Commandostructuur Zuidfront

Inleiding

De commandostructuur aan het zuidfront was uiterst complex. Daarom wordt hieraan dit hoofdstuk gewijd.

De structuur van bevelvoering binnen de Vesting Holland en specifiek voor het zuidfront wordt in deze proloogbespreking over het voetlicht gebracht. Een volledig dekkende reconstructie kan overigens niet worden gemaakt omdat de authentieke bronnen niet eensluidend en vooral niet compleet zijn.

Aanleiding voor veranderingen

Op 9 april 1940 werd ook het Nederlands AHK wakker geschud door de Duitse strategie van een zuivere overval tijdens de operaties in Scandinavi . Met name het aspect van masale luchtlandingen op vliegvelden deed de ogen verder open gaan ten aanzien van wat men k n verwachten bij een overval op Nederland.

De in mei 1940 niet actieve oud commandant van het Veldleger Ro ll had midden jaren dertig al gewezen op de vermoedelijke Duitse wens om middels een strategische overval een offensief in het westen in te zetten. De toenmalige chef-staf van het leger (in vredestijd de hoogste militaire functie) generaal I.H. Reynders had Ro ll voorgehouden dat in de moderne tijd een dergelijke strategische overval niet voor de hand zou liggen. Daarvoor - zo beweerde Reynders - was immers eerst een grote concentratie noodzakelijk. Ro ll beaamde dat die concentratie noodzakelijk was, maar wees op het feit dat tussen concentratie en werkelijke overval nog een aanzienlijke interval kon liggen, waardoor alsnog een grote mate van verrassing in de rede lag. Ro ll werd volledig in zijn veronderstellingen bewaarheid op 10 mei 1940.

Generaal Winkelman was in april 1940 zich ook bewust geworden dat een strategische overval aan de orde kon zijn. Mede gevoed door zijn commandant Luchtverdediging n de Minister van Defensie werden allerhanden maatregelen genomen om luchtlandingen in het westen des lands tegen te gaan. Maar dat was niet alles was er naar aanleiding van de aanval op Noorwegen aan maatregelen werd genomen.

De Vesting Holland Oost was voordien al als hoofdverdediging vervallen. Generaal Winkelman had samen met de commandant Veldleger het besluit genomen dat de Grebbelinie meer geschikt was als duurzame verdedigingslinie dan het oostfront Vesting Holland. het betekende dat het oostfront van de vesting nog slechts enige troepen van de vestingeenheden kreeg toebedeeld. Dat veranderde in april 1940, toen Brigade C en D naar het zuidfront werden verplaatst. Het oostfront Vesting-Holland verviel daarmee als frontdeel in het gezagsgebied van de Commandant Vesting-Holland. Want de troepen die na 15 april 1940 in het oostfront bleven liggen, enkele bataljons, waren van de zogenaamde Brigade G. Dat was een verband dat was gevormd om het 3e Legerkorps weer aan te vullen nadat dit onder achterlating van zes bataljons uit Brabant zou zijn ge vacueerd. De Brigade G viel onder de CV en daarom verloor de C-VH zeggenschap over het oostfront (m.u.v. het zuidoostelijke deel), hoewel de onder hem ressorterende commandant Oostfront - generaal-majoor Fruijt van Hertog - formeel in functie bleef.

Brigade C ?? die tot 9 april in het oostfront van de Vesting had gelegen ?? werd aangewezen voor de verdediging van het zuidfront ter hoogte van het vak Eiland van Dordrecht/Hoekse Waard Oost, en zou vanaf dat moment doorgaan voor Groep Kil [naar de waterweg op haar linker flank]. De bestaand bezetting schoof op naar het westen, en werd de aanliggende Groep Spui. De commandant van de Groep Spui [kolonel de Brauw] was tot dat moment de Commandant Zuidfront Vesting Holland geweest, nadat kolonel Van der Bijl die functie had neergelegd om de chef-staf landmacht op te volgen als C-LD in februari 1940. Met de verplaatsing werd de functie van Commandant Zuidfront echter opgeheven, althans, ze werd gedelegeerd aan de Commandant Vesting Holland, de Generaal Van Andel, en zodoende te Den Haag gevestigd. Hierdoor bestond het zogenaamde Commando Zuidfront nog slechts op papier.

Binnen de Vesting-Holland werd nog veel meer geschoven. De vliegvelden en hun bezettingen (op enkele niet relevante uitzonderingen na) binnen de Vesting, kwamen geheel onder de Commandant Luchtverdediging. Dat betekende dus inclusief de aanzienlijke contingenten landmacht militairen en middelen die de nabij verdediging van de vliegvelden tot taak hadden. De depots bleven onder de Minister van Defensie, waarbij de commandovoering gedelegeerd was aan de OLZ. Rechtstreeks werden de depots door de Inspecteurs der Wapens aangestuurd. Het in VH gelegerde 1e Legerkorps viel rechtstreeks onder de OLZ net als de grote Etappen en Verkeersdienst.

Troepen- en onderdelen onder commando C-VH

Aan de vooravond van de Duitse inval vielen de volgende troepen en onderdelen onder de C-VH.

Het westfront - door een separate stafsectie direct aangestuurd - bestaande uit zes zelfstandige Groepen (of Posities), zijnde Groepen Alkmaar, Haarlem, Leiden en Den Haag alsmede de Posities IJmuiden en Hoek van Holland. de Positie (Stelling) Den Helder was een zelfstandige positie, direct ressorterende onder de OLZ. Bovendien vielen onder de C-VH alle troepen die gelegerd waren aan de kust, inclusief de kustartillerie binnen de voornoemde Groepen en Posities.

Het oostfront, onder rechtstreeks bevel van het commando Gouda, en inhoudende de Groepen Merwede, Lek, Utrecht, Nieuwersluis en Naarden. Nadrukkelijk zij echter bepaald dat de Groepen Lek, Utrecht, Nieuwersluis en Naarden in feite min of meer lege verbanden waren met slechts n bataljon en enkele kleine stafverbanden. Zou de strijd zich naar het oostfront van de Vesting begeven, dan zou het Veldleger tot die positie zijn teruggetrokken (zo was de overweging) en zou de CV het bevel daarover voeren. C-VH was dus vooral 'chef lege dozen' op het oostfront, met uitzondering van de zuidoostelijke Groep Merwede.

Het zuidfront, dat zonder lokaal integraal commando rechtstreeks (d.w.z. Groepsgewijs) onder de C-VH viel. Het betrof in hoofdzaak de beide Groepen Kil en Spui.

Luitenant-generaal J. van Andel

Bovendien vielen onder de C-VH de zogenaamde kantonnementen binnen de Vesting Holland. Iedere grotere legeringsplaats kende een fungerend kantonnementscommandant. In vredestijd betekende dit niet zo veel, maar in oorlogstijd hadden kantonnementscommandanten de taak van het hoogste Militaire Gezag en vielen zij ondanks aanwezige kantonnementsvreemde legeronderdelen niet onder het gezag van eventueel aanwezige hogere officieren. Zij waren rechtstreeks ressorterend onder de C-VH, waardoor zij zonder diens uitdrukkelijke instructies die anderszins bepalen zouden, autonoom bleven. Voorname kantonnementen op het zuidfront waren Rotterdam, Dordrecht en Gorinchem.

E n bijzonder onderdeel was beschikbaar gesteld aan de C-VH. Dat was 1.RHM, dat was toegewezen aan de Groep Den Haag voor strategische beveiliging van deze belangrijke stad.

Tenslotte had de C-VH het bevel over het IJsselmeerflotielje, bestaande uit Hr.Ms. Hefring en acht licht bewapende motorboten.

Vooroorlogs was bepaald dat het in de Vesting gelegen 1e Legerkorps direct onder de C-VH zou komen indien het west- of (onbezette) noordfront zou worden aangevallen. Voorts was bekend bij C-VH dat de Lichte Divisie zich richting Leiden zou terugtrekken gedurende de eerste oorlogsnacht en dat het aldaar - als de omstandigheden het niet anders bepaalden - onder zijn bevel zou treden.

Resumerend had de C-VH op het eerste gezicht een beperkt aantal gevechtstroepen aan te sturen. Langs het westfront vier bataljons en vijf grenscompagnie n, alsmede kustartillerie en ondersteunende eenheden. Aan het oostfront zeven bataljons, vijf afdelingen vestingartillerie en enkele compagnie n ondersteunende troepen. En aan het zuidfront troepen ter sterkte van acht bataljons, acht afdelingen artillerie en enige taakgerichte eenheden. In totaal troepen ter waarde van zo'n 14 bataljons en 14 afdelingen artillerie (exclusief de batterijen kustartillerie). Daarnaast uiteraard de kantonnementstroepen en 1.HRM.

De structuur kritisch beschouwd

De C-VH had een pluriform geheel aan troepen en onderdelen onder zijn bevel. Bovendien met de ingebouwde dynamiek van progressieve toename van onder hem ressorterende eenheden aan de hand van operationele ontwikkelingen. In eerste instantie een geheel van zo'n 25,000 man gevechtstroepen, geheel bestaande uit vestingtroepen. Als het 1e Legerkorps en de Lichte Divisie daarbij zouden komen zou de troepensterkte meer dan verdubbelen. Bovendien zouden de depots in geval van oorlog onder de C-VH komen, wat nog eens zo'n 20,000 man zou opleveren. Uiteindelijk betekende het dat gezien de vooroorlogse draaiboeken er zo'n 75,000-80,000 man onder bevel van de C-VH zouden komen.

Een onwerkelijk groot geheel, waarvoor de staf van C-VH volkomen ongeschikt was. De kwaliteit en kwantiteit ontbrak totaal om troepen ter grootte (maar zonder de structuur) van meer dan drie legerkorpsen vanuit het stafkwartier Vesting-Holland aan te sturen. Die kleine staf-VH werd weliswaar door een pluriform geheel aan lokale staven of frontcommando's ondersteund, maar die grote kerstboom kwam qua integraal beleid met zijn piek uit in Den Haag, bij een staf die bezet werd door slechts 27 officieren (met uitzondering van officieren geestelijke verzorging). Van die 27 officieren waren er 15 (oud) beroepsofficier, maar was slechts n officier (naast de C-VH) - chef-staf luitenant-kolonel W. Thomson - officier der Generale Staf (1). Ook op de grootste van de sectorstaven, zoals het stafkwartier westfront en de staven Groepen Leiden en Den Haag, waren geen stafofficieren der Generale Staf voorhanden. Nog erger, deze sectorstaven waren vrijwel geheel gevuld met reserveofficieren, die in feite van operationeel stafwerk in het geheel niets wisten, behalve dat wat ze 'on the job' geleerd hadden tijdens de mobilisatie.

(1) Beroepsofficieren kregen op de KMA slechts een basisondericht in stafaangelegenheden. In hoofdzaak was de KMA opleiding een semi-academische scholing waarbij stafzaken slechts marginaal aan de orde kwamen. De opleiding was vooral gericht op de vorming van de subalterne officier voor het gekozen dienstvak. Bij de opleiding voor artillerie of genieofficier (lange tijd een vrijwel parallel opleidingstraject) was de hoofdmoot van de opleiding zuiver technisch met minimale tactische scholing. Slechts de infanterieofficier werd voor een voornaam deel militairtactisch geschoold, maar daarbij was vooral het veldcommando hoofdzaak tot de schaal van bataljonsniveau. Stafvorming kreeg een officier nadien pas. Dat was in een korte cursusvorm voor aanstaande compagnies- of bataljonscommandanten, waarbij de opleiding pas werd gegeven aan de vooravond van de promotie tot kapitein of majoor. De werkelijke stafvorming werd slechts gegeven aan beroepsofficieren die zodanig positief werden beoordeeld tijdens hun werkelijke dienst, dat zij voor hogere krijgsvorming werden geselecteerd. Na een met goed gevolg afgelegd toelatingsexamen mochten zij dan een tweejarige opleiding aan de Hogere Krijgsschool (in Den Haag) volgen, waarna zij bij goed gevolg tot de selecte rijen der officieren der Generale Staf toetraden. Bij die HKS opleiding kwamen strategie, tactiek, operationeel handelen en vooral ook leidinggeven vanuit een staffunctie uitgebreid aan de orde. Een GS officier had een veelbelovend carrierepad, waarbij zorgvuldig de functies werden gepland. In feite kwam het erop neer dat eenmaal geslaagd aan de HKS, men zelden nog functies buiten staven om kreeg tenzij men een hoog veldcommando kreeg. De kennisafstand inzake stafwerk en bevelvoering tussen een GS officier en een reguliere beroepsofficier was daarom al buitengewoon groot. Dat was helemaal het geval tussen een GS officier en een reserve-officier (tenzij deze oud-beroepsofficier was uiteraard).

De buitengewoon zorgwekkende situatie die hierboven is geschetst aangaande het belangrijkste legercommando na het Commando Veldleger, is n van de meest voorname argumenten geweets om het vooroorlogse legerbeleid in naoorlogse evaluaties tot ver ondermaats te bestempelen. De volmaakt onlogische en veel te complexe bevelstructuren, vol onlogische zijsprongen en uitzonderingen, alsmede de volkomen onderbemande staven, maakte dat het vooroorlogs beleid terzake als ronduit slecht kan worden bestempeld. Dit werkte door in lagere staven en zou tijdens de evaluatie van de Meidagen door de Enquetecommissie en militaire onderzoekers dan ook leiden tot talloze aanmerkingen op n veroordelingen van het vooroorlogse beleid.

Beleid waarvan de betrokken militaire bevelhebbers de schuld slechts voor een bescheiden deel aan de politiek konden geven, wegens ontbrekende mensen en middelen. Want het merendeel van de kritiek die in alle redelijkheid valt te geven op het beleid door de legertop in de periode 1935-1940 valt voor rekening van diezelfde, zich vaak zeer elitair opstellende, legertop. Er lijkt bijkans geen enkel besef te hebben bestaan waar men in oorlogstijd qua belasting van militaire staven op moest rekenen. En dat gebrek aan besef was maar zeer ten dele te wijten aan gebrek aan oorlogservaring. Het was vooral gebrek aan verwerfbare kennis, die bij bestudering van bijvoorbeeld Duitse of Franse oorlogservaringen of handboeken grotendeels had kunnen worden ondervangen. In Duitsland en in Frankrijk, maar evenzo in Amerikaanse en Britse circulaires, werd veel geschreven over leiding geven aan militaire eenheden tijdens grootschalige operaties. Sterker nog. De Franse angst voor de Duitse Generale Staf was z groot dat deze bij het Traktaat van Versailles zelfs formeel werd verboden. Zo zeer vreesde men de essentie van een goed opgeleide en geoutilleerde staf in het operationele theater. De Fransen zagen - vrijwel zeker terecht - de aanwezigheid van een Generale Staf (volgens Duits model) als prominente voorwaarde om een leger te velde juist te kunnen leiden. Het verbieden van een dergelijk instrument leek hen dan ook de beste garantie om duurzaam de angel uit een Duitse offensieve ambitie te halen. Die overweging moet aan Nederlandse ogen en oren volkomen voorbij zijn gegaan.

In de jaren dertig stonden de internationale vakbladen vol over de kwaliteiten die een staf - op ieder niveau - moest hebben. Bovenal ademden de publicaties de gehele jaren dertig de tendens uit van een zelfs nog grotere wissel die op staven zou worden getrokken vanwege de mechanisatie en motorisatie van legers, die aanleiding gaven tot de sterk toegenomen dynamiek van en in 'het veld'. Voor detachering aan buitenlandse militaire academies werd nauwelijks budget uitgetrokken. Slechts de meest veelbelovende officieren der GS kregen een beurs. En die enkeling die onverhoops naar Parijs of Berlijn was gestuurd, werd na terugkomst direct leraar op de HKS. Daar mat men zich een postuur aan, wetende dat in het land der blinden noog koning was, alsof men volleerd terug was gekeerd in de boezem van de eigen defensie. De Nederlandse HKS opleiding kende daarom vooral eigenwijze en cynische, ja betweterige leraren, die gebaseerd op geen enkel recht meenden het veelal beter te kunnen weten dan de oorlogservaren grootmachten. Elitair denkend en handelend werd het beleid en de opleiding bepaald door slechts een zeer selecte groep hoofd- en opperofficieren, die op een enkele uitzondering na, in mei 1940 er volkomen naast bleken te hebben gezeten. Hoewel veel naoorlogse publicaties, zeker van populaire schrijvers, de schuld gaarne bij de politiek neerleggen, was er vakmatig in feite sprake van tekortschieten door de militaire elite zelf. Men had zich vergaloppeerd door zelfgenoegzaam en introvert een geheel eigen - uiterst conservatief en gedateerd - didactisch paradigma zodanig eigen te maken, dat men er zelf in was gaan geloven. Met alle gevolgen van dien voor onder andere ronduit zwak militair beleid in mei 1940.

Daar waar Nederlanders zichzelf vaak roemen om hun organisatiekunde, was daar bij de legerleiding aan de vooravond van WOII geen spoor van terug te vinden. Men onderschatte aan de vooravond van WOII in feite op groteske wijze ieder aspect van het vak ...

Bevelsverhouding Vesting Holland

Kort resumerend. De Commandant Vesting Holland - de geheractiveerde luitenant-generaal J. van Andel - was al gedurende de gehele mobilisatie (en tijdens de oorlogsdagen) in functie. Hij had ten aanzien van het zuidfront besloten dat nadat de Brigades C en D aldaar beschikbaar kwamen, het integrale lokaal zetelende commando Zuidfront zou worden opgeheven. Die beslissing was niet zo zeer ingegeven door een sterke ambitie het commando rechtstreeks te voeren vanuit Den Haag, maar voortgekomen uit een in april 1940 gestrande zoektocht naar een waardige opvolger van kolonel De Brauw, die sinds het vertrek van kolonel Van der Bijl (die in februari 1940 naar de Lichte Divisie ging) die functie had vertolkt. Men had simpelweg geen waardige kandidaat kunnen vinden!

Het gevolg van een gebrek aan een waardige kandidaat opvolger als commandant zuidfront (welke rechtstreeks aan C-VH zou rapporteren) leidde ertoe dat in Den Haag een kleine sectie werd opgericht die zich specifiek op het zuidfront zou richten. Dat zou echter pas in oorlogstijd geschieden, zo betoogde chef-staf VH overste Thomson voor de Enquete Commissie. Van enige voorbereiding was dus geen sprake. Als de vijandelijkheden zouden uitbreken en het zuidfront zou prominent betrokken raken, dan zou de geheractiveerde kolonel der artillerie G.L.M.H. Higlij [63 jaar oud] de stafsectie zuidfront op het stafkwartier in Den Haag gaan leiden. De kolonel was daarvan eind april 1940 op de hoogte gesteld, toen hij nog artilleriecommandant van de staf VH was.

De commandanten Groep Spui en Kil rapporteerden vanaf half april 1940 rechtstreeks aan C.VH. Onderling was er geen gezagsverhouding, maar zou de Groep Kil worden samengevoegd met Groep Spui (omwille van operationele omstandigheden of een bevel daartoe), dan zou de commandant Groep Kil het intergrale commando over beide Groepen gaan voeren.

Groep Kil werd gecommandeerd door de geheractiveerde kolonel der infanterie J.A.G. [Jacobus Antonie Gijsbertus] van Andel [1888-1964]. De kolonel was in 1936 met pensioen gegaan, maar zoals zo veel gepensioneerde hoofd- en opperofficieren geheractiveerd bij de mobilisatie. Kolonel van Andel was een neef van de C-VH. De eveneens geheractiveerde kolonel der infanterie G.A. de Brauw commandeerde de Groep Spui.

Het Kantonnement Dordrecht [luitenant-kolonel der genie J.A. Mussert] ressorteerde direcht onder de C-VH. Verwarrend, want aangezien de C.Kant tevens commandant was van het Depot Pontonniers en Torpedisten, viel hij wat dat laatste betreft onder de Inspecteur der Genie. Dat was in oorlogstrijd overigens opgelost, doordat dan de kantonnementen n de depots rechtstreeks onder C-VH zouden komen vallen. Tussen de C.Kant. en de Groep Kil was helemaal geen hi rachische gezagsverhouding, zelfs niet vanuit rangssenioriteit van de C.Gr.Kil jegens de C.Kant.Dordrecht. Wegende dat het Kantonnement wel binnen het operatiegebied van de C.Gr.Kil viel, ziet men hier reeds de schoen wringen. Het kon nu immers voorkomen dat er in en om Dordrecht grotere eenheden zouden opereren die onder verschillende gezagstructuren vielen. Een zeer ongelukkige situatie.

Hetzelfde wat gezagstechnisch voor de kantonnementscommandant Dordrecht gold, ging op voor het grote kantonnement Rotterdam, waar maar liefst 7,000 man onder ressorteerden. Die werden geleid door kolonel der genie P.W. Scharroo. Daar was echter nog sprake van twee uitzonderingen. De meest markante was dat alle onderdelen die onder de plaatselijke CMM [Commandant Maritieme Middelen, kolonel der mariniers H.F.J.M.A. von Frijtag Drabbe] vielen, hoewel gegarnizoeneerd in de stad, autonoom bleven en via de CMM onder auspicie n van ... de Minister van Defensie vielen. De reden daarvoor was dat het Korps Mariniers en (een deel van) de Marine Koninkrijkseenheden waren. Daarnaast waren de varende marine eenheden in feite het terrein van de Marinestaf. De andere uitzondering vormde het Depot Luchtstrijdkrachten en de luchtafweer dat onder het 3e Luchtvaartregiment ressorteerde en zodanig aan de C-Lvd rapporteerde. Dan was er nog een uitzondering ten aanzien van Waalhaven, dat even ten zuiden van de stad lag, feitelijk binnen het kantonnement Rotterdam (dat de gehele noord en noordwesthoek van Ysselmonde eveneens beheerste). De vliegbasis inclusief het bataljon Jagers, dat voor de beveiliging zorgdroeg, viel onder de C-Lvd. Als men dus het integrale gebied van het kantonnement Rotterdam bezag, dan werd het commando aldaar verdeeld tussen de Minister (die bij de inval zijn zeggenschap aan de OLZ delegeerde), de kantonnementscommandant (en dus de C-VH), de Marinestaf en de C-Lvd.

Die enorme complexiteit in gezagsverhoudingen zou alleen maar toenemen nadat de Lichte Divisie zou arriveren aan het zuidfront. De problemen die dat zou opleveren in de bevelsverhoudingen komen aan de orde als de eigenlijke strijd wordt beschouwd.

De middelen die behoorden tot de luchtverdedigingskring Rotterdam- ??s Gravenhage, en die geplaatst waren binnen zowel het gebied van het Kantonnement als van de Groep Kil, vielen allen onder direct commando van de Kringcommandant, die op zijn beurt onder de Commandant Luchtverdediging viel.

6.GB viel op 10 mei onder het Veldleger en werd door C.III.LK aangestuurd. Voor 3.GB gold dat het onder Groep Spui viel, hoewel het voor haar grenstaken nog onder Commandant Veldleger viel en als zodanig ook door C.III.LK werd aangestuurd.

Er was niets geregeld voor het geval er andere Nederlandse troepen in de vakken zouden verschijnen. Dit zou ad hoc moeten worden opgelost door de C-VH.

Tenslotte dient opgemerkt te worden dat het burgergezag [in het bijzonder burgemeester Jacob Bleeker, Dordrecht en burgemeester Jan A.J. Jansen Manenschijn, Zwijndrecht] door de Staat van Beleg en de intreding van de feitelijke oorlogstoestand ieder gezag [edoch niet de zorg voor de bevolking] tegenover de militaire leiding verloor, en dat dit gezag vanaf het moment van intreding van de feitelijke oorlogstoestand volledig bij het Militaire Gezag [in de praktijk: de hoogste aanwezige officier q.q. commandant] lag. Dat dit in de praktijk nog substanti le problemen en misverstanden zou opleveren, zal duidelijk worden in de beschouwing van de gebeurtenissen tijdens de meidagen.

Het is duidelijk dat de ongelofelijk complexe bevelstructuur, met name in de kantonnementen, een buitengewone uitdaging zou betekenen voor de vele bevelhebbers in de sectoren op het zuidfront en rond Rotterdam.