leger bezat aan de vooravond van de strijd in het westen ongeveer 7,500 stukken artillerie [bronnen melden tussen de 7,300 en 7,700 stuks]. Daarvan was een beperkt deel van oudere garnituur. Zo waren er bijvoorbeeld in mei 1940 nog 300 FK.16 [75 mm veldgeschut] en 700 sFH.13 [150 mm houwitser] uit WOI in de bewapening. Opmerkelijk, daar deze aantallen ver boven de Versailles quota uitgingen. Het merendeel van de artillerieregimenten was echter met de l.FH18 [10,5 cm houwitser] en de s.FH18 [15 cm houwitser] uitgerust. Dat waren moderne vuurmonden, met echter een beperkt bereik van maximaal 12 km. Met betere munitie [en enkele aanpassingen] werd het bereik later nog iets verbeterd. In mei 1940 werd het bereik echter beperkt, omdat de zwaarste ladingen slechts met specifieke toestemming werden vrijgegeven. Het bereik van de standaard vuurmond le.FH.18 werd daarmee beperkt tot zo'n 9 km.

Het Franse leger had circa 10,700 vuurmonden. Daarvan was een groot deel van een ouder type. Daarbij moet men niet de denkfout maken dat daardoor de effectiviteit (dus) ook beduidend lager lag. De beroemde Franse ‘Soixante-Quinze’, het 75 mm snelvuurkanon, was net als de Nederlandse 7-veld een stuk dat bij aanvang van WOII uitstekend voldeed. In mei 1940 waren er nog zo’n 4,000 in dienst. Ook de nog veel gebruikte 15 cm GPF uit 1917 schoot eenvoudig drie granaten per minuut af over 17 km afstand. Een prestatie die de Duitse 15 cm houwitser sFH.18, uit de jaren dertig, niet evenaarde. 

De Franse artillerie had de beschikking over een aanzienlijk contingent middelzware artillerie van 10,5 en 15 cm. Dit was een segment waar oude en moderne vuurmonden elkaar gevonden hadden. In het segment zware artillerie was de Franse landmacht beslist de meerdere van de Duitse. Dat was evenzo bij de tractie. Relatief en absoluut gezien was een veel groter deel van de Franse artillerie van motortractie voorzien, terwijl het gros van de Duitse artillerieregimenten op paarden was aangewezen. Aan Duitse zijde had men in WOI ook enorm zware vuurmonden gebouwd, waarvan enkele ontwerpen - zij het verbeterde versies van de WOI Mörsers - nog in mei 1940 in gebruik waren. Zware artillerie was echter zeer schaars bij de Duitsers. Aan Franse zijde waren nog een aanzienlijk aantal regimenten en verdedigingsdetachementen met zwaar en zeer zwaar geschut uitgerust. Voor de bewegingsoorlog overigens weinig bruikbare vuurmonden. Qua bereik was de Franse artillerie in het middelzware en zware element volstrekt superieur aan de Duitse tegenhangers.
 
De Britten hadden niet de grote artilleriecontingenten, zoals de Fransen, maar hadden hun BEF wel prima van artillerie voorzien. Na WOI had men de grote voorraden snel afgebouwd, zodat voor het 'homeland' nauwelijks artillerie overbleef. Het Britse leger zou dan ook na de evacuatie in Duinkerken op 1 juni 1940, een nijpend tekort aan artillerie overhouden aan het 'avontuur' op het continent. Het BEF nam ongeveer 1,250 vuurmonden mee naar het continent, waarvan een belangrijk deel Vickers geschut uit WOI alsmede licht veldgeschut. Gezien de sterkte van het BEF, circa 500.000 man, was dit in verhouding net zoveel artillerie als het Nederlandse leger had.

De Belgen hadden circa 1,300 vuurmonden ter beschikking, waarbij een aanzienlijk deel aan forten en vaste verdedigingspunten verbonden was. Het grootste deel van het arsenaal bestond uit de 75 mm stukken veldgeschut en de 105 mm veldhouwitser. Een bescheiden deel was zwaardere tot zeer zware artillerie, geheel van oudere signatuur.

Het Nederlandse leger had ruim 800 vuurmonden, waarvan echter 108 verwaarloosbare stukken 8-staal. Daarom is het zuiverder om van slechts 700 [693 stuks is het precieze aantal] uit te gaan. Die 700 vuurmonden waren voor een belangrijk deel verouderd. Alle stukken die als houwitser werden aangeduid waren qua ontwerp van voor 1918, en hadden een beperkt bereik [maximaal 8,5 kilometer]. De gemoderniseerde standaard Krupp vuurmond 7-veld was een uitstekend wapen, waarvan een 300 stuks beschikbaar waren. Het was echter een licht wapen, in feite slechts geschikt voor infanteriebestrijding. De beste vuurmond was de moderne Bofors houwitser 10-veld, die in Nederland (onterecht) als veldgeschut werd aangeduid. Deze beide laatste vuurmonden vormden met 350 stuks totaal precies de helft van het beschikbare geschut. De rest was van oude of zeer oude signatuur. In die verhouding liep Nederland ten opzichte van de overige Geallieerden niet uit de pas, met uitzondering van Frankrijk.

Om de verhouding geschut ten opzichte van de grootte van de legers te illustreren is de volgende eenvoudige vergelijking sprekend. Duitsland [3 mio man] had één artillerievuurmond op 400 man, Frankrijk [2,8 mio man] één op 262 man, het BEF [500,000 man] één op 400 man, België [600,000 man] één op 460 man en Nederland [280,000 man] één op 400 man. Het Franse cijfer is zelfs nog gunstiger als men bedenkt dat de sterkte in feite voor de landmacht manschappen nog iets lager dient te liggen wegens het meerekenen van de legerluchtmacht in het sterktegetal. 

Verhoudingsgewijs [naar totale sterkte leger] was de artilleristische sterkte van Nederland gelijk aan het Duitse, Britse en Belgische leger. De Belgische artillerie was zelfs 25% zwakker, opnieuw 'verhoudingsgewijs'. Een factor die menig publicist onbekend is als men de vele boeken en geschriften op materiële verhoudingen erop na zou slaan! Daar wordt Nederland maar al te vaak als zwakste broeder op artilleristisch gebied tussen de Geallieerden geplaatst. Naar nu duidelijk is, onterecht. Het is echter wel verklaarbaar dát Nederland die rol krijgt toegespeeld, omdat de officiële Nederlandse sterkte vaak als 400,000 man voor het gehele leger werd opgevoerd. Aangezien dan met 700 vuurmonden een verhouding 1:570 zou ontstaan, zou Nederland met afstand de slechtse verhouding vertonen. Dat deed het in mei 1940 dus niet.

Ook volgt uit de vergelijking dat de Duitser met circa 7,500 vuurmonden het moesten opnemen tegen 14,000 vuurmonden. Tweemaal zoveel. Zuiver kwantitatief gezien nogal een negatieve verhouding voor de Duitsers.

Gewapende pantserwagens en tanks

De verhouding van gewapende pantserwagens en tanks tussen de belligerenten is ook een interessante. Ook voor dit contingent wapens wordt door menigeen gedacht dat er een Duitse overwicht bestond. Dat dit volstrekt bezijden de werkelijkheid is, wordt duidelijk uit de volgende vergelijking.

Er bestaan nogal divergerende cijfers over de sterkte van het Duitse tankwapen. Algemeen aanvaard gegeven is dat ongeveer 3,400 tanks beschikbaar waren voor het gehele leger voor de inval in Polen, waarvan circa 2,400 in het westen zouden worden ingezet in tien tankdivisies. Het verschil van 1,000 tanks wordt verklaard door verliezen in Polen, inzet in Noorwegen, indeling aan het oostelijke front of in de opleidingcentra geplaatst.

Het getal van circa 3,400 wordt bereikt door de productiegetallen: 2,300 Pz.I en II, 430 Pz.III, 295 Pz.IV, 130 T-35 en 250 T-38. Niet opgenomen zijn 135 onbewapende [hoofdbewapening] commandovoertuigen. Van voornoemde types waren 523 Pz.I, 955 Pz.II, 349 Pz.III, 278 Pz.IV, 106 T-35 en 228 T-38 inzetgereed voor de tien tankdivisies aan het westelijke front op 10 mei 1940.

De types Pz.I, Pz.II en T-35 waren zeer licht gepantserd en bewapend. Het betekent dat slecht zo’n 850 middelzware [in gewicht, bepantsering en bewapening] tanks konden worden ingezet.

Aan Franse zijde was de situatie als volgt. De hoofdmoot van de Franse tankmacht werd gevormd door de middelzware Renault R-35 [1,601 st], de Hotchkiss H-35/H-39 [1,092 st] en Somua S-35 [430 st] alsmede de zware gevechtstank Char B-1 [405 st]. Overigens bezaten de Fransen op papier in totaal maar liefst 5,900 tanks, maar met name de FT-17/18 [1.580 stuks] waren nauwelijks het predicaat tank waard. Van deze aantallen, die in feite productieaantallen waren, waren er volgens onderzoekingen in mei 1940 slechts 4,100 stuks op enige wijze operationeel [binnen Frankrijk]. Er waren er zo’n 3,250 inzetbaar in het noordoostelijke leger. Dat getal wordt bereikt door 450 AMR/AMC-35, 900 R-35, 770 H-35/39, 100 FCM-36, 145 D1/D2, 300 Somua, 274 Char-B1/bis en 315 FT17/18. De H-39, D1/D2, S-35 en Char-B1 waren in feite de enige werkelijk goede c.q. voldoende gepantserde en bewapende tanks. De overige tanks – zoals de ontwerpen AMR/AMC, FT-17, R-35, H-35 en FCM-36 – waren weinig succesvolle tanks. Ze bezaten een matig tot slecht pantser en een ronduit slechte bewapening. De FT-17/18 was een WOI product, waarbij de ‘18’ versie een moedige modernisering was. Het waren echter niet veel meer dan rijdende mitrailleurnesten. Desondanks konden de Fransen dus beduidend meer tanks in het veld brengen dan de Duitsers.

De Britten hadden een aanzienlijk aantal tanks naar Frankrijk overgebracht. Voor de Britten gold dat hun beschikbare tanks vooral lichtere tanks waren. De Britten hadden zich qua productie met name toegelegd op Infantry Tanks en zogenaamde Cruiser Tanks. Dit waren de A-9 [12 ton, 9-14 mm pantser, 40 mm kanon], A-10 [14 ton, 6-30 mm pantser, 40 mm kanon], A-11 Matilda I [11 ton, 10-60 mm pantser, .303 of .50 MG], A13 Mk.I [14 ton, 6-14 mm pantser, 40 mm kanon] en de A13 Mk.II [14 ton, 6-30 mm pantser, 40 mm kanon]. Deze lichte tanks waren stuk voor stuk slecht tot matig gepantserd. De bewapening was wel redelijk goed, met uitzondering van de zwak bewapende, maar weer beter gepantserde, Mathilda I. Slechts enkele middelzware Infantry Tanks van het type Matilda II [A-12, 27 ton, 20-78 mm pantser, 40 mm kanon] waren van prima kwaliteit voor de status van het gevecht in 1940. De Britten zouden 640 tanks van de drie types A10, A12 en A-13 inzetten.

Het Belgische leger beschikte over een klein aantal tanks, 270 stuks. Het waren slechts lichte tanks, waarbij de T-15 meer weg had van een pantserwagen. Het waren de 6-tons T-13, een gepantserd voertuig met een 47 mm kanon en de 6 tons T-15 met een zware mitrailleur .50. Daarnaast enkele 14 tons AMC-35 van Renault, aangepast met een 47 mm kanon.

Nederland bezat geen enkele tank [waarbij een voorhanden proefexemplaar FT-17 wordt genegeerd]. Hoewel generaal Reynders als chef-staf al in de jaren 1935-1937 had aangedrongen op de aanschaf van deze wapens, kreeg hij keer op keer nul op het rekest. De latere minister van defensie Dijxhoorn waagde het zelfs – nog als majoor en stafofficier – de aanvraag voor aanschaf van tanks door zijn superieur Reynders van een eigen advies aan de minister te vergezellen, waarin hij verklaarde dat tanks geen toekomst hadden. Dat had volgens Dijxhoorn de oorlog in Spanje wel bewezen. Dat deze merkwaardig functionaris er faliekant naast zat – en niet voor de laatste keer – was in de zomer van 1940 een ieder duidelijk. 

Al met al betekende het dat de 2,400 Duitse tanks op papier een overmacht zouden treffen. Hun 850 middelzware tanks werden door een minstens gelijk aantal aan de andere zijde tegemoet gezien. Het contingent er direct onder was met overtuiging voor de Duitse tegenstanders. 1,550 lichte (in gewicht, bewapening en pantsering) Duitse tanks tegenover circa 3,300 lichte Geallieerde tanks. Een vergelijk in totaal geproduceerd tonnage [1919-1940] tussen Frankrijk [61,645 ton] en Duitsland [36,650] laat zelfs een dubbel tonnage aan Franse kant zien, hoewel men de betrekkelijkheid van zo'n geproduceerd tonnage hopelijk inziet.

Als men kijkt naar bewapende pantserwagens – gepantserde wielvoertuigen met een gevechtsdoel – dan ontliepen de belligerenten elkaar niet veel. Het aantal beschikbare Duitse pantserwagens van dit kaliber is niet betrouwbaar bekend. Productieaantallen [april 1940] geven aan dat er 190 Kfz.13/14, 300 Sd.Kfz.221 (1) (serie), 150 Sd.Kfz.231 (6-wiel plus 263 variant), 55 Sd.Kfz.231 (8-wiel) en nog enkele tientallen exotische pantserwagens uit Poolse en Tsjechische bestanden waren. Van deze ongeveer 750 geproduceerde pantservoertuigen werden er circa 125 in Polen uitgeschakeld. Het betekende dat het Duitse bestand aan Panzerspähwagen in mei 1940 rond de 600 stuks zal hebben gelegen. Het segment Kfz.13/14, in feite een gepantserde personenauto, was slechts met een MG uitgerust. De Sd.Kfz.221/222 was in diverse versies in gebruik. De meeste waren ook slechts met een MG uitgerust, maar een aanzienlijk aantal kreeg nog voor mei 1940 een 20 mm kanon als bewapening naast een MG.34. De Sd.Kfz.231 (incl. 232 en 263) had een 20 mm kanon en een MG als bewapening. Al deze wagens hadden een relatief dunne bepantsering. De 221 had een frontaal pantser van maximaal 14 mm, de 6-wiel en 8-wiel 231 een frontaal panter van 10-14 mm. De bewapende pantserwagens zouden nooit echt populair worden in het Duitse leger. Pantserwagens [of halfrups] voor troepenvervoer of universele ondersteuning hadden de Duitsers ook in aanzienlijke aantallen. Deze waren vooral in gebruik bij de gemotoriseerde eenheden alsmede de Panzergrenadiere, de pantserinfanterie (hoewel die pas later zo benoemd zouden worden). De Sd Kfz 251 en varianten zijn het meest bekend. Bij de meeste tankdivisies was één Schutzenbatallion of een deel daarvan met die Sd.Kfz.251 uitgerust, de rest van de infanterie werd met vrachtwagens vervoerd. Bij twee tankdivisies (w.o. 9.PD) ontbraken de pantserrupsen nog geheel.

(1) Kfz = Kraftfahrzeug - Sd.Kfz - SonderKraftfahrzeug: afkortingen die ontstaan waren in de periode dat het Duitse leger vanuit het Versailles traktaat geen pantserwagens en tanks mocht bezitten, hoewel dit later tot een getal van 150 licht bewapende pantserwagens alsnog werd toegestaan.

Aan Franse zijde was er in feite slechts één type pantserwagen dat veelvuldig voor de offensieve verkenning werd gebruikt. Dat was de Panhard AMD-178 zware pantserwagen. Deze 8,2 ton zware wagen was met een frontaal en torenpantser van 20 mm voor een pantserwagen goed gepantserd. Het 25 mm Hotchkiss kanon een redelijke hoofdbewapening. Van dit type waren er rond de 400 operationeel in mei 1940, terwijl er nog een 150 tijdens de strijd werden gebouwd. Er was ook nog een contingent van ongeveer 50 oudere Panhard [type 165-175], circa 100 White-Laffly [type 50 / 80] en zo’n 90 stuks van de Citroen P16 voor de verkenningsrol. Bij elkaar hadden de Fransen ongeveer 700 gewapende pantserwagens, vrijwel gelijk aan het Duitse aantal. De Franse tegenhanger van de Britse Universal Carrier was de Renault UE/2 chenillettes. Hiervan waren er rond de 5,000 geproduceerd. Ze waren meestal onbewapend en werden voor diverse logistieke rollen ingezet. Daarnaast hadden de Fransen allerhande halfrupsen voor enige infanterie onderdelen en vooral als artillerietrekkers. Het aantal Franse pantserwagens was aanzienlijk meer dan het Duitse.

De Britten hadden in mei 1940 geen belangrijke pantserwagens in een verkennersrol. De Morris CS9 – 14 mm frontaal pantser en een 7,7 mm MG – was met 40 stuks vertegenwoordigd bij het BEF [Royal Lancers]. Enkele RR Armoured Cars, met een 7,7 mm MG, waren ook in gebruik. Het waren meer gepantserde auto’s, dan werkelijke pantserwagens. Het Britse leger had wel een aanzienlijk contingent aan Cardon-Lloyd Carriers, die later – ook in aangepaste vormen – beter bekend werden als de Universal Carrier of Brencarriers. Dit met een 7-10 mm gepantserde voertuig was bewapend met of een Vickers 7,7 mm MG of een zogenaamde Brengun van 7,7 mm. Het werd gebruikt als vervoermiddel maar evenzo als verkenningsvoertuig. Een onbekend aantal van deze lichte [3,75 ton] pantserwagens was voorhanden. Ze waren goed voor bescherming tegen lichte vuurwapens, maar buitengewoon kwetsbaar.

De Belgen gebruikten geen pantserwagens voor verkenningstaken. Hiervoor werden de lichte tanks ingezet. Aan Nederlandse zijde waren er 26 Landsverk pantserwagens, types L-180 en L181. Het waren 7 tons zware pantserwagens, met een 37 mm Bofors kanon als hoofdbewapening (behalve bij twee commandowagens) en drie mitrailleurs Lewis 7,9 mm als nevenbewapening. De toren had 9 mm pantsering, het overige pantser was slechts 5 mm dik. Daarnaast waren er 12 pantserwagens DAF M.39 afgeleverd, waarvan maar zes gevechtsklaar en zes in verschillende staten van revisie of uitrusting. Deze wagens waren qua pantsering en bewapening gelijk aan de Landsverk. Bij elkaar dus 38 pantserwagens voor gevechtsdoeleinden, waarvan 32 gevechtsgereed. Hoewel niet aanzienlijk in aantal, waren ze qua bewapening als haast gelijk te stellen aan lichte tanks. Tenslotte waren er vijf Cardon Lloyd Vickers die bedoeld waren als voertuigen voor het Korps Rijdende Artillerie. Ze worden niet meegeteld als AFV's. Nederland had dus 32 pantserwagens gevechtsklaar.

Het betekent dat de Duitsers met circa 600 gevechtspantserwagens geen werkelijk overmachtige tegenstander troffen. Daarnaast was de wijze waarop deze verkenningspantserwagens werden ingezet niet anders voor de belligerenten. 

Mechanisatie en mobiliteit

Een buitengewoon goed bewaard spookverhaal is dat van het machtige en volledig mobiele Duitse leger dat in mei 1940 de grenzen van de Westelijke mogendheden overschreed en gehakt maakte van de archaïsche paard en wagen legers die zij tegenover zich vonden. Deze tot op de dag van vandaag gepredikte én geloofde verhalen zijn klinkklare nonsens.

Het Duitse leger had niet meer auto’s, vrachtwagens, motoren en gepantserde personeelsvoertuigen dan de geallieerde legers - in tegendeel. Op 10 mei 1940 was circa 10% van het gehele leger – ongeveer 500,000 man – in grote of aanzienlijke mate gemotoriseerd. Dat betrof de tien pantserdivisies, de vier gemotoriseerde infanteriedivisies, de SS eenheden en een regiment (Gross Deutschland), enkele gemotoriseerde delen van de Erste Welle divisies alsmede enkele kleinere verbanden. Zweite Welle divisies – ofwel de divisies van de tweede uitbouwfase van de landmacht – waren al grotendeels op fiets, paard en wagen aangewezen. Dritte en Vierte Welle divisies – uit 1938 en 1939 – waren helemaal op fiets, paard en wagen aangewezen en konden de auto’s en vrachtwagens in hun gelederen makkelijk op één hand tellen.

Dat het fabeltje van het gemotoriseerde Duitse leger zo postvatte kwam door de Duitse kunst van de concentratie. Voor zover niet ingezet in Noorwegen of als veiligheidsmacht aan de oostgrens gehouden, werd bij kans ieder motorvoertuig dat het Duitse leger bezat ingezet in de eerste en meest voorname aanvalsgolf richting de Atlantische kust. De tweede golf Duitse troepen kwam per fiets, paard, wagen of gewoon lopend achter de voorste gelederen aan. Die beperkte motorisatie bleek ook wel toen de Duitsers uiteindelijk sneller dan gedacht tussen Dinant en Sedan over de Maas stormden en vrijwel zonder oponthoud doorstootten naar de Franse kust. Op sommige momenten lagen er vele tientallen kilometers tussen de voorhoede en de eerstvolgende eenheid. Dat daarmee risico’s werden genomen zij gezegd; het gaat hier om aan te tonen dat de tweede golf van Duitse eenheden alles behalve sterk gemotoriseerd was. Om van navolgende eenheden maar niet te spreken.

Paard en wagen

Nederland zag in die zin vrijwel alleen maar Duitsers die per fiets, paard, wagen of lopend het land in kwamen. Een van de redenen waarom al veel Nederlanders in de eerste uren en dagen van de strijd hun fiets, paard (en wagen), motor of auto kwijtraakten. Het was elders niet anders.

De Duitsers hadden bovendien zelfs aan paarden een groot tekort, evenzo aan fietsen. Het Franse leger was ook voor al haar B-type en stellingdivisies volkomen aangewezen op ouderwetse vervoersmiddelen. Voor de meeste A-type divisies gold dit al. De Fransen waren bovendien slecht in het onderhouden van hun paarden, en verloren er meer door ziekte en 'reguliere' sterfte dan door de strijd. Desondanks was het Franse leger bepaald niet armer in vergelijking tot de Duitsers als het aankwam op gemotoriseerd vervoer. De 22 actieve divisies waren grotendeels gemotoriseerd en daarnaast waren er nog allerhande snelle eenheden die uiteraard volledig gemotoriseerd waren. Een deel van die motorisatie kwam echter voort uit massale vordering van civiele vervoersmiddelen. Zo kwam het gros van de infanterie van het 7e Leger met Parijse stadsbussen naar Nederland en België. Dit vervoer was – net als de rest van het Franse leger – gecompliceerd georganiseerd. De Franse logistiek was opgedeeld in zelfstandige eenheden. Het betekende dat de meeste divisiecommandanten niet het directe bevel over hun ‘wielen’ hadden.

Het Belgische en Nederlandse leger waren in min of meer gelijke mate gemotoriseerd. Men kan gerust zeggen dat ook in deze landen 90% van de militairen volgens traditionele methode lange afstanden moest afleggen te voet. Voor deze legers gold echter dat een aanzienlijk deel, alvorens in het strijdperk te treden, helemaal geen lange marsen hoefde te maken. Zeker in Nederland was sprake van een Veldleger dat voor meer dan de helft al in haar hoofdweerstanden aanwezig was. In België was dit in veel mindere mate het geval, omdat de Belgische hoofdmacht voor de hoofdweerstand de Duitsers diende op te vangen. Zij hoefden echter geen enorme afstanden naar die hoofdweerstand af te leggen.

Voor het Franse leger – dat voor vervoer van zware middelen nog erg veel liet afhangen van de spoorwegen – was er sprake van een grote afstand die moest worden afgelegd alvorens men in (en voor) de Dyle stelling aankwam. Dat was een bijzonder groot nadeel, want vrijwel alle eenheden die hiervoor waren aangewezen waren te voet. Toen het front instortte na 14 mei betekende dit dan ook dat het noordoostelijke Franse leger direct in levensgevaar was, inclusief de wel gemotoriseerde eenheden die over de verstopte wegen slechts stapsgewijs vooruit kwamen.

Aan Duitse zijde was het weinig anders, zij het dat de voorste eenheden zich snel konden verplaatsen. Zoals gezegd kwam de tweede (en navolgende) golf via de geijkte methode aan op de plaatsen van bestemming. Menig Duitse soldaat marcheerde van Duitsland tot midden Frankrijk of de kanaalkust.  

Kwaliteit van de vergelijking

Als puur naar de statistiek wordt gekeken ontstaat een zuiver kwantitatieve vergelijking tussen Duitsland en haar tegenstanders (op het continent) die er als volgt uitziet:

Natie  Manschappen Tanks Artillerie
       
 Duitsland  3,000,000  2,400    7,500
 Geallieerden (totaal)  4,130,000  4,160  13,950
       
 Frankrijk  2,800,000  3,250  10,700
 Engeland     450,000     640    1,250
 België     600,000     270    1,300
 Nederland     280,000        0       700


Daarbij zijn enkele zaken, zoals antitank geschut, infanteriegeschut en luchtafweergeschut niet meegenomen. Die categorieën worden over het algemeen niet als differentiërende factoren in vergelijkingen gebruikt, en daar wordt ook hier maar niet van afgeweken.

De vergelijking toont onomwonden aan dat Duitsland op het integrale vlak op geen enkel hoofdonderdeel een overmacht had tegenover haar tegenstanders. Dat beeld verandert niet als ook de potentiëlen van de diverse luchtmachten naast elkaar worden gezet.

De kwaliteit of waarde van zo’n kwantitatieve vergelijking werd in de inleiding al aangestipt als zeer betrekkelijk. Recent voerde de Verenigde Staten, vooral door het Verenigd Koninkrijk ondersteund, een oorlog tegen Irak. Daarbij was de kwantitatieve overmacht op de grond duidelijk in het voordeel van Irak. Een verhouding die in 1991 zelfs nog veel sterker in het voordeel van Irak was. Het werd tweemaal kansloos verslagen. Nu is dat een voorbeeld van moderne oorlogsvoering, waar technologie een nog veel grotere rol speelt, maar zoals al eerder aangehaald was de prestatie van het kleine Finse leger in de winteroorlog 1939/1940 tegen de Sovjets wel een vergelijking in dezelfde tijdsgeest. Men kan aanvoeren dat de Sovjets technologisch niet bovenliggend waren. Desondanks voerde het toenmalige Sovjet leger massa’s tanks mee, en had het een enorme overmacht aan mensen. Toch wisten de Finnen door gogme en tactisch vernuft een onvoorstelbaar effectieve weerstand te bieden en een aantal tactische overwinningen te behalen op een veel talrijker en beter ondersteunde tegenstander.

Bovendien is het zo dat een aanvaller – zeker een die overtuigd is dat hij gaat winnen – zelf kiest waar zijn troepen te concentreren. Een verdediger zoals Frankrijk, die kiest voor een grotendeels statische verdediging, is gebonden zijn troepen grotendeels geleidelijk over zijn defensielijnen te verdelen. Vaak resteren dan slechts beperkte strategische reserves. De aanvaller kan daardoor vrijwel altijd een grote lokale overmacht bewerkstelligen. Als de aanvaller bovendien vrijwel overtuigd is dat hij de beslissing in een ‘paar tikken’ kan uitdelen, hoeft hij ook zijn troepen niet sterk te verdelen, maar kan hij met concentraties werken. Dergelijk denken en handelen biedt evident de aanvaller de opportuniteit met minder mensen als inzet te werken en daarmee ook zijn doelen te bereiken.

Heel nadrukkelijk toont het voorgaande de relatieve waarde van kwantitatieve vergelijkingen. Tegelijkertijd is ‘de mens’ gevoelig voor statistieken. Statistieken zijn een behang waartegen prestaties worden afgemeten. Een zwak voetbalteam uit een klein land dat wint van een gerenommeerde voetbalnatie uit een groot land, haalt steevast de voorpagina van de (sport)kranten. Statistieken zijn een houvast als men een snelle analyse van een gebeurtenis wil maken. Dat geldt des te meer als de inhoudelijke of vakmatige kennis beperkt is of ontbreekt. Dan gaat men des te meer prat op statistieken als onderlegger voor een (waarde)oordeel.

Kwaliteit versus kwantiteit

In het geval van de statistische vergelijking van legers zegt de zuiver kwantitatieve vergelijking in feite weinig. Voordat andere indirecte factoren als moreel, tactiek, strategie (etc.) erbij worden gehaald, is het vooreerst van belang de kwantitatieve vergelijking op een andere wijze met directe argumenten kwalitatief te beïnvloeden.

Daarmee maakt men de stap van een zuiver mathematische vergelijking – die men objectief zou kunnen noemen – naar een gewogen vergelijking – die men subjectief moet noemen. 

Het is namelijk zaak te kijken naar de kwaliteit van middelen. Dat is in de beschrijving hierboven al opgenomen. De kwaliteit van artillerie en tanks werd al nader omschreven. Dat geeft een extra nuance aan de cijfers.

Het is echter nog veel meer van belang beknopt te beschouwen hoe de belligerenten hun middelen aangewend hebben om tot een werkelijk goede vergelijking te komen. Anders gezegd: om de kale nuchtere cijfers in het juiste c.q. een beter perspectief te zetten, is het noodzakelijk om te kijken hoe men de middelen aanwende voor het doel dat men wilde bereiken.

Visie en doctrine

Er waren twee zaken die vermoedelijk de meest voorname verschillen weergeven tussen de Duitsers enerzijds en haar tegenstanders anderzijds. De eerste was de algemene tactische en strategische doctrine en de tweede de wijze waarop legereenheden zich lieten leiden.

Er was een fundamenteel verschillend uitgangspunt aan beide zijden van het front. De Duitsers waren uit op een snelle en beslissende strijd, waarbij men zich sterk op mobiliteit, gebundelde kracht en het ononderbroken offensief toelegde. De tegenstanders van Duitsland gingen uit van een langdurige strijd op basis van een grotendeels statische oorlogsvoering met verdeelde krachten. Een groot verschil!

De Fransen waren na WOI volkomen stil gevallen in hun militaire ontwikkeling. De keuze voor de weinig verheffende krijgsheren uit WOI als de militaire nestors van het land, maakte dat Frankrijk koos voor een klein staand leger, een formidabele defensielijn [‘la frontier continue’] langs haar buitengrenzen en dat het streefde naar een statisch defensief – in geval van oorlog – op vreemd grondgebied [België]. Petain was de geestelijk vader van dit alles en zijn opvolgers Weygand en Gamelin zetten deze lijn voort. De Franse legertop – door de politiek en het volk gesteund – bleef vastgeroest aan oude ‘wijsheden’ en verkeek zich op de overwinning op Duitsland.

Die winst – zo achtte men in Frankrijk – was te danken geweest aan de Franse strategische superioriteit. Een apert onzinnige conclusie, want het was met name de combinatie van de toetreding van de Verenigde Staten tot de oorlog en de revolte aan het thuisfront in Duitsland geweest, wat de ruggengraat van Duitsland in november 1918 had gebroken. Zelfs vlak voor de Duitse capitulatie in november 1918 toonde het Duitse leger met de nieuwe Infiltrationstaktik [soms ook wel Hutier tactiek genoemd, naar de ontwerpen General Oskar von Hutier] aan dat zij de Geallieerden nog danig in de verlegenheid konden brengen.  Het was echter de Franse arrogantie en de Franse claim op de ‘victoire’ die hen in de opmaat naar WOII lelijk zou opbreken. De Franse legertop bleef zich koesteren in zelfgenoegzaamheid, en de militaire scholen predikten het evangelie van de eigen Franse meesters. Militaire deskundigheid in het buitenland, die wees op de ontwikkelingen van het tankwapen, de mechanische oorlogsvoering en de tactische mogelijkheden van een sterke luchtmacht, werd arrogant van de hand gewezen. Zelfs veelbelovende officieren in eigen gelederen, zoals Lieutenant-Colonel Charles de Gaulle, die in zijn ‘Vers l’armee de métier’ de noodzaak van een goed geoefende professionele kern in het leger alsmede het geschikt maken van het beroepsleger voor de mobiele oorlog besprak, werden achteloos terzijde geschoven. De commandant van het meest moderne mobiele leger van Frankrijk, Giraud, maakte de Gaulle zelfs belachelijk. Het was typerend voor het Frankrijk van voor 1940. Daar kwam bij dat hetzelfde Frankrijk door het wurgtraktaat van Versailles, zelf de bodem had gelegd voor zowel de opkomst van een nieuwe sterke Duits nationalistische politieke macht als een Duits leger dat op de meest moderne leest zou zijn geschoeid.

Want Duitsland had na Versailles uiteraard niet stil gezeten. Zoals Frankrijk tussen 1871 en 1914 enorme wrok jegens Duitsland had gevoeld, zo voelde Duitsland na 1918 een enorme wrok jegens de Fransen. De militairen hadden deze emotie in het bijzonder omdat zij zich militair gezien onoverwonnen achten. Ze voelden zich verraden door de revolutionairen en de politieke macht. Het feit dat slechts een onwerkelijk kleine legermacht van 100,000 man mocht worden gehandhaafd, leidde tot inventiviteit aan Duitse kant. In het geheim werden talloze experimenten uitgevoerd, werden samenwerkingen met de Sovjets opgezet en met Zweedse industriëlen informatie en onderzoeksresultaten uitgewisseld. De Duitse technische industrie werd bewust in omringende landen gedetacheerd, zodat wel voldaan werd aan het traktaat van Versailles, maar de kennis en kunde werd bewaard en uitgebouwd op vreemde bodem.

Ondertussen verdiepten allerhande vakofficieren zich in nieuwe technieken en tactiek. Duitsland verzamelde kennis in de hele wereld. Men nam kennis van de proeven die de Amerikaanse generaal William Mitchell nam met bommenwerpers tegen schepen, en bouwde daaruit de grondgedachte voor tactische aanvalsvliegtuigen. Men zag in de Sovjet Unie experimenten met parachutisten en luchtlandingstroepen, en nam dit tenslotte over. Men nam kennis van auteurs als Major-General John Fuller, de grondlegger van het Britse tankwapen en eerste tactische inzet, die geconcentreerde tankinzet predikte in menig publicatie tijdens het interbellum, maar vooral leerzaam uiteenzette welke logistieke uitdagingen een gemechaniseerd leger kende en hoe dit het best ontplooid kon worden. Zoals één van de voornaamste grondleggers van het Duitse tankleger, Heinz Guderian, het in zijn memoires [‘Erinnerung eines Soldaten’] opbiechte ‘Die meisten Erfahrungen hatten die Engländer und Franzosen gesammelt. Ich besorgte mir deren Schrifttum und lernte. Hauptsächlich waren es die englischen Bücher und Aufsätze von Fuller, Liddell-Hart und Martel, die mein Interesse erregten und meine Phantasie befruchteten. Diese weitsichtigen Soldaten suchten damals schon aus dem Panzer mehr zu machen, als nur eine Hilfswaffe der Infanterie. Sie stellten ihn mitten in die entstehende Motorisierung unserer Epoche hinein und wurden so die Bahnbrecher einer neuartigen Kriegführung grossen Stils.’ Het is niet verwonderlijk dat de Duitsers door de publicaties van met name Fuller de indruk hadden dat de Britten hun meest voorname tegenstanders zouden worden. Het zal een gedeeltelijke verklaring zijn voor de schromelijke overschatting van het Britse leger door de Duitsers aan de vooravond van de Westfeldzug. Hoe konden de Duitsers weten dat de visionairs in Amerika en Engeland stuk voor stuk werden verguisd en geïsoleerd?

Uiteindelijk ontstond in Duitsland in de jaren dertig een synergie van overgenomen en uitgewerkte ideeën van anderen. Vrijwel niets was authentiek Duits, hoewel gezegd moet worden dat de theorieën van Liddel Hart en Fuller deels wel waren gebaseerd op de tactiek die het Duitse leger tijdens WOI had laten zien; met name de Infiltrationstaktik had de Britten aangesproken, hoewel Liddell-Hart een poging deed slimmer dan de Duitsers te zijn. Het Duitse leger in de jaren dertig werd een soort smeltkroes van eigen bewezen tactische concepten, moderne wapens en nieuwe technieken. Daarbij passend een zeer moderne kijk op oorlogsvoering, zoals die in feite in 1914 al was getoond. Anno 1939 waren de mechanische middelen voorhanden om het werkelijk tot werkelijkheid te laten worden. De al anderhalve eeuw sluimerende Duitse strategische en tactische eigen school maakte uit fenomenen als 'Schwerpunkten', 'Bewegung', 'Infiltrationstaktik', 'Verbunden Waffen' en 'Führen mit Auftrag' een concept dat met die nieuwe middelen en de beperkingen van Versailles tot een optimum aan krachtenbundeling uitgroeien kon. Uit de harde kern van het beroepsleger was de perfecte basis ontstaan voor het kader van het nieuwe leger dat na 1935 razendsnel werd opgebouwd. Hitlers afkeer van de oude officiersschare bood aan innovatieve denkers als von Manstein, Guderian en Student een onverwacht prominent platform. Een ideale situatie was zodoende geschapen uit de opgelegde beperkingen van Versailles en het feitelijke verlies van WOI.

Zodoende stonden in 1940 twee grote legers tegenover elkaar die ook qua visie op ‘het moderne leger’ haast diametraal op elkaar stonden. Immers de Fransen dachten in deconcentratie, in een statisch dispositief met een mobiel detail als versiering, en de Duitsers dachten aan een sterke concentratie, een dynamisch dispositief met slechts een statische verdediging als noodzakelijke beveligingsdetail. Eenvoudiger gesteld: het Franse leger dat defensief en grotendeels in statische oorlogsvoering dacht, dat zijn krachten sterk had verdeeld en zich voorbereid had op een langdurige strijd. Een Duits leger dat sterk offensief dacht, zijn krachtige eenheden concentreerde, zijn sterke kern zuiver op gemechaniseerde dynamische oorlogsvoering had voorbereid en uitging van het alles overheersende streven naar een snelle beslissing. De klassieke figuur ontstond zodoende van de onorthodoxe aanvaller met zijn nieuwe technieken en tactieken en de conservatieve verdediger die zich vooral op oude bekende technieken en tactieken had voorbereid.

Het tweede onderscheidelijke patroon herkent men in de wijze waarop de legers werden aangevoerd, zowel op strategisch als op tactisch niveau. Het Franse leger had een volmaakt ouderwetse, uiterst logge bevelstructuur. Die structuur had een ingebouwde staffeling van hiërarchische commando’s die zich beperkt wisten door een strikte hiërarchie en beperkte handelingsvrijheid. Omdat bovendien de legereenheden wel overwogen verdeeld waren in een defensief dispositief, had het veldleger nauwelijks ruimte tot improvisatie – zelfs al zouden ze die ruimte gehad hebben. Aangezien de bevelhebbers strikt werden gehouden aan de defensieve plannen [de Dyle strategie], waren de bevelen en instructies aan lagere commandanten in die zin even rigide. Bovendien was het eigen initiatief in het Franse leger ongewenst. Men diende gehoorzaam te luisteren naar de strikte instructies van de superieur. Het betekende simpelweg dat als een zekere bevelhebber van een eenheid te velde constateerde dat zijn tactisch bevel niet volgens de uitgereikte route en voorschriften bereikbaar was, dat het bevel dus niet uitvoerbaar was. Men dacht niet in kansen, maar in bedreigingen. De structuur die de Duitsers (Pruissen) tot 1806 - de verpletterend verloren slag bij Jena - de 'Befehlstaktik' hadden genoemd. Die slag was voor de Pruissen (en nadien de Duitsers als verbonden natie) het keerpunt in militair denken geworden.

Hoe anders was het Duitse systeem. Duitsland staat valselijk onder slecht ingevoerde lezers bekend om het ‘Befehl ist Befehl’ principe. Men denkt daaraan te kunnen ontlenen dat Duitse militairen sterk bevelafhankelijk waren en zodoende rigide en onbuigzaam opereerden. Dat is een fundamenteel verkeerde gedachte. In het Duitse leger werd het kader, van hoog tot laag, onderricht in het principe van ‘Auftragstaktik’ ook wel het ‘führen mit Auftrag’ genoemd. Het tactische doel was (inderdaad) heilig, maar de wijze waarop de bevelvoerders dat zouden bereiken mochten zij zelf bepalen aan de hand van beschikbare mensen, middelen, omstandigheden en tijd. De bevelhebber werd geacht missiegericht te werk te gaan. Kortom, er werd geen statische houding of een schematische uitvoering van het bevel verwacht van een bevelhebber, maar hij werd uitdrukkelijk opgeleid, geinstrueerd en gemotiveerd zijn tactische kunsten ten uitvoer te brengen. Hij werd niet met zowel een tactisch doel als een vast stramien om dat doel te bereiken op pad gestuurd. Dat betekende dus dat als de aangetroffen omstandigheden zich wijzigden, de bevelvoerder zijn plannen ook onmiddellijk zou aanpassen. Ook als hij hierdoor – met behoud van zekerheid ten aanzien van het opgegeven tactische doel – meer kon bereiken dan hem opgedragen was. Bovendien werd een bevelvoerder niet op pad gestuurd met een ‘domme missie’, ofwel met een missie zonder het ‘hogere’ tactische doel van de eenheid te kennen, zoals dit bij de Geallieerden zo vaak wel gebeurde anno 1940. Aan Franse of Nederlandse zijde werden vaak officieren op missie gestuurd met bevelen in de trant van ‘verover dat kruispunt’ zonder te weten waarom dat kruispunt van belang was. Een Duitse bevelhebber wist waarom hij zijn bevel kreeg en welk doel hij daarmee diende of – bij falen – in gevaar zou brengen. Hij dacht vooral in kansen indachtig de mogelijke bedreigingen. Een fundamenteel ander uitgangspunt dan bij de tegenstanders, die de rigide en door de Duitsers allang afgezworen 'Befehlstaktik' toepasten.

De oude oorsprong lag in de Moltke tactiek. De oude Moltke had de geneugten van de 'Autragstaktik' gedicteerd en deze was nadien door de oorlogen tegen Frankrijk in 1870 en 1914 nog verder uitgewerkt. In 1870 had het excellent gewerkt, werkte uitstekend in het begin van de uitvoering van het Schlieffenplan in de late zomer van 1914, maar stagneerde eind 1914 doordat de strijd verzandde in de Sitzkrieg waarbij de (gedwongen) statische slagvelden de toepassing van de Auftragstaktik neutraliseerden. Ze kreeg echter nog even nieuw elan toen de kort tevoren geintroduceerde Infiltrationstaktik in de zomer van 1918 met succes werd uitgevoerd. Daarbij moesten stoottroepen zwakke plekken in de verdediging van (met name) de Fransen zoeken, waarna concentraties van eenheden diepe penetraties op die gesignaleerde zwakke plekken dienden uit te voeren. Daarbij kwamen weer de geneugten van de Auftragstaktik naar voren. De moderne oorsprong van de Autragstaktik lag in het 'honderdduizend leger' dat als gevolg van de Versailles traktaten resteerde na 1919. De nieuwe Duitse legerleiding besloot dit leger tot een leger van kaderleden op te bouwen. Zodoende werd iedere rang opgeleid voor de direct opvolgende rang. Zodanig dat zij later als het leger weer zou uitbreiden - daar twijfelde men immers niet aan - eenvoudig te taken van de hogere rang kon uitvoeren. Het gevolg was dat Duitse onderofficieren werden opgeleid voor de rang van pelotonscommandant en dus tactisch als zodanig geschoold werden. Korporaals en sergeanten werden opgeleid als pelotonscommandanten, zodat zij die functies moeiteloos konden uitvoeren. Voor luitenants betekende het dat ze compagnies moesten kunnen leiden en kapiteins bataljons. Het meest voorname in deze doctrine was dat het gehele onderofficieren kader tactisch was onderrricht. De vruchten daarvan werden met name in de eerste twee oorlogsjaren geplukt. Men deze kennis in gedachte is het voor de lezer veel beter verklaarbaar waarom Duitse onderofficieren en subalterne officieren verantwoordelijk waren voor relatief zoveel belangrijke of beslissende successen tijdens de Westfeldzug. Daarvan zijn legio voorbeelden aan te dragen.

De Auftragstaktik betekende veel vrijheid op reeds de laagste niveaus, zoals groepsniveau en pelotonsniveau. Maar die tactische vrijheid kreeg niet alleen de pelotonscommandant. Het principe van relatief grote autonomie voor de uitvoerders van een tactische opdracht gold tot aan de hoogste legeronderdelen. Uiteraard was het zo dat hoe hoger op de tactische ladder, hoe dichter men de beperking van de strategie (of de operatie) opzocht. Men moet zich daarbij realiseren dat ieder onderdeel in feite een sector [vak] kreeg toegewezen. Binnen dat vak kende men vooraf de tactische [of tactisch-strategische] doelen. Als dus een Legerkorps met twee divisies als opdracht kreeg om een zekere linie te doorbreken, dan kon de legerkorps commandant binnen zijn legerkorpsvak besluiten de beide divisies te bundelen en dus een gepaarde tactische opdracht binnen het vak te geven, of beide divisies in hun eigen vak autonoom de tactische opdracht geven de linie te doorbreken. De divisie kon er dan weer voor kiezen binnen regimentsvakken eenzelfde afweging te maken. Enzovoort. Zodoende wist een Legerkorpscommandant op 20 km achter het front in feite niet ‘hoe’ maar wel ‘dat’ zijn onderdelen het tactische doel van het legerkorps zouden nastreven. Deze doctrine van bevelvoeren stond of viel met de kwaliteiten van het kader, en daarom werd Duits kader op de beginselen ervan goed opgeleid en voorbereid. Het zou tijdens de oorlog door de steeds vluchtiger wordende opleiding, steeds slechter worden bijgebracht. De grootste zondaar echter tegen de beginselen van de zeer efficiënte Auftragstaktik was al spoedig de opperbevelhebber zelf. Deze zou zich vanaf de start van operatie Barbarossa in toenemende mate van achter zijn staftafel intensief gaan bemoeien met de uitvoeringswijze van zijn bevelen, met als absoluut dieptepunt de Slag om Stalingrad. Anno mei 1940 was echter een volledig in de Auftragstaktik geoefend kader in het Duitse leger voorhanden.

Er was nog één aspect dat de Duitsers een flinke voorsprong gaf. Tegenwoordig spreekt men in het militaire metier van C3I of C4I. Het C3I (C4I) concept staat voor Command, Control, Communications (Computers) and Intelligence. Command and Control is in wezen terug te voeren op de al besproken Auftragstaktik. De Communications and Intelligence verwijst echter naar een ander aspect van het Duitse leger anno 1939/1940. Het Duitse leger hechtte bijzonder sterk aan verbindingen en communicatie. Door het verdrag van Versailles was men nauwelijks in staat geweest om geavanceerde communicatiemiddelen voor haar eenheden te construeren, maar vanaf begin jaren dertig begon men daar toch aan. Vanaf 1934 nam het een grote vlucht. Een bijzonder opvallende differentiërende factor tussen de Duitse en Franse tankdivisies was het gegeven dat alle Duitse tanks met radio-apparatuur waren uitgerust. Men kon dus individuele tanks of pelotons aansturen tijdens de strijd. Bij de Fransen waren alleen de eskadronscommandanten van een radio voorzien. Dat betekende dat men tijdens de stijd de tanks nauwelijks kon bijsturen. Ook de Duitse infanterie en alle overige eenheden waren uitgerust met veel radio zend/ontvang apparatuur. Gemotoriseerde eenheden hadden meerdere midden- en langegolf zenders aan boord van vrachtwagens of pantserwagens. Dat brengt ons naar het Intelligence aspect. Geheel naar de theorie van Cluasewitz was inlichtingen verzamelen in het Duitse leger geen passieve maar een actieve taak. Het was zelfs een agressieve factor. Duitse eenheden waren veelal met sterke verkenningseenheden uitgerust. Deze hadden bij de tankeenheden de taak diep te penetreren en inlichtingen te verzamelen over de sterkte en zwakte van de tegenstander. Vergelijkbaar met de Stosstrupptaktik als onderdeel van de Infiltrationstaktik van General von Hutier in 1918. In die zin echter fundamenteel anders, dat men gerapporteerde kansen of bedreigingen direct naar het hogere echelon (of de Luftwaffe) kon doorzenden, waarop onverwijld operationeel kon worden geanticipeerd. Hoewel deze operationele vaardigheden in mei 1940 nog vooral bij de tankeenheden werden beheerst, zouden ze vooral tijdens Fall Gelb (later in de eerste fase van Barbarossa) voor de Duitsers enorme operationele winst genereren. De Duitsers beheersten dus zowel de Command and Control component als de Communications and Intelligence aspecten. Dat maakte de voorhoede van het Duitse leger tot een buitengewoon superieure tegenstander tegenover een vrijwel blinde opponent. Dat voordeel werd bovendien in de derde dimensie door de Duitsers nog eens vergroot, door de ruime inzet van tactische en strategische verkenningsvliegtuigen alsmede de (overigens niet altijd goed werkende) grond-luchtverbindingen tussen landmacht en tactisch ingezette luchtmacht.  Dat laatste aspect ontbrak bij de Geallieerden vrijwel geheel. De Duitse superioriteit in de lucht maakte strategische luchtverkenning zelfmoord, tactische verkenning erg risicovol en een samenwerking tussen land- en luchtmacht kenden de Geallieerden in het geheel niet.  

De combinatie van tactische concepten, de bundeling van krachten, de strijdwijze van gecombineerde wapenen, de mobiliteit van de voorste eenheden alsmede de autonomie binnen de tactische beveluitvoering leverden Duitsland een enorme kwalitatieve voorsprong op ten opzichte van al haar tegenstanders in mei/juni 1940.  

Nawoord

Het zou zo moeten zijn dat de getallen inmiddels meer zijn gaan spreken met de aangebrachte nuances. De droge getalsmatige vergelijkingstatistiek komt tot leven als men zich de vele aan te brengen nuances indenkt. Het is daarom van belang dat de lezer zich bewust is van het feit dat het niet de getalsmatige macht van Duitsland was die het westen binnen acht weken volkomen op de knieën kreeg, maar de wijze waarop mensen en middelen werden aangewend en ingezet.

Pas als men zich realiseert dat de Duitsers jegens de verbonden verdedigende landen geen overmacht hadden, en op sommige aspecten zelfs aanmerkelijk minder middelen voorhanden hadden, krijgt men mogelijk meer inzicht in het feit dat de verbonden landen vooraf veel minder kansloos waren dan zo vaak als verklaring wordt gegeven in de literatuur. De snelle Duitse overwinning op de westerse landen had vele oorzaken, maar de vaak genoemde oorzaak van getalsmatige overmacht kan de aandachtig lezer van deze sectie met goed fatsoen niet meer als argument noemen.