De Philips geheimen

Inleiding

Dit artikel behandelt het thema van de Philips inlichtingendienst en de mysterieuze Philipstransporten, die door Noord-Brabant kruisten op 10 en 11 mei 1940. De bij dit artikel specifieke behorende bronnen worden in de tekst met blauwe cijfers aangegeven en onderaan het artikel geduid.

In 1891 werd door Frederik Philips en zijn zoon Gerard Philips het bedrijf Philips & Co in Eindhoven opgericht, dat zich toelegde op de fabricage van gloeilampen. Kort nadien trad de broer van Gerard, Anton Philips tot het bedrijf toe. Hij was de man achter het agressieve zakelijke concept dat Philips in korte tijd tot een groot elektrotechnisch bedrijf deed uitgroeien. Binnen afzienbare tijd was het bedrijf ook betrokken bij grootschalig technisch onderzoek, waaruit producten volgden die vandaag de dag nog in het portfolio van Philips thuishoren: consumentenelektronica en medische apparatuur.

De activiteiten van Philips werden door de Nederlandse Staat al in de jaren dertig tot de voornaamste strategische industrie van het land gerekend. Het Duitse Wehrwirtschafts- und Rüstungsamt beim Heeresgruppe B [Krijgseconomisch en materieelambt bij Legergroep B] uitte zich nog sterker uit in een rapportage in juni 1940 door de bewoordingen te gebruiken dat Philips ‘die für die Niederlande wichtigste Rüstungsfirma’ was [2]. Het bedrijf had eind jaren dertig bijna 20.000 werknemers in eigen land en circa 10.000 in het buitenland in dienst.

Een en ander betekende uiteindelijk dat er prominente medewerking door het Ministerie van Defensie zou worden verleend aan evacuatie van essentiële machines, grondstoffen en bedrijfsgeheimen in geval van oorlog. Zodoende werden halverwege de jaren dertig, in samenwerking met defensie, evacuatieplannen ontwikkeld voor het geval oorlog zou uitbreken. Die samenwerking was dusdanig dat Philips een aanzienlijke hoeveelheid legertrucks ter beschikking kreeg, zodat in geval van oorlog direct evacuatie naar de Vesting-Holland kon worden georganiseerd. Bovendien zouden prominente (oud)militairen ondersteunen bij het plannen van een evacuatie en kreeg Philips enkele officieren toegewezen die konvooien met strategische goederen zouden begeleiden in geval van oorlog.

Het evacuatieplan voorzag in de organisatie van een aantal speciale spoortreinen en vrachtwagenkonvooien met machines, prototypes, strategische grondstoffen, geheime ontwerpen en vaklieden, begeleid door subalterne officieren van het Nederlandse leger. Het was voorzien dat deze colonnes met voorrang de oversteek naar Vesting Holland zouden maken via de bruggen van Keizersveer of Moerdijk. Uiteindelijk zou van die geplande serie konvooien een onderweg provisorisch gevormde colonne tijdens de meidagen van 1940 in Goeree Overflakkee terecht komen en van daaruit doorreizen via Hellevoetsluis naar Den Haag. Achteraf bleek dat deze evacuatiegroep als enige de Vesting Holland zou bereiken. De rest was vroeger of later in het traject vastgelopen.

Nadrukkelijk dient te worden vermeld dat inzake de bespreking van het deel over de Philips inlichtingendienst zwaar geleund werd op het boek van Frans Dekkers, dat bij de bronnenlijst staat vermeld. Het is voor de geïnteresseerde lezer belangrijk te weten dat er dus geen diepgravend wetenschappelijk verantwoord onderzoek naar de kwestie is gedaan door de auteur van dit artikel zelf. Die suggestie mag van het artikel dan ook niet uitgaan. Voorts wordt in het artikel enkele malen gesproken van ‘Geallieerd’, hoewel dat sec genomen tot het jaar 1940 niet als zodanig een juist begrip was voor de Franse, Britse en Belgische naties. Het begrip is echter voor het gemak gehanteerd omdat het een algemene bekende lading dekt.

De geheimen van Philips

Het dossier Philips biedt de krijgshistorisch onderzoeker een schatkamer aan mysterie. Een van de mysteries is de exacte politieke positiebepaling van de directie van het bedrijf aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Oppervlakkig gezien leek Philips NV zich geheel te oriënteren op de Nederlandse overheid en loyaal aan de vaderlandse zaak te zijn. Als men dieper graaft wordt duidelijk dat er in feite (minimaal) ambivalentie sprak uit de vooroorlogse oriëntatie van het bedrijf, of zo men wil, dat men op twee paarden wedde, maar uit de aard der zaak slechts de oriëntatie op het vaderland aan de oppervlakte toonde. Daar wordt in het volgende hoofdstuk op teruggekomen.

Een ander, wellicht voor sommige minder boeiend, geheim was wat er nu aan boord van de Philipstrucks heeft gezeten die naar Vesting-Holland moesten worden gebracht in geval van oorlog. Philips was in de late jaren dertig niet alleen als elektronicafabrikant aan het werk, maar zij voerde ook defensieopdrachten uit die met elektronica niets van doen hadden. Zo had Philips o.a. opdracht gekregen voor de licentie vervaardiging van de Böhler PAG antitank vuurmonden (zonder onderstel) van 4,7 cm, inclusief munitie. In eerste instantie 50 stuks, met een gestaffelde uitbouw (levering tot in 1941) van de opdracht tot 200 stuks [1]. Ook maakte Philips diverse soorten munitie voor de Artillerie Inrichtingen [AI]. Philips was bovendien betrokken bij ontwikkeling van radioapparatuur voor het leger en de militaire luchtvaart. De productie van elektronenbuizen was bovendien essentieel voor alle elektronica in die dagen. Eén van de vermoedelijk meest strategische zaken waarbij het bedrijf betrokken was, was de ontwikkeling van een luchtverdedigingsradar, die ook voor de marine kon worden toegepast. Dat werd in samenwerking met het DMKL in Den Haag gedaan, waar ook enige proefopstellingen stonden.  

Wat er exact aan boord van de eerste colonnes zat die de Philipsfabrieken zouden verlaten op 10 mei 1940 in de ochtend, is aan auteur dezes niet bekend. Wel is bekend dat enkele specialistische defensie georiënteerde productiestraten waren voorbereid voor evacuatie zodat voor de oorlogsindustrie essentiële gereedschappen en machines verladen waren en konden worden verplaatst en heropgebouwd binnen Vesting-Holland. Een deel van de productie was al onderaanbesteed, zoals bij het bedrijf NV Metaalwarenmaatschappij Johan de Witt in Dordrecht. Aan boord van de vrachtwagens waren ook essentiële techneuten en geheime ontwerpen. Waar die geheime ontwerpen precies op zagen is aan auteur dezes niet bekend.

Een ander belangrijk onderdeel van de evacuatie vormde de strategische grondstoffen van het bedrijf, waaronder bepaalde exotische stalen en legeringen. Die waren niet alleen voor de productie van belang, maar tevens waardevol voor de defensie industrie, die van (voor die tijd) hoogwaardige legeringen en stalen volop gebruik maakte en deze slechts met de grootste moeite van de markt geleverd kreeg. 

Een laatste vrij onduidelijke zaak is waar de colonnes van Philips gestrand zijn en exact wat de toedracht was van hun gestagneerde verhuizing. Van tenminste twee konvooien zijn de locaties bekend van hun eindstation. De personeelscolonne en één der colonnes met voertuigen die machines en dergelijke vervoerden. Van andere konvooien is geen duidelijk spoor.

De Philips inlichtingendienst

Een duister geheim dat het Philips dossier biedt is de kwestie rond de zogenaamde Philips inlichtingendienst, ook wel de Philips politie genoemd. Dat was veel meer dan een industriële inlichtingen- of ordedienst, die waakte over eigen, en joeg op het verkrijgen van andermans, intellectuele eigendommen. De organisatie was zeer actief in het vergaren en uitwisselen van informatie [‘intelligence’] inzake de politieke voorkeuren en activiteiten binnen het concern.

Philips was vooroorlogs sterk bezorgd om communistisch subversief gedrag en wilde dat volledig onder controle houden en liefst (ver) voor zijn. Van communistisch activisme verdachte medewerkers werden weggewerkt of aangegeven. [3] Er werd met binnenlandse en buitenlandse veiligheidsdiensten samengewerkt om dit fenomeen te beteugelen en daarbij werd soms in het hoogste spectrum van politieke spionage gewerkt. [3] Enkele keren kwam het leger zelfs in actie, werden objecten bewaakt of het gehele complex, zoals eind jaren twintig eens het geval was.

Toen in de tweede helft van de jaren dertig naast het communisme het nationaalsocialisme als invloed opkwam, ontstonden in het politieapparaat van Philips, geleid door Willem Dijs, controversiële contacten [3]. Dijs zag namelijk in de nationaalsocialisten goede handlangers in de strijd tegen het door hem (en Philips) verfoeide communisme. Dijs was bij alle internationale veiligheidsdiensten bekend om zijn grote cartotheek (duizenden namen) met gekende communisten en deed er ‘alles’ aan het communisme te bestrijden binnen Philips en daarbuiten. Omdat Dijs - oud politieman - ondanks zijn aanstelling bij Philips onbezoldigd politie rechercheur was gebleven, had hij ook buiten de poorten van de NV opsporingsbevoegdheid. Het was nog sterker, want Dijs was bovendien aangesteld als grenscommissaris (een soort regionaal douane bevelhebber) en gebruikte zijn kennis daarom menigmaal om vluchtelingen al bij de grens te laten onderscheppen. Maar met name de band die uiteindelijk ontstond met de in het zuidoosten van het land beruchte (nazi)spion Wilhelmus (Willy) Geelen verbond Dijs al vooroorlogs aan de nationaalsocialistische zijde van het spectrum [3]. Geelen – die in 1938 bij Philips in dienst trad ondanks dat hij bekend was als Abwehr spion [de Abwehr was de Duitse inlichtingendienst] – was niet alleen een bekend en prominent Abwehr agent, maar tevens een voorname verbindingsman in een netwerk van Duitse vertrouwensmannen [V-Männer]. Hoewel het in eerste instantie een samenwerking was die uit symbiose ontstaan was, zou Dijs toegroeien naar een veel meer authentieke sympathie voor het nationaalsocialisme. Dijs zou uiteindelijk tijdens de oorlog de door de Duitsers aangestelde commissaris van politie in Eindhoven worden. 

Een gegeven is dat eind jaren dertig de band tussen de Philips inlichtingendienst en de Gestapo [Geheime Staatspolizei] er één werd die hechter was dan economisch noodzakelijk. Wegens arbeidsmigratie waren die contacten in eerste aanleg wel degelijk verklaarbaar en aanvaardbaar. Althans zo zagen zowel bedrijfsleven als overheden toentertijd dergelijke internationale uitwisselingen van persoonsgegevens. De samenwerking leidde ertoe dat Philips met succes de komst van ongewenste vreemdelingen, vooral die met communistische statuur, kon tegengaan. De Gestapo zag er echter ook op toe dat er geen andersoortige Deutschfeindlichen met Philips in contact kwamen. Zodoende ontstond een kameraadschappelijke samenwerking, wederom in eerste aanleg vooral gestoeld op symbiose. Een uitwisseling voorts, die andere bedrijven én de Nederlandse overheid zelf ook kenden, zoals vandaag de dag de IND ook zijn gegevens inwint voor beoordeling van asielprocedures. Uit de frequente contacten en de daarvan resulterende vruchten ontstonden echter hechte banden tussen bepaalde functionarissen aan weerszijde van de grens. Het is zeker dat de toenmalige Philipsdirectie weet had van de contacten, maar deze vanwege haar sterke wens tot het buitenhouden van socialistische idealisten toestond. Frans Otten – schoonzoon van Anton Philips, prominent directielid van Philips en geboren in Berlijn in 1895 – had zelf ook goede contacten met inlichtingendiensten, maar door de schijn op te houden geheel op Nederlandse hand te zijn en zodoende regelmatig in Den Haag te rapporteren, werd Otten naoorlogs nooit het vuur aan de schenen gelegd. Terwijl daar alle reden toe was geweest, te meer daar de eigen inlichtingendienst – en dus Willem Dijs – direct onder Otten ressorteerden.

Philips had het organisatorisch echter uitgekiend gespeeld. Binnen de directie was zogenaamd alleen Frans Otten met de inlichtingen belast. Andere directieleden wisten op papier van niets. De chef van Otten’s inlichtingendienst, Willem Dijs, had de vrije hand gekregen te handelen naar eigen goeddunken, zolang Philips maar verschoond bleef van sociale oproer. Zodoende kon de Philips directie naoorlogs zich ook verschonen van vermeende kennis terzake. Dijs had immers autonomie. En Philips had vooroorlogs natuurlijk nooit kunnen weten dat Dijs zich tijdens de oorlog als ‘fout’ zou ontpoppen …

De handelwijze van Philips leidde tot excessen, die echter in de rumoerige jaren dertig niet direct opvielen of simpelweg ‘niet ongewenst waren’ en naoorlogs in het kader van de wederopbouwbehoefte gauw vergeten en vergeven zouden worden. De Nederlandse Staat had bovendien zelf geprofiteerd van de Philips inlichtingendienst. Zo zorgde Dijs ervoor dat er zo nu en dan enorme zuiveringen in Eindhoven plaatsvonden en er met regelmaat door zijn eigen apparaat of de reguliere politie invallen werden gedaan bij Duitse arbeidsmigranten die van communistische (of aanverwante) signatuur waren [3]. Dat zijn inlichtingen van de Gestapo afkwamen en daardoor ook andere door de Gestapo ongewenste elementen slachtoffers werden, nam men op de koop toe. Toezicht ontbrak toch. Omdat de Nederlandse Staat – althans de inlichtingendienst GS-III (1) – communisten ook als ongewenst afficheerde, was het voor GS-III niet erg dat Dijs bij tijd en wijlen ondeugend autonoom optrad tegen communistische activisten. Bovendien was de inlichtingendienst van het concern inmiddels voor de contraspionage van GS-III erg belangrijk geworden.   

(1) GS-III – de naam staat in volledigheid voor Generale Staf sectie III – was in oorsprong [1913] zuiver een militaire inlichtingendienst. Later werd het een Centrale Inlichtingendienst, die zich ook niet-militair met staatsveiligheid bezig hield. Later werd de dienst weer in drie afdelingen opgedeeld: IIIA, IIIB en IIIC, respectievelijk inlichtingen buitenland, inlichtingen binnenland en contraspionage. In het artikel wordt gemakshalve GS-III als algemene benaming gehanteerd. Tijdens de in dit artikel besproken periode tot en met het zogenaamde Venlo incident, in november 1939, was kolonel J.W. van Oorschot hoofd van de dienst, nadien de generaal-majoor H.A.C. Fabius, die in 1913 als jonge luitenant de sectie GS-III al als eerste had geleid. Van Oorschot nam de scepter weer over toen de Inlichtingendienst in Londen opnieuw werd opgericht, wat kon gebeuren vanwege het feit dat hij als Nederlands hoogste liaison officier (reserve generaal-majoor) tijdens de meidagen naar Londen was gestuurd.  

Philips glibbert langs meerdere paden

Midden jaren dertig werd Frans Otten belast met het organiseren van een noodplan voor crisis- en oorlogssituaties [4]. Het is het markante begin van een lang traject, dat uiteindelijk tot de Philipscolonnes in mei 1940 leidde. De motivatie ervoor werd door Anton Philips helder in één pakkende zin samengevat: ‘Het wereldrijk van Philips mocht niet afhankelijk zijn van het lot van Nederland.’ In het vorige hoofdstuk werd al geduid hoe breed en vrij men dat – die ontkoppeling van Nederland haar lot – binnen Philips meende te mogen interpreteren.

Philips speelde het spel sluw. Het had primair de zorg van de dag in de vorm van voorkoming van sociale onlusten, maar tevens de zorg van morgen aangaande de continuïteit van het wereldconcern. Vanuit die optiek, en de alleszeggende strategie uit de mond van Anton Philips, was het zaak met alle partijen samen te werken. Zo waren de contacten met GS-III, Gestapo en de Abwehr levendig [3]. De Abwehr contacten verliepen vooral tussen Dijs en Geelen. Opvallend daarbij was dat Geelen, voorheen veldagent voor de Abwehr in Frankrijk, een dubbelrol had. Hij was in dienst van de Abwehr, waar zijn hart lag, en aangesteld bij GS-III, om informatie te verschaffen over actieve ‘Geallieerde’ spionnen in Nederland [3]. Voor beide kampen was hij een belangrijke informant en beiden zijden kenden zijn dubbelrol. Dijs zat daar regelmatig als schakel tussen en was dus uitermate goed geïnformeerd omtrent de zaken. Hoe kwalijk dat was voor onder meer de door het landsbestuur geambieerde neutraliteitspolitiek, behoeft geen nader betoog. Dat de dubbelrol die de Philips inlichtingendienst speelde voor met name Geallieerde veiligheidsdiensten opererend in Nederland puur schadelijk was, werd kennelijk door GS-III als aanvaarbare [lees: afgewogen] nevenschade beschouwd. Philips haar contacten in Duitsland achtte men belangrijk(er), en zouden naast schade ook baten opleveren. Zo werd Philips regelmatig getipt rondom mogelijke datums van Duitse invallen, die door in het bijzonder directeur Otten weer bij GS-III werden neergelegd. Dat Otten daarbij niet zomaar belangenloos een dienst leverde aan GS-III, maar vanwege de sterke Philips' continuïteitswens ook tijdig wilde weten wanneer een bedrijfsevacuatie noodzakelijk was, was geen trivialiteit. Zo sneed het mes aan twee kanten. Otten leek door zijn ‘trouwe’ rapportages volledig op de hand van GS-III, maar wedde in werkelijkheid op twee paarden, omdat hij vrijwel zeker de andere kant net zo trouw informeerde om daar nu juist de cruciale informatie omtrent de exacte aanvalsdatum te kunnen verkrijgen. 

In diezelfde periode, we spreken nu 1937/1938, was kapitein der Generale Staf Gijsbert Sas druk doende om voor Philips een evacuatieplan te ontwikkelen [4]. Tegelijkertijd lobbyde de Philipsdirectie en Willem Dijs in Duitsland om afspraken te maken hoe het bedrijf Philips met haar Nederlandse vestigingen ‘veilig’ door een invasieperiode kon rollen. Toen kapitein Sas (na bevordering tot majoor) eerst naar de Generale Staf in Den Haag en kort nadien naar Berlijn werd gestuurd om wederom – hij was het al eerder geweest – militair attaché te worden in de Duitse hoofdstad, werd hij opgevolgd door luitenant-generaal buiten dienst Henri G. Winkelman. Niet toevalligerwijs was generaal Winkelman een oom van de man die de Philips evacuatieplannen met directiemandaat vormgaf, Mr. J. Hamming [4]. De gepensioneerd generaal werd overigens in september 1939 weer in actieve dienst geroepen en commandant van de Luchtverdedigingskring Utrecht-Soesterberg. Zijn taken bij Philips waren toen echter al afgerond. Tijdens de opperbevelhebbercrisis, toen de Regering en de eerste opperbevelhebber [generaal I.H. Reynders] in januari 1940 in een schijnbaar onoplosbaar conflict waren gekomen en Reynders zijn onslag indiende, werd geheel onverwacht de luitenant-generaal Winkelman door de Regering als opvolger van Reynders aangesteld. Dat deed in de militaire top de wenkbrauwen fronzen, omdat Winkelman weliswaar een reputatie genoot als een degelijk officier en een organisatiekundige functionaris, maar als militair strateeg en tacticus op zijn zachtst gezegd geen grootse reputatie had.

De controverse die uit Winkelman zijn aanstelling bij Philips, en zijn daaropvolgende onverwachte opperbevelhebberschap ontstond, was even voor de handliggend als onbewijsbaar. Er heerste enige tijd na de oorlog de theorie dat de Philipsdirectie in Den Haag had aangegeven dat generaal Reynders – opperbevelhebber van het leger tot en met januari 1940 – zijn strategie om de Peel-Raamstelling hardnekkig te verdedigen aanleiding zou vormen voor de Duitsers om ook de sector Eindhoven zwaar te beschieten. Men zou vanuit de lichtstad hebben aangedrongen op het vervangen van de generaal en als opvolger de generaal Winkelman aan te wijzen. Deze zou daarop de strategie om de Peel-Raamstelling hardnekkig te verdedigen hebben doen laten varen.

Die theorie – voor een voornaam deel gestaafd op verklaringen van de oud-generaal Roëll voor de PEC – mag aannemelijk lijken voor complotdenkers, maar welke baten zou Den Haag hebben bij een intacte Philipsfabriek als deze juist door een bewust verzwakte strategie in Noord-Brabant spoedig in Duitse handen zou vallen? Er is ook geen enkel bewijs te vinden voor deze theorie. Dat Philips op een en ander aan heeft gedrongen ligt voor de hand. Dat het echter gevolgen had voor het strategisch beleid lijkt onlogisch. Dat de theorie ontstond was gezien de curriculum van Winkelman echter wel verklaarbaar. Anderzijds is er geen enkele aanleiding aan te nemen dat de Philipsdirectie op de hoogte was van de gewijzigde strategie. Gelukkig maar, want dan waren de kansen niet onaanzienlijk geweest dat die strategie ‘uitgelekt’ was naar Duitsland, wat in werkelijkheid beslist niet het geval is geweest. In elk geval toont het aan dat de band van Defensie met het Eindhovense concern niet zo stevig was als door onder meer generaal Roëll werd gesuggereerd voor de PEC. Daarbij was Roëll niet onverdacht als complotdenker, want hij had een gekende grief tegen Winkelman. Want Roëll was zelf niet gevraagd om Reynders op te volgen, maar de ‘ambtenaar’ Winkelman – want zo beschouwde Roëll de opperbevelhebber – was wel heel erg onverwacht als optie opgedoken. De theorie dat Philips in zowel het ontslag van Reynders als de aanstelling van Winkelman een voorname rol speelde is niet gestaafd op enig bewijs of zelfs maar een sterke aanwijzing. Het kan echter zeker niet worden uitgesloten.

De evacuatieplannen

Philips had in eerste instantie in 1935 geheel zelfstandig, onder leiding van de bedrijfsjurist mr. J. Hamming, evacuatieplannen ontwikkeld [4]. Men zou een aanzienlijk deel van de productie overbrengen naar Vesting Holland. Spoedig realiseerde men zich dat ondersteuning van de Staat noodzakelijk was, zodat men Defensie benaderde voor samenwerking. Het Kabinet keurde de initiatieven goed op voorwaarde dat Philips zonder bezwaren voor de Nederlandse defensie industrie zou gaan werken. Dat leverde geen problemen op voor het concern. In 1936 gaf de toenmalige Minister van Defensie Colijn toestemming voor de samenwerking.

Het evacuatieplan dat Winkelman uiteindelijk in samenwerking met de directie had ontwikkeld heette de Regeling Buitengewoon Vervoer [RBV]. Het voorzag in de evacuatie van slechts die productielijnen die voor militaire productie essentieel waren. Daarnaast werd veel ruimte ingeruimd voor strategische grondstoffen, de archieven en strategische ontwerpen. Ook sleutelpersoneel, twee productieploegen voor de productie van de Böhler antitankvuurmonden [PAG] en de gehele boekhouding waren onderdeel van de RBV. [3, 4]

De bedoeling was om via spoor en weg de grondstoffen en specialistische zware machines in maximaal drie dagen tijd naar het westen van het land te vervoeren. De productie van de PAG zou naar Dordrecht worden verplaatst, waar een deel van de productie al vooroorlogs plaatsvond. Twee extra werkploegen zouden daarom per trein naar de Vesting Holland vertrekken. Waar de munitieproductie heen zou worden verplaatst is niet bekend. Duidelijk is wel – onder meer uit een verslag van Groep Spui [10] – dat er vooroorlogs ook bij militaire autoriteiten in Vesting Holland instructies waren neergelegd. Zo blijkt uit het stafverslag van Groep Spui dat een speciaal aan de staf toegevoegde officier der motordienst – reserve kapitein Moerman – tot taak had in geval van intreden van de oorlogstoestand direct te Zevenbergsche Hoek (onder Moerdijk) contact te maken met de tot reserve kapitein aangestelde Mr. Hamming, die een Philips colonne begeleiden zou met reisdoel Dordrecht [10]. Het feit dat deze kapitein in de Staf van Groep Spui zat – die het meest westelijke Vak van het Zuidfront bezet hielden – is een indicatie dat deze instructies al geruime tijd bestonden. Want in april 1940 werd de Groep Kil gevormd, die de sector rond de Moerdijkbruggen verdedigde. Zouden de instructies voor militaire begeleiding vanuit Vesting Holland op het laatste moment zijn gevormd, dan was de kapitein Moerman ongetwijfeld aan de staf van Groep Kil toegevoegd. Het heeft er echter duidelijk de schijn van dat zijn aanstelling voor april 1940 uit het Commando Zuidfront (dat in april 1940 werd opgeheven) voort is gekomen.

Een deel van de staf zou naar Engeland vertrekken om de Philips NV draaiende te houden. Een beperkt deel was ter voorbereiding al voor de inval naar het VK vertrokken. Voor het geheel aan werkploegen en staf  – het betrof volgens bronnen totaal zo’n 150 man – zou een trein gereed staan op het station van Eindhoven, die naar Den Haag zou gaan. Vandaar zou een deel naar de kust doorreizen en een ander deel in het westen des lands de productie voor hun rekening nemen na opbouw van de geëvacueerde productiestraten. In het Verenigd Koninkrijk had men het landgoed Snowden Hall (vlakbij Londen) aangekocht voor de stafleden die zouden overkomen. Er waren Trusts en vestigingen opgericht in Duitsland, de Antillen, de VS en het VK om het concern bestuurlijk buiten Nederland te kunnen blijven aansturen. Er was bovendien vastgelegd wie het Nederlandse deel zou blijven aansturen en wie in het buitenland de scepter zou zwaaien. Dat daarmee twee gescheiden concerns zouden ontstaan was evident. Dat Philips vooroorlogs zich welbewust was van haar dualistische strategie, is dus evenzo glashelder.

Het RBV zou in werking treden – dat wil zeggen dat alle voorbereidingen tot in het uiterste zouden worden getroffen – nadat een speciaal telegram zou zijn ontvangen vanuit Den Haag. Dat gebeurde tijdens de mobilisatieperiode tweemaal. De eerste keer was in november 1939, toen het leger ook in de hoogste gereedheidgraad werd gebracht. De tweede keer op 9 april 1940, toen de inval in Noorwegen en Denemarken aan de orde was. De derde keer werd men rechtstreeks door majoor Sas uit Berlijn gewaarschuwd. In de avond van 9 mei werden de vrachtwagens geladen en de trein op het station van Eindhoven gereed gemaakt. Twee dagen voordien waren diverse directieleden al naar Den Haag vertrokken, als gevolg van het 7 mei alarm. 

Op 4 mei 1940 trof de Philips inlichtingendienst een opmerkelijk lot. Vier van de veldagenten waarvan de dienst gebruik maakten werden gearresteerd en samen met 17 andere 'prominenten' gevangen gezet op het Fort Ooltgensplaat. De reden waarom, wordt uitgebreid beschouwd in het artikel over de 21 gedetineerden.

De meidagen van 1940

De Philips directie was voor de 10e mei op de hoogte van de Duitse inval. Sas had zoals gezegd op 9 mei rechtstreekse informatie aan het concern geleverd dat het de volgende dag raak zou zijn, maar tevens was men via de eigen contacten al bekend met het gegeven dat de Duitse inval binnen enkele dagen aan de orde zou zijn. Die kennisvoorsprong had Philips als één van de zeer weinige buiten defensie om. Ook dat typeert de positie die het bedrijf innam in het web der internationale inlichtingendiensten. Die positie kon het bedrijf in feite slechts hebben wegens haar curieuze dubbelzijdige opstelling. In elk geval werd met de kennisvoorsprong wat gedaan. Zo werden op 7 mei – op basis van het defensie alarm die dag – reeds enkele directieleden naar Vesting Holland verplaatst. Auteur dezes meent uit bronnen op te kunnen maken dat de directieleden op 7 mei weliswaar naar Den Haag waren getrokken, maar op 9 mei – toen overdag de alarmeringen werden ingetrokken – naar Eindhoven terugkeerden. Het heeft er alle schijn van dat de gehele Philipsdirectie op 10 mei tot de stafcolonne behoorde. Volgens (de niet onomstreden) industrieel onderzoeker en jurist Pieter Lakeman waren de topmannen als Anton Philips, Frits Philips en Frans Otten echter op 10 mei reeds c.q. al in Den Haag. Hij baseert die bewering op de biografie van P.J. Bouman over Anton Philips uit 1956 [9]. Het was Frans Otten die majoor Sas in de avond van 9 mei telefonisch sprak en hoorde van de waarschuwing dat het die nacht werkelijk zou gaan gebeuren. De waarschuwing werd direct aan Eindhoven doorgegeven waar men onmiddellijk begon de machines te demonteren.  

Toen in de vroege ochtend van 10 mei 1940 duidelijk was dat de Duitsers waren binnengevallen [mogelijk zelfs al vroeger], vertrokken (tenminste) twee konvooien met vrachtwagens richting Vesting-Holland. Men volgde de Langstraat en daar houdt direct de traceerbaarheid van de colonnes op v.w.b. de gevolgde route. Zeker is dat één der colonnes al vroeg in de ochtend, rond 0730-0800 uur in de buurt van Breda moet zijn geraakt. Zij kwam namelijk tegen 0900 uur terug van die omgeving toen zij zich bij Geertruidenberg bij Nederlandse militairen meldde [6]. De andere colonne lijkt spoorloos in de literatuur. 

De trein met stafleden vertrok van station Eindhoven, maar men kon de overzijde van het Hollands Diep niet bereiken wegens de Duitse parachutistenlanding bij Moerdijk. Uiteindelijk waren het ook de stafleden die met zo’n zestig gerekwireerde auto’s moesten trachten om de Vesting-Holland te bereiken. Zij kwamen in de loop van de middag bij Willemstad terecht.

Te Willemstad was een detachement Vaartuigendienst aanwezig [onder reserve 2e luitenant P.N. Drost], dat naast vijf kleine vaartuigen voor personeelsvervoer twee burgerponten bediende. Terwijl dat detachement onder orders was het 3e Grensbataljon van Willemstad naar Numansdorp over te varen, meldde zich onverwachts een colonne auto’s met de Philipsstaf aan boord. Onder hen vrijwel zeker de directieleden Frans Otten en Frits Philips. Er werd aan de luitenant Drost opdracht gegeven [door reserve kapitein Ad van Unen, C-det Vaartuigendienst Haringvliet Oost] de Philips voertuigen voorrang te verlenen boven de militairen [5, 8]. De veerboot Beatrix werd geheel ter beschikking van de Philipscolonne gesteld. Daarop begon de overtocht van deze colonne, die traag verliep omdat het veer slechts vijf auto’s tegelijkertijd kon vervoeren. Nadat de eerste voertuigen waren overgezet, werd de overtocht gestaakt omdat inmiddels enkele Duitse vliegtuigen zeemijnen in het brede gat hadden afgeworpen, zodat het varen met de veren moest worden gestaakt. Daarop werd de rest van de Philipscolonne naar het veerpunt ten zuidwesten van Willemstad [Helsche Haven] gestuurd, waar men in het donker met het veer over het Hellegat naar Ooltgensplaat werd overgezet [5].

In de vroege ochtend van 11 mei werd de tocht voortgezet naar Middelharnis, vanwaar men diezelfde dag wederom met een veer naar Hellevoetsluis werd overgezet om uiteindelijk de volgende dag in Den Haag aan te komen, waar men zich bij het afgesproken punt – Hotel de Witte Brug – meldde. Daar werden de directieleden verzameld en de overige mensen provisorisch elders ondergebracht.

De routes die de twee grote konvooien met machines gevolgd hebben zijn zoals gezegd minder bekend. Er wordt in een verslagen van de Nederlandse troepen bij Geertruidenberg en Moerdijk verwezen naar een colonne die van Philips afkomstig zou zijn geweest. Het is welhaast zeker dat de verslagen naar één en dezelfde colonne verwijzen.

Bij de PNEM centrale te Geertuidenberg lag een detachement van twee secties van 2-3.GB [Grensbataljon] onder leiding van reserve 2e luitenant Schravendeel. Zij hadden tot taak de directe omgeving van de centrale tegen parachutisten en saboteurs te beschermen. Reeds in de vroege ochtend van 10 mei, rond 0900 uur, meldden zich twee medewerkers van Philips in een personenauto bij de luitenant [6]. Zij waren voordien al onder Breda geweest, maar daar door Duitse vliegtuigen beschoten, aangehouden door parachutisten en nadien teruggekeerd en zodoende te Geertruidenberg gekomen. De oorspronkelijk bij de colonne aanwezige kapitein (der genie) W. Hondius Boldingh – die de colonne had begeleid – was door Duitse parachutisten gevangen genomen [7]

Merkwaardig is dat de betreffende colonne vervolgens bleef staan te Geertruidenberg. Onduidelijk is waarom men geen toestemming kreeg de brug bij Keizersveer over te steken. Dit kan in eerste aanleg verband hebben gehouden met een prioriteit voor het vervoer van het 3e Legerkorps en de Lichte Divisie onderdelen, die ten dele van de brug bij Keizersveer gebruik maakten. Daarover is geen informatie gevonden. Maar wel meldt het verslag van luitenant Schravendeel dat op 11 mei rond 1600 uur de Philipscolonne gebombardeerd en beschoten werd door Duitse vliegtuigen en diverse vrachtauto’s daarop in brand vlogen. [7] Men had kennelijk ook op de tweede oorlogsdag geen toestemming gekregen de brug over te steken. Zou een rol hebben gespeeld dat kapitein Hondius Boldingh niet meer aanwezig was om de oversteek te verordonneren met het RBV in de hand? Hoe het ook zij, de colonne voertuigen lijkt de omgeving van Geertruidenberg niet meer te hebben verlaten.

Van andere Philips colonnes is in de historische boeken en verslagen geen betrouwbaar spoor te vinden. Er wordt slechts vermeld dat de machines en grondstoffen Vesting Holland niet wisten te bereiken en dat ze later, voor zover intact gebleven, na de capitulatie van het Nederlandse leger door de Duitsers terug zijn gestuurd naar Eindhoven, voor zover men op eigen beweging al niet was teruggegaan. Het betekende dat alleen de personeelscolonne die via Willemstad en Goeree Overflakkee was gereden, het beoogde doel tijdig bereikt had.

Wat wel bekend is, is dat een colonne geleid werd door een reserve kapitein Hamming [10]. Deze zou bij Zevenbergsche Hoek contact maken met de reserve kapitein der motordienst J.W.J. Moerman, die bij de staf van Groep Spui [territoir Voorne-Putten alsmede Hoekse Waard west] was ingedeeld. De kapitein Moerman zou zorg dragen voor de begeleiding van de betreffende Philipscolonne naar Dordrecht. Het is wel zeker dat de in het militaire verslag genoemde ‘kapitein Hamming’ de Philipsjurist en concernverantwoordelijke voor het evacuatieplan J. Hamming was, die een reserveofficier aanstelling had gekregen bij de landmacht, zoals meer Philips kaderleden. We weten al dat de colonne die bij Geertruidenberg terecht zou komen door Duitse parachutisten van haar militaire geleiders werd ontdaan en dat de kapitein Hamming daar niet toe behoorde. Dat wordt nog nader bevestigd door de bij auteur dezes bekende kaderlijst van bij Moerdijk en Willemsdorp door de Duitsers gevangen gehouden officieren, waar wel de kapitein Hondius Boldingh, maar niet de kapitein Hamming op staat. In ieder geval keerde de kapitein Moerman op 10 mei rond 0800 uur onverrichterzake terug in Oud-Beijerland [10]. Hij had vanwege de Duitse overval bij Moerdijk de overzijde niet kunnen bereiken. De vraag is of de colonne onder kapitein Hamming niet al eerder tot de conclusie was gekomen dat men bij Moerdijk niet over kon, want die specifieke colonne (met machines) wordt nergens meer genoemd in de voorhanden militaire verslagen. Mogelijk vond men echter aansluiting bij de stafcolonne die later via Willemstad en nadien Middelharnis de overzijde bereikte, maar anderzijds spreekt tegen die hypothese dat, naar verluid, van de machines geen enkele de Vesting Holland bereikt zou hebben. Hoe het ook zij, de colonne die door kapitein Hamming zou zijn geleid lijkt zoek.

Wat de staf betreft zijn ook allen die voor werkzaamheden binnen de Vesting waren geëvacueerd met de staftrein, teruggekeerd naar Eindhoven. Dat gold niet voor de directie. Op 13 mei werd men in Hotel de Witte Brug in Den Haag geïnformeerd omtrent de naderende beëindiging van de strijd. Frans Otten, die zulke goede contacten met de Nederlandse regering had onderhouden voor de oorlog, werd persoonlijk geïnformeerd dat als men stafleden naar het VK wilde evacueren, dat dit onmiddellijk diende te gebeuren en men in Hoek van Holland (samen met de Regering) kon evacueren met twee Britse destroyers. Dat gebeurde ook. Frits Philips zou teruggaan naar Eindhoven om als directielid Philips Nederland te blijven leiden. Alle overige directieleden staken de Noordzee over en zouden nadien het Philipsconcern in het VK en de VS gaan leiden tijdens de oorlog. De in Duitsland opgerichte Trust zou voor het in Nederland achtergebleven deel het beheer dragen. Zodoende ontstond een splitsing van Philips, die vijf jaar zou duren.

Epiloog

Het lijvige dossier Philips 1918-1945 behoort zonder enige twijfel tot de dossiers die grotendeels buiten het publieke domein zijn gebleven. Daar is een goede reden voor. Philips en de Nederlandse Staat hebben het een en ander af te schermen.

In zijn promotiestudie uit 2003 over de economische collaboratie in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog lichtte Joggli Meihuizen meerdere tipjes van de sluier op over de opvallend eenvoudige wijze waarop de bezetter in staat bleek de Nederlandse industrie voor haar karretje te spannen en Philips vormde daarop geen uitzondering. Dat vormt het bedrijf wel in haar opvallende dubbelspel in de jaren dertig. Philips heeft een schimmig politiek spel gespeeld, waarbij onwerkelijke exponenten terug te vinden zijn in de vooroorlogse bedrijfsinlichtingendienst, de intensieve contacten van de directie met de Duitse en de Nederlandse inlichtingendienst en de handelwijze tijdens de oorlog. Philips leverde tijdens de oorlog vanuit Nederland diensten en producten aan de Duitsers en vanuit haar zetels elders, diensten en producten aan de Geallieerden. Het bedrijf werd tijdens de oorlog reeds in de VS gedaagd wegens haar dubbelrol, maar de zaak werd om een of andere reden niet doorgezet. Ook in de VS leken de baten van een leverend Philips op te wegen tegen de onderliggende verwijten omtrent de dubbelrol van het concern.

In Nederland werd Philips na de oorlog eveneens aan alle kanten gespaard, hoewel haar rol buitengewoon dubieus was geweest. Frits Philips had tijdens de oorlog gevaarlijk spel gespeeld. Het bedrijf had massaal gebruik gemaakt van dwangarbeiders, maar op beschuldigingen daarvan repliceerde Frits Philips standaard dat hij door dwangarbeiders uit Vught voor het concern in te zetten, juist over hun welzijn had kunnen waken. Die retoriek was bijkans gelijk aan die welke Albert Speer – als Reichsminister onder meer verantwoordelijk voor dwangarbeid – voor zijn verdediging in Neurenberg aanvoerde, maar Frits Philips en zijn concern kwamen ermee weg. Als ‘verzachtend’ argument moet worden aangevoerd dat qua economische collaboratie Philips zich in goed gezelschap bevond. Geen enkel Nederlands bedrijf van enige omvang weigerde de Duitsers te leveren. De jaren 1940 en 1941 konden zodoende uitgroeien tot de beste economische jaren van de twintigste eeuw tot dan toe in Nederland. Dat gegeven zegt voldoende over de massaliteit van de economische collaboratie. 

Philips ontsprong de dans op grootse wijze, maar ongetwijfeld omdat bij een spreekwoordelijke val van het concern of haar leiding veel te veel notabele Nederlanders mee zouden worden gesleurd. Een gegeven dat zonder twijfel voor veel meer zuiveringszaken gold. Sleutelfiguren werden gespaard, en zo geforceerd te zwijgen, of werden ter dood gebracht, omdat doden immers niet meer spreken. Van spraakmakende onthullingen tijdens de zuiveringen was dan ook nauwelijks sprake. De kleine collaboratie werd bikkelhard aangepakt, het grote verraad vaak opmerkelijk mild bejegend. De noodzaak de samenleving niet te veel te ontwrichten prevaleerde. Alternatief was geweest hele scharen notabelen weg te zuiveren en delen van de overheid sterk te criminaliseren wegens hun laakbaar (voor)oorlogs handelen. Teveel reputaties stonden op het spel. De doofpot nam onnoemelijke proporties aan. Wederom werd de mores van de geschiedenis bewaarheid dat de kleine luyden de rekening moesten betalen en de grote namen gekunsteld wegkwamen met relatief veel ernstiger zaken. Het land moest tenslotte door. Fenomenen die in andere landen ook werden waargenomen.
 
Ooit zal de tijd komen dat de schimmige dossiers het daglicht zien. Het dossier Philips behoort tot die categorie. Het bovenstaande artikel geeft een voorproefje van wat er allemaal in die dossiers te vinden zal zijn, hoewel voor dit artikel vooral van andermans onderzoeken gebruik is gemaakt. De Philips colonnes waren slechts een detail binnen het grote vooroorlogse Philipsspel, maar daarom wel een onderwerp dat zijdelings met het Zuidfront Vesting Holland te maken had.

Bronnen

[1] Archief Artillerie Inrichtingen, verzameldossier NIMH
[2] ‘Noodzakelijk kwaad’, Joggli Meihuizen [2003]
[3]  ‘Eindhoven 1933-1945’, Frans Dekkers [1982]
[4] Handelingen Parlementaire Enquête Commissie, deel 1, verhoor P.F.S. Otten [1948]
[5] Verslag reserve 2e luitenant P.N. Drost, Vaartuigendienst [1952]
[6] Verslag reserve 2e luitenant C.P. Schravendeel, C detachtement 2-3GB Geertruidenberg [1940]
[7] Lijst door Duitsers krijgsgevangen gehouden Nederlandse officieren te Moerdijk, dossier Groep Kil, NIMH [1940].
[8] Verklaring van kapitein der vaartuigendienst A. van Unen [1940]
[9] Honderd jaar Philips, P. Lakeman [1991]
[10] Verkort krijgsverslag kolonel G.A. de Brauw, C-Groep Spui [28 mei, 1940]

Literatuur

- Documentaire en publicatie Andere Tijden NPS, Petra Nijdam
- Geschiedenis en praktijk van een wereldconcern, A. Teulings [1956]
- Philips Honderd; een industriële onderneming, G. Bekooij [1991]