De kwestie Jo Mussert - 1e deel

Inleiding

Op 12 mei 1940 zou zich aan het begin van de avond, in Dordrecht, te midden van de zwaarste gevechten om de stad, een plaatselijke crisis voor doen, die alles van een Griekse tragedie in zich had. De stress van daadwerkelijke oorlog speelde enkele officieren parten, maar tegelijkertijd waren er belangen, werden er rekeningen vereffend, werden ambities duidelijk en speelden intriges een grote rol. Om er een werkelijke Griekse tragedie van te maken waren ook ego’s nodig. Die waren er volop.

De kop van Jut – de verklaarde antagonist – was de luitenant-kolonel Josephus (Jo) Adrianus Mussert, de 59-jarige depot- en kantonnementscommandant van Dordrecht. De – zelfverklaarde – protagonisten waren de kapitein-adjudant van de depotcommandant, de kapitein Gerardus van der Mark en het duümviraat van de Groep Kil, de kolonel J.A.G. van Andel en zijn chef-staf kapitein M.R.H. Calmeijer. Geen Griekse tragedie zonder (mythische) God, en die rol werd vervuld door de C-VH, de generaal J. van Andel, die de baas was over het hele theater. De gelijknamigheid van de kolonel Van Andel en de generaal Van Andel – ze waren verre neven – kan enigszins verwarrend werken in dit geheel, reden waarom de rangen der heren voortdurend worden genoemd, ter voorkoming van misverstanden.

luitenant-kolonel J.A. Mussert

Het was rond 12 mei 1940 rond 18.00 uur dat de overspannen kapitein Van der Mark voor de zoveelste keer met een larmoyant verhaal over de toestand in Dordrecht aan de lijn hing bij de Groep Kil. Het kon niet langer zo. Mussert was helemaal de weg kwijt. Als hij niet direct zou worden afgezet, zou Dordrecht vallen. “Doe het voor het vaderland” was zijn pathetische, quasi patriottistische slotkreet richting Groep Kil.

In werkelijkheid was de Lichte Divisie, geheel buiten de macht van Mussert om, in Dordrecht zojuist in bikkelhard gevecht gekomen met de Duitse formatie onder Oberstleutnant De Boer. Rond 17.00 uur was er een grootschalig ontmoetingsgevecht ontstaan rond de spoorwegovergang in de Dubbeldamseweg. Eerder al was de rechtervleugel van de Lichte Divisie tijdens gereedstelling compleet vastgelopen op sterke voorposten van de Duitse parachutisten aan de randen van de wijk Krispijn. Mussert en zijn troepencommandanten waren buiten de plannen gehouden en hadden met alles wat gebeurde weinig tot niets van doen gehad. Mussert voelde zich wel hoe langer hoe meer miskend, bewust genegeerd en gepasseerd. Dit was aanleiding voor uiterst dominant gedrag dat zijn wankelmoedige adjudant ertoe noopte om ’s mans schorsing te verzoeken bij de enige autoriteit, die hij daartoe bereikbaar achtte (c.q. die naar hem bereid waren te luisteren): de kolonel Van Andel.

In dit krachtenspel – want dat was het – ontstond midden tijdens de eerste echte aanval op de stad Dordrecht – voordien waren alleen nog maar de bruggen over de Oude Maas een doelwit geweest – een impasse in de bevelvoering, die drie autoriteiten twee uur lang volop bezig zou houden: het kantonnement, de Groep Kil en de C-VH. De Lichte Divisie was bij de oorzaak en het gevolg betrokken, maar niet zo zeer bij de zaak zelf.

Het is een kwestie, die veel aandacht kreeg, zij het zelden vanuit een objectieve invalshoek en nimmer met een aanzienlijke context om de zaken in een noodzakelijk perspectief te zetten. Het komt erop neer dat alle bekende geschreven bronnen zich eigenlijk baseren op louter het stafwerk en – onderliggend – de verslaglegging over de zaak van Michael Calmeijer, zelf hoofdrolspeler. In de onderhavige, zeer uitgebreide bespreking (in twee delen) wordt echter gekeken vanuit verschillende vectoren.

In het eerste deel wordt uitgebreid stilgestaan bij wie Jo Mussert nu was, waar hij vandaan kwam, hoe de familiaire omstandigheden waren en hoe zijn gezin eruit zag. Er wordt een karakterschets gegeven van de man, die als verrader zou worden gestigmatiseerd. Daarnaast wordt gekeken naar zijn vooroorlogse carrière, met name in de jaren dertig en zijn (her)aanstelling, in april 1940, als depotcommandant in Dordrecht.

In het tweede deel wordt ingegaan op de krachtvelden en sleutelfiguren ronde de bewuste coup tegen Mussert in die vroege avond van 12 mei 1940. Daarin ook veel aandacht voor de instigator van veel rumoer rond Mussert, diens adjudant. De man, die de nemesis van zijn chef was, kapitein Gerardus van der Mark. De zaak wordt bekeken vanuit de bespreking in het stafwerk en het dagboek van de Groep Kil, met uitgebreide citaten rond wat er naar verluidt zou zijn gewisseld tussen de kolonel en generaal Van Andel. Er wordt een beoordeling gemaakt van de hoofdofficieren van de Lichte Divisie en hun rol. Tenslotte aandacht voor de relevante informatie die tijdens de verhoren in de tweede helft van 1940, in aanloop naar de rechtszaak (tegen de executeurs van Mussert) aan het Vredeshof, vrij kwam ten aanzien van het geval.

Het wordt door de auteur als onvermijdelijk ervaren om zo nu en dan enige overlapping en herhaling van bepaalde zaken, gebeurtenissen en typeringen aan te brengen. Dat is voor de leesbaarheid van de diverse onderdelen en de overlappingen van bepaalde lijnen en invalshoeken onvermijdelijk.

Wie was Josephus Mussert?

Het ouderlijk nest

[1522, 1523] De vader van o.m. de zoons Josephus en Anton (1) was Johannes Leonardus Mussert (1856 – 1913), zoon van een Haagse timmerman. Deze zou relatief jong, op zijn 56e, aan de gevolgen van tbc zou komen te overlijden. Hij zou echter, zoals veel vaders voor hun zoons, een prominente figuur blijken voor zijn zoons.

(1) De familie Mussert had voor iedereen roepnamen, die vaak sterk afweken van de eigen naam of daarvan een monosyllabe afkorting waren. Dit was overigens zeer gebruikelijk in die tijd, waarin men naar goed gebruik plechtige, vaak religieuze doopnamen kreeg. Vroeger had je meestal een doop- en een roepnaam, iets dat men nu nauwelijks meer ziet, maar dat men nog terugvindt op menig ouder formulier of document. Josephus werd nimmer zo genoemd. Zijn roepnamen waren Jo en Johan. Zijn echtgenoot Theodora werd Dora of Door genoemd. Voor Anton was het At, voor diens latere vrouw Maria, Rie.

[1522, 1523] Mussert senior was naar de standaard van einde 19e eeuw van normale lengte, op latere leeftijd ook aardig corpulent. Opvallend genoeg zouden zijn zoons allen opmerkelijk beperkt van lengte blijven. Hij had een aanzienlijke, smalle, sterk gekromde (haviks)neus, welke zich bij Anton niet, maar bij Jo des te meer opnieuw zou manifesteren. Oorspronkelijk katholiek opgevoed, maar wegens zijn huwelijk met Frederika Witlam – met wiens jongste zuster Maria (Rie) haar eigen zoon Anton later zou trouwen – protestant (hervormd) geworden. Hij was als jong adolescente man in het dorpje Werkendam, onder de rook van Gorinchem, terecht gekomen om daar onwijzer te worden. In 1879 werd hij er de eerste bovenmeester (schoolhoofd) van de Openbare Lagere School. Deze openbare scholen, waar wel degelijk een godsdienstige vorming werd gegeven, waren in de nog sterk verzuilde samenleving van toen vooral een vluchtheuvel voor de minder bedeelden in plaats van de werkelijk seculieren. Dat had vooral te maken met het doorgaans lagere schoolgeld dat er verlangd werd t.o.v. de Christelijke scholen.

[1522, 1523] Mussert sr. was een klassiek liberaal, welke stroming geen enkele associatie had met het vrije gedachtengoed van de hedendaagse (neo)liberaal. Het klassiek liberalisme stond voor een uiterst conservatieve rechtse stroming, waarbij verworvenheden hoog in het vaandel stonden net als soevereiniteit, koningshuis, orde en tucht en landsdefensie. Men streefde naar een kleine edoch sterke overheid, het behoud van het beperkte stemrecht. Deze receptuur leidde tot wat men wellicht mag aanduiden als ‘gezond’ nationalisme, niet te verwarren met het fanatieke en discriminatoire nationalisme, dat in de jaren dertig zo opkwam. In populaire geschriften waarin men de sporen van Anton Mussert naspeurt komt men nog wel eens tot een tendentieuze beeldvorming rond vader Mussert. Er lijkt echter bij zijn politieke en overige voorkeuren, voor zover zij historisch juist zijn weergegeven, geen enkele aanleiding om hem van dezelfde extremiteiten te verdenken als zijn jongste zoon Anton later zou ontwikkelen. Daarbij dient men zich goed te realiseren dat Johannes Mussert een kind van zijn tijd en klasse was. Het is fundamenteel onjuist om, dat wat men te vaak ziet in historische beschouwingen, een anachronistisch beeld van een dergelijke persoon te schetsen.

[1522, 1523] Vader Johannes Mussert werd getypeerd als bijzonder energiek, ijverig en actief. Hij was een fervent natuurzwemmer en schaatser. Men vindt echter ook schetsen van zijn duidelijke aanwezigheid, een zekere mate van onrust en spontane driftbuien. Hij zou, overigens in gezelschap van vele leerkrachten in die tijd, stevig tuchtigen op zijn school wanneer hij daartoe aanleiding zag. Deze laatste typeringen passen wellicht wat men bij zoon Jo ook zou aantreffen: een zeer onrustige persoonlijkheid met snel ontladende driftbuien. Zijn autoritaire kant beschrijft men ook. Johannes Mussert was rotsvast, recht in de door hem aanvaarde leer, weinig buigzaam, kon niet tegen onrecht, kon kortaf zijn tot op het snauwerige af. Men kan ook zeggen, dat deze eigenschappen de indruk wekken dat zijn aanpassingsvermogen niet opvallend groot was. Toch kon hij anderzijds een zekere charme tonen als daar aanleiding voor was. Hij werd door zijn gewone voorkomen en weinig neerbuigende houding naar anderen door een groot deel van de bevolking van het dorp zeer gewaardeerd, maar vond bij de werkelijke notabelen, door diezelfde houding, juist minder aansluiting. Als een kwestie hem niet zinde, liet Johannes Mussert dat direct duidelijk merken. Iets wat rond de vorige eeuwwisseling doorgaans als ‘onbeschaafd’ werd geduid. Anders gezegd, mensen van beschaving, beheersten zich; mensen van het volk hadden hun emoties niet onder bedwang. Althans, zo meende men dat toentertijd te moeten categoriseren. Om dat onbeschaafde element nog eens te onderstrepen was er het vastgelegde fenomeen dat het echtpaar Mussert in Werkendam ook bekend zou zijn geweest om hun frequente publieke twisten, daarbij niet schromend om openbaar te discussiëren met elkaar. Een gedrag dat men ook al weer bezwaarlijk kan rijmen met werkelijke beschaving, zoals die toentertijd, einde 19e eeuw, wel werd verwacht van een kleine notabele, wat een schoolhoofd (c.q. bovenmeester) was. Zijn intrinsieke vrij volkse inborst was vermoedelijk de reden dat vader Mussert bij de gewone mensen populair was, terwijl dit bij de beter gesitueerden genuanceerder werd ervaren. De bronnen geven prijs dat hij als schoolhoofd zeer werd gewaardeerd en bij de mensen tamelijk populair was, bij de notabelen op afstand werd gehouden.

De beide hier besproken zonen van Mussert tonen duidelijk een technisch inzicht en een prima intellect. Jo bleek een uitstekend wiskundige en werd met zijn vooropleiding als KMA cadet aanvaard. In een tijd dat gymnasium of HBS bèta de minimum eisen waren om het toelatingsexamen tot de academie te mogen doen. Pas als men dit succesvol afrondde volgde de aanvaarding aan de academie. Jo zou deze wederom geslaagd doorlopen en tot 2e luitenant der artillerie (waaronder het korps pontonniers en torpedisten vielen) worden beëdigd. De thuisbasis voor dit korps was toen nog om de hoek, in Gorinchem. Anton zou het tevens ver schoppen in een technisch vak na afronding van zijn HBS in Gorinchem. Hij werd ingenieur door cum laude voor civiele techniek te slagen aan de TH in Delft in 1918. Hij werd ingenieur bij Rijkswaterstaat en werd na enige tijd als hoofdingenieur aangesteld, toentertijd een regionale leidinggevende functie. Daarmee was er voor de ouders alle reden om te constateren dat hun beide (hier besproken) zoons het maatschappelijk prima voor elkaar hadden.

De zoons Mussert schijnen allen de vader in zekere mate te hebben aanbeden, maar er wordt wel gezegd dat Jo Mussert, als oudste der kinderen, het meest daadwerkelijk op zijn vader leek. En werkelijk is het zo dat de karaktertyperingen, die van vader Johannes Mussert worden gegeven, opmerkelijk vaak terugkomen in typeringen die derden van Jo Mussert geven. Het valt echter op dat de charme die zijn vader zou hebben bezeten jegens de gewone man, bij Jo in veel mindere mate (of niet) aanwezig was, in elk geval nergens is vastgelegd. Dat minder gunstige palet aan eigenschappen zal doorgaans niet hebben geleid tot een plezierige beoordeling van de persoon ik kwestie. Het dweperige gedoe met regels en voorschriften, het doen laten voorstaan op superioriteit en rang, het onbuigzame en fundamentele gedrag en het uiterst kortaf blaffen van bevelen of instructies zijn eigenschappen, die anderen vrij stelselmatig aan Jo Mussert toedichten, ook hen die het niet a priori op hem hadden voorzien. Daarnaast zou Jo – net als zijn vader – ook nog eens een nerveuze persoonlijkheid hebben gehad. Licht neurotisch, zo typeerde een beoordelend legerarts hem midden jaren dertig, toen nog geen politiek vooroordeel aan de orde was. Het was geen fraaie karakterschets, althans geen fijn geheel aan eigenschappen; geen karakterschets van iemand met wie je sociaal gezien graag verkeert. Zijn superieuren merkten echter op dat Mussert zijn zaakjes uitstekend op orde had, de regels en voorschriften punctueel naleefde, dat hij goede militairen opleidde en een modelmilitair was, in die zin. Het kan dus verkeren.

Het karakter en de persoon Jo Mussert

Jo Mussert werd wel getypeerd als bars en stijfkoppig, tegelijkertijd modelsoldaat en punctueel. Een man die door een legerarts (neuroloog dr C.J.H. Tempelmans Plat) als ijdel, zelfoverschattend en licht neurotisch werd gekenschetst. Tegenwoordig zou men Jo Mussert, gezien zijn karakterportfolio, mogelijk als narcistisch bestempelen. Een dergelijk stug en stijf karakter in combinatie met een formele punctualiteit leidde in het toenmalige standenleger niet direct tot gefronste wenkbrauwen. Er zouden vermoedelijk opvallend veel seniore officieren met vergelijkbare karaktertrekken kunnen worden getypeerd.  Wie karakterschetsen van toenmalige hoofd- en opperofficieren bestudeert – notabelen in algemene zin – komt al gauw tot de veronderstelling dat het allemaal erg klerikaal, bars en onbuigzaam was. Dat vastgesteld zijnde, vormde Mussert in die constellatie nog steeds een opvallende verschijning, want wie punctueel, narcistisch en bovendien licht neurotisch is, kan niet onopvallend zijn.

Vrij onbevangen schreef reserve eerste luitenant J.J. Moll, één van de Uiver-vliegers, die in mei 1940 in Rotterdam actief was, in zijn boek “De zon ging rood onder” een passage over Mussert. Hij vertelde, dat toen hij in 1918 zijn opleiding bij de torpedisten in Gorinchem kreeg, de toen (relatief) jonge kapitein Mussert in de maling werd genomen door de andere rekruten. Zij staken de draak met de ‘kittige kapitein’:

»De miliciens, veelal toffe jongens uit Amsterdam, staken nog al eens met de kittige kapitein Mussert de draak, vooral als er plotseling aantreden werd geblazen. Daar stonden ze dan wel in hun overalls, waaronder de dienstklompen plomp uitstaken, in de houding, de bajonet op het geweer, stram gericht in een lange rij. De korte driftige pasjes van de kleine kapitein weerklonken en de dienstdoende officier riep het ‘presentééér’. De miliciens grepen op dat kommando met de rechterhand een levensgrote kuch van achter uit de overall en prikten snel het omvangrijke stuk brood op het lemmet van de bajonet. Het was een belachelijk gezicht de rij soldaten zo het geweer te zien presenteren. De kleine commandant werd woedend, en deelde vele en vaak zware straffen uit

Jo Mussert was inderdaad opvallend klein van stuk, maar had de neiging zijn beperkte lengte te compenseren met een protserige pose, waarbij hij de neiging had om achterover te gaan hangen met zijn bovenlichaam. Hij gecompenseerde het tevens door een dominante aanwezigheid. Wat het fysiek niet bracht, bracht de rang en dat zou de entourage weten. In dat opzicht was Jo meer de klassieke sergeant-majoor instructeur dan de al door stand verheven officier. Dit gedrag kende enige bewaard gebleven extremen. [150] Toen op 10 mei 1940, kort na het middaguur, de halve compagnie torpedisten onder de luitenant Verschoor uit de Biesbosch in Dordrecht arriveerde, samen met hun welkome vrachtwagen vol zware mitrailleurs, en de commandant zich aan de Achterhakkers bij het bureau van de overste meldde, liet de laatste de mannen in de straat erachter in dubbel inspectiegelid aantreden. De overste vond het noodzakelijk zijn gezag te doen gelden door de totaal verbouwereerde formatie torpedisten – die hij als Korpscommandant tot ‘de zijne’ rekende – aan een minutieuze gevechtstenue-inspectie te onderwerpen, terwijl letterlijk de kogels op het plaveisel van de open zijde van de straat insloegen. Een vertoning die absurd aandoet en vermoedelijk typerend voor de curieuze wijze waarop Jo Mussert zich als officier manifesteerde, zelfs onder oorlogsomstandigheden. Wat Mussert ermee beoogde? Het blijft giswerk, maar vermoedelijk een combinatie van gezag doen laten gelden en een toonbeeld van gespeelde rust, overzicht en schijnbare onbevreesdheid neerzetten. Kadaverdiscipline was het Nederlandse leger totaal vreemd. Mussert handelde dus opvallend afwijkend van wat de Nederlandse militair verwachtte. De kans is niet gering dat in een contemporaine Amerikaanse film het als toonbeeld van ‘beheersing’ zou worden gezien en waarlijk martiaal zou worden ervaren. In Nederland niet. Het was afwijkend gedrag en miste voor het grootste deel een rationele verklaring voor hen die het ondergingen en het waarnamen. Het was dit soort gedrag dat Mussert ook buiten de vooroordelen vanwege zijn naam een zweem van ‘zonderling figuur’ gaf. Dit raakte dan ook aan het deel van de reputatie dat hij wèl zelf beïnvloedde.

Mussert was als persoon bepaald niet bang aangelegd, hoewel nerveus van aard en gedraging. Hij zou gedurende de gevechtsdagen zich regelmatig naar de troepen begeven, daar ook werkelijk risico’s lopende, wat hij zich bewust was. Het leek hem nauwelijks te beroeren, daar waar andere officieren, niet in de laatste plaats enige, die hem zwaar zouden belasteren, vaak risico's zouden vermijden. Het was gedrag dat mogelijk bedoeld zal zijn geweest om zijn mensen te tonen dat hij zelf ook risico liep en hij ‘dus’ wel betrouwbaar moest zijn. Mussert leek daarbij echter te onderschatten dat alles wat hij zei of deed, verkeerd werd uitgelegd; onwillekeurig hoe bonafide en juist het ook was, wat hij zei. Een typerend voorbeeld hiervan zag men bij de sergeant P.E. Dankaart (2.DPT) in het detachement van beroepsluitenant J.B. Plasschaert, welke laatste een veelbelovend beroepsofficier van ‘zijn’ Korps was. Plasschaert was door Mussert zelf met de verdediging van het zuidwesten van de stad (boven het spoor) belast. Mussert inspecteerde de opstellingen nabij de Duitse positie zelf meermaals en zag daar soldaten over lange afstand vuren op vermeende Duitse posities. Mussert greep in. Hij gaf aan sergeant Dankaart mee dat men niet nodeloos op grote afstand vuur moest uitbrengen op de vijand, omdat het de eigen positie verraadde. Een volkomen juist advies, dat tegenwoordig iedere militair meekrijgt. Het was echter in het toenmalige leger een vaak ongekende tactische wijsheid, zeker bij niet-combattant geschoolde techneuten, zoals de pontonniers. Echter ook de wel als combattant opgeleide Nederlandse militairen zouden voortdurend het vuur openen op tegenstanders, die zich nog vele honderden meters van hen bevonden. Reden waarom men zelden veel succes scoorde, hoewel men geneigd was de ter dekking wegduikende tegenstander al snel tot een geraakt slachtoffer te rekenen. [170] Mussert zijn advies aan Dankaart werd in diens verslag [verslag, 5 juni 1949] met een “'Proost', dacht ik ” voorzien van een duidelijke emotie die het advies losmaakte. Een paar dagen later, toen de Divisie Artillerie Commandant (DAC) van de LD het plan opvatte om de Oude Maasbruggen met de aan de divisie toegevoegde 10-veld batterijen te beschieten, hield Mussert dit af. Hij gaf aan dat als men de brug zou beschieten eigen troepen gevaar zouden lopen. Het deed de wenkbrauwen fronzen. Het veldvoorschrift hield echter voor ingegraven infanterie een minimaal veilige bufferzone aan van 250-300 m achter de kortste dracht van een vuur, wat voor de DAC parate kennis moet zijn geweest. Die marge diende voor vuur over grotere afstand nog hoger te liggen i.v.m. de snel toenemende lengtespreiding bij een grotere dracht. De voorste binnenstadopstellingen lagen aanzienlijk binnen de minimale marge, op 150-175 m van de spoorbrug en 200-225 m van de verkeersbrug. Mussert handelde dus niet zonderling, maar binnen de regels en voorschriften. Ter vergelijking, tijdens het hoogtepunt van de slag om de Grebbeberg op 13 mei, werd bij de verdediging van de stoplijn artillerievuur op korter dan 250 m van de stoplijn door de DAC geweigerd! Dat zou men weliswaar naoorlogs op tactische gronden bekritiseren, maar bij Mussert leidde zijn bedenking direct tot achterdocht. Overigens kan men de benadering van Mussert natuurlijk wel bekritiseren vanuit een gebrek aan gevoel voor de operationele werkelijkheid. Dat is echter in dit geval niet relevant (hoewel wel aan de orde), omdat men hem daarom niet bekritiseerde, maar omdat hij verdacht werd het om subversieve redenen te blokkeren.

[63] Burgemeester Jacob Bleeker van Dordrecht typeerde overste Mussert, die hij al lange tijd kende en met wie hij vlak voor de oorlog nauw samenwerkte, als gezagsgetrouw en toegewijd, maar tegelijkertijd als erg formeel, stijfkoppig en soms zonderling, die geen eenvoudige omgang met zijn medewerkers had. De burgemeester sloot verraad door de overste uit. Van iemand die nauw met de overste samenwerkte is dit een oordeel dat gewicht in de schaal legt.

Tenslotte was er nog een tamelijk onverdachte kwestie, die het handelen en gedrag van Mussert beslist parten heeft gespeeld, maar waar weinig historici rekening mee houden. Mussert zijn gezin – in het volgende hoofdstuk meer daarover – woonde in de stad zelf, zoals de meeste gezinnen van de korpskaderleden. Ondanks alle controversen en divergerende politieke voorkeuren was Jo dol op zijn vrouw en kinderen. Dit was mede zo gekomen door de zware jaren waar het gezin wegens de dood van eigen kinderen en de gezondheid van vader Jo zelf met elkaar doorheen had gemoeten. Zijn gezin was hem alles waard. Musserts woonhuis bevond zich aan de rand van het Oranjepark, op no. 8, vlakbij de zo zwaar bevochten overweg in de Dubbeldamsche weg. Een sector die zich eigenlijk vier dagen lang vlak voor of midden in de frontsector zou bevinden. In de avond van 12 mei werd het zelfs het draaipunt van een Duits offensief tegen de stadsdefensie, terwijl het even voordien een uitgangsbasis voor de Lichte Divisie verschafte voor tegenacties. De eerste oorlogsdagen werd de sector voortdurend beschoten doordat de Duitse parachutisten, die oost van Krispijn landden, er met spoorwegtroepen en kantonnementstroepen zouden vechten. Enkele niet gevangen genomen para’s, aangevuld met op 11 mei aan de Zuidendijk afgezette para’s zouden er op 11 en 12 mei voor lokale schermutselingen zorgen. Nederlandse artillerie zou in de middag van 12 mei artillerievuur laten vallen ten zuiden van de sector. De strijd zou zich hoe langer hoe meer juist in die hoek van de stad af gaan spelen.

De toestand in het oosten van de stad maakte de overste én zijn vrouw buitengewoon nerveus. Zijn vrouw zou voortdurend aan de telefoon hangen en Mussert zou zich ook te veel wijden aan haar telkens te woord staan en de gevoelde taak om haar gerust te stellen. Bovendien zou hij daadwerkelijk opvallend vaak maatregelen nemen om juist deze sector van de stad te zuiveren van vermoede vijandelijke elementen. Zodoende werden kantonnementstroepen en wielrijders regelmatig ingezet om het oosten van de stad te zuiveren. Opdrachten die alweer tot achterdocht aanleiding gaven. Ze waren echter niet uitsluitend op de zorg voor zijn familie (en die van andere kantonnementsleden hun families) gebaseerd, maar ook op de daadwerkelijke aanwezigheid van Duitse parachutisten. Dat het niet alleen om geruchten ging, ondervond de formatie onder de uiterst actieve AOOI Koster op 11 mei. Zij kwamen werkelijk in gevecht met enige Duitse para's en wisten er een paar uit te schakelen.

Mussert liet zijn gemoed in belangrijke mate beïnvloeden door het welzijn van zijn familie. Wat daarbij echter mede opvalt is de taaiheid waarmee Mussert de stad wenste te verdedigen en zelfs toen de Lichte Divisie – oorspronkelijk zonder hem erin te kennen – op 13 mei de stad wenste te ontruimen zijn kantonnementstroepen ter plaatse wilde houden om de stad te blijven verdedigen. Een verrader zou men toch veronderstellen de stad zo gauw mogelijk te willen laten aan de kennelijk gediende Duitsers, maar niets daarvan. In tegendeel. Hij zag de stad en zijn gezin liever binnen Nederlands beheerst gebied dan in Duitse handen. Desondanks heeft Mussert bij menigeen de indruk gewekt teveel tijd aan zijn (als panisch getypeerde) vrouw te besteden, terwijl de overste die tijd aan het bureau en zijn troepen had moeten wijden. Het zijn beweringen die vermoedelijk hout snijden en in elk geval ten dele terecht tegen Mussert worden geworpen. 

Alles overwegende komt er een beeld van het karakter van Mussert dat – zelfs als enige overdrijven zijn deel werd – zo eenduidig een karakter schetst van een ongemakkelijk, eigenaardig, bars en licht neurotisch persoon dat dit beeld de waarheid vermoedelijk geen geweld doet.

Het gezin van Jo Mussert

Het functioneren binnen het huwelijk was kennelijk ook een zaak waarbij de appel bij Jo niet ver van de boom was gevallen. Voorbeeld deed kennelijk volgen. Net als zijn vader en diens echtgenote, waren Jo en zijn veel jongere Amsterdamse echtgenote, Theodora (Dora) Cornelia Maria van der Kaaij (1895-1968), met wie Mussert in 1915 trouwde, alles behalve een vredig burgerlijk stel.

Over Dora van der Kaaij is niet zo heel veel bekend, maar wat er van haar bekend werd, is alleszins weinig vleiend. Het moet een vrouw geweest zijn die, zeker voor het tijdsgewricht, opmerkelijk eigenzinnig en zelfstandig was, niet wars van opportunisme en op het opstandige af. [1523] Men typeerde haar in die tijd wel als ‘rondborstig’, wat weinig met een daadwerkelijke fysieke toestand te maken had, maar alles met de overdrachtelijke, opgeblazen borst. Met andere woorden, mevrouw roerde graag de trom, nam geen blad voor de mond, voelde zich niet belemmerd haar mening te geven of te tonen. Ze zag in de NSB vermoedelijk een kans om uit de schaduw van haar man te treden en een prominente rol op te eisen als schoonzuster van de grote leider Anton. Er wordt in eigen kring en door aangetrouwde familie wel gesuggereerd, als men over de oorlogsjaren zelf sprak, dat ze Anton aanbad; dat er iets in de vrouw begon te gloeien als de man er was of er over hem gezegd werd. Iets wat Jo, die zijn jongste broertje naar verluidt vooral druistig en naïef vond, ongetwijfeld in toenemende mate gestoord heeft.

Het voortdurende gekibbel tussen Jo en zijn echtgenote - waarin wederom een opvallende parallel met zijn eigen ouders hun huwelijk te noteren valt - viel binnen familie en sociale omgeving zeer op. Het was niet gebruikelijk dat mensen van een zekere stand zich zo publiekelijk in onmin met elkaar verhielden. Men ervoer dat als onbeschaafd. Mevrouw Mussert-Van der Kaaij was echter geen schim van de volgzame, onzichtbare echtgenote van de carrière militair, die men toentertijd vaak zag. Ze was een autonome persoon, die er weinig aan gelegen liet om uitdrukkelijk haar eigen denkbeelden over zaken te etaleren. Vermoedelijk zou men haar vandaag de dag als activistisch typeren. Dora Mussert was in 1934 lid van de NSB geworden, toen nog een partij waar geen antisemitisme of pro-Duitse signatuur vanuit ging (2). Dat laatste veranderde vanaf 1937, maar dat vormde voor Dora geen aanleiding om haar lidmaatschap op te zeggen. Ze zou bovendien in Dordrecht spoedig zichzelf duidelijk profileren als ‘familie van’ en driftig colporteren en anderszins haar NSB-gezindheid tonen. Ze schroomde niet om NSB posters voor de ramen van de woning in het Oranjepark te hangen. Binnen Dordrecht was er daarom geen misverstand over, de familie Jo Mussert was pro-NSB.

(2) De beide dochters Mary en Thea waren lid van de Jeugdstorm, één jonge zoon was ‘gewoon’ padvinder (scouting). Er wordt naoorlogs, zeker ook de laatste decennia, vaak erg beschuldigend en veroordelend gesproken over lidmaatschap van kinderen van organisaties als de Jeugdstorm, wat vooroorlogs toch niet zo heel veel anders was dan de eigen NSB padvinderij. Uiteraard heeft de padvinderij zich altijd gedistantieerd van de Jeugdstorm, maar er waren vooroorlogs veel overeenkomsten tussen scouting en wat de Jeugdstorm deed. Padvinderij was één van de populairste jeugdbezigheden in georganiseerde vorm, toen gewone sporten nog kostbaar en weinig gefaciliteerd waren en er overigens voor jeugd weinig vermaak was. Het vooroorlogse lidmaatschap van kinderen van de Jeugdstorm dient men anders te duiden dan het na de Duitse inval voortgezette lidmaatschap. Toen was het immers daadwerkelijk een bewuste keuze om ook bij een uitgesproken pro-Duitse organisatie betrokken te blijven. NSB en Jeugdstorm werden immers na 15 mei 1940 voortgezet onder het nieuwe landsbestuurder der bezetter.

De fanatieke aanhang van de NSB door Dora Mussert begon vanaf eind 1936, toen de NSB geleidelijk aan radicaliseerde, duidelijk te interveniëren met de carrière van haar man, die bovendien als majoor en hoofdinspecteur der Pontonniers en Torpedisten notabel aanzien genoot. Zodoende lag het vergrootglas toch al op de familie. Voor belangrijke gebeurtenissen in de stad werd de majoor Mussert als hoofdinspecteur van het Korps doorgaans met ega uitgenodigd. E.e.a. zou Dora relatief koud hebben gelaten, tot dat begin 1937 de toen nog majoor Mussert samen met zijn echtgenote naar het Bureau van de genie (Sectie V) in Den Haag werden gesommeerd. Dora Mussert had in december 1936, tijdens de viering van een lustrum van het Korps, tijdens het afspelen van het volkslied openlijk de NSB groet gebracht. Dat was opgevallen. De kapitein-adjudant van de toenmalige korpscommandant had het gerapporteerd aan zijn chef, de overste Vaillant. Mussert werd op het matje geroepen. Dergelijke gebeurtenissen hakten erin bij de plichts- en gezagsgetrouwe Jo Mussert, die hoe langer hoe meer oppositioneel werd jegens zijn vrouw.

[2000] Enkele van Jo's kinderen zouden naoorlogs getuigen over het duidelijke politieke schisma aan de gezinstafel. Het zou gaan om moederskindjes en vaderskindjes. De beide dochters waren moederskindjes, de zoons vaderskindjes. Dora Mussert zelf stelde naoorlogs onomwonden dat haar man zijn jongste broertje dom en onnozel vond en hem meermaals had gewaarschuwd dat als er oorlog kwam, Duitsland deze uiteindelijk zou verliezen. ‘At wedt op het verkeerde paard’, was Jo’s mening geweest. Wat moest er dan van Anton terecht komen? Dora stelde voorts dat haar man haar fel bestreed, een conservatief liberaal was en een overtuigde ‘Oranjeklant’. Het eerste en het laatste werd door de kinderen beaamd. Enkele kinderen zouden, weliswaar naoorlogs, verklaren dat de ouders elkaar de tent zouden uitvechten als Dora weer eens een pro-NSB actie had gehouden. Vader was het met zulke handelingen zeer oneens. Het bezwaarlijke is, dat lastig vast te stellen is of Jo nu vooral vreesde voor zijn carrière of dat hij het werkelijk fundamenteel oneens was met zijn vrouw; of een vrij evenwichtige combinatie van beide. Dat Jo Mussert zich echter ook werkelijk oppositioneel jegens de NSB ideologie opstelde lijkt echter ook omstandig te worden gesteund. [154] Superieuren van zijn een-na-oudste zoon Joan, die als dienstplichtig sergeant bij 10.RA in Rotterdam zou dienen verklaren hierover. Zijn toenmalige commandant stelt dat Joan zich louter negatief en uiterst kritisch over zijn oom Anton uitte (3). Wellicht moet Joan Mussert moedige optreden op 10 en 11 mei 1940 in de stad Rotterdam daarom ook wel (mede) worden gezien als een bewijs aan zijn kameraden dat hij het goed voor had met het lot van Nederland. De oudste zoon Dirk (roepnaam Dick, 1917-1945) was al ruim voor de oorlog op de grote vaart terecht gekomen en was machinist op het KPM passagiersschip SS ‘De Speelman’, dat in februari 1942 gemilitariseerd werd, maar een paar weken later door eigen bemanning te Soerabaja tot zinken werd gebracht. Dirk zou hierna door de Japanners worden geïnterneerd en op 12 juni 1945 in de Ambarawa gevangenis (bij Semarang, Java) bezwijken. Hij heeft zich kennelijk nimmer beroepen op zijn familieband met Anton Mussert, hoewel dat een eenvoudige zaak zou zijn geweest, waardoor hij vrijwel zeker had kunnen repatriëren. Ook lijkt wel duidelijk dat de overige jongens zich in eerste instantie echt op de vader oriënteerden, zoals Hans lid van de gewone padvinderij was en geen jeugdstormlid. Van Joan, van wie het meest bekend werd, is al geschetst hoe hij tegen de zaak aankeek en ook zijn verhaal lijkt niet gespeeld.

(3) [154] SMI P. van der Zwaluw getuigde op 12 juni 1950 voor de commissie militaire onderscheidingen over Joan Mussert o.m.: “Op 11 mei werden wij beschoten in de morgen. (…) het terughalen van het stuk is uitgevoerd door de sergeant Mussert, zoon van wijlen overste Mussert (…) Mussert was de eerste die bij het stuk was en hij heeft zich hierbij zeer verdienstelijk gedragen.”

[154] 1e Luitenant G.J. van der Monde verklaarde op dezelfde dag voor deze commissie over sergeant Mussert: “Sergeant Mussert is op een gegeven moment, toen iemand over zijn oom sprak, in huilen uitgebarsten en heeft gezegd, dat als wij wisten hoe hij zijn oom verafschuwde, wij nooit zouden verwachten dat hij iets tegen onze eigen troepen zou ondernemen.”

Na de meidagen, waarbij de kinderen de schok doormaakten dat hun geliefde vader door eigen militairen was gedood en – tijdens de rechtszaak aan het Vredesgerechtshof – door vele landgenoten zwart werd gemaakt en wild was beschuldigd van hoogverraad, kantelde de zaak. De moord op hun vader op 14 mei 1940 zou voor de zoons alles veranderen. En hoe begrijpelijk is dat. De jongere zoon Hans, nog een puber toen de oorlog begon en lid van de padvinderij, was dol op zijn vader, maar zou ten aanzien van de oorspronkelijke vaderlandsliefde na de moord een zwaai maken. In 1941 ging hij, overigens op instigatie van zijn moeder, naar Duitsland. Zijn moeder vermoedde dat hij wel rust en orde zou vinden in Duitse dienst, trok aan wat touwtjes en zo kwam Hans Mussert na enige pogingen bij de Waffen SS terecht. Dat gold uiteindelijk ook voor Joan, die in eerste instantie met de NSB of de pro-Duitse zaak niets van doen had. Hij veroorzaakte echter in 1943, als ambtenaar bij de gemeente Rotterdam, een dodelijk ongeluk. Hij liep kans op een zware gevangenisstraf, tot wel tien jaar. Om dat te ontlopen nam hij in 1943 alsnog dienst bij de Waffen SS. Hij zou net als zijn broer Hans aan zware gevechten rond Leningrad en later in de Baltische Staten meedoen. Beide zouden ernstig gewond raken, maar beide zouden opmerkelijk genoeg de oorlog overleven. Joan, die in een Duitse ziekenhuis lag in 1945, bleef in Duitsland na de capitulatie, maar werd tijdens een heimelijk bezoek aan zijn in Nederland verkerende vrouw en kind alsnog opgepakt. Hij zat anderhalf jaar in detentie, vertrok nadien weer naar Duitsland om nooit meer terug te keren. Hans Mussert zat tot 1951 in Sovjet krijgsgevangenschap, werd naar Nederland gerepatrieerd en daar gepardonneerd. Hij verliet Nederland direct om er niet meer terug te keren. Beide zoons leefden nadien in Duitsland en overleden er. Dochter Mary (1920-2010), in 1936 tot de Jeugdstorm toegetreden, verloofde zich eerst met een Duitse SS-Scharführer (Hans Büssecker), die een half jaar later spoorloos verdween in de Sovjet-Unie. In juni 1944 trouwde ze daadwerkelijk met een Hollands WA- kaderlid, Alexander Loffeld. Ze zou naoorlogs bijna negen maanden in detentie zitten voor antisemitische uitspraken in gevonden brieven. Ze werkte relatief kort voor haar overlijden mee aan een aantal onderzoeken naar de familierelaties binnen het gezin van Jo Mussert. Van haar en van Hans, die naar Mary’s zeggen als enige naoorlogs al snel tot de conclusie kwam dat zij fout hadden gezeten door de Duitse zaak te dienen, is de meeste informatie gekomen over het gezin van overste Mussert.

Moeder Dora had zich kort na de dood van haar echtgenoot spoedig aan alle kanten de NSB in laten zuigen. Ze was uiteraard de gegriefde weduwe van Jo Mussert, maar vermoedelijk was de enorme som smartengeld, die zij van de staat der Nederlanden kreeg, nadat dit via een rechtszaak was afgedwongen, een comfortabele troost. Ze had m.b.v. haar advocaat mr Anton van Vessem (1887-1966), een vooroorlogs nationaalsocialist en gekend antisemiet - tevens betrokken bij de strafzaak tegen de aangeklaagden wegens de dood van Jo Mussert, een voor die tijd astronomisch bedrag van fl. 35.000,00 schadevergoeding (bovenop het pensioengeld) bedongen. Een som, welke in die tijd goed was voor 6 jaarwedden van haar man (4), terwijl Mussert ten tijde van zijn overlijden nog hoogstens één tot twee jaar dienst zou hebben gedaan voordat hij met pensioen zou zijn gegaan en 40 dienstjaren al op zijn palmares had staan. Het schadevergoedingbedrag is omgerekend naar huidige waarde ca. € 610.000,00 (5). Dat was een zeer forse schadevergoeding, waar ongetwijfeld de naam Anton Mussert en zijn prominente NSB rol niet los van hebben gestaan. Dora heeft met dit geld beleggingen aangekocht, wederom na bemiddeling van mr A.J. van Vessem. Dat geschiedde in de vorm van ‘goedkoop verkregen’ onroerend goed en aandelen. Het kwam er echter op neer dat dit om Joodse bezittingen ging, die voor een zeer lage prijs beschikbaar waren gekomen. Van Vessem is voor deze heling naoorlogs veroordeeld en kreeg enige jaren hechtenis, waarna hij overigens niet geschrapt werd als advocaat, maar gewoon praktijk mocht blijven voeren. Dora Mussert zou zich voorts gedurende de gehele oorlog actief met de NSB en Winterhulp blijven bemoeien, maar overigens niet al te opvallend acteren. Erg veel kwaliteiten lijkt ze niet te hebben gehad en dat was de NSB vast niet ontgaan.

(4) Volgens de regeling van de bezoldiging voor het militair personeel der koninklijke landmacht nr. 90 (1936) was de bezoldiging voor een luitenant-kolonel van de genie met 32 of meer dienstjaren, wat Jo Mussert was, fl. 5.900 per jaar. Nota bene. De genie-officier verdiende ca. 10% beter als alle andere dienstvakken m.u.v. de seniore medische functies. Dit jaar inkomen was uitstekend te noemen. De gemiddelde arbeider moest het met een jaarinkomen van fl. 800 of minder doen, een beginnend sergeant idem. Volgens diverse bronnen had de familie echter schulden of in elk geval financiële problemen wegens allerhande medische troebelen in het verleden. Bekend is dat Jo en Dora drie van hun kinderen op jonge leeftijd verloren. De ziekte die Jo zelf trof was volledig gedekt door zijn werkgever.

(5) De omrekening van fl. 35.000,00 in 1940 naar € 610.000 in 2015 is gedaan op basis van de koopkrachtformule die het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis hiervoor ter beschikking stelt. Die omrekening is arbitrair. Als men naar de verhouding van 6 x jaarloon in 1940 zou kijken - wat de vergoeding bedroeg - dan zou volgens een parallelle logica de genie overste van nu circa een ton per jaar verdienen, terwijl hij rond de helft zit. Daarmee kan men aan de koopkracht formule van het Internationale Instituut gaan twijfelen. De lezer bepale zijn eigen beeld bij de verhoudingen.

Het beeld dat eerder werd gegenereerd van de familie Mussert, de oorspronkelijke ‘Musserts’, is vrij evenwichtig. Het lijkt wel vast te staan dat ze zich van huis uit tot het conservatieve gedachtengoed aangetrokken voelden, tamelijk solitair en autoritair optraden, niet bijzonder hoog op de beschavingsladder stonden en een zekere neiging vertoonden tot eigengereid, neurotisch, driftig gedrag. Deze eigenschappen vindt men bij vader en zoons Anton en Jo alle drie duidelijk terug in historische typeringen. Wellicht moet een vergelijking daarbij blijven, want het lijkt verder geen doel te dienen om de familie Mussert karaktermatig nader te ontleden. Zeker is wel dat de heren Mussert allen een grote mate van autoriteit voor zichzelf ambieerden, weinig aanleg voor consensus hadden en qua sociale portfolio niet overdreven waren bedeeld. Ze oogsten van nature niet erg veel genegenheid bij hun entourage, alhoewel vader en zoon Anton beter dan oudste zoon Jo, wel in staat bleken om functioneel-sociaal te kunnen opereren.

Wat betreft de familiesituatie is volkomen duidelijk dat Mussert wegens de activiteiten van zijn vrouw, waartegen hij onvoldoende opgewassen was of niet werkelijk wenste op te treden, hoofd van een gezin was, dat mede vanwege de achternaam, zonder meer als NSB-huishouden bekend stond in Dordrecht. Het (vermoedelijke) feit dat de (jonge)mannen en vader binnen het gezin niet sympathiseerden met de NSB was naar alle waarschijnlijkheid nauwelijks bekend. In het volgende hoofdstuk wordt nog eens verder ingegaan op de politieke kleur van Jo Mussert zelf en de context waarin dit zou komen te staan tijdens de meidagen. In onderhavige hoofdstuk is echter duidelijk het beeld geschetst van de vooroorlogse situatie, waarbij er veel aanwijzingen zijn dat Jo Mussert en zijn zoons Joan en Hans vader volgden als trouw vaderlander en dienaar van natie en koningshuis, terwijl moeder, met haar dochters onder de spreekwoordelijke rok, heel duidelijk en bewezen vol overtuiging NSB-lid én activiste was. Ze zal dit gedurende een ‘tactische opzegging’ in de periode 1938-1940, vast niet minder hebben gevoeld.

Het gezin werd tijdens de oorlog, in de eerste dagen, natuurlijk in het hart getroffen toen vader door eigen militairen werd gedood. De verhalen, die men nadien te horen kreeg, waren ongetwijfeld vooral dat Mussert er misdadig bij was gelapt en ordinair vermoord was. De nuances zullen niet direct, mogelijk nooit, bekend zijn geworden, laat staan een eerlijke beoordeling van de situatie in de gegeven situatie met oorlog en oorlogspsychose als hoofdingrediënten. Zoals sommige publicisten hijgerig Mussert tot verrader of gemankeerd bevelhebber verklaarden, zo was bij de familie na de meidagen van 1940 ook de nuance zoek. En wie duidt hen dat euvel?Mussert was vermoord door zijn eigen vaderlanders. Het zette wrok op de zaak en met zijn dood was zijn prominente vaderlandslievende invloed binnen het gezin weg, de vaderlandsliefde bovendien onbeantwoord gebleken. Wat resteerde was wrok, een fel NSB georiënteerde moeder en oudste dochter en twee gefrustreerde zoons. De jongste liet zich spoedig overhalen om naar Duitsland te gaan voor een opleiding, maar werd door zijn moeder slinks de SS in gemanipuleerd. De oudste (nog in Nederland) verkerende zoon Joan was in eerste instantie afstandelijker, werkte in Rotterdam als gewoon ambtenaar, maar heeft zich in 1943 door omstandigheden alsnog vrijwillig bij de SS gemeld. Daarmee was het gezin, behoudens vader en oudste zoon Dirk, volkomen in de greep van NSB en pro-Duitse dienstverlening gekomen. Een zaak, die het begrip voor Jo Mussert als slachtoffer van een verraadpsychose naoorlogs niet zou dienen. Er was, eufemistisch gesteld, niet zoveel animo om Jo Mussert te rehabiliteren dan wel een poging daartoe te doen.

Een politieke en familiair vooroordeel

Mussert zijn oprechte politieke voorkeur is niet aantoonbaar bekend uit primaire bronnen. Dat is ook haast onmogelijk, want een lidmaatschap van bijvoorbeeld een politieke partij (voor zover toegestaan) of vereniging is immers op zichzelf geen bewijs van iemands overtuiging of voorkeur. Overtuiging of voorkeur moet dus vooral uit gebeurtenissen of een stelsel aan aanwijzingen worden geëxtrapoleerd. Dat proces is zo weinig werkelijk te objectiveren, dat je beter vooraf kunt vaststellen dat je nooit tot een werkelijk sluitend bewijs of buitengewone overtuiging van een voorkeur kan komen. Iedere beoordeling of conclusie terzake gaat dan ook met dat voorbehoud en zal blijven hangen in waarschijnlijkheid.

Het meeste dat bekend is, en wat doorgaans ontlastend voor Jo Mussert is, komt voort uit omstandig ‘bewijs’. Veel daarvan komt echter uit niet-onverdachte hoek, wat inflatoir werkt op de geloofwaardigheid, zeker voor cynici. Het meest uitgesproken omstandige bewijs bestaat uit beweringen van zijn eigen gezin: zijn zoons en zijn weduwe. Uit de entourage van de overste zelf komen nog meer aanwijzingen rond de oriëntatie van Jo Mussert, maar ze zijn niet overdadig. Behoudens zijn kapitein-adjudant, die zijn overste kennelijk nimmer vertrouwd heeft, getuigen anderen, zoals zijn superieuren en de burgemeester van Dordrecht Jacob Bleeker, van zijn loyaliteit jegens het vaderland en de landsdefensie te zijn overtuigd. Vele die met hem in vredes- en oorlogstijd werkten verklaren dat ze hem of nimmer of uiteindelijk niet – achteraf de gebeurtenissen beter begrijpende – van subversief of verraderlijk handelen verdenken. De vraag is of het opmerkelijk is dat de twee voornaamste twijfelaars – de 1e luitenant Kruithof en de kapitein Van der Mark – ook het meeste belang hebben bij hun volharding dat het loos was met Mussert. Vrijwel alle andere hoofd- en bijrolspelers erkennen achteraf dat Mussert geen verrader was. Dat beeld wordt diffuser als het gaat om zijn beleid, maar ook dat is goed verklaarbaar. Naar het beleid in en om Dordrecht zou pas beduidend later dan 1941-1942, wanneer de meeste opinies (wegens de stafhofverhoren) worden opgetekend, werkelijk onderzoek worden gedaan. Bovendien zou daarin bepaald niet objectief te werk worden gegaan, zoals nog zal worden aangetoond. Anderzijds, op zijn leidinggevende kwaliteiten valt vermoedelijk met recht veel aan te merken. Zijn karakter, zijn weinig mededeelzame aard en zijn eigengereide gedrag waren zonder twijfel aanleiding voor onbegrip en onbegrepen beleid, zo niet voor achterdocht. Dat zal beslist bijgedragen hebben aan wantrouwen jegens hem in politieke zin.

Toch blijft het opmerkelijk dat er in de meidagen en met name nadien zo vaak sprake is geweest van de omgekeerde redenering, die men bij Jo Mussert zijn politieke voorkeur regelmatig hanteerde. Dat het ontbreken van onomstotelijk bewijs dat Jo Mussert géén nationaalsocialist was, vaak wordt aangewend als sterke aanwijzing dat hij het ‘dus’ wel moet zijn geweest. De achterliggende populaire redenatie is dat Mussert wel ‘fout’ moet zijn geweest, gezien de evidente oriëntatie van zijn jongste broer Anton Mussert en de vrijwel even duidelijke keuzes van zijn eigen echtgenote. Men ziet deze hyperbool niet enkel in directe vorm, maar ook in indirecte verschijning, bijvoorbeeld door sympathie te tonen voor de militairen, die in de contemporaine omstandigheden aldus redeneerden. Als men die kromme redenatie echter extrapoleert – niet eens chargeert – dan zegt men er dus eigenlijk mee dat dit soort lichtvaardige vooroordelen overal ten lande hadden mogen gelden als ‘aanvaardbare vooringenomen aanname onder oorlogsomstandigheden van iemands vermoede onbetrouwbaarheid’. Er ligt echter een wereld van verschil tussen begrip hebben voor het ontstaan van zo’n ‘reflexmatige verdenking’ versus het ontstaan van dergelijke praktijken door toedoen van met name legerofficieren, die een dergelijk volks, reflexmatig denken leken te steunen of zelfs initieerden. En dat laatste is wat in deze zaak relevant is: het feit dat een grote schare intelligente, maatschappelijk goed opgeleide officieren – in die dagen uit de beste kringen en minstens op HBS niveau opgeleid – zo massaal op basis van een lichtvaardige verdenking over zijn gegaan tot excessen. Want dat is wat in hoofdzaak voorligt;  het excessief handelen door een aanzienlijke schare bevelhebbers onder de enkelvoudige verdenking van verraad door één individu. Als men ziet hoeveel verraderlijke invloed men Mussert toedichtte, hoe breed men zijn verraad vermoedde, is het bijkans een wonder dat Mussert niet ter plaatse naast de gebroeders Van Dijk is geëxecuteerd tijdens in plaats van na de strijd om Dordrecht. Met name de overste Van Diepenbrugge maakte het wat dat betreft bont. Hij was nauwelijks in de stad, of hij zag overal spoken en zou binnen enkele uren alle onverklaarbare zaken aan Mussert linken. Niets was onverdacht voor deze officier, die daarmee een licht paranoïde indruk maakte; overigens, niet als enige LD officier. In deel twee wordt op deze hoofdofficier en zijn curieuze gedrag terug gekomen.

De eerder gememoreerde populaire redenatie, die men niet alleen contemporain ziet, maar tot op de dag van vandaag nog steeds eenvoudig aanhang vindt, mag eigenlijk niet veel meer waarde worden toegedicht dan die van tamelijk gratuit populisme. Men veroordeelt personen reeds op schijnbare feiten. Het past feilloos in het ondiepe, maar felgekleurde palet van volkse instrumenten om autoriteiten bij voorbaat te argwanen, waarbij bekende personen op basis van eenvoudige edoch stigmatiserende vooroordelen al snel worden veroordeeld, zonder ooit weer helemaal los van zo’n stigma te komen. Dat wordt versterkt door de onderliggende ernst die men voelt bij dat gegeven stigma, de ernst van dat, waarvan men de gestigmatiseerde van te voren beschuldigt of verdenkt. Men ziet dit soort reflexen tot op de dag van vandaag terug in maatschappelijke (over)reacties op politici, met name die welke men thans tot het uiterst rechtse spectrum rekent, wat overigens beduidend minder rechts was dan dat waar de NSB in 1939/1940 stond. Als men ziet hoe tegenwoordig al wordt gereageerd op doorgaans beschaafde Kamerleden van een partij als de PVV, dan kan men zich voorstellen dat de juist bijzonder onbeschaafde en openlijk fulminerende en discriminerende Kamerleden van de NSB in de jaren dertig model stonden voor een door vele al vooroorlogs ernstig verwerpelijk geachte beweging. Logisch dat de kaderleden van de NSB en mensen, die men verdacht dat zij er lid van waren, door een deel van de bevolking ernstig werden gewantrouwd. De uitspraken, vlak voor de Duitse inval, van de NSB voorman Anton Mussert tegen een buitenlandse radioreporter, dat zijn beweging ‘met de armen over elkaar’ een Duits inval zou ondergaan, wierpen nog eens flink olie op het vuur. Die uitspraak werd alom geduid als een bewijs dat de NSB en zijn sympathisanten de Duitsers dus geen strobreed in de weg zouden zitten en dus stilletjes zou verwelkomen. Het extra stapje naar subversief handelen en open landverraad was zo gemaakt, zeker voor een gewone man, die het met halve informatie of minder moest doen. Deze emotie en deze verdenking tegen met name NSB’ers voelden zeer vele, aan de vooravond van de Duitse inval. En dat zou zwaar wegen bij de vorming van de verraadpsychose. Beter gezegd, de stemming was inmiddels zo geconditioneerd dat massale achterdocht eenvoudig op de loer lag.

De verdenking die Overste Jo Mussert ten deel viel was niet uniek. Er waren meer personen die het gevaar voelden wegens een vergelijkbare familiaire associatie. De eenvoud van gelijkrichting, dat als het ene familielid fout is het andere het ook wel moest zijn, was groot. Tenslotte zijn complete families van als NSB en/of pro-Duitse bekende lieden naoorlogs nog decennialang gestigmatiseerd, sommige tot op de dag van vandaag. De eenvoud en het simplisme van volkse rechtvaardigheid is hun deel. Mussert was slechts één van de vele slachtoffers daarvan, maar betaalde daarvoor op 14 mei 1940 wel als één der weinige de hoogste prijs. Veel minder bekend is dat hij bijna was gevolgd door anderen met een vergelijkbare familiaire context.

De oudste broer van het ronduit onbeschaafde NSB kader- en oud Kamerlid, Meinoud Rost van Tonningen (die zelf sinds begin mei 1940 als één der 21 gedetineerden vast zat), was een hoofdofficier bij de marine. Meinoud was breed bij het publiek bekend geworden als een voortdurend fulminerend Kamerlid, die gewoonlijk de plenaire zaal van het parlement deed leegstromen als hij het woord kreeg. Dat was omdat Meinoud felle nationaalsocialistische monologen afstak, waarbij hij meermaals uitgesproken discrimineerde. Diens oudste broer was in mei 1940 commandant der maritieme middelen (CMM) in de stad Amsterdam, kapitein ter zee N.A. (Nico) Rost van Tonningen (1889-1979). Deze oudste telg van drie mannelijk nazaten van de Officier in de Militaire Willemsorde luitenant-generaal KNIL Marinus Rost van Tonningen (1852-1927) was juist een man die in alle vormen beschaafd was en volmaakt vaderlandslievend. Hij was van 1930 tot 1948 zelfs adjudant van Koningin Wilhelmina, nadien van Koningin Juliana. Op 13 mei 1940 bracht hij als CMM een inspectiebezoek aan een onder hem ressorterende compagnie mariniers bij Durgerdam. Daar was de compagniescommandant (kapitein der mariniers P.J. van de Ende) door de oorlogstoestand en verraadpsychose echter bevangen door de kolder. Hij schoot tijdens een krijgsberaad de kapitein ter zee Rost van Tonningen, als ‘broer van’, met zijn pistool neer, in de ferme veronderstelling dat hij met een verrader te maken had. Nadien rende hij naar buiten waar hij nog twee burgers dood schoot en een ander verwondde. De marinierskapitein werd pas overmeesterd toen zijn magazijn leeg was geschoten. Hij zou in 1941 tot tien jaar cel worden veroordeeld, later omgezet in TBS, welk oordeel naoorlogs gehandhaafd bleef. Kapitein-ter-zee Rost van Tonningen overleefde zijn verwondingen, zou naoorlogs tot vlagofficier worden bevorderd en het koningshuis nog tot 1962 dienen en uiteindelijk tot grootmeester honorair worden benoemd. Hij was in mei 1940 slachtoffer geworden van de verraadpsychose en de premisse dat hij als ‘broer van’ wel een verrader moest zijn. Hij kon het echter gelukkig wel navertellen.

Een ander, die dit lot bijna deelde, was een verre neef en naamgenoot van Ernst Herman ridder van Rappard (1899-1953). Deze laatste was een bekende nationaalsocialist en belangrijk kaderlid van de NSNAP (Nationaal Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij), die buiten nationalistische overtuiging al vroeg ronduit antisemitisch was. Hij zou zich voor en tijdens de oorlog voor de Duitse zaak inzetten, bij de Waffen SS dienst nemen en onder meer aan het Oostfront vechten. Hij werd naoorlogs veroordeeld voor landverraad, maar stierf al in 1953 aan een hersenbloeding in een gevangenishospitaal in Vught. De familie Van Rappard was groot, maar diverse telgen zouden gedurende de meidagen door Nederlandse militairen worden ondervraagd of met arrestatie worden bedreigd wegens de achterdocht die jegens de naam heerste. Louis R.J. ridder Van Rappard (1906-1994) vertelde in het AD van 30 november 1966 zelf tweemaal op 14 mei 1940 dat hij als ‘familie van’ in Gorinchem, waar hij nota bene de burgemeester was, was bedreigd door militairen met wapens in de aanslag. Ook hij werd door een paar doorgedraaide lieden vanwege zijn naam van verraad verdacht, maar hij wist zich uiteindelijk te verlossen van de dreiging.

Dat er jegens Mussert politieke vooroordelen bestonden kan men in het licht der normale menselijke verhoudingen – hoe maatschappijen onder druk functioneren – uiteraard begrijpen. Naast het feit dat zijn familiaire band evident was, was zijn huishouden tevens bekend als één waar de NSB in elk geval sympathie genoot van moeders’ zijde. Dat Jo Mussert er geen lid van was weet men aan het verbod van beroepsmilitairen om zich politiek te verbinden. In zijn beroepsmatige omgeving is slechts bekend dat zijn adjudant hem wantrouwde, en al lange tijd. De vraag is bovendien hoe uitgesproken deze zijn wantrouwen etaleerde, want er zijn veel tekenen dat deze dit op zijn minst tot aan de meidagen heimelijk voelde en heimelijk uitdroeg. Van Mussert zijn superieuren is bekend dat ze hem volledig vertrouwden en dit ook openlijk voor het overwegend Duitsgezinde gerechtshof tijdens de rechtszaak tegen de wegens de moord op Jo Mussert aangeklaagde officieren zouden verklaren. Hoe de nuances precies lagen, hoe bepaalde minderen tegen hem aankeken, heeft de dossiers niet gehaald. Dat de overste Mussert onder druk van de omstandigheden de politieke schijn zeer tegen kreeg is vermoedelijk als logica of tenminste als verklaarbaar te duiden. De beoordeling achteraf is echter – zo kan ook worden vastgesteld – veel te lang overwegend ten laste van de overste Mussert uitgevallen. Het feit dat zijn directe superieuren en de OLZ hem al in mei 1940 rehabiliteerden en ook tijdens het proces tegen Kruithof en Bom de overtuiging groot werd dat Mussert vooral slachtoffer van karaktermoord was geworden, deed aan het naoorlogse negatieve oordeel weinig af. Niemand voelde ervoor om het politieke blazoen van de broer van Anton Mussert te gaan oppoetsen.

Mythes rond zijn aanstelling

Er wordt regelmatig geschreven dat het opmerkelijk is dat overste Jo Mussert in mei 1940 ‘een veldcommando had’ of ‘in een frontstad de leiding kon hebben’ en dat de legerleiding deze man, met de dubieuze familieantecedenten, zo’n gewichtige positie had toebedeeld. Dergelijke conclusies of beweringen zijn vluchtig en getuigen niet van erg veel inzicht in de werkelijke omstandigheden.

Om te beginnen was een depot commanderen – wat Mussert deed – alles behalve een veldcommando. Een veldcommando is immers een leidinggevende positie binnen een operationele (veld)legereenheid en juist niet het commando over een opleidingsdepot in het achterland. Wat men toen en tot enige tijd naoorlogs als ‘depot’ duidde is men nadien als opleidingscentrum (OC) gaan betitelen. Men zat dus in het achterste echelon, dat operationeel gezien het verst van het front zat. Dat laatste is niet perse een fysieke vaststelling, maar wel een organisatorische. Er was geen echelon na het depot dat verder aflag van een (theoretisch) operationele taak. Een depotcommando was dus de meest achtergestelde functie die men kon krijgen, als het tenminste op operationele verantwoordelijkheid aankomt. Daarmee is de bewering weerlegd dat Mussert een veldcommando had dan wel een commando droeg dat (op voorhand) operationeel gewichtig was.

Dat Dordrecht direct bij de Duitse inval een frontstad zou worden was door niemand voorzien. De stad had dan ook geen infanteristische bezetting. Er was geen op voorhand denkbaar scenario dat Dordrecht direct bij een Duitse inval zou worden aangevallen of op zeer korte termijn nadien tot frontstad zou worden. Zo’n scenario stond in geen enkel Hollands scenario en leek ook anderszins niet voor de handliggend. Het tegendeel beweren, wat men wel eens leest, is kennis van de gebeurtenissen achteraf misbruiken. De generaal spelen nà de oorlog. Dat kan iedereen. De algemeen aanvaarde perceptie was dat als er al een frontlijn nabij zou liggen, dat deze dan ruim 10 km zuidelijker bij Moerdijk zou komen te liggen, waar het Zuidfront van Vesting Holland liep en waar men de vijand absoluut buiten de Vesting wilde houden. De gewone verdragende Duitse artillerie zou Dordrecht vanuit een beleg van dat Zuidfront niet eens kunnen bereiken. De afstand tussen de stad en het ‘front’ was dus ruim. Dordrecht zou wel een logistiek belangrijke functie krijgen als zo’n beleg zou materialiseren, maar dat maakte de positie nog steeds geen frontstad. Bovendien had Mussert buiten de stadsgrens niets te vertellen. Dat was het domein van de brigade die sinds medio april 1940 als Groep Kil bekend was. Daarnaast was het zo dat operationele Veldleger eenheden in de stad uitsluitend logistiek en coördinatief met de C-Kant dienden af te stemmen, maar niet onder diens operationeel bevel zouden vallen. Als er dus mensen zijn die beweren dat het onverstandig was dat Mussert een frontstad beheerste, dan is ook dat argument hiermee weerlegd.

Het kleine korps der pontonniers en torpedisten was een onderdeel van de genie dat weinig autoriteiten en carrière-officieren kende. Menig korpscommandant was helemaal geen pontonnier of torpedist, maar een civiel georiënteerd genist. Jo Mussert was binnen zijn korps de enige beroepsofficier in de hogere rangen, die werkelijk uit het eigen korps voort kwam en terzake om zijn kennis en kunde zeer gewaardeerd, vooral door zijn uitstekende, pragmatische chef, de kolonel (later generaal-majoor) F.A. Vaillant. Toen Mussert, omwille van vermoedelijk het voor hem afschermen van de heimelijke kanteling van de defensie onder Winkelman, in maart 1940 uit zijn stafsectie op de geniestaf werd gezet, was een heraanstelling tot korpscommandant logisch. Te meer daar zijn voormalige vredesfunctie (van korpscommandant) door een beduidend minder gekwalificeerde reserve-majoor werd waargenomen.

Mussert had in zijn aanstelling tot commandant van het Korps Pontonniers en Torpedisten slechts werkelijke relevantie als vakspecialist, als een gekend techneut in het specifieke genievakgebied der pontonniers en torpedisten. Hij diende tot het toezien op de juiste lesstof, de juiste mentaliteit onder militaire instructeurs en het bewaken van die lesstof tegenover de werkelijkheid, die alle actieve compagnieën pontonniers en torpedisten te velde ervoeren. Hij was als korpscommandant qualitate qua depotcommandant. Dat leverde op dat hij met de dagelijkse gang van zaken van een heel depot was belast. Dat betekende onder meer een aanzienlijke staf en de zorg voor ca. 1.400 man. Het vakgebied van het korps was beperkt tot de maritieme taken van het wapen der genie. Het korps was gespecialiseerd in brugslag en militaire veer- en vervoersdiensten alsmede de aanleg en inzet van maritieme ernstvuurwerken en versperringen. Die laatste twee taken vielen onder de torpedisten, die ook ‘natte patrouilles’ verrichten, bij gebrek aan een grote bruin water marine. Pontonniers en torpedisten vond men in den lande in gelijknamige compagnieën, maar ook bij brug- en veerdiensten alsmede, een grote mate, bij de bruin water versperringseenheden en Vaartuigendienst. Daarnaast waren er talloze kleine detachementen in den lande actief als versperrings- of vernielingscommando’s op de grote rivieren en kanalen.

Overste Mussert droeg naast de voornoemde functies tevens die van kantonnementscommandant, informeel ook wel aangeduid als garnizoenscommandant. Die functie zou uiteindelijk de meeste aandacht trekken. Het begrip kantonnement was een klassieke benaming voor een geobestuurlijke eenheid binnen het Militaire Gezagsgebied. Een kantonnement was een stad of legeringsgebied. Kantonnementen kregen werkelijk gezag als de staat van beleg of oorlog was afgekondigd. Buiten dien waren ze niet aan de orde, hoewel ze wel binnen militaire kringen konden bestaan als er bijvoorbeeld wegens grote manoeuvres grotere troepenconcentraties in een zeker gebied lagen. Het was in ieder geval een begrip dat contemporain pas werkelijk lading kreeg toen medio april 1940 de werkelijke staat van beleg was afgekondigd en het Militair Gezag significant gewicht kreeg. De kantonnementscommandant was de plaatselijk functioneel hoogste militaire commandant en werd met de uitoefening van het Militaire Gezag belast. Dat Militaire Gezag was met de staat van beleg een combinatie van militair én burger gezag geworden. Dat verlangde een innige samenwerking tussen burgemeester en kantonnementscommandant.

In alle steden met een permanent of een tijdelijk garnizoen was zo’n kantonnementscommandant aangesteld. Dat was niet een typisch Nederlandse vinding, maar een fenomeen dat andere legers ook toepasten. Het zou zich tijdens de bezetting voort zetten in het Duitse equivalent dat spoedig bekend zou worden als de Ortskommandant. Een kantonnementscommandant ging, behoudens over het eigen garnizoen, over militair-bestuurlijke zaken, militair-logistieke zaken en alle overige gedelegeerde zaken en verantwoordelijkheden, die vanuit het Militair Gezag aan de OLZ (of diens gedelegeerden) ter coördinatie en/of beheersing aan de plaatselijke militaire autoriteiten toevielen. De positie van kantonnementscommandant was een functie en geen rang. Hij was militair-bestuurlijk binnen zijn kantonnement ieders meerdere en droeg dat gezag zonder meer, ook als er een hogere in rang in de stad verkeerde. Zijn functionele superioriteit was echter beperkt tot niet-operationele zaken. Een operationeel bevelhebber van een niet-garnizoenseenheid had zich slechts t.a.v. de eerder genoemde zaken iets van de kantonnementsinstructies gelegen te laten liggen, maar was operationeel in principe niet ondergeschikt, tenzij zulks door of namens de C-VH anders werd bepaald, hetgeen men gedurende de gevechtsdagen in Den Haag, Rotterdam en Dordrecht zou gaan ondervinden. Op 11 mei zouden zowel een bataljon van de Groep Kil als van de Lichte Divisie naar de stad worden gestuurd met de uitdrukkelijke instructie zich onder bevelen van de kantonnementscommandant te stellen. Zou dat bevel er niet hebben gelegen, dan waren zij operationeel autonoom geweest en hadden zij slechts een afstemmingsplicht t.a.v. logistieke en t.a.v. operationele zaken een afstemmingsplicht die zij jegens iedere andere neveneenheid ook zouden hebben. De functionele superioriteit van de kantonnementscommandant over garnizoensvreemde eenheden was aldus beperkt. Dat ziet men weer terug in de instructie die in de avond van 12 mei door generaal Van Andel zal worden gegeven, waarbij de LD volledig autonoom van de C-Kant wordt gemaakt m.u.v. strikt bestuurlijke en logistieke zaken en gebruik mag maken van de kantonnementstroepen voor de ondersteuning van eigen operaties binnen de stad.

Het geheel samenvattend, was Overste Mussert op 10 mei 1940 commandant van het Korps Pontonniers en Torpedisten q.q. commandant van het Depot der Pontonniers en Torpedisten en tevens (q.q.) kantonnementscommandant van de stad Dordrecht. Alle depotcommandanten alsmede alle kantonnementscommandanten binnen Vesting-Holland ressorteerden rechtstreeks – dat wil zeggen zonder tussenkomst van enig ander – onder de C-Vesting Holland, de generaal Jan van Andel. De generaal kon dan ook als enige in de aanstelling van kantonnementscommandanten een besluit nemen. Zelfs de OLZ zou buiten zijn boekje gaan als hij zonder consent de C-VH zou passeren en een kantonnementscommandant zou ontslaan (of aanstellen).

Dit alles overwegende kan iedere objectieve lezer vaststellen dat er geen opmerkelijke fout was gemaakt in de functie aanstelling van Mussert. Hij was niet willens en wetens in een ‘veldcommando’ aangesteld, hij was ook niet in een positie aangesteld waarvan het vooraf aannemelijk was geweest dat hij direct of zeer kort na een Duitse inval midden in de frontlijn zou verkeren met zijn garnizoen. Zijn rol als kantonnementscommandant was verder zowel theoretisch als in werkelijkheid beslist niet die van opperbevelhebber van Dordrecht, zoals vaak abusievelijk wordt gesuggereerd.

Het is een kwestie van geheel andere orde om te stellen of overste Mussert tijdens de meidagen ook had moeten worden gehandhaafd. Die vraag is niet alleen – in tegenstelling tot de voorgaande kwesties – legitiem, maar bovendien complexer om te beantwoorden. Dat zal in het tweede deel worden behandeld als uitvoerig wordt gekeken naar de interventies die in de late middag en vroege avond van 12 mei 1940 zouden plaatsvinden.

Zie hier voor de bronnen.