Positie Hoek van Holland

Inleiding

De Positie Hoek van Holland, en de bezetting van het eiland Rozenburg, behoorde feitelijk tot het Westfront van Vesting Holland. Uiteindelijk werd uit het westen geen enkele bedreiging ervaren, maar zou de positie betrokken worden bij de gebeurtenissen die het zuidfront betroffen. Vandaar dat deze positie onderdeel vormt van de bespreking.

stafkaart Hoek van Holland

De samenstelling van troepen, wapens en middelen in de Positie was divers. Vandaar dat de opsomming zeer uitgebreid is.

Voor de samenstelling van deze bespreking is gebruik gemaakt van de bronnen 10, 13, 91, 92, 102b, 220, 223 en 226.

De bezetting van de Positie Hoek van Holland is niet bij de sterkte van het Zuidfront Vesting Holland opgeteld. Het behoorde daar beslist niet toe, maar wordt behandeld omdat door mislukte Duitse luchtlandingen op de grens van de strijd aan het zuidfront, de Positie - naar mening van de auteur - besproken dient te worden. Het valt echter buiten de werkelijke begrenzing van het zuidfront en daarom worden de getallen ook niet opgeteld in de samenvattende overzichten.

Organisatie

De Positie Hoek van Holland kende een maritieme Positiecommandant [Commandant Maritieme Middelen], kapitein-luitenant ter zee J. van Leeuwen. De Positie kende dan ook een grote maritieme vertegenwoordiging in de vorm van marineschepen, marine artillerie en marinepersoneel w.o. een bescheiden vertegenwoordiging mariniers.

De kustartillerie was met enkele batterijen vertegenwoordigd. Daarnaast was er een bataljon reguliere infanterie om de landzijde te verdedigen en de kustverdediging te versterken. Tenslotte was er een operationele fortificatie binnen de Positie, Fort Maasmond.

De diverse onderdelen worden thematisch behandeld in opvolgende paragraven.

De staf

De Positiecommandant en Commandant Maritieme Middelen [CMM] was dus de kapitein-luitenant J. van Leeuwen. Zijn chef-staf was kapitein-luitenant (der marinereserve) J.J. Logger. Daarnaast waren er nog vier marineofficieren in de staf alsmede vier marineofficieren die specifiek voor de onderzoekingsdienst in de staf waren opgenomen.

De kapitein H.J. Kronig was chef staf voor landmachtaangelegenheden met als toegevoegd officier de reserve 2e luitenant M. Hertzdahl [van II-39.RI]. Deze beide landmachtofficieren waren enige in hun branche in de staf van de Positiecommandant. Over de kapitein Kronig wordt eensluidend in de verslagen vanuit alle rangen gemeld dat hij zich buitengewoon arrogant en weerbarstig opstelde en een ‘moreelverzieker was’. De kapitein was een beroepsofficier en gaf tijdens de mobilisatie consequent aan zeer op reserve officieren neer te zien.

De Positiecommandant en de commandant Kustartillerie hielden hun hoofdkwartier in de betonnen gebouwen van Batterij V.

Bij de Positiecommandant was een klein detachement Politietroepen ondergebracht met een sergeant, twee korporaals en een aantal soldaten.

De marine

De marineschepen (en daaronder vallende gevorderde vaartuigen) in de Positie op 10 mei waren:

• de onderzoekingsvaartuigen BV 18 en 19, beide met twee kanons 3,7 cm
• de bewakingsvaartuigen BV 43 en 44, beide met 7,5 cm kanon
• de divisie hulpmijnenvegers DHMV III met vier schepen [DHMV 1 t/m 4], alle met een dubbelopstelling watergekoelde 12,7 mm mitrailleur
• de boeienschepen no. 5 en 6, beide met één 12,7 mm mitrailleur
• Hr.Ms. Z.5 torpedoboot [onder commando Willemsoord]
• Logiesschepen rivierkanonneerboten Hr.Ms. Thor en Hadda

De marine Bewakings- en Onderzoekingsdienst had taken in zee- en binnenvaartgebieden in de vorm van bewaken van maritieme objecten alsmede de controle op scheepvaart. Daartoe werden vrijwel uitsluitend gevorderde schepen gebruikt die provisorisch bewapend werden met licht geschut en/of mitrailleurs. De bewakingsschepen hadden meer de taak van actief verzet tegen mogelijke subversieve of werkelijke offensieve maritieme acties, terwijl de onderzoekschepen meer werden gebruikt voor inspecties van passerende scheepvaart. Bovendien nam de onderzoekingsdienst verhoren van scheepvaartkapiteins af over waarnemingen tijdens hun tochten. Deze rapporten werden door de marine inlichtingendienst gebruikt.

Daarnaast was er een detachement marinepersoneel [C., kapitein der mariniers J.M.C. van der Berge] bestaande uit ongeveer 200 man. Hieronder waren twee marine- en drie mariniersofficieren, 41 mariniers en 140 man marinepersoneel voor varende functies. Van die laatste groep waren er 15 beroepsmatrozen en 46 man zeemiliciens. Het overige deel had volstrekte noncom functies aan boord van schepen, hoewel men omwille van vooral opleiding aan de wal was gestationeerd. Van deze 200 man was dus de helft in staat een wapen te hanteren, waarbij de mariniers uiteraard uitstekend waren opgeleid daartoe. Uit dit detachement werden de bedieningen voor de marinebatterijen vrij gemaakt.

De commandant van het detachement mariniers was 1e luitenant der mariniers  C.J.L. Hamel, bijgestaan door de beide 2e luitenants E.M.W.O. van Pohlreich en S. Scharroo [Sjoerd Scharroo was de zoon van kolonel P.W. Scharroo, kantonnementscommandant van Rotterdam]. De beide 2e luitenants voerden het bevel over een tweetal marinegeschut batterijen. Onduidelijk is in hoeverre de sterkte der mariniers ten koste van de sterkte te Rotterdam ging c.q. in hoeverre de cijfers voor de Afdeling Mariniers te Rotterdam de sterkte van de Positie Hoek van Holland al in zich hebben.

De DHMV III werd geleid door de luitenant-ter-zee 1e klas (der marinereserve) W.G.F. Hazebroek, die tevens DHMV 1 commandeerde.

Er waren een tweetal marinebatterijen alsmede een achttal enkelopstellingen marinekanons in de Positie aanwezig. Voor de goede orde zij gemeld dat deze middelen niet onder de kustartillerie [immers landmacht] vielen.

De eerste marinebatterij stond bij de Berghaven [de enige werkelijk uitgegraven haven van Hoek van Holland] met twee stukken halfautomatische stukken van 5 cm. De tweede batterij stond verder oostwaarts, bij de exportslachterij Vianda langs de Nieuwe Waterweg en bestond uit drie stukken 7,5 cm [kort] met een 90 cm zoeklicht [landmacht]. Beide batterijen werden door één der 2e luitenants der mariniers gecommandeerd.

nieuwe en oude semafoor

Aan de mond van de Nieuwe Waterweg, noordzijde, stond een marine semafoor post. Een semafoor was een seinpost, die in de vroegere tijd met vlagsignalen maar in 1940 met zowel licht- als radiosignalen berichten aan de scheepvaart doorgaf.

Ten westen van de Berghaven, langs de kades en aanlegsteigers zuidelijk van het Fort Maasmond stonden acht enkelstukken 3,7 cm.

Tenslotte was er een door de marine aangelegde en bewaakte grondmijnversperring ter hoogte van de Berghaven.

Kustartillerie

Het detachement kustartillerie [formeel betreft het hier de 2e Compagnie van het IIe Bataljon Regiment Kustartillerie] stond onder commando van de reserve luitenant-kolonel M. de Bloeme, met als adjudant reserve 1e luitenant T. van den Brink. Daarnaast waren er nog zes officieren in zijn staf. Deze staf leidde de kustbatterijen V tot en met VIII, de vier vuurmonden op het Fort Maasmond en de vijf enkelopstellingen met oudere zoeklichten [spiegels van 90 cm tot en met 200 cm]. Het marinegeschut, dat louter het binnenwater verdedigde, viel niet onder de staf kustartillerie.

12 cm lang 40

De kustartillerie had vier batterijen bij de positie Hoek van Holland. Twee batterijen van 12 cm vuurmonden aan de zuidzijde van de Nieuwe Waterweg en twee batterijen – een van 15 cm en een van 7,5 cm – aan de noordzijde. Het Fort Maasmond werd onder commando van de kustartillerie gebracht.

Batterij V [Hoek, C. reserve kapitein G.J. Koolhaas] was een eind jaren dertig ontstane kustverdediging waarbij gebruik werd gemaakt van de secundaire batterijen van het afgelegde panterschip Hr.Ms. Tromp. Het waren vuurmonden van 15 cm lang 40 no.4 in torenopstellingen. Drie van deze vuurmonden werden opgesteld in betonnen onderbouw met uitgebreid complex voor personeel, munitie en middelen. De locatie was het duingebied west van Hoek van Holland. Het bereik van dit geschut was 13,000 m met brisantgranaten [gescheiden lading], met een maximale vuursnelheid van 3 schoten per 2 minuten. Men kon zowel direct als indirect vuur geven en de stukken zover inlands draaien dat de mond van de Nieuwe Waterweg kon worden beschoten. Wegens de achterliggende duinen kon men echter geen gebruik maken van de volledige draaiing van de torens en dus niet ver landinwaarts – of richting Rozenburg – vuur uitbrengen. Tijdens de meidagen zou men echter stukken duin afgraven, zodat wel vuursteun landinwaarts kon worden gegeven. De batterij werd door een meetpost in de duinen west van ’s Gravenzande bijgestaan voor de vuurleiding op middellange en lange afstand.

Overigens had de Batterij V ook een vierde vuurmond, maar deze was als instructievuurmond in gebruik en stond op het legeringsterrein van de kustartillerie opgesteld. Er waren vergevorderde plannen dit vierde stuk aan de kustbatterij toe te voegen, maar daar kwam het wegens uitbreken van de oorlog niet meer van.

Batterij VI [Hoek, C., reserve kapitein G.C. Haeck] was een opstelling van drie stukken 7 cm lang 40 no.1. Dit waren oude vuurmonden met een beperkt bereik van 5,500 m. De batterij stond ten westen van Hoek van Holland, op korte afstand van de Waterweg en op geringe afstand van de uiterste landtong. Gezien het korte bereik was slechts vuur met directe richting mogelijk en dus een volledig open schootsveld noodzakelijk. De batterij stond opgesteld zonder betonnen versterking (met uitzondering van de vuurleiding- en commandopost) en maakte gebruik van gietijzeren beddingen. De batterij kon landinwaarts vuren, maar was door camouflage voorbereiding niet in staat dit zonder meer ook waar te maken.

De batterijen VII en VIII stonden onder bevel van afdelingscommandant reserve majoor W.T.H. Zegers.

Batterij VIII [Rozenburg, C., reserve kapitein F. Verhage] – ook wel enigszins misleidend Rozenburg West genoemd – werd pas vlak voor de mobilisatie opgeleverd terwijl de gebouwen en versterkingen pas in januari 1940 gereed kwamen. Het bestond uit drie stukken 12 lang 40 no.1 die een bereik hadden van 12,500 m. De batterij was gebouwd op torens van gewapend beton, aan de overzijde van de Berghaven een tweehonderd meter landinwaarts vanaf de Waterweg in het duingebied op het eiland Rozenburg aan de rand van een gebied dat als Scheurpolder te boek stond. De batterij kon landinwaarts vuren.

Batterij VII [Rozenburg, C., reserve 1e luitenant J.W. Unkel] – ook wel enigszins misleidend Rozenburg Oost genoemd – werd eveneens pas vlak voor de mobilisatie opgeleverd, met een uitloop tot januari 1940 voor de munitieopslag en commandopost. Het bestond ook uit drie stukken 12 lang 40 no.1 die een bereik hadden van 12,500 m. Deze batterij was op achthoekig betonnen beddingen geconstrueerd. De batterij was enkele honderden meters zuidelijk van Batterij VIII opgesteld in de meest oostelijke duinenrij. Dat laatste leidde ertoe dat een goede hoogte voor de commando- en vuurleidingspost ontbrak. Zodoende werd een ingenieuze post op betonnen palen gebouwd, voorzien van pantserstalen bescherming tegen zware scherfwerking. Bovendien was de palenstructuur berekend op het wegschieten van een der palen waarna de overige de post nog zouden kunnen dragen. De batterij was in staat geheel rondom vuur uit te brengen.

Merkwaardig zijn de benamingen voor de beide Rozenburgse batterijen, die als West en Oost werden aangeduid. De beide batterijen lagen echter op een noord-zuid as nauwelijks uit het lood ten opzichte van elkaar terwijl ze wel duidelijk in een noord en zuid richting te duiden waren. Waarom er niet voor een noord en zuid toevoeging is gekozen is een raadsel.

Beide Rozenburgse batterijen kwamen officieel pas gereed op 8 mei 1940. Dat wil zeggen dat zij op dat moment pas hun eerste proefschoten konden geven waarbij de gehele batterij, inclusief vuurleiding, kon worden getest. Vanwege het feit dat de oplevering zo kort voor de inval plaatsvond, was ook slechts de helft van de oorlogsmunitie [700 granaten] voorhanden. De andere helft lag opgeslagen in Fort Wierickerschans (bij Bodegraven), waar munitie voor kustgeschut was opgeslagen, naast een beperkte opslag voor infanteriewapens.

Er was een (auteur) onbekend aantal mitrailleurs M.25 Spandau en M.18 Vickers beschikbaar bij de batterijen voor rudimentaire verdediging tegen luchtdoelen. Vermoedelijk waren er twee zMG's per batterij.

Een depot compagnie kustartillerie [3.DepKA, C., kapitein J.H.Th. Daems] was bij ’s Gravenzande gelegerd.

De sterkte van het detachement kustartillerie in de Positie is onbekend. Wel is bekend welke bemanning voor stukbediening noodzakelijk was. Dat was voor de 15 cm stukken 10 man, voor de 12 cm stukken 9 man en voor de 7,5 cm stukken 6 man. Voor ieder stuk was een dubbele bezetting aanwezig. De bemensing van de staf, waarneming, vuurleiding, munitieaanvoer en standaard overige ondersteunende taken is (auteur) onbekend. Een schatting is dat een zware en middelzware batterij ongeveer 100 manschappen hadden en een lichte batterij circa 90. Dat zou voor de vier batterijen het geheel op een 400 man brengen. De bediening van de stukken op het Fort Maasmond zal door niet veel meer dan 50 man zijn verricht.

Fort Maasmond

Het fort behoorde tot een verzameling kust- en havenverdedigingen dat naar aanleiding van het uitgraven van de Nieuwe Waterweg [1866-1872] tot stand kwam. Het was bedoeld de kunstmatig ontstane brede riviermond te verdedigen tegen vijandelijke benadering van Rotterdam vanuit de zeezijde. In 1888 werd zodoende het fort gebouwd. Er werden 4 x 24 lang 30 en 2 x 15 lang 30 Krupp vuurmonden in drie pantserkoepels ingebouwd.

Fort Maasmond

Koepels Fort Maasmond

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Fort Maasmond was in mei 1940 ressorterende onder de detachementcommandant Kustartillerie. Het fort werd gecommandeerd door reserve kapitein P.C. van Loon, die tevens batterijcommandant was van de beide 15 cm vuurmonden [in dubbelopstelling]. De beide koepels met 24 cm geschut werden door de reserve 1e luitenant jonkheer D. Bicker geleid.

De drie koepels geschut konden in feite volledig roteren, maar koepel B (2 x 24 cm) kon wegens het interfereren met de beide andere koepels niet rondom vuur uitbrengen. Koepels A [2 x 24 cm] en C [2 x 15 cm] konden wel 360 graden draaien en vuren zonder belemmering.

15 lang 25

Uitzicht uit Fort Maasmond

 

 

 

 

 

 

 

 

De vuurmonden waren zeer verouderd en dateerden uit de 19e eeuw. De vuurmonden 24 lang 30 Krupp uit 1883 [gewicht 17 ton!] hadden een vuursnelheid van één granaat per vijf minuten. Het bereik was slechts zo’n 8,000 m. Bovendien was de munitie zeer gedateerd, waardoor moderne springstoffen niet waren toegepast. Zodoende gaf het zware kaliber geen representatieve afspiegeling van de explosieve kracht van de afgeleverde granaten. De munitieuitrusting per 24 cm vuurmond was 50 gewone granaten [brisant], 125 pantsergranaten [zeedoelen], 25 granaatkartetsen [universeel] en 10 kartetsen [infanterie]. De 15 lang 30 stukken hadden een vuursnelheid van één schot per 2 minuten en eveneens een maximale dracht van 8,000 m. Voor het fort waren een dertiental vuren – maritiem en op land – voorbereid. Munitieuitrusting per 15 cm vuurmond was 150 gewone granaten, 100 pantsergranaten, 100 granaatkartetsen en 20 kartetsen. Ten aanzien van deze munitierantsoenen dient een voorbehoud te worden gemaakt. Er is geen document gevonden dat deze voorraad anno mei 1940 bevestigt.

Het fort had telefoon, radio en telex verbindingen. Alle hoofdkwartieren waren hierop aangesloten terwijl het marinebureau verbindingen in het Fort was gevestigd.

Zoeklichten en luchtafweer

De luchtverdediging rond Hoek van Holland was uiterst summier op 9 mei 1940. Het omvatte slechts 17.BtLuA.

Het zou echter tijdens de strijd worden uitgebreid met 23.BtLuA [3 x 7.5 tl], 163.BtLuA [3 x 4.tl en 2 x M.25 Spandau] en met 1-1.CieLuMi [2 x 2.tl en 2 x M.25] van de 1e Divisie en tot luchtverdediginggroep worden opgewaardeerd. Deze prominente uitbreiding was met het oog op de evacuatie van de Koninklijke Familie en het goud der Nederlandse Bank tot stand gekomen. De tijdens de meidagen opgerichte luchtverdediginggroep Hoek van Holland werd door majoor D. de Leeuw gecommandeerd. Nadere bespreking hierover volgt als de strijddagen worden belicht.

Er was dus slechts één batterij LuA die werkelijk in de Positie stond en dat was 17.BtLuA met drie stukken 7.5tl no.1 Vickers en twee mitrailleurs M.25. De batterij stond aan de rand van de duinen langs de Langewegvlakbij het zogenaamde RVS [Rotterdamse Verenigde Scholen] kamp – het legeringskamp voor het marinedetachement dat aan de spoorbaan net ten noorden van het fort lag. Commandant was de reserve 1e luitenant G.B.R. de Graaff, met drie toegevoegde (aspirant)officieren en 190 minderen.

De opstelling was door de commandant voorbereid op oorlog. Hij had met golfplaten scherfvrije onderkomens en vuurmondposities doen voorbereiden en de vuurleiding in laten graven.

De landmacht

De bezetting binnen de Positie van het achterland werd uitgevoerd door II-39.RI. Dat bataljon had de taak binnen de Positie bewakings- en kustverdedigingstaken [de zogenaamde territoriale verdediging] uit te voeren in samenwerking met 15 Reserve Grenscompagnie, dat geheel aan de kust lag west van Hoek van Holland. Bovendien lag de commandopost van C.39.RI met regimentsstaf en enkele regimentsonderdelen in de Hoek. Zodoende was de compagnie mortieren [39.Cie.Mr] en de compagnie batterij 6-veld [39.Bt 6-veld], de verbindingsafdeling alsmede de regimentswielrijder patrouille in de Positie aanwezig, wat een welkome aanvulling was.

II-39.RI [C., Reserve majoor G. Witkamp] bestond uit drie zwakke compagnies tirailleurs en een MC met acht zware mitrailleurs en had bovendien geen enkele beroepsofficier in haar midden. De tirailleurcompagnies hadden – zoals bij alle hooggenummerde regimenten – acht lichte mitrailleurs. Bij 15.Reg.GC was dit ook het geval. Zodoende waren er 32 lichte mitrailleurs onder de infanterie aanwezig. Daarnaast de eerder genoemde acht zware mitrailleurs van MC-II-39.RI.

De Compagnie mortieren van 8 had zes mortieren verdeeld over drie secties met elk twee mortieren. Ze stonden allen opgesteld in de duinrand ten noordwesten van het dorp. De batterij 6-veld had twee secties met elk twee vuurmonden. Twee stukken stonden bij het aanleghoofd, een stuk stond vlakbij Batterij VI en het laatste stuk stond op een kruispunt van wegen [Nieuwlandse weg] vlakbij het Electrisch krachtstation ten noorden van het dorp.

In de Positie waren in totaal – nog in de winter en vroege voorjaar 1940 – zeventien S- en acht G-kazematten aangelegd. De S-kazematten waren bedoeld voor de opstelling van de lichte mitrailleurs en de G-kazematten voor de acht zware mitrailleurs. Al deze versterkingen waren in mei 1940 gereed. De geplande versterking van het noord- en oostfront waren nog niet gereed. Het grootste deel der kazematten stond aan de kust en waterwegzijde.

II-39.RI was ver onder de sterkte van een regulier bataljon. Uit haar midden waren alle Nederlandse reservisten die in Duitsland werkachtig waren geweest – die voordien in de compagnie waren geconcentreerd – uit de dienst ontslagen. Dat was bijna 100 man geweest! De sterkte van de toch al onvolledig bezette compagnies was daarom tussen de 90 en 130 man. Het bataljon had uiteindelijk een sterkte van rond de 500 man in plaats van de organieke 750.

Het dispositief van II-39RI was als volgt.

3-II-39.RI [reserve kapitein B.J.A Smeele] had haar posities op het eiland Rozenburg, geconcentreerd op de noordwest punt. Deze zwakke compagnie [slechts ca. 90 man] kreeg daarbij ondersteuning van drie zware mitrailleurs die overigens alle drie in de uiterst noordwestelijke landpunt stonden opgesteld en waren allen zeewaarts gericht. De posities van 3-II-39.RI werden ook wel als het zuidfront (van de Positie) aangeduid.

1-II-39.RI [reserve kapitein A. Kok] bestond uit 130 man en had haar posities aan het zee- en noordfront. Zij leunde tegen zowel 15.ResGC als 2-II-39.RI aan.

2-II-39.RI [reserve kapitein J.C. Vermeulen] haar sterkte is niet exact bekend, maar was zeer zwak. De compagnie bezette het oostfront van de Positie, zijnde de noordgrens van de bewoonde kern aansluitend op de rechterflank van de 1e Compagnie. Binnen dit vak lag het bureau van de regimentscommandant.

MC-II-39.RI [reserve 1e luitenant J. Vel] had zoals eerder aangegeven acht zware mitrailleurs. Daarvoor waren acht G-kazematten beschikbaar, maar deze zijn niet bezet geworden wegens ontbreken van de boldoorvoeringen. Een zware mitrailleurs stond naast de lichttoren met schootsrichting over de Waterweg richting west. Vier zware mitrailleurs stonden opgesteld ten zuiden van de Waterweg in het vak van 3-II-39.RI. De overige vier mitrailleurs stonden opgesteld in het vak van 15.ResGC en het aansluitende vak van 1-II-39.RI. Deze wapens vonden een opstelling in de duinen west van Hoek van Holland, schootsrichting zee, achter de voorste infanterie opstellingen.

15.ResGC had een waarnemend commandant, door ziekte van de twee (!) voorgaande commandanten. De compagnie werd door reserve 1e luitenant de Jong gecommandeerd en had naast deze slechts nog één andere officier, de reserve 1e luitenant H.J. Waalwijk. Maar die laatste werd vlak voor de meidagen eveneens ziek zodat van 1-II-39.RI vervanging kwam [reserve 1e luitenant M. Dubbeld] omdat luitenant de Jong er anders alleen voor had gestaan. Een aanzienlijk deel van de lichte mitrailleurgroepen zat in S-kazematten langs de kuststrook ten noorden van de Waterweg. De sterkte van de compagnie wordt uit de bronnen niet duidelijk, maar zij bestond uit vier secties plus een commandogroep. De compagnie zal ongeveer 120-130 man sterkte hebben gehad.

Daarmee was de landmacht vertegenwoordiging ten aanzien van het territoriaal commando compleet. Ze bestond uit een 200 man staf- en regimentstroepen van 39.RI, een 500 man van II-39.RI en een 130 man van de reserve grenscompagnie. Een totaal van 830 man.

Hoewel de verdediging van Hoek van Holland rond het dorp in egelformatie was vormgegeven, was zonder enige vorm van overdrijving het gros der troepen richting zee of Waterweg opgesteld.

Resumé van de sterkte

De vertegenwoordiging van de landmacht was goed voor circa 830 man, welke vrijwel geheel ten goede kwamen aan de defensieve sterkte van de positie.

De marine leverde een detachement van 200 man, waarvan een voornaam deel bedoeld om de marinevuurmonden te bemannen en het overige deel vooral uit noncom’s bestond. Het varende gedeelte der manschappen is in deze weinig relevant.

De kustartilleriestaf, vier batterijen van de kustartillerie en de batterijen op het fort leverden ongeveer een 450-500 man op voor de Positiebezetting.

De sterkte van de batterij luchtafweergeschut was 194 man.

De sterkte van de bezetting van de Positie Hoek van Holland mag men op ongeveer 1,700 man stellen.

Resumé van de bewapening en het geschut

De wapens, anders dan de persoonlijke wapens, binnen de Positie laten zich als volgt samenvatten:

Infanteristische wapens:

- 32 lichte mitrailleurs
- 8 zware mitrailleurs [plus vermoedelijk 8 van de kustartillerie]
- 6 mortieren van 8,1 cm
- 4 stukken 6-veld

Marinegeschut (op land):

- 8 x kanon van 3,7 cm
- 2 x kanon van 5 cm halfautomatisch
- 3 x kanon van 7,5 cm kort

Kustgeschut:

- 3 x kanon van 7,5 cm
- 6 x kanon van 12 cm
- 3 x kanon van 15 cm

Fortgeschut:

- 2 x kanon van 15 cm lang 30
- 4 x kanon van 24 cm lang 30

Luchtdoelgeschut:

- 3 x stuk 7,5 cm no. 1
- 2 x mitrailleur M.25

Paraatheid

De Positie Hoek van Holland vormt in alle opzichten - ten aanzien van paraatheid - een uitzondering op het verhaal dat we kennen van het Zuidfront (waartoe het dus ook niet behoorde). Er was namelijk sprake van volledige alarmering in de avond van 9 mei 1940 en wel als gevolg van de alarmering van het gehele Westfront Vesting Holland. De C-VH achtte het namelijk wel verstandig om de kustverdediging in de hoogste paraatheid te brengen naar aanleiding van de berichten van het AHK in de avond van 9 mei. Zodoende waren marine, landmacht en luchtverdediging in de Positie allen alert gedurende de nacht en werden alle onderdelen – zonder enige uitzondering – in volledige paraatheid gebracht op 10 mei om 0200 uur. Daarbij was men volledig voorzien van munitie.

De paraatheid hield het volgende in.

Vanaf middernacht was de Nieuwe Waterweg voor alle scheepvaart gesloten. Kust- en navigatieverlichting was gedoofd. De havenversperring – een aantal gespannen kabels – was gesloten. De beide bewakingsvaartuigen kruisten voor de mond van de Waterweg met gedoofde lichten. De Z-5 was in alarmtoestand buitengaats gebracht. De mijnenvegers lagen met bezette mitrailleurs in de Poortershaven.

Vanaf 0200 uur waren alle marinekanons en batterijen waren voltallig bezet, het detachement marinetroepen volledig paraat. Alle telefoontoestellen alsmede het verbindingsbureau waren bezet. De beide afvuurinrichtingen van de grondmijnversperring waren eveneens bezet.

Het Fort alsmede de vier kustartilleriebatterijen hadden een volledige batterijbezetting bij de vuurmonden terwijl het overige personeel stand-by paraat was.

Alle landmacht eenheden waren vanaf 0200 uur paraat en in de stellingen. De luchtafweer en zoeklichten waren eveneens om 0200 uur bezet.

Bevelsverhoudingen

Men had zich vooraf op een aantal defensie scenario’s voorbereid. Er waren drie scenario’s uitgewerkt, waarbij twee maritieme scenario’s en een landscenario. Dat hield in dat als een van de maritieme scenario’s zou worden afgekondigd, vrijwel de gehele bezetting van de Positie zich zou concentreren langs de Waterweg en/of de kust terwijl bij het landscenario 2-II-39.RI zich landwaarts zou opstellen.

De bevelsketen was helaas ook in deze Positie niet homogeen en uiterst verwarrend. Daar kwam bovenop dat er diverse ondercommandanten waren die weer slechts een deel der eigen onderdelen onder zich hadden. Bovendien werden daar tussendoor nog eens nieuwe dwarsverbanden gelegd in de vorm van operationele afspraken.

Dat begon al met het feit dat de Positiecommandant qua maritieme zaken rechtstreeks onder bevel van de Chef Marinestaf stond, maar voor landaangelegenheid onder de commandant stafsectie Westfront Vesting Holland [reserve kolonel G.J. de Groot] viel. Daarbij dat de Positiecommandant over de luchtafweermiddel [in eerste instantie slechts 17.BtLuA] niets te zeggen had, want die vielen onder de Luchtverdedigingskring Rotterdam-’s Gravenhage.

De eindverantwoordelijkheid voor de verdediging ruste weliswaar bij de Positiecommandant, maar operationeel waren afwijkende afspraken gemaakt. Zo was C-II-39.RI verantwoordelijk voor de territoriale verdediging van de Positie, maar was zowel het marinedetachement als 3-II-39.RI met haar anderhalve sectie zMG daarvan uitgesloten. Die vielen direct onder de Positiecommandant. Die keuze was vanzelfsprekend gemaakt omdat 3-II-39.RI verondersteld werd slechts een kustverdedigende taak te hebben en het marinedetachement vooral het marinegeschut en de marinemiddelen zou beschermen.

Bij de kustartillerie was sprake van een commandant van het detachement die louter de landmacht batterijen V t/m VIII en de Fort batterijen commandeerde. De marinebatterijen werden rechtstreeks door de CMM en zijn staf aangestuurd. De zoeklichten sectie [reserve 1e luitenant der genie F.L. van Zwieten] viel weer onder de overste de Bloeme.

Uiterst curieus was de rol van C-39.RI [reserve luitenant-kolonel jonkheer W.E. Snoeck] die geen enkele operationele zeggenschap had. Het opvallende feit deed zich toen voor dat deze regimentscommandant alle drie zijn bataljons onder controle en bevel van derden zag. I-39.RI binnen Groep Spui, II-39.RI onder de Positiecommandant Hoek van Holland en III-39.RI als kantonnementsbataljon te Rotterdam. Zijn staf, zijn stafonderdelen alsmede regimentsonderdelen werden aan de Positiecommandant beschikbaar gesteld.

Het bovenstaande lezende is het direct duidelijk dat ook hier weer de basis voor een ongekende chaos was geschapen door de gekunstelde bevelsketen.