De 21 gedetineerden

Inleiding

Dit artikel behandelt het thema van de 21 prominente gedetineerden, die vlak voor de Duitse inval in mei 1940, op last van de Regering werden gearresteerd en in Fort Ooltgensplaats werden opgesloten. De bij dit artikel specifiek behorende bronnen worden in de tekst met blauwe letters aangegeven en onderaan het artikel geduid.

Het Fort Prins Frederik behoorde tot het fortencluster dat men in de Nederlandse vestinghistorie lange tijd aanduidde als ‘de Stelling van het Hollandsch Diep en Volkerak’. Het oorspronkelijk Franse fort kreeg tijdens de mobilisatie van 1939 weer een militaire opzichter en werd op een zeker moment geselecteerd als locatie waar men in geval van spanning of oorlog politieke gedetineerden zou plaatsen die uit de Nederlandse samenleving zouden worden gesepareerd.

Het Fort Prins Frederik – in de betreffende periode beter bekend als het Fort Ooltgensplaat – was tijdens de mobilisatie ingericht als interneringsdepot. Dat hield in dat het interneringen zou faciliteren van politiek ongewenste elementen die onder gezag van de Staat van Oorlog en/of Beleg aldaar zouden worden ondergebracht. Er was dus in feite sprake van een justitiële inrichting, zij het op militair terrein.

Enige dagen voor de Duitse inval in mei 1940 werden eenentwintig prominenten geïnterneerd in het Fort. Opvallend was dat onder hen niet de leider van de NSB, ir. Anton Mussert, was. Hij had niet op de lijst gestaan, hoewel Mussert zelf zijn arrestatie ieder moment verwachtte. Van de geïnterneerden waren de meeste onder verdenking van nationaalsocialistische sympathieën, maar er waren ook een drietal communisten onder hen.

Toen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, werd nadat de Duitse opmars zich gestadig ontwikkelde, een bevel ontvangen de prominente gedetineerden naar Frankrijk te evacueren en hen zodoende duurzaam te ontrekken aan de Nederlandse samenleving en vooral ook de (aanstaande) Duitse bezetter. Dat bevel werd uitgevoerd en gaf aanleiding tot een avontuurlijke tocht naar het zuiden, waarbij een macabere speling van het lot de prominente politieke gedetineerden verbond met een grote groep geïnterneerde Duitse joden, die eveneens op bevel van hogerhand naar het zuiden moesten worden geëvacueerd.

Geschiedenis van het Fort

Fort Ooltgensplaat of Prins Frederik zal weinig inwoners van Goeree Overflakkee onbekend voorkomen. De locatie op de uiterste noordoost punt van het eiland was al sinds het einde van de zestiende eeuw de positie voor een wachtpost van de marine, welke diende ter beveiliging tegen raids door de Watergeuzen.

Tijdens de Franse bezetting [1795-1813] bouwden de Fransen op de bewuste locatie aan het Volkerak eerst een aantal verdedigingswallen en later [1811] het fort Duquensne, tegenover het fort Sabina dat de oostzijde van het Volkerak onder Willemstad verdedigde. De beide forten zouden dienen als sperforten voor de waterverbinding vanuit het zuiden naar het Hollandsch Diep. Het Fort Duquesne had een hart in de vorm van een ‘Tour Modele 1 Agrandie’ [letterlijk ‘vergrootte toren model 1’], een rechthoekig hoog gebouw, met een grillige trapeziumvormige buitenwal. Dat specifieke torenmodel bood ondergrondse bescherming tijdens beschietingen en kon circa 400 man huisvesten, inclusief voorraden, munitie en wapens. Het pentagonaal [vijfhoekig] gebouwde Fort de Ruyter bij Willemstad kreeg ook een dergelijke, zij het standaard model 1, hoofdgebouw. Buiten het fort Duqensne werden bij het dorp Ooltgensplaat bovendien drie redouten [een redoute is een zelfstandig klein bolwerkje] gebouwd, die voor verdediging naar landzijde (Goeree) moesten zorgen.

Toen in 1813 de Fransen uit Nederland terugtrokken, namen de Nederlanders het fort Duquesne over en werd het omgedoopt in Fort Prins Frederik. De prins was de broer van Willem VI [Willem Frederik van Oranje-Nassau, vanaf 1815 Koning Willem I] welke op uitnodiging van het toenmalig Driemanschap in november 1813 vanuit Engeland weer aan land in Nederland kwam om als soeverein vorst het land te gaan besturen.

Het fort kreeg een actieve rol in de landsverdediging. In 1816 werd het verdedigingssysteem voor het (toen grote) Koninkrijk vastgelegd en gold voor het Fort op de Ooltgensplaat dat het in goede staat zou moeten worden gehouden ter beveiliging van het water en ‘het land van Overflacqué en Goederhede’, zoals het toen nog bekend stond. Fort en redouten zouden worden opgenomen in de officiële Nederlandse lijst van actieve fortificatiën.

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd naar aanleiding van de mobilisatie in 1870 [wegens de Frans-Pruisische oorlog] de inmiddels sterk verwaarloosde landsverdediging weer eens onder handen genomen en een nieuwe vestingwet [van 1874] vastgelegd. Ook daarin bleef het Fort als strategisch maritiem verdedigingspunt binnen ‘de Stelling van ’t Hollands Diep en Volkerak’ prominent gehandhaafd. Het Fort zou bovendien worden gemoderniseerd, waarbij in 1882 een bomvrije kazerne naast de Franse toren werd gebouwd. Einde 19e eeuw had het Fort Prins Frederik zeven ijzeren vuurmonden van 24 cm in open opstellingen richting waterzijden en twee vuurmonden van 10 cm brons aan de landzijde in een kanonkazemat.

Toen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog grote fondsen beschikbaar werden gesteld om de nationale verdediging te verbeteren, werd ook Fort Prins Frederik in 1910 aangewezen voor modernisatie. Als onderdeel van de versterkingsimpuls voor de kustverdediging, diende de forten rond het Volkerak en de monding van het Hollands Diep te worden voorzien van nieuw stalen 15 en 24 cm geschut. Men bedenke dat in die dagen de Nederlandse marine nog volop gebruik maakte van marinehavens in Willemstad, Numansdorp en Hellevoetsluis. Uiteindelijk bleek dat defensie haar doelen financieel voorbij geschoten had, zodat een jaar nadat de plannen waren gelanceerd opeens een bezuiniging werd doorgevoerd en de forten rond het Volkenrak uiteindelijk niet gemoderniseerd werden.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had het Fort weliswaar een militaire bezetting, maar geen actief geschut meer. Het ging na de demobilisatie in 1919 weer over in ruste.

Tijdens de mobilisatie in 1939 werd het fort Prins Frederik in eerste instantie niet bezet, behalve de beheergroep van enkele militairen onder een Opzichter Fortificatiën (genie onderofficier, die als hoofdbeheerder fungeerde).

Plannen voor preventieve interneringen

De ministeries van Justitie en Defensie werkten al in 1939 samen om een lijst op te stellen van personen die men rechtens ter internering zou kunnen opsluiten om zodoende de staatsveiligheid te bevorderen door de betreffende personen uit de maatschappij te isoleren. Een gros lijst van vele honderden namen werd uiteindelijk teruggebracht tot enkele tientallen namen, waarvan er uiteindelijk in mei 1940 slechts eenentwintig werkelijk gearresteerd en geïnterneerd werden [1].

Zoals bij iedere kwestie aangaande het defensiebeleid in die dagen, werd de zaak uitgebreid politiek gewogen. Hoewel generaal Winkelman naoorlogs ontkende dat ook overwogen was communisten tot de preventieve interneringsgroep te laten behoren [1], waren er desondanks uiteindelijk onder de eenentwintig geïnterneerden prominenten drie man van communistische signatuur.

Besloten werd dat slechts een klein deel van de lange lijst met namen preventief zou worden gearresteerd en de overige mensen op de lijst pas zouden worden opgepakt in geval van een Duitse inval.

De legertop had aangegeven dat ze slechts de internering wensten van elementen die zonder twijfel als (potentieel) staatsgevaarlijk konden worden aangemerkt en dat niet iedere verdachte persoon zomaar geïnterneerd moest worden. Opvallend was dat men bij justitie in dit geval veel verder wilde gaan dan bij defensie, terwijl in vrijwel alle andere kwesties tussen defensie en de civiele overheid, defensie juist de partij was die meestal niet kreeg wat ze vroeg. Het was exact in deze discussie tussen militair en civiel gezag dat de minister van justitie Gerbrandy aanleiding vond om met goedvinden van premier De Geer te trachten het gezag over arrestaties van politiek ongewenste elementen aan defensie te ontnemen. Dat lag uiterst gevoelig in de mobilisatieperiode waarin de (door de Regering al sterk gematigde) Staat van Oorlog van kracht was, terwijl de militaire top al in september 1939 om afkondiging van de stringentere Staat van Beleg had gevraagd. Met het aantreden van generaal Winkelman in februari 1940, na een onopgelost dispuut met zijn voorganger Reynders, wilde men niet opnieuw een politiek beladen relatie met de nieuwe OLZ. Gerbrandy vond dan ook minister van defensie Dyxhoorn midden op zijn pad en die laatste vond steun bij premier de Geer.

De aan defensiezijde terzake betrokken generaals Winkelman en Fabius (hoofd militaire inlichtingendienst GS-III) waren samen met enkele Kabinetsleden van mening dat de Duitsers niet geprovoceerd moesten worden door massale arrestaties van Duitsgezinde landslieden. Winkelman achtte het zelfs verdedigbaar de leider van de NSB, ir. Anton Mussert, niet te arresteren. Of zoals generaal Winkelman het letterlijk verwoordde in zijn verdediging voor het voltallige Kabinet van de lijst van eenentwintig namen: “Van Rost van Tonningen heb ik bewijzen dat hij een verrader is, van Mussert niet.”[4] Menig publicist over de meidagen van 1940 verwijt de politiek ten aanzien van haar houding in dat era een houding en opstelling gelijk aan onmetelijke naïviteit, maar het was hier de opperbevelhebber, die met steun van het hoofd van de inlichtingendienst GS-III, de leider van de nationaalsocialistische beweging (Anton Mussert) niet als een staatsgevaarlijke leider zag, terwijl tegelijkertijd op de lijst mensen stonden van een aanzienlijk bescheidener signatuur!

Wat naoorlogs in onderzoeken door de Parlementaire Enquête Commissie [PEC] en onder meer Lou de Jong buitengewoon lastig vast te stellen bleek, was de vraag welke instantie of perso(o)n(en) nu uiteindelijk de doorslag gaf (c.q. gaven) bij de selectie van personen die uiteindelijk preventief zou worden opgepakt op 4 mei 1940. De PEC kwam daar niet uit, door tegenstrijdige verklaringen van de hoofdpersonen, maar de Commissie zocht ook niet door. Lou de Jong stelde vast dat het generaal Fabius van GS-III was, die bepaalde wie er op de verkorte lijst stond en vooral ook dat daarbij drie communisten moesten staan voor het zo gewenste neutraliteitsevenwicht [4: blz. 277 voetnoot 2]. Het heeft er dus alle schijn van dat uiteindelijk defensie autonoom tot de selectie van eenentwintig namen kwam, die generaal Winkelman zoals gezegd uiteindelijk bij het Kabinet kwam verdedigen. Dat hij die lijst moest verdedigen was vooral veroorzaakt door het feit dat Rost van Tonningen erop stond en deze Tweede Kamerlid was. Om tot diens arrestatie over te kunnen gaan wilde de militairen eerst toestemming van het Kabinet.

De gehele geschiedenis rond de interneringsplannen is er één die een merkwaardige ambivalentie toonde binnen het militaire apparaat. Daar waar de militaire top voor en na de strijd in mei 1940 over het civiele bestuur heen viel in haar veroordeling ten aanzien van beteugelde wensen tot meer militair gezag en ter onderstreping van de schade die het landsbestuur had aangebracht door beknotting van de rechten die het Militair Gezag kon ontlenen uit de wettelijke regelingen van de Staat van Beleg, daar was het de militaire top zelf geweest, die de kansen op internering van subversieve elementen tijdens de mobilisatieperiode grotendeels liet schieten. Generaal Fabius vertoonde een opvallende rol door zijn ambitie te uiten de neutraliteit vooral niet in verlegenheid te brengen en de opperbevelhebber vond het niet eens de bespreking waard om de meest opvallende (potentiële) staatsvijand, Anton Mussert, te interneren. Al met al werd de 'eindlijst', zoals die tenslotte tot stand kwam, er meer één met een sterke symbolische waarde dan een tastbare bewaking van de staatsveiligheid.

Waar de prominenten onder te brengen?

Toen men – Kabinet en militaire top – eenmaal tot een besluit was gekomen dat de preventieve bewaring van de ongewenste prominenten tot uitvoering zou worden gebracht, ontstond de kwestie waar deze speciale groep onder te brengen. De keuze viel op het Fort Ooltgensplaat, zoals meer forten in de sector (buitenlandse) geïnterneerden zouden ontvangen.

Toen vlak voor de Duitse inval het besluit viel dat de preventieve internering door zou gaan, werd snel een organisatie neergezet. De justitie ambtenaar en gevangenisdirecteur Willem P.C. Molenaar werd aangewezen als directeur van het provisorische interneringskamp Ooltgensplaat [2]. Die regeling was tijdelijk, want hij zou binnen zes maanden worden opgevolgd door de 1e luitenant der Militaire Administratie Klaas Punter, die tot die tijd als adjunct-directeur functioneerde [3]. Dit militair-civiele duümviraat zal ongetwijfeld wederom haar politieke oorzaken hebben gehad. Als bewakingsdetachement werd een sectie van 40 man Politietroepen in het Fort ondergebracht, onder leiding van de adjudant-onderofficier [AOO] der Politietroepen P.J. Zwetsloot. Het detachement en de directie arriveerden allen op 3 mei 1940 te Ooltgensplaat. Het fort was vrijwel geheel gereed om de geïnterneerden te ontvangen, zodat deze direct vanaf de volgende dag zouden kunnen worden ondergebracht.

Al in de nacht van 3 op 4 mei 1940 werden alle beoogde personen gearresteerd. Afhankelijk van afhandeling en reistijd arriveerden zij vrijwel allen op 4 en 5 mei in het fort Ooltgensplaat.

De gedetineerden

Eenentwintig staatsgevaarlijke prominenten waren dus na zorgvuldige overweging uit de maatschappij gehaald. Het merendeel was geïndiceerd als nationaalsocialist of fascist, een enkeling als communist. De volledige lijst met namen der gedetineerden is als volgt [6]:

1  - J.J. Arendse [1905, wpl Delft]
2  - A.G. Bouten [1888, wpl Rotterdam]
3  - H.J.W. van Dillen [1900, wpl Arnhem]
4  - P.H.J. van Duynen [1901, wpl Waalre, Abwehr agent]
5  - J.H. Feldmeyer [1910, wpl Utrecht, NSB kader]
6  - A.J. Feij [1895, wpl Rotterdam, communist]
7  - W.Th.M. Geelen [1900, wpl Eindhoven, Abwehr agent]
8  - G. Hasperhoven [1902, wpl Enschede, uniformsmokkel]
9  - H.A. van Hilten [1896, wpl Arnhem, NSB kader]
10- J. van den Hoonaard [1891, wpl Rotterdam, communist]
11- F.E.H. Jelinger [1884, wpl Haarlem]
12- G. Kossen [1906, wpl Nijmegen]
13- W.N.A. Kröller [1891, wpl Rotterdam, NSB kader]
14- P.A.E. Lalieu [1911, wpl Amsterdam, uniformsmokkel]
15- J.A. Niks [1903, wpl Arnhem]
16- A. van den Oord [1889, wpl ’s Gravenhage, fascistisch publicist]
17- J. Proost [1882, wpl Rotterdam, communist]
18- K.H. Thomas [1909, wpl Eindhoven, Abwehr agent]
19- M.M. Rost van Tonningen [1894, wpl ’s Gravenhage, NSB kader]
20- A. Verhoef [1889, wpl Eindhoven-Waalre]
21- J.H. Wolsink [1909, Apeldoorn]

Het is interessant om deze personen individueel beknopt te bespreken en zodoende de reden voor hun internering - voor zover achteraf vast te stellen - te verhelderen.

Rost van Tonningen

De meest prominente persoon onder de gedetineerden was zonder twijfel de NSB parlementariër Meinoud M. Rost van Tonningen. Hij was de zoon van een KNIL generaal en geboren in Nederlands-Indië. In Nederland studeerde hij rechten en begon een veelbelovende carrière waarin Rost van Tonningen voor de Volkenbond actief was in voornamelijk Oostenrijk. Het was aldaar dat hij geïnfecteerd raakte met antisemitische en anticommunistische ideeën. Al voor de beëindiging van zijn aanstelling in Oostenrijk (in 1936) werd hij een fanatiek fascist. Terug in Nederland werd hij onmiddellijk lid van de NSB en toen deze in 1937 vier zetels behaalde in de verkiezingen werd Rost van Tonningen Kamerlid voor de beweging. Zijn parlementaire bijdragen waren vrijwel altijd van een ongekende bevlogenheid, waarbij de fascistische retoriek er vanaf spatte. De Kamer bood hem nauwelijks verweer en trok reeds in die dagen een sanitair cordon rond het zwarte schaap in het parlement. De spreektijd van de NSB werd een geliefd ‘koffiemoment’.

Rost van Tonningen zorgde echter niet alleen in het parlement voor ophef. Hij botste ook sterk met de veel gematigder oorspronkelijke kern van de NSB. Leider Anton Mussert was weliswaar een fanatiek nationaalsocialist (geworden), maar in beginsel geen fascist of racist. Zo had de ingenieur oorspronkelijk weinig op met het fanatieke antisemitisme en evenmin met het daaraan verbonden bloed en bodem principe, dat veel fascisten zo sterk aanhingen. Rost van Tonningen zijn toetreding tot de NSB top leidde ertoe dat de beweging veel extremer werd, wat direct in het ledenaantal was terug te zien. In 1936, de vooroorlogse piek, had de beweging 52.000 leden, maar nadat in de loop van 1937 de koers werd verlegd richting paring met het fascisme, daalde het aantal leden gestaag tot het dieptepunt van 32.000 leden in januari 1940. Intern bleef de NSB sterk verdeeld. Mussert had enerzijds het besef dat Rost van Tonningen intellectuele bagage in de beweging bracht, maar zag hem anderzijds als concurrent. Bovendien hadden beide heren fundamentele verschillen van inzicht, die ook tijdens de oorlog zouden voortduren. De NSB was (en werd) nooit een werkelijke eenheid.

Anton Mussert was dan ook niet erg ongelukkig met de arrestatie van Rost van Tonningen, niettegenstaande dat die arrestatie hem weer alle macht alleen in handen gaf, zij het voor slechts enige weken. Het speelde beslist door Mussert zijn hoofd dat Rost van Tonningen door zijn arrestatie een landverrader leek. Dat kwam Mussert, die sterk de ambitie had om onder Duitse auspiciën het land te mogen gaan leiden, wel goed uit. Hij was immers in de veronderstelling dat hij zichzelf niet aan landverraad schuldig maakte. Anderzijds was de internering van Rost van Tonningen t.o.v. het ongemoeid laten van Mussert een teken aan de wand dat de overheid Mussert beduidend minder serieus nam als invloedrijk persoon dan Rost van Tonningen. De laatste kreeg bovendien een zekere vorm van martelaarschap onder de NSB leden door zijn ‘lot’, terwijl de grote NSB leider zelf impliciet als muurbloempje werd geafficheerd doordat hij internering had ontlopen. Ook was het opvallend dat de eveneens uitgesproken antisemitische NSB fractievoorzitter in de Tweede Kamer, Max Graaf de Marchant et d’Ansembourg – nota bene dienend als oorlogsvrijwilliger en officier in het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog – niet tot de prominente gedetineerden behoorde. Want hoewel Rost van Tonningen de kroon spande met zijn expliciete (en niet zelden racistische) retorische bijdragen in het parlement, was de adellijke NSB fractievoorzitter ook niet fijnbesnaard gebleken in zijn toespraken, die eveneens vaak gelardeerd waren met uitgesproken antisemitische elementen. Het was opnieuw een teken van de grote mate van willekeur die Defensie had toegepast bij de samenstelling van de korte lijst ongewenste elementen.

Feldmeijer, van Hilten en Kröller

Drie andere bekende NSB’ers onder de geïnterneerden waren J.H. Feldmeijer, H.A. van Hilten en W.N.A. Kröller. Alle drie hadden een feit achter hun naam staan of functie bekleed die hen tot de twijfelachtige eer bracht bij de geïnterneerden te behoren.

Johannes Hendrikus Feldmeijer behoorde tot de zogenaamde Rost van Tonningen zijde binnen de verdeelde NSB. Hij was namelijk ook één der radicalen en bovendien NSB’er van het eerste uur. Daarnaast was Feldmeijer een bewonderaar van de bloed en bodem doctrine en aldus een man die de ambitie had in Nederland een aan de SS gelijkende organisatie op te bouwen. In 1939 had Feldmeijer samen met Rost van Tonningen de Mussert-Garde opgericht, wat een organisatie was die naar de ideeën van de SS geschapen werd. De vrijwel geheel uit jongemannen bestaande organisatie werd opgebouwd door de recruten aan bijzonder zware fysieke en psychische belastingen te onderwerpen, hen vol met ideologie te storten, compromisloze discipline bij te brengen en bovenal aan het bloed en bodem principe te onderwerpen. Hoewel de NSB vooroorlogs officieus open bleef staan voor Joden, was dat voor de Mussert-Garde niet aan de orde. Als leider van deze quasi militante, in zwart geklede, Mussert-Garde was Feldmeijer in beeld gekomen bij GS-III, en op de lijst gezet voor internering.

Henri Arend van Hilten had een tamelijk bewogen carrière gehad bij de politie, waar hij als inspecteur en korte tijd als hoofdinspecteur bij het korps in Enschede had gediend. Alcoholproblemen hadden hem eerder in zijn carrière al eens degradatie opgeleverd en nadat hij wederom tot hoofdinspecteur was bevorderd volgde zelfs binnen een jaar oneervol ontslag wegens opnieuw alcoholmisbruik, gewelddadigheid en overspel. Nadien vestigde Van Hilten zich in Arnhem, waar hij een particulier recherchebureau begon. Ten aanzien van Van Hilten lijken er geen opvallende oorzaken te vinden waarom hij bij de uitverkoren eenentwintig behoorde. Vermoedelijk werd hij echter in verband gebracht met betrokkenheid bij subversieve handelingen tijdens de mobilisatietijd.

W.N.A. Kröller was NSB lid en districtleider [Kringleider] voor de regio Rotterdam. Waarom hij tot een staatsgevaarlijk politieke tegenstander van de Nederlandse staat werd gezien, is niet duidelijk. Hij was directeur van het bekende familiebedrijf NV Müller en Co en een bekende pro-Duitse persoon. Bovendien was NV Müller en Co een bedrijf met voorname Duitse vertakkingen.

Lalieu en Hasperhoven

Een andere opvallende gedetineerde was er één die met de zogenaamde uniformsmokkel te maken zou hebben gehad. De uniformsmokkel was een zaak die gespeeld had vlak voor het beruchte Venlo incident. De affaire speelde rond de NSB gedeputeerde J.F.L. Albrink, die zijn auto beschikbaar had gesteld om een Duitse spion [Abwehr agent Richard Gerken] over de grens te smokkelen. Die Abwehr spion had frequente contacten met een politiefunctionaris [M.J.M. Gemmeke] in Amsterdam, die tevens reserve kapitein bij de infanterie was. Via Gemmeke had de Abwehr contact gekregen met twee mannen die voor de Abwehr zouden gaan werken, Emile Lalieu en Ab van Olst. Deze beide mannen zouden oude Nederlandse legeruniformen opkopen, zogenaamd als rekwisieten voor een toneelgroep, en deze naar Duitsland smokkelen. De Duitsers hadden behoefte aan die zaken om uniformen te kunnen fabriceren voor overvalsacties aan de vooravond van de geplande invasie. De verkoper van de spullen was echter een oprechte vaderlander, bovendien van Joodse bloedde. Hij had de nummerplaat van de auto genoteerd en toen de auto met twee koffers uniformen [van het leger, de politie, de staatsposterijen en de NS] vertrok richting grens, werd deze bij Denekamp aangehouden. Daar werden de compromitterende zaken in de auto aangetroffen.

De zoon van de NSB gedeputeerde, G.A.M.A. Albrink, werd gearresteerd. Hij zou later grotendeels bekennen. Ook Van Olst en Lalieu werden verhoord. Lalieu werd zelfs betrapt op spionage aantekeningen in zijn agenda betreffende de Maginotlinie, maar dat was in Nederland niet strafbaar. Men liet Lalieu lopen, maar van Olst en Albrink bleven tot aan de meidagen in bewaring. Van Olst is echter in deze indirect een opvallende figuur omdat een voorname bron terzake – het deel ‘Neutraal’ uit Lou de Jong zijn standaardwerk - contradictoir verhaalt over hem. Lou de Jong beweert enerzijds [4; blz 70] dat Van Olst na zijn arrestatie in november 1939 niet meer vrijkwam en na de meidagen in Amsterdam door de Duitsers werd bevrijd, en anderzijds [4; blz 279] dat Van Olst tot de eenentwintig gedetineerden behoorden in Ooltgensplaat. Deze evidente tegenstrijdigheid behoorde niet tot de errata in de delen 13 en 14 van Lou de Jong zijn opus magnum en moet dus als een onherstelde onjuistheid worden aangemerkt. Van Olst behoorde in ieder geval niet tot de eenentwintig.

G. Hasperhoven was een ondernemer. Hij was directeur-eigenaar van de Enschedesche Taxi Onderneming en garage 'Eeto' (Eerste Enschedesche Taxi Onderneming NV). Hij was voordien in Overdinkel vrachtwagenchauffeur. Hij werd zijdelings in verband gebracht met de uniformsmokkel, wat de aanleiding lijkt te zijn geweest tot zijn selectie voor de groep gedetineerden. Hij werd naoorlogs direct weer gearresteerd wegens (vermeende) collaboratie.

Feij, Van de Hoonaard en Proost

Drie communisten behoorden tot de eenentwintig. Zij waren het die volgens generaal Fabius ‘balans’ moesten brengen in de interneringsgroep, zodat de Duitsers geen gevoel van onbehagen zouden krijgen. Zoals Lou de Jong terecht kritisch terzake opmerkt, was er van balans echter helemaal geen sprake. Want vooreerst werden de Duitsers over de samenstelling en aard van de groep gedetineerden niet ingelicht en ten tweede waren achttien van de eenentwintig gedetineerden ontegenzeglijk van pro-Duitse signatuur. Er was bovendien onder de eenentwintig geen enkele arrestant met pro-Geallieerde signatuur. Van balans in relatie tot de vermeende neutraliteitsachtergrond was dus in het geheel geen sprake. Daar kwam bij dat van de drie communisten twee helemaal geen prominenten waren, hoewel zij (binnen de kaders van toenmalige afwegingen) wél potentieel staatsgevaarlijk waren. Slechts Adriaan Johannes Feij kon men – als leider van de reactionaire communisten – als prominent aanwijzen. Maar zijn voornaamste kompaan in het ondergrondse communistische werk, Joop Schaap, werd ongemoeid gelaten. Het totale CPN kader werd – in tegenstelling tot het NSB kader – eveneens met rust gelaten. De symboolcommunisten die naast Adriaan Feij wel tot het ‘uitverkoren’ gezelschap geïnterneerden behoorden, waren Jan van den Hoonaard en Johannes Proost.

De drie communisten waren in beeld gekomen door de levendige strijd die de inlichtingendienst gedurende de jaren dertig voerde met het communistisch activisme. Twee organisaties waren vooral in beeld: de communistische vakbonden [vooral de zogenaamde Internationale Zeemansclub] en een reactionaire groepering, die schuilging onder de naam Wollweber Groep. Dat was een reactionaire communistische cel, die analoog aan het gedachtegoed van de Duitse communist Ernst Wollweber [één der aanstichters van de beruchte muiterij in Kiel in november 1918], zich paramilitair activistisch wilde verzetten tegen zowel het fascisme als het kapitalistische westen. De Groep was van Duits-Belgisch-Nederlandse signatuur en werd door alle inlichtingendiensten in kaart gebracht. Omdat de groep bovendien goedkeuring van de Komintern [de internationale samenwerkende communistische entiteit] had, was zij één van de brandpunten voor aandacht van internationale veiligheidsdiensten, die over de Groep uitgebreid inlichtingen uitwisselden. Vanaf 1937 bleek dat de Wollweber Groep serieuze plannen ontwikkelde om westerse schepen, die wapens aan de Spaanse fascisten vervoerden, te gaan saboteren.

Adriaan Feij behoorde tot de Wollweber kern. In 1937 was hij het, die onder meer Jan van den Hoonaard rekruteerde voor de organisatie. Joop Schaap en Adriaan Feij waren zeer actief in de voornoemde scheepssabotage, waarbij de Spaanse communisten, door sabotage aan de schepen met voorraden voor de Franco aanhangers, zouden moeten worden geholpen. Centrum van dit verzet was evident Rotterdam, dat als voornaamste doorvoerhaven gold. Het was uiteindelijk Adriaan Feij, die in oktober 1937 bij de Belgisch-Nederlandse grens werd aangehouden met springstoffen bij zich. Zo liep hij tegen de lamp en het leidde indirect tot zijn internering. Jan van den Hoonaard was als lid van de Groep ook in beeld gekomen en dankte daaraan zijn uitverkiezing tot symboolcommunist op de lijst. Voor Jan Proost golden andere criteria, hoewel ook hij bij de Wollweber Groep actief was. Hij was echter ook buiten het ondergrondse werk een bekende bij de inlichtingendiensten, want Proost was communist van het eerste uur en lange tijd als CPN vertegenwoordiger afgevaardigde bij de Komintern geweest. Desondanks lijkt het aannemelijk dat zijn verbondenheid bij de Wollweber Groep de werkelijke aanleiding was voor zijn internering, want als zijn lidmaatschap van de Komintern de aanleiding was geweest, hadden ook andere gekende communisten tot de eenentwintig moeten behoren. Bovendien was van Proost bekend dat hij - aan de Boompjes in Rotterdam wonende - veel 'verdachte' personen ontving.

Opvallend is – om een paar laatste woorden aan de drie communisten te wijden – dat Lou de Jong kennelijk de sporen naar hun activistische verleden niet wist te vinden. In zijn bespreking van de internering in het deel Neutraal [4: blz. 280], suggereert Lou de Jong dat de drie communisten volkomen willekeurig waren geselecteerd en dat zij in feite slechts weinig betrouwbare oud-CP leden waren. Die versie van het gebeuren zij met bovenstaande uitleg weerlegd. De drie communisten waren weliswaar geen bekende Nederlanders, maar waren wel degelijk lieden die men vandaag de dag zou adresseren als personen met een terroristische signatuur. Hun internering is in die zin dus wel verklaarbaar, zij het dat men zich in goede moede kan afvragen waarom door de veiligheidsdiensten gekende saboteurs op 4 mei 1940 überhaupt nog vrij rondliepen …

Van Duynen, Geelen en Thomas

Een ander curieus gezelschap binnen de groep van eenentwintig, waren de drie mannen die tot de Philips inlichtingdienst behoorden. Het waren P.H.J. van Duynen, W.Th.M. Geelen en K.H. Thomas. Philips had vooroorlogs een uitgebreide bedrijfsinlichtingendienst, die echter vooral een sterk politieke signatuur had [zie voor meer bijzonderheden het verhaal over de Philips colonnes]. Men hield zich in oorsprong bezig met het zuiveren van de Philips gelederen, waarbij met name communistische en overige sociaalactivisten buiten de bedrijfsgelederen moesten worden gehouden. De chef van die Philips inlichtingendienst was Willem Dijs, die een der bekendste vooroorlogse communistenjagers van noordwest Europa was. Daardoor stond hij in contact met vele inlichtingendiensten, waaronder de Abwehr (en Gestapo), GS-III en vrijwel zeker eveneens de Franse en Britse inlichtingendiensten. In de laatste jaren voor de oorlog speelde deze particuliere inlichtingendienst echter hoog én dubbel spel. In het kader van de ambivalente politieke die de Philips directie speelde [het wedden op twee paarden], werd de Philips inlichtingendienst een vrijwel volwaardige politieke speler in het web der spionage en contraspionage activiteiten in Nederland. Daarbij was de voorkeur binnen de inlichtingendienst vooroorlogs duidelijk in Duits voordeel. Naast vele Abwehr agenten, die direct of indirect voor de dienst werkten, groeide de chef Willem Dijs uiteindelijk zelf ook toe naar uitgesproken pro-Duitse standpunten. Hij werd uiteindelijk in het eerste oorlogsjaar politiecommissaris in Eindhoven, na als zodanig door de Duitsers te zijn aangesteld.

Wilhelmus [Willy] Geelen was door Willem Dijs ingehuurd om inlichtingen te geven over communisten [7]. Later werd Geelen zelfs formeel Philips employee, ondanks het feit dat bekend was dat hij voor de Abwehr werkte. Bovendien was hij dubbelspion. Zowel Abwehr als GS-III kenden zijn dubbele standaard [7]. Maar beide organisaties meenden te profiteren, zowel ten aanzien van zijn kennis over communistische cellen als ten aanzien van de activiteiten van met name de Franse en Britse inlichtingendiensten in Nederland. Dat Geelen op de lijst stond, was dus geen verrassing.

Karel Thomas was een andere bekende. Deze was Limburg uitgezet [net als Geelen trouwens] wegens Jodensmokkel [7]. Die smokkel deed hij niet uit morele overwegingen, maar wegens geldelijk gewin. Thomas was een gekend anticommunist en in die zin in contact gekomen met Geelen. Omdat Karel Thomas bepaalde contacten met buitenlandse veiligheidsdiensten had, die Geelen goed uitkwamen, werd hij door deze gebruikt om voor de Abwehr te werken. Hoewel Thomas dat laatste wist, was hij zich niet bewust van het feit dat hij misbruikt werd. Hij kwam echter zodanig wel in beeld bij de veiligheidsdiensten en zo op de lijst van eenentwintig.

Zijdelings bij de Philipsgroep was ook betrokken de Abwehr agent Piet H.J. van Duynen, ook al Limburger. Deze was door Willy Geelen voor diens Abwehrwerk geworven en voordien al een fanatiek nationaalsocialist, maar net als Thomas en Geelen Limburg uit gewezen [7]. Eindhoven werd daardoor een centrum voor deze verbannen Limburgers met hun twijfelachtige moraal. Piet van Duynen werd echter spoedig een voorname Abwehr spion, die voor Willy Geelen niet onder hoefde te doen. GS-III werd middels de Philips inlichtingendienst ingeseind en wilde toen ook van Van Duynen gebruik gaan maken, zoals ook geschiedde. Het was de wijze waarop ook Van Duynen bij GS-III in beeld was gekomen en zodoende op de lijst der te interneren personen terecht was gekomen.

Zowel van Duynen als Geelen waren ‘grote vissen’, die beiden al begin mei 1940 voor hun arrestatie wisten vanuit hun Abwehr connecties dat de Duitse aanval ieder moment kon plaatsvinden. Karel Thomas daarentegen was een onbelangrijke Duitse V-Mann, die in feite nauwelijks waarde had. De drie werden als enige drie geïnterneerden overigens voor en na de oorlog buiten de pers gehouden. Hun sterke binding met de schimmige Philips inlichtingendienst en de omstreden chef daarvan, Willem Dijs, zag men kennelijk als publicitaire schade voor het bedrijf, die men liever vermeed. Bij de overweging niet al te veel ruchtbaarheid aan ‘de drie van Philips’ te geven zal de curieuze rol van GS-III zelf ongetwijfeld ook een rol gespeeld hebben. Overigens ontsprong het bedrijf Philips naoorlogs aan alle kanten een justitieel en moreel juist oordeel over haar dubbele moraal. Maar ook dat zal heel veel notabelen goed uitgekomen zijn, zoals zij in algemene zin de toorn handig wisten te ontlopen naoorlogs.

Het heeft er voorts de schijn van dat de in Waalre woonachtige A. Verhoef, ook behorende tot de eenentwintig, eveneens tot de kringen der Philips inlichtingendienst behoorde. Daarvan is echter door auteur dezes geen bewijs gevonden. Wel is er een aanwijzing, in de vorm van benoeming in de marge van de Philips inlichtingendienst in het vrij onthullende boek van Frans Dekkers [7]. Maar net als Karel Thomas lijkt de arrestatie van Verhoef meer voort te vloeien uit de schimmige Philips / GS-III relatie dan dat Verhoef nu werkelijk zo staatsgevaarlijk zal zijn geweest.

Van den Oord, Jelinger en Bouten

Arie van den Oord was een uitzonderlijke figuur op de lijst. Hij was (vermoedelijk) geen lid van de NSB, maar wel een bekend pro-Duitse Nederlander. Hij had jarenlang in Duitsland gewoond gedurende de jaren twintig en de eerste helft van de jaren dertig, maar was halverwege de jaren dertig naar Nederland teruggekomen. Dat zal hem in beeld hebben gebracht bij veiligheidsdiensten. Toen Van den Oord de uitgeverij ‘de Batavier’ oprichtte in 1937 en daar nationalistische werken uit ging geven, begon hij werkelijk op te vallen. Vooral omdat zijn geschriften – waarvan de brochure ‘Sluipend Gif’ en de antisemitische circulaire ‘de Misthoorn’ vermoedelijk de bekendste waren – opriepen tot een soort bloed en bodem denken en vooral tot ras- en cultuurzuivering. ‘De Misthoorn’, dat bij veel kenners van de bezettingsgeschiedenis bekendheid geniet, werd in eerste instantie uitgegeven onder de naam ‘Ons Volksbelang’. In 1938 wijzigde de titel in het weinig verhullende ‘Orgaan van het Comité tot bestudering van het Joodse vraagstuk’. In november 1939 werd een editie door justitie uit de handel genomen wegens verregaande opruiing en belediging. Daarna werd de druk van de circulaire naar Duitsland verplaatst. Van den Oord zijn statuur was die van opruier en fervent antisemiet. Dat leverde hem de aanwezigheid in het ‘illustere’ gezelschap op Ooltgensplaat op.

Frans Eduard Hubert Jelinger uit Haarlem was een internationaal handelaar, wat men in die dagen een koopman noemde, die o.a. handel dreef met Duitsland. Hij woonde of verkeerde zonder woonvergunning in Rotterdam en was - gegeven een aantekening in het bevolkingsregister al daar - zonder paspoort. Er is over deze man aan auteur dezes geen bekend compromitterend voorval te plakken, behoudens enige economische delicten en veroordelingen. Vermoedelijk was hij in Limburg persona non grata, zoals meerdere van de 21, want in Rotterdam stond bij zijn naam de opmerking 'Geen paspoort verstrekken zonder voorkennis van den Commissaris der Koningin in Limburg (24/VI/'39)" [11]. Hij leek geen NSB lid te zijn geweest tot aan zijn arrestatie.

A.G. Bouten was een door een krant ge-employeerde. De media werd medegedeeld dat hij als journalist werkzaam was, maar zou vooral als acquisiteur voor advertenties actief zijn geweest. Ook Bouten is t.a.v. zijn vermeende staatsveiligheid niet nader bekend.

Overige gedetineerden

De motivaties die gelden voor de overige gedetineerden zijn onduidelijk. De bronnen geven hierover geen uitsluitsel. Het betreft personen waarvan het onbekend is in welke vorm of gradatie zij aan de criteria van ‘potentieel staatsgevaarlijk’ voldeden. Voor hen geldt slechts dat duidelijk is dat zij als staatsgevaarlijk beoordeeld waren.

De meidagen

Op 4 mei 1940 kwamen de eerste gevangenen aan. Dat waren de vier mannen uit Eindhoven en omgeving, ofwel de Philips groep. Zij waren reeds in de vroege ochtend van 4 mei gearresteerd en werden direct die ochtend nog op transport gezet naar Ooltgensplaat. In de loop van de dag en de volgende ochtend arriveerden de anderen op de lijst eveneens te Ooltgensplaat. Ze werden daar in barakken ondergebracht.

Van het uitbreken van de oorlog enkele dagen later merkten de gedetineerden niet veel. Het was wel duidelijk uit de houding der bewakers, beroepsmilitairen van het Korps Politietroepen, dat er extra spanning heerste. Pas nadat nabij het Fort enige Duitse luchtacties hadden plaatsgevonden werd de, voor de meeste gedetineerde verheugende, nieuwe omstandigheid duidelijk. Op de 13e mei viel de telefoonverbinding van het fort uit, zoals blijkt uit het verslag van directeur Molenaar [2]. Daarop vertrok de directeur naar het nabijgelegen Middelharnis om aldaar telefonisch contact te maken bij de dichtstbijzijnde militaire autoriteit, de commandant van de Groep Spui, kolonel de Brauw. Hij wilde weten hoe te handelen toen duidelijk was dat de Duitsers zijn fort rap naderden.

Het telefoongesprek dat vanuit Middelharnis met de kolonel werd gevoerd moet enerverend zijn geweest. In die fase van de strijd was er grote paniek bij de verdediging ten noorden van het Hollands Diep. Naar aanleiding van een Duitse tankaanval over de brug bij Barendrecht op 13 mei, was men bij Groep Kil volkomen de weg kwijt geraakt. De tankaanval was weliswaar afgeslagen – waarbij drie tanks uitgeschakeld op de Barendrechtse brug waren blijven staan – maar de brugverdediging van 3.GB was desondanks in paniek op de loop gegaan. Zij verspreidden het bericht dat de Duitsers de Hoekse Waard in kwamen met tanks, waarop de staf van Groep Kil besloot de Groep te evacueren naar de westzijde van het Spui. Het betekende dat Groep Spui ook westelijk moest opschuiven en de commandant van Groep Kil, de kolonel van Andel, het integrale commando over zou noemen (zoals vooroorlogs was bepaald). Toen directeur Molenaar met de staf van Groep Spui contact kreeg, vertelde kolonel de Brauw hem dat hij geen troepen voor de verdediging van Goeree kon leveren omdat hij net bevel had gekregen zijn stafkwartier te ontruimen en met zijn troepen nieuwe posities in te gaan nemen. Desondanks adviseerde de kolonel aan Molenaar om rustig met zijn gedetineerden te blijven zitten. Dat was voor Molenaar geen optie. Toevalligerwijs bood zich een oplossing aan. De reserve 2e luitenant der vaartuigendienst Drost was per toeval ook in Middelharnis, nadat hij had geassisteerd bij het overzetten van een colonne van de Philips fabrieken. Toen Molenaar hem de kwestie voorlegde belde de luitenant met de staf van Groep Spui en kreeg na enig aandringen toestemming assistentie te verlenen aan Molenaar om de gedetineerden en de circa 45 man bewaking en fortpersoneel over te brengen naar Zeeland.

Voor Molenaar was e.e.a. een pak van zijn hart. Hij was in de veronderstelling geweest anders de gedetineerden vrij te moeten laten. In zijn verhoor voor de enquête commissie gaf Molenaar aan dat hij om meer dan één reden daarin een zwaar gemoed had: “Ik heb in mijn notities staan: roemloze dood! Ik had Arends [sic] in de strafcel en als deze was vrijgekomen zou hij zich onmiddellijk op mij hebben gewroken.” [2] Volgens Molenaar was Arendse echter niet door zijn bewaking in de cel gezet, maar door de overige gedetineerden! Zijn citaat gaf een klein beetje informatie vrij over de perikelen, die onder de gedetineerden leefden. Want daarover is nauwelijks iets bekend. Luitenant Punter gaf in zijn verslag echter aan dat Arendse was vastgezet omdat hij met witte doeken zwaaide toen Duitse vliegtuigen overkwamen. Een heel andere versie dus, hoewel ook de luitenant de geïnterneerden als makke schapen betitelde [3]. Geïnterneerde Willy Geelen gaf over de onderlinge sfeer ook een en ander prijs, en gaf vooral aan hoe Rost van Tonningen en Feldmeijer het hoogste woord hadden zo lang er geen spanning heerste. Maar als er in de buurt geschoten werd, deden ze het in hun broek. [7] Hoe het ook zij, volgens Molenaar gedroegen de gedetineerden zich tegenover de bewaking ‘als lammeren’. [2] Dat moeten we dan maar aannemen.

Groep Spui adviseerde naar Zierikzee [Schouwen-Duiveland] te gaan. Onder leiding van de luitenant Drost werden twee modderschuiten gerekwireerd. [2, 9] Daarop werden gedurende de nacht de gedetineerden en de circa 45 man bewaking geladen en werd richting Bruinisse gevaren, waar men bij de haven aan het Zijpe aan land kwam. Aldaar werd in het kantoor van de havenmeester contact opgenomen met de Commandant Zeeland [CZ], schout-bij-nacht Van der Stad. Deze adviseerde Zierikzee te verlaten en richting Wilhelminadorp te gaan, ten noorden van Goes [8]. Dat was in de ochtend van 14 mei achter de nog intacte Nederlandse verdedigingslinies, die op Zuid-Beveland lagen [Bathlinie en Zanddijkstelling]. [2, 9]

In de ochtend van 14 mei werd men bij Wilhelminadorp opgevangen door de Franse verdediging van de kustlijn van Zuid-Beveland, die de groep twee uur lang ophield. [2, 9] Van daaruit werd men naar Ellewoutsdijk doorgestuurd, dat precies aan de andere zijde van Goes lag aan de Westerschelde. Aldaar waren gedurende de eerste oorlogsdagen de ongewenste vreemdelingen van Walcheren en Zuid-Beveland geïnterneerd. Dat depot werd bewaakt door de gewone politie. Directeur Molenaar voelde zich in het geheel niet comfortabel met de situatie en ging met een personenauto, vergezeld door de luitenant Drost, naar Middelburg om de CZ te verzoeken naar Terneuzen te mogen oversteken. Na enige tegenwerpingen gelukte het beide heren de schout-bij-nacht te overtuigen, zodat men toestemming kreeg de Westerschelde over te steken. Te Hoedekenskerke werden twee kleine schepen gerekwireerd waarmee op 15 mei werd overgestoken. De strijd was toen inmiddels opnieuw erg dichtbij gekomen, omdat de Bathlinie intussen na zwak Nederlands optreden al was gevallen en de Zanddijkstelling op het punt stond te worden doorbroken.

Het korte verblijf te Zeeuws-Vlaanderen

Toen men laat op de 15e mei in Terneuzen [Zeeuws-Vlaanderen] aankwam, wemelde het daar van de Franse militairen van met name 270.RI [60.DI], die bovendien doodnerveus waren. De strijd ging volkomen de verkeerde kant op. Ten noorden van de Westerschelde waren de Duitsers erin geslaagd door de linies op Zuid-Beveland heen te breken en er hadden rond Kapelle hevige gevechten plaatsgevonden. De Fransen zelf waren grotendeels op de terugtocht, maar de eenheden van 60.DI en 68.DI die in de sector waren moesten achterblijven in de regio om de kust te verdedigen. Bij Bergen op Zoom waren de Fransen door de SS Verfügungsdivision verjaagd, maar de Duitsers hadden niet nagedrongen en waren rond de Belgische grens blijven liggen. Aan Franse zijde was er echter sprake van grote paniek. De desorganisatie in Zeeuws-Vlaanderen werd nog eens versterkt door de aanwezigheid van restanten van tientallen Nederlandse eenheden, binnengetrokken Belgische troepen alsmede de al geadresseerde Fransen. En uiteraard was het laatste restje onbezet Nederland vergeven van de vluchtelingen. Tegen die achtergrond kostte het de groep bewakers met hun gedetineerden een volle dag om in Sluis te komen. Daarbij moesten zij tot wel zes maal van vervoer wisselen omdat telkens onderweg de gerekwireerde vervoersmiddelen door Franse militairen weer werden afgenomen. Na de Nederlandse capitulatie waren de Nederlanders niets meer voor de Fransen, maar bovendien had de CZ al tijdens de meidagen het militair gezag over Zeeuws-Vlaanderen aan de Fransen overgegeven. De Nederlanders hadden het dus maar te pikken dat ze telkens hun vervoersmiddelen kwijtraakten.

In Sluis waren op twee locaties Duitse Joden ondergebracht, die tijdens de mobilisatieperiode geïnterneerd waren. Die groepen waren gescheiden naar geloof. In het ene depot waren protestante, in het andere depot katholieke Joden ondergebracht. Deze merkwaardige religieuze scheiding lijkt niet goed verklaarbaar. Zij is voorts opvallend omdat men in casu dus slechts van etnische Joden kon spreken en niet van religieuze Joden. Een zaak die ook de Duitsers tijdens de oorlog nog parten zou spelen, daar Christelijke Joden slechts op etniciteit en niet op geloof konden worden geadresseerd als ‘Jood’. Tegen de achtergrond van het verhaal van de gedetineerden, ontstond echter het bizarre gegeven dat directeur Molenaar in Sluis opdracht kreeg alleen de protestante Joden mee te nemen, toen hij opdracht ontvangen had naar Frankrijk uit te wijken. Op zijn verklaring daartoe voor de Enquête Commissie werd door de voorzitter geen enkele verklaring gevraagd voor die opvallende selectie.

Eén en ander betekende dat het gezelschap sterke aanwas kende. In Ellewoutsdijk had men reeds de aldaar geïnterneerde ongewenste elementen doen laten aansluiten en bij Sluis werden zo’n honderd [sommige bronnen noemen een getal van 115] protestante Joden toegevoegd. Daarbij werd ook een truck op de kop getikt, waarin veel van de Joodse geïnterneerden werden ondergebracht. Dat geheel aan geïnterneerden, dat inmiddels dus tegen de 150 man liep, werd bewaakt door een totaal van circa 80 man, Politietroepen en Marechaussees. Daar waren ook nog een aantal kaderleden bij gekomen. Ten eerste was daar de staf met commandant van de 1e Divisie Koninklijke Marechaussee, die uit Noord-Brabant komende via Walcheren in Sluis waren terecht gekomen (waar een KMAR station was). Majoor der KMAR Den Beer Portugael was hun commandant. Volgens directeur Molenaar was daarbij tevens aangesloten de reserve 1e luitenant M. de Groot, naar zijn zeggen advocaat in Rotterdam in het burgerleven [2]. Deze is op kaderlijsten niet te traceren, maar kwam uiteindelijk wel in het Verenigd Koninkrijk aan, dus zal Molenaar zijn getuigenis vermoedelijk juist zijn. Het was in elk geval de majoor Den Beer Portugael die het bevel over het geheel overnam te Sluis. Maar daarbij speelde nog een curieus voorval een rol. Te Sluis verscheen – naar verluid – namelijk ineens ZKH Prins Bernhard met zijn adjudant ten tonele!

ZKH Prins Bernhard was vanuit België in Sluis aangekomen. Hij was samen met zijn adjudan,t overste H.J. Phaff, op 15 mei met een Britse destroyer vanuit Engeland teruggekeerd naar het continent en bij Duinkerken weer aan wal gekomen op de 16e. Met een gevorderde auto reed het gezelschap naar Zeeuws-Vlaanderen waar de Prins in de dienstwoning van de lokale KMAR commandant, een opperwachtmeester, te Sluis overnachtte. In Sluis had ZKH een onderhoud met CZ Van der Stad, in de morgen van 17 mei. In café Sanders-de Paauw [10]. Nadien gaf de CZ aan majoor Den Beer Portugael opdracht om de gedetineerden naar België af te voeren. Er werd opdracht gegeven om naar Lissewege [bij Brugge] te vertrekken. Onbekend is waarom specifiek naar die locatie. Het was een plaats in het Reduit National, de Belgische equivalent van de Vesting Holland.

Aan het verhaal te Sluis zit nog een anekdote vast, die niet wegens de historische betrouwbaarheid, maar wegens de curiositeit wordt vermeld. De biografie van Prins Bernhard die in 1979 verscheen meldde een aardige dialoog tussen de Prins en zijn adjudant:

In Zeeuws Vlaanderen zag prins Bernhard een vrachtwagen vol NSB-ers, die naar Frankrijk werden gebracht om daar terecht te staan. Ze brachten brutaal en met opgeheven hand de nazigroet. Bernhard reed snel naar de colonne, sprong uit zijn wagen en dwong de colonne te stoppen. “Waarom al die onzin?”vroeg hij de bevelvoerende officier. “Laten we ze onmiddellijk hier neerknallen”. “Dat kunnen we niet doen”, zei zijn eigen adjudant kolonel [sic] Phaff. “Waarom niet? Zij doen het ook”. “Wij moeten anders zijn”, antwoordde kolonel Phaff. “

Het gehele gebeuren vond vrijwel zeker helemaal niet plaats. Hoewel de Prins net als de gedetineerden in Sluis zat, geeft geen der gehoorde personen voor de Enquête Commissie over dit gebeuren ook maar de geringste vingerwijzing. Phaff werd driemaal verhoord door de Commissie, hoewel men hem over Zeeland geen vraag stelde. Directeur Molenaar en luitenant Punter werden beiden uitvoerig gehoord over het transport van de gedetineerden, maar ook zij zeiden geen woord over de Prins. In een beknopt krijgsverslag gaf luitenant Drost ook een beschrijving van de tocht, maar ook daarin geen woord over ZKH. In het over het geval eveneens zijdelings beschrijvende boek van Frans Dekkers [7] wordt door de auteur verwezen naar een brief van gedetineerde Geelen. Die schreef hem “dat liegt prins Bernhard. We hebben hem nooit gezien, we zijn destijds niet in een open vrachtwagen vervoerd, laat staan dat we brutaal de nazi-groet gebracht hebben. Dan zouden we gelijk zijn neergeknald. Hij fantaseert.” En die laatste suggestie van Geelen lijkt niet onlogisch. Maar altijd blijft ook de mogelijkheid open dat de betrokken functionarissen om het transport heen zwijgplicht hebben gekregen. Het is immers wel toevallig dat de Prins tegelijkertijd in Sluis aanwezig was, wat een vaststaand feit is. Een onverhoopte ontmoeting, met de uit de biografie volgende gebeurtenis, kan niet uitgesloten worden. Onwaarschijnlijk lijkt het echter wel.

De grens over

Zo vertrok in de ochtend van 17 mei, met gevorderde vrachtwagens, een trailer en bussen, een gezelschap van zo’n 200 mensen richting Brugge. Voorop reed Molenaar in een personenauto met voor hem een motorordonnans. De achterste vrachtwagen werd door luitenant Punter zelf gereden, bij gebrek aan gekwalificeerde chauffeurs. Dezelfde dag kwam men in Lissewege aan, maar daar werd de colonne onmiddellijk doorgestuurd naar Duinkerken, de bekende Franse kustplaats vlak onder de Belgisch-Franse grens. Toen op 18 mei de colonne in Duinkerken aankwam werd men daar namens de garnizoenscommandant direct doorgestuurd naar Béthune, waar een Frans interneringskamp was [2, 3].

Béthune is een stadje in Pas-de-Calais, ten zuidwesten van Lille. Het ligt zo’n 50 km van Duinkerken vandaan. Toen men op 18 mei daar aankwam, was de Duitse oorlogsmachine al vlakbij, want de regio lag precies op het pad van de voorste tankdivisies van de Panzergruppe Kleist, die enkele dagen voordien uit de Ardennenregio was uitgebroken en op weg was naar de kust bij Calais. Het Franse leger was inmiddels in totale chaos en paniek. Daarvan merkte de Nederlanders het een en ander. Toen men zich in Béthune meldde, in de late avond van 18 mei, weigerden de Franse commandant de geïnterneerden over te nemen. Wel werden de Joodse mensen in het interneringskamp opgenomen [2, 3]. Of de lokale Zeeuwse geïnterneerden toen nog van de partij waren, meldt geen enkel verslag. Maar er gebeurde meer in Béthune.

In Frankrijk was de Vijfde Colonne paniek minstens zo groot als in Nederland, hoewel menig gerenommeerd historisch geschrift dit fenomeen onterecht als Nederlandse ziekte aanmerkt. Directeur Molenaar had in Brugge een Duits-Joodse vrouw in zijn personenauto meegenomen, omdat zij hoogzwanger was en de rit in een bus haar slecht zou kunnen bekomen. Nadat het gezelschap bijna 24 uur in de auto had gezeten, besloot de directeur in Béthune aangekomen, samen met de vrouw in een café wat te gaan drinken. Maar omdat de vrouw Duits was, ontstond spoedig een conversatie tussen de twee in het Duits. Dat werd opgevangen en prompt volgde een arrestatie. Pas na middernacht werd Molenaar weer vrijgelaten [2]. Toen was de rest van het Nederlandse gezelschap alweer vertrokken, want de ‘Commandant de la place’ [kantonnementscommandant] had met een getrokken revolver de Nederlanders weggejaagd, zeggende dat voor hen geen plaats was in het stadje [2, 3]. Ze kregen opdracht naar Ambleteuse te gaan, en kregen een Franse officier mee als gids en vrijgeleide. Ambleteuse is een kustplaats tussen Calais en Boulogne.

Zodoende was de colonne niet alleen haar Joodse geïnterneerden inmiddels kwijtgeraakt, maar evenzo opgesplitst. Want directeur Molenaar moest het gezelschap, met de eenentwintig gedetineerde prominenten, nareizen. Voor de Joodse achterblijvers zou hun internering in Béthune een ramp blijken. Ze werden kort na de strijd direct door de Duitsers overgenomen en naar verluid zou geen hunner de oorlog overleven.

Eenmaal aangekomen in Ambleteuse constateerde Molenaar dat de colonne onder luitenants De Groot en Punter inmiddels was aangekomen en men de eenentwintig geïnterneerden in het Franse kamp aldaar had afgeleverd. Op zijn verzoek werden de gevangenen aan Molenaar getoond [2]. Luitenant Punter had zelf de geïnterneerden aan het kamp afgeleverd, had bij de Fransen met zijn detachement zijn wapens moeten afgeven en had daarna opdracht gekregen naar Rouen [Rouaan] te vertrekken met zijn gezelschap politietroepen [3]. Dat was weer een flinke rit, deze keer naar de regio Le Havre. Aldaar aangekomen verbond de luitenant zich met de Nederlandse legatie in Parijs, om verslag uit te brengen over de zaak en te melden dat de geïnterneerde prominenten aan de Fransen waren overgegeven. Vanuit de legatie werd gemeld dat men zich moest neerleggen bij Franse aanwijzingen en bevelen [3].

Nadien volgde voor de Nederlanders nog allerhande omzwervingen alvorens men – officieren en minderen – uiteindelijk in het Verenigd Koninkrijk belandde. Het merendeel van het gezelschap vertrok – samen met andere Nederlanders die verzameld waren – vanuit Calais naar de overkant. Van de grote groep Nederlanders die zodanig naar het Verenigd Koninkrijk kwam, zou het overgrote deel actief in militaire dienst (moeten) blijven gedurende de oorlog.

De paden der geïnterneerden na hun ‘bevrijding’

Enkele van de geïnterneerden zouden nog opzien baren met hun gekozen levenspaden na hun bevrijding door de Duitse troepen die op 26 mei Calais innamen. Het is als epiloog wellicht interessant enkele van hen uit te lichten.

De drie communisten

Voor achttien van de eenentwintig was de Duitse onderschepping van hun groep een bevrijding. Voor de drie communisten gold dit vanzelfsprekend niet. Zij werden als staatsgevaarlijk gezien door de Duitsers en direct gearresteerd. Alle drie werden uiteindelijk naar Hamburg getransporteerd waar zij door de beruchte Gestapo communistenjager Kriminal-Kommissar Peter Kraus onderhanden werden genomen. Feij besloot snel eieren voor zijn geld te kiezen en beloofde de Gestapo het gehele Nederlandse en Belgische Wollweber netwerk uit te leveren, en slaagde in die opzet. Het leidde tot tientallen doden, waaronder zeven Nederlandse communisten. De beide andere Nederlanders verdwenen in concentratiekampen en kwamen daar om. Feij werd naoorlogs in Nederland veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf.

Voor de overige gedetineerden was er de vrijheid. Vrijwel allen – op Geelen na, die nog enige maanden in Frankrijk bleef, dat hij als Abwehr agent zo vaak had bezocht – vertrokken spoedig terug naar Nederland. De in vrijheid stelling leverde nog een fraaie anekdote op, die mogelijk accuraat is, maar net zo goed flink kan zijn aangezet door de verteller, Willy Geelen. In het boek van Frans Dekkers vertelt Geelen het volgende:

Midden in de nacht begonnen de beschietingen [AG: van Calais]. Rost van Tonningen en Feldmeijer scheten in hun broek. Maar toen na de inname van Calais een Duitse Feldwebel in de fabriek verscheen, hadden beiden weer het hoogste woord. Toen die man door een luik keek en vroeg “Sind die 21 auch hier”?  veerde Rost van Tonningen op “Ja, ich bin der Führer”. Piet van Duynen kon zich niet inhouden. Hij zei: „Leck mich am Arsch, du katjang … je hebt je hele broek volgescheten.”

Het lijkt een verhaal dat is aangezet, wellicht helemaal verzonnen. Maar een anekdote die wel als kleurrijke curiositeit vermeldenswaardig lijkt.

Feldmeijer en Rost van Tonningen

Dat het met die angshazerij van Rost van Tonningen en met name Feldmeijer wel zal hebben meegevallen, zou uit hun oorlogscarrières wel blijken. Zeker wat betreft Feldmeijer, die in de Waffen SS indruk zou maken. Hij werd tijdens de oorlog een vertrouweling van de beruchte hoogste SS chef in Nederland, Rauter. Zodoende ook de voorman van de Nederlandse SS. Als kanonnier diende Feldmeijer in 1941 zelfs in de SS Leibstandarte Adolf Hitler, later bij SS Wiking als onderofficier en werd uiteindelijk tot Untersturmführer [2e luitenant] bevorderd. Uiteindelijk kwam Feldmeijer terecht bij de Landstorm Nederland, die prominent tegen de Canadezen en Britten zou vechten bij de bevrijding van Nederland. Toen hij begin februari 1945 tot bataljonscommandant van de Landstorm Nederland en Hauptsturmführer [kapitein] werd bevorderd, was het einde van zijn carrière en leven nabij. Op 22 februari 1945 kwam hij mysterieus om het leven. De officiële verklaring is dat hij door een Geallieerd vliegtuig in zijn auto werd doodgeschoten, maar er worden ook hardnekkige suggesties als liquidatie en moord door eigen mensen gehoord.

In Nederland werd Feldmeijer vooral berucht om zijn betrokkenheid bij de perfide organisatie die achter de Operation Silbertanne zat. Het ‘Sonderkommando Feldmeijer’ was prominent betrokken bij de wraakmoorden die onder de Silbertanne dekmantel werden uitgevoerd en waarbij vaak willekeurige notabelen, meestal in eigen huis of op eigen terrein, werden vermoord als wraak voor verzetsacties in den lande. Feldmeijer stond voorts bekend om zijn corruptie en bandeloze leven. Een reden waarom bij zijn mysterieuze dood wel eens verklaringen worden gezocht, die in de richting van moord door wraaklustigen of zelfs eigen mensen wijzen.

Rost van Tonningen zou zoals bekend een prominente rol in de NSB opeisen. Hoewel Rost van Tonningen pogingen deed tot de SS toe te treden, had hij moeite zijn stamboom antecedenten te produceren wegens zijn geboorte in Nederlands-Indië. Als nazibestuurder gooide hij echter hoge ogen en bekleedde hij meerdere hoge bestuursfuncties in Nederland. Uiteindelijk werd hij in 1944 toch toegelaten tot de SS, zij het de Nederlandse, en kwam hij in opleiding tot officier. Vanaf maart 1945 deed hij als Untersturmführer [2e luitenant] dienst, vlak voor de Duitse capitulatie nog tot Obersturmführer [1e luitenant] bevorderd. Toen volgde krijgsgevangenschap. Hij werd met andere oorlogsmisdadigers opgesloten in Utrecht, later in het bekende huis van bewaring in Scheveningen. Daar kwam hij op 6 juni 1945 mysterieus om het leven. De officiële lezing was dat hij zelfmoord pleegde, maar moord door de bewakers of om reden van bepaalde kennis die hij over anderen droeg kan beslist niet worden uitgesloten. Zijn weduwe Florry Rost van Tonningen-Heubel zou nog tot haar dood in 2007 haar man’s overlijden als moord blijven bestempelen.

De overige geïnterneerden

De meeste van de overige geïnterneerden zouden tijdens de oorlog actief voor de NSB worden of blijven. Anderen namen dienst bij de Nederlandse of de Waffen-SS. Karel Thomas trad toe tot de SS, Geelen bleef actief voor de Abwehr als officier. Geelen werd naoorlogs verdacht van verraad van diverse Nederlanders, maar wist veel over Nederlanders van statuur. Als één van de weinige collaborateurs met veel kennis van de rol, die prominente Nederlanders tijdens en voor de oorlog speelden, overleefde Geelen de eerste twee jaar van de naoorlogse zuivering. Hij kreeg levenslang opgelegd, maar zat maar tweeënhalfjaar uit. De legitieme vraag kan gesteld worden wat Geelen van prominente Nederlanders (en bijvoorbeeld de rol van Philips wist), wat het daglicht niet kon verdragen en waarop zijn straf zo werd gekort. Jelinger zat naoorlogs in Rotterdam in de strafgevangenis in afwachting van zijn berechting, maar overleed in juli 1946 voordat er vonnis gewezen kon worden.

Over de niet in detail besproken geïnterneerden valt ook nog het een en ander op te merken, maar lijkt op deze plaats niet relevant.

Slotwoord

De eenentwintig gedetineerden van Ooltgensplaat zijn altijd maar mondjesmaat besproken geweest in de geschiedenisboeken. Opvallend is het hoe slecht Lou de Jong bleek te zijn geïnformeerd omtrent hun achtergronden en zelfs hun namen. Dat terwijl hun namen al in 1949 bekend werden middels de uitgegeven verhandelingen van de Parlementaire Enquête Commissie. Maar ook de PEC zelf lijkt voor de geïnterneerden op zich niet erg veel aandacht te hebben gehad. Zij ondervroeg weliswaar veel van de betrokkenen, maar een duidelijke motivatie tot waarheidsvinding leek anno 1948 niet bij de Commissie te leven. Zoals de PEC sowieso weinig indrukwekkend te werk is gegaan ten aanzien van haar onderzoeksdrift. Er bleek duidelijk een ambitie om kool en geit te sparen.

Zo kan het bestaan dat tot de dag van vandaag geen enkel boek een duidelijke verhandeling schreef over de prominente geïnterneerden. Het meer dan boeiende, maar evenzo complexe, dossier rond de Philips inlichtingendienst, die een wel erg curieuze rol speelde voor de oorlog, en de merkwaardige – ja haast willekeurige – samenstelling van de lijst van eenentwintig is daardoor nooit werkelijk kritisch voor het grote publiek beschouwd. Want hoe merkwaardig was het dat op Rost van Tonningen en Feldmeijer na, vrijwel alle prominente spionnen en nationaalsocialistische coryfeeën de dans ontsprongen?  Kleine spelers werden gearresteerd, maar de kopstukken van de NSB en NSNAP stromingen, de meeste gekende Duitse spionnen en de communistische kopmannen ontsprongen stuk voor stuk internering. En daarbij lijkt de rol van GS-III en de opperbevelhebber in het geheel niet kritisch te zijn bekeken. GS-III is naoorlogs nauwelijks onderzocht, terwijl daar alle aanleiding toe was. Hoe onverklaarbaar ambivalent was GS-III, toen diens chef generaal Fabius verklaarde bezwaar te hebben tegen een massale internering van verdachte elementen tijdens de neutraliteitsperiode, terwijl men tegelijkertijd voor alle buitenlandse inlichtingendiensten zichtbaar, dubbel spel speelde bij het Venlo incident en de Philips inlichtingendienst? Hoe merkwaardig was het dat generaal Winkelman zich enerzijds waakzaam toonde bij de aanstelling op voorname functies van officieren die verdacht werden van pro-Duitse en/of NSB sympathieën, zich net als zijn voorganger opwond over de beperkte middelen ter bestrijding van spionage, maar tegelijkertijd geen aanleiding zag de voorman van de NSB of andere verdachte spionnen te interneren?

Stuk voor stuk valide vragen die iedere terzake geïnteresseerde historicus zouden moeten prikkelen. Maar de dossiers terzake zijn nog allemaal opgeborgen achter slot en grendel. Is er dan werkelijk zoveel af te schermen van het publieke domein, is er dan zoveel besmeurends te vinden voor reputaties, die tot op de dag van vandaag onterecht smetteloos zijn? Het heeft er wel de schijn van. De eenentwintig geïnterneerde prominenten – en vooral de wijze waarop hun selectie tot stand kwam – geven iedere aanleiding te denken dat de nationale archieven nog heel wat prijs te geven hebben.

Bronnen

[1] Verslag Parlementaire Enquête Commissie [PEC], dl. 2A/B, blz 58-59 [1949]
[2] PEC, dl. 2C, verslag W.P.C. Molenaar [1948]
[3] PEC, dl. 2C, verslag 1e luitenant K. Punter [1948]
[4] Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 2 Neutraal, L. de Jong [1969]
[5] Persoonlijk verslag reserve 2e luitenant P.N. Drost
[6] PEC, dl. 2A/B, bijlage 58
[7] ‘Eindhoven 1933-1945’, Frans Dekkers [1982]
[8] Verklaring W.J. van Hoboken [g.d.]
[9] Samenvattend verslag NIMH archief ‘Detachement geïnterneerden te Ooltensplaat [g.d.]
[10] ‘Zeeland 40-45’ deel 1, L.W. de Bree [1979]
[11] Genealogisch onderzoek door mw. Y. Schuak [2015]

Literatuur

- ‘Torens, wallen en koepels’, Rudi Rolf [2007]
- ‘Kustversterkingen 1900-1940’, J.R. Verbeek [1988]
- ‘De organisatie Wollweber’, Hans Dankaart en Rudi van Doorslaer [1979]
- ‘De NSB’, Robin te Slaa en Edwin Klijn [2009]
- ‘Prins Bernhard – een politieke biografie’, Wim Klinkenberg [1979]

NB: het bovenstaande door auteur geschreven artikel verscheen eerder in publicatievorm als een hoofdstuk in het boek 'De Tweede Wereldoorlog op Goeree Overflakkee' van Stichting WO2GO. Het artikel is nadien nog op enige elementen aangevuld.