De personele sterkte van de Duitse aanvaller

De personele sterkte en uitrusting van de Duitse aanvallers wordt in dit hoofdstuk uitgebreid behandeld.

De lezer krijgt inzicht in de sterkte van de landmacht eenheden die optraden in Nederland. Daarbij komt al snel naar voren dat van een algehele Duitse overmacht, zoals vaak gepretendeerd in krijgshistorische werken, geen sprake is geweest. Lokaal kan men die uiteraard wel constateren. Zo was de Duitse inzet tegen de Maaslinie of IJssellinie lokaal buitengewoon overmachtig. Anderzijds was bij de Duitse aanval in het westen een opvallend Nederlands overtal te noteren. Nadat de eenheden van het 6e Leger ons land verlieten, was het Nederlandse leger qua getalssterkte bepaald niet de mindere van de Duitse aanvaller. In tegendeel zelfs.

Het nauwkeurig en betrouwbaar samenstellen van een overzicht ten aanzien van de beide verbanden 7.FD en 22.(LL) ID was een uiterst precaire zaak. Menig Nederlandse auteur is stukgelopen op de beperktheid van bronnen over dit onderwerp. Dat vormde mede aanleiding om de gelande Duitse strijdkrachten decennialang schromelijk te overdrijven. Er is door de auteur jarenlang onderzoek gedaan en er zijn vele nieuwe bronnen gevonden die na uitvoerige bestudering aanleiding hebben gegeven tot het herijken van de sterkte en samenstelling van de parachutisten en luchtlandingseenheden die in West Nederland in de meidagen van 1940 werden ingezet. Tenslotte zal de lezer worden aangetoond dat er uiteindelijk na afronding van de laatste transportvluchten een strijdmacht geland is die hoogstens tussen de 9,000 en 10,000 man sterk was. Niet sterker dus dan een toenmalige Nederlandse divisie en beduidend minder sterk dan vaak in publicaties vermeld werd. Bovendien sterk verspreid over een gebied tussen Den Haag - Leiden - Rotterdam - Hoek van Holland - Dordrecht en Moerdijk.

Het is uiteindelijk gelukt om voor met name 22.ID een zeer betrouwbare sterkte weer te geven. Hoewel bij een dergelijke reconstructie te allen tijde voorbehouden dienen te worden gemaakt, kan de weergegeven sterkte worden onderbouwd met veel gegevens van Duitse origine. Gebleken is dat de operationele sterkte van het luchtlandende verband van 22.ID [het zogenaamde Fliegende Staffel] niet sterker was dan circa 8,700 man. Daarvan is bovendien slechts ongeveer de helft daadwerkelijk geland. Van het ter versterking beschikbare geleende regiment IR.72 zijn slechts vier compagnies geland. Zij waren bij elkaar maximaal zo'n 600 man sterk.

Voor 7.FD geldt dat de sterkte voor het geheel in veel mindere mate met harde cijfers kan worden onderbouwd en bij een afgeleide sterkte gespecificeerd blijft met uitzondering van enkele eenheden. Wel is er zekerheid omtrent ingezette en niet-ingezette onderdelen. Het leidt ertoe dat kan worden geconcludeerd dat 7.FD niet meer dan ca. 3,500 man inzetbaar had voor Nederland. Op een enkeling na is die sterkte ook werkelijk geland.

Er wordt in het hoofdstuk over de luchtlandingstroepen ook gesproken over de inzet van de Luftwaffe transporteenheden. Ook daar blijken de bronnen zeer inconsistent en vooral incompleet. De uiteindelijke benadering van de werkelijke inzet is slechts door enorm puzzelwerk tot stand gekomen. En daarbij zal zonder twijfel nog steeds een onzuiverheid zijn opgenomen.

De inzet van de Duitse Luftwaffe boven ons land, zeker op de eerste dagen van de strijd, was juist weer aanzienlijk groter dan lange tijd aangenomen. Het 'stafwerk' van Molenaar uit 1970 was veel te bescheiden in zijn begroting van de Luftwaffe inzet, en zelfs de grondige onderzoekingen van de redactie van Illusies en Incidenten heeft nog een te bescheiden getal voor de inzet gehanteerd. Nederland heeft bijna de helft van het voor het Westfront beschikbare Duitse luchtmachtpotentieel [op enig moment] tegenover zich gehad in de eerste dagen van de strijd. Die intensieve Luftwaffe aanwezigheid trof overigens ook het noorden van België. Dit had niet alleen een operationele component als grondslag. Strategisch gezien wilde men de Geallieerden maar al te graag overtuigen van de importantie van het noordelijk en centrale front, om de aandacht van de Panzergruppe Kleist in de Ardennen maar af te leiden. Vanaf 13 mei zou echter de Luftwaffe haar focus belangrijk verleggen naar het operatiegebied van de Ardennen, en zou Nederland veel minder Luftwaffe vliegtuigen zien. Hoewel de gemiddelde veterane Rotterdammer dergelijke statistieken natuurlijk nauwelijks als verteerbaar zal ervaren ...

Ook de sterkte en samenstelling van het voor het zuidfront zo prominente Duitse XXVI.AK (inclusief XXXIX.AK voor zover afwijkend) wordt systematisch weergegeven. In het bijzonder de eenheden die vanaf de grensoverschrijding tot aan Moerdijk en Rotterdam een belangrijke rol zouden spelen - 9.PD, 254.ID en 256.ID - worden 'ontleed'. Daarbij zal de geinteresseerde lezer veel correcties ervaren ten opzichte van de geijkte samenstellingen die door andere publicisten tot op heden voor waar werden gehouden.

Voor de kwaliteit van troepen, de uitrusting en de overige wetenswaardigheden is elders in de Proloog aandacht geweest. In de secties onder dit hoofdstuk wordt soms voor het juiste perspectief kort samenvattend teruggekeken naar eerder besproken zaken. Dat is uiteraard gedaan met een oog voor relevantie en tegelijkertijd rekening houdend met het voorkomen van nodeloze herhaling en overkill.

Dit hoofdstuk zal zich zonder enige twijfel blijven ontwikkelen. Er zal telkens weer aanleiding zijn aan de hand van nieuw bronmateriaal bepaalde getallen en sterktes aan te passen, uitrustingstukken en aantallen bij te stellen en andere gegevens te herijken.